MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

J.J. Burnel - Euroman Cometh (1979)

poster
2,5
Na vier succesalbums met The Stranglers laste de band een pauze in. Zowel Hugh Cornwell als Jean-Jacques Burnel gebruikten deze voor solowerk. Het product van eerstgenoemde kreeg de meeste aandacht in de bladen die ik toen las, te weten Muziek Expres en Oor, terwijl de plaat van Burnel aan mij voorbij ging. Pas onlangs kwam ik ‘m tweedehands tegen, bij Sounds Tilburg op vinyl.

Ik wist nog wel dat ik geen herhaling van The Stranglers moest verwachten. Titel Euroman Cometh verwoordt zijn Europese droom, hetgeen extra duidelijk wordt op de binnenhoes, met daarop zes historische indelingen van het continent. Op de voorzijde zien we de tweetalig opgegroeide Burnel, staande voor het Centre Pompidou in Parijs.
Behalve in de talen waarmee hij opgroeide hoor je hier en daar een vleugje Duits. Op opener Euroman legt hij uit dat hij een afstammeling is van de verschillende Europa’s op de kaartjes. In de muziek erna horen we vooral een drumcomputer, hippe synthesizergeluiden uit die tijd (voorjaar 1979) en af en toe zijn licht-grommende basgitaar.
Twee muzikale tegenpolen klinken op de B-kant. Do the European klinkt alsof de compositie in een dikke saus van Kraftwerk is gedrenkt, fraaie monotonie. Op Pretty Face klinkt bijna neurotische pubrock, de scene waar The Stranglers oorspronkelijk in verbleven. Een mondharmonica helpt dit gevoel te versterken. Op streaming staan als bonus enkele liveversies bij dit album.

Vaak werd gemopperd op de geldlust van de platenmaatschappijen; in dit geval vraag ik me juist af waarom een platenmaatschappij hier financieel gewin van verwachtte. Muziek en melodieën zijn namelijk te abstract voor een groot publiek, ook voor de fans van zijn bandje. Een album dat desondanks interessant is voor uiteraard de nieuwsgierige Stranglersfan én degene die houdt van experimenten in de sfeer van de vroege synthesizerpop.

J.M. Watts - Thirteen Stories High (1997)

poster
4,0
J.M. Watts is John Watts van Fischer-Z. Geen flauw idee waarom hij hier van een ander alias gebruik maakt, in 1984 was daar bovendien na 3 x Fischer-Z en 2 x solo een plaat onder de naam The Cry.

Uiteindelijk gaat het om de muziek, nietwaar? En die kenmerkende stem. Op dit album stevige gitaarliedjes in de beste newwavetraditie, maar verwacht geen kopie van Fischer-Z. Gitaarwave volgens John Watts klinkt weer net anders.
Op Thirteen Stories High tovert hij het ene na het andere lekkere liedje uit zijn ronkende gitaar (was het de Parrot, die hij ook gebruikte bij zijn recente solotournee?). Ik vond het album niet op streaming, zelfs niet op JijBuis en kocht 'm op de gok. Waarom dit album zo obscuur is, ontgaat mij echter: dit behoort tot zijn beste werk.

Iedere keer wéér een lekker liedje. Hij klinkt opgewekt, energiek en houdt de basis gitaar-bas-drums, al klinkt op California Breeding een heel aangenaam strijkje onder de naam Electra Strings. De band bestond verder uit bassist en achtergrondzanger Phil Spalding en drummer Steve Kellner.
De muziek is stevig maar niet massief, geproduceerd door zijn vaste producer Graham Bonnett (neehee, niet dezelfde als de zanger van onder meer Rainbow, MSG en Alcatrazz). Gewoon lekkere gitaarliedjes. Portretjes van anderen of zichzelf. Onderkoelde humor en een positieve blik op het leven. Of, zoals hij in het boekje bij de cd noteert: "REMEMBER: Whatever you give out comes back to you, in the end at least thirteen stories high". Watts als wijsgeer.

Favorieten aanwijzen is moeilijk. Nu wijs ik Sublime, Angel of Gardenia en California Breeding aan, maar het hadden er ook minimaal zes anderen kunnen zijn. Zwakke momenten kent dit schijfje namelijk niet. De strijkkwartetreprise van Sublime die de plaat afsluit vormt overigens een prachtig slot.
Over enige tijd ga ik 'm weer in mijn cd-speler gooien in de verwachting dat de muziek dan verder in mijn hoofd is gerijpt. Voorlopig ga ik voor 4 sterren en dat zouden er dan best wel eens meer kunnen worden.

Jack Starr's Burning Starr - No Turning Back! (1986)

poster
4,0
In 1982 en '83 werd ik omvergeblazen door een deel van de nummers van de New Yorkse groep Virgin Steele op debuut Virgin Steele en opvolger Guardians of the Flame. Een deel van de muziek van deze U.S. metalgroep was namelijk van episch metaal - 'episch' in de betekenis van verhalend. De nodige tempowisselingen in de muziek, boeiende sfeertekeningen in de teksten en het splijtende gitaarwerk van Jack Starr.
Die verlaat na twee albums en een EP de groep, om onder eigen naam te vervolgen. In eerste instantie met een stijl ook op die Virgin Steeles te vinden: partymetal en daar heb ik niks mee. Een nogal curieuze combinatie in mijn oren.

Zijn eerste album was Out of the Darkness (1984), waarna hij onder het banier Jack Starr's Burning Starr vervolgde met soortgelijke metal op Rock the American Way (1985). Daarop wederom knap gitaarwerk, echter ingebed in een stijl die niet de mijne is.
Verrassenderwijs vernieuwde hij de samenwerking met David DeFeis, zanger van Virgin Steele én keerde op hun gezamenlijke arrangementen terug naar progressiever metalwerk. Dit op de tweede van Burning Starr, oftewel No Turning Back! DeFeis deed bovendien de productie én speelde bescheiden toetsenpartijen.

Het resultaat klinkt alsof je in de voetsporen van het Rainbow met Ronnie James Dio via de New wave of British heavy metal en even krachtige power metal naar het debuut van Queensrÿche gaat. In dit alles klassieke invloeden, zoals de modulatie in weer zo'n heerlijke gitaarsolo in Call of the Wild.
Volop genieten van de botsingen tussen klassieke muziek en metal, met Starrs snijdende gitaarspel als cement. Ik moest wennen aan zanger Mike Terelli, met zijn - typisch voor die tijd - hoge zanglijnen. Maar hij knijpt niet, al had het qua hoogvliegerij iets minder gemogen: op de momenten dat de melodie zakt, blijkt hij ook in die regionen uit de voeten te kunnen. Maar goed, dit was het tijdperk van strakke spandexbroeken met dito zang...

Kant 2 opent met het korte toetseninstrumentaal Prelude in C Minor, geleend van Frédéric Chopin. Het vormt de opmaat voor meer uptempo beuk met dubbele basdrums van Mark Edwards. Meer gevarieerd werk en in tegenstelling tot de eerste twee platen van Virgin Steele ontbreekt het hinken op twee gedachten tussen power- en partymetal.
Dit is voluit hard. De teksten zijn niet zo verhalend als bij DeFeis, met teksten als "There's a light somewhere in the dark, where all your dreams will somehow turn out right. If you believe with all your might, you've got to show the world, you'll never give up the fight, No turning back..." Ja dat zal, belangrijker zijn de variatie en Starrs wervelend-snelle solostijl met dat vol-vette geluid.

In de jaren nadien verpakt in de nodige afwijkende hoezen, zo leert enig scrollen op Discogs. Laat echter de muziek het werk doen. Vier sterren.

Jackson Browne - Running on Empty (1977)

poster
3,0
Een zondagmiddag waarop ik besluit de tuin van rommel en bladeren te ontdoen. De platenspeler in de schuur ontwaakt na een winterslaap en ik draai de rij platen die ik als bijvangst in bakken met tweedehands vinyl tegenkwam en waaraan ik nog niet toekwam. Alhoewel, deze Jackson Browne trof ik in mijn kofferbak aan na een museumdagje met een goede vriend. Hij had 'm dubbel.

Van Jackson Browne kende ik niets, behalve dan het sympathieke hitje dat hij met Clarence Clemons had vanaf eind 1985; in januari '86 piekte You're a Friend of Mine op 10, in Vlaanderen, op 12. Maar Running on Empty is van een dikke acht jaar eerder en als ik het leuke fotoboek erbij bekijk, is dat meteen duidelijk. Op de foto die kalende hippiebassist met megabaard die ik in de jaren '80 of '90 bij onder meer Phil Collins op tv zag en een schattig familiekiekje van de familie Browne.

Maar de muziek. Is dat iets voor mij? De titelsong opent krachtig, een fijn liedje. Daarna The Road, rustig en melancholiek. Vervolgens wordt en blijft het rustig en terwijl ik het groen van de tegels schraap, houd ik mijn aandacht er niet bij. Dit ondanks het lome maar fraaie gitaarwerk van David Lindley, hierboven terecht geprezen. Blues- en country-invloeden vormen de basis van de singer-songwritercapaciteiten van Browne, wiens stem aangenaam is. Het is me echter te tam.
Pas tegen het einde haak ik weer aan. The Load-Out is een fraaie solopianoballade die in het tweede deel uptempo mét de hechte band erbij wordt en Stay met dat gekke hoge stemmetje (Rosemary Butler?) is een geinige afsluiter.

Dus heer Jeko, als je dit leest: bedankt voor deze elpee, het werd tijd dat ik eens een plaat van deze grote naam tegenkwam. Het is alleen niet zo mijn ding.

Jaguar - Power Games (1983)

poster
3,5
Wel eens gezien hoe koeien zich gedragen als ze na een winter lang op stal te hebben gestaan, de wei in mogen? Dát plaatje krijg ik bij Power Games van Jaguar. In 1983 werden songs van dit debuut op de radio gespeeld. Ik vond dit onwaarschijnlijk fris en energiek klinken. Jaguar ging weer een stapje verder met de NwoBhm en was origineel bovendien.

Toen ik vorig jaar de elpee in een bak met tweedehands vinyl ontwaarde, kon ik dan ook een glimlach niet onderdrukken. Eindelijk zou ik het gehele album horen! Tegelijkertijd is dat ook spannend: hoe fris is deze jongehondenmuziek gebleven?
Wat meteen opvalt is de tegenvallende productie, die verhindert dat de plaat echt de boxen uitdendert. Vooral de drums (basdrums, toms, bekkens!) en gitaren hadden veel vetter gemogen, iets wat bij sommige tijdgenoten wel op orde was. Al weet ik ook nog dat het opnemen van metal toentertijd geen sinecure was, check maar andere metalplaten uit die periode. Hier staat tegenover dat de composities fris en fruitig zijn gebleven, in al hun onstuimigheid hoor je het talent.

