MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

H.e.a.t - Extra Force (2023)

poster
3,5
MusicMeter vermeldt bij het Zweedse H.E.A.T. als genre rock, maar ik zou toch voor (melodieuze) hardrock of adult oriented rock gaan. Op mijn shortlist met scheurende gitaren uit 2023 belandde de track Nationwide; in deze decembermaand wil ik de albums achter de tracks nog eens horen.
In dit geval de "soort van verzamelaar" Extra Force met vijfmaal nieuw studiowerk, tweemaal werk dat voordien was gezongen door Erik Grönwall en van oorspronkelijke vocalist Kenny Leckremo een nieuwe uitvoering kreeg, plus in de tweede helft zes liveopnamen.

Als het gaat om eigentijdse adult oriented rock zit je wel goed bij de tot dusver zeven studioplaten van H.E.A.T., waaraan we deze dus als een soort 'deel 7-B' toevoegen. Altijd lekkere melodietjes, altijd goed gemusiceerd met krachtige gitaarmuren, racende gitaarsolo's en dit alles in een kraakheldere productie. Je wordt nooit teleurgesteld en tegelijkertijd zelden verrast. Hun kracht is tevens hun zwakte.
Als je over de neiging tot verrast willen worden heen bent, resteert een aangenaam album in de categorie 'keurige 7'. Sterkste studionummers naast het snelle Nationwide zijn One by One en Hollywood, waarin de neiging tot met gebalde vuist meezingen groot wordt. Gelukkig vermijdt de groep een ballade, is alles minimaal midtempo en meestal sneller.

In de liveopnamen is bovendien te horen dat het vijftal ook live hun mannetje staat, de ideale opwarmer voor een grote naam. Daarbij drie nummers die we ook op de eerste helft tegenkwamen.
Om meer dan mijn 3,5 ster te scoren moet je toch wat meer doen, zeker met Rock Your Body, waar het meezingen er te dik bovenop ligt. Dangerous Ground bijvoorbeeld heeft het wél, met een geluid dat me doet terugdenken aan het steviger Deep Purple in de jaren '70; maar ook daar een o-who-whokoortje. Living on the Run redt het makkelijker: sterke melodie en lekker robuust.

Degelijk album van een degelijke band.

H.e.a.t - Welcome to the Future (2025)

poster
3,0
Ultimate Classic Rock publiceerde een lijst van de tien beste hardrockalbums van 2025. Niet alles is mijn glas bier, maar nieuwsgierig werd ik wel. Op 10 staat H.E.A.T. met Welcome to the Future.

Eind augustus was hier op MuMe een verkiezing van de beste Adult Oriented Rock en deze Zweden hadden daar makkelijk met één of meerdere nummers tussen gepast. Muzikaal is het net iets steviger dan dat genre, maar als ze de voet van het gaspedaal halen zoals bij In Disguise...
Stevige hardrock op de rand van pop, zoals die midden jaren '80 in zwang kwam: melodieus met herkenbare refreinen, flitsende gitaarsolo's, krachtige zang en dat alles met de nodige toetsentapijten. Vijf topmusici die alles geven in een optimistische sfeer, waarbij soms ohoho-koortjes langskomen.

Die laatste dingetjes zijn echter precies die reden dat het mij snel te zoet wordt. Twee á drie nummers is nog okay, maar dan ben ik ook verzadigd. Retro-hardrock met veel glucose.
Favorieten die ik aanvinkte: opener Disaster, Running to You en In the End.

Halfnelson - Halfnelson (1971)

Alternatieve titel: Sparks

poster
2,0
Op 14 juni treedt Sparks op in Utrecht en als de drukte op mijn werk het toelaat, kan ik op het laatste moment proberen erheen te gaan. Met een vriend heb ik de opdracht om een top 10 van hun beste nummers te maken en dan begin ik uiteraard met hun debuut.
De twee berichten hierboven vermelden al de nodige nuttige informatie, wellicht goed om bovendien te noemen dat het album reeds een jaar na verschijnen onder de vlag van Sparks verscheen met de hoes die ook op streaming is te vinden. De band is in deze fase méér dan het duo zoals Sparks zich later zou presenteren met louter de gebroeders Ron en Russel Mael. Op de hoes zien we tevens de gebroeders Earle en James Mankey (gitaar en bas) en Harley Feinstein (drums).

Bij het beluisteren krijg ik allerlei associaties, die me doen denken aan de Britse glamrock en artrock van die dagen. Sparks komt echter uit Los Angeles en de namen die mij te binnen schieten, waren op dat moment nog niet groot in de Verenigde Staten.
Opener Wonder Girl doet me aan T-Rex denken, Fa La Fa Lee klinkt eveneens als Britse glamrock en bij Roger zou je aan David Bowies dagen van Ziggy Stardust kunnen denken. De gekte is hier al enigszins te horen, maar naarmate het album vordert, beklijven de liedjes niet meer.
Tot het afsluitende (No More Mr.) Nice Guys, met in de gitaarsolo lange, scheurende lijnen; zoals Carlos Alomar zes jaar later bij Bowie zou neerleggen, of Reeves Gabrels bij Tin Machine en The Cure. Scheurende rock met een vleugje new wave; het derde nummer van de plaat dat ik waardeer.
Toch houd ik het bij twee sterren, want vaker werkt de muziek niet: vanaf het vierde nummer haak ik af en langdradig wordt het zelfs bij Simple Ballet, Slowboat en Biology 2.

Achteraf gezien is het makkelijk om de latere genialiteit te herkennen, maar de kritische luisteraar in ’71 en ’72 had dat zeker nog niet gekund. De zaadjes waren echter geplant.

Harp - Albion (2023)

poster
4,0
Met een hoes alsof het 1973 is, trok Albion mijn aandacht. Aha, dit is het project van Tim Smith, ooit de frontman van Midlake. Na persoonlijke sores is hij terug met nieuwe eega annex drumster Kathi Zung, onder het banier van Harp.

In Harp maakt de Amerikaan folk in de Britse traditie, als hij met akoestische of juist elektrische gitaar, lichte toetsen, soms fluit en zijn kalme stem als een eigentijdse troubadour klinkt. De muziek is kalm, een vredige sfeer uitstralend. Bij Silver Wings moet ik denken aan Shearwater; serene sferen versluieren de ruimte als in een muzikaal nevel. In mijn geval hebben I Am the Seed en Seven Long Suns die uitwerking.
De sobere toetsenlijnen klinken daarbij knus als was het 1982; het werkt wonderwel. Samen met de barcode op de hoes verraden ze dat het niet 1973 is, al laat een compositie als het vrij vlotte Throne of Amber nogmaals horen dat er ook jaren '80 zijn geweest.

Brits klinkt het, sfeervol eveneens. En retro, maar dan net anders, alsof jaren '70 folk samenvloeit met dromerige jaren '80 vleermuizenwave. De hoes met sneeuw, kasteel en de lettering daarbij verhogen de quasi Middeleeuwse stemming. Een laatavondplaatje, extra passend bij deze korte winterdagen.

Hazel O'Connor - Breaking Glass (1980)

poster
4,5
In 1981 klonk af en toe Will You? van nieuwe naam Hazel O'Connor op Hilversum 3, het haalde ondanks een fraaie videoclip in juli slechts #9 in de Tipparade. Een aardig liedje vond ik, zij het wel wat overdramatisch en theatraal. Daar zit ik 44 jaar later anders in. Sterker nog, het hele album Breaking Glass is bijzonder aangenaam.
Eigenlijk raar dat ik het toen matig vond, want diezelfde theatrale kant klonk bij Lene Lovich die ik wél ontzettend leuk vond. Ook de stemmen van de zangeressen lijken op elkaar, waarbij O'Connor in tegenstelling tot Lovich niet aan hoge gilletjes doet. Andere associaties zijn met Toyah en Siouxsie.

Tegelijkertijd heeft Breaking Glass een eigen geluid. Meest opvallend zijn de saxofoons van Wesley Magoogan, die de nodige ruimte krijgen. Het doet denken aan hetgeen Roxy Music op hun eerste vijf albums deed, maar dan in het jasje van new wave. Vooral uptempo, bijna felle nummers met hier en daar toetsen van O'Connor en producer Tony Visconti; opvallend genoeg speelt de gitaar een dienende, ondergeschikte rol, tegelijkertijd zijn de partijen van Bob Carter effectief bij deze muziek.

Tsja, kies dan maar eens favorieten... Zwakke nummers kom ik sowieso niet tegen. De überfavo's: opener met klein begin maar knallend vervolg Writing on the Wall, het eveneens pittige Monsters in Disguise en Who Needs It en het wat plechtige Will You? op kant 1, dat weg heeft van een Frans chanson.
De tweede plaatkant start met de smeuïge synths van Eighth Day die bovendien geluidseffecten bij de tekst bieden, de andere uptempo nummers Blackman, Give Me an Inch en de met strijkers opgeluisterde slotlied If Only. Deze elpee kom ik zo af en toe tegen in platenbakken met tweedehands vinyl. De eerstvolgende keer dat dat gebeurt, neem ik 'm mee.

