MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Ian Dury - New Boots and Panties!! (1977)

poster
3,5
In februari 1978 maakte ik als jonge tiener kennis met Sex & Drugs & Rock 'n' Roll. Het haalde (meen ik) #5 in mijn persoonlijke top 15, die ik wekelijks noteerde. In de Nationale Hitparade werd het #11 in maart, in Vlaanderen #12. Opgenomen van de radio, zorgde ik ervoor dat ik het bandje niet afspeelde in bijzijn van mijn ouders...
Ik wist niet dat Ian Dury al in 1975 een plaat uitbracht onder de naam Kilburn & the High Roads; wel vertelden de dj's van Hilversum 3 ons dat de hit in de ban was gedaan door de BBC, zodat het bij de Britten geen hit werd. Ook wist ik niet dat de single oorspronkelijk ontbrak op de 1977-versie van New Boots and Panties!!, wat in de 1978-persing werd "gecorrigeerd" door het de B-kant te laten aftrappen.
Mij eveneens onbekend was dat Dury met een andere non-albumsingle wel in het Verenigd Koninkrijk scoorde: What a Waste werd er in mei #9, de hoogst genoteerde single van het Stifflabel ooit.
In juli 1978 haalde albumopener Wake up and Make Love with Me als single nog eens #32 bij de NOS en #26 bij de BRT.

Hitsingles waren mijn voornaamste gids in het land van popmuziek. Maar New Boots and Panties!! is een gevarieerd en bij vlagen sterk album, waarbij de pubrocker naadloos wist aan te sluiten bij de new wave die in de slipstream van punk steeds nadrukkelijker de kop opstak.
Na Kilburn was hij nog even actief als Ian Dury & The Kilburns, waarvan werk op de 2004/2cd-versie van dit New Boots is te horen. Twee jaar na Kilburn blijkt zijn muziek een duidelijke ontwikkeling te hebben gemaakt, mede dankzij begeleidingsgroep The Blockheads, dan nog in wording. Zo schreef toetsenist-gitarist Chaz Jankel mee aan bijna alle nummers en klinkt dankzij drummer Charley Charles en bassist Norman Watt-Roy een lenige band, perfect voor Dury's originele en expressieve zang. Verdwenen zijn de West-Indische en jaren '50 jazzinvloeden van Kilburn en evenmin klinkt de groep als pubrockers die hun muziek in blues doopten.
Tegelijkertijd zet Jankel zijn synthesizer en piano even frequent in als zijn gitaar, anders dan Britse new wave in 1977 deed, The Stranglers uitgezonderd. Zoals in het dansbare Wake up, dat een eigen geluid kent. Conservatiever is Sweet Gene Vincent, een knipoog naar jaren '50 rock 'n' roll.
I'm Partial to Your Abracadabra is eveneens swingend met een rockende gitaarpartij, de herinneringen van My Old Man bevatten een lichte reggae-invloed met sterk basspel. De A-kant besluit met Billaricay Dickie, dat met zijn vaudeville-achtige aanpak teruggrijpt op Kilburn.

Clevor Trever was oorspronkelijk geschreven voor Dury's maatje Wreckless Eric, maar blijkt met zijn funk zeer passend bij deze vernieuwde Dury; in de brug wordt bijna gerapt. If I Was with a Woman lijkt een vervolg op de albumopener en Blockheads is de rocker waar Dury het schuurpapier in zijn stembanden opzoekt.
Plaistow Patricia is nog een nummer dat alleen al vanwege de scheldwoorden in de opening niet bij de BBC kon worden gedraaid, met bovendien een dansende en scheurende saxpartij van Davey Payne. Met afsluiter Blackmail Man laten Dury en zijn groep horen dat zij op de hoogte waren van de punkrevolte; dit met een gemeen knallend nummer van slechts 135 seconden.

Niet alles is even pakkend. Mijn voorkeur ligt bij de nummers waar toetsen en groove de boventoon voeren. Qua teksten is duidelijk dat Dury een uniek persoon was, de juiste man om te profiteren van hernieuwde aandacht voor kortere nummers en taal van de straat, met dichterlijk talent.

Mijn reis door punk en new wave kwam vanaf punkgroep The Boys en vervolgt in oktober '77, als het golfje punk- en waveplaten aanhoudt: op naar New York en de punk van een voormalige glamrocker: Johnny Thunders.

Ian Dury & The Blockheads - Do It Yourself (1979)

poster
4,0
Op reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave kom ik vanaf het debuut van Squeeze uit maart 1978. Nu een tijdsprong vooruit van veertien maanden.
Half mei 1979 verscheen de tweede langspeelplaat van Ian Dury & The Blockheads, voor het eerst voluit zo genoemd op de hoes: op het debuut stond slechts Ian Dury op de voorzijde vermeld. De invloed van multi-instrumentalist Chaz Jankel is groter dan ooit.
Op Dury’s allereerste plaat met Kilburn & the High Roads (1975) stonds een grote diversiteit aan speelstijlen, op New Boots creëerden hij, Jankel en de andere Blockheads een eigen geluid en hier wordt dat geperfectioneerd. Een mengeling van funk, reggae met soms wat bigbandjazz, in heerlijk plat Cockney gezongen op een wijze die de fans van punkgroep Sham 69 zullen hebben gewaardeerd.

The Blockheads is inmiddels een heul strak ingespeelde groep, die bijna een eigen muzikaal universumpje weet te creëren, waarmee Dury via zijn kenmerkende stem en soms hilarische teksten kan excelleren. Zoals in de reggae van This Is What We Find met de beschrijving van een alledaags leven á la tv-serie Coronation Street en in het slot het thema van de comedyserie The Benny Hill Show: Yakety Sax. Op mijn afspeellijst belandde het uptempo en swingende Uneasy Sunny Day Hotsy Totsy met meer humor.

Van het oorspronkelijke Do It Yourself werden noch in Nederland, noch in Engeland hits gescoord. Desondanks haalde de plaat de Nederlandse albumlijst: #38 in juni 1979 en in hun eigen Engeland die maand zelfs twee weken #2. Kennelijk was hij voor het oudere, elpeekopende publiek interessant genoeg. Hits volgden spoedig met non-albumsingles, die ik later op mijn afspeellijst tegenkom. Daarom zal ik later terugkeren naar dit album, zij het voor een latere cd-bonusversie ervan.
Neemt niet weg dat Do It Yourself ook zonder die hits bijzonder aangenaam is, in staat om zelfs bij grauw weer de zon in huis te brengen. Het zit ‘m naast de muziek in de voordracht en tekstgrapjes, waar ik als niet-Brit ongetwijfeld het meeste niet van begrijp. Voor iemand met kennis van het Brittannië van 1979 zal dit echter een feest van herkenning zijn - voor mij vooral genieten van de eigen, strakke reggaefunkwave van deze Londenaren.

Mijn reis door new wave vervolgt met het derde album van Wayne County and The Electric Chairs.

Ian Dury & The Blockheads - Jukebox Dury (1981)

poster
4,0
Er zijn vele compilatiealbums van Ian Dury, al dan niet met The Blockheads. Maar dit was de eerste. Wie de hits Hit Me With Your Rhythm Stick (in Nederland #9 in januari 1979 en Reasons to Be Cheerful, Part 3 (september 1979 #27) op een elpee wenste, kon vanaf 1981 op Jukebox Dury terecht. Lekker plaatje, al doen latere verzamelaars hier zeker niet voor onder. Daarvan is Hit Me! uit 2020 de meest recente.

