MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Babe Ruth - Amar Caballero (1973)

poster
2,0
Aan het eind van het jaar hebben diverse muziekzenders hun eigen top zoveel aller tijden, waarbij je van het ene naar het andere genre wordt geslingerd. Iets soortgelijks gebeurt hier in acht nummers.
In 1973 bracht het Engelse Babe Ruth namelijk hun tweede album uit, opvolger van First Base. Nieuw in de groep waren toetsenist Chris Holmes en drummer Ed Spevock, de hoes werd ontworpen door het collectief Hipgnosis. Werd op het debuut nadrukkelijk verwezen naar de Noord-Amerikaanse cultuur, op Amar Caballero lijken de zuidelijke, deels Spaanstalige staten van de V.S. en/of Mexico het onderwerp te zijn. Dit wordt verpakt in acht nummers die ieder van een andere artiest hadden kunnen zijn, waarbij het ene na het andere genre langskomt.

We beginnen met midtempo soul, swingend en overladen met strijkers en blazers (Lady), daarna dromerige filmmuziek á la Ennio Morricone (Broken Cloud), vervolgens langzame funkrock (Gimme Some Leg) en een drumloze ballade met jazzgitaar (Baby Pride).
De tweede helft begint met funkrock met blazers (Cool Jerk), akoestische en dromerige gitaren, viool en mandoline in het instrumentale We Are Holding On dat uit opnieuw een filmsoundtrack lijkt te zijn weggelopen, soul en funk in Doctor Love. Tenslotte het titellied, het derde filmachtige nummer. Het duurt een dikke negen minuten, opgebouwd in diverse delen, als een samenvatting van de vorige zeven nummers.

Als Jenny Haan haar gouden keel opentrekt, is het raak en de groepsleden kunnen spelen, maar als album hangt dit als los zand aan elkaar. Eigenlijk klinkt dit nauwelijks als een regulier album, eerder als een tussendoortje met filmmuziek. Als dat zo is, ben ik benieuwd welke western daarbij hoort.
Waar het debuut in de V.S. en Canada de landelijke albumlijsten haalde, deed deze niets en in eigen land was het de tweede flop. Opvolger Babe Ruth van twee jaar later zou succesvoller blijken.

Babe Ruth - Babe Ruth (1975)

poster
4,0
De derde van Babe Ruth was titelloos, waarmee vaak wordt aangegeven dat dit een (her)definiëring van stijl en imago betekent.
Ik hoor een overeenkomst met Thin Lizzy; niet in muzikaal opzicht, wél in het zoeken naar een eigen geluid. Ook bij de Ierse groep was de eerste nog wat onduidelijk en de tweede zelfs een teveel aan uitersten. Met de derde definiëerden beide groepen zichzelf, in dit geval benadrukt door de hoes. Hierop is Babe Ruth gestoken in Amerikaanse westernkleding uit het midden van de 19e eeuw.

Geen soul, funk of verstilde filmmuziek meer. Het vijftal brengt nu vooral stevige rock, wat de hoofdmoot van Babe Ruth vormt. Toch klinken soul, funk en film af en toe door, waarover dadelijk meer. Nieuw in de groep was toetsenist Steve Gurl, overgekomen van het ter ziele gegane Wild Turkey, de groep rond ex-Jethro Tullbassist Glenn Cornick. De bijdragen van derde toetsenist op evenzoveel Babe Ruths verrijken de luidere koers.

De eerste twee nummers zijn midtempo, waarbij ik Dancer een sterkere compositie vind dan Somebody's Nobody, al heeft de laatste héérlijke marimba in de opening en zingt gitarist Alan Shacklock een enkele regel. Bij beide tracks vraag ik me af waarom ik de naam van zangeres Jenny Haan niet kende: zij zingt namelijk de sterren van de hemel, ergens tussen Janis Joplin en Tina Turner in. Een onverwachte bijvangst in de autobiografie van gitarist Bernie Marsden die ik momenteel lees.
Met A Fistful of Dollars gaat het tempo omhoog. De titel verwijst naar de gelijknamige western en het bijbehorende filmthema is omgebouwd tot een stevige rocker, waarop vooral Shacklock zijn kunnen op gitaar toont. Al op de vorige albums klonk een fascinatie voor westerns. De Britse groep klinkt net zo Amerikaans als de Italiaanse westernfilmcomponist Ennio Morricone.
We People Darker Than Blue begint rustig en laat zelfs zwoele dwarsfluit horen, tot na twee minuten het tempo omhoog gaat om na enige tijd terug te keren naar het begintempo, maar nu rockend. Haan zingt weer heerlijk.

Kant 2 begint uptempo met Jack O' Lantern. Iedere stereohoek heeft zijn eigen gitaarpartij, tijdens de knallende gitaarsolo wordt de gitaarmuur hoog á la Tony Iommi.
Daarna zingt deze Shacklock weer: Private Number is een romantisch duet met daarin fraaie versiersels op de Moog van Gurl. Afhankelijk van de sfeer van een nummer komen in mijn brein meer zangassociaties voorbij. Hier moet ik warempel denken aan de muziekspinsels die Jim Steinman voor Meatloaf en Ellen Foley schreef, ook al zo'n zangeres met grote longen.

Turqouise is akoestisch en bevat fraai flamencospel, een heerlijk rustpuntje op dit album, alweer geknipt voor Haan.
Sad but Rich rockt funky en daarmee is mijn volgende associatie die met Joyce Kennedy van Mother's Finest. Bijzonder hoe "zwart" Haan hier klinkt, met na anderhalve minuut een blokje Moog in de sferen van het Nederlandse Earth & Fire of het Britse Uriah Heep; de verdienste van Gurl. Jammer dat het nummer wordt weggedraaid: dit verdiende een spetterend slot.
Afsluiter The Duchess of Orleans begint met Sherlocks zang, waarna Haan het overneemt. Typisch in de rockende sfeer van midden jaren '70 zijn mijn laatste associaties die met Ann Wilson van Heart, de groep die het jaar erop zou debuteren én met Grace Slick van Jefferson Starship. Het is echt niet raar om te stellen dat Jenny Haan zich met alle genoemde zangeressen kan meten, wat het raadsel van de (Europese?) onbekendheid van de groep alleen maar vergroot.

De derde Babe Ruth was tevens hun meest succesvolle: in de V.S. #75 in maart 1975, in Canada #85; de week dat Physical Graffiti van Led Zeppelin in Amerika de #1-positie bereikte. In eigen land deed het album traditiegetrouw niets. Hun laatste voor het label Harvest en tevens de laatste die op mijn streaming platform is te vinden.

Voor het vervolg moet ik naar YouTube. Die verscheen nog datzelfde 1975 bij Capitol en is de reden dat ik überhaupt Babe Ruth ontdekte. Dit vorige week, dankzij de toetreding van de latere Whitesnakegitarist Bernie Marsden, zoals verteld in zijn bio.

Babe Ruth - First Base (1972)

poster
3,0
Een band uit Hertfordshire, Engeland die zich vernoemde naar de legendarische Amerikaanse honkbalspeler (1895 - 1948), het debuut toepasselijk First Base doopte en de opener ervan Wells Fargo waarin over de Rio Grande wordt gezongen. Onengelser kan het niet. Ik begrijp bovendien dat de groep met name in het land van Uncle Sam en Canada vanaf het debuut enige bekendheid genoot.
Ik kom hier terecht door het lezen van de autobiografie van de latere Whitesnakegitarist Bernie Marsden, Where's My Guitar genaamd. Hij trad pas bij het vierde album van Babe Ruth toe tot de groep. Omdat ik wél van de honkballer maar nooit van de groep had gehoord, leek het me leuk om eerst eens de albums van voor zijn tijd bij Babe Ruth te beluisteren.

De genoemde opener is stevig, een dampende mix van rock en soul met blazers én een stem waarin ik zowel iets van Janis Joplin als Tina Turner herken. De Britse "Janis Turner" heet Jenny Haan. Wát een talent! Vreemd dat ik noch de groep, noch haar naam kende. Het gas gaat eraf bij de semiballade The Runaways, dat uitgroeit naar een climax met strijkers. Met die eerste twee zijn wat mij betreft de beste nummers van de plaat gepasseerd.
King Kong is dan weer rockend en enigszins progachtig. Het lijkt geïnspireerd door een jam van The Doors maar is in werkelijkheid een cover van Frank Zappa. Bovendien is het instrumentaal en in één take opgenomen met vrij gecompliceerd gitaar- (Alan Shacklock) en toetsenwerk (Dave Punshon). De ritmesectie is degelijk; bassist Dave Hewitt was tevens het liefje van mevrouw Haan, vertelt Marsden in zijn boek en hierboven lees ik dat drummer Dick Powell de broer is van Don van de mod-/glamrockgroep Slade.

Kant 2 van dit bij Harvest verschenen debuut. Het midtempo Black Dog is een cover van de Amerikaan en later Canadees Jessie Winchester en heeft met zijn lange gitaarlijnen iets van southern rock. De stem van Haan gedijt hierin.
Dan volgt het hierboven geprezen The Mexican, al vermoed ik dat de MuMensen het over een remix of iets dergelijks hebben. Hoe dan ook, uptempo wordt er gemoedelijk gerockt met dansende gitaar- en toetsenlijntjes én castagnetten. Ik word niet omvergeblazen zoals sommigen schreven, maar aardig is het zeker met bijvoorbeeld de wahwahgitaar tijdens de elektrische pianosolo.
Met Joker wordt midtempo afgesloten, de leadzang wordt gedeeld door Haan en Shacklock, maar het doet me niet zoveel. Wel doet de dame haar stem overslaan op een wijze die kwaliteit verraadt.

Aardig debuut, leuk om dit te ontdekken. Haalde volgens Wikipedia goud in Canada (#87) en een site met de statistieken van de V.S.-albumlijst meldt dat het in augustus 1973 #178 bij Billboard bereikte. Brits succes was er niet. Roxy6, ben jij bekend met werk van deze groep?

Babe Ruth - Kid's Stuff (1976)

poster
3,5
Na de matte voorganger Stealin' Home is dit Kid's Stuff een stukje pittiger, meer uptempo.