De stem van zanger Paul Merrell mist eigenlijk de noodzakelijke hoeveelheid rauwheid, maar zingen kan hij wel. In Master Game bijvoorbeeld is hij aangenaam om naar te luisteren.
De talrijke tempowisselingen en het gitaarwerk van Garry Pepperd doen mij realiseren waarom ik dit indertijd zo goed vond. Het doet denken aan de eerste twee platen van Iron Maiden, waar diezelfde energie uit de groeven spat in bovendien een goede productie. Op Power Games staan maar liefst zes liedjes op de eerste en vier op de tweede kant: variatie is gegarandeerd.

Op streaming vind je drie bonussongs, met een iets andere maar niet per se betere productie. Zou het echt niet mogelijk zijn om met de originele opnamen een compleet eigentijdse mix te maken?

Japan - Adolescent Sex (1978)

poster
4,0
Ook ik hoor bij degenen die liever het vroege dan het latere Japan horen. Op Adolescent Sex domineert nog de snauwende zang van David Sylvian, ontbreekt de fretloze basgitaar (ik houd niet van dat geluid) en de gitaarlick is er juist rijkelijk. Afwisselende artwaverock in de voetsporen van Roxy Music en David Bowie, qua uiterlijk geïnspireerd door de New York Dolls en wie weet, eveneens uit Londen, Hollywood Brats.
Tegelijkertijd is te horen dat dit uit 1978 stamt. De Londense groep was omgeven door punk, post-punk en new wave en de synthesizer maakte mede dankzij Giorgio Moroder een snelle ontwikkeling door. Sferen die in hun muziek binnensijpelden.

Onbegrijpelijk dat de heren nadien met zoveel dedain hierop terugkeken, zeker met de kristalheldere productie van Ray Singer. Alleen al de sterke opener Transmission waarin digitale wind in de openingstonen en later meer heerlijk toetsenwerk van Richard Barbieri.
Gevarieerd blijft het. Wat te denken van Performance met daarin zowel funk, soul, kekke synths als een heerlijke gitaarlick? Het krijgt er warempel iets van de rock-funk van Mother's Finest. Of de wahwahgitaar in Suburban Love met jazzachtige piano, gevolgd door meer pakkend gitaarwerk van Rob Dean en rollende drums van Steve Jansen. Je zou er associaties met The Doors bij kunnen hebben.

De hitsingle- of albumlijsten haalde Japan er in hun eigen Verenigd Koninkrijk nog niet mee, wél waren ze succesvol in Japan (waar een groepsnaam niet toe kan leiden, ik ga ook een groep beginnen en noem die U.S.A. of Deutschland denk ik). Plus Nederland: ook mijn kennismaking met de groep was via single Adolescent Sex. Vanaf het koude februari 1979 in de Nationale Hitparade, bereikte het in maart #21, diezelfde maand in Vlaanderen #30. Uiteraard bij TopPop op tv.
Dankzij dit bericht van gaucho en de reactie van Aquila (niet meer op MuMe) valt me nu pas op hoe anders de singleversie klinkt dan die van de elpee. De single duurt ook nog eens een halve minuut langer.

In het vorige bericht wordt geschreven dat de latere Japans "in de vergeetput" zouden zijn beland. Hm, ik heb juist het idee dat de eerste twee van Japan dat lot kregen, al was het maar omdat Sylvian & co met ingetogener muziek een heel nieuw (kunstzinniger?) publiek bereikten, waarmee die liefhebbers bovendien werden voorbereid op de succesvolle Sylvian-soloplaten. Die zijn toch niet vergeten?

Mijn reis door new wave kwam van Sham 69 en vervolgt bij de tweede van Wire.

Japan - Assemblage (1981)

poster
4,0
Verzamelaars krijgen meestal geen aandacht van mij. Nadeel is dat ik daardoor soms non-albumsingles en afwijkende nummers mis.
Assemblage verscheen al in 1981 en bevat zulk werk. Adolescent Sex is een heropname, Stateline en European Son waren B-kanten van singles, de met synthpionier Giorgio Moroder opgenomen single Life in Tokyo flopte vreemd genoeg maar is een hoogtepunt op deze compilatie. Ook I Second that Emotion was een single, cover van Smokey Robinson.

Verder is het leuk om de evolutie van Japan te volgen: hoe het stemgebruik van David Sylvian verandert van scherp naar rond en de fretloze bas van Mick Karn de plek van de gitaar overneemt in de mix. Door de jaren heen verschenen in diverse edities met 12 inches of liveversies, biedt de originele compilatie een pakkend overzicht van een newwavegroep in transitie.

Japan - Gentlemen Take Polaroids (1980)

poster
3,5
De tweede Japan in ingetogen stijl, waarbij de toetsen van Richard Barbieri en David Sylvian en de fretloze bas van Mick Karn het geluid bepalen. Het gitaargeluid van Rob Dean versmelt met de keyboards en bas door het gebruik van de ebow, waardoor ik die moeilijk te herkennen vind.

Barbieri's bijdragen zijn belangrijk. Soms is zijn uitwaaierende spel vergelijkbaar met dat van Dave Greenfield van The Stranglers, toen die groep min of meer parallel van stevige muziek overschakelde naar rustiger wateren.
De reden dat ik in het werk van Japan dook, is omdat ik bezig ben de eerste jaren van synthesizer new wave te (her)ontdekken; van die invloed is echter na de verrassende voorganger nauwelijks meer sprake. Alleen in Methods of Dance klinkt een duidelijke sequencer, waarover warme lagen toetsen, bas en gitaar worden gelegd. De zachte vrouwelijke achtergrondvocalen zijn van ene Cyo, een dame wier identiteit door de bandleden nimmer is gedeeld. Het levert een warm en dansbaar nummer op met bovendien sterk drumwerk.
Ook in Swing valt op dat een gevarieerde beat aanwezig is, die weliswaar strak doordendert, maar tegelijkertijd af en toe een tel lijkt over te slaan. Líjkt: schijn bedriegt.
Bij het verschijnen van het album was deze artrock niet zo mijn ding. Mijn eerste kennismaking kwam pas met Nightporter, toen het twee jaar later op single uitkwam. Een mooie pianoballade, buitenbeeldje in het werk van de band. In Nederland haalde het echter niet eens een tipparade. Desondanks kon je het af en toe op de radio horen.

Afgelopen weekend zag ik op Netflix de documentaire Blitzed! over de Londense club van Steve Strange (van de groep Visage) met eigenzinnige kleding en make-up. Japan werd daarin niet genoemd maar imago en trendsettende mode pasten wel bij die van de groep.
Synthesizerpop? Nee, maar wél een voorbeeld hoe de nieuwste digitale mogelijkheden van dat jaar werden geïntegreerd in een groepsgeluid, waarbij de drummer niet werd vervangen door digitale geluiden. De groep als collectief creëert een warme sfeer rond de toetsenpartijen, leidend tot het herkenbare geluid van Japan.

Japan - Obscure Alternatives (1978)

poster
4,0
De androgyne glamrock van onder meer David Bowie, New York Dolls en de Londense Hollywood Brats kreeg in de dagen van punk en new wave navolging. Zo was daar de Amerikaan Wayne County en in Londen was er Japan. Op hun tweede gaan ze verder waar hun debuut eindigde, zonder grote veranderingen in het geluid aan te brengen. Opnieuw uitgebracht via het Duitse label Hansa.
Automatic Gun opent met stevige gitaar, huilende baslijnen, heerlijke toetsenpartijen en snerpende zang, waarna uit de dikke zes minuten van . . . . Rhodesia weer eens blijkt dat reggae in die dagen populair was in Londen; niet alleen bij de zwarte achterban maar ook in witte punk- en wavekringen, wat oversloeg op deze artrock.
Love Is Infectious heeft een wat vierkant ritme, liever hoor ik Sometimes I Feel So Low dat kant 1 swingend afsluit. Wederom helder geproduceerd door Ray Singer met als technicus Chris Tsangarides, die in het navolgende decennium naam zou maken als producer van de nodige hardrock- en metalgroepen. Vreemd genoeg vermeldt de hoes geen opnamestudio, waarbij ik wel zou willen weten of dit daadwerkelijk in Berlijn werd opgenomen.

Kant 2 opent met een aparte stijl. Is dit rock-reggae? Slepend en enigszins bezwerend, vertraagd en sfeervol is titelnummer Obscure Alternatives zeker, met een climax die me terugbrengt naar het in Berlijnse album Low van Bowie. Deviation is uptempo en bevat blazers, waarbij Sylvians stem de nodige scherpte brengt.
Meer Berlijn én reggae in Suburban Berlin. Langzamerhand dringt tot mij door dat Japans tweede weliswaar minder rockt dan het debuut, maar nog even intens is met zijn verwijzingen naar Low - althans, dat is mijn associatie.
Ruim zeven minuten duurt het instrumentale slotlied The Tenant. Het begint sferisch met piano in de stijl van Erik Satie, waaronder Richard Barbieri lange synthwaaiers plaatst. Daarna de lange noten van gitarist Rob Dean, welke aan die van Carlos Alomar bij Bowie doen denken. Vervolgens glockenspiel van Steve Jansen en saxofoon van bassist Mick Karn. Met de kennis van nu een vooruitwijzing naar volgende albums, hier echter een meditatief slot van een verder rockende plaat met daarin enige reggae.

Een groep in ontwikkeling op Obscure Alternatives, dat slechts zeven maanden na het debuut verscheen. Geen succes echter, Japan (het land) daargelaten waar het album #21 werd. In 2006 verscheen het in sterk uitgebreide editie.
Commercieel succes volgde in 1979 met eerst de samenwerking met Giorgio Moroder en vervolgens hun derde album, waarop een muzikale metamorfose werd gemaakt.

Mijn muzikale reis door new wave kwam vanaf The Jam en ik vervolg in 1979 bij de Schotse Skids.

Japan - Quiet Life (1979)

poster
3,5
In mijn reis door de eerste jaren van synthpop/new wave was ik bijna Japan vergeten. Een jaar voordat Ultravox hetzelfde deed, maakten zij op hun eveneens derde album een voorzichtige transitie van gitaarwave naar synthwave.
Ik kende de groep van de radio: Adolescent Sex was met stevig gitaarwerk en snerpende stem een hit in februari tot begin april 1979. Dat geluid was losgelaten, waarbij Japan in tegenstelling tot Ultravox geen nieuwe frontman inlijfde. Wel wijzigde David Sylvian zijn zangstijl naar een ingetogener en warmer geluid. Ook zijn de gitaren niet meer luid en laten de nieuwe digitale technologieën van 1979 zich op Quiet Life af en toe gelden.