Geen wonder dat de muziek het in het eigen Engeland wél goed deed, mogelijk mede omdat dit de soundtrack bij de film Breaking Glass is. Die stamt net als het album uit 1980, het bescheiden succes in Nederland hobbelde ook nog eens achteraan. Van die film hier de trailer en daar de gehele film, gratis op YouTube. In de film zijn trouwens ook kort Rat Scabies van The Damned en Boy George te zien.

Vier singles haalden de Britse hitlijst: Eighth Day stond in september 1980 twee weken #5, Give Me an Inch in november #41 en Will You? in juni 1981 #6. Als die laatste single verschijnt, is haar tweede album Sons and Lovers alweer enkele maanden uit en heeft een derde hitsingle opgeleverd met D-Days.

Bij dat album kom ik later tijdens mijn reis door de new wave van 1980, waarbij mijn vorige station bij de (post-)punks van Penetration was en mijn volgende uit Duitsland komt: het nummer So Froh van Ede+Die Zimmermänner, vanaf 2002 te vinden op verzamelaar Verschwende Deine Jugend: Punk und New Wave in Deutschland (1977-83).

Hazel O'Connor - Sons and Lovers (1980)

poster
4,5
Op mijn reis door new wave ben ik in november 1980, komend vanaf de vijfde van The Jam. Op deze systematische zoektocht kom je soms verweesde albums tegen, zoals de tweede van Hazel O' Connor.

Na haar succesvolle debuut uit augustus 1980 verscheen deze opvolger Sons and Lovers (de titel een hint naar het gelijknamige boek van D.H. Lawrence uit 1913) slechts een kleine vier maanden later. Het succes was minder en Nederland miste het compleet. Zelfs 45 jaar later nog: hier op MuMe tref ik nul berichten en twee stemmen aan. Terecht? Neen.

Absoluut NIET zelfs: wat klinkt zijn frisse liedjes. Met haar stem doet O'Connor enigszins aan Lene Lovich denken, zij het zonder de "gekte" van die collega. De muziek is opgewekt en vol energie, de melodieën zijn pakkend en worden vol overtuiging vertolkt, dit alles kristalhelder geproduceerd door Nigel Gray.

Opener D-Days was tevens single (een Britse #10 in april '81), maar de uitgebreide uitgave uit 2018 laat horen dat de singlemix van producer Tony Visconti afwijkt: vooral opvallend qua intro, toetsen en galmend refrein.
Prominente rollen op Sons and Lovers zijn er voor toetsenist Andy Qunta die de muziek van lekkere synthextraatjes voorziet en saxofonist Wesley Magoogan. Verder klinkt een strakke band in strakke productie.
Ook opvallend: de militaire reveilcitaten in Ain't It Funny en de vertolking van traditional Danny Boy. De overige eigen nummers zijn eveneens sprankelend en gevarieerd.

Waarom was het succes van deze elpee beperkt met zelfs in het VK slechts een notering in de Indie Chart? Toch niet omdat ze zo kort na het debuut alweer een nieuw kapsel had?
Wel ging O'Connor op nationale tournee met een nieuw bandje genaamd Duran Duran in het voorprogramma. Daardoor doet Simon LeBon mee op bonus- en livetrack, tevens Bowiecover Sufragette City. De 2018-editie staat ook op streaming en aangezien ik met 4,5 sterren waardeer, kan ik voluit melden dat Sons and Lovers veel meer aandacht verdient.

Mijn reis door wave vervolgt bij een ander onbekend pareltje: het debuut van Elli & Jacno, hiervoor bij de Franse groep Stinky Toys.

Hear 'N Aid - Hear 'N Aid (1986)

poster
4,0
"Ze zingen allemaal hetzelfde!" vond een vriendin van mij, maar ik was apetrots op dit initiatief. Hear 'n Aid, een woordspeling op het Engelse woord voor gehoorapparaat, legde Hans van den Heuvel uit in Oor. Een initiatief van de hardrock- en metalwereld die in zowel de Britse en Amerikaanse versies van Live Aid volkomen waren genegeerd. Ik was geen singlekoper, maar deze kocht ik in het platenwinkeltje in het dorp.

Het was een initiatief van Ronnie James Dio, die samen met groepsmaatjes Jimmy Bain en Vivian Campbell de single Stars schreef, waarop hij na maandenlange voorbereidingen in mei 1985 een keur aan zangers en sologitaristen (geen vrouwen, dit was 1985) verzamelde om kleur te geven aan de basistrack die door Dio (de groep) was ingespeeld.
Op de B-zijde speelt Dio's toetsenist Claude Schnell het thema op elektrische piano, terwijl een audiodocumentaire over de bijeenkomst klinkt. Na allerlei logistieke en andere voorbereidingen uiteindelijk in het voorjaar van 1986 verschenen, in Nederland in mei #12.

Dat nummer ontbreekt op de elpee, die aftrapt met de 12"-versie van Stars. Eindeloze solo's, ik kon en kan er volop van genieten. Daarbij snap ik wel dat voor een ongeoefend oor het merendeel van de zangers hetzelfde klinkt...
Enkele artiesten die ontbraken bij de opnamen in Californië (bijvoorbeeld vanwege tourverplichtingen) leverden alsnog hun bijdrage via een nummer op het vinyl: Accept, Motörhead, Rush, Kiss, de allang overleden en begraven Jimi Hendrix en Scorpions. Van de artiesten die er wél bij waren leverden Dio (uiteraard) en Y&T nog een nummer.
De opnamen van Stars vonden plaats onder leiding van meneer Dio, hetgeen ter promotie te zien was in een 'Behind the scenes documentary', tegenwoordig makkelijk te vinden op YouTube.
Hear 'n Aid was ook één van de laatste wapenfeiten van gitarist Vivian Campbell met Dio; korte tijd later zou hij de groep verlaten.

Pas enkele jaren geleden kwam ik er dankzij serie Better Call Saul achter dat bij dit project ook een nepzanger aanwezig was, namelijk de frontman van Spinal Tap David St. Hubbins, oftewel acteur Michael McKean. In de serie speelde hij Chuck McGill. En zo kom je via wellicht de beste serie ooit terug bij dit sympathieke project. Meer over de metalparodie van Spinal Tap vind je hierboven bij de berichten van Mssr Renard en Zagato.

Nog altijd een leuk hebbedingetje voor de liefhebber van de zware genres, mede omdat het een aardige dwarsdoorsnede van het toenmalige wereldje bevat. Alleen de groepsfoto al is iconisch.

Heart - Bad Animals (1987)

poster
4,5
Heart kende ik van de drie hits uit 1976-1977, net-vóór-mijn-rocktijd. In 1978 omarmde ik als prille tiener rock en daarmee ook Magic Man, Crazy on You en Barracuda.
Toen bleef het jarenlang stil aan het Nederlandse hitfront, maar als in 1985 in de Verenigde Staten grote successen worden behaald met singles van het nieuwe album Heart, zichtbaar op Sky Channel en MTV, en die elpee bovendien in de dorpsfonotheek belandt, ben ik weer zwaar onder de indruk. Net als mijn zusje en een vriendin van haar overigens; de muziek klonk van twee verdiepingen in mijn ouderlijk huis.
Bijkomende troeven: de moderne productie van Ron Nevison én het machtige spel van drummer Denny Carmassi, ex-Montrose.
Voor mijn zus kocht ik opvolger Bad Animals bij Boudisque in Amsterdam, waarbij ik 'm natuurlijk op cassette zou opnemen. Iedere twijfel was weggenomen door comebackhit Alone.

Laat ik het kort houden: de open arrangementen doen het wonderwel goed, zó goed dat ze zelfs de hit overstijgen; met name in de langzame nummers is dat het geval. Soms is de sfeer bijna wanhopig, getuige I Want You So Bad, of dreigend in Wait for an Answer. De twaalfsnarige akoestische gitaar in R.S.V.P. maakte het romantische eerbetoon nóg indringender.
Ook onder de indruk was ik van de prachtige hoesfoto's, deels in zwart-wit, waarin de groep in het zwart gekleed gaat, als waren ze goths uit Londen.

Laatst in Gorinchem op een verregende zaterdag op cd gekocht bij Happy Tunes, waar ik bovendien op een goede bak koffie werd getrakteerd. En zo kruipt het plan binnen om de rest van hun discografie weer eens door te spitten, waarbij mijn voorkeur uitgaat naar hun eerdere werk.
Als album is Bad Animals mijn favoriete Heart. Hoe emotioneel kan een jaren '80-album klinken, waarbij de talrijke toetsen (door gitaristen Nancy Wilson en Howard Leese gedaan) het niet steriel maar wel warm maken? Zeker met die hemelse stem van Ann Wilson is dat een inkoppertje.

