MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Van Halen - 1984 (1984)

Alternatieve titel: MCMLXXXIV

poster
4,5
Op school hadden we geleerd over de roman 1984 van George Orwell, waarin een dystopische dictatuur wordt beschreven die alles van zijn inwoners weet. Ik had het fascinerende verhaal inmiddels gelezen en toen was dat magische jaar opeens daar. En dat niet alleen: Van Halen gaf er zijn eigen draai aan met 1984.

Jump! (als single met uitroepteken) was bepaald niet mijn favoriete nummer, wel eentje die frequent op Hilversum 3 klonk. In februari 1984 echter slechts #34 bij de Nationale Hitparade en #29 bij de Top 40. Kennelijk een favorietje van de radiomakers.
Het was tevens de tijd dat Veronica jong en wild was, waar de muziek en videoclips van Jump!, Panama en Hot for Teacher goed bij pasten, net als het kapsel van presentator Adam Curry, of op de radio de stem van Jeroen van Inkel. Geen boze gezichten en denim & leather bij de Californiërs, maar vrolijke koppies in kleurige kleding, zomerse hardrock brengend. De hoes van 1984 versterkte dat beeld.

Het album viel me 100% mee, eigenlijk was die ene hit het slechtste nummer van de plaat. De andere singles haalden in Nederland de hitlijsten niet, maar dat vond ik juist prima. Van Halen moest niet een merk worden dat iedereen kon waarderen. Ronkende basdrumpartijen (wat speelt Alex van Halen toch goed en veelzijdig!), sterke liedjes met fraaie koortjes van Michael Anthony en de balans tussen gitaar en toetsen is dik in orde.
De experimenteerdrang van Edward van Halen van Fair Warning, twee albums daarvoor, was verminderd; het wat tegenvallende niveau van voorganger Diver Down werd moeiteloos weggespoeld met dit album waarop alles in balans en van kwaliteit is.
Wel heb ik de indruk dat Eddie qua gitaarvernieuwing zijn grenzen had bereikt, wat niet wegneemt dan zijn spel nog net zo smeuïg en joviaal is als voorheen. Het is alweer de derde plaat dat hij ook met toetsen en synthesizers speelt en nooit tevoren waren ze zo geïntegreerd in de gitaarnummers.

Zovele jaren later vind ik dat het vrij ingetogen en romantische I'll Wait nog beter smaakt dan toen, met het knallende Top Jimmy als tweede juweeltje. De singles die in Nederland geen hit werden, mogen er overigens ook zijn. Zwakke nummers ontbreken, of het moet Jump zijn. David Lee Roths stem is geknipt voor de muziek van de groep, ook van hem is het een plaat lang genieten. Een mooie stem, zowel hees als krachtig.

Met Women and Children First is 1984 voor mij het meest evenwichtigste album van Van Halen tot dan toe en misschien wel in hun hele discografie. Jawel, ik vind die twee beter dan het debuut: daar werd weliswaar geschiedenis geschreven, maar niet alle nummers halen dat niveau.
Op naar de jaren Van Hagar, waarvan ik vooral de eerste erg goed vond. Eens horen of dat nog zo is.

Van Halen - 5150 (1986)

poster
4,5
Op 1 maart beschreef ik VOA van Sammy Hagar, een album dat indruk maakte. Hiermee was de populariteit van de Amerikaanse veteraan verder gegroeid, met op zijn cv inmiddels twee platen met Montrose en acht onder eigen naam.
Verrassend was dan ook in 1985 het nieuws dat uitgerekend hij zich verbond aan het grote Van Halen, de groep die iets korter bezig was maar meteen met hun eerste album tot de absolute top was doorgestoten. En toen was het wachten op het resultaat.

Ik weet nog precies waar ik was: een stripboekenwinkel in de Grote Stad. Maart 1986 moet dat zijn geweest. De radio klonk op bescheiden volume. Eerst synthesizerklanken, dan een scheurende gitaar met het herkenbare geluid van Eddie Van Halen, gevolgd door het herkenbare drumgeluid van broer Alex. En dan valt de stem in: verrast pauzeerde ik van het doorzoeken van stripboekcovers en luisterde aandachtig: dat was zeker weten Sammy Hagar! Dan was dit dus het nieuwe Van Halen, waarvan ik had gehoopt dat het beste van de twee zou worden verenigd!

5150 bleek een topper, al leende ik die uit de fonotheek en kocht ik 'm pas jaren later. Pas tien maanden later ontwaakte Nederland: Veronica's Alarmschijf in januari 1987, in februari piekend op #16 in de Top 40 en op #15 in de Nationale Hitparade.
Geproduceerd door Donn Landee, de voormalige rechterhand van producer Ted Templeman van de vorige VH's en Hagar. Dit samen met Mick Jones van Foreigner. Een iets ander geluid (de gitaar nu door beide kanalen) en serieuzere teksten, de jolige maar puberachtige teksten van voorheen achterlatend.