Gitarist Bernie Marsden vertelt in zijn bio Where's My Guitar? (2020) dat drie van de groepsleden van mening verschilden over de muzikale koers met de twee oorspronkelijke leden, zangeres Jenny Haan en haar partner, bassist Dave Hewitt. Marsden bemoeide zich inmiddels ook intensief met de mix en werd min of meer de bandleider. Uiteindelijk werd Hewitt ontslagen, waarop spoedig ook Haan haar biezen pakte.
Hierop kwamen toetsenist Don Airey (die Marsden kende uit zijn tijd in Cozy Powell's Hammer) om te helpen met strijkarrangementen en bassist Neil Murray. Vaste bassist werd echter Ray Knott met wie Marsden begin jaren '70 in Skinny Cat speelde.

In Abbey Road knutselden de mannen het nodige in elkaar en als er tijd over was, had Marsden de kans om onuitgebrachte mixen van o.m. Pink Floyd en The Beatles te beluisteren!
Een vervangster voor de getalenteerde Haan vinden was niet makkelijk. Marsden is overigens niet zo positief over haar zangkwaliteiten, wat ik volstrekt niet snap. Eerst was daar Sydney Foxx, een Amerikaanse die in de Ike & Tina Turner Revue had gezongen. Toen bleek dat zij eveneens in de groep van haar vriend zong (Flash van ex-Yesgitarist Peter Banks), viel de keuze op de Britse Ellie Hope.

Dat die eveneens kon zingen, is meteen duidelijk. In blues gedrenkte rockgitaar kreeg hier en daar een toefje funk mee. Soms stevig en dansbaar, andere keren meer popgericht. Sterkste nummers: het swingende Oh! Dear What a Shame, het van akoestische rust naar climax met cello's opgebouwde Welcome to the Show (arrangement van Airey), de funk van Keep Your Distance en tenslotte de blues van Living a Lie met leadzang van Marsden.
Niet alles werkt even goed. Zo zijn daar het popnummer Since You Went Away met leadzang van Marsden en het instrumentale Nickelodeon, saai met slechts de toetsen van Steve Gurl.

De groep viel hierop uit elkaar, om in 2007 met Haan en Hewitt plus oprichter-gitarist Alan Shacklock terug te keren met Que Pasa.
Hope kreeg een relatie met Knott en samen begonnen ze discogroep Liquid Gold. Gurl dook in 1980 op bij newwavegroep Victims of Pleasure en trad in '83 toe tot genregenoot Any Trouble. Drummer Ed Spevock stapte over naar Stan Webb's Chicken Shack. Ik lees verder in de biografie van Marsden, die naar Paice Ashton Lord verkaste en zo in de kringen rond het voormalige Deep Purple kwam.

Babe Ruth - Que Pasa (2007)

poster
3,5
Comebackalbum van Babe Ruth, dat met hun debuut First Base (1972) en derde, titelloze album uit 1975 enige bekendheid in de Verenigde Staten en Canada vergaarde. Dit met een combinatie van stevige rock en akoestische gitaren met daarbij uitstapjes naar de filmmuziek van Ennio Morricone, met name diens werk voor westerns. Een Amerikaans-Mexicaans geluid van een Britse groep. Focus voor oor én oog is zangeres Jenny Haan, gezegend met een rauwe strot, maar het is vooral gitarist Alan Shacklock die verantwoordelijk is voor de muziek.

Op hun vijfde album Kid's Stuff (1976) speelde niemand van de oorspronkelijke bezetting meer in de groep, waarna wegens gebrek aan succes aan beide kanten van de oceaan de handdoek in de ring werd gegooid.
Herlevende belangstelling komt uit onverwachte hoek als The Mexican van het debuut door dj John Benitez alias Jellybean in 1984 een succes wordt in hiphopkringen, speciaal opnieuw ingezongen door Haan.

In 2005 komt Babe Ruth in Nashville bij elkaar in een bezetting met een mix van hun eerste albums, te weten naast Haan en Shacklock bassist David Hewitt, pianist Dave Punshon en drummer Ed Spevock. Dit om te werken aan Que Pasa, dat een jaar later verschijnt. Hun eerste album in Amerika opgenomen laat horen dat Shacklock na zijn vertrek uit de groep producer is geworden: in een eigentijds geluid wordt gepoogd vroeger aan nu te verbinden.
Nieuw werk van Shacklock wordt afgewisseld met nieuwe versies van oudere nummers. Het album, op streaming te vinden, komt letterlijk zachtjes op gang door de muziek héél langzaam in te faden. Pas na een dikke 70 seconden valt de band in met een fel drumgeluid en orkestrale effecten: 4 Dear Life rockt stevig met een sterke zanglijn. Op het titelnummer klinkt naast een drumbeat een Spaanse gitaar, The Sun, Moon & Stars heeft met melodielijn en zang warempel weg van de Zweedse doomrockers Avatarium en bevat elektrische gitaarlijnen in Spaanse stijl.

In drieslag Mother Tongue pt 1. - Apache - Mother Tongue pt. 2 worden scratchgeluiden gecombineerd met beats, blazers en de instrumentale klassieker van The Shadows. Een gemoderniseerd Babe Ruth. Poprocklied Doncha Wanna Dance klinkt dan weer als de Zweedse hitmachine Roxette. Het gaat dus diverse kanten op, waarmee niet iedereen (ikke!) blij mee kan zijn.
Break for the Border is rockend met beat en bevalt beter, zeker met Haans stem. In Killer Smile de nodige Spaanse gitaar en blazers, 4 Letter Word begint met jazz en wordt dan funkpop, The Blues toont vooral weer de kwaliteit van Haans stem, waarna het in tweeën gedeelde The Mexican in een jasje genaamd Millenium de comeback afsluit, met Santa Ana als instrumentaal tussenstuk.

In 2010 werd opgetreden in Ottawa, Canada. De groep is nog altijd actief, in ieder geval met een Facebookpagina die wordt bijgehouden. Of Babe Ruth nog optreedt is onduidelijk: het bericht over Ottawa is het laatste concertbericht. Wel werd in augustus '23 aandacht besteed aan het overlijden van ex-lid Bernie Marsden én werd ons gisteren een voorspoedig 2024 toegewenst.

Aangezien de groep in een heel andere bezetting eindigde dan waarin ze begon, is het passend dat dit met Que Pasa is rechtgezet. Het album heeft z'n momenten, een krappe 7 van mij.

Babe Ruth - Stealin' Home (1975)

poster
2,0
In 1975 verliet het derde originele groepslid van Babe Ruth de groep. Dat gitarist Alan Shacklock kon spelen én schrijven bleek op de eerste drie albums. Toetsenist Steve Gurl wist raad en belde Bernie Marsden, zo vertelt de laatste in zijn biografie Where's My Guitar? (2020). De twee kenden elkaar van hun tijd bij Wild Turkey.
Marsden hapte toe omdat de albumplannen voor een elpee van Cozy Powell's Hammer waren getorpedeerd door producer Mickie Most. Dezelfde voor wie Marsden als sessiemuzikant schnabbelde, waardoor hij is te horen op albums van Hot Chocolate.

Nu ken ik Marsden als schrijver van enkele juweeltjes in zijn jaren bij Whitesnake. Wat hij vóór 1975 bij UFO en Wild Turkey liet horen, maakte eveneens indruk; overigens allemaal werk dat pas decennia later op geluidsdrager verscheen. Cozy Powell gunde hem van harte dat hij en zijn composities bij Babe Ruth eindelijk eens op een plaat zouden verschijnen, zo schrijft de gitarist.
Toch hapte hij vooral toe omdat zijn weekloon een eind omhoog ging; Marsden had daarvoor zelfs geen auditie hoeven doen. Daar had hij achteraf enige spijt van: Babe Ruth miste de dynamiek van Hammer en bovendien vond hij de manager irritant: deze bemoeide zich namelijk ook intensief met de podiumpresentatie, met name die van zangeres Jenny Haan.

Zat de groep eerst bij Harvest, Stealin' Home verscheen bij het grote Capitol en de verwachtingen waren hooggespannen.
Geen westernthema op de hoes: er wordt teruggekeerd naar het honkbal van het debuut. Gezien de groepsnaam (Babe Ruth was een legendarische Amerikaanse honkballer) wel begrijpelijk, maar juist de voorganger deed het zo goed.
De Britse band nam ook deze keer de muziek in Engeland op, terwijl men in de V.S. en Canada een aanhang had opgebouwd.

Opener It´ll Happen In Time is een mat rockertje, tot en met de drumpartij toe; wél leuk is dat ik aan het einde met Gurls toetsenpartijen en Haans sterke zang (wát een een talent!) een soort proto-new wave hoor. Althans, ik moet denken aan Amerikaanse groepen als The Shirts en Sue Saad and the Next. De zangeres schreef het met haar partner, bassist Dave Hewitt.
Vervolgens de eerste door Marsden neergepend: Winner Takes All rockt steviger en uptempo, wederom vind ik de melodie niet zo sterk. Marsdens spel is daarentegen prima, rock in bluessaus.
Fascination is van drummer Ed Spevock; Haan zingt prima en de muziek klinkt met z'n vleugje funk als een stevige versie van 10CC. Kant 1 sluit af met 2000 Sunsets, een ballade van Haan. Na enige tijd komen er strijkers bij, die goed werken.

De tweede helft begint met Elusive, geschreven door Spevock en Gurl. Een rocknummer met soms sterke funkinvloeden en een lekkere gitaarsolo. Vervolgens klinkt langzame popreggae in Can You Feel It, oorspronkelijk een soulnummer uitgevoerd door de mij onbekende Dobie Gray uit 1974. Werkt deze cover? Nee. Het was immers al te vaak te mat.
Dan de tweede compositie van Marsden op de plaat: Say No More rockt uptempo en bevat de nodige slidegitaardelen, maar alweer vind ik de melodie niet zo interessant. Het instrumentale Caught at the Plate van Gurl is een intermezzo met slechts elektrische piano en een vroege synthesizer.
En dan wordt het met de afsluiter onverwacht toch nog boeiend: Tomorrow (Joining The Day) van Haan begint met een bluesschema, waarna felle streken op cello's klinken, ondersteund door elektrische gitaar; als op de eerste albums van E.L.O. Vervolgens wordt versneld en krijgt Marsden de gelegenheid een heerlijke solo neer te zetten, waarna Haans klaaglijke zang, cello’s en gitaar het nummer op langzamer tempo voortzetten naar een intens slot.

De geflopte plaat is te vinden op YouTube. De versie die ik daar beluister is een wat dof klinkende vinylrip: ik weet weer waarom ik eind jaren '80 alsnog om ging voor de cd. Tegelijkertijd is daar goed doorheen te luisteren en dan concludeer ik dat de composities te mager zijn, zeker in vergelijking met de voorganger en zelfs met het zoekende debuut. Op het slotlied na.