Heart - Beautiful Broken (2016)

poster
3,5
Na voorganger Fanatic (2012) volgde vier jaar later Beautiful Broken, met naast twee nieuwe nummers bewerkingen van nummers uit de eerste helft van de jaren '80. Het titelnummer komt echter van de 2012-plaat en bevat als enige verschil de toegevoegde stem van co-componist James Hetfield. Geinig en tevens niet meer dan dat: het blijft te dicht bij het origineel.

Wat de overige make-overs betreft: ik maakte een afspeellijst met eerst het origineel en dan de 2016-versie. Dan valt op dat de nieuwe versies iets langzamer en zwaarder zijn, waardoor de aor-sfeer van toen plaatsmaakt voor een eigentijds geluid. Leuk om die minder succesvolle periode op deze wijze te herintroduceren.
Bovendien slaagt de nieuwe context erin om de boel fris te laten klinken, met als extraatje een enkele toevoeging van strijkers.

Van de twee nieuwe nummers wordt de fraaie ballade Two verrassenderwijs gezongen door Nancy Wilson. Enige nadeel is dat het als track 2 wel wat vroeg is voor zo'n rustig nummer. Bij I Jump, dat in de stevige delen wegheeft van Led Zeppelin, staat zus Ann bij de microfoon. Eveneens sterk.

Beautiful Broken is als een leuk tussendoortje, waarbij anno 2025 de vraag blijft: komt er nog nieuw werk? Nu zowel een conflict tussen de zussen als een periode van ziekte van Ann achter de rug zijn en er zelfs wordt opgetreden, is het hopen op minimaal één volwaardige opvolger...

Heart - Bébé le Strange (1980)

poster
3,0
PS - toch opvallend hoe de beleving van een radioluisteraar in Nederland verschilde van die van leeftijdsgenoten in de VS. Dankzij internet worden dit soort verschillen duidelijk: de stille jaren van Heart zoals ik die beleefde (of sterker nog: Heart was passé!) waren aan de overkant van de Grote Plas allesbehalve stil en bovendien zeer succesvol...

Heart - Brigade (1990)

poster
3,0
Knuffelrock was een reeks cd's gericht op niet-(hard)rockliefhebbers. Zo kochten zij toch deze muziek en hetzelfde gevoel krijg ik bij Brigade. Derde succesalbum van Heart op rij met weer grote hitsingles, wat echter mij niet pakt terwijl ik de twee voorgangers juist zo lekker vind. De productie van Richie Zito is prima, het songmateriaal is dat echter niet.

Het zit 'm zelfs niet per se in de vele gastschrijvers, want dat was op voorgangers Heart en Bad Animals ook het geval.
Het zit 'm in de liedjes die te inwisselbaar zijn met die van tijdgenoten. Zo was blijkens dit interview uit 2015 in Ultimate Classic Rock All I Wanna Do oorspronkelijk bedoeld voor Don Henley. Tot mijn blijde verbazing schreef ook Sammy Hagar aan een tweetal nummers mee - hij en Heartdrummer Denny Carmassi waren ooit bandgenoten in Montrose en Hagars groep - maar opnieuw wil het niet echt landen. De melodieën en/of arrangementen zijn te vaak niet pakkend, Ann Wilson zingt te vaak op haar toppen waar het op die vorige albums afwisselender werd gedaan met vaak fraaie opbouw naar een climax.

In datzelfde interview vertelt Nancy Wilson dat ze terug wilden naar rock, maar ook deelt ze de reden waarom ik me na verloop van tijd ga irriteren: "I think there’s a few of those 'really big hit songs' that didn’t really fly for us, because they were kind of force fed to us and Ann’s delivery just didn’t convince, because Ann wasn’t convinced". Dat voel ik kennelijk.
Daar komt bij dat er weinig variatie is in tempo's en arrangementen. Ik krijg er het gevoel bij alsof dit op automatische rockpiloot draait, reden van mijn irritatie.

Valt er dan alleen te mopperen? Nee hoor. Lekker zijn opener Wild Child, mede van (het team van) Sammy Hagar is The Night met daarin als welkome afwisseling een mandoline en uit diezelfde schrijvershoek komt één van de spaarzame uptempo nummers Fallen from Grace ; Under the Sky heeft een pakkend intro met heerlijke zang en melodie en aardig is Call of the Wild, een eigen compositie waarin hun bewondering voor Led Zeppelin doorklinkt. De rest is echter té standaard, té veel uit het boekje met rockclichés. Zelfs de gastschrijvers waren kennelijk minder in vorm, alhoewel: het knuffelrockpubliek vond het heerlijk.

Omdat Anns stem zo mooi is resteren drie sterren, bij iedere andere naam waren dat er minder geweest. Tweedehands op cd gekocht is ie zo z'n geld wel waard.

Heart - Desire Walks On (1993)

poster
3,5
1993. De dagen van grote haardossen zijn voorbij, ingeruild voor ruitjesoverhemden en grunge. In '91 verscheen van Heart nog Rock the House Live!, waarna bassist Mark Andes vertrok.
De successen van Heart waren in de jaren '70 en '80 enorm en laat die groep nou uit Seattle komen, de bakermat van... grunge. De gezusters Wilson werden prompt tot peetmoeders van het genre gebombardeerd, al zal dat meer vanwege de voortrekkersrol zijn geweest. Seattle ligt immers letterlijk in een verre uithoek van de VS en toch schopte Heart het tot een nationale topact, inmiddels succesvol in hun derde decennium.
Op de hoes hebben ze een jaren '60 flowerpowerkledingstijl omarmd als symbool van vernieuwing. Verder zou dit de laatste blijken met gitarist Howard Leese (album #11!) en drummer Denny Carmassi (#5).

Soms is het raak, soms niet. Al is dat echt een kwestie van smaak. In de categorie 'raak': stevig is de vlotte opener Back on Black II van de hand van Dalbello, met Back to Avalon klinkt iets van de akoestische rock van hun jaren '70-werk; piano vormt de basis van semiballade In Walks the Night, waar de jaren '80 domineren.

In de categorie 'aardig' beleef ik Rage, waarvan ik me kan voorstellen dat fans van Whitesnake en Coverdale/Paige dat kunnen waarderen. Het heeft met z'n oosterse melodielijn iets van Led Zeppelin, een favoriete groep van de gezusters. Ballade Ring Them Bells gaat me na een paar keer vervelen, maar op zich is het duet met Layne Staley van Alice in Chains (goed voor de nodige media-aandacht) best lekker. Ballade Anything Is Possible, ook van Dalbello, heeft akoestische gitaren als een minder spannende versie van RSVP van Bad Animals (1987).

De rest vind ik dus minder, waarbij Voodoo Doll met z'n "Phil Collins drums" het zwakke buitenbeentje vormt, knallend in een vervelend geluidsbad. Het titelnummer sluit met enige percussie de cd af, maar duurt te lang.
O ja, de cd! De elpee was in '93 hard aan het verdwijnen en om ons extra te verlokken tot de kleine opvolger volgen twee nummers in het Spaans. Geinig maar niet meer dan dat.

Desire Walks On. Enerzijds de muzikale pootjes nog stevig in de jaren '80, anderzijds klinken lichte verschillen. Al met al iets lekkerder dan voorganger Brigade. Het zou tot 2004 duren voordat er nieuw studiowerk van Heart verscheen, in 1993 (live-EP/cd-maxisingle) en vooral '97 was er echter een andere groep van de dames Wilson: op naar Lovemongers.

Heart - Dog & Butterfly (1978)

poster
3,5
Zelfs de gouden keel van Ann Wilson kan niet voorkomen dat ik Dog & Butterfly enigszins vind tegenvallen. Cook with Fire is een stevige en aardige opener (pseudo live, had niet gehoeven) en High Time vervolgt op soortgelijke wijze en niveau.
Met de blues in het ingehouden rockende Hijinx heb ik minder. De discobeat in Straight On doet me vooral denken aan die van de Rolling Stones in Miss You uit datzelfde 1978, een jaar waarin dat genre vaker door rocknamen zou worden omarmd, van Rod Stewart tot Status Quo. In het geval van Heart is het resultaat aardig.

De akoestische tweede kant van de plaat begint met het kalme titellied en opnieuw kwalificeer ik dit als 'aardig'. Lighter Touch moet op gang komen maar blijkt spannender en op Nada One wordt dat versterkt: akoestische gitaar en ingetogen zang, waarna strijkers een instrumentaal deel volgt met korte halen op cello, daarmee het tweede deel van het nummer inluidend. Dan meer zang, en prachtig akoestisch gitaarspel, om het nummer weg te draaien.
In diezelfde sfeer is daar dan slotlied Mistral Wind, het prijsnummer van deze dubbelelpee met schitterende klaphoes in de stijl van het Verre Oosten. Het wordt allengs steviger en fungeert daarmee tevens als overgang naar de elektrische eerste plaatkant.