Op de eerste hit is de invloed van Blockhead Chaz Jankel groot. De tweede was de eerste hitsingle in Nederland waarop werd gerapt. In dit geval een lange lijst over dingen die je vrolijk maken. En nee, deel 1 en 2 van dit liedje bestaan niet.
Mijn reis door de new wave van 1979 kwam van Tom Verlaine en na korte tussenstops bij Dury's Do It Yourself en deze verzamelaar vervolg ik bij de Buzzcocks en A Different Kind of Tension.

Ian Dury & The Blockheads - Laughter (1980)

poster
2,5
Het enfant terrible in new wave, begonnen met pubrock waarop hij met zwaar Londense tongval al zijn eigen gang ging inclusief calypso. Vervolgens voegde Ian Dury, gesteund door de briljante muzikanten van The Blockheads, de nodige funk en disco toe. Dit alles rijk geïnspireerd door rechterhand en multi-instrumentalist Chaz Jankel.
Het leverde hem in zijn eigen Engeland diverse hits op, soms via non-albumsingles en in Nederland is hij zelfs verantwoordelijk voor de eerste raphit in Nederland met Reasons to Be Cheerful. Ook voorganger Do It Yourself is bijzonder aangenaam. In augustus 1980 is daar zijn volgende hit met wederom een nummer dat niet op de navolgende langspeler stond.

Ten tijde van Laughter is Jankel verdwenen en was Dury door diens gebruik van enige genotsmiddelen niet de makkelijkste persoon om mee te werken. Nieuw is veteraan en gitarist Wilko Johnson, vermaard om zijn hakkende spel bij Dr. Feelgood, een groep die hij verlaat om in '78 een plaat met (Wilko Johnson's) Solid Senders uit te brengen.
Het gekke is dat ik hem nergens in de nummers op Laughter herken als de man van het staccato-slagspel. Wat wél klinkt is een verzameling goede ideeën, die echter zelden de spijker op de kop weten te slaan. Is de groove lekker (disco en funk zijn frequent aanwezig) en zijn de blaaspartijen aangenaam, dan lukt het niet qua melodielijnen, refreinen die niet blijven hangen, nummers die niet tot bloei komen. Op opener Sueperman's Big Sister na, dat verrassend met strijkers begint en dan met aangename beat vervolgt, inclusief Dury's herkenbare rauw-hese stem. Maar met een briljante liedtitel als Take Your Elbow Out Of The Soup You're Sitting On The Chicken verwachtte ik toch meer van de muziek...
Pardon is overigens nog wel aardig, op Delusions of Grandeur, Dance of the Crackpot en Oh Mr. Peanut klinkt doorsnee r&b. Met de titel van Uncoolohol hebben we het leukste van het nummer meteen gehad, Hey, Hey, Take Me Away is geforceerd vrolijk en het relaxte Manic Depression (Jimi) wil evenmin beklijven. En een nummer met praatzang kan leuk zijn, maar dat lukt niet in zowel Yes and No (Paula) (wél leuke blaaspartij!) als Over the Points, ondanks de versnelling in het slot. Eindeloos Fucking Ada zingen toont inspiratiearmoede.

Van tevoren had ik getekend voor de combinatie Dury - Johnson, maar ondanks de aangename, dansbare tracks komt het op de opener na nergens lós. Als een verzameling losse ideeën die niet met elkaar wilden versmelten. Misschien veelzeggend dat Reint in 2011 enthousiast meldde het album te hebben gevonden maar er vervolgens over zweeg?
Zekerder is dat het Britse publiek net als ik minder gecharmeerd was: waar de voorganger tot #2 kwam, komt Laughter in december niet verder dan #48. De titel is een ironische of zelfs sarcastische omdraaiing van de werksfeer ten tijde van de opnamen. The Blockheads vielen vervolgens uit elkaar...

Gezien de boodschap is het opvallend dat Dury vanaf eind augustus met non-albumsingle annex anti-drugslied I Want to Be Straight de Britse hitlijst betreedt, dat half september tot #22 komt. Sueperman's Big Sister tikt in november nog eens #51 aan. Die eerste single verscheen met andere bonussen op de 2004-2cd van Laughter, zie hier.

Mijn reis door new wave kwam van Split Enz' True Colours en vervolgt bij een ander gezelschap met de wortels in pubrock: Purity of Essence van The Rumour.

Iggy & The Stooges - Raw Power (1973)

poster
3,5
Na Transformer van Lou Reed ben ik toe aan de volgende vader van punk / new wave: Iggy Pop.

Arbitrair is waar punk en wave begonnen. Je zou Amerikaanse garagebands uit midden jaren '60 kunnen aanwijzen, Velvet Underground, de twee albums van The Stooges uit 1969 en '70 (neem I Wanna Be Your Dog van het debuut) en ook de naam van MC5 (eveneens in '69 debuterend) wordt genoemd.
Toch vind ik die namen qua sfeer anders dan we hier bij Iggy & The Stooges horen, zoals ze zich met deze comebackplaat noemden. Het zit 'm in nieuwe gitarist James Williamson, waarbij zijn voorganger Ron Asheton naar basgitaar verhuisde. Ten opzichte van de eerdere Stooges verdwenen blues en psychedelica, werd de hakkende riff dominanter én veranderde het gitaargeluid. Daarmee hint de sfeer veel meer op wat in 1976 als punk werd gedoopt.

Ik hoorde de naam van Iggy Pop als prille tiener voor het eerst in 1977 met single en instant-favorietje Lust for Life, waarbij zijn naam vaak met die van maatje David Bowie werd genoemd.
De laatste was er persoonlijk voor verantwoordelijk dat The Stooges na hun einde in 1971 een doorstart maakten als Iggy & The Stooges en in Londen de studio indoken. Pop produceerde en Bowie deed de eindmix, waarmee The Stooges niet onverdeeld gelukkig waren. In 1997 verscheen een remix die rauwer klonk, zoals oorspronkelijk bedoeld. Die verschillen zijn duidelijk (meer basgitaar bovendien!), toch is het de 'Bowie mix' van Raw Power die sluipenderwijs heel invloedrijk bleek, doordat menig jonge gitarist ervoor viel.

Vergelijkbaar met het debuut van Montrose uit hetzelfde 1973, dat invloedrijk was op menig gitarist die later in de hardrock furore maakte. Beide platen leidden niet meteen tot grote verkoopcijfers, maar in de jaren erna verkochten ze goed. Omdat gaandeweg bekende gitaristen door de muziek waren gegrepen en vervolgens de namen van James Williamson/Iggy Pop en Ronnie Montrose als invloeden noemden.

De zangstijl van Pop is hier nog anders dan toen ik hem leerde kennen en bovendien zingt hij wat hoger. Maar de muziek loopt over van onstuimige energie, getuige nummers als Search and Destroy en Raw Power. De directheid van een tekst als Penetration spreekt andere boekdelen. Mijn favoriet is Gimme Danger, dat akoestisch begint en dan naar een climax opbouwt met lekker gitaarwerk.
Iggy Pop als godfather van punk en daarmee ook new wave? Terecht, maar laten we niet James Williamson vergeten.

Mijn reis door proto-punk en proto-wave vervolgt met het debuut van (Jonathan Richman and) The Modern Lovers, verschenen in 1976 maar opgenomen in '72.