Gebleven was het enthousiasme, zoals de gitaarloopjes tijdens de coupletten van Good Enough. Verborgen details als de 6/4-maat in de brug van deze opener.
Dreams vond en vind ik het beste wat zowel VH als Hagar ooit hebben gedaan met een fenomenale melodie, tekst, opbouw en drive.
Op de B-kant doet Love Walks in iets soortgelijks en titellied 5150 is een rockend Van Halen op z'n best, waarbij de prachtige stem van Sammy Hagar zich alweer van zijn beste kunnen laat horen.
Fijn ook dat de groep nu twee gitaristen telde, waarmee Eddie zich live makkelijker op de delen met toetsen kon concentreren, zo bedacht ik op mijn tienerkamer.

Niet alle composities zijn even briljant, maar het spel heeft nog altijd de spontaniteit en pretoogjes uit de jaren daarvoor, al loopt dat op afsluiter Inside een beetje uit de hand. Van Wikipedia leer ik dat Hagar de derde is die als opvolger van David Lee Roth werd gevraagd. Dat het een automonteur was die de twee aan elkaar koppelde, doet me grijnzen en ik weet nu ook wie de man op de hoes is.

Met de productie zowel stevig als transparant, een vet drumgeluid, prachtige koortjes van bassist Michael Anthony en gitaar en toetsen in sterke balans, word ik niet bij alle nummers omvergeblazen, maar een 9 als schoolcijfer is alleszins redelijk.

Van Halen - A Different Kind of Truth (2012)

poster
4,5
A Different Kind of Truth is inmiddels terug op mijn streamingdienst (zie berichten van november '23). Neemt niet weg dat dit album wel degelijk de aanschaf waard is. En dat schrijf ik niet uit nostalgie omdat Eddie ons is ontvallen.
Voordat ik tot een eerlijke beoordeling kon komen, moest ik wel alle moddergooien tussen (ex-)leden los laten, waarbij Michael Anthony een groot compliment verdient door daar niet aan mee te doen.

De populariteit van Van Halen met zanger David Lee Roth in de gelederen groeide in de VS per album: VH #19 (1978), VHII #6, Women and Children First #6, Fair Warning #5, Diver Down #3 en 1984 #2.
Dan de jaren "Van Hagar", waarna Roths onverwachte terugkeer wordt gerealiseerd plus een Amerikaanse, succesvolle 2007-2008 Tour met zoon Wolfgang Van Halen als nieuwe bassist.

Vervolgens is na 4 jaar A Different Kind of Truth daar. Mijn scepsis werd gedurende de 50 minuten (verreweg de langste VH met Roth ooit) volledig weggespoeld.
De nummers knallen van energie en geïnspireerde riffs, het herkenbare en soms furieuze drumspel van Alex Van Halen is glorieus, net als het flitsende sologitaarspel van broer Eddie en hier en daar een kenmerkend melodieus koortje. Weg van de melancholie in D-mineur die tijdens Van Hagar te vaak tot langdradige nummers leidde, maar (orenschijnlijk) spontaniteit in nummers met kop én staart.

De productie is vét, mede dankzij co-producer John Shanks, die tot dan toe lichtere stijlen deed (Melissa Etheridge, Stevie Nicks, Hillary Duff, Sheryl Crow en Take That als voorbeelden uit een lange, lange lijst).
Aan twee zaken moest ik wennen. In beide gevallen geldt dat de tijd had doorgetikt. Op de stem van Roth zit slijtage en het gitaargeluid klinkt alsof het signaal direct het mengpaneel in ging. Ik mis de live-in-the-studio-sound uit de periode 1978-1984 met producer Ted Templeman.

De comeback van Roth bij de groep werd in de VS eveneens #2, in Nederland #12, in Vlaanderen sliep men en werd het #51. Hitsingles ontbraken. Nu eens kijken wat die bio van Alex wordt. In oktober te verschijnen, dank iggy voor de tip!

Van Halen - Balance (1995)

poster
3,5
Volgend jaar wordt Balance alweer dertig! Tijdens het beluisteren las ik dit interview met Eddie van Halen in Guitar World, gepubliceerd bij de albumuitgave van in januari ‘95.
Hij vertelt over zijn nieuwe kapsel en dat hij niet meer op straat werd herkend, hoe alcohol altijd hielp om zijn zelfkritiek weg te duwen en hoe hij nu zonder te drinken werkt (ten tijde van het interview stond hij één maand droog), zijn driejarige zoon Wolfgang en uiteraard over de totstandkoming van het album, waarbij producer Bruce Fairbairn voor een gedisciplineerde aanpak zorgde. De muziek is melancholisch, beaamt hij: alles staat in D-mineur.

Een openhartige Eddie, maar met deze Van Halen heb ik minder, ondanks dat er voor de gitaarliefhebbers weer veel is te genieten... De zanglijnen pakken me vaak niet, ook niet in de ballades, een genre dat me op de vorige met Sammy Hagar wel raakte. Hier is het me klef.
Maar na zo'n leuk interview houd ik het bij wat me wél bevalt. Eerst het knappe gitaarwerk in de mindere nummers: Don't Tell Me bevat naast een religieus geïnspireerde tekst over onafhankelijkheid heerlijke gitaargeluiden en fraaie basdetails van Michael Anthony; in Amsterdam véél riffdingetjes en een aparte solo; de akkoordenreeks in Not Enough lijkt op die in slotlied Feelin' en heeft een heerlijke solo. Bonusnummer Crossing Over is een aparte, maar moet ik niet te vaak horen. Sowieso valt op dat er op Balance de nodige uiteenlopende gitaargeluiden klinken, per nummer anders.