Bad English - Backlash (1991)

poster
3,5
Heb vanavond eens op het gemakkie de eerdere bijdragen bij dit plaatje gelezen. Was vergeten dat Borsato en Heerink materiaal hiervan hebben gecoverd. Met als enige voordeel dat je dan weer beseft hoezeer zanger John Waite hen overtreft: zijn heldere stem met dat prachtige rauwe randje, altijd slim geplaatst in de climax van een lied.

Deze dagen luister ik me suf naar Waite, omdat ik hem volgende week in Amersfoort hoop te zien optreden. Backlash mag dan het product zijn van een band die al tijdens de opnamen onderling in de clinch lag en bij de release was uiteengevallen, ik vind het nog steeds een fijn plaatje, mede omdat de sound minder opgeblazen is in vergelijking met het debuut. Eén van de eerste albums die ik vanaf cd hoorde, deze jongen was bepaald niet de snelste. Vinyl was definitief verdreven. Dacht ik.

Op verrassende inzichten zul je me niet betrappen. Straight to your Heart, Time Stood Still, Rebel Say a Prayer, Pray for Rain en de poprocker Life at the Top zijn mijn favorieten. Gitarist Neal Schon soleert her en der de sterren van de hemel en vervelende nummers kom ik niet tegen, anders dan op het debuut dat met zijn dertien nummers drie liedjes te lang duurt. Deze houdt het bij tien, precies goed.

Het album bewijst wederom dat de heren konden vlammen, mede dankzij niet-bandleden Russ Ballard, Dianne Warren en Mark Spiro die meeschreven aan diverse liedjes. Toch pakt de plaat me minder dan de voorganger; een half sterretje minder derhalve, ondanks de twee fan-tas-ti-sche singles. Man, wat kun je daar héérlijk op meebrullen!

Bad English - Bad English (1989)

poster
4,0
Nadat The Babys er in 1981 mee stopten en zanger John Waite een redelijk succesvolle solocarrière begon, zaten de anderen niet stil. Zo kwam toetsenist Jonathan Cain bij Journey terecht, op dat moment één van de allergrootste bands in de Verenigde Staten. Die groep viel in 1987 uit elkaar.
Cain en Journeygitarist Neal Schon werkten enkele maanden samen voor andere topnamen in de adult oriented rock, tot Cain in 1988 de handen ineensloeg met bassist Ricky Phillips om een nieuwe band te starten. Ze kenden elkaar uit hun tijd bij The Babys. De twee benaderden vervolgens zowel Schon als Waite; beiden hapten toe.
Schon hengelde drummer Deen Castronovo binnen, wiens naam ik sinds 1983 was tegengekomen bij metalband Wild Dogs. Hij had als sessiedrummer zijn reputatie vergroot op albums van onder meer shredgitaristen Tony MacAlpine en Marty Friedman.
Je zou kunnen beweren dat Bad English de voortzetting van The Babys was met “slechts” een nieuwe gitarist en drummer. Wie dit doet, onderschat de muzikale inbreng van beiden en de compositorische invloed van Cain. Het resulteerde in een album dat evenwichtiger was dan enig album van The Babys ooit was geweest. De band vond onderdak bij platenmaatschappij Epic en ontleende de naam aan Amerikaans slang voor een slechte stoot bij het poolen.

Mijn eerste kennismaking was via MTV. De ballade When I See You Smile werd in Nederland weliswaar geen hit, maar ik werd er heel vrolijk van. Het stond in de Billboard Hot 100 in september 1989 twee weken #1. Geschreven door Dianne Warren, die al prachtige songs schreef voor Waites solocarrière.
De twee volgende singles waren eigen composities van enkele van de bandleden. Allereerst Price of Love, in de V.S. in maart 1990 #5. Possession haalde er in augustus nog eens #21. Niet slecht als je beseft dat het album waarvan het afkomstig was al meer dan een jaar uit was.

Debuutplaat Bad English verscheen in juni 1989 en telt maar liefst dertien nummers. Drie teveel, precies die welke eerder door andere MuMensen worden genoemd. Maar verder een heel sterk album, dat echter in Nederland slechts #95 werd in augustus '89. Er wordt stevig gerockt, waarbij ballades vanzelfsprekend niet ontbreken. De toetsen zitten vooraan in het geluidsbeeld. Soms te.
Het waren de jaren van hair metal en alhoewel hier melodieuze hardrock / aor klinkt, bezochten de heren wel een kapper die kwistig met haarlak wist te spuiten. Muziekstijl en imago pasten precies in de tijdgeest.

Al met de eerste tonen van de plaat wordt duidelijk hoe snel Schon kan soleren, een kwaliteit die bij The Babys ontbrak. Tevens wordt duidelijk dat dit een stevige plaat zal worden, alsof Schon zijn frustratie over het einde van Journey vertaalde in muziek. Producer Richie Zito gaf de band de kenmerkende eind-jaren ’80 sound: vol en vet, waarbij Castronovo klinkt alsof hij in de badkamer zit (terwijl de anderen daar hun haren toupeerden?).
Mijn favoriete nummers: de laatste drie liedjes van de A-kant: het vlotte Forget Me Not, When I See You Smile en nóg mooier vond ik het uptempo Tough Times Don’t Last, over een geliefd thema van Waite: liefde tegen de stroom in.
Op de B-zijde is het The Restless Ones, een Cain-Phillips-Waite-compositie die ik één van de absolute toppers in de catalogus van Waite vind. Afsluiter Don't Walk Away is rustig maar geen ballade; het bleek na enkele malen draaien een groeibriljantje.

Nu Waite vanaf morgen op tournee is door Nederland, hoop ik van harte dat hij werk van deze plaat niet zal vergeten. Wie weet… Iemand die hem morgen in Bergen op Zoom gaat zien en hier een berichtje kan achterlaten?

Bad Manners - Loonee Tunes! (1980)

poster
4,0
Nadat het debuut van skagroep Bad Manners Ska 'N' B in april de Britse albumlijst haalde, verscheen al eind november datzelfde jaar opvolger Loonee Tunes! Bijna twintig jaar geleden karakteriseerde rayman dit als "heerlijke onderbroekenlolmuziek"; ik snap wat hij bedoelt en wil daaraan toevoegen dat de heren Bad Manners ondertussen wel konden spélen!
Neem bijvoorbeeld de instrumentale opener Echo 4+2, een cover van Echo Four Two van The Laurie Johnson Orchestra uit Engeland, in 1961 de B-kant van een single en tevens thema van de gelijknamige tv-serie. En Tequila is oorspronkelijk uit 1958 van de Amerikanen van The Champs.

Er waren wederom hitsingles voor de groep. Lorraine betrad eind november '80 de Britse hitlijst om in januari op #21 te pieken en Just a Feeling haalde in april #13. De elpee piekte in december op #36.

Als andere favorieten noteer ik El Pussycat (oorspronkelijk van Roland Alphonso van de Jamaicaanse The Skatalites uit medio 1964), Doris en dankzij alleen al de titel het semi-instrumentale The Undersea Adventures of Ivor the Engine. De rest doet hier overigens niets aan onder: dit is een album zonder zwakke momenten. In 2010 verscheen Loonee Tunes! op cd met twee bonustracks, waarbij een 12"-versie van Lorraine.

Mijn reis door de new wave van 1980 kwam van single Where's Captain Kirk? van de Engelse pretpunkers Spizzenergi en vervolgt in de VS bij eveneens een tweede album in één jaar. In dit geval van de Romantics.

Bad Manners - Ska 'N' B (1980)

poster
4,0
Op reis door de new wave van 1980 kom ik van de donkere postpunk van De Brassers bij zonnige ska.

In Nederland scoorde Bad Manners slechts één hit (in 1981 met Can Can), in Engeland was het andere koek. De eerste was Lip up Fatty, dat op 8 juni 1980 de Britse lijst betrad om het vanaf begin augustus drie weken uit te houden op #15 en het veertien weken in de verkooplijst uithield.
Het is te vinden op Ska 'n' B, een titel die de lading dekt: enerzijds ska zoals op de single of het semi-instrumentale King Ska-Fa, maar op covers Caledonia, Magnificent 7 en Wooly Bully keren we terug naar de jaren van big band en rhythm & blues. Het leidt tot een vrolijk en dansbaar album, waarbij op Inner London Violence een maatschappelijk betrokken tekst klinkt.
Slotlied Scruffy the Huffy Chuffy Tug Boat begint met een sample uit een sketch van Monty Pyton, gevolgd door nostalgische vaudeville, sterk lijkend op hetgeen Ian Dury in 1975 deed op zijn debuut met Kilburn & the High Roads.
Meer hitsingles van het album: eind april werd met openingstrack Ne-Ne Na-Na Na-Na Nu-Nu #28 gehaald en Special Brew haalde in november nog eens #3. In april 1980 haalde Ska 'n' B #34 in de Britse albumlijst, in 2011 verscheen een cd-editie met vele bonussen .

Anders dan menig ander skagroep zat de Noord-Londense groep niet bij 2 Tone maar bij Magnet, al waren hun allereerste opnamen wél bij dat befaamde label. Bij dat 2 Tone zat verder een groep die in hun actieve bestaan slechts twee singles uitbracht. De eerste haalde in maart 1980 de Britse hitlijst en is in liveversie te vinden op een befaamde verzamelaar van dat label, waarop ook Bad Manners staan. Op naar Dance Craze en de dames van The Bodysnatchers.

Balance - Balance (1981)

poster
3,5
Vorig jaar kocht ik in Brabant opvolger In for the Count, hier zijn we echter bij het debuut van Balance. Ik kwam het vorige week tegen in Wezep bij No Dust, wat overigens een hele leuke platenwinkel is! Van MuMe wist ik dat deze meer de popkant opgaat en eenmaal thuis werd dat snel bevestigd.
Als liefhebber van scheurende gitaren vind ook ik de opvolger beter. Op Balance (het album) past het label adult oriented rock niet goed: in mijn oren klinkt vooral kwaliteitspop. De gitaar scheurt eenvoudigweg niet zo vaak, maar als dat gebeurt (American Dream dat de B-kant opent, bovendien rijkelijk voorzien van strijkers) ben ik onmiddellijk vol aandacht.