Een ietwat saaie 7 voor dit album, tevens het laatste met gitarist Roger Fisher, wiens relatie met Nancy Wilson strandde. Ook drummer Michael Derosier vertrok. De laatste speelt anno 2025 met de later vertrokken bassist Steve Fossen in een groep genaamd Heart by Heart, waarvan je een indruk krijgt op heartbyheart.com.

Vanuit mijn waarneming verdween de groep vervolgens in de stilte, al bleven ze platen maken: in 1980 volgde Bébé le Strange.

Heart - Dreamboat Annie (1975)

poster
3,5
Vorige week hoorde ik tijdens het ontwaken bij het Radio 1 Journaal de titelsong van dit album Dreamboat Annie. Zeer aangenaam wakker worden! Ik heb de elpee weer eens uit de kast geplukt.

December 1976 had Heart hun eerste hit in Nederland met Magic Man, vanaf januari ’77 zou het in de Nationale Hitparade drie weken op #8 pieken. Bij de Top 40, inmiddels uitgezonden vanuit Hilversum door aspirant-omroep Veronica, stond het drie weken #7. Opvolger Crazy on You deed het nog beter: in maart-april 1977 #4 en #2.
Ik was nog niet rijp voor dit soort (hard)rock en miste deze liedjes compleet. Ze haalden ook de Europarade niet, een TROS-uitvinding die voor deze prille radioluisteraar het hoogtepunt van de radioweek was, met een uitzending op de donderdagmiddag en herhaling op zaterdagmiddag. Ik beluisterde ze allebei…

Vanaf 1977 echter begon ik stapsgewijs een voorliefde te ontwikkelen voor andere muziek dan hapklare pop. Omdat die op Hilversum 3 weinig klonk met alle versnippering (elke dag een andere omroep met een eigen format), zocht ik op mijn radio naar alternatieven.
Zo kwam ik onder andere uit bij de Engelstalige zeezender Radio Caroline, waar een band als deze meer airplay kreeg dan bij de Hilversumse omroepen. Met terugwerkende kracht nam ik de hits op cassette op vanaf de krakende middengolf, in de veronderstelling dat ze van langer geleden waren. Wat ik ook dacht: dat Heart een Canadese band was, zo werd dat toen verteld. Een misverstand ontstaan omdat de band van Seattle naar de noorderburen was uitgeweken om zo de dienstplicht te ontlopen, lees ik op Wikipedia.

Pas jaren later viste ik de bijbehorende elpee uit de bak in een kringloopwinkel. Degenen die in ’76-’77 de plaat kochten op basis van de twee hits, hebben zich mogelijk bekocht gevoeld met de circa 22 gulden die je voor zo’n plaat moest neerleggen. Op Dreamboat Annie klinkt namelijk vooral dromerige folkrock. Alleen de twee hits en Sing Child zijn steviger. De progressieve invloeden waar MuMensen over schrijven ontgaan mij, ook al is wél duidelijk dat ze nergens traditionele folk spelen.
Ik hoor eigen composities, vol passie uitgevoerd, meestal met akoestische gitaren. Zelfs countryrock schemert daarin door: gitarist Roger Fisher is een multitalent, die de uiteenlopende invloeden tot een sterk geheel samensmeedt. Op Magic Man soleert hij bovendien briljant.

Meer over de achtergronden van de band, deze plaat en wie die Magic Man is, leerde ik van deze VH1 Behind the Music-documentaire uit 1998, een aangename drie kwartier.
De folkachtige liedjes zijn prima, maar een heel album lang kabbelt het mij teveel. Toch zet ik deze elpee met mijn beperkte enthousiasme regelmatig op. De stem van Ann Wilson blijft zó mooi, ze is al sinds '77 mijn favoriete zangeres: dan houd ik het gewoon bij één van beide plaatkanten…

Heart - Fanatic (2012)

poster
2,5
Dit is het Heart waar producer, arrangeur en multi-instrumentalist Ben Mink een grote rol speelt; voor het eerst sinds 1978 ontbreekt zelfs een compositie van Sue Ennis. Het resulteert in Fanatic, een stevig album gevuld met zware rock, die soms in grunge en vaker in blues is gemarineerd.
Het is de tweede bij het label Legacy, dat kennelijk geen overeenkomst met mijn streamingplatform heeft gesloten en dus doe ik het met YouTube. In tegenstelling tot voorganger Red Velvet Car verscheen Fanatic wél op vinyl.

Groot manco: pakkende melodieën en/of arrangementen zijn schaars, net als de ruimte voor akoestische gitaar. Het is dus vooral zwáár met minimale invloed van folk. Zoals het titelnummer, een voorbeeld van deze bloedarmoede en Dear Old America is nauwelijks beter, al is de tekst - over de vader van de zussen Wilson - persoonlijk.

Tegelijkertijd zou Heart geen Heart zijn als er minimaal één uitzondering op de magere composities is te vinden en gelukkig blijft het daar niet bij. Wat mij betreft is de eerste Walkin' Good dat op akoestische basis draait, aangevuld met strijkers, banjo en gastzangeres Sarah McLachlan, die het duet met Ann Wilson zingt.
Dan volgen enkele nummers in de categorie 'aardig'. De bluesrock van Skin and Bones is traag en smerig; bij het intro denk ik steeds dat ik een cover van Kiss van Prince/Tom Jones ga horen... Verrassend is de sequencer van A Million Miles, die de basis vormt van een uptempo nummer met weer die donkere bluesgitaar; als het heftiger wordt, krijgen we de sfeer van grunge.

De tweede helft: Pennsylvania begint klein en bouwt, ondersteund door strijkers, langzaam op naar een bescheiden climax met fraaie samenzang van Ann met zus Nancy. Opnieuw aardig, maar niet genoeg.
Meer zware gitaar in combinatie met melodiearmoede in Mashallah! Zelfs violen vermogen niet Rock Deep (Vancouver) van de middelmaat te redden, al is de tekst interessant: de zussen bezingen de jaren 1974-1975, toen de groep in het Canadese Vancouver woonde omdat de toenmalige mannelijke groepsleden wilden vermijden als militair naar Vietnam te worden uitgezonden.
Dan pas volgt het tweede muzikaal hoogtepunt: 59 Crunch is hard, uptempo, bijna metal en mét violen. Een bijzondere combinatie die het redt dankzij de prima zanglijnen, waarin de stem van Ann kan excelleren.

Wie de bonuseditie kocht, kreeg drie extra's: lekker is het bijna thrashende Beautiful Broken, medegeschreven door ene James Hetfield van dat metalen bandje, Two Silver Rings heeft het níet en het uptempo maar ontspannen Zingara is aardig.

Bij Classic Rock Revisited vond ik een interview over Fanatic. Ze waren kennelijk meer tevreden over dit rockalbum waren dan ik. Daar lees ik ook dat er eveneens in 2012 een bio van de groep verscheen, waarover bij GoodReads wordt geschreven.
Op naar hun tot dusver laatste studioalbum, dat vooral is gevuld met bewerkingen van ouder werk: Beautiful Broken.

Heart - Heart (1985)

poster
4,0
In Nederland was het succes van Heart niet groot, maar op tv (Sky Channel, MTV Europe kwam er pas in 1987) kwamen clips frequent langs. Die riepen hetzelfde beeld op als de hoes met rococo kleding, grote kapsels en felle kleuren. Ik was onder de indruk.
Bijkomend voordeel was dat de dorpsbieb 'm had staan. Anders dan op voorganger Passionworks komen vooral sterke nummers voorbij, meestal stevig en onderling gevarieerd. Op z'n stevigst hardrock, op z'n rustigst pop. Bovendien is de zang van Ann Wilson beter getimed van klein naar groot en omgekeerd.
If Looks Could Kill is met z'n boosheid en tempo een ijzersterke opener, in What About Love? heerst de hartstocht. Met het kalmere Never en nog rustiger These Dreams had en heb ik minder. Dan liever The Wolf waar gitarist Howard Leese zijn distortion intrapt en kant 1 stevig afsluit.

Met All Eyes klinkt opgewekte rock op z'n Bryan Adams', Nobody Home is een zwoele ballade die - met mijn smaak - alleen Ann Wilson naar een voldoende kan zingen. Meer kan ik met de lichte doch vlotte nummers Nothin' at All en What He Don't Know. Gelukkig wordt de boel met Shell Shock stevig afgesloten.
Mijn zusje blèrde dit album frequent mee op haar kamer met een vriendin, waarbij ze de nummers die ik minder vond juist wél waardeerde. Over de opener waren we het echter eens: If Looks Could Kill vind ik een klassieker in het oeuvre van Heart.

In hun eigen Verenigde Staten was het herstel daar, na de relatief matige verkopen van de vorige plaat: Heart betrad in juli 1985 de Album 200 en klom er in december naar #1. Singlehits van Heart waren er gedurende twee jaar. What About Love? was al #10 in januari 1985, Never #4 in december '85, These Dreams zelfs #1 in januari '86, Nothin' at All #10 in juni '86 en If Looks Could Kill bescheiden #54 in augustus '86.