Mijn favoriete nummers zijn echter andere: opener The Seventh Seal heeft een paar draaibeurten nodig, bevat een rel lekker swingende riff en een uitwaaierend gitaargeluid, als de hardrockversie van U2 of Echo & The Bunnymen.
Big Fat Money is een rechttoe rocker, een beetje in de stijl van Sammy Hagar toen hij nog bij Capitol zat. Met honkietonkpiano en de gitaarsolo heeft een jazzgeluid!
Bij het intro van Aftershock moet ik altijd aan Enter Sandman van Metallica denken, waarna zich een lekker uptempo, swingend nummer ontvouwt. Vierde favoriet is Feelin' met bovendien een lekkere versnelling halverwege. Dan heb ik in totaal zo'n 21 minuten, op een totaal van 53 te weinig.

Hierna ging het rommelen binnen de groep, maar het was nog niet helemaal klaar met "Van Hagar". Op naar Twister.

Van Halen - Best Of, Volume 1 (1996)

poster
4,0
Waze is een handige app inderdaad, maar met dit lijstje hoogtepunten van Van Halen vrees ik dat zelfs die mij niet van snelheidsboetes kan bewaren. Daarom vanochtend thuis en al wandelend met koptelefoon opgezet. Ooit heb ik Best of Volume I uit de kringloop gevist, vandaag via streaming beluisterd.
Nadeel van compilaties is niet per se dat de nummers al bekend zijn. Nee, mijn "probleem" is dat ik de neiging heb ze daarom over te slaan, terwijl er vaak één of meer nieuwe tracks op staan. Bij dit album uit oktober 1996 was dat het geval met de laatste drie. Hiervan stond Humans Being weliswaar al op de vijf maanden eerder verschenen soundtrack van Twister, maar die kende ik niet.

Van wat ik me herinner was er bovendien vooral reuring rond de twee nummers met de teruggekeerde David Lee Roth. 'Sammy Hagar exit?' dacht ik indertijd verbaasd. Hoe het precies zat, valt in dit artikel in de Los Angeles Times uit juni 1996 te lezen.
Kort gezegd: Eddie Van Halen botste met Sammy Hagar en verweet hem sologedrag, waarop zonder zelfs maar Hagar te informeren twee nieuwe nummers werden opgenomen met Roth. Die had kort daarvoor contact opgenomen met Eddie nadat hij had vernomen dat er plannen waren voor een compilatiealbum en zich geëxcuseerd voor gedane uitspraken in de media. De gitarist liet er na de ruzie dus geen gras over groeien en Hagar ontplofte toen hij het hoorde. Einde Van Hagar.

Wie hoopte dat die twee nieuwe tracks met Roth zouden klinken zoals de eerste albums van Van Halen, kwam bedrogen uit. Dat gold in ieder geval voor mij. Wat ik hoor is het bedachtzamere spel van Eddie, zoals zich dat in de jaren ervoor had ontwikkeld. Geen uitgelaten pretrock dus, maar wél passend bij Roth. Hij zingt zowel Can't Get This Stuff No More als Me Wise Magic met volle overtuiging, al ontbreekt het gevoel van een Hot for Teacher (niet op deze compilatie) of Panama (wel).
Wat ook ontbreekt is een track van Diver Down, waarvan Hang 'em High of Cathedral niet hadden misstaan. Maar goed, ook dat is altijd een kenmerk van compilaties, dat je zelf een andere tracklist had gemaakt.

In september '96 is het oorspronkelijke Van Halen te zien in de 1996 MTV Video Awards waar ze Beck een prijs uitreikten, zie hier. Achter het podium was echter alweer ruzie, zoals de gebroeders Van Halen later vertelden. In diezelfde periode werd Mitch Malloy als nieuwe zanger uitgeprobeerd, waarvan je online onder andere de demo It's the Right Time kunt vinden.

Net als de vorige Van Halen, Balance, haalde dit album #1 in de Verenigde Staten, al was daar voor de verandering géén hitsingle. In Nederland in december #12. Mitch Malloy is dan ook alweer verdwenen, het korte tijdperk met Gary Cherone breekt aan.

Van Halen - Diver Down (1982)

poster
4,0
Mijn eerste kennismaking met Diver Down was bij tv-zender Sky Channel, dat als eerste zender in Nederland continu videoclips uitzond. In de programmering kwam de videoclip van (Oh) Pretty Woman regelmatig langs. Vooral het intro vond ik erg goed: later bleek dit Intruder te zijn, dat met zijn zware synthesizer- en drumsound zomaar op voorganger Fair Warning had kunnen staan.
Bij de verschijning werd het album door velen als bijna Van Halen-onwaardig beschreven. Zie hier (even scrollen) bijvoorbeeld de kern van de recensie in Oor van Roberto Palombit.

Mijn beeld was hierdoor beïnvloed, maar toen ik (jaren later) Diver Down in z’n geheel hoorde, viel dat alleszins mee. De A-kant opent aardig met Where Have all the Good Times Gone. Oorspronkelijk van The Kinks, hier met sluw slepende en toch uptempo riff, het origineel overtreffend. Hang ‘em High is een snel juweeltje en magistraal is ook Cathedral, waar Eddie Van Halen verrassend ingetogen maar razendknap op zijn gitaar excelleert.
Bij het intro van Secrets dacht ik 10:15 Saturday Night van het debuut (1979) van The Cure te horen, waarna een ontspannen shuffle volgt; de zon schijnt vanuit je speakers. Hierna de single met dat ijzersterke voorafje Intruder, dat beukt als een heimachine. (Oh) Pretty Woman is me dan te braafjes.