Het album was vooraf gegaan door de (ook in eigen land) geflopte single Life in Tokyo, waarvoor de heren de hulp van synthpionier Giorgio Moroder hadden ingehuurd. Een heel album met hem leek hen geen goed idee. Toch klinken de invloeden van de Italiaan in sommige nummers en dat zijn juist degene die ik het beste vind. De single zou zelfs niet op het album verschijnen, maar in 1981 op verzamelaar Assemblage.
Synths klinken dominant in Quiet Life en Despair. Voor het overige klinkt artrock, zoals voorheen bij Roxy Music of sommige nummers van Bowie’s Heroes en Lodger, de laatste in datzelfde 1979 verschenen. Die vergelijkingen dringen zich vooral op als er saxofoon klinkt, zoals in All Tomorrow's Parties, oorspronkelijk van The Velvet Underground en Nico. Ook fraai is The Other Side of Life, dat halverwege orkestrale ondersteuning krijgt.

In Oor was Alfred Bos positief, getuige het fragment van zijn recensie uit januari 1980. Als ik dit album vergelijk met Vienna van Ultravox van het jaar erna, hoor ik dus dezelfde overstap. Japan en Sylvian in het bijzonder maken hier echter de overgang naar bedaagdere sferen, zich verwijderend van de felle new wave van voordien.

Japan - Tin Drum (1981)

poster
3,0
Zéker een sfeervol album. Op de voorganger constateerde ik dat de gitaar van Rob Dean moeilijk te horen was, niet wetend dat de band op deze opvolger, hun voorlopige zwanenzang Tin Drum, afscheid van hem had genomen. Ooit een glamrock/new waveband van enkele vrienden, bekend met hun ruige werk, in 1981 net als The Doors vóór hen en Keane na hen een groep zonder gitaar.

Ik kom er bij dit album wel achter dat ik de stem van David Sylvian niet goed trek. Bewondering heb ik juist voor het gevarieerde en gecompliceerde instrumentale werk van de vier, waarbij toetsenist Richard Barbieri, bassist Mick Karn en drummer Steve Jansen, de broer van Sylvian, maar de zang van de laatste is me te vlak. Zeker om een album lang naar te luisteren. Beste nummer vind ik dan ook het instrumentale Canton.

In Oor maakte Alfred Bos enkele rake, positieve opmerkingen (even scrollen).
De groep die zich Japan noemde en op de hoes (portret van de grote leider Mao Zedong) en liedtitels (tweemaal wordt Canton genoemd en ook Visions of China komt voorbij) naar de Volksrepubliek China verwees. Maar dat mag natuurlijk. Mijn eigen bandje heet Bruxelles en op de hoes van ons nieuwe album zie je mij etend in Café De Tol in Hummelo met Achterhoekse erwtensoep met roggebrood voor mijn neus.

Post-new wave met artrockelementen, gevoed met geluiden uit het verre oosten. Een volstrekt eigen, warme en tegelijkertijd gecompliceerde stijl. Voor de liefhebber.

Jeff Watson - Around the Sun (1993)

poster
4,5
Op reis door de discografieën van Kansas en hun afzonderlijke groepsleden kwam ik uit bij de tweede soloplaat van gitarist Jeff Watson. Dit omdat Kansaszanger Steve Walsh een aanzienlijke rol op dit album speelt.
Mij was onbekend dat Watson naast de veel bekendere Brad Gillis (de tweede) gitarist was in Night Ranger. Dit gedurende hun "gloriejaren", 1982-’89 en bovendien van 1996-2007. Zijn solodebuut verscheen in 1992 bij het snarenracerlabel van Mike Varney en kreeg van hnzm een heldere beoordeling. Shrapnel had een goede distributie en de plaat heb ik indertijd in de bakken zien staan.
Dit in tegenstelling tot Around the Sun, zijn tweede soloplaat. Het verscheen slechts een jaar na het solodebuut, maar bij het kleine Japanse Far East Metal Syndicate, zonder Europese of Amerikaanse distributie. Pas in '99 alsnog op deze continenten verschenen. Dit is de Amerikaanse uitgave (tevens op streaming te vinden) en dit de Europese (Italiaanse), verschenen bij Frontiers. De Amerikaanse versie bevat drie bonusnummers, de Europese zelfs vier!

Ik verwachtte muziek in de lijn van de neoklassieke shreddergolf die de hardrock- en metalwereld vanaf circa 1988 overspoelde. Watson houdt het meestal rustiger: een hele enkele maal laat hij héél kort horen dat hij kan snarenracen, maar vaker tokkelt hij en dat bovendien nogal eens op akoestische gitaar. De liedjes staan centraal, niet gitaarpatserij. Hij werkte met een beperkte groep muzikanten, waarbij Bob Daisley, een in hardrockland bekende bassist. Soms speelde de Amerikaan zelf toetsen, bas en drums.
Alhoewel geen conceptalbum, krijg ik al luisterend toch de indruk dat er een thema door de muziek speelt. Alsof Watson had te maken met ziekte of een ander soort verlies in zijn omgeving. Wellicht dat daarom de muziek regelmatig ingetogen (maar vol!) klinkt.

Steve Walsh zong op maar liefst vier (met bonus: vijf) nummers. Twee jaar later verscheen van Kansas Freaks of Nature, waarbij de nodige kritiek klonk op zijn stem, die achteruit zou zijn gegaan. Hier bij Watson echter geen spoor van slijtage.
Om te beginnen het stevige en uptempo Life Goes On, dat Watson met Walsh en drummer Spike Orberg schreef. Daarna het huiveringwekkend mooie titelnummer, niet alleen vanwege de muziek maar ook omdat in de tekst wordt gevraagd om een extra jaar om te leven: "And I'm underneath the gun, give me one more time around the sun, time's running out and i'm not done, give me one more time around the sun". Als dit na het nodige getokkel overgaat in een stevig slot, luister ik gefascineerd. Eén van de mooiste nummers die ik Walsh ooit hoorde zingen.
De overige drie nummers met hem zijn ook al sterk: Anna Waits is midtempo met aanvankelijk veel toetsen en een aangrijpend verhaal over kindermisbruik. Verder het rockende Tightrope en bonuslied When My Ship Comes In dat akoestisch begint en met scheurende gitaren vervolgt.

Terug naar Watson. Deze stelt zijn lenige vingers in dienst van de liedjes. Op het enige instrumentale nummer Man's Best Friend klinkt semi-jazz tussen de prachtige melodieën in coupletten en refrein. Bovendien zingt hij bepaald niet onaardig, getuige Moment of Truth. De drie bonussen met zijn zang (track 10 t/m 12) zijn meestal dromerig van aard, soms geholpen door een twaalfsnarige akoestische gitaar.

Een sterk album, geknipt voor liefhebbers van adult oriented rock / melodieuze hardrock en liefhebbers van al dan niet akoestisch gitaargetokkel. Onbekend, meer verdienend dan dat.

Jeff Wayne - The War of the Worlds (1978)

Alternatieve titel: Jeff Wayne's Musical Version of The War of the Worlds

poster
3,5
In 1978 wist de piepkleine maar inmiddels legale aspirantomroep Veronica hoe het de aandacht op zich moest vestigen. Zo herinner ik me een tv-special met Kiss, met daarin veel vuurwerkbommen. Was helemaal prachtig geweest, als ik die niet boven op de zwart-wit tv van mijn ouders had moeten kijken...
Ook War of the Worlds werd gehyped. Enthousiast vertelde de omroep ons de voorgeschiedenis. Het verhaal van H.G. Wells uit 1898 en de Amerikaanse hoorspelversie in de jaren '30, waarbij mensen in New York in paniek de straat op waren gerend, in de veronderstelling dat dit echt was.

Nu, met alle muziek in de versie van Jeff Wayne was ons hippe 1978'ers wel duidelijk dat het slechts een verhaal was, maar alle reclame hierover maakte wel degelijk indruk op deze jonge tiener. Wat ook hielp, was single Eve of the War, gezongen door Justin Hayward. Deze haalde bij zowel Veronica's Top 40 als de Nationale Hitparade #3 en was dus frequent op de radio. De tweede hitsingle was een kleinere hit vanaf oktober, ook Forever Autumn werd gezongen door Hayward.
Via radio kwamen zowel de Britse als de Nederlandse versie; de link die Wandelaar in 2017 naar de nederversie deelde doet het niet meer, maar inmiddels is ie op Soundcloud te horen. Interessant, maar niet mijn kopje thee.
In de jaren '90 was ie nogal eens voor een prikkie te koop op vrijmarkten, waar ik 'm dan ook aantrof. Aanvankelijk had ik een exemplaar zonder, maar dankzij een vriend één mét het boekje op lp-formaat, gevuld met schitterende kleurentekeningen en nuttige achtergrondinformatie. Later volgde de cd-versie (antiquariaat in Steenwijk), waarvan de geluidskwaliteit beter was, maar de inlay veel te klein.

Vanaf de bronzen openingswoorden van acteur Richard Burton, die in de rol van journalist de introductie doet met de magische woorden "No one would have believed...", ontspint zich een verhaal waar je eens goed voor moet gaan zitten. Dat doe ik graag, bij voorkeur als de avonden lang licht zijn, uit associatie met die hit uit de zomer van '78.
Jeff Wayne had een fijn neusje voor het kiezen van stemmen: de herkenbare Julie Covington kende ik van Don't Cry for me Argentina, de massieve klank van Chris Thompson van Manfred Mann's Earth Band, in die dagen een rockgroep die ook de hitparade haalde. David Essex was een jongen waarvan ik wist dat dit een tienerster was, veel gezien op de muren van meisjeskamers, maar wel degelijk gezegend met een goede stem.
Toch drong pas in de jaren '90 tot mij door dat het Philip Lynott van Thin Lizzy is, die met zijn licht-Iers accent in de dialogen de show steelt in zijn rol als waanzinnige priester. Zijn naam had me in '78 nog niets gezegd, inmiddels wist ik meer. Zijn duet met Covington is bovendien prachtig!

Hierboven noemden diverse MuMeterMensen al dat de muziek vrij licht is met nogal wat disco-invloeden. Toch is het een lang verhaal. Niet te gecompliceerd, maar zeker voor degene die 'm via streaming luistert, een lange zit. Het helpt als je bij elpee of cd een enkele keer moet opstaan om de schijf te draaien / verwisselen. Of je houdt het bij de liedjes natuurlijk, maar dan mis je wel de machtige stem van Burton.

Voor mij een leuk item om af en toe (eens in de zoveel jaar) in zijn geheel te draaien, zeker met dat schitterende boekje erbij. En dan is het weer genieten, juist ook vanwege die 70's discopopsound.