Iggy Pop - Lust for Life (1977)

poster
3,0
Voor iedere TopPopkijker was het optreden van Iggy Pop met Lust for Life onvergetelijk, dankzij de palmboom die door hem uit de pot werd gesloopt. De krant van mijn ouders berichtte er de dag na uitzending over en op het schoolplein was dit het gesprek van de dag: "Heb je Iggy Pop bij TopPop gezien? Hij sloopte de hele studio!" Net zo leuk als The Stranglers die in januari ’78 in deze grote-mensen-playbackshow halverwege No More Heroes van instrument wisselden. Punk vond ik dankzij dit soort fratsen extra interessant.
In 2006 keek James Osterberg op zijn optreden terug bij Top 2000 a Gogo en legde meteen uit waar het ritme vandaan kwam: geschreven door David Bowie op diens ukelele, terwijl ze in Berlijn op tv de tune hoorden van het American Forces Network News. Dit in afwachting van tv-serie Starsky and Hutch, voegt website U Discover Music daaraan toe.
Het ritme paste mijn broertje ook toe bij het stoeien: hij stompte mij op de maat. Onze moeder riep na een tijdje dat we moesten stoppen, bang dat we elkaar zouden bezeren… Overigens was Le Petit Tortillard van Plastic Bertrand nog sneller, ontdekte ik na een tijdje. Ik won de krachtmetingen met gemak.

Muziek nam ik op van de radio en elpees kopen was nog buiten mijn mogelijkheden. Deze plaat cadeau vragen durfde ik niet: zouden mijn ouders niet goed vinden, zulke wilde muziek… Achteraf gezien weet ik zeker dat ik met dit album zwaar teleurgesteld zou zijn geraakt: afgezien van Sixteen klinkt nergens op Lust for Life iets vergelijkbaars qua stijl. Pas jaren later bereikte The Passenger mij, waarbij ik geen flauw idee had dat die van deze plaat afkomstig was, zo anders is het in stijl.
47 jaar later probeer ik het weer eens met dit tweede album uit zijn Berlijnse periode met David Bowie, na The Idiot. De Brit leverde maar liefst zeven nummers, soms geschreven met Ricky Gardner, die bovendien de schrijver is van The Passenger.
Some Weird Sin is ook nog lekker (iets later door Pop eveneens bij TopPop geplaybackt), maar Tonight kende ik inmiddels als het saaie duet tussen David Bowie en Tina Turner. Ook in deze eerste versie vervelend.
Op kant 2 heeft Success nog wel een aangename sfeer met de lange gitaarlijnen, Turn Blue is echter een gaapballade, waarna Neighborhood Threat een lekker uptempo nummer is en Fall in Love with Me dansbaar maar langdradig afsluit, heen-en-weer-springend tussen slechts twee akkoorden.
De palmboomsingle was een onverwacht grote hit: bij de Nationale Hitparade zeven weken top tien gedurende december ’77 en januari ‘78, waarvan drie weken op #4. Het album haalde in december #8.

Soms keerde het liedje onverwacht terug. Zoals die keer in 2015 toen Pop Lust for Life bij Later with Jools speelde, met onder meer onder meer Josh Homme van Queens of the Stone Age op gitaar en Matt Helders van Arctic Monkeys op drums. Opnieuw kippenvel.
Ik kwam hier op reis door mijn afspeellijsten met favoriete liedjes uit new wave en aanverwanten. Dit vanaf Richard Hell & The Voidoids, via een inhaalslag bij Pops vorige plaat. Volgende album: rare muziekjes van de vreemde Amerikanen van Devo.

Iggy Pop - New Values (1979)

poster
4,0
De Berlijnperiode van Iggy Pop met David Bowie is voorbij, in Pops geval twee albums brengend. Ze werden gevolgd door het oudere, van de planken gehaalde Kill City. Daarop werkte hij met Stoogesmaatje en gitarist James Williamson en dat herhaalt zich op de in april ’79 verschenen vierde soloplaat New Values.
Opgenomen in de Paramount Studios, Californië. Ik dacht dat dat filmstudio’s waren? Nét gisterochtend las ik dat die mogelijk gaan sluiten, terwijl ik mijn best deed om dit album te doorgronden. Dat viel aanvankelijk niet mee: de melodieën en het gitaarspel spraken me niet aan en als er goede ideeën klinken, worden ze te vaak herhaald. Geleidelijk landde de muziek alsnog.

Williamson speelt slechts op één nummer gitaar en richtte zich op de productie. Het is – eveneens uit de dagen met de Stooges – Scott Thurston die werd ingevlogen als gitarist, toetsenist en meer, bovendien verantwoordelijk voor de blazersarrangementen in diverse nummers.
Net als Kill City is dit een groeiplaatje met details die geleidelijk komen bovendrijven. Daarbij veel afwisseling in stijl en arrangementen. Gitaarliedjes als in opener Tell Me a Story, soms punkachtig (de heerlijke riff van het titelnummer) of weemoedig in The Endless Sea en Angel of vrolijk in How Do Ya Fix a Broken Heart met lekkere breaks en fills van drummer Klaus Krüger of vuig rockend met boogiepiano in Curiosity.

In de teksten hoor ik (grim)lachjes zoals zijn openhartige observaties in Girls, in het volgende lied de woordspeling “I’m chairman of the bored” en (de parodie?) African Man. Daarbij verbaas ik me steeds meer over hoe veelzijdig Pops stem zich met zijn vertolkingen aanpast aan de sfeer van de nummers. Sinds 2000 verkrijgbaar met twee bonustracks. Hiervan is Pretty Flamingo, B-kant van de geflopte single-met-videoclip Five Foot One, prachtig in zijn kwetsbaarheid.
Iggy Pop, niet alleen een peetvader voor punk en new wave: in de jaren ’90 viel zijn naam nogal eens bij grunge en inmiddels geldt hij als een levende legende. Zijn invloed is veel groter dan de destijds magere verkopen van deze prima plaat doen vermoeden. #180 in de VS en #60 in het VK, al verkocht New Values beter dan Kill City.

Mijn reis achter de albums van mijn afspeellijsten met new wave blijft in april 1979. Ik kwam van het suburb-punkdebuut van The Members en vervolg bij funkgekte van The Pop Group.

Iggy Pop - Soldier (1980)

poster
2,5
Wie ben ik en wat ligt mij het beste? Zo voelt zijn vijfde langspeler Soldier uit februari 1980 aan, alsof Iggy Pop niet meer wist hoe het moest. Vooraf: ik beluister vanaf streaming met de nummers op de volgorde van de Amerikaanse persing, maar in Europa/Nederland verscheen Soldier met I'm a Conservative niet op de B-kant maar als slotnummer van kant A.

Voorganger New Values waardeerde ik met vier sterren, waarbij ik me verbaasde over hoe veelzijdig Pops stem zich met zijn vertolkingen aanpast aan de sfeer van de nummers. Dat gebeurt hier veel minder, al speelt zijn sterrenensemble de sterren van de hemel. Ik heb het over gitarist Steve New, ex-Rich Kids (de groep met Midge Ure), ex-XTC-toetsenist Barry Andrews, ex-bassist van Sex Pistols Glen Matlock, gitarist Ivan Kral van Patti Smith Group en de terugkerende drummer Klaus Krüger doen. Zoals de vreemde opener Loco Mosquito en daarna in de meer mainstream rock van Ambition (van de hand van Matlock) en Knockin' em Down (in the City) bewijzen.
Maar gaandeweg hoor ik Pop toch vaak knijpen met zijn stem of zelfs overschakelen op spreekzang (Play it Safe, geschreven door David Bowie), dat echter muziek als lekkere 1980-synthwave bevat en onopvallend op achtergrondzang de stemmen van David Bowie en de heren Simple Minds.