Associaties die ik heb zijn met Toto of Steely Dan: melodieuze pop, ingekleurd door de lenige stem van Peppy Castro, de gevulde toetsenpartijen van Doug Katsaros en de gitaren van Bob Kulick. De laatste speelt ingehoudener dan op die befaamde opvolger, maar trapt af en toe het distortionpedaal in. Op Haunting bijvoorbeeld klinkt eerst pop, maar dan weet die Kulick zich toch los te rukken en wordt het plotseling steviger.
Invloeden van soul en funk sijpelen frequent door, zoals in de uptempo opener (Looking for the) Magic, of de popsoul van I'm Through Loving You. Fly Through the Night sluit de A-kant af met een fraaie gitaarsolo.
Falling in Love is dan precies wat de titel doet vermoeden, een poppianoballade met koortjes die een liefhebber van de BeeGees ook goed kan waarderen, al heeft die dan misschien moeite met Kulicks licht-scheurende partij later in het nummer.

Een vaste drummer en bassist had de groep ten tijde van het debuut niet, die klussen werden geklaard door Andy Newmark (slagwerk, speelde ook bij Sly & The Family Stone en de Mark Farner Band) en sessiebassisten Willie Weeks en John Siegler. Muziek op de grens van rock en pop, gemarineerd in soul en funk; zeer melodieus met lekkere liedjes en een toetsenist en gitarist die weten hoe de gaatjes in te vullen. Niet baanbrekend, evenmin beneden peil. Een keurige 7.

Balance - In for the Count (1982)

poster
4,5
Hoe lekker adult oriented rock kan zijn, bewijst In for the Count van Balance uit 1982. Ik heb deze plaat indertijd gemist, maar kwam ‘m op het spoor toen ik op YouTube in een nostalgische bui het radioshow Wango Tango van Francis Zégut tegenkwam, in de jaren '80 dj bij het Franstalige WRTL. In een opname daarvan klonk de titelsong.

Toen ik afgelopen voorjaar de elpee in de bakken van een Brabantse platenzaak ontwaarde, hoefde ik niet lang na te denken. Die keuze viel goed uit. Vooral op de A-kant (track 1 – 4) is het niveau heel hoog. Melodieën, zang, arrangementen, variatie tussen uptempo en langzamere nummers: het klopt allemaal en de neiging tot meezingen is hoog. Alleen het intro van de titelsong al, of de spannende akkoordenprogressie in de brug van Undercover Man.
In de loop van kant B vind ik de liedjes geleidelijk net iets minder pakkend. Daarbij wordt de rol van gitarist Bob Kulick iets kleiner ten faveure van de toetsen van Doug Katsaros. Desalniettemin spelen de New Yorkers ook in die popachtiger nummers op hoog niveau. Het is alsof je een best-of van deze band hoort, de ene na de andere fijne song komt langs.

Zanger Peppy Castro heeft een stem op de grens van (hard)rock en pop. Niet spectaculair maar aangenaam om te horen, ook als je de plaat herhaaldelijk draait. Dat Kulick een hele goede (solo)gitarist is, is op de nodige momenten zonneklaar. Toch kiest hij ervoor zich iedere keer weer in dienst van de liedjes te stellen en dat werkt bijzonder goed. Op drums kwam ik tot mijn verrassing de naam van Chuck Bürgi tegen, hij zou een jaar later bij Rainbow op Bent Out of Shape de stokken beethouden.

Hele fijne plaat, een klassiekertje in het genre.

Baldrs Draumar - Aldgillissoan (2015)

poster
4,5
Brute viking-/folkmetal zoals Baldrs Draumar die maakt, vereist enige luisteroefening: herkenbare melodieën vind je vooral in gitaar- en toetsenpartijen, plus de akoestische nummers; voeg daarbij de niet-standaard couplet-refreinstructuren en je weet dat de oortjes harder moeten werken.

Ik kwam de band voor het eerst tegen op Fryske Cash (juli 2011), waarop verschillende artiesten liedjes van Johnny Cash coveren. Baldrs Draumar verbouwde I Hung my Head (2002) tot De kop foardel. Vervolgens las ik over de EP Noardseegermanen uit december 2010, waarvan ik op YouTube Eala Freya Fresena tegenkwam.
Toen ik in februari 2015 in online metalmagazines over Aldgillissoan las en via YouTube In Skym yn it Tjuster (Een schaduw in het donker) hoorde, was ik definitief óm. Omdat ik de muziek steeds fijner vond, heb ik in 2019 (?) het album bij de band besteld, waar ik zomaar fijne bandbierviltjes bij kreeg. Hulde! (ja, zo makkelijk koop je mij om )

Wat hun eerste Friestalige (concept)album extra interessant maakt, zijn de historische verhalen in de teksten. In dit geval over de Friezen in de regio Utrecht. De wetenschap dat die streek in de periode 650 – 720 onder Fries bewind stond, veroverd op de Franken (naar wie het land Frankrijk is vernoemd), laat de historische omvang zien. Geen kleine prestatie en ook interessant voor een niet-Fries als ik.
Aldgillissoan vertelt het verhaal van Redbad, de zoon van de Friese koning Aldgillis (? – 680), die waarschijnlijk vanuit Utrecht of Dorestad (Wijk bij Duurstede) regeerde. Zo kom ik te weten van de dood van Aldgillis, Redbads bondgenootschap met Hadagrim van Denemarken, zijn strijd tegen de Franken en (spoiler) zijn dood. Door aandachtig het tekstboekje mee te lezen, is het verhaal goed te volgen.

De muziek is geënt op thrashmetal, met z’n dikke 53 minuten afwisselend genoeg om vele malen te draaien, zonder dat het gaat vervelen. Van tijd tot tijd belandt de cd weer in mijn speler, of draai ik het album via streaming. Altijd weer is het genieten.
De kracht van de muziek zit ‘m in de grote variatie, waarbij de energie ervanaf knalt. Baldrs Draumar heeft diverse troeven op zak.
Zo zijn er de sobere toetsenpartijen, die zorgen voor filmische sferen en het folkgevoel. Een enkele keer klinkt een accordeon of harp (de brug in Wolvetiid), al weet ik niet of die eigenlijk uit een keyboard komen.
De tempo’s wisselen van langzaam (zoals in het akoestische Fredou), midtempo (zoals Koppen yn’e Mist) en uptempo tot snel (onder meer in Wolvetiid). De ritmesectie, bestaande uit Skimerswurd op bas en Tongerfûst op drums, smeedt de boel energiek aan elkaar. Geholpen door de messcherpe productie blijft alles transparant en strak.
Een volgende troef zijn de gitaarsolo’s, waarin wonderschone melodieën klinken, die in fraai contrast staan met de grunts en de brute slaggitaren. Zoals in Wolvetiid, waarin zo’n gitaarlijn tijdens de coupletten klinkt, of de prachtige meehumlijn in Ûnder it Skyld. Gitarist Fjoerspuier heeft een groot melodisch talent, met invloeden uit klassieke (hard)rock en metal: een liedje in een liedje, zwaar genieten! Soms herinnert hij me aan Thin Lizzy en Gary Moore, de keren dat zij hardrock met folk mengden.
Grootste (?) troef is de stem van Wyldrazer, die niet alleen over diverse gruntstemmen beschikt maar ook krachtig clean zingt. Handig bij een conceptalbum als dit, waar het verhaal extra belangrijk is: het krijgt door zijn bijdragen extra zeggingskracht.

Enige minpuntje is wellicht dat op de hoes de namen van de bandleden niet worden vermeld, maar daarop valt te koeklen. Wat onduidelijk blijft, is wie toetsen, accordeon en harp bespelen.
Een must listen voor fans van zowel brute thrash- als melodieuzere vikingmetal; ook aanbevolen voor hen die van historie houden. Of voor fans van de folkpunk van Dropkick Murphys. Een album met diverse lagen, voor mij passend in de Champion's League van metal.

Baldrs Draumar - Fan Fryslâns Ferline (2017)

poster
4,0
Folk is in Nederland een onderschat genre, in tegenstelling tot de andere Europese landen. Alsof Nederlanders hun wortels kneuterig en oubollig vinden.
Een metalband die een akoestisch album maakt, is voor de moderne kaaskop misschien dubbel vreemd. Bij een band als Baldrs Draumar is dat echter bepaald geen vreemde stap. De teksten van de groep zijn sowieso gedrenkt in de Friese historie, vandaar de titel van dit akoestische Fan Fryslâns Ferline, verschenen in oktober 2017.

Behalve zang, akoestische gitaar en bas en een trom klinken een accordeon en een fluit. Zanger Wyldrazer heeft een prima stem die zowel rauw als “schoon” kan klinken. De liedjes bieden veel afwisseling en pakkende melodieën, met hier en daar koortjes van de overige drie.
Anders dan het vorige album Aldgillissoan is hier geen sprake van één verhaal dat de liedjes met elkaar verbindt. Maar de titel dekt de lading: wie meeluistert of -leest leert het nodige over de Friese cultuur, die veel ouder en breder is dan de huidige provincie.

Thema’s die voorbij komen zijn de Noordse mythologie, vrijheidsdrang, het landschap en de invloed die zich bijvoorbeeld tot in Keulen liet gelden, zoals in Magna Frisia wordt verteld.
Andere hoogtepunten. De opener, tevens titelsong, verklaart de passie van de vier, die ook blijkt uit de hartstochtelijke uitvoering ervan.
Slach by Warns vertelt het verhaal hoe het ridderleger van de Hollandse graaf Floris IV in 1345 over de Zuiderzee voer en een invasie op de Friese kust uitvoerde. Later werd het in de pan gehakt gehakt door een leger van boeren en vissers. Een verhaal waar een speelfilm in zit.
Hva Faen vertelt over een mislukte reis naar Engeland en de rol van bier daarbij: humor steekt hier de kop op, niet alles op deze schijf is even serieus.
Op Deät Lun wordt ook gevaren, maar dan naar Helgoland. In 2019 zou de band daadwerkelijk naar dit Duitse eiland voor de Deense kust varen. Dit om deel te nemen aan de driejaarlijkse Friese conventie; zie daarover deze boeiende kortdocu. Dit lied is met zijn fluitpartij het hoogtepunt van dit album.
Het album sluit af met Hadagrims Fertriet, dat ook het vorige album Aldgillissoan afsloot. In november 2021 kreeg het een videoclip, geschoten in de Theatertuin in Broeksterwoude.

Soms moet ik denken aan albums die in de jaren ’70 werden gemaakt in de folkwereld rondom Nederland, of aan de muziek van het Nederlandse Wolverlei, waarvan ik deze plaat ken. Verschil is dan wel dat het bij Baldrs Draumar meestal een stuk rauwer is: de metalen wortels van de band verloochenen zich niet. Een prima album!