Jefferson Starship - Freedom at Point Zero (1979)

poster
4,0
In 1979 begon het KRO-hardrockprogramma Stampij met Hanneke Kappen. Ik herinner me nog haar afkondiging van een bepaald plaatje, omdat ik die in de kerstvakantie van dat jaar van de radio had opgenomen en vervolgens in mijn geheugen opsloeg dankzij het vele draaien: "Dat was Jefferson Starship en het mooie liedje Jane".
Je hoort dit nummer in Nederland nooit meer op de radio en afgelopen augustus in forum 'Greatest hits of' bleek bij de verkiezing van de beste aor, georganiseerd door 50tracks, dat dit liedje geen enkele kans maakte, al droeg gigage het wel aan. Voor liefhebbers van aor en melodieuze hardrock in klassiek-Amerikaanse stijl is er met Freedom at Point Zero een meer dan aardig pareltje dat kennelijk in de vergetelheid is geraakt.
Ik kocht de elpee in de week vóórdat die verkiezing startte, maar had toen nog problemen met de versterker, die niet matchte met mijn nieuwe platenspeler. De kennismaking kwam pas in november.

Een hiaat in mijn kennis was dat ik dacht dat Grace Slick Jane zong. Maar neen. Sterker nog, ten tijde van Freedom at Point Zero maakte ze geen deel uit van de groep. De hoge stem is van Mickey Thomas, die ik pas in 1985 bij We Built This City van Starship bewust zou ontwaren.
Tweede ontdekking was dat ik destijds ook het slotlied van kant 1 moet hebben gehoord, want Awakening herkende ik vaag; nooit geweten dat het van hetzelfde sterrenschip is.

Opvallend is het drumwerk van Aynsley Dunbar. Zijn naam kende ik vooral als componist, te vinden op het debuut van Black Sabbath dat in 1970 diens Warning coverde. Een drummer in de bluestraditie, van dezelfde generatie als Mick Fleetwood, die net als hij bij John Mayall speelde. Die ging met Fleetwood Mac de popkant op, Dunbar werd een rockdrummer, onder meer als de Aynsley Dunbar Retaliation en vanaf 1970 bij Frank Zappa. Verder speelde hij bij vele andere namen, zoals in '76 bij Sammy Hagar en in 1987 bij Whitesnake.
Zijn werk op Freedom at Point Zero is práchtig! Het zit 'm niet in grootse drumsolo's maar in de fraaie breaks en fills, die in de productie van Ron Nevison heerlijk vol klinken.

De andere twee nummers van kant 1 Lightning Rose en Things to Come bevatten stevige poprock in de richting van Toto en bovendien klinkt een saxofoon. Met Awakening keert weer de aor/hardrock (waar ligt de grens?) terug, vergelijkbaar met werk van Boston of Styx. Hierbij een hoofdrol voor de lange gitaarlijnen van Paul Kanter. Het nummer belandde in mijn playlist met honderd favoriete gitaarsolo's.
Op kant 2 meer van dit fraais, met daarbij een aanstekelijk popachtig refrein in Rock Music (vreemd genoeg geen klassieker in rockland geworden) en als minpunt de ballade Fading Lady Light. Gelukkig is het slot ijzersterk dankzij het stevige titellied met een korte drumsolo als intro.

Jammer dat mijn exemplaar geen binnenhoes meer heeft; daardoor mis ik de nodige informatie. Van Billboard leer ik dat Jane in de VS januari 1980 op #14 piekte, de elpee kwam er een maand later tot #10. Een album dat groeit bij vaker draaien dankzij de talrijke sterke details. Zo heb ik ze graag.

Jet Red - Jet Red (1989)

poster
4,0
Soms krijg je heimwee naar een plaat die je ooit bezat, maar vrijwillig van de hand deed. Zoals deze van Jet Red, afkomstig uit Sacramento in Noord-Californië, opgericht in 1984. Op de demo waarmee ze een platencontract scoorden speelde Marty Friedman gitaar. In 1989 brachten ze hun titelloze debuut uit, dat in Nederland via het Britse Music For Nations verscheen. Een plaatje dat me indertijd goed beviel en toch nooit echt pakte. Toen ik enkele jaren later lange tijd klaar was met scheurende gitaren, heb ik ‘m aan een vriend gegeven.

Maar… De laatste jaren moest ik er af en toe aan denken en toen ik ‘m vorige week tegenkwam bij No Dust in Wezep was de keuze snel gemaakt. Alleen al de foto op de achterzijde: de groep op een vliegdekschip, staande voor een Phantom straaljager.
Het bleek dat alleen het eerste en laatste nummer waren blijven hangen, maar er klinkt veel meer fraais, waarvoor ik indertijd minder in de stemming was, omdat ik veelal voor hardere metalstijlen ging.

Dit is een sterke hardrockplaat voor de lange autorit: autoramen open en meeblèren! Door een onbekende toetsenist voorzien van enige fraaie versiersels, met een uitstapje naar adult oriented rock. Andere kwaliteiten op Jet Red: de hese stem van Willie Hines, de gitaarsolo’s van de onbekend gebleven Johnny F. (Feikert) en het sterke drumwerk van Billy Carmassi. Inderdaad, de jongere en onbekende broer van Denny. Die laatste kende ik van onder meer Montrose, Sammy Hagar en Heart. Met deze namen heb je meteen een goed beeld van Jet Red, waarbij Billy niet onderdoet voor de grote broer.
Als daarbij de productie ook nog eens dik in orde is met dank aan Brian Foraker (mij onbekend maar bekijk zijn CV en je hebt een idee van zijn kunnen), resteert een prachtig plaatje.

Bad as Heaven is de sterke en harde opener, Lonely is aardig vooral omdat F. lustig soleert, gevolgd door de heerlijke powerballad Look in Your Eyes met alweer zo’n sterke solo en Not the Only One is een uptempo aor-juweeltje met lekkere koortjes; Outside is aardig, vooral (opnieuw) door de gitaarsolo.
De eerste twee nummers op de B-kant doen me nog altijd minder, al begint het met heerlijke Spaanse gitaar. Met het uptempo Let it Roll keert mede dankzij gitaarwerk en koortjes mijn volle plezier terug, net als op Take Me Tonight. Het zware en slepende From the Skies bevat naast dreigende toetsenpartijen een ongewone gitaarriff, wat een sterk slot van deze plaat maakt.

Aan de hand van de hoesteksten valt te concluderen dat, alhoewel het Amerikaanse Relativity een kleine maatschappij was, kosten noch moeiten werden gespaard om de band te doen doorbreken. Dat lukte evenwel niet en van wat ik op internet lees wordt duidelijk dat door de doorbraak van grunge, najaar 1991, ook voor Jet Red het doek viel. Dit ergens in '92. Kwaliteit of niet, melodieuze hardrock was plotseling uit de mode en met hun wild geföhnde haardossen was je bij voorbaat verdacht. Wat dat betreft heeft glammetal veel onnodig stukgemaakt...
Bassist Brad Lang viel nadien het meeste op: van 2010-2016 speelde hij in Y & T en tegenwoordig in BulletBoys. Zanger Willie Hines maakte drie soloplaten. In 2010 maakte Jet Red met deze twee in de bezetting een tweede album genaamd Flight Plan. Kort voor verschijnen ging de platenmaatschappij failliet, de groep kocht de cd-oplage terug en verkocht deze tot het laatste exemplaar. Momenteel is de opvolger zo obscuur dat er op Discogs €150 voor wordt gevraagd.

Ben blij dat Jet Red weer op mijn draaitafel ligt! Aanbevolen voor liefhebbers van "serieuze" hardrock zoals Y & T en Tesla. Voor dit debuut een dikke 7,5, of moet ik een krappe 8 noteren? Afgerond 4 MuMe-sterren.

Jethro Tull - A (1980)

poster
4,0
Met de koude nacht die we vannacht plotseling meemaakten (-7° in mijn woonplaats) en de bevroren rijp (moest de auto stevig krabben) moest ik denken aan Jethro Tulls A. Dit omdat ik nog goed weet hoe koud mijn zolderkamer was toen ik deze plaat uit de bieb had opgepikt. Het zal in begin 1981 of ’82 zijn geweest, want dit album kwam toen heel digitaal op me over. Anders dan Aqualung of Stormwatch zijn de synthesizers hier heel dominant; althans, zo ervaarde ik dat.
Daarbij wist ik dat dit eigenlijk een soloplaat van frontman Ian Anderson was; de titel slaat op zijn achternaam, en niet op ‘anarchy’ zoals nogal eens werd gedacht maar wat hij ferm van zich wierp. Van de nieuwe bezetting van de groep was ik me niet bewust, net zomin als van het feit dat degenen die moesten vertrekken dat vernamen dankzij een bericht in Melody Maker. Een journalist van dit tijdschrift was met Anderson naar de kroeg geweest en de laatste was daar wat loslippig geraakt, beschrijft Scott Allen Nollen in zijn biografie ‘Jethro Tull: A History of the band, 1968-2001’.

Had ik de groep Kansas in die dagen al gekend, dan had ik hier en daar de vergelijking gemaakt met die groep. Dit door de toetreding van Eddie Jobson van de groep UK, die naast keyboards ook viool speelt. Ook nieuw was bassist Dave Pegg, die door de slechte gezondheid van zijn voorganger al bij de Stormwatchtournee was toegetreden. Wonderdrummer Barrie Barlow was klaar met de groep – en de anderen met hem; Mark Craney moest zien of hij in diens voetsporen kon treden.
Dit album was geen makkie voor de tiener die ik was, maar ik wist inmiddels dat herhaaldelijk draaien werd beloond. Onder die ingewikkelde structuren zaten waarschijnlijk verborgen pareltjes verborgen. Dat lukte echter nauwelijks, omdat er wel veel synthesizerbliepjes klonken ten koste van de scheurende of juist akoestische gitaar. Batteries Not Included bijvoorbeeld vond ik té digitaal.

Vanaf 2014 ben ik de discografie van de band gaan herontdekken en kwam dit album heel anders binnen. Het verschil met de voorganger is echt niet zo groot en sterke gitaarpartijen zijn er wel degelijk. Uniform bevat de progressieve rock die mij dankzij de vioolpartij tegenwoordig aan Kansas doet denken; prachtige track.
Maar al op de A-zijde is het genieten; Fylingdale Flyer met zijn sterke drumpartij, het deels akoestische Working John, Working Joe grijpt ondanks de eigentijdse synthesizergeluiden terug op vroegere albums en Black Sunday heeft niet alleen een vrij lang en spannend toetsenintro, daarna ontvouwt zich sterke en gevarieerde progressieve rock met Andersons altijd fijne dwarsfluit als kers op de taart.
Op de B-zijde biedt naast de twee sterke nummers die ik al noemde Protect and Survive, Jethro Tull in bekende topvorm (hoezo Anderson solo?); The Pine Marten’s Jig biedt zowel traditionele folk als die gecompliceerde geintjes waar de band zo dol op was, waarna And Further On een enigszins gedragen slotnummer is.

Waarschijnlijk was ik indertijd nog niet rijp hiervoor. Over de opgepoetste en sterk uitgebreide heruitgave A La Mode van Steven Wilson uit 2021 kwam ik laatst deze informatieve vlog tegen van Now Spinning Magazine. Maar ook zonder al die extra's is het duidelijk: sterk album, niks meer of minder.