De B-kant opent met die andere single Dancing in the Street, dat niet bij de band past. Tegelijkertijd ben ik onder de indruk van de muzikaliteit die ze hier tentoonspreiden, nu ze zo ver buiten hun comfort zone opereren. Gewoon goed in elkaar gezet. Neemt niet weg dat ik dit sowieso geen goed liedje vind, er is niet één versie die ik ervan kan waarderen…
Maar het in twee delen opgesplitste Spanish Guitars is dan weer zó ontroerend mooi en melodieus; ik heb het gisteren de halve dag lopen neuriën, wát een sterk liefdesliedje met z'n springerige gitaarlick; in dezelfde stijl als Angus Young het jaar ervoor op album For Those About to Rock liet horen.

Big Bad Bill is heerlijk jazzy, maar daar zal niet iedere hardrockfan voor open kunnen staan. Extra gedurfd van de band om dit te doen. Ook dit nummer zit goed in elkaar en de tekst verhaalt een herkenbaar fenomeen, waarbij pa Jan van Halen hoorbaar een goede klarinettist was. Leuk toch dat de jongens een nummer uit 1924 een nieuw jasje geven en hun vader in de volgspot zetten?
The Full Bug rockt dan lekker en daar is bovendien een mondharmonicasolo, alweer een nieuwe kleur in het schilderpalet van Van Halen. Dat geldt al helemaal voor uitsmijter Happy Trails met z’n a capella aanpak, oorspronkelijk de tune van een radioprogramma.

Voor mij vijf sterke nummers op de A-kant en op de tweede helft nog eens vijf. Beperk ik mij tot pure hardrock en gitaarmuziek, dan resteren er in totaal acht sterke nummers, waarvan drie instrumentaal. Met bovendien véél heerlijke gitaardetails vol speelplezier, gecombineerd met zomerse koortjes en sterke arrangementen. Niet altijd hard, maar wel muzikaal. Dit alles lekker vet geproduceerd door Ted Templeman: mij hoor je niet mopperen.

Van Halen - Fair Warning (1981)

poster
3,5
De tweede plaat van Van Halen die ik in zijn geheel zou horen was Fair Warning. De plaat leende ik in de zomer van 1981 uit de fonotheek in het dorp. Met onder mijn arm de kleurige en tegelijk gewelddadige hoes (daar zit een interessant verhaal achter over een psychiatrische kunstenaar, zie de Engelstalige Wikipedia én de bandsite) moet ik verwachtingsvol naar huis zijn gefietst.

Op Music Meter en elders lees ik sterk uiteenlopende meningen. Sommigen vinden dit een zwakkere plaat, anderen dwepen er juist mee. Degenen die de plaat wél waarderen, verschillen dan weer van mening over wat de beste songs zijn.
Uiteraard verwijzen velen naar het debuut van de band, maar daarvan kende ik toen alleen de singles die op radio klonken. Mijn vergelijkingspunt was voorganger Women and Children First, de eerste plaat van de band die op mijn platenspeler belandde.
Het eerste wat ik me herinner van die warme zomerdag in 1981 was dat ik verbaasd opkeek, toen de plaat was afgelopen: hij duurde maar een half uur! Dat ik dat veel te kort vond (de meeste elpees klokten zo’n tien minuten meer) toont aan dat die eerste draaibeurt mij goed beviel.
De favorieten van de puber van toen stonden allemaal op de B-kant: Unchained (heerlijke riff, met die hakkende slaggitaar), So This is Love? en de dubbelslag met buitenbeentje Sunday Afternoon in the Park en het snelle One Foot out the Door.
Ik had toen al gelezen dat Eddie van Halen inmiddels met een synthesizer aan de slag was. Nu was ik niet vies van synthesizerpop (Gary Numan, Human League, O.M.D.), maar wat ik hier hoorde sloeg echt álles: hoe heavy kan een synthesizer klinken! Mijn bescheiden platenspelertje zette ik zo hard als het kleine ding toeliet, waarna de diep-ronkende klanken van Sunday Afternoon het raam deden trillen. Producer Ted Templeman maakte in dit nummer bovendien de drumsound extra zwaar, waarna de naadloze overgang naar het snelle One Foot volgde, met daarin die sterke zang en heerlijke gitaarsolo. Hier werd ik vrolijk van!

Een dikke veertig jaar later heb ik de plaat via streaming terug in huis. Dan mis ik de hoes, alleen daarom al moet ik ‘m toch eens op vinyl aanschaffen. Wat me nu opvalt is dat her en der prachtig gitaarwerk klinkt (de eerste 33 seconden van de plaat alleen al!), Alex van Halen heerlijk drumt, de koortjes van Michael Anthony zóveel toevoegen aan de songs en dat David Lee Roth in topvorm is. Overal spat het spelplezier ervan af. Van de A-kant valt me nu ook Hear About it Later op als een sterke song.