Het is niet dat Pop beperkte stembanden heeft, maar hij lijkt te zoeken naar passende zanglijnen en hoe zijn stem te gebruiken. Alsof je een toptennisser ziet zwoegen om de juiste vorm te bereiken, zo werkt Pop keihard, maar het resultaat is te vaak benedenmaats. Te vaak zakt een nummer door het ijs: in Get Up & Get Out meer spreekzang maar wel een leuke observatie: "She's the kind of girl who wants to know your deepest secret world". De melodieuze armoede van het navolgende Mr. Dynamite wordt enigszins gered door het trompetspel en in Dog Food en I Need More blijft Pop zwoegen zonder de vorm te vinden.

Tot Take Care of Me opduikt: sterke melodie en gevoelige tekst. I'm a Conservative doet na een klein intro rockend hetzelfde. Pop (her)vindt plotseling de lagere regio van zijn stem en bijt ons een tekst toe die - helaas - verrassend goed past bij het populisme en hypocrisie in de huidige politiek.
I Snub You (van de hand van Andrews) bevat snauwerige zang en keert muzikaal terug naar punk.
Met de bonustracks (cd-versie uit 2000) lukt het opeens helemaal wél: Low Life bevat Pops diepe stem, een mooie melodie en is verrassenderwijs akoestisch, waarbij lekker uptempo. Afsluiter Drop a Hook is een stevig en instrumentaal nummer waarop je hoort dat de muzikanten het probleem niet waren.

Wisselvallig album dat echter na vaker draaien een drietal aardige nummers kent en één die een dikke voldoende haalt. Vooral op de eerste helft (US-persing) is het behelpen, de twee bonusnummers redden de boel enigszins. Op vlogkanaal Poetic Wax verscheen onlangs een aflevering over Soldier, interessant om te zien.

Mijn muzikale reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave vervolgt. Hij kwam van soundtrack Rock 'n' Roll High School. Voor de derde keer kom ik terecht bij het debuut van Orchestral Manoeuvres in the Dark.

Iggy Pop - The Idiot (1977)

poster
3,5
Drie albums verschenen van Iggy Pop in 1977. In maart The Idiot, in september gevolgd door Lust for Life en in november nog eens Kill City waarvan de opnames van twee jaar eerder stamden.
De plaattitel van de eerste langspeler bleef hangen. Ik las erover op het moment dat Lust for Life een hit werd, maar de muziek bereikte nooit mijn oren.
Zo'n drie jaar later leerde ik dat de Amerikaan toentertijd in Berlijn verbleef samen met de Brit David Bowie. Van de laatste was in januari datzelfde jaar het magistrale Low verschenen, opgenomen nadat de opnamen voor The Idiot waren afgerond. De twee platen hebben hoorbaar hun overeenkomsten in sfeer en aanpak, vooral met de A-kant van Low. Op het openingsnummer na werd alle muziek door de twee maatjes geschreven.

Verdwenen is de onstuimigheid van Iggy & The Stooges. Hier pakt hij het bedachtzamer aan, waardoor zijn prachtige lage stem meer tot uiting komt. Opgenomen in 1976 in Frankrijk en Duitsland, verkent hij andere sferen dan de rauwheid van daarvoor.
In opener Sister Midnight klinkt lome funk met relatief rauwe gitaren. Het nummer werd geschreven door gitarist Carlos Alomar en wordt gevolgd door een lome shuffle in Nightclubbing met opnieuw scheurende gitaren van Alomar, die dat op Low ook al zo schitterend deed. Funtime dreunt monotoon maar aangenaam met herkenbaar de stem van Bowie ter ondersteuning.
Baby bevat spaarzaam drumwerk en tikt eveneens vrij monotoon, maar doet me minder. De A-kant sluit af met het gruizig klinkende China Girl, in 1983 door Bowie afgespoeld en tot een hit gezongen. Deze eerste versie vind ik nog aangenamer.
Op de B-kant slechts drie nummers: Dum Dum Boys duurt een dikke zeven minuten en groeit uit tot een loom rocknummer, Tiny Girls begint met een saxofoonsolo waarna een fraai gezongen popachtig nummer van slechts drie minuten ontstaat, waarna met een onheilspellend intro het acht-en-een-halve minuut durende Mass Production langzaam de plaat afsluit. Het groeit uit naar een climax met wederom het herkenbare spel van Alomar. Wat een klasbak is dat toch...

Omdat Low zo'n groot succes werd, bracht RCA The Idiot versneld uit. Het profiteerde inderdaad enigszins van het succes daarvan, maar de grote hit kwam met de plaat erna. Ik was vergeten deze Iggy Pop op te nemen in mijn afspeellijst met punk en new wave; dat is bij deze hersteld, nu echt door naar Lust for Life.

Iggy Pop & James Williamson - Kill City (1977)

poster
4,0
Drie albums verschenen er in 1977 van Iggy Pop. De eerste waren resultaat van zijn vriendschap met David Bowie, met wie in Berlijn veel optrok en in Frankrijk en Beieren twee albums opnam. Al in 1975 werd dit Kill City opgenomen. Dit samen met zijn maatje James Williamson, uit de dagen niet lang daarvoor; de gereviseerde versie van The Stooges, die in 1973 Raw Power uitbrachten.

Op reis door new wave en punk kom ik vanaf Music for Pleasure van The Damned. Waar die band werd overvallen door het succes, moest Iggy Pop er jarenlang voor bikkelen. De opnamen voor Kill City lagen al twee jaar op de plank en waren bedoeld als demo's voor een volgend contract.
Met het plotselinge succes van Lust for Life zullen ze bij platenbaas Bomp! hebben gedacht: 'Iggy Pop een internationale hit? Hé, laten we een graantje meepikken!' In november '77 lag de plaat in de winkelbakken, in Nederland verschenen via een licentiedeal met Warner en Radar.

Had ik dit toentertijd als jonge tiener gehoord dan was het me tegengevallen. Waar ik instapte op de trein Pop-Bowie, klinkt Pop met Williamson anders. Vaker draaien doet de muziek echter groeien, mede door het soms gevoelige gitaarwerk en Pops subtielere zang, zoals in No Sense of Crime en het verstilde Night Theme, dat een aangenaam gitaarwerkje blijkt.
Ook had ik moeten wennen aan het saxofoonspel van voornaamste "bijrol" op Kill City, John Harden. Vaker afspelen wordt dus beloond. Sterk voorbeeld hiervan is Beyond the Law. Het begint met een rockende riff á la Keith Richards, maar met de sax erbij wordt een brug geslagen naar artrock zoals die van Roxy Music (Roxy6, tsjek dit uit!).

Zwakke momenten kent de plaat niet, al doet het één meer dan het ander. Soms rockend op een wijze als de Rolling Stones, dan weer subtieler met gitaarwerk dat me soms deed stoppen met klussen, om te luisteren naar de fraaie akkoordenreeksen. Lees ook wat iggy tien jaar geleden en twee berichten hierboven schreef: spijkers op koppen!
Was dit een film geweest, dan was deze genomineerd voor de Oscars zonder er één te winnen. Maar de Oscar voor beste bijrol was naar John Harden gegaan. Zijn saxspel is de kers op den taart. Alleen daarom al een aangename ontdekking voor mij, 47 jaar na dato.

Mijn reis gaat naar december 1977: Wire met Pink Flag.