Jethro Tull - A Passion Play (1973)

poster
4,0
In reactie op de opmerking van Sikken Berend:"Bij A Passion Play zijn er twee mogelijkheden. Of je vindt het helemaal niks, of je vindt het geweldig", vermoed ik dat ik de uitzondering ben. Ik ben zeker positief, een krappe 8 zeg maar, maar niet wild enthousiast.
De muziek is klassieker van opzet dan voorganger Thick as a Brick, eveneens een conceptalbum dat eigenlijk uit één lang nummer bestaat. De bezetting van Jethro Tull bleef ongewijzigd, de muziek complex, de hoes bevatte weer een fictieverhaal over de plaat, waar onder andere een fabel klinkt over een haas en diens bril.

Pas aan het einde van kant 1, na twintig minuten, klinkt voor het eerst de dwarsfluit van Ian Anderson die echter wél het nodige op saxofoons doet. Toetsenist John Evans laat in datzelfde deel horen dat hij nieuwe synthesizers voor zijn verjaardag heeft gekregen. Kant 2 begint met de sfeer van een sketch van Monty Python met gesproken delen van Evans; bassist Jeffrey Hammond zingt een weinig.
Anders dan Thick as a Brick werd de muziek van A Passion Play later in losse tracks verdeeld; dit ten tijde van de cd-release van 1998.

De groep verdiende een goede boterham aan hun albums en tournees, wat vooral voor de belangrijkste songschrijver Ian Anderson gold. In de biografie 'Jethro Tull' van Scott Allen Nollen valt zelfs te lezen dat de zanger van de opbrengst van de meer-dan-een-compilatie Living in the Past een huis voor zijn ouders kocht, na enkele moeizame jaren tussen hen en hun zoon.
Tegelijkertijd met Jethro Tull veroverde ook Monty Python de VS, waardoor menig Amerikaan wel iets van de humor op A Passion Play begreep.

Desondanks kwam het album moeizaam tot stand, aldus Allen: Anderson was om de belastingdruk te ontvluchten (83% in het Verenigd Koninkrijk!) naar Zwitserland vertrokken (slechts 20%...) om daar het album in de steigers te zetten. Later werd hij door de groep vergezeld. De papieren om hen een officiële Zwitserse belastingstatus te geven vergden de nodige aandacht en die bureaucratische molen draaide inmiddels bijna een jaar.
De repetities vonden plaats nabij Montreux, de wekenlange opnamen in Chateau d'Herouville nabij Parijs. Dit alles verliep moeizaam, "recording an entire album's worth of material that eventually was abandoned". De studio werd door Anderson omgedoopt tot "Chateau d'Isaster".

Dan echter delen twee anoniem gebleven leden dat ze niet in Zwitserland willen wonen. Mocht dat definitief worden, dan zullen ze de groep verlaten: "The money isn't important, we just have to go home". Anderson wil geen breuk en stemt met hen in. Nog geen vierentwintig uur later komt een telefoontje dat de leden nu "ingezetenen van Zwitserland zijn".
Het eten was er ook niet lekker, vond gitarist Martin Barre, die vertelde dat hij "baked sparrows" kreeg voorgezet. Kennelijk was hij vergeten wat hen bij de opnames van de voorganger op culinair vlak was overkomen.

Menig fan is onder de indruk van het album, al is de verkoop minder. Bewondering is er voor de deels cinematografische concerten. Een documentaire volgt, tegenwoordig hier te zien.
In de omvangrijke tournee zijn slechts twee Britse concerten opgenomen, beide in het Wembley stadion. Het leidt tot de nodige kritiek van pers en fans, waarop manager Terry Ellis bekend maakt dat de groep hierna definitief stopt met optreden.
Dat klopt niet én beschadigt de reputatie van Jethro Tull. De groepsleden zijn boos. Zoals Hammond verwoordt: "That was the most catastrophic thing he could say, and I just did not understand it."

Jethro Tull - Aqualung (1971)

poster
4,0
Toen ik in de tweede helft van de jaren '70 naar Hilversum 3 ging luisteren, de enige popzender die ons landje telde, kende dit station nog geen formats. Iedere omroep draaide wat haar uitkwam, met als gevolg een lappendeken aan programma's. In het boek 50 jaar 3FM: van vrolijke puinhoop naar serious radio (2015) van Arjan Snijders wordt ook op die periode uitgebreid teruggeblikt.
Die jaren van 'vrolijke puinhoop' hadden ook voordelen: als beginnend luisteraar trokken alle genres aan mijn oren voorbij, van hardrock bij Alfred Lagarde tot soul en disco bij Ferry Maat. Dat hielp om een bredere smaak te ontwikkelen. Met de huidige radiostations wordt veel minder gevarieerd geprogrammeerd en veel meer op luistercijfers gemikt, met voorspelbare playlists tot gevolg.

In Arbeidsvitaminen, waarin nonstop muziek klonk, kwam bijna wekelijks Aqualung of Locomotive Breath voorbij, bij verschijnen in 1971 niet meer dan een tipparadehitje. Een interessante eerste kennismaking.
Toen ik in 1983 met de trein ging forensen naar mijn nieuwe opleiding, deed ik dat met een studiegenootje. Zij had oudere broers die haar op het spoor van Jethro Tull hadden gezet en vertelde daarover. Het werd dus tijd om deze plaat uit de fonotheek te lenen, een hele stap voor iemand die vanaf 1978 vooral voor hardrock, metal en new wave was gegaan. Wat hielp was de wetenschap dat gitarist Tony Iommi van Black Sabbath eind 1968 een maandje of twee in de band had gespeeld.

De hoes vond ik prachtig, al denkt zanger Ian Anderson daar anders over; volgens de biografie Jethro Tull: a History of the Band, 1968-2001 (2002) van de Amerikaan Scott Allen Nollen was (en is!) die er niet blij mee dat schilder Burton Silverman uitgerekend hem als model had genomen voor de zwerver op de cover.
Al bij de eerste tonen hoorde ik overeenkomsten met de licks van Tony Iommi, al heeft die natuurlijk niets met dit album te maken. Toch herkende ik de sfeer, die tegelijkertijd veel breder uitwaaierde. Folk, klassiek en progressieve rock worden door Andersons typerende stem aaneen gesmeed. De ander die mij opviel was gitarist Martin Barre, die het rijke kleurenpalet creatief invult, van scheurende rock naar ingetogen folk. Uiteraard is daar de dwarsfluit die hier en daar verrassend heftig klinkt. Plus intelligente, verhalende teksten, waarin hij op de B-kant opvallend intens met God, mens en religie worstelt.

Toch denk ik dat ik nog niet rijp genoeg was voor deze muziek; toen ik in 2014 de discografie van de band voor het eerst chronologisch doorploegde, (her)ontdekte ik op deze door mij bijna vergeten plaat veel pareltjes. De titelsong, lang maar met onderling sterk verschillende delen; Cross-Eyed Mary met zijn zware riffs, hóe heerlijk; Mother Goose bleek het liedje te zijn dat mij al zo'n 30 jaar regelmatig te binnen schoot, waarvan ik niet meer kon thuisbrengen van wie het was of hoe het heette; Hymn 43 met zijn felle gitaarwerk en gospelachtige pianogroove.

Niet alles vind ik even sterk, wat niet wegneemt dat dit een monument van een plaat is. Bovendien van een band met een volstrekt eigen stijl en tegelijkertijd een amalgaam van al die verschillende invloeden, waardoor afwisseling troef is.

Jethro Tull - Benefit (1970)

poster
4,0
Reizend door de discografie van de groep met de biografie 'Jethro Tull' (2002) van David Scott Nollen erbij, kom ik bij het vaak cruciale derde album. Leukste anekdote is hetgeen frontman Ian Anderson in 1992 vertelde over het slotstuk van de plaat: "The title 'Sossity' was a pun on the word 'society', but Martin Barre didn't know that. He thought it was a girl's name. He actually had a boat which he called 'Sossity'. (...) I said: 'Martin, that was just a joke about society!' So he sold the boat!"

Opnieuw een bezettingswijziging, zij het dat het een toevoeging betreft. Student en toetsenist John Evan (eigenlijk Evans) is bij verschijnen van Benefit in april 1970 tweeëntwintig lentes en aanvankelijk nog geen vast lid. In de woorden van Nollen: [Anderson] asked old mate John Evans, who now was doing well at the Chelsea College of Science (...)".
Waren de nummers op voorganger Stand Up afgeronde composities ten tijde van de opnamen, dat was volgens bassist Glenn Cornick niet het geval op Benefit: "It tended to be just backing tracks".

Ian Andersons stem is niet per se mooi maar wel karakteristiek met een zekere dreiging in zich; of is het cynisme? Het is de tweede met gitarist Martin Barre en ondanks de soms sterke nadruk op gitaarriffs zijn alle composities van de hand van Anderson, die ondertussen ook aan zijn gitaarspel werkte. Sommige nummers op Benefit bevatten gitaarbijdragen van beiden.
Nothing to Say leunt op zo'n riff, waarna het eveneens sterke Alive and Well and Living in jazzpiano in het intro heeft. Met Evan groeit het muzikale kleurenpalet op een album dat de derde sterke op rij is.
Son heeft halverwege een afwijkend akoestisch deel en de tekst van een zoon die boos is op zijn vader. Dankzij For Michael Collins, Jeffrey and Me is daar voor het eerst op Benefit volop folkrock. Het bezingt de astronaut die weliswaar bij de eerste maanlanding en -wandeling was, maar achterbleef in de cabine.

Kant 2 opent met alweer zo'n pakkende gitaarriff in To Cry You a Song. Alsof die uit de hand van Tony Iommi komt, de ex-Jethro Tullgitarist die twee maanden eerder debuteerde met zijn maatjes van Black Sabbath. Nee, met "Flying so high" bezingt Anderson géén drugs; daar had men in Tull een hekel aan, vertelt Nollen, al was er niemand die hen geloofde.
In A Time for Everything is het alsof Anderson het Bijbelboek Prediker citeert, wellicht een echo van de Presbyteriaanse kerk uit zijn jeugd. Opvallend dat dit al het derde nummer is dat korter dan drie minuten duurt.
Typerend voor Tull groeit de muziek bij vaker draaien, zoals Inside lukt. Sossity; You're a Woman is een bijzondere afsluiter, kalm en folkachtig beginnend, leunend op de gitaarcompositie van Anderson die door gitarist Martin Barre knap wordt versterkt.