Het zonnige Van Halen met de grote glimlachen en bontgekleurde kleding is qua composities net als op de voorganger wat ernstiger, somberder dan voorheen.
Op Wikipedia ontdek ik dat de plaat in maart - april werd opgenomen om al 29 april te verschijnen. Dan snap ik beter waarom Fair Warning relatief kort is, zeker als je beseft dat dit al hun vierde plaat in vier jaar was. Geen kleine prestatie onder die hoge tijdsdruk.
Toch had ik graag nog één á twee snelle songs gehoord, op de A-kant is alleen Sinner’s Swing! uptempo. De voorganger was in dat opzicht steviger en qua composities meer geïnspireerd. Desondanks betalen de creativiteit en de drang van Eddie om zich blijven te vernieuwen zich uit, zeker met de eveneens topmuzikanten en topproducer om zich heen.
Gewoon een lekker plaatje dat me nog altijd in zomerstemming brengt en het tijdens de lange dagen extra goed doet.

Van Halen - For Unlawful Carnal Knowledge (1991)

Alternatieve titel: FUCK

poster
3,0
Net als David Lee Roth in januari dat jaar deed, kwam Van Halen in juni 1991 met een album met méér gitaar en minder toetsen. Grunge moest nog doorbreken (vier maanden na dit For Unlawful Carnal Knowledge), dat was de reden dus niet.
Met 52 minuten is het de langste Van Halen tot dan. Voor mij is de groep op z'n sterkst als hun langspelers onder de 35 minuten blijven. Dan mag Ted Templeman zijn teruggekeerd als producer, met het dikke jaar dat de groep voor de opnamen uittrok, mis ik de spontaniteit van voorheen.

Goede ideeën zijn er zeker, zoals Poundcake in zijn robuustheid, Spanked met zijn grimlachtekst. En toch. Nummers van minimaal vijf minuten? Bij Van Halen leidt het tot onnodig rekken; de herhalingen halen de vaart eruit, zeker als de melodieën te vaak niet memorabel zijn.
Waar Eddie Van Halen voorheen volop experimenteerde met eerst gitaar en vanaf 1981 synthesizers, werd die drang naar uitproberen geleidelijk minder. Met de boorgeluiden op Poundcake doet hij toch weer wat ongewoons, al is het slechts een moment te horen.

Mijn favorieten: het snelle Judgeman's Day; Pleasure Dome houdt gedurende bijna zeven minuten wel mijn aandacht dankzij opbouw, melodieën, riffs, drumwerk en gitaarsolo; het swingende The Dream Is Over met pakkend refrein, fraaie gitaarsolo en zo'n heerlijk koortje van Michael Anthony; uiteindelijk toch nog piano in Right Now, mijn favoriet van de plaat dankzij de melodie; het verstilde 316 en de eindriff van Jump die in Top of the World een tweede leven kreeg. Dat zijn bij elkaar 20 minuten, waarvan het merendeel dus in de tweede helft.
Mijn mening wijkt af van menig fan van Van Halen: in Nederland haalde F.U.C.K. in augustus '91 #24, in de VS net als de vorige albums #1. De singles daar: Top of the World #27 in november '91 en Right Now #55 in maart '92.

Ten slotte: ben ik de enige die bij de riff van Man on a Mission de hele tijd Rag Doll van Aerosmith in het hoofd krijg?

Van Halen - OU812 (1988)

poster
4,0
Na alle commentaren hierboven géén nieuwe inzichten van mij bij OU812, behalve dan wellicht dat deze Van Halen nergens verrassend is. Alles is door hen wel eens eerder gedaan en toch geef ik dit album een 8.
De band speelt bij vlagen als een malle en wat zijn de koortjes van Michael Anthony toch lekker! De productie verdient een remix (de drums missen dynamiek), al is het nergens storend. Maar ook dat is hierboven meermalen genoemd.

Drie keer is het ronduit saai: Cabo Wabo had 3 minuten moeten duren in plaats van 7, en ook de dikke 5 van Black and Blue en bijna 6 van Sucker in a 3 Piece duren veel te lang. Dat maakte ik nog niet eerder mee bij Van Halen, de groep die voorheen veel puntiger liedjes op plaat zette.
Pas op streaming leerde ik bonustrack/B-kant/cover A Apolitical Blues kennen. Over een extraatje zeur ik niet. Voor mij is VH een groep die op studioalbums tot 35 minuten de aandacht vasthoudt, ook met Sammy Hagar als frontman.

Waar Hagars soloplaat van het jaar ervoor het zonder beukertjes moest doen, knalt Van Halen op Mine All Mine dat bovendien een verrassend diepe tekst kent, pakkende tempowisselingen in AFU en voluit snel is Source of Infection.
De toetsenkant van Eddie Van Halen klinkt niet alleen op de ingetogener juweeltjes When It's Love en Feels So Good, maar ook in de albumopener: Mine All Mine verenigt het beste van de gitaar- en toetsenkant van de groep, al had de gitaar luider in de mix gemoeten. Machtig gedrumd bovendien, Alex Van Halens spel is weer volop genieten.
Finish What Ya Started had de plaat moeten afsluiten: bluesachtig en midtempo blijkt het een groeiertje. Doet met zijn dikke vier minuten veel meer dan de twee (met bonus: drie) nummers daarna.