Zeer herkenbare jaren '80 aor/hardrock op maat geschreven voor Ann Wilson, die met haar zus Nancy een sterke groep om zich heen had verzameld. Daarin naast oudgediende Howard Leese de veteranen Mark Andes (bas) en drummer Denny Carmassi (drums). Onderschat bij dit alles de invloed van (het Amerikaanse) MTV niet. Heart zette ook daar de volmaakt ronde puntjes op de juiste i's: die clipzender leek, net als bij ons Sky Channel, gemaakt voor deze groep.

Heart - Jupiters Darling (2004)

poster
4,0
De reizen door de discografieën van diverse artiesten die lennert en RuudC voorheen deden, leidden regelmatig tot leuke bijdragen. Maar zelden moest ik zo gniffelen als bij het oeuvre van Heart, kennelijk op initiatief van lennert, waar RuudC met de beste wil nauwelijks positieve zaken kon onderscheiden.. Maar wél doorgaan, niet afhaken: hulde!

Heart keerde terug met Jupiters Darling. Maar liefst zestien tracks, bij elkaar iets meer dan een uur durend. Hun langste album ooit, mede dankzij de cd.
Voorbij zijn de vele gastcomponisten van voorheen en zelfs vriendin Sue Ennis leverde maar één nummer (I Give Up), nadat zij met Ann en Nancy Wilson deel was van het project Lovemongers. Daarmee stapt Heart definitief weg van hun jaren '80. Dit met vooral eigen nummers én de kanttekening dat nieuwe gitarist, producer, arrangeur én meer Craig Bartock aan maar liefst veertien tracks meeschreef.

Anders dan lennert het zeven jaar geleden proefde, klinkt wel degelijk frequent het akoestische gevoel van de jaren '70. Dat de generatie grunge assisteerde, bewijst dat Heart was omarmd als peetmoeder van de Seattlescene. Toch zijn gitarist Mike McReady (Pearl Jam, Ozzy Osbourne), gitarist Jerry Cantrell (Alice in Chains), bassist Mike Inez (Ozzy Osbourne, Alice In Chains) en sessiedrummer Ben Smith eigenlijk niet meer dan kleine stukjes chocola op de toch al smakelijke taart. Met altijd de banier van De Stem Van Ann, de terugkeer van de centrale rol van de Akoestische Gitaar Van Nancy en hun soms Verrukkelijke Zusterlijke Vocalen.

Akoestisch en vervolgens hard rockend is opener Make Me, waarna Oldest Story in the World stevig vervolgt. In Things meer akoestische gitaar met een tikkie blues in de stijl van Led Zeppelin. The Perfect Goodbye is een uptempo rocker op akoestische basis waarbij ik bijna aan Melissa Etheridge moet denken. Bijna.
Verstilling in Enough en dankzij toetsen de sfeer van midden jaren '70, naar een fraaie climax opgebouwd. Move On rockt stevig en bijna moet ik aan Meredith Brooks denken. Bijna. Liever de mandoline en opbouw van I Need the Rain! I Give Up verenigt zowel de akoestische als de rockende kant als de sfeer van Etheridge en Brooks. Had eigenlijk een 3FM-hit moeten zijn.

Tweede helft. Vainglorious rockt me te monotoon, No Other Love redt het vanaf het moment dat de mandoline bijvalt op 1'24", gevolgd door strijkers en Led to One heeft een geheimzinnige sfeer met akoestische gitaar en opnieuw violen. Down the Nile rockt robuust met mondharmonica.
Met Lost Angel keert de folkkant terug; het bouwt naar een climax om weer akoestisch te eindigen. Kleinood Hello Moonglow sluit ingetogen af; de stemmen van de zussen vallen hier fraai samen.

De Europese editie bevatte bovendien nog eens twee bonussen. Eerst een prachtige heropname van How Deep It Goes (folk en tweestemmig, oorspronkelijk op Dreamboat Annie uit 1975) en Fallen Ones rockt stevig en aangenaam met een vleugje blues erin.
Mijn voorkeur gaat uit naar de muziek met een akoestische basis. Met de tracks 1, 3, 5, 7, 10, 11, 13, 15-17 hoor ik Heart op z'n sterkst: akoestisch en emotioneel. Vaak een sterke opbouw naar de climax, anderzijds soms folk-klein. In ieder geval muziek uit het hart, ook als ze het scheurpedaal intrappen.

Heart - Little Queen (1977)

poster
4,0
Op de compilaties (eerst cd, later streaming) die ik van Heart maakte, zette ik van Little Queen slechts Barracuda. Dat is veel te weinig.

Het is één van de liedjes die ik in '78 op cassette opnam van Radio Caroline op de middengolf. In de zomervakantie. Eén van de eerste signalen dat deze prille tiener een smaak ontwikkelde voor scheurende gitaren. Gratis erbij: krakend ethergeluid en een Britse dj met diepe stem die het nummer afkondigde.
Nog altijd hoor ik dat in mijn hoofd, mede versterkt door een vakantieherinnering: in 1980 ontdekte ik op vakantie aan de Costa Brava dat daar een hotel stond met de naam Barracuda. De hoes van Little Queen vond ik in de winkels opvallen, een goede zet van nieuwe platenmaatschappij Portrait.

Ook zonder die nostalgie is het een heerlijk nummer met de magistrale stem van Ann Wilson als troef. De rest van het album is meestal in lijn met de hoes op akoestische basis. In Love Alive zelfs enige dwarsfluit, kikkers in het intro van Sylvan Song (ik hoor ze hier momenteel iedere avond en nacht vanuit mijn slaapkamer), gevolgd door mandoline waar daarna een diepe synthesizer bij komt, waarna het naadloos overgaat in Dream of the Archer. Bijzonder toch, deze mix van rock en folk. Pas veel later zou ik ontdekken dat dit de invloed van Led Zeppelin is, met name enkele nummers van Led Zeppelin IV en Physical Graffiti.
Na alle folk klinkt de riff van Kick It Out aanvankelijk als platte rock, maar Anns stem en de melodielijn doen het nummer spoedig groeien en de gitaarsolo van Roger Fisher is van bovenklasse.

Kant 2 begint met het eveneens rockende titelnummer. Aanvankelijk niet spannend, maar met de regels "Now you're hot on the presses today, making your passion play. Little queen, nobody knows your melancholy mind", vermoed ik een kijkje in de zielen van de dame(s) Wilson. Als na twee minuten een trager en melancholiek deel begint, ben ik alsnog bij de lurven gegrepen: "You better shine tonight. Oh and he feels you", waarbij ik me afvraag wie die hij kan zijn. Iemand van platenmaatschappij Mushroom, met wie de groep kort daarvoor had gebroken?
Treat Me Well is dromerig, het opgewekte Say Hello is dan weer verfrissend swingend met een eigenaardig maar fraai gedrumd slot door Michael DeRosier, en dan een dubbele 'cry': Cry to Me is zeer ingetogen en met Go On Cry zijn mysterie en elektrische gitaren terug.

Net als het debuut rustiger dan ik als radioluisteraar had gedacht. Minder rockend, meer folk. Maar wél sterk.

Heart - Magazine (1977)

poster
3,0
Vandaag kwam ik een berichtje tegen over een recent concert van Heart en kreeg prompt zin in hun werk. Dat associeer ik met de zomer, met het mooie weer van vandaag en (meestal) de afgelopen weken is het dus weer eens tijd voor deze groep.
Dat gebeurde me ook rond 2015, toen ik hun discografie doorploegde en daarvan een compilatie brandde voor in de auto. Een uitgebreidere lijst maakte ik later op streaming.

Me destijds inlezende kwam ik bij hun tweede album Magazine het verhaal tegen over de twee versies van de plaat. Een album dat de groep tussen het debuut en Little Queen opnam. Dankzij de nodige ruzie met de platenbazen van Mushroom kwam het tot een breuk, waarna het label de plaat slechts een maand vóór Little Queen uitbracht, namelijk april '77. Dat zonder toestemming van de groep. In Nederland verschenen in deze versie bij Arista.
In '78 verscheen Magazine echter alsnog met autorisatie van de bandleden, op MuMe te vinden als Magazine [Authorized Version].

Nu gaat het dus over de editie van '77, hier te horen. Een stevige, aangename start met Heartless wordt gevolgd door een cover van Without You, bekend van Harry Nilsson en een internationale hit in 1972. Te vroeg getimed, wat wordt goedgemaakt door de dromerigheid van Just the Wine. Daarna het eveneens trage maar steviger titellied Magazine. Gevarieerd opgebouwd, desondanks te lang voor de bijna 7 minuten.