Het boek vertelt over de van elkaar verschillende VK- en VS-versies, de laatste met de nummers op andere volgorde en Alive and Well and Living In ingeruild voor Teacher, volgens Cornick "a throwaway song for us". De groep repeteert in Duitsland voor de naderende tour en belt Evans in Londen, die zich laat overhalen om zijn studie voorlopig op te geven en zich bij Tull te voegen.
Men tourt uitgebreid door Europa en de VS, waarna Cornick bij een kop koffie krijgt te horen dat hij niet met de band naar huis zal vliegen. Dit verhaal noteerde ik in december '23 bij diens volgende band Wild Turkey. Bij opvolger Aqualung is hij vervangen door Jeffrey Hammond.

Zoals al het oude werk van Tull verschenen later de nodige bonusversies, hartstikke interessant voor de liefhebber en - gelukkig - slechts deels op streaming te vinden. Muziek met een intrigerende sfeer, mijn derde vier sterren op rij.

Jethro Tull - Bursting Out (1978)

Alternatieve titel: Jethro Tull Live

poster
5,0
Tien kaarsjes blies Jethro Tull in 1978 uit en dus was het tijd voor een liveplaat. Elf studioalbums bracht de groep uit in de periode 1968 - 1978, ieder jaar één, de laatste was Heavy Horses in april dat jaar. Die platen werden steevast gevolgd door een Engelse, Europese en Amerikaanse tour - in de VS waren ze nog populairder dan in eigen land.
Bovendien kwam in '72 de meer-dan-verzamelaar Living in the Past uit en in het toch al drukke 1978 ondersteunt de groep Maddy Prior op Woman in the Wings. Je zou je kunnen voorstellen dat de groep in 1979 een jaartje rust zou nemen en ter overbrugging deze livedubbelaar uitbracht. Maar nee, al in september '78 lag Bursting Out in de winkels en sterker nog, zelfs dit livealbum werd gevolgd door een tournee.

Opgenomen "somewhere in Europe", maar de introductie van Claude Nobs van het Montreux Jazz Festival verwijst naar Zwitserland, waarbij opnamen van andere concerten zijn gebruikt, onder meer in Duitsland. In de praatjes tussen de nummers door klinkt Anderson als een enigszins strenge en toch vriendelijke schoolmeester met ironie, onder andere een Amerikaanse groep concertgangers bedankend dat ze - net als Jethro Tull - zo ver van huis zijn.

Bursting Out biedt een fraaie dwarsdoorsnede van het oeuvre van de groep. Nooit eerder hoorde ik gitarist Martin Barre zó stevig soleren: hij kan zich in heavy opzicht meten met Tony Iommi. Maar ook in akoestisch opzicht laat hij zich gelden, net als frontman Ian Anderson op zang, fluit, saxofoon en wat hij nog meer heeft liggen. Op toetsen laten Dave Evans en voor de extra's David Palmer zich horen, bassist John Glaslock is de betrouwbare brug tussen drums en de andere muzikanten, waarbij Barrie Barlow weer eens een meer dan fantastisch drummer blijkt, diens tijd vooruit met snelle partijen op dubbele basdrum nog vóór Phil Taylor bij Motörhead hiervan zijn handelsmerk zou maken.
Muziek op het kruispunt van progrock, hardrock, folk en daarbij elementen uit jazz en klassieke muziek. Het is een enerverend geheel, waarbij de arrangementen nogal eens afwijken van wat op de studioplaten staat.
De uitgebreide heruitgave uit 2024 waarover Mssr Renard schreef, is ook op streaming te vinden en doet de verbazing over het vakmanschap, spelplezier en veelzijdigheid alleen nog maar groeien. Dit alles in een opnamekwaliteit om bij de likkebaarden.

In de jaren van voorheen waren er enkele bezettingswijzigingen geweest: al sinds het vertrek van drummer Clive Bunker in 1971 (die ging trouwen en minder van huis wilde zijn) was Ian Anderson het enige groepslid dat er vanaf het begin bij was. Noodgedwongen diende de volgende verandering zich aan voor de tournee bij Bursting Out: bassist John Glaslock was door hartproblemen verhinderd om mee te gaan en werd tijdelijk vervangen door Tony Williams.
Die kreeg de baspartijen aangeleerd van zijn maatje, Barrie Barlow. Deze neemt in zijn cottage nabij Blackpool alle partijen met Williams door, geholpen door een remix van Martin Barre waarbij de baspartijen naar voren waren gehaald, zo vertelt Scott Allen Nollen in zijn bandbio 'Jethro Tull: A history of the band, 1968-2001'.
Hierna wordt de set nog eens twee maanden lang grondig doorgenomen. Dat laatste is niet vreemd als je weet dat Barre zeer kritisch was op zijn eigen spel: al ten tijde van Thick as a Brick maakte hij bij ieder optreden fouten, zo vertelt hij in het boek; omdat de muziek zo ingewikkeld in elkaar zat...

Jethro Tull - Curious Ruminant (2025)

poster
4,0
Ook ik mis Mssr Renard, die zich eind vorig jaar plotseling bleek te hebben uitgeschreven. Jammer, het was steevast genieten van zijn kennis en inhoudelijke stukken, respectvolle benadering van muziek en mede-MuMensen plus zijn persoonlijke insteek. Zeker bij een nieuwe Jethro Tull voel ik dat gemis.

Later dit jaar hoop ik aan de hand van Jethro Tulls bandbiografie van Scott Allen Nollen door hun discografie te gaan reizen. Nu eerst een korte eerste indruk van Curious Ruminant, waarop Ian Anderson wederom door zijn "nieuwe groep" wordt omringd, ontstaan tijdens zijn solojaren hiervoor: Joe Parrish op gitaren en mandoline, John O'Hara op toetsen, David Goodier op bas en Scott Hammond op drums. Zij worden vergezeld door enkele andere musici.

Wie bekend is met de recente albums van Tull, zal geen nieuwe strapatsen tegenkomen. Maar al mag de oude vos zijn vocale explosiviteit hebben verloren, componeren kan hij nog als de beste. Een unieke, herkenbare mengeling van folk en progrock, toegankelijk voor de luisteraar en stiekem toch gecompliceerd van aard. De melodie regeert namelijk en dwarsfluiten gaat hem nog onverminderd goed af.
Magnum opus is het ruim zestien minuten durende Drink from the Same Well, uit diverse instrumentale delen opgebouwd om pas na bijna acht minuten aan het vocale deel te beginnen. In de tekst beschouwt hij de menselijke aard, zowel in het "gewone" leven als de (wereld)politiek, met observaties als:
"Culture bending, message sending
Shouts of river to the sea
Displaying wilful ignorance
As to shifting tides of history

They drink from the same well as you
Yes, and they drink from the same well as you"


Een nieuwsgierige herkauwer op de hoes, bovendien prachtig verpakt, zoals Anderson droogjes zelf constateerde in de uitpakvideo. Het is niet verrassend, laat staan spectaculair. En toch fris.

Jethro Tull - Heavy Horses (1978)

poster
4,0
In 1978 was deze jonge puber inmiddels heel erg van de radio en ontstond langzamerhand een voorkeur voor snelle liedjes, liefst met scheurende gitaar. Van een groep als Jethro Tull had ik geen benul. Wellicht dat ik de hoes van Heavy Horses wel eens voorbij heb zien komen; mijn ouders hadden de driemaandelijkse catalogus van Boek en Plaat, mogelijk stond hij daarin. Áls dat zo was, was de foto van een bebaarde man met in bruin pak, mal hoedje op het hoofd en twee paarden aan de handen me niet aantrekkelijk voorgekomen.

Toen ik in 2014 door de discografie van de groep heenging, ontdekte ik echter dat er met Acres Wild, Moths en Rover drie appetijtelijke liedjes op staan. De bijzondere combinatie van progrock en folk, de ingewikkelde maatsoorten, akkoordenreeksen en overgangen in combinatie met folkelementen als mandoline en viool (de laatste van gastmuzikant Darryl Way) maakt dat Jethro Tull een unieke plek inneemt.
Inmiddels blijkt opener ...And the Mouse Police Never Sleeps een groeidiamantje, zeker met die extatische climax. Geldt tevens voor One Brown Mouse, titellied Heavy Horses met z'n strijkers en de progfolk van Weathercock: lekker tot onweerstaanbaar. Muziek die bij het klimmen van de jaren steeds beter bevalt.

Heeft Scott Allen Nollen in zijn groepsbio uit 2002 nog leuke details? Uiteraard. Zo lees ik dat frontman Ian Anderson in aanloop naar Heavy Horses in zuid-Londen studio Maison Rouge bouwde en dat de groep zangeres Maddy Prior van Steeleye Span begeleidde op haar soloplaat Woman in the Wings.
In een interview vertelde Anderson: "I don't listen to music", "My whole record collection consists of twenty or thirty albums" en "Beethoven is my only idol".
Hij beschreef destijds de elpee als "Songs from the Wood, Part II, plus a little more Jethro Tull." In 1993 was hij minder positief: "Songs from the wood had the fun, the humor. (...) Heavy Horses is missing that warmth." Is dát wat me opvalt aan de zang? Hij klinkt af en toe onnodig venijnig, met een ietwat geforceerd rauw randje in de stem. Al is dat in contrast met de akoestische gitaren van Martin Barre en hemzelf nog altijd okay.

Bassist John Glaslock voelde zich steeds vaker onwel. Diens vriendin sleurde hem, terug van tournee in Groot-Brittannië, met grote haast naar het ziekenhuis. Het bleek dat een verwaarloosde tandontsteking voor problemen bij een toch al zwakke hartklep had gezorgd, een erfelijke aandoening. Hij onderging onmiddellijk een openhartoperatie.
Verscheen Heavy Horses in april 1978, al in september volgde Bursting Out: Live.

Jethro Tull - Living in the Past (1972)

poster
4,5
Een tijdje geleden kocht ik Living in the Past op tweedehands 2LP in klaphoes. Vinyl in goede staat, hoes in redelijke. Waar ik vroeger dacht dat dit een simpele verzamelaar was, ontdekte ik later dat ie veel meer is. Vandaar de aanschaf én vanwege de prachtige hoes met onder andere de nodige aantrekkelijke foto's.

In 2014 was ik toe aan een hernieuwde kennismaking met Jethro Tull en drie plaatkanten compilatie vormen elf jaar later een geschikte herbeleving daarvan. Zo is dit album een aangenaam mengsel van herkenning en het ontdekken van mij onbekend werk.
Blijkens het boekwerk in de hoes stond het nodige niet op een regulier album, ofwel klinkt hier een andere opname dan die op een eerder verschenen elpee. Nieuw (1972 hè...) dan wel afwijkend op kant 1 zijn Love Story, Christmas Song en Driving Song. Op kant 2 Sweat Dream, Singing All Day, Teacher, Witches Promise (ja, zó wordt ie hier op hoes en label gespeld, ik zal een correctie indienen) en Just Trying to Be.
En op kant 4 Wond'ring Again, Life Is a Long Song, Up the 'pool, Dr. Bogenbroom (lijkt wel een naam uit de reeks Harry Potter), For Later en Nursie. Per nummer wordt aangegeven in welke studio en in welke maand de opname werd gemaakt.