Met de fraaie maar sobere zwart-wit hoesfoto en de aap-met-schedel en het handengebaar op het label in het midden van het vinyl bevat de plaat wellicht meer hints op de kleurige wereld van David Lee Roth dan alleen de albumtitel. Zeker is dat Van Halen een andere koers voer dan de voormalige frontman en dat beide kampen sterk werk afleverden.

Van Halen - Right Here, Right Now (1993)

Alternatieve titel: Live

poster
4,5
Bij verschijning van Live: Right Here, Right Now had ik in eerste instantie niet in de gaten dat dit een livealbum was. Niet meteen een hoesfoto die je daarmee associeert, maar wel een juweeltje! Op Reddit vond ik de exacte locatie: 462 Baldwin Drive, Smyrna, DE 19977, Florida.
Een kleine "shock" volgde twintig jaar later, toen bleek hoeveel er achteraf aan de originele opnamen is gesleuteld door producers Eddie Van Halen en Andy Johns, waardoor Sammy Hagar opnieuw zijn partijen moest inzingen. En dat niet eens omdat de oorspronkelijke vocalen beneden niveau waren, maar omdat snelheid en daarmee toonhoogte door het tweetal werden veranderd, waardoor de zangpartijen niet meer synchroon dan wel zuiver klonken. Bekend geworden bij verschijning van Sammy Hagars bio Red: My Uncensored Life in Rock (2012).
Ter relativering: nabewerking achteraf geldt voor de meeste (alle?) liveplaten en al zijn de ingrepen hier wel heel drastisch geweest, het laat onverlet dat dit een sterk overzicht bevat van waar de groep in 1992 stond.

Right Here, Right Now is niet bedoeld als een best-of en toch spettert de kwaliteit ervan af. Fans van David Lee Roth kunnen wellicht klagen dat er te weinig werk uit zijn tijd op staat: slechts vier nummers. Tegelijkertijd klagen fans van een vorige zanger vaak over hoe de nieuwe het oude werk zingt.
Dit soort verhalen kom je al decennialang tegen bij bijvoorbeeld de overgang binnen Deep Purple van Ian Gillan naar David Coverdale, of binnen Black Sabbath van Ozzy Osbourne naar Ronnie James Dio. Of bij één van de andere zangers van deze en vele andere groepen (Toppers uitgezonderd ). Hagar slaat zich met verve door het weinige oude werk heen, zoals liverecensies uit die tijd bevestigen.
Wat ik niet wist, is dat keyboardtechnicus Alan Fitzgerald in de coulissen hier en daar een toetsenpartij meespeelde. Hij was in 1974 bassist op de tweede Montrose, met als zanger... Sammy Hagar!

Verder ligt er veel nadruk op hun destijds laatstverschenen album For Unknown Carnal Knowledge (wel gedurfd met hun catalogus, zoveel nieuw werk), tweemaal werk van Hagar solo, te weten One Way to Rock en het in akoestisch jasje gestoken Give to Live, plus covers van The Kinks, tevens-VH-klassieker You Really Got Me en The Who (Won't Get Fooled Again).
Onverwacht pareltje is dat in de bassolo van Michael Anthony Ultra Bass (fraai samenspel met drummer Alex Van Halen) een stukje Sunday Afternoon in the Park van het album Fair Warning is verwerkt. Eén van mijn favorieten van de groep, anders dan hun gangbare stijl.

In 2011 noteerde Metalhead99: ..."ik heb nooit zo begrepen waarom van de vele soortgelijke bands juist Van Halen zo bekend is geworden." Het antwoord hoor je op de uitgesponnen versie van het instrumentale 316, waarin ook Eruption is verwerkt: in 1978 sloeg het revolutionaire spel van Eddie Van Halen in als een bom, in combinatie met de sterke composities met als bonus de livecapaciteiten van Roth. In 1992 hoorde je bovendien hoe groot zijn invloed op andere gitaristen is geweest, denk aan de shredders die vanaf de jaren '80 kwamen.

Wie Van Halen puurder wil dan op Right Here, Right Now, kan dit concert uit 1989 bekijken en vooral beluisteren. Maar ik ben dik tevreden met deze dubbelaar die via koptelefoon goed klinkt, al hadden de drums harder gemogen. Mooi is dat zelfs de afzonderlijke baspartijen goed zijn te onderscheiden.
Tenslotte een vraagje voor OzzyLoud: je schrijft dat je indertijd vijf sterren zou hebben gegeven, maar op dit moment hangt er geen waardering van je aan dit album. Ben benieuwd hoe hoog je tegenwoordig uitkomt!

Van Halen - The Best of Both Worlds (2004)

Alternatieve titel: The Very Best Of

poster
4,5
Van Halen ging touren en dan is het wel handig als je een nieuw album te promoten hebt. Eddie Van Halen had inmiddels noodgedwongen een nieuwe heup en bovendien een scheiding meegemaakt en kanker overleefd. Tijd voor muziek, zal hij hebben gedacht.

Wat van een uitgebreide verzamelaar als deze te vinden? milesdavisjr vat het hierboven goed samen. Laat ik daaraan toevoegen dat ik The Best of Both Worlds geslaagd vind, met nu wél werk van Diver Down en bovendien driemaal nieuw werk met Sammy Hagar op track 2 - 4 waarin bovendien Eddie blijkt geeft van zijn pakkende ontwikkelingen op gitaar.
It's About Time bevat zo'n ouderwets heerlijk koortje (Michael Anthony!!!) en smeuïg gitaarwerk, Up for Breakfast is fijn met zijn dampende synthesizerbasis en het langzamere Learning to See is eveneens meer dan prima met zijn dubbele gitaarsolo.