Met het tweede akoestische lied Here Song begint kant 2 fraai, meer traagheid in het dromerige én elektrische Devil Delight.
Het slot is een dubbele live, ongetwijfeld een noodgreep van Mushroom omdat de groep met alle onenigheid geen zin had nog langer in de studio te zitten. Eerst de Blues Medley, bestaande uit covers van Mother Earth van Memphis Slim en You Shook Me Baby van Willie Dixon. Goed gedaan met onder andere mondharmonica. Minder is I've Got the Music in Me, bekend van The Kiki Dee Band (1974). De vocale vertolking van Nancy Wilson is prima, qua stijl is het nummer niet passend bij Heart.

Alhoewel ik mooie passages hoor, is deze versie van Magazine mij te traag en eentonig en het aantal van vier covers is te veel voor een tweede plaat. Is de versie die wél met toestemming verscheen en veel bekender is, zoveel beter? Op daarnaartoe.

Heart - Magazine [Authorized Version] (1978)

poster
3,5
In april 1977 verscheen Magazine, opvolger van het debuut Dreamboat Annie, dat echter werd teruggetrokken vanwege grote onenigheid tussen de platenmaatschappij en Heart. In april '78 landde de plaat opnieuw in de winkels, nu in een verbeterde versie. Hierboven in 2011 legde Lonesome Crow het voortreffelijk uit en ik noteerde iets bij de editie van '77.
Daar stelde ik de vraag of deze Authorized Version zoveel beter is. Wel, duidelijk hoorbaar is dat vooral toetsen/synths en koortjes een upgrade hebben gekregen waardoor ze veel dominanter klinken én er komen meer details bovendrijven.
Bovendien is de trackvolgorde vele malen logischer: Devil Delight is zoveel passender als tweede nummer, al is het nog steeds geen topcompositie. Ten slotte duurt deze elpee zo'n tweeëneenhalve minuut korter dan de eerste versie, wat de ingekorte nummers wat strakker maakt. Dus ja, dan geef ik de verbeterde versie een halve ster meer, oftewel een krappe 7.

Daarbij een voorkeur voor de eerste helft (de eerste vier nummers), al begint kant 2 prachtig met de folk van het korte Here Song. De livenummers zijn nog altijd niet mijn favootjes, wel bewijzen de muzikanten daar hoe goed ze waren.
Op Little Queen, dat in '77 een maand na de eerste versie van Magazine verscheen, stonden de puntjes weer op de i.

Heart - Passionworks (1983)

poster
2,5
Met de twee vorige albums was Heart zoekende naar een stijl, waarbij folk werd losgelaten en de rock in toenemende mate een aor-jasje kreeg. Op Passionworks is naast drummer Michael Derosier tevens bassist Steve Fossen weg. De laatste was samen met ex-gitarist Roger Fisher oprichter van een oerversie van Heart, toen nog White Heart geheten. Jazeker, de zusjes Wilson zijn er pas later bijgekomen, ontdekte ik pas onlangs!

Nieuw zijn bassist Mark Andes (ex-Spirit, ex-Firefall) en drummer Denny Carmassi (ex-Montrose, ex-Sammy Hagar band, ex-Gamma). Met hen aan boord wordt adult oriented rock volledig omarmd, bovendien door producer Keith Olsen lekker vol en toch transparant geproduceerd. In retrospect weten we dat deze bezetting en stijl vanaf de opvolger grote successen zouden brengen, maar Passionworks was in de VS hun slechtst genoteerde album ooit: het kwam slechts tot #39.
Alhoewel het geluid van "comebackalbum" Heart van twee jaar later volledig aanwezig is, ontbreekt het belangrijkste: veel goede liedjes. Ze zijn er wel: opener How Can I Refuse en Sleep Alone. Wie van ballades houdt, kan het door Jonathan Cain (Journey, ex-Babys) geschreven Allies wellicht waarderen, voor mij echter het dieptepunt van de plaat. De overige nummers missen goede melodieën en/of sterke opbouw, ondanks de wederom nodige schrijversbijdragen van Sue Ennis.

Met de opvolger werd het imago opgepoetst: weg zijn de zwart-wit hoezen, terug is de kleurrijke hoes, waarbij de dames in grote jurken en - net als de heren - met grote kapsels kekke MTV-clips maakten. Toen klopte alles opeens wél. Op Passionworks is het 'm meestal net niet, waar zelfs Ann Wilsons gepassioneerde zang niet de compositorische armoede kan verhullen.

Heart - Private Audition (1982)

poster
3,5
Toen ik enkele jaren geleden door de discografie van Heart reisde, was ik benieuwd naar de tussenperiode, de eerste helft van de jaren '80. De albums dat de groep van de rock-met-folk van de jaren '70 transformeerde naar de aor waarmee ze nieuwe internationale successen vierde.

Wie de hoes omdraait ziet dat de heren hun haren hebben laten kortwieken, conform de mode van 1982. Gestoken in smoking is daar de sfeer van de jaren '20 en '30 van de twintigste eeuw. Verder valt op dat niet-groepslid Sue Ennis de nodige compositorische bijdragen leverde en in het slotlied op piano aanschuift. Een album met enerzijds stevige rock en anderzijds diverse zijpaden.

Klonk op voorganger Bébé Le Strange (1980) soms nog Led Zeppelinachtige hardrock, op Private Audition is dat voorbij. Zo is de hardrock van de sterke opener City's Burning rechttoe, zij het met subtiele akoestische gitaar. Swingende hardrock'n'roll in het vrolijke Bright Light Girl met harmonieus gezongen refrein en dan Perfect Stranger: licht mysterieuze sfeer én strijkers, gearrangeerd door gitarist Howard Leese. Juweeltje dat teruggrijpt op de jaren '70 van de groep.

De rest van kant 1 is voor muzikale zijstapjes. Ik heb er minder mee, ondanks de capaciteiten van Ann Wilson als zangeres. Private Audition bevat akoestische swingjazz, in stijl met de achterzijde van de hoes. Angels is een ingetogen ballade met meer akoestische gitaar van Nancy Wilson, This Man Is Mine is een popnummer met de nodige closeharmonyzang.

Dan liever de doordringende synthesizer in The Situation, een stevig nummer dat kant 2 aftrapt. Ja ja, Leese brengt met zijn Moogs voor het eerst een voorproefje van aor!
Ragtime en de geluiden van tapdance in het intro van Hey Darlin Darlin, waarna een weemoedige ballade in jaren '70-sfeer volgt, compleet met strijkers en fluit. Meer kalmte in One Word, nu gedragen door piano en met een fraaie gitaarsolo.
Toch schrik ik aangenaam wakker met Fast Times, dat uptempo en scheurend doet wat het belooft; Ann Wilson zingt voluit, venijnige poprock/aor op de wijze van Pat Benatar in die jaren. Slotlied America klinkt met piano en vele strijkers alsof het uit een film komt, is licht geleend van traditional America the Beautiful maar nu met kritische tekst: "America, America, are you losing your mind?"

Heart op zoek naar nieuwe wegen en identiteit. Dat levert sterke rocknummers op maar ook minder pakkende zijwegen. Anders dan de voorganger klinkt nu toegankelijker rock. Inderdaad een overgangsalbum. De verkoopresultaten in de VS waren echter een stukje minder: haalde Bébé Le Strange #5 en compilatie Greatest Hits #13, Private Audition kwam tot #25.

Heart - Red Velvet Car (2010)

poster
3,0
De opvolger van Jupiters Darling is met dezelfde kern opgenomen: Ann en Nancy Wilson en alleskunner-inclusief-gitarist Craig Bartock, gedrieën schreven ze de nummers van Red Velvet Car. Daarnaast was vaste liedjessmid Sue Ennis medeverantwoordelijk voor twee liedjes. Producer is deze keer Ben Mink, die ook de nodige instrumenten speelde.
De muziek ligt in lijn met de rock van de voorganger, zij het met twee verschillen: folk ontbreekt bijna geheel en de muzikanten met een grunge- of zelfs metalachtergrond zijn vertrokken. Daardoor klinkt meer traditionele rock met daarin de nodige blues. De stem van Ann blijkt met het klimmen van de jaren iets heser geworden en daarmee alleen maar mooier. Sessiedrummer Ben Smith is wederom van de partij.

Ondanks de zes jaar tussenpoos is het een relatief kort album geworden van 37 minuten. Waar je dan een strenge selectie zou verwachten, zijn er weinig uitspringende nummers. Weliswaar wordt recht uit het hart gemusiceerd, de composities pakken lang niet altijd.
Dat geldt niet voor W.T.F. (op mijn loonstrook bedoelen ze daar werktijdsfactor mee), dat met z'n lange akkoorden op elektrische gitaar zó op één van de eerste drie albums had gekund en extra wordt opgestuwd door de emotionele zang. Het was single maar werd geen hit.
Die kwaliteit klinkt in iets mindere mate op het titellied, waar blues prevaleert. In Hey You zowaar enige folk of misschien zelfs countrypop, met een nanana-meezingrefrein. Ingetogen is het eerste deel van Safronia's Mark, dat later op gang komt met een strijkersarrangement en Death Valley bevat de omfloerste rock van de beginjaren.