Kant 3 is live, opgenomen in de New Yorkse Carnegie Hall in november 1970. Twee nummers slechts: By Kind Permission of, inclusief een lang pianodeel van John Evan dat soms door Erik Saties Gymnopédies lijkt te zijn geïnspireerd; plus Dharma for One, waarin een lange en toch boeiende drumsolo. Die mogen anno 2025 achterhaald lijken, hier is het genieten: in het spel van Clive Bunker zit de nodige jazz, wat extra swing brengt.

Tja MuMe, of ik ter plekke vier favorieten wil kiezen... Mag ik daar iets meer bedenktijd voor?

Jethro Tull - Minstrel in the Gallery (1975)

poster
3,5
Opgenomen in de mobiele studio die Jethro Tull kort daarvoor had aangeschaft. En zo kon de groep april 1975 het nog frisse Engeland verruilen voor het warmere Monte Carlo. De 24-sporenstudio was te vinden in een truck die bij het plaatselijke radiostation werd geparkeerd. De opnames vonden plaats in een galerie, te zien op de achterzijde van de hoes, zo vertelt Scott Allen Nollen in zijn groepsbiografie. Titel Minstrel in the Gallery kunnen we dus letterlijk nemen.

Muzikaal valt op dat het enigszins teruggrijpt op Aqualung, wat betreft het contrast tussen ingetogen akoestische en luide elektrische delen. Anders dan de vorige drie albums. Zo horen we in Black Satin Dancer rock en dwarsfluit fraai samengaan, al dan niet luid.
Dirigent en arrangeur David Palmer werd net als op de voorganger uitgenodigd, deze keer met een strijkkwintet onder diens hoede. Het duidelijkst is dat op het dikke kwartier van Baker St. Muse, dat uit vier delen bestaat. Miniatuur Grace laat Anderson solo de oorspronkelijke plaat afsluiten.

Nollen deelt weer interessante achtergronden. Hoorbaar is dat Anderson in die fase geen zin meer had in jazz. Folk en klassieke muziek behoren tot de kern van zijn muzikale ziel, zo vertelde deze in een interview. En ook al houdt hij enorm van Amerikaanse blues als Muddy Waters en Howlin' Wolf, Anderson deed geen pogingen die te integreren in zijn muziek met Jethro Tull.

Minstrel in the Gallery was het vijfde album in de bezetting Anderson - Barre - Evans - Hammond - Barlowe en inmiddels sluipt er slijtage in de onderlinge verhoudingen. Anderson vertelde later: "Evans was really going off the boil. He had lost interest in rock music (...). Barrie Barlow is a bit of a dissident type who was always picking fights and arguments."
Barlow echter legde uit: "I became a sort of spokesman for the group whenever we were unhappy about something. (...) I always ended up having to confront Ian."
Na weer een maandenlange tour is bassist Jeffrey Hammond toe aan wat nieuws. Om niet door Anderson te worden overgehaald tóch bij Jethro Tull te blijven, doet hij dat ruw. "I wanted to express myself, (...) I had to make the decision, and it was an awful business because I had to do it in a rather blunt way".

Jethro Tull - RökFlöte (2023)

poster
4,0
Het 23e studioalbum van Jethro Tull alweer?! Bij voorganger The Zealot Gene schreef ik over mijn moeite met de stem van Ian Anderson, die om fysieke redenen tegenwoordig zijn vroegere explosiviteit en hogere noten mist. Dat is met deze snel verschenen opvolger (slechts vijftien maanden later) uiteraard niet verbeterd. De man is op leeftijd, ik zal het ermee moeten doen.
Tegelijkertijd valt op dat deze bezetting van Jethro Tull net als die van vorige decennia sterk musiceert en dat de productie weer eens dik in orde is. Anderson schreef als bijna altijd alle muziek en teksten, op de gesproken Eddateksten na. Een vijftal nummers springt eruit.

De nummers die in de aanloop verschenen, maakten bescheiden indruk op me. Nu ik het hele album kan beluisteren, landen deze echter veel beter. Gastspreekster is de IJslandse Unnar Birna, wier naam ik elders tegenkom als Una Björnsdottir. Zij leidt het album in en sluit het af in het Oudnoords. Je zit dan meteen in een verhaal rond de goden van de Noordse mythologie, alsof je de serie Vikings kijkt of een stripalbum van Thorgal leest.
Anderson blijft onverminderd nieuwsgierig en levert zo alweer een interessant conceptalbum af. Muzikaal wisselen rock, klassiek, folk zich in deze Noordse progsferen naadloos af of lopen in elkaar over. Genieten!

Mijn favorieten zijn naast het openings- en sluitstuk, met de prachtige spreekstem die direct mystiek brengt: het stevige en slepende Ginnungagap, het uptempo Wolf Unchained, de folkrock van Trickster (and the Mistletoe) en de stevige progrock van The Navigators. Elders klinken eveneens fluit- en gitaarlijnen of gecompliceerde breaks die fraaie details toevoegen. Ik ben dus positiever over dit album dan de voorganger, die voor mij een “langere zit” was: hier een krappe 8.

Jethro Tull - Songs from the Wood (1977)

Alternatieve titel: Jethro Tull with Kitchen Prose, Gutter Rhymes and Divers Songs from the Wood

poster
4,5
Na een uitgebreide rustpauze keerde Jethro Tull in 1977 terug. De haren korter dan voorheen poseert Ian Anderson op de hoes van Songs from the Wood. Als laatste Tullenaar was hij verhuisd van Londen naar het platteland. Maar dan niet naar een dorp, nee, meteen naar een boerderij ten westen van Londen, zo vertelt de bandbiografie van Scott Allen Nollen uit 2002.
Anders dan voorheen liet hij compositorische inbreng van anderen toe: "I deliberately would leave the studio and let them come up with some arrangements and ideas." Iets wat eigenlijk alleen eerder het geval was op Thick as a Brick.
Samen met de landelijke omgeving waar hij nu woonde, leidde dat tot een album waar de folkinvloed groter is dan ooit tevoren.
Bij het woord 'folk' keken de heren overigens vaak vies. Dit vanwege de associatie met de "1960s American coffeehouse style of bad singing and even worse musicianship." Op Songs from the Wood wordt echter op eigenzinnige wijze geput uit de Britse folkhistorie, ook wat betreft thematiek. Hunting Girl en de latere bonustrack Beltane bijvoorbeeld hebben seksuele connotaties, verwijzend naar het Keltische zomerfeest waarbij meisjes zich in het open veld aan een man mochten aanbieden - zo vertelt althans de overlevering. De oude bronnen werden gegoten in groot muzikaal vakmanschap: opnieuw klinkt vaak gecompliceerd werk.

Toen ik in 2014 de discografie van Jethro Tull langsging, belandde menig nummer op mijn afspeellijst: naast het titelnummer Cup of Wonder (dat het tot single schopte aan beide zijden van de oceaan, aldus Nollen), kerstlied Ring Out, Solstice Bells met daarin buisklokken, het aan Renaissancemuziek herinnerende Velvet Green en het eveneens op single verschenen The Whistler, een kruising tussen oude folk en marsmuziek, dat op de B-kant de non-albumtrack Strip Cartoon kreeg.
Inmiddels landen ook goed de stevige progrock met barokke toetsenpartijen van Hunting Girl en Pibroch (Cap in Hand), ongetwijfeld de inbreng van toetsenist John Evans, die ondanks zijn verminderde belangstelling voor rock nog altijd bij de groep bleef. En anders is die invloed het werk van David Palmer, die deze keer een portatief, een draagbaar pijporgel meenam.

Het album en bijbehorende uitgebreide tour door het VK, het Europese continent en de VS brachten Jethro Tull terug naar de absolute top, waar de vorige albums en tournees soms tekort schoten. In de setlist keerde folkgeoriënteerd materiaal van voorheen terug in de setlist: Skating Away, To Cry You a Song, Minstrel in the Gallery, Cross-Eyed Mary en Backdoor Angels.

Eenmaal terug thuis, koopt Anderson de 15.300 hectare van Strathaird Estate op Isle of Skye. Zijn nieuwe buren protesteerden aanvankelijk, want wat moet zo'n rockster hier? Maar hij begint er een zalmboerderij en bouwt geleidelijk een goede band met hen op, geholpen door het feit dat zijn boerderij banen voor de regio brengt.

Jethro Tull - Stand Up (1969)

poster
4,0
Van dit album kende ik vroeger slechts Bourée: het kwam in de tweede helft van de jaren '70 regelmatig voorbij in Arbeidsvitaminen. Ik hoorde dat het leek op klassieke muziek en leerde pas veel later dat frontman Ian Anderson leende van Johann Sebastian Bachs BWV 996, Suite in E minor für Lautenclavier. Bach liet speciaal hiervoor een door hem ontworpen luitklavier bouwen, Jethro Tull ontwikkelt de compositie dóór voor dwarsfluit én weet er jazz aan te verbinden.
In zijn biografie over de groep vertelt auteur David Scott Nollen dat hetgeen we horen qua dwarsfluit het resultaat was van het nodige knip- en plakwerk, samengesteld uit diverse takes.

De tweede Jethro Tull. Mick Abrahams is vertrokken en nadat Tony Iommi korte tijd diens vervanger was, wordt Martin Barre de definitieve.
Op opener A New Day Yesterday klinkt de groep steviger dan voorheen met de muziek in blues gemarineerd. Het debuut was op vier sporen opgenomen en Stand Up op acht: zo ontstond de mogelijkheid om bijvoorbeeld de gitaar te dubbelen, vertelt Nollen.
Hij houdt de lezer eveneens voor dat op met Jeffrey Goes to Leicester Square de invloed van folk zich voor het eerst sterk doet gelden én er klinkt een vervormde, driesnarige balalaika, resultaat van het zoeken naar nieuwe geluiden.

Is We Used to Know de inspiratiebron geweest voor Hotel California van The Eagles? Don Felder van de laatste groep ontkent het. Toch hebben de groepen elkaar ontmoet tijdens het touren, zoals Anderson bij Far Out Magazine vertelde, onmogelijk is het niet.
Opnieuw valt op hoe goed de ritmesectie Glenn Cornick - Clive Bunker is en dat Martin Barre prima invoegde, ook al was het meeste materiaal al geschreven voor zijn komst. Het stevige slot For a Thousand Mothers heeft weer de sfeer van een jamsessie, zoals vaker op deze plaat.
Single Living in the Past stond niet op de elpee maar haalde met zijn aparte groove wel in juni '69 de derde plek in de Britse hitlijst, nadat de eveneens non-albumsingle Love Story, afkomstig van de sessies voor het debuut, vier maanden eerder #29 haalde. Gek genoeg werd Bourée daar geen hit, waar het in Nederland bij De Daverende 30 in december '69 naar #5 klom.