Baldrs Draumar - Magnus (2019)

poster
4,0
In 2019 keerde Baldrs Draumar terug met het elektrische Magnus, na het akoestische Fan Fryslâns Ferline.

Net als Aldgillissoan is ook Magnus een conceptalbum. Het verhaal speelt zich een eeuw na Aldgillissoan af, ten tijde van de Frankische koning Karel de Grote, rond 800. Het betreft een “apocrief” verhaal, waarvan onzeker is of dit werkelijk is gebeurd. Tijdens het luisteren leer je over een Fries leger dat naar Rome trok om daar orde op zaken te stellen. Zou het waar zijn dat er Friese zwaarden op het Sint Pietersplein zwaaiden? Iets over de achtergrond hiervan lees ik in de inlay, veel meer is te lezen in de uitleg die wordt gegeven in het bijbehorende stripboek.
Stripboek? Jazeker, ik heb het mede dankzij de fraaie tekeningen van Skelte Siweris Braaksma met veel plezier gelezen. Een fascinerend verhaal.

Maar hier gaat het om de muziek. Die is nog een stapje bruter dan op Aldgillisoan en neigt meer naar melodic death metal / Gotheborg metal. Tegelijkertijd klinken accordeon, harp, fluit en viool, de laatste in Magnus Forteman. Toetsen zorgen voor extra sfeer. Jammer genoeg wordt niet vermeld wie wat bespeelt, maar met het stripboek erbij hoor je mij niet klagen…
Ook anders ten opzichte van dat vorige elektrische album is dat er minder gitaarsolo’s te horen zijn, waarbij de muziek dus heftiger is geworden. Bij Toh Alden Fahne is een videoclip verschenen die het aanzien meer dan waard is en waarin (hoera!) een sterke gitaarsolo klinkt.
Folkinvloeden zijn er uiteraard ook weer, maar nergens wordthet vrolijke tralalametal, wat ik helaas elders bij dit soort kruisbestuivingen tegenkom. Nee, hier wordt een serieus verhaal verteld, waarbij de folk het melodische tegenwicht levert ten opzichte van de hakkende gitaarriffs.
De ritmische groei is hoorbaar, het is zo nu en dan lekker gecompliceerd qua drumwerk. Heerlijk. Ook de grunts zijn weer gevarieerd, waarbij af en toe "schone" zang klinkt. Dit soort afwisseling vind ik heerlijk, de brute delen worden er nóg bruter van.

Op Instagram zag ik dat een opvolger in de maak is. Laat maar komen!

Baldrs Draumar - Njord (2022)

poster
4,5
De nieuwe Baldrs Draumar heet Njord. Het is hun tweede akoestische, waarmee valt te constateren dat de Friezen de laatste vier albums om en om elektrisch en akoestisch werk uitbrengen. De metalband maakt dus wederom een album dat ook geschikt is voor degenen die niet van scheurende gitaren houden.
Njord wordt net als de vorige albums in eigen beheer uitgebracht; gezien de constant hoge kwaliteit van hun werk vraag ik me af waarom ze niet bij een groot label zitten. Dit kan zich namelijk meten met de top van metal en tevens folk. Het verdient betere distributie en een degelijke (inter)nationale tournee.

Van de vorige drie albums vertelden twee een verhaal en ook Njord is een conceptplaat. Hier wordt verteld hoe Friezen in de vroege Middeleeuwen besloten het Frankische zuiden de rug toe te keren en noordwaarts te varen, waar de Noordzee toen al een drukbevaren kruispunt tussen (het huidige) Engeland, Schotland, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, de Lage Landen en Noord-West Frankrijk was.
Het zwart-witte boekje bevat naast de teksten prachtige tekeningen van de Tsjechische kunstenaar Jakub Vaniš. Ze helpen het verhaal te begrijpen van degenen die de Noordse mythologie eerden en zich verwijderden van het geloof dat met de Franken meereisde. Af en toe waan ik mij in de stripverhalen van Thorgal Aegirsson, maar dan in een Friestalige versie waarin hun "drakenskûtsjes" de grijze zee bevaren.

De muziek mag akoestisch zijn, de uitvoeringen laten er geen misverstand over bestaan dat de vier een steviger muzikale achtergrond bezitten. In het titellied dat het album aftrapt, wordt zelfs bescheiden gegrunt. Idem in Sieletocht.
Maar geen blastbeats of gitaarsolo's. Op Thús op See, Jûl en Fan Keardel en Skiep klinkt daarbij melodieuze Keltische folk. Banjo, accordeon, fluit, viool en andere instrumenten bieden variatie op de akoestische (bas)gitaar en percussie, de zang is wederom passievol en gepassioneerd. Bij Akraberch, sowieso een pareltje van een lied, verscheen een sfeervolle clip, zo te zien bij de Waddenzee gefilmd.

Voor een volgend album zou het wellicht leuk zijn om de metalen kant met de akoestische te combineren. Kan volgens mij een ijzersterke mix opleveren. Voor nu is het genieten van Njord in al zijn niet-elektrische schoonheid.

Bandit - The Good Times Are Killing Me (2023)

poster
4,0
Veel postpunkgroepen verliezen na twee albums hun felheid. Bandit is op deze EP (nog lang?) niet zover.

Vorig jaar struikelde ik over de laatste Metallica: te veel nummers die bovendien te vaak te lang uitgerekt zijn. Bij postpunkgroepen als Bandit hoor ik de remedie. Het felle titelnummer The Good Times Are Killing Me dat aftrapt duurt slechts honderd seconden maar in die korte tijdspanne wordt wél een verhaal verteld, ook qua muziek. Minipareltje.
Daarna wordt ieeets gas terug genomen (alhoewel, What Did You Expect eindigt vóluit), maar nog steeds spatten de zweetdruppels uit de boxen, zoveel energie zit erin, om met afsluiter We'll Be Alreet (is dat Liverpulians dialect?) terug te keren naar het hoogste tempo. Aangename gitaarmuurtjes doen me de volumeknop omhoog draaien.

De hoes associeerde ik met psychedelische rock vol noise en fuzz, vervormde zang en uitgerekte nummers. Gelukkig bleek dat een misvatting. Het plastic skelet uit een biologielokaal met een tutu (?) in het winkelwagentje is simpelweg een knipoog, passend bij de titel.
Bandit biedt denderende postpunk en weet dat in een kwartier, oftewel vijf nummers, gevarieerd met vaak lekkere melodieën te combineren. Zo kan het dus ook, heren Hammet, Hetfield, Trujillo en Ulrich. Van deze jonkies kun je leren. Dank blur8 voor de tip!

Baroness - Stone (2023)

poster
4,0
Sinds half 11 lig ik in het ziekenhuis voor een kleine ingreep; eind van de middag mag ik alweer weg. Bij aankomst vanochtend tipte een vriend me de nieuwe Baroness.
Omdat ik nog meer dan een uur moet wachten, lig ik luisterend naar Stone op bed tot het moment dat ik naar de operatiezaal mag.
Ik ken ze van single Chlorine & Wine van Purple, dat zal eind 2015 of begin '16 zijn geweest. Eigenwijze metal met die cleane zang en dat zware geluid: het nummer deed het goed in mijn afspeellijst met recente favoriete tracks van andere groepen.

Sindsdien pakte hetgeen ik qua nieuw werk van deze band uit Georgia hoorde me niet zo en met hetgeen ik hierboven lees, weet ik weer waarom.
Stone heeft echter niet alleen een prachtige hoes, de productie is héérlijk transparant. Eerder deze week kwam ik iets dergelijks tegen bij de nieuwe Horrendous, namelijk Ontological Mysterium. Wég met die dichtgesmeerde sound, zoals bijvoorbeeld bij de laatste van Within Temptation. Hopelijk is die opener productiestijl dé nieuwe trend.

Bij Baroness werkt zo'n geluid nog beter. De groep schrijft nummers met daarin de nodige contrasten, waarin hard en zacht elkaar afwisselen. Gevolg is dat de harde, metalen delen veel vetter denderen na een ingetogen deel, in tegenstelling tot albums waar zelfs een rustige passage al een geluidsmuurtje vormt.
De zangmelodieën hebben nog altijd een jaren '70-gevoel zoals Wishbone Ash dat zo goed kon. Gevolg is een combinatie van diverse gitaargeluiden die her en der klinken, zijn climax vindend met de donderende zang van John Baizley over diep grommende gitaren.

Op streaming staat de editie met livewerk als bonus. Ik houd het toch even bij het studiodeel. Alleen al zoals de plaat begint: eerst het akoestische miniatuur Ember, dan het stevige Last Word met daarin een fan-tas-ti-sche gitaarsolo. Of wat te denken van de riff in Beneath the Rose?
Sterke composities en laat ik het knappe drumwerk van Sebastian Thomson niet vergeten! Dit alles maakt dat ik mijn tijd op weg naar het land van narcose extra vrolijk doorkom... Ciao, tot later.

Barren Cross - Atomic Arena (1988)

poster
4,0
Een vriend van me had de eerste langspeler van Barren Cross, die slechts via import verkrijgbaar was. Atomic Arena stond echter gewoon in de platenzaak van de Grote Stad tussen al die andere sterke albums die in 1988 verschenen.

Het kwartet stond inmiddels onder contract bij Enigma dat over grotere financiële middelen beschikte en dat is te horen. Vol geproduceerd door Dino en John Elefante, de laatste ex-zanger van Kansas. Zij lieten de groep in hun eigen Pakaderm Studio verder groeien. Opvallend is dat de leden van Barren Cross allen nummers schreven, alleen of samen, die vervolgens klinken alsof ze gevieren werden neergepend. Een passend geheel, op één nummer na.

De stem van Mike Lee maakt opnieuw dat ik aan Bruce Dickinson moet denken, maar de muziek is rechttoe US-metal met soms spaarzame toetsen... op één nummer na.
De zang, inclusief de koortjes van de andere groepsleden, staat vét in de mix en de vocalen van Lee doen niet onder voor die van zijn bekende stemgenoot. Verder gooit gitarist Ray Parris er regelmatig een snelle solo in. De drums klinken vol maar verzuipen niet in echo.

In opener Imaginary Music zit een originele tekst over de invloed van een artiest op het publiek en de verantwoordelijkheid daarbij, waarna het iets snellere Killers of the Unborn een abortus beschrijft zoals beleefd door de foetus en dat niet fijntjes.
Een razendsnel basintro trapt In the Eye of the Fire af, voor mij één van de beste nummers van de plaat, mede door de zanglijn. Terrorist Child is kalmer en aardig, waarna met Close to the Edge het derde hoogtepunt van kant 1 zich meldt; een boeiend intro met diverse tempowisselingen en een sterke melodie en opnieuw zo'n pakkende gitaarsolo.