Wat ontbreekt er eventueel? Bijvoorbeeld nieuw werk met David Lee Roth: gemiste kans. Of dat Anthony geen basgitaar speelde op de nieuwe nummers, een teken van een volgende controverse in de gelederen. Of het machtige Intruder dat vooraf ging aan (Oh) Pretty Woman en daar (voor mij) zo bijhoort; tegelijkertijd logisch dat het op een compilatie ontbreekt.
Over de aanloop naar het album en de tour die volgde, de zakelijke besognes die de spontaniteit van vroeger smoorden én waarom een nieuwe "Van Hagar" uitbleef valt bij Ultimate Classic Rock meer te lezen; onder dat artikel een mooie verzameling foto's van Eddie Van Halen van 1977 tot 2017.

Tot slot de link naar de setlist van augustus 2004 Denver. Valt me op dat van Sammy Hagar and the Waboritas ook Hallelujah is gespeeld.

PS - in 2002 speelde Leslie West met Eddie, waarvan 5 dagen geleden deze video opdook.

Van Halen - Tokyo Dome Live in Concert (2015)

poster
3,5
Waarom Van Halen nooit een liveplaat uitbracht tijdens de eerste periode met David Lee Roth, is mij een raadsel. Wat dat betreft kwam Tokyo Dome Live in Concert als mosterd na de maaltijd, zeker omdat bassist Michael Anthony ontbreekt.

En verder is alles hierboven en elders al gemeld: goede setlist maar sleet op de stem van David Lee Roth die sowieso steken laat vallen. Anderzijds: wat we hier niet hebben, is een discussie over wat er achteraf in de studio allemaal is gerepareerd.
Het geluid komt mij voor als eerlijk, al had de productie iets vetter gemogen. What you hear is what it was. Maar zelfs drumsolo Drum Struck mag er zijn met zijn onverwachte latin trompetjes uit het keyboard; het is sowieso heerlijk hoe Alex Van Halen deze set drumt.

Voor de volledigheid check ik op YouTube meer VH in 2012, namelijk deze livebeelden, dit gesprekje (deels over koffie), een kwartier akoestische Downtown Sessions en in 2015 was er dat miniconcert bij Jimmy Kimmel. Het Van Halen met David Lee Roth was een groep met chemie, merk ik aan de glimlach op mijn gezicht, hoe zeer ik Anthony (zijn koortjes!) ook mis.

Zestien stemmen slechts met een gemiddelde van 3,50 en dit als eerste bericht in bijna zes jaar? Met Eddie niet meer onder ons en Alex die onlangs zijn drumkit te koop zette, zit ik er inmiddels toch positiever in dan destijds toen ik dit 3 sterren had gegeven. Een 7 is inderdaad redelijk.
Al blijf ik hopen op een spetterende liveplaat uit pakweg 1980 (tour bij Women and Children First) of '81 (tour bij Fair Warning). Zoiets. Er ligt toch wel íets in de kluis?

Van Halen - Van Halen (1978)

poster
4,5
1976 - 1977. Het was door nieuwe singles als New Rose van The Damned en Rockin' All over the World van Status Quo dat ik werd gepakt door scheurende gitaren. Klonk zo'n liedje op de radio, dan nam ik het op, met terugwerkende kracht de wereld van rock ontdekkend. Nieuwste naam was Boston, dat in 1976 de rockwereld overrompelde met een huizenhoog maar warm gitaargeluid. Uiteraard belandde More Than a Feeling op cassettebandje.

1978. Alfred Lagarde heeft op de dinsdagmiddag tussen 5 en 6 bij de VARA zijn 'Beton Uur'. De man presenteert op enthousiaste wijze vooral Amerikaanse hardrock, al schuwt hij op z'n tijd niet een plaatje van Normaal. Het is via zijn show dat kort na Boston de volgende aardverschuiving plaatsvindt. Het hakkende You Really Got Me en het dreigende Runnin' with the Devil (dat intro!) zorgen ervoor dat ik de knop 'record' indruk. Hij vond het fan-tas-tisch en dat twee van de leden nog altijd Nederlands spraken, vulde mij als luisteraar met trots.

Ik las over het instrumentale hoogstandje Eruption, maar dat draaiden de radio-dj's dan weer niet; het bleef dus onbekend. Daarbij las ik in Muziek Expres dat Eddie Van Halen aanvankelijk zijn gitaarsolo's met de rug naar het publiek speelde, om te voorkomen dat men zou ontdekken hoe hij dat aparte hamerende geluid creëerde.
Maand na maand klonk meer muziek. Zo wist ik Ain't Talking 'Bout Love, Little Dreamer, On Fire, een deel van Atomic Punk en "Show Your Love" op te nemen, waarvan ik pas jaren later ontdekte dat het I'm the One heet - maar dat zinnetje wordt niet steeds herhaald. Van You Really Got Me wist ik niet eens dat het een cover was en toen ik de Kinksversie ontdekte, vond ik die erg mak...