Wie van in blues gedrenkte rock houdt, zal enthousiaster zijn dan ik. Pakkende melodieën worden te vaak gemist, al houdt de stem van Ann het op een krappe voldoende. Sinds 2010 verscheen geen heruitgave, waardoor Red Velvet Car nog altijd niet op vinyl is verschenen. Het album staat niet op mijn streamingplatform, maar op YouTube vond ik deze gebruiksvriendelijke upload.

Heaven & Hell - The Devil You Know (2009)

poster
3,0
Hoge verwachtingen kunnen soms te hoog zijn. Wat was ik in april 2009 blij verrast toen er een nieuwe Black Sabbath kwam, zij het dan onder de vlag van Heaven & Hell. Ik hoopte, nee, verwáchtte iets in de buurt van Heaven and Hell of The Mob Rules uit de jaren '80-'81.
Ik volgde al zo'n tien jaar de hardrock- en metalwereld vanaf de zijlijn, maar verwachtte dat ik hierbij het heilige vuur van toen weer zou voelen. Draaien met rode wangen van de klasse die ongetwijfeld zou volgen.

Ik probeerde het, probeerde het nog eens en nog eens en na een maand nog eens. Het wilde niet lukken. Tot driekwart van het album langzaam werk. Het ene na het andere nummer. Dat was voorheen wel anders. Alsof moest worden bewezen dat de groep nog altijd de koning van doommetal was.

Na twee zware, langzame nummers volgt in Bible Black een prachtig akoestisch intro, waarna het derde slepende ritme begint, zij het iets vlotter dan de twee ervoor. Het sterkste nummer van de eerste helft, mede door de melodie, waarbij de inmiddels 66-jarige Dio niets aan kracht heeft ingeboet.
O zeker, de muzikanten inclusief Iommi spelen sterk. Zijn solo's, riffs en licks zijn wederom van klasse. Maar de composities en de tempi zijn te eenvormig. Zo had Bible Black wel een fikse versnelling halverwege had kunnen gebruiken, zoals indertijd Heaven and Hell deed.
Vooruit, met Double the Pain is het opnieuw een tikkie sneller, als een langzaam uptempo nummer. Ik hoopte echter op een Neon Knights, een Die Young, een Falling off the Edge of the World. Gemiste kans nummer vier. Dan alweer langzaam met Rock and Roll Angel, waarvan alleen de ingetogen brug halverwege en het akoestische slot me raken.

De tweede helft, in gedachten draaide ik het vinyl om. Turn of the Screw versnelt na zo'n twee minuten maar wordt niet bijtend, waarna met track 7 dan eindelijk het gedroomde openingsnummer komt. Ik had het trouwens kunnen verwachten met de tracklengte die dik onder de vier minuten blijft: leve Eating the Cannibals.
Dan alweer zo'n logbak van een dikke zes minuten, gaap, verrassenderwijs gevolgd door het tweede echte uptempo nummer genaamd Neverwhere. Minimaal de trackvolgorde had anders gemoeten, was én is mijn constatering. Afsluiter Breaking into Heaven tikt wederom over de zes minuten af en is dus voorspelbaar langzaam, afgezien van een korte versnelling halverwege.

Dehumanizer, de comebackplaat van Dio bij de Sabs uit 1992 viel me indertijd eveneens tegen, maar is inmiddels "gegroeid" naar een 8. Dat gebeurt me niet met dit krampachtige album. Hoe graag ik het ook wil, zeker omdat dit de laatste van de kleine man met de grote stem zou blijken. Een besef dat met zijn overlijden in mei 2010 ruw binnenkwam.

Heaven 17 - Penthouse and Pavement (1981)

Alternatieve titel: B.E.F.: The New Partnership That's Opening Doors All Over the World

poster
2,5
De voormalige bandmaatjes van Philip Oakey van The Human League gingen huns weegs en begonnen Heaven 17. Waar hun oude bandje mij kan bekoren, doet dit doorstartdebuut me weinig.

Penthouse and Pavement bevat nauwelijks memorabele melodieën, maar waar dat hem in zit? De eerste plaatkant heet Pavement en de tweede Penthouse. Je zou een contrast tussen buiten en binnen verwachten; de boel tikt echter op beide plaatkanten vrij monotoon door.
Beste voorbeeld is misschien We're Going to Live for a Very Long Time, dat op zich best aardig is. En toch... Zit het hem in de eenvormige beats en het teveel aan herhaling? Single Fascist Groove Thang, door de BBC geboycot en daardoor geen hit maar wel met een leuke bassolo, is van hetzelfde laken een pak.

In 2010 verschenen in een cd-versie met de nodige bonussen, zoals de tracklist hierboven al aangeeft. Ik beperk me tot de oorspronkelijke negen nummers: enerzijds heerlijk 1981 met de mix van synthesizer-new wave, funk en pop, maar de composities en melodieën zijn niet pakkend.

Heaven 17 - The Luxury Gap (1983)

poster
3,5
Uit boze punk en melancholische new wave kwamen de nodige ontwikkelingen op gang. Eén daarvan is synthesizerpop, een genre dat ik deze weken eens nader beluister. Dit nadat ik indertijd slechts de hits kende maar daarvan genoot, ondanks mijn voorkeur voor scheurende gitaren.

Na twee albums met The Human League te hebben gemaakt, vonden toetsenmannen Martyn Ware en Ian Craig Marsh in 1980 in Glenn Gregory de zanger voor hun nieuwe groep Heaven 17. Hun debuut viel me tegen, maar met het ogenschijnlijk voor de hitlijsten gemaakte The Luxury Gap keerden de drie sterk terug. Het album verscheen veertig jaar en vier dagen geleden. Veel pakkende melodieën, waarbij strakke maar kille synth-danspop van de voorganger deels heeft plaatsgemaakt voor funk met soms een vleugje jazz. Gladder dan voorheen, maar wél pakkend en warmer.

Daarmee paste de groep naadloos in een muzikale trend die met de modevernieuwers van de new romantics was ingezet. Hierbij vormden plezier en dans de reactie op de zware economische situatie, die het Verenigd Koninkrijk toen al een decennium in zijn greep hield. Geen protest tegen premier Margaret Thatcher, maar feesten als ontsnapping uit de realiteit.
Bovendien sloeg dit aan in de Nederlandse VVD-regio waar ik toentertijd woonde. Merkkleding en poloshirts waren daar helemaal jottum, met voor de jongens het haar in een scheiding opzij, de pony het liefst in een lange lok.
Daar was ik niet van, maar muziek van bijvoorbeeld Duran Duran en dit Heaven 17 kon ik wel waarderen. Een goed liedje is immers een goed liedje. In juli 1983, kort na mijn eindexamen, haalde Temptation vreemd genoeg slechts #25 in de Nationale Hitparade. Het album haalde al in mei #20.

The Luxury Gap kent meer hoogtepunten, constateer ik veertig jaar later, al haalt niet één nummer het bij de hitsingle. Dit dankzij het intro dat je meteen bij de strot grijpt en later is het gastzangeres Carol Kenyon die de show steelt op een pakkende melodie; de tekst bevat delen uit het gebed Onze Vader over verleiding en bekoring.
De drie schreven alle nummers zelf, waarmee ze hun muzikaliteit bewijzen. Mijn andere vier hoogtepunten zijn de van een swingende en funkachtige synthriff voorziene Who’ll Stop the Rain, Key to the World met blazers en het regeltje tekst dat tot albumtitel werd verheven, lekker met deze soulinvloeden; in Lady Ice and Mr. Hex zit heerlijk jazzachtig pianospel; tenslotte de orkestrale ballade The Best Kept Secret; deze is deels in 6/8 maat en ontbeert een beat: een verrassend slot van het album.

Soms hoor je overeenkomsten met The Human League, namelijk op de plekken waar een slepende melodie klinkt en de stem van Gregory op die van Philip Oakey lijkt. Maar vooral is dit een groep die de overstap maakte van new wave naar luchtiger pop, gemaakt op een digitale basis. Zorgeloos en swingend, zoals ik me die zomer herinner, werkend in een afwaskeuken.

Heavy Water - Dreams of Yesterday (2023)

poster
4,0
Tweede album van Heavy Water, de groep van Biff Byford, bekend van Saxon, en diens zoon Seb. Begonnen in 2020 als bezigheidstherapie tijdens de coronalockdown, speelt pa basgitaar en Seb gitaar. Ze delen de plek bij de microfoon, waarbij opvalt dat de stem van Seb niet onderdoet voor die van de veteraan. De laatste is in vorm en schroomt niet af en toe een tweede stem bovenop die van Seb te gooien. Drummer is Tom Witts terwijl diens broer (?) Callum op toetsen is te horen.
Dreams of Yesterday opent met het titelnummer dat lekker groovet, iets wat voor het hele album geldt. Tegelijkertijd is het hard en zwaar, waarbij de zware bas vet in de mix ronkt op bijna Lemmyaanse wijze.