In Flames - Foregone (2023)

poster
3,5
Ik was verbaasd over de immens hoge prijzen van vinyl die vorig jaar ontstonden. Iets met grondstoffen en Poetin, begreep ik. Maar er is mogelijk nog een reden: Foregone is weer zo’n album dat verkrijgbaar is als dubbelelpee met slechts drie nummers op iedere kant. Dik en dubbel vinyl voor slechts twaalf nummers. Dat was voorheen gewoon op een enkele elpee verschenen, mits het Zweeds-Amerikaanse In Flames het principe van “kill your darlings” had toegepast.
Zoals hierboven al werd opgemerkt is dit album te lang. Daarbij echter een groot compliment voor de hoes, verwijzend naar het thema van de voortschrijdende tijd en de dood die ons wacht. Een ander speerpunt zijn de gitaarsolo’s van Björn Gelotte, die van hoog niveau zijn, melodieus en flitsend tegelijk.

Het instrumentale The Beginning of All Things that Will End met violen en cello’s is met zijn 133 seconden prachtig als opmaat naar meteen het beste nummer van de plaat, State of Slow Decay. Daarna is het aangenaam beuken met Meet Your Maker, maar omdat ik niet zo’n fan ben van de zangstem van Anders Fridéns stem, pakt Bleeding Out mij minder. Kwestie van smaak, de man doet niks verkeerds.
Het titelnummer, opgesplitst in twee tracks, is dan weer genieten. Leuk dat in het intro van Pure Light of Mind de openingstrack nog even terugkeert, maar dan blijkt dit weer zo’n zangnummer te zijn, waar ik minder mee heb.
Het gegrom van Fridén domineert in The Great Deceiver. Vergis ik me of gaat dit over de twee jaren met lockdowns? Humoristisch is het zinnetje “But Joey was right, this is the final countdown.”

De vier laatste nummers doen me minder. In the Dark begint met grunts maar schakelt dan over op zang, net als daarna A Dialogue in B Flat Minor. Cynosure is dan weer volledig gezongen. Met slotlied End the Transmission zijn grunten en zingen aardig in evenwicht. Als compositie is het niet zo sterk, al is de tekst het wederom waard om op je in te laten werken. Met deze nummers gaat de boel als een nachtkaarsje uit, ondanks het metalen geweld.

Jelle78 adviseerde gisteren zes tracks en ik volg hem grotendeels. Heb net zoveel favorietjes, maar dan de nummers 1 tot en met 3, 5 en 6 en tenslotte 8. Kom ik net als hij en Kondoro0614 uit op drieëneenhalve ster.

Insomnium - Anno 1696 (2023)

poster
3,5
Na me een kleine twintig jaar nauwelijks met metal en aanverwanten te hebben beziggehouden, ging mijn stalen hart in 2013 toch weer kriebelen. Dan blijk je toch één en ander te hebben gemist, ook al was ik wel over het genre blijven lezen.
Het nieuwe subgenre dat me het meest beviel was melodic death metal. Vraag me dus niet naar de historie van alle bands in het genre, al weet ik inmiddels wel iets meer. Vraag me wél om de nieuw verschenen albums te beluisteren, want dat doe ik graag.

Zoals de nieuwe Insomnium. Over heksenvervolgingen in de zeventiende eeuw, in de naam van Onze Lieve Heer maar in werkelijkheid door nare karakters die feitelijk een dubbele agenda hadden. In het huidige Nederland stierven zo'n 250 vrouwen onder deze valse beschuldiging. Op dit conceptalbum van de Finnen wordt in de teksten in de hoofden van de hoofdpersonen gekropen, waardoor het album tevens als een miniroman is te lezen. Knap gedaan en nog actueel ook: vorige week hoorde ik over de trend om vrouwelijke politici op bijvoorbeeld Twitter voor heks uit te maken. De mens valt 330 jaar later in dezelfde fout.

Zoals het de betere melodeathmetal betaamt, wordt op Anno 1696 veel variatie geboden. Het maakt dat de acht nummers van samen meer dan 50 minuten niet vervelen.
Verder hoor je akoestische gitaren, blastbeats, vervaarlijke grunts, verstilde toetsen, een enkele keer zang en dat in Godforsaken door de prachtige stem van mevrouw Johanna Kurkela, plus een enkele keer een heerlijke gitaarsolo.
De muzikale invloeden gaan van death metal naar folk naar progressive metal naar gothic metal (wat is dit toch een hokjesgenre…), wat de variatie alleen maar ten goede komt.

Mijn favorieten zijn die waarin ik new wave-achtige invloeden ontwaar, zoals de dalende akkoordenlijn in single Lilian. Maar ook het dreigende The Witch Hunter met zijn prachtig zingende gitaarlijnen en de sterk afwisselende slottrack The Rapids horen tot mijn grootste favo's. Alleen met Starless Paths kan ik niet zoveel.
Voorlopig 3,5 ster. Later dit jaar nog eens herwaarderen, maar lager zal het niet worden. Daarvoor klinkt teveel heavy melancholie. En dan moet ik ook eens in Oudewater bij de Museum De Heksenwaag gaan kijken, dit album heeft mijn interesse voor dit historische thema opgewekt.

Insomnium - Songs of the Dusk (2023)

poster
4,0
Heb mijn eindejaarslijstje af en in de categorie rock & metal wint tot mijn eigen verrassing Insomnium met Anno 1696. Daar las ik een bericht van james_cameron over deze EP en hij slaat de spijker (weer eens) op den kop!

Drie nummers met variatie tussen akoestisch en elektrisch, zodat wat zwaar is nóg zwaarder wordt. Ondersteund door sferische toetsen zit er in ieder nummer de nodige variatie, zoals de cleane zang in het titellied. En altijd, altijd, altijd die melancholie: ik houd ervan.

Sterke melodic deathmetal in het verlengde van het album. Ook een compliment voor de hoes, fraai geschilderd.

Iron Maiden - Iron Maiden (1980)

poster
4,0
Nadat ik Killers uit de bieb had geleend, volgde spoedig het debuut op cassettebandje. Opgenomen door mijn muziekmaatje, die de elpee had gekocht en dagelijks wilde kunnen draaien. Hij wilde 'm wél voor me opnemen. Helemaal goed, zo ging dat in 1981.
Anders dan ik me anderhalve maand geleden herinnerde toen ik Killers beschreef, had ik de plaat (de hoes!) dus niet in huis. Dat scheelde enige beleving, maar de muziek... Hoe goed!

Op vrijdagmiddag uit school was er nog niemand thuis. Eerst draaide ik op de stereo van mijn ouders Rising van Rainbow, daarna dit bandje. Ik denk dat ik dat ritueel maanden heb herhaald.

Toen Martin Birch werd benaderd om Killers te produceren, vroeg hij waarom ze hem niet meteen voor dit debuut hadden gevraagd. De tweede leg klinkt inderdaad ietsjes beter, maar Wil Malone heeft wel degelijk een lekker volle sound vastgelegd.
Anders dan de opvolger kent het debuut twee mindere nummers: Running Free en de titelsong.

Resteren zes onvervalste krakers. Hoekig, snel, onverwachte tempowisselingen, onnavolgbaar gedrumd door Clive Burr die de boel heerlijk volmept. Hij doet mij in dit opzicht denken aan Phil Ehart van Kansas. Beiden drumden veel details en bewaarden tóch de groove, zoals Burr onder andere doet in Charlotte the Harlot en het instrumentale Transylvania.
Andere troefkaart is Paul Di'Anno's grommende zang, die perfect past bij het onstuimige Maiden van de eerste twee platen. Maar ook een semiballade als Strange World was hem op het lijf geschreven. Bij dit alles bovendien flitsend gitaarwerk, de ietwat vergeten Dennis Stratton rifft en soleert er met Dave Murray lustig op los.
Phantom of the Opera is voor mij het magnum opus van deze plaat. Alle kwaliteiten van de band duiken hier op, zelfs pizzicato gitaarstukken, alsof Stratton en Murray met de vingers op een viool tokkelen.