Vanaf 1980 kwamen wel achtereenvolgens Women and Children First, Fair Warning, Diver Down, 1984 en 5150 op mijn draaitafel terecht. Pas daarna hoorde ik Van Halen in zijn geheel. Het leek wel een best-of elpee, omdat ik al zoveel kende. Met de gitaar links in de mix krijg je een livegevoel, minder massief dan ik van ze gewend was. Luchtiger. Dat geldt ook voor sommige koortjes waarin jaren '50 doo-wop doorklinkt. Maar liefst elf nummers, met Ain't Talking 'Bout Love als langste met 3'49".
Bovendien een sterk ingespeelde groep, waarbij in de verhalen David Lee Roths showtalent zijn vocale capaciteiten overschaduwde. Ten onrechte: de man heeft een krachtige, lenige stem, passend bij deze vrolijk knallende hardrock, wat het geluid uit de groef bewijst. En hij is degene die heerlijk akoestische gitaar speelt op Ice Cream Man. De ritmesectie Alex Van Halen (af en toe al dubbele basdrum, zeldzaam in die tijd) en Michael Anthony is soepel en energiek met de koortjes van de laatste als troef.

Spetterend, enthousiast en qua stijl en gitaarspel veel invloedrijker dan Boston twee jaar eerder, al kan de invloed qua gitaargeluid en productie van die laatste groep moeilijk worden overschat.
Pas twee jaar later werd Runnin' with the Devil in Nederland een hit: #2 in juni 1980, in juli in Vlaanderen op #8 piekend; het resultaat van hun optreden op Pinkpop. Kort daarvoor zocht Alfred Lagarde de groep voor een radio-interview op in de VS.
Legendarisch zijn de verhalen over hoe hij groepen ophaalde van Schiphol in zijn grote Amerikaanse auto, een fles whisky onder de bestuurdersstoel. Ook Mother's Finest maakte dat mee, nóg zo'n favoriete groep van hem. Te horen in podcast More Than A Feeling.
Lagarde verkaste in 1982 naar Veronica en waarschijnlijk is hij degene die er al in 1981 voor zorgde dat Van Halen daar te zien was. Lekker Nederlands praten! En dat allemaal met 1978 als jaar waarin Van Halen dit alles losmaakte met één van de beste debuten ooit en misschien wel de zonnigste heavy plaat in de geschiedenis.

Van Halen - Van Halen II (1979)

poster
3,0
Van Halens debuut veroorzaakte een aardbeving in het hardrocklandschap, maar zelfs in 1978 kwam het in de Amerikaanse albumlijst niet verder dan twee weken #19. Zie zelf welke rockende acts hoger haalden.
Vervolgens waren daar spraakmakende tournees als voorprogramma van Montrose, Journey en Black Sabbath, waarbij de jonge honden niet alleen de tv's uit hotelramen deden vliegen maar vooral grote indruk maakten op de podia. Zozeer zelfs dat de heren van Sabbath nerveus werden.

Een week na dit intensieve tourschema landde men in de studio voor de opvolger, waarvan het meeste al binnen een week op tape stond. De band nam weinig tijd voor nieuw materiaal en dus bestaat II grotendeels uit werk dat het titelloze debuut niet haalde, hetgeen in 2016 werd bevestigd door Gene Simmons die in 1975 vijftien nummers met hen opnam.
Van Van Halen II bereikten op mijn zolderkamer via Hilversum 3 slechts instant favoriet D.O.A. en het slappere Beautiful Girls mijn cassettedeck.

Vele fans vinden II desondanks net zo goed of zelfs beter dan het debuut. Wie als ik houdt van het robuuste Van Halen, wordt met deze opvolger met de diverse partyrockers teleurgesteld. De band speelt weliswaar meer dan prima en alle muzikale kwaliteiten zijn weer aanwezig: wat spátten lol en inventiviteit weer van Eddie Van Halens spel! En toch: het songmateriaal is minder.
Alleen al de slappe popcover You're No Good als opener, gevolgd door het lichte Dance the Night Away. Vergelijk die met de eerste twee van het debuut! Qua songmateriaal komt het niet meer goed op kant 1.
Met Light up the Sky komt de groep echter fel uit de startblokken op kant 2, een nummer zonder echte coupletten. Dan het heerlijke akoestische miniatuursnarenracertje Spanish Fly (wie had dat verwacht?) en vervolgens de heavy riff van D.O.A. De twee nummers daarna zijn me echter net als die op kant 1 te licht, al blijft het gitaarspel heerlijk. Slechts drie pakkende nummers voor mij.

De groep stond in juni 1979 in Amsterdam met St. Paradise in het voorprogramma: wie hun album hoort, begrijpt waarom zelfs een minder Van Halen een streepje voor had op genregenoten. Dit met hun frivole stijl en (gitaar)virtuositeit, om maar te zwijgen over de showcapaciteiten van zowel David Lee Roth als Edward van Halen.
In eigen land klom Van Halen II hoger op de albumladder dan het debuut: #6 in mei, de eenvoudige hoes ten spijt. Alhoewel: krachtig logo. Toch liever de foto's van achterzijde. Waarom Roths voet op de binnenhoes is ingezwachteld, valt te lezen in de link in dit bericht.

Ik prefereer een zwaarder Van