Een groep in ontwikkeling. Iets meer folk en verder blues en jazz, op z'n Tulls tot een sterk geheel geroerd en Martin Barre die zijn plek snel aan het vinden is. Had ik dit destijds meegemaakt, dan had ik dit één van de meest veelbelovende groepen genoemd met nu al twee sterke langspeelplaten op rij, plus sterk non-album singlemateriaal.

Jethro Tull - Stormwatch (1979)

poster
4,0
Omdat we vandaag misschien wel de 40° halen, helpt het wellicht als ik over Stormwatch schrijf: hopelijk werken de ijspegels in de baard van Ian Anderson verkoelend.

Dit album moet ik in de jaren '81-'82 uit de fonotheek hebben geleend. Voor iemand die het liefst voor rechttoe-rechtaan ging, was het beluisteren van Tull enigszins een klus. Goede ideeën te over, maar vaak duren ze relatief kort, om te worden onderbroken door een ander thema.
Aqualung kende ik, andere Tullalbums niet. De folkperiode van de albums vóór Stormwatch was mij daarmee onbekend. Voor mijn oren was het desondanks een logische opvolger van die succesplaat.

De bijzondere plek binnen de symfonische rock (zoals het genre toen werd genoemd) beviel mij na de nodige luisterbeurten redelijk goed, net als het gitaarwerk van Martin Barre. De ingenieuze drumpartijen van Barrie Barlow vond ik knap. Dit alles zorgt consequent voor inventieve en eigenzinnige rock op hoog speltechnisch niveau.
Vier nummers kwamen op cassette: de steviger tracks North Sea Oil en Orion die ik sindsdien van tijd tot tijd in de eigenwijze playlist van mijn hoofd hoor opduiken; het mysterieuze Dun Ringill, waarop toenmalig Thames TV-weerman-met-showtalent Francis Wilson het intro insprak, over de Schotse kasteelruïne, gelegen op het toenmalige landgoed van frontman Ian Anderson; tenslotte zette ik het ingetogen Elegy op tape.

In 2014 ging ik hun discografie doorploegen, waarbij andere zaken opvielen. Zoals dat op Stormwatch gecompliceerde composities nadrukkelijk worden afgewisseld met luchtiger liedjes, waarin folk zijn invloed doet gelden.
Bij Dark Ages vroeg ik me af waarom ik dit indertijd niet op cassette zette. Briljante progrock namelijk met zowaar een "metalen riff" erin. Het zal wel iets te maken met de stijl van Barlow, die zelden groovy doormept, maar altijd weer allerlei versiersels toevoegt. Dat trok ik toen niet, nu wel.

Op streaming bevat de 2004-remaster vier sterke bonustracks; niks afdankertjes, maar van hóóg niveau.
Sinds 2020 is er de Steven Wilson remix, die de plaat warmer doet klinken dan voorheen. Bovendien zijn daar nog meer fijne bonusliedjes te vinden. Die ontbreken op de tweedehands vinylversie die ik sinds een klein jaar bezit, maar de hoes is te fraai voor slechts een cd.

In 2008 schreef hadiederk over de engel op de achterzijde. Leuke ontdekking, dank! Jammer dat er op mijn elpee een barcode op het engelenhoofd zit, waardoor ik dit detail wederom had gemist...
Van de biografie Jethro Tull: A history of the band 1968-2001 van Scott Allen Nollen leer ik echter dat het hemelwezen (nog) geen verwijzing kan zijn naar de door hartfalen geplaagde John Glaslock: de plaat verscheen in september; Glaslock overleed toch nog onverwacht in november, de dag nadat Barlow hem had gebeld met de vraag of hij wilde meedoen in zijn nieuw te vormen band. Barlow was stomverbaasd toen het nieuws hem bereikte.
Glaslock was voor de Amerikaanse tournee inmiddels vervangen door Dave Pegg die zich als een malle moest inwerken, geholpen door Barre. Barlow verliet de band dus ook. Stormwatch is bovendien de laatste plaat met toetsenist David Palmer in de gelederen, het einde van een ijzersterke bezetting. Over het waarom hiervan en voor veel meer details beveel ik de genoemde bio aan.

Zoals door anderen genoemd was Jethro Tull in deze periode niet hip bij recensenten. Het waarom hiervan ligt vast bij de veranderde smaak door de opkomst van punk en new wave en het feit dat de mannen er qua uiterlijk nogal ouderwets, hippie-achtig uitzagen. De vooruitziende computerlettering op de voorzijde van de hoes veranderde daar niks aan.
Maar laat je oren het werk doen: dit is gewoon een sterke plaat, die nooit modieus is geweest. Gelukkig maar, ook op deze snikhete zomerdag.

Jethro Tull - The Broadsword and the Beast (1982)

poster
4,0
Eind jaren ’70. Als jonge tiener raakte ik gefascineerd door hardrock, metal en new wave. Iets later verbreedde mijn horizon zich. Vooral Kansas maar ook Jethro Tull kwam op de radar, mede omdat gitarist Tony Iommi (Black Sabbath) in de jaren ’60 enkele maanden deel uitmaakte van deze groep.

Waarschijnlijk was The Broadsword and the Beast het tweede album dat ik van de groep uit de fonotheek leende, nadat Aqualung enige maanden eerder was voorgegaan.
Wat de twee elpees bij voorbaat gemeenschappelijk hebben, is dat ik de hoezen zo mooi vond. In dit geval frontman Ian Anderson als boze elf met vlindervleugels, in middeleeuws tenue een groot zwaard tonend. Op de achterzijde een drakar, terwijl de vier mede-Tullers als houtsnijreliëf toekijken. Binnenhoezen werden vaak door eerdere leners gesnaaid (waarom – wat moet je met slechts de binnenhoes?), maar nu ik de elpee heb gekocht (een oud maar gaaf exemplaar) ontdek ik dat deze de liedteksten bevat met net als op de buitenhoes runentekst in het kader.

In juli 1982 zag ik de groep op West-Duitse tv, beelden van Rock Pop in Concert van 28 mei in Dortmund, waar ze als vreemde eend invielen bij een verder hardrockend gezelschap bestaande uit Heart, Joan Jett, Status Quo, ZZ Top en mijn überfavoriet Saxon. En jeuuu, dit concert staat op Youtube!

Over de plaat was ik ook tevreden. Mijn oren raakten inmiddels gewend aan dit bijzondere amalgaam van folk- met progrock. Het kostte enige draaibeurten, waarna van de kant 1 ('Beastie' genaamd) Beastie op cassette belandde en van kant 2 ('Broadsword') Broadsword, Pussy Willow en Seal Driver op datzelfde bandje belandden, net als de mij te rustige afsluiter Cheerio, maar dat was omdat op het bandje slechts beperkte ruimte over was.
41 jaar later constateer ik dat alle nummers er mogen zijn. Sterker nog, Clasp is nu met Pussy Willow mijn favoriete nummer, waarbij Broadsword al 41 jaar als aangename oorwurm regelmatig in de jukebox van hoofd opduikt.

In de bandbiografie ‘Jethro Tull: A history of the band, 1968-2001’ (2002) van de Amerikaan Scott Allen Nollen vertelt hij dat groepsleider Ian Anderson behoefte had aan een externe producer. Dit omdat Anderson een fris, kritisch oor erbij wilde, mede omdat digitale opnametechnologie een snelle opmars maakte.
Na zijn soloproject A, op last van platenmaatschappij Chrysalis uitgebracht als een groepsalbum, was er veel keuze in nieuwgeschreven materiaal. Vertraging kwam toen samenwerking met (hard)rockproducer Keith Olsen op niets uitliep, waarna Paul Samwell-Smith het overnam, aldus gitarist Martin Barre.
Nieuw waren drummer Gerry Conway (ex-Fotheringray) en de 25-jarige Schots-Italiaanse toetsenist Peter-John Vettese. De laatste waaide pas later binnen, zodat Anderson zelf de nodige toetsenpartijen had voorbereid. Voordeel volgens de zanger: de muziek werd niet te ingewikkeld. Desalniettemin vallen het pianospel en de rijke geluiden van Vettese op, net als dien samenspel met Barre, alsof de twee al jaren samenwerkten. Op Watching Me Watching You klinkt voor het eerst bij de groep een sequencer, meldt de auteur.

In 1988 verschenen de eerste afvallers van het album op verzamelaar 20 Years of Jethro Tull, in 1993 volgde meer op Nightcap. Op streaming hoor ik ze ook en ze zijn allemaal van niveau. Rhythm in Gold had met zijn tegendraadse drumwerk wel op de oorspronkelijke plaat gemogen, wat een juweeltje!

Jethro Tull - The Zealot Gene (2022)

poster
3,0
Jethro Tull heb ik altijd een interessante én aparte band gevonden. Lekker eigenwijs verenigde de band muzikale tegenstellingen zoals folk en symfonische rock, met aanvankelijk ook een dikke scheut blues en in de jaren '80 synthesizerpop door de soep geroerd. Toen in 2014 Ian Andersons soloalbum Homo Erraticus verscheen, ben ik de JT-catalogus eens goed gaan (her)verkennen. Ik kan mij aardig vinden in de becijfering die Kronos hierboven geeft; bij mij leidde het beluisteren van hun discografie tot een playlist met mijn favoriete nummers, die ik sindsdien regelmatig draai.

Dat Anderson de oude bandnaam uit de mottenballen heeft gehaald, betekent niet dat de oude band terug is: hij is het enige lid dat ook op het laatste studioalbum, J-Tull Dot Com uit '99 speelde. De overige muzikanten op deze nieuwe JT doken in de jaren erna op in Andersons begeleidingsband. Wat dat betreft vind ik de bandnaam misleidend.

The Zealot Gene lijkt dan ook meer op Andersons solowerk dan op de muziek van vorige bezettingen van Jethro Tull. Aangenaam vind ik de folky benadering, de composities zijn in orde. Maar dat Anderson komende augustus 75 jaar hoopt te worden en COPD-patiënt is, hoor je terug in zijn stem: helaas helaas, de dynamiek is eruit. Hij zingt rustig, zonder de stem- of fluituitbarstingen die hij in het verleden wél praktiseerde. Het gevolg is dat ik expressie mis en dat het album een beetje voortkabbelt; nergens onaangenaam, hier en daar fraai gemusiceerd, maar mij nergens bij de lurven grijpend.
Toch ben ik voorzichtig in mijn oordeel, de muziek van Tull en Andersons bleek vaak als goede wijn: laat het rijpen, luister over drie maanden weer eens, plotseling bevalt het beter.

De teksten zijn een aparte analyse waard. Zo te horen heeft Anderson zich laten inspireren door het oude verhaal van het volk van de Hebreeën, daar ga ik nog eens goed voor zitten.