Van de verzamelaar Metalmania kende ik non-albumsingle Sanctuary, op mijn bandje node gemist; ik lees dat het juweeltje wel op de US-persing stond. En terecht. Maar waarom staat ie in 2022 dan niet op streaming? Koekenbakkers!

Iron Maiden - Killers (1981)

poster
5,0
Drie bands domineerden vanaf 1980 in Nederland de New wave of British heavy metal, met Motörhead als oudere outsider. Althans, zo beleefde ik dat. Saxon en Def Leppard kende ik inmiddels van vinyl. Helaas duurde het even voordat ik een plaat van Iron Maiden te pakken kreeg.
Hen kende ik vooral van de radio, met name van Stampij met Hanneke Kappen. Wat ik daar hoorde, klonk goed. Sterker nog, van een vriend hoorde ik dat Iron Maiden de beste band van de nieuwe lichting was. Kon ik me niet voorstellen, gezien de kwaliteit van de albums die Saxon in 1980 uitbracht.
Pas ergens in ’81 belandde een plaat van Maiden op mijn pick-up en wel hun tweede, alweer via de fonotheek in het dorp. Een kleine veertig minuten later moest ik verbouwereerd erkennen dat dit inderdaad nóg beter was dan Saxon.

Geen zwak nummer te bekennen, al was de titelsong de minst favoriete. De hoge kwaliteit klonk in de vele (vaak onverwachte) tempowisselingen, de hoekigheid van de songs die kennelijk op de basgitaar van Harris hun oorsprong vonden, de furieuze tempo’s, twee heerlijke instrumentale songs, het knappe drumwerk van Burr, het (soms Lizzyaanse) gitaarwerk van Murray en Smith en tenslotte de grommende zang van Di’Anno, die met zijn rattenkapsel de punkachtige energie van de plaat benadrukte. Zelfs Prodigal Son was inclusief de balladedelen (daar hield ik niet van) een heerlijke song.
De som der delen resulteerde in überkwaliteit. Songs die bovendien op geen andere band leken.

Dan nog de productie van Martin Birch, die de songs heavy en transparant tegelijk neerzette. De beste producer die er rondliep, vonden mijn metalmaatjes en ik. En de voorkant van de hoes, ook al zo intrigerend! Extra leuk was de ontdekking van twee jaar later dat Murders in the Rue Morgue was geïnspireerd door een verhaal van Edgar Allen Poe; ik las het verhaal met extra belangstelling.

Tijdloos monument. Ruim veertig jaar later denk ik er nog net zo over. Na die muziekvriend was ook ik om, spoedig daarna zou ik het debuut van hem lenen.

Iron Maiden - Maiden Japan (1981)

poster
4,5
Paul Di'Anno is dood en de fans van het eerste uur rouwen. Hopelijk kregen degenen die later aanhaakten ook iets met het Maiden met hem. Mede door de jachtige, hoekige nummers die Harris & co indertijd schreven is dit absoluut mijn favoriete periode van Iron Maiden.

Van meet af aan was de groep goed in het uitbrengen van singles en EP's met daarop interessante extra's buiten de albums, al dan niet live. Zo ook deze met de titel Maiden Japan, als een knipoog naar dat fameuze livealbum Made in Japan van Deep Purple. Althans, zo kwam dat toen bij mij over.

Ik ben alweer verrast over die stronteigenwijze, hier nóg sneller gespeelde edelmetal met die meer dan passende zang. Wat is Di'Anno hier goed bij stem, getuige ook Remember Tomorrow !
Het is vast geen toeval dat zich vandaag een puistje pontificaal op mijn neus openbaarde. Mijn lichaam reageert instinctief met hét pubersymbool, zoals ik die bij verschijnen van de plaat legio had.

Een stukje soundtrack van mijn jeugd én nog altijd innovatief en creatief, alsof het gisteren werd vastgelegd. Dank u wel heren, deze dagen meneer Di'Anno in het bijzonder.

Hier beelden van zijn laatste optreden (j.l. augustus in Polen) en in dit vlog een mooi portret door Doug Helvering.

Iron Maiden - Piece of Mind (1983)

poster
5,0
In mei 1983 deed ik eindexamen. Halverwege die maand verscheen Piece of Mind en mijn muziekmaatje van school zou ‘m gaan kopen. Hij nodigde mij kort na de examens uit voor een donderdag om de plaat bij hem thuis te komen beluisteren. Dan waren zijn ouders een avondje weg en konden we het album in de huiskamer beluisteren op de grote installatie.
Beiden hadden we een zomervakantiebaantje genomen om voor een grote installatie te sparen. Hiervoor hadden we catalogi van diverse merken op de kop getikt mét prijslijsten. Ik schatte circa f 2000,- nodig te hebben voor een platenspeler, cassettedeck, radio/versterker en losse audioboxen. Speciaal hiervoor waren we op een vrijdagavond naar de plaatselijke electronicazaak getogen, waar we diverse speakers zouden testen.

Dankzij een tip uit de Consumentengids had mijn maat hiervoor The Number of the Beast meegenomen, omdat je immers van bekende muziek weet hoe die dient te klinken. Luid klonk de plaat door de winkel, wat de eigenaar prima vond. 'Echt gaaf’ vonden we dat, onze muziek in de winkel! Ik geloof dat hij ook nog een AC/DC met Bon Scott bij zich had, die vervolgens werd gedraaid. In een dorp als het onze leverde dit de winkel goede mond-tot-mondreclame op, twee tienerjongens die een half uurtje luid allerlei boxen uitprobeerden. We kwamen uit op het hetzelfde paar, een Philips.

Die luisterervaring was inmiddels achter de rug, net als de eindexamens. Overdag werken, in afwachting van het verlossende zak/slaagtelefoontje van de mentor en ondertussen genieten van enkele schoolloze maanden. Met nu: de nieuwe Maiden!
De avond was zomers en aangenaam warm. Fluitend moet ik op de fiets zijn gestapt voor een tochtje van hooguit vier minuten. In zijn huiskamer volgde een biertje, waarna de klaphoes (een primeur voor deze band, een prachtige bovendien!) in mijn handen werd gedrukt en de versterker van zijn ouders op hoog volume werd gedraaid.

Het vertrek uit Iron Maiden van drummer Clive Burr, het jaar ervoor, had ons verbaasd. Hoe kon je zo’n goede drummer laten gaan? Bij de knallende drumrolls in het intro van Where Eagles Dare keek ik mijn maatje aan, goedkeurend knikkend. Het was alsof de groep hiermee aan de fans wilde laten weten een meer dan adequate vervanger te hebben gevonden.
Hij heette Nicko McBrain, maar we namen aan dat hij eigenlijk McBrian heette en dat zijn achternaam op de hoes een knipoog was naar zowel albumtitel Piece of Mind als de hersenen op de hoes. Dat vonden we toch grappig!
McBrain bleek inderdaad van wanten te weten. Van zijn vorige band, de Franstalige groep Trust, waren we nooit onder de indruk geweest als hun muziek op de radio in Stampij klonk, maar op de albumopener bewees hij meteen zijn kunnen.