De twee vermeldden dat ze muziek maken die deels beïnvloed is door jaren '60 westcoastrock, waarbij ik echter vooral moet denken aan heavy grunge zoals bij Soundgarden en Alice In Chains, zij het dat de muziek bij Heavy Water meestal uptempo tot snel is en gedrevenheid uitstraalt. Wel laat de groep soms het gaspedaal iets los en de effectpedalen uit, hetgeen steevast wordt afgewisseld met zware gitaren. Een contrast dat goed werkt, zoals in het gebrokenhartnummer Never Love Again.
Favoriete nummers: Castaway dat eveneens gevarieerd is, de punkachtige riff van Another Day, het tweestemmig gezongen Chain Reaction en de open gitaarakkoorden in de langzamere afsluiter Life to Live, waarin iets meer toetsen klinken dan elders op het album.

Conclusies: Biff Byford is met zijn 73 jaren zeer, zeer ijverig en misschien wel creatiever dan ooit. Seb weet het beste uit hem én zichzelf te halen, wat resulteert in een afwisselend album. De band klinkt hecht, de muziek energiek. Verrassend en fris album.

Heavy Water - Red Brick City (2021)

poster
3,5
Dit zoon-en-vaderproject van de Engelse familie Byford is tot dusver anoniem voorbij gegaan aan MusicMeter. Ten onrechte. Het is door een advertentie op de site van Classic Rock Magazine voor hun zojuist verschenen tweede album Dreams of Yesterday, dat mijn aandacht werd getrokken tot Heavy Water.

Terwijl ons mam in de keuken de piepers jaste, waren echtgenoot Biff en zoon Seb bezig om tijdens de lockdown van 2020 herrie te schoppen in de kelder. Een plaatje dat mijn hoofd te binnen schiet, maar mijn fantasie slaat waarschijnlijk enigszins op hol.
De feiten. Pa komt uit de hardrock- en metalwereld en geniet bekendheid als zanger van Saxon. Op de laatste albums van die groep kwam ik Sebs naam tegen in diverse rollen; hier is hij zanger en gitarist, terwijl zijn vader de andere zanger en bassist is. Dave Kemp speelt toetsen, Tom Witt drums.
De muziek is absoluut stevig, maar verwacht geen metal in de stijl van Saxon. De muziek van Heavy Water heeft groove, is vaak slepend en tegelijkertijd uptempo en hard. Hoe goed de stem van Seb is, laat hij horen in het harde en swingende Revolution.

Het harde titelnummer Red Brick City (hier de clip) is mijn favoriete nummer, maar ook een minder hard, grungeachtig liedje als het door Seb gezongen Personal Issue No. 1 heeft zijn charme. Ingetogen met toetsen en elektrisch gitaargetokkel maken van Tree in the Wind een soort powerballade, fraai gedaan. Qua muziek is Medicine Man wat saai, maar wat zingt Seb daar toch weer sterk...
En zo putten de twee uit diverse muzikale vaatjes en doen dat met hoorbaar plezier, mét de twee andere groepsleden. Follow this Moment bijvoorbeeld heeft een jaren '60- of '70-sfeer, zo ontspannen klinkt het; zelfs de saxofoonsolo die het nummer afsluit past perfect.
Now I'm Home klinkt in het intro bluesachtig als een Rory Gallagher; Seb lijkt een muzikale spons en opnieuw ben ik verbaasd. Meer bluesinvloeden in afsluiter Faith.

Een verzamelbak aan scheurende gitaarstijlen. Niet per se samenhangend, waarbij de eerste helft een stuk harder is dan de tweede. Die onsamenhangendheid heeft echter zijn charme, mede door het hoorbare spelplezier en talent: Red Brick City is een plaat die meer aandacht verdient en dat geldt al helemaal voor de groep Heavy Water, waarvan het zwaardere tweede album eveneens goed bevalt.

Heidevolk - Batavi (2012)

poster
4,0
Mijn favoriete Heidevolk is Batavi, vanwege de combinatie van een conceptalbum en historie. In dit geval over één van de Germaanse stammen met een haat-liefdeverhouding tot het Romeinse rijk. Enerzijds trots en onafhankelijk, zich anderzijds als keurtroepen voor diezelfde Romeinen inzettend, omdat deze Batavieren in staat waren om grote stromen over te steken. Ze werden zo ingezet tot in Engeland toe. Meelezend in het cd-tekstboekje is het alsof je een film kijkt / boek leest en dat in een kleine veertig minuten. Hierboven lees ik dat niet alle details historisch even accuraat zijn, laat onverlet dat de grote lijn dat wél is.

Waar ik ook van houd is de massieve productie (beter dan op de voorgangers), de combinatie van op z'n tijd brute blastbeats en anderzijds de folkinvloeden plus de zware zang, waar menig zanger in een Urker mannenkoor enthousiast van zou kunnen worden. Geen zwak nummer te vinden en vier die eruit springen. Opener Een Nieuw Begin moet even op gang komen maar slaat dan hard toe, meer sterke riffs, hoge tempo's en sterke melodieën in zowel Wapenbroeders en Als de Dood Weer naar Ons Lacht en in de eveneens beukende track VIII Einde der Zege is het genieten van de pakkende vioolpartijen.
Bovendien is er de prachtige hoes: een Romeins ruitermasker, leerde ik later in Nijmegen in Museum Valkhof. Eén en ander wordt in het boekje nader toegelicht, waarmee de beleving compleet is.

Batavi is voor mij hun meest consistente album, mede door de fraai lage stemmen van Joris Boghtdrincker / van Gelre (tot 2013 bij de groep) en Mark Splintervuyscht / Bockting (tot 2015). Met de huidige bezetting mis ik toch de vocale kracht van Batavi. Maar geen gezeur: Heidevolk blijft een boeiende groep, altijd fijn om nieuw werk van ze te horen.

Herman Brood & His Wild Romance - Shpritsz (1978)

poster
3,5
Als beginnend tiener beleefde ik Herman Brood & His Wild Romance als de grootste naam van dat moment wat betreft de Nederlandse rock. Natuurlijk was daar Golden Earring, maar single Movin' Down Life was niet opwindend - bepaald geen Radar Love.
Nóg leuker dan Brood en zijn wilde romance vond ik Gruppo Sportivo, maar die misten wat Brood & co wél gingen doen: ze zouden het spoedig in het verre Amerika proberen te maken, waarover ik in Muziek Expres sensationele verhalen las. En dan was er aan het einde van 1978 het album Cha Cha en het jaar erop de film Cha Cha met andere muziek, waarbij de eveneens publiciteitshippe Nina Hagen en Lene Lovich. Brood was goed in het halen van de media. Dan nog vooral met een muziek- (en drugs)imago, anders dan we in de jaren '90 op tv kregen te zien in een volgende levensfase, waarbij zijn schilderkunsten inmiddels tot zijn kwaliteiten behoorden.

Wat hoorde dit pubertje in 1978 op Hilversum 3? Saturday Night was de grote hit die véél op de radio klonk, maar in de Nationale Hitparade niet verder kwam dan twee weken #17. De muziek op Shpritsz (moest altijd aan die koeken denken) vind ik met de oren van nu weghebben van die van Graham Parker & The Rumour en Dr. Feelgood, oftewel steviger varianten van Engelse pubrock. Daarbij was de livereputatie legendarisch, zoals mijn maatje van school zou ontdekken: wild-enthousiaste verhalen hoorde ik van hem, eigenlijk een fervente hardrocker.

Soms rockt het op Shpritsz uptempo zoals in Doin' It en Back (In Y'r Love), maar in bijvoorbeeld de hitsingle en Champagne (& Wine) is het kalmer. Over nummers als Dope Sucks en Rock n' Roll Junkie werd nogal eens geschreven, ongetwijfeld omdat de teksten zo verbonden waren met Broods imago.
Verder valt op dat de nummers meestal kort zijn: er staan maar liefst vijftien nummers op de plaat, waarmee de groep enigszins aansloot bij de punk- en waverevolte. Tegelijkertijd is de rock van Brood traditioneler en staan hier hoorbaar ervaren, vaardige muzikanten. Het maatje was bijvoorbeeld - terecht - enthousiast over de gitaarsolo's van Danny Lademacher. 'Live zijn ze beter dan op de plaat', verzekerde hij me.

Als album lekker maar niet spectaculair. De muziek op kant 1 is met z'n zeven nummers enerverender dan die op kant 2. Alhoewel mijn waardering een 3,5 is, een 7,5 als schoolcijfer bedoelend, is dit in mijn beleving een mijlpaal in de Nederlandse rockhistorie. En ik denk dat de meesten dat laatste met me eens zullen zijn.