Meer uptempo werk in Dead Lock dat kant 2 opent maar me nooit pakte, waarna het snelle Cultic Regimes volgt, waarin de grens van speedmetal wordt overschreden; hier had de gitaar wat hoger in de mix gemogen.
Het enige nummer dat niet door één van de vier groepsleden werd geschreven is Heaven or Nothing, een powerballad met volle toetsen van de gebroeders Elefante. Op zich prima aor en nog stevig ook, maar niet passend bij de rest.
Het uptempo King of Kings van drummer Steve Whitaker zet het album dan weer op het juiste spoor. Dit mede dankzij de sterke melodieën en een fraaie langzamere brug met daarin akoestische gitaar.

Slotlied Living Dead knalt gedurende bijna zeven minuten de speakers uit met de nodige breaks, enkele tempowisselingen, gevarieerde en krachtige leadzang en een heerlijk refrein. Halverwege wordt het nummer stilgelegd waarna langzaam naar de finale climax wordt toegewerkt, inclusief opnieuw fraai basspel van Jim LaVerde.
Het waren de hoogtijdagen van MTV en een videoclip verscheen bij Imaginary Music. Van Killers of the Unborn vond ik deze amateurvideo, live gefilmd met het geluid van de studioversie eronder, waar te zien is dat Lee de toetspartijen op het podium deed.

Zeven sterke nummers waarvan twee in de buitencategorie, verder twee aardige composities en één te zoet voor dit album. Een 8,5 die ik vertaal in vier sterren.

Barren Cross - Believe (1985)

poster
3,5
Eigen beheer-EP van het Californische Barren Cross. Eén van de groepen die in de slipstream van Stryper opdook.

Deze EP werd geproduceerd door Dino Elefante, broer van John, degene die bij Kansas ten tijde van Vinyl Confessions en Drastic Measures bij de microfoon stond. Productionele overeenkomsten berusten daarom niet op louter toeval, zelfs al zat Dino bij Kansas niet aan de knoppen.
Hier echter klinkt voluit metal van een getalenteerde groep, in 1985 nog werkend aan een eigen geluid binnen het genre. De twee in het oor springende zuilen van Barren Cross zijn al zonneklaar: de zang van Mike Lee en het gitaarwerk van Ray Parris. Voor een eigen beheerdebuut niet onaardig, een krappe 7 mijnerzijds. Op YouTube te vinden.

Het jaar erop maakte ik kennis met de groep middels een heropname van deze EP, aangevuld met twee krakers en in nieuwe verpakking uitgebracht als Rock for the King.

Barren Cross - Birth Pangs (2013)

poster
3,0
Zelf geproduceerde livedubbelaar van een Zwitsers reünieoptreden van Barren Cross. Ik luister via streaming na Symphonic Terror van Accept te hebben gehoord. Dan valt op dat de productie bij de Amerikanen toch een stuk minder goed is verzorgd dan bij de Duits-Amerikaanse groep.

Aan de muzikanten ligt het niet en aan de setlist evenmin. Sterke composities, metal als een kruising tussen Iron Maiden en Dio met soms ongewone en razendsnelle gitaarsolo's van Ray Parris. Bovendien is zanger Michael Drive (die zich voorheen Michael Lee noemde) van een buitencategorie. Hun studiowerk was qua productie wél dik in orde, dat wil ik binnenkort eens langslopen.
Op Birth Pangs staan twee nieuwe nummers: A Walk with God is akoestisch én instrumentaal, zonder bas of drums. Extra lekker voor de variatie in zo'n stevige set, herinnerend aan het intro van Crazy on You van Heart. Whitewashed Love bevat een verrassend punkachtige riff: lekker!

Dit album verdient een nieuwe mix. De studio ingaan en met name drums en gitaar prominenter produceren. Zoals bij Accept. Dat verdient dit voortreffelijke concert absoluut.

Van Mike Drive/Lee is nieuw werk in aantocht met de groep Human Code, zie hier.

Barren Cross - Hotter Than Hell! (1990)

Alternatieve titel: Live

poster
3,5
Destijds beleefde ik Hotter than Hell! Live van Barren Cross als een kleine teleurstelling. Hij verscheen onverwachts, een jaar na het sterke State of Control. Alleen jammer dat deze opnamen van de tour bij voorganger Atomic Arena waren, waardoor enkele krakers van hun laatste album node worden gemist. Opgenomen in Californië, waarmee de groep een thuiswedstrijd speelde.

Ik meen me te herinneren dat het album buiten medeweten van de groep werd gepland; had men dat wél gedaan dan waren opnamen van een recentere tournee gebruikt en wellicht had de mix ook meer aandacht gekregen; wat klinkt is vrij rauw. Ook vreemd vond ik dat een titel was gekozen die al veel eerder bij Kiss furore had gemaakt; niet slim laat staan origineel, oordeelde ik.
Dit alles door perikelen bij platenbaas Enigma, waarna dit album bij Medusa verscheen. Als mijn geheugen me niet bedriegt... In 2020 kreeg het album een heruitgave bij Roxx / Retroactive, niet op Discogs vermeld.

Wie 35 jaar later met frisse oortjes luistert, hoort robuuste U.S. metal; daarmee ontbreken dus de speedmetalinvloeden die op State of Control gingen doorschijnen.
De vier spelen op hoog niveau; de zang van Mike Lee, de gitaarsolo's van Ray Parris, het baswerk van Jim LaVerde en drumwerk van Steve Whitaker: rasmuzikanten. Extra hulp was er ook: bescheiden toetsen klinken van de hand van Christine Whitaker en dan zijn er ook een gastzanger en -gitarist.

De set bestaat uit het beste van debuut Rock for the King en de opvolger. Extra's zijn het instrumentale en akoestische gitaarlied Opus to the Third Heaven, een prachtig buitenbeentje. Later komen we een lekkere bas- (halverwege In the Eye of the Fire) én drumsolo tegen (het slot van Terrorist Child, niet te lang maar wel lekker). Aan het slot is daar een stevige versie van kinderlied (!) King Jesus dat bovendien een Blues Jam krijgt.
De groep was benaderbaar en stond voor meer dan alleen muziek. Zo waarschuwt men tegen drugs en aan het einde is er een uitnodiging om over het geloof te praten met de bandleden.

Al met al kom ik op een keurig zeventje uit, waar Barren Cross meer had verdiend als planning en budget beter waren geweest. Desalniettemin beter dan ik toen oordeelde.

Barren Cross - Rattle Your Cage (1994)

poster
4,0
In 1994 was er ineens volkomen onverwacht een nieuwe Barren Cross. De groep was na het ijzersterke State of Control en een tournee uit elkaar gevallen, wat mogelijk ook te maken had met de financiële problemen bij platenlabel Enigma. Dat wist ik niet, wel verscheen onverwacht het incomplete Hotter Than Hell! Live.

En dan vier jaar later even onverwacht een nieuw studioalbum. Bleek dat de groep bij elkaar was geweest om één of twee nummers op te nemen voor een verzamelaar, wat uitmondde in een volledig album. Twee van de heren hadden inmiddels kortgeknipte koppies, drummer Steve Whittaker werkte bij de LA Police Department.

Rattle Your Cage heeft niet de geperfectioneerde productie die de heren destijds door John en Dino Elefante kregen aangemeten. Het zelfgeproduceerde album klinkt rauwer maar nog altijd vól, in 1994 helemaal passend bij de tijdgeest.
Destijds vond ik er weinig aan, maar ik leed aan metaalmoeheid en kwam bij akoestischer muziek (Sixteen Horsepower en zelfs Johnny Cash) terecht. Vorig jaar pikte ik de cd echter uit een bak in Gorinchem en 31 jaar later is de hernieuwde kennismaking méér dan smakelijk, inclusief de productie. Volvette metal gespeeld door topmuzikanten.

Zanger Mike Lee heeft namelijk longen als orgelpijpen (passend bij white metal zoals we dat toen noemden), immens met een groot bereik waarbij hij zowel ingetogen als rauw weet te excelleren. In de eerste helft vind ik qua composities vooral de even nummers goed. Dus Here I Am met zijn machtige refrein, het gejaagde en tegelijkertijd swingende No Time to Run en de powerpop met scheurende gitaar van Somewhere Far Away. Niet geheel toevallig zijn dat de melodieuzere composities.

De tweede helft is nog sterker. Mijn uitschieters zijn het felle Feed the Fire, de powerballad Let It Go Let It Die met een - voor metal - opvallende baslijn en hetzelfde gebeurt in J.R.M. dat helaas knullig wordt weggedraaid (vast iets met tijdnood en beperkt budget), Your Will is voor een ballade te doen (ben daar niet zo van) en gelukkig een hard slot met Midnight Son met daarin een fraai middendeel.

Een beperkt budget wreekt zich in de voorzijde van de hoes (de eerste digitale knutsels waren beperkt) en de bandfoto met zijn groffe korrel op de achterzijde van het inlegboekje. Bovendien heeft mijn boekje (UK-versie) per ongeluk een lege pagina...
In 2021 verscheen het album bij Retroactive in geremasterde editie. Dit bovendien met een nieuwe hoes en niet alleen op cd maar - voor het eerst - ook op elpee. Hier op Discogs. Ziet er meteen stukken beter uit.

Volgende en tot dusver laatste album van de groep was live-cd Birth Pangs uit 2013. Mike Lee bracht zomer 2024 een album uit met Human Code, tijd dat ik daar eens voor ga zitten - en 'm toevoegen op MuMe.
Vraag ik me opeens af: nu er een handelsoorlog met de VS is uitgebroken, wat betekent dat voor importplaten? Ik vrees dat de gevolgen niet best zijn

Barren Cross - Rock for the King (1986)

poster
3,5
Debuut-lp Rock for the King van Barren Cross was niet hun debuutplaat. Hierboven noteerde Sir Spamalot al: "Alle nummers van de een jaar voordien verschenen EP Believe staan ook op dit debuutalbum, dus eigenlijk mag mijn toevoeging van die EP niet op MusicMeter, niet verder vertellen."
Hij was te streng voor zichzelf. Niet alleen omdat die eigen beheer-EP niet Europa bereikte – althans, nooit in het echt gezien – maar vooral omdat het label Star Song vervolgens de groep tekende en de zes nummers van de EP opnieuw liet opnemen met twee extra nummers. Het resultaat is dit Rock for the King.