Het bleek alweer een fantastisch Maidenalbum te zijn. In combinatie met de fraaie hoes maakt deze nog altijd meer indruk op mij dan de voorganger, wat 'm zit in de sterke muziek.
De A-zijde muntte niet uit in hoge snelheden; pas op het laatste nummer wordt het gaspedaal even goed ingetrapt. Maar ieder nummer was briljant. De genoemde opener bevat inventieve breaks en een geweldige groove met spetterend gitaarwerk. Het verhaal van Flight of Icarus kende ik van Kansas’ Icarus - Borne on Wings of Steel (1975). Dit leek bijna het vervolg op die klassieker, supersterk bovendien.
Het snelle Die with your Boots on kwam voor als een sneer naar degenen die de band als satansaanbidders zagen: “Another prophet of disaster, who says the ship is lost”. Het refrein was verrassend: een achtergrondkoortje? Opmerkelijk voor deze band, maar het werkte wel, oordeelden wij bij een volgend pilsje.

Op de B-zijde leek het gemiddelde tempo iets hoger. Opnieuw spatten inspiratie en variatie ervan af. The Trooper bevonden we een instant-klassieker met een riff zoals alleen Maiden die kon maken, duidelijk geschreven op de basgitaar van Steve Harris. Still of Life begon met een omkeertekst, in die dagen bij voorbaat controversieel. Pas vandaag kom ik erachter wie en wat hier klinkt. Een grapje, uiteraard. Net als op de voorganger werd geëindigd met een epische song, deze keer To Tame a Land, één van de hoogtepunten in hun carrière.

Wat mij niet was bijgebleven, maar waar vielip mij gisteren op wees, is de bijbeltekst die linksonder op de achterzijde staat. Althans, bijna-bijbeltekst, want in plaats van ‘brain’ staat in de oorspronkelijke tekst ‘pain’. Alweer een geintje, wat door de fanatieke tegenstanders van de band met hun complottheorieën (toen al!) over satanskerk en heavy metal niet zal zijn gewaardeerd.

Ja, dit is een fantastisch album oordeelden we, waarna de naald terugkeerde naar de A-zijde. Na afloop van de draaibeurten hebben we nog een biertje gedaan en op tv de foute humor van Benny Hill gekeken, van het soort dat we toen erg leuk vonden. Het was bijna donker toen ik vrolijk en lichtelijk aangeschoten huiswaarts ging, onder de indruk van Piece of Mind.
De vriend is niet meer onder ons, herinneringen als deze doen mij weer beseffen hoe bijzonder hij was. Die troostvolle bijbeltekst op de hoes blijkt opeens passend te zijn bij mijn herinneringen aan hem.

Iron Maiden - Powerslave (1984)

poster
5,0
Waar ik aan vorige albums van Iron Maiden scherpe herinneringen heb over waar ik dit voor het eerst hoorde, is dat vanaf Powerslave niet meer het geval. Dat is jammer, want ik vind dit nog altijd een heerlijke frisse plaat met bovendien een schitterende hoes. Wél herinner ik me de videoclips bij de singles: hebben die de overige herinneringen weggedrukt?
Voor het eerst géén bezettingswijziging ten opzichte van de voorganger. De groep was continu in bedrijf met lange tournees en toch weer zo'n sterk album? Ik vond het toen al knap en zeker achteraf zie ik de kwaliteit ervan.

Met Aces High werd meteen een klassieker aan het toch al grote repertoire toegevoegd. De dubbele gitaarlijnen kunnen zich meten met het beste van Thin Lizzy, tegelijkertijd met de hoekige baslijnen helemaal als Maiden klinkend. Bruce Dickinson maakt duidelijk dat hij tot de top van de (hardrock/metal)zangers behoort, wat met 2 Minutes to Midnight nog eens wordt bedrukt. Nicko McBrain voelde zich inmiddels als een vis in het water bij de groep en zijn potten en pannen klinken iets robuuster dan op de voorganger. De productie van Martin Birch was nog beter dan toen. Voeg eraan toe dat het songmateriaal sterk is en al na twee nummers wist je dat dit een topper ging worden. Alweer!

Verrassend was de terugkeer van een instrumentaal nummer. Met Losfer Words werd eveneens duidelijk dat de groep dat wat conventioneler deed dan voorheen qua staccatoknallertjes en alle tempowisselingen, maar wederom knalt de energie ervan af.
Vervolgens ontknoopt zich het ene na het andere sterke nummer en om de bekendste nummers eens te laten voor wat ze zijn, noteer ik een favorietenster bij Flash of the Blade en het titelnummer. Dan mag ik er niet meer plaatsen en daarmee doe ik vooral het epische Rime of the Ancient Mariner tekort, compleet met de geluiden van schurend touw op een schip. Dat je oude poëzie voor nieuwe muziek kunt inzetten, dat kende ik als Nederlander niet. Een literair laagje in het land van denim and leather...

Wel vond ik dat Back in the Village baat had gehad bij één of meer tempowisselingen, iets waar Maiden vroeger patent op had; het dendert maar door. Ook viel me toen pas echt op dat McBrain niet met dubbele basdrum speelt, wat hier extra zou hebben gewerkt.
Met het iets langzamere Powerslave is de variatie terug, waarbij bovendien aparte akkoordenprogressie klinkt, een Egyptische sfeer opwekkend. Het nummer past perfect bij de iconische hoes.

Wat jammer toch dat mijn geheugen mij hier in de steek laat over de periode dat dit album uitkwam... Waar en wanneer heb ik dit voor het eerst gehoord?

Iron Maiden - Seventh Son of a Seventh Son (1988)

poster
4,0
Het jaar loopt naar het einde en toch is dit pas het eerste bericht in 2023 bij Seventh Son of a Seventh Son?! Als liefhebber van de periode Di'Anno vond ik in '82 de debuutplaat van Bruce Dickinson bij Iron Maiden al gestroomlijnder; met dit album werd het geluid nog toegankelijker.

Verrassend vond ik de akoestische start van de plaat in Moonchild, dat daarna op herkenbaar Maideniaanse wijze vervolgt. Ik besefte dat waar veel groepen van de lichting New wave of British heavy metal inmiddels met zielloze hardrock probeerden - meestal tevergeefs - Amerika te veroveren, Iron Maiden koppig en trots zijn eigen koers voer. Hier zijn de toetsen niet voor de Amerikaanse markt bedoeld, maar als progrockachtige verrijking van het geluid. En het werkt, want ze passen verrassend goed bij de hoekige basstijl van Steve Harris & co.

Nee, de stormachtigheid van de eerste twee platen was er niet meer. Maar de verfijning vindt hier zijn creatieve hoogtepunt. Met als climax het prachtige akoestische slot van het toch al sterke The Prophecy, mij terugbrengend naar het meesterlijke nummer Heaven and Hell van Black Sabbath van acht jaar eerder, opgenomen met dezelfde Martin Birch als producer.
Dickinson zingt geïnspireerd, getuige bijvoorbeeld zijn vertolking in Only the Good Die Young. Al met al was de verrassing van een nieuwe Maiden er bij mij wel af, het niveau bleef echter onveranderd hoog.

Inmiddels weet ik dat Dickinson op voorganger Somewhere in Time al met akoestische muziek kwam aanzetten, materiaal dat werd afgekeurd door de anderen, met vooraan groepsbaas Steve Harris. Ben blij dat het hem op deze plaat alsnog lukte, al leidt het met de toetsen erbij tot Maidens meest conventionele album tot dan toe. Maar als de composities goed zijn... In mijn herinnering de laatste Maiden die het in Aardschok tot album van de maand schopte. Slechts één album overtrof dat jaar in deze metalhoek deze topper: Queensrÿche met Operation: Mindcrime.

Iron Maiden - Somewhere in Time (1986)

poster
4,0
Leuk dat de discussie over wel of geen gitaarsynthesizers hierboven weer terugkeerde! Je zou het ook een herhaling van zetten kunnen noemen zoals al in 1986 gebeurde. De puristen vonden het niks en de overigen deden niet moeilijk. Ik moest indertijd denken aan het vijf jaar eerder verschenen Fair Warning van Van Halen, waar met name op de laatste twee nummers het geëxperimenteer met synths begon, wat een vervolg kreeg op Diver Down en zijn hoogtepunt met 1984 vond.
Vergeleken met die drie albums spelen de synths op Somewhere in Time een héél bescheiden bijrol, zodat ik alle commotie overtrokken vond. Sterker nog, het was goed om te merken dat de band zich verder ontwikkelde. Zo vond ook Aardschok in mijn herinnering, die deelden weer de volle mep uit en het maakten het 'album van de maand'.
Bij de clip van Wasted Years met allerlei beelden van de laatste wereldtour was het leuk de mannen aan het voetballen te zien. Er straalde energie uit: Up the (West) Hammers (United)! Plus de hoes met mascotte Eddie, inmiddels een cyborg geworden met op de achtergrond veel verwijzingen naar eerder werk (zie Wiki voor een overzicht).

Als ik klaag is het om het teveel aan vibrato in Dickinsons zang in opener Caught Somewhere in Time en het hohohokoortje in Heaven Can Wait. Maar álle nummers zitten goed en geïnspireerd in elkaar, de versnelling in Caught bijvoorbeeld is snel maar effectief: je gaat er eens extra voor zitten.
Voor de tweede maal in de groepshistorie een lang episch nummer, deze keer over Alexander the Great. Een historisch verhaal vind ik altijd fijn en bovendien is het nummer sterk opgebouwd..

Met als persoonlijke favorieten Stranger in a Strange Land (mooie melodielijnen en gitaargeluiden) en het felle Déjà Vu maakte Maiden zijn status waar. Het zesde sterke album op rij, niet misselijk.
Achter de schermen bedreigde uitputting hen, lees ik op Wikipedia; Dickinson had zelfs nummers op akoestische basis willen maken, een plan dat het niet haalde. Met akoestisch is niks mis, maar het had vermoedelijk de energie eruit gehaald. Dan ben ik toch blij dat het anders liep.

Iron Maiden - The Number of the Beast (1982)

poster
5,0
In de eerste helft van de jaren ‘80 had de BRT op zaterdagmiddagen een jongerenprogramma, dat ik graag bekeek; via de kabel was “de Belg” ook in Nederland te ontvangen. Wekelijks gaf daar een bandje acte de présence.
Het zal in februari 1982 zijn geweest dat plotseling Iron Maiden daar stond om hun nieuwe single te promoten. Dat was een meer dan aangename verrassing: metal zag je zelden op tv. Bovendien was er wel veel over die nieuwe superzanger te lezen geweest, gehoord hadden we echter nog níets. Ja, hij had bij Samson gezongen, zo las ik, maar daar viel zijn stem nog niet op; dat was sowieso een matig bandje tussen de rest. In Nederland was Bruce Dickinson zo goed als onbekend.
Heb gezocht, helaas staat de BRT-uitzending/clip niet online. Ik weet nog dat de zanger weliswaar een rare boblijn in zijn kapsel had, maar die stem… Meteen bij de eerste tonen werd duidelijk dat ie veel krachtiger zong dan voorganger Paul Di’Anno, zeker als Run to the Hills na zo’n vijftig seconden versnelt; in het refrein gaat Dickinson al helemaal los. Als grote fan van Di’ Anno was ik wel degelijk onder de indruk van diens opvolger. Ook al was dit optreden playback, moet ik wellicht toevoegen.

Hetzelfde geldt voor het album, waarmee de IJzeren Maagd zich in éénmaal ontegenzeggelijk als koploper van de New wave of British heavy metal posteerde. Jammer voor mijn favoriet Saxon, maar ook ik moest toegeven dat dit werkelijk een klasse beter was. Dat Martin Birch bovendien The Number of the Beast zo vét had geproduceerd, zette de Saksen en alle anderen op achterstand. Alles klopte op deze plaat: het vette gitaar-, bas- en drumgeluid, Dickinson die daarover heen knalt, de composities.
Hanneke Kappen draaide bijna wekelijks met enthousiast commentaar een track in haar radioshow Stampij. In Europa werden ze onmiddellijk de grootste band in het genre. In Oor oordeelde Hans van den Heuvel dat hardrock/metal naast Ronnie James Dio een tweede topzanger kende. Hij portretteerde hen zelfs samen, waarbij ze onder andere elkaars werk hoorden in een luistertest. Veel waardering beiderzijds. Enkele maanden geleden heb ik het artikel kunnen herlezen, erg leuk!

Mijn muziekmaatje van school had de plaat en nam 'm voor mij op. Geen zwak nummer te bekennen, al vind ik anno 2022 inderdaad dat Gangland niet het hoogtepunt is. In ’82 echter paste het met zijn hoge tempo er prima tussen.
De spannende gesproken intro’s bij Prisoner en de titelsong maakten grote indruk, net als de flitsende gitaarsolo’s. Het enige wat ik jammer vond, was dat de onvoorspelbare tempowisselingen grotendeels waren verdwenen. De muziek was gestroomlijnder.
Mijn überfavorieten werden naast de snelle openerInvaders; Prisoner vanwege de gitaarsolo’s (mooi daar naartoe opgebouwd bovendien) en de gevarieerde afsluiter Hallowed be Thy Name. Die laatste heeft een boeiend verhaal in de tekst, waarbij de songtitel naast de titelsong opnieuw een bijbelse verwijzing is. Het nummer is een blauwdruk voor veel epische songs die de band nadien zou opnemen.
En laat ik 22 Acacia Avenue niet vergeten, waarvan het tekstvel vermeldt dat dit het vervolg is op Charlotte the Harlot van Maidens debuut. Voor mij het perfecte overgangslied tussen het Maiden van Di’Anno en Dickinson. Clive Burr mept er prachtig om zich heen en de langzame riff met solo vanaf 3’50” is prachtig.

In de jaren daarna kreeg de plaat veel kritiek uit (Amerikaans-)christelijke hoek, vanwege de hoes en de regel “The one for you and me” in het titelnummer. Ik kwam uit een NCRV-gezin, het zette mij er juist toe aan het bijbelboek Openbaring met extra belangstelling te lezen (het beest uit de tekst vinden we in hoofdstuk 13, zoals de achterzijde van de hoes keurig vermeldt).
Maar uiteraard waren er ook in Europa verontruste christenen die de aanval openden, zeker vanaf 1985 met een berucht boekje over omkeerteksten erbij. Een oerslecht geschreven boekje overigens, maar dat is een ander verhaal. Toch had een andere vriend wel degelijk last van zijn moeder die dit voor zoete koek slikte. Grappig is daarbij dat het op de hoes mascotte Eddie is, die op het punt staat de duivel bij de kladden te grijpen… Maar die humor ontging de strengen.

"Run to the hiiiiiiiiiiils!" Hopelijk wordt dit epistel ooit gelezen door iemand die bij de BRT-archieven kan, en wil deze persoon een zoektocht ondernemen naar dit programma, in het bijzonder deze uitzending. Hoe leuk zou het zijn dit opnieuw te kunnen zien!