Productie opnieuw door Dino Elefante, nu met een hoorbaar ruimer budget. Ik kende diens naam als co-schrijver van nummers op twee albums van Kansas, de platen uit '82 en '83 met diens broer John als zanger. De bandfoto op de hoes van deze Barren Cross deed terecht overeenkomsten met het geel-zwarte Stryper vermoeden, dat het jaar ervoor de eerste langspeler uitbracht. Hier is de kledingcode wit-blauw.

Het was door door de New wave of British heavy metal dat ik in 1980 de heavy metal was ingezogen en deze US-metal ligt in het verlengde daarvan. Sterker nog, de stem van Mike Lee lijkt op die van Bruce Dickinson.
Ze waren één van de jonge vlaggendragers van wat inmiddels white metal werd genoemd. Mijn eerste indruk was dat dit "de christelijke Iron Maiden" betrof, al is dat te kort door de bocht. Lee zingt weliswaar krachtig en gepassioneerd als zijn Britse collega, het is (enige) gitarist Ray Parris wiens vloeiende stijl afwijkt van de Britse genregenoten. Met als bonussen dat hij enorm snelle solosprintjes op de gitaarhals legt én weet hoe een vétte riff te schrijven.

De teksten kunnen hier - anders dan nadien - te simpel zijn, tegelijkertijd zitten melodieën en composities goed in elkaar. Dat mede omdat er een goed ingespeelde groep staat met het melodieuze spel van bassist Jim LaVerde en de vet in de mix gezette drummer Steve Whitaker. He Loves You bijvoorbeeld met de solo's en tempoversnelling halverwege.

Mijn drie favorieten van toen zijn dezelfde gebleven: opener Dying Day (nog altijd als ik een UPS-busje zie rijden, zing ik als vanzelf de regel "UPS on trahaaaaaain"), het nog iets snellere Just a Touch en het akoestische, op twaalfsnarige gitaar gespeelde Light the Flame. Die laatste één van de uitzonderingen op de regel dat ik niet van rockballades houd. Parris' spel doet hier aan het akoestische werk van Black Sabbaths Tony Iommi denken, zoals op album Sabbath Bloody Sabbath: zeer fraai!

Het album is te vinden op YouTube. Aardig debuut van een band die hierna de puntjes op de i zette.

Barren Cross - State of Control (1989)

poster
4,5
Op State of Control uit 1989 groeide Barren Cross verder ten opzichte van de toch al prima voorganger Atomic Arena van het jaar ervoor. Hij draait hier vanaf het oorspronkelijke vinyl.

Op hun tweede plaat voor Enigma klinkt zoals hierboven terecht benoemd stevige U.S. metal - met powermetal, zoals vielip het omschrijft, denk ik aan al die melodieuze speedmetalbands van nu, die met shredders en veel voorspelbare eenheidsworst.
Hier echter klinkt rammende metal in de voetsporen van Brits staal, denk Saxon, Judas Priest, Raven en Iron Maiden. Dat zanger Mike Lee inderdaad aan Bruce Dickinson herinnert, is een feit. Lee is een onbekend gebleven fenomeen. Bij vaker luisteren hoor je in diens machtige stembanden echter ook verschilletjes.
Voeg daaraan toe de vaak prachtige gitaarsolo's van Ray Parris, die erin slaagt om vrij onconventionele snarenracerij neer te zetten zoals ik dat toen beleefde, al kan ik niet goed uitleggen waarom. Soms onverwachts versnellen met razendsnelle loopjes; zoiets.

State of Control kent twee absolute hoogtepunten; beiden sluiten een plaatkant af. The Stage of Intensity begint akoestisch en wordt dan fel en uptempo; een opbouw om te zoenen en een originele tekst over de macht/invloed van het podium, mét de boodschap: doe wat goeds daarmee.
Dat andere kroonjuweel is Two Thousand Years, waar de christelijke groep hun beweegredenen uiteenzet. Pompend, beukend en swingend met soms snelle loopjes van bassist Jim LaVerde en dat alles stuwend opgejaagd door drummer Steve Whitaker.

De overige nummers halen weliswaar niet dat niveau, maar de 9 die ik geef staat er niet voor niets. Startend met het midtempo titelnummer zit je er meteen in dankzij de gitaarmuren en zang, dan het snelle Out of Time, ballade Cryin' over You die goed te doen is (destijds op MTV) en het snelle Face in the Dark.
Kant 2 start met Hard Lies dat mede door de volle productie van John en Dino Elefante een ijzersterk refrein bevat, gevolgd door het felle Inner War met lekkere basdrumgroove. Dan de aardige nummers Love at Full Volume (een midtempo lúíd liefdeslied) en het van een vreemde maatsoort plus de nodige tempowisselingen voorziene Bigotry Man. Die laatste groeit bij vaker luisteren en is tevens bijzonder effectief als opmaat naar de briljante finale Two Thousand Years. Ook qua opbouw is State of Control ijzersterk.

In 2003 verscheen een cd met als bonusnummer de ballade Escape in the Night en in 2020 op cd én vinyl een editie met nóg een bonusnummer genaamd Your Love Gives. Die nummers zijn prima (een dikke 7), maar ik snap dat ze het album niet haalden: de overige nummers zijn simpelweg net zo goed of vooral béter.
State of Control staat niet op mijn streamingplatform, wel op YouTube.

Barry Goudreau - Barry Goudreau (1980)

poster
3,5
Al in 1969 speelde gitarist Barry Goudreau samen met Tom Scholz, in 1970 kwam zanger Brad Delp erbij. Ze vormden de groep Boston, dat in 1976 en 1978 miljoenen verkopende albums en singles uitbracht, gekenmerkt door een uniek hardrockgeluid met symfonische kantjes.
Omdat bandleider Scholz een wurgcontract met platenmaatschappij Epic had, besloot deze de groep op pauze te zetten. In 1979 kregen de bandleden te horen dat ze voorlopig vrij waren huns weegs te gaan, omdat hij langdurige onderhandelingen voorzag. Pas eind 1986 verscheen inderdaad de derde Boston, bovendien bij een andere maatschappij.

Goudreau vroeg twee Bostonmaatjes voor zijn titelloze solodebuut, waarmee hij de sound kon voortzetten: zanger Brad Delp en drummer Sib Hashian, de drie zouden eerst Sammy Hagar assisteren op diens single (Sittin' on) The Dock of the Bay. Nieuw was tweede zanger Fran Cosmo, die jaren later bij nota bene Boston zou opduiken. Het door hemzelf geproduceerde resultaat verscheen in augustus 1980.
De composities hadden meestal op een Boston gepast; anderzijds is het aardser, zonder de wijdse Rockmansound en science-fictiongeluiden van Scholz. Precies wat de sobere portrethoes al suggereert. Opvallend is dat de plaat bij "oude platenbaas" Epic verscheen; wellicht heeft Scholz de wenkbrauwen gefronst toen hij dit vernam, misschien was ook Goudreau contractueel aan hen gebonden.

Ik tel vier favorieten: Nothin’ To Lose met fraai gitaarspel, sterke melodieën en zang, het stevige Life is What we Make it, ballade-met-strijkers Sailin’ Away en het midtempo Cold Cold World, dat met zijn koortjes en gitaarlijnen onmiddellijk herkenbaar is.
Soms lijken liedjes gemakshalve uit Goudreaus voorraadkast te zijn geplukt: bluesrock in What’s a Fella to Do met zowaar een mondharmonica aan het einde en Mean Woman Blues; in Leavin’ Tonight klinkt glamrockgroep The Sweet door. Dreams was een radiohitje in de Verenigde Staten en heeft de stijl van Boston minus de opwinding daarvan.

Een leuk tussenstation van Bostons Don’t Look Back naar Third Stage. Barry Goudreau is op streaming te vinden. Als uitsmijter aandacht voor de button die Delp op de achterzijde van de hoes draagt: droogkloterige humor die me deed grinniken.

Barry Goudreau's Engine Room - Full Steam Ahead (2017)

poster
4,0
Debuutplaat van Barry Goudreau's Engine Room uit april 2017, waarvan de naamgever furore maakte als gitarist bij Boston en in de jaren '90 vervolgens met RTZ de Amerikaanse hit- en albumlijsten haalde.

Full Steam Ahead is geen poging om de hardrock / aor van die groepen te herhalen. Wel is dit album stevig, maar deze keer met de muziek duidelijk geworteld in de blues. Het begint verrassend stevig met pompende hardrock á la Deep Purple middels Need, inclusief een heerlijke groove van drummer Tony Depietro. Daarna bluesscheuten in de shuffle van Layin' It Down (In Beantown), ballade Time en het stevige Treat You Right. In het stevige Dirty, een nummer in de stijl van het Deep Purple van de jaren na 2000, klinkt een dameskoortje.

Het orgel in dat nummer wordt bespeeld door toetsenist Brian Maes. Deze werkt dan dankzij de drie albums met RTZ en de projecten Delp and Goudreau en Ernie and the Automatics al jaren samen met Goudreau en is na het overlijden van Brad Delp inmiddels leadzanger. Dat doet hij met verve: zijn hees-rauwe stem past hier helemaal bij. Ook bassist Tim Archibald is weer van de partij, hij was in dezelfde groepen minus Delp-Goudreau actief.

Op de steviger nummers kan de muziek ook iets weghebben van southern rock, zoals Keep the Faith en Don't Stop Please aantonen. Niet vreemd, blues vormt in dat genre immers een belangrijk ingrediënt.
Verrassend is daarom Reason to Rhyme waarin plotseling aor klinkt, compleet met koortjes en fraai akoestisch gitaarspel; met de opener en Don't Stop Please mijn favoriet van dit album. Via de akoestische blues en mondharmonica van All Mine eindigt het album ingetogener maar intens.

Wie een reprise van Boston verwacht, komt verkeerd uit. Voor in blues gemarineerde rock en southern rock zit je echter op Full Steam Ahead helemaal goed, mede dankzij het vele slidegitaarwerk. Vier jaar later verscheen hun tweede en tot dusver laatste album: op naar The Road.

Barry Goudreau's Engine Room - The Road (2021)

poster
4,0
In maart 2021 verschenen tweede album van Barry's Goudreau's Engine Room. Op hun vorige album klonk vooral in blues gedrenkte rock, met de eerste drie nummers van The Road gaat de voormalige gitarist van Boston en RTZ toch weer het pad van de melodieuze hardrock en adult oriented rock op. Zanger en toetsenist Brian Maes blijkt dat met zijn hese stem prima aan te kunnen en het midtempo Love Will Lead the Way, het vlotte Las Vegas en slepende Word to the Wise vormen een sterke drieslag.

Dan wordt de blues dominant. Old No. 7 bevat plotseling bluesrock en zelfs gospel, mede namens het vrouwenkoortje, enigszins in de stijl van de eerste soloalbums van David Coverdale en Whitesnake.
Shade is krachtige semiballade met opnieuw een sterke melodie, waarna het live opgenomen The Rhythm Won't Stop een robuust en langzaam bluesrockduet blijkt tussen Maes en één van de drie dames (MaryBeth Maes, Terri O'Soro of Joanie Cicatelli) in de groep. Zelfs klinkt een aangenaam lome bassolo van Tim Archibald.

De tweede helft begint met de mondharmonica van Edge of a Knife, een akoestische bluesstamper met de zangeressen in de hoofdrol. The Camel's Back is een trage maar robuuste rocker met een Spaans gesproken intro voor wederom één van de dames.
Na drie nummers rust zingt Maes het kalm-swingende What They Say, het titelnummer The Road begint langzaam en wordt halverwege uptempo. In de gitaarsolo's die vrijwel gelijktijdig volgen herken je vleugjes Boston dankzij de heerlijke zangerige lijnen in een wolkje echo; Goudreau duelleert hier fraai met zichzelf. Come a Time is een prachtige semiballade, krachtig uitgevoerd door een getalenteerde groep muzikanten.

En dan de slottrack: die begint met dansend Hammondspel en dito toms, op z'n Deep Purples of het Boston van weleer. Love (Reprise) groeit uit tot een heel sterk nummer dat bijna zeven minuten duurt; een krachtige finale van dit album.

In datzelfde 2021 werd Barry Goudreau 70 jaar; ik hoop oprecht dat hij de gezondheid houdt en inspiratie vindt om met deze groep nog een derde album te maken. Op YouTube zag ik hoe de groep Bostons Foreplay/Longtime speelt. Lekkerrr...

Bauhaus - In the Flat Field (1980)

poster
3,5
Verhuizing achter de rug en bijna hetzelfde geldt voor de zomer. Tijd om mijn reis door new wave te vervolgen. Ik was gebleven in november 1980 bij livealbum Toyah! Toyah! Toyah! van driemaalradenwie en kom in diezelfde maand bij pur sang gothic: Bauhaus uit het Engelse Northampton en In the Flat Field.

Dat album begon oorspronkelijk met track 2 Double Dare en dan gebeurt er iets eigenaardigs in mijn hoofd. Enerzijds moet ik aan een (nog) ruigere versie van Joy Division denken, veroorzaakt door de schreeuwende vocalen van ofwel Daniel Ash, ofwel Peter Murphy. De band kende twee leadzangers, vandaar. Er is vast een MuMe-kenner die dit precies weet.
Wat is er dan eigenaardig? Wel, toen ik dit album de voorbije dagen afspeelde, wisselde ik 'm onder meer af met Billion Dollar Babies (1973) van de groep Alice Cooper, waarvan de zanger eenzelfde soort theatraliteit in zijn vocalen legt. Een ander rockgenre in een andere tijd en tóch.
De muziek van Bauhaus kenmerkt zich door donkerte, zoals de hoes al suggereert - een hoes die op Discogs wordt gecensureerd. Tja, een blote pielemuis...

Waar het album heftig en pakkend begint, is het daarna eventjes wat minder: A God in an Alcove heeft het niet, waarna de rock 'n' roll riff van Dive me nog minder doet. Het ingetogener The Spy in the Cab mag er dan echter weer zijn, wat op kant 2 geldt voor St. Vitus Dance en de diepe zang in Stigmata Martyr (die laatste twee titels, je zou bijna denken met metal van doen te hebben). Nerves sluit met z'n dikke 7 minuten qua muziek bijna frivool af, zij het dat de zang de boel opnieuw naar donkerder oorden brengt.
In 1988 verscheen een cd-editie met als nieuwe opener Dark Entries. Deze keer toont Discogs wél de man-in-saunakledij. En eigenlijk is die destijds geflopte non-albumsingle (verschenen in januari 1980) als opener nog pakkender.

Een groep en album met een legendarische status, zeker in de context van 1980. Zovele jaren later bereikt het niet dat effect bij mij, tegelijkertijd is het sterk in vleermuizensferen die steeds meer de kop opstaken in waveland.

Mijn afspeellijst met new wave vervolgt met Pedestrian van de vier dagen later verschenen synthpopplaat Fireside Favourites van Fad Gadget. Omdat ik die al besprak, net als Laughter van Ian Dury & The Blockheads en Absolutely van Madness, kom ik bij Grotesque (After the Gramme) van The Fall.

BBM - Around the Next Dream (1994)

poster
4,0
Begin jaren '80 verdiepte ik me in de historie van de (hard)rock en ontdekte zo musici als Hendrix, Mayall, Clapton, Beck en Page en groepen als Cream en Yardbirds.
Een dikke tien jaar later vielen al vóór de release van Around the Next Dream fans over elkaar heen, herinner ik me. Die van Clapton riepen schande en anderen vonden deze onverwachte bijna-reprise van Cream minimaal aardig. Die discussie, met soms sneren vanuit het kamp dat wegloopt met de originele Cream en dat meestal vindt dat Gary Moore "geen echte bluesgitarist" is, zal blijven zolang mensen interesse hebben in / aversie hebben tegen Around the Next Dream.
In de biografie 'Gary Moore: The official biography' (2022) van Harry Shapiro lees ik evenwel dat het níet zo is dat Jack Bruce en Ginger Baker Cream wilden oprakelen en daarvoor Gary Moore vroegen, een beeld dat ik (en menig ander?) had. Hoe dan wel?

Ten tijde van Creams debuut Fresh Cream in december 1966 was Moore veertien jaar en acht maanden jong (hier de Belfast Telegraph over de 13-jarige Moore). De scholier was druk met alweer zijn derde band, omvergeblazen door de elpee Blues Breakers (juli 1966) van John Mayall.
Met bluesgroep Platform Three trad hij minimaal eens per week op. De piepjonge Moore ontmoette zo Rory Gallagher van Taste, een volgende bron van inspiratie. Toekomstig gitarist van Thin Lizzy Eric Bell, die net als Moore in Belfast woont, mag evenmin als invloed worden vergeten. Als Claptonfan wordt Cream uiteraard één van Moores favoriete groepen.

In 1979 ontstaat tijdens de opnamen van Cozy Powells Over the Top Moores vriendschap met Bruce. Drie jaar later zingt de bassist End of the World op Moores Corridors of Power.
Januari 1993 staat Cream voor het eerst sinds 1968 op één podium voor hun toetreding tot de Rock 'n' Roll Hall of Fame. Dat bracht de nodige reuring maar Clapton verkoos zijn solocarrière.

Terwijl Moore in augustus 1993 bezig is met de voorbereidingen van een derde bluesplaat, belt Bruce hem met woorden als: "Mijn gitarist Blues Saraceno is overgestapt naar Poison. Ik heb twee shows in Esslingen, Duitsland. Steve Topping vervangt hem de eerste show, kun jij de tweede?"
Dat optreden blijkt zo leuk, dat Moore hem vraagt om mee te schrijven aan nieuw materiaal voor zijn volgende plaat, waarvoor Bruce naar Moores thuisstudio in Shiplake komt.
In november '93 viert Bruce zijn vijftigste verjaardag met een tweetal concerten in Keulen. De tweede avond speelt Moore en het laat zich raden wie ook op podium verschijnt: drummer Ginger Baker. De veertienjarige knul van toen staat met twee van zijn helden op één podium en de drie spelen met veel chemie.
De gloed van de Creamreünie brandt nog na. Moores platenmaatschappij Virgin bemiddelt en als zijn management Bakers dubbele basdrums uit diens Creamdagen opduikelt uit een muziekwinkel, hapt ook dit gevoelsmens (?) toe.

Net als ik begin jaren '80 met Cream had, had ik in '94 bij BBM het meeste met de melancholie, niet met de blues. Oftewel, genieten is het bij Waiting in the Wings (alleen al het machtige intro!) met meteen de albumtitel in de tekst, het slepende Where in the World met zijn verrassende akoestische gitaar en digitale toetsentapijtje, het vlotte Glory Days met die mooie melodie en heerlijke slaggitaar in het refrein en de bluesballade Wrong Side of Town als slotstuk met daarin opnieuw akoestische gitaar. De falsetzang van Bruce bleek nog altijd prachtig en Bakers ooit vernieuwende drumpatronen komen daar het meeste tot hun recht.
De bluesnummers maken minder indruk op me. Niet door Moores spel, dat is prima. Nee, ook al heb je legendes op bas/zang en drums, blues blijft blues, ingebed in zijn format. Wordt Clapton gemist? Niet door mij, ook hem hoor ik liever andere dingen doen.

Toetsenist Tommy Eyre werd door Moore meegenomen uit zijn groep; zijn bijdragen zorgen er mede voor dat BBM eigentijds klinkt.
De inmiddels 42-jarige gitarist laat horen dat hij mede door de ontmoetingen met B.B. King, Albert King, Albert Collins en andere zwarte veteranen is omgeschoold van luide snarenracer naar een ingetogener stilist, die op de juiste momenten stiltes laat vallen (diens solo op Naked Flame, zucht, hoe mooi) en op andere juiste momenten knált, zoals in het stevige Can't Fool the Blues.
De productie van Moores vaste technicus Ian Taylor is heerlijk: hij laat de nodige ruimte tussen de instrumenten in plaats van het geluid in jaren '90-stijl dicht te smeren.

Vergelijkingen tussen de originele Cream (1966 - 1968) met BBM (1994), alsmede die tussen slowhand Clapton en voormalig quickhand Moore zijn zowel onvermijdelijk als zinloos. Appels en peren. Niet alleen andere smaken blues, bovendien drie decennia verschil. Wat eerst nieuw was (blanke blues, de snelle ontwikkeling van de elektrische gitaar(effecten), was inmiddels gestolde historie.
Baker-Bruce-Moore is geen Cream en beoogde dat ook nooit. Moores respect voor het originele Cream druipt desondanks van dit album af.
Wie dat niks vindt, kan beter de gehele ceremonie en het bijbehorende optreden van de Hall of Fame uit 1993 bekijken (met ZZ Top als sprekers!) of de audio beluisteren met repetitie en soundcheck als bonussen, en proeven of dat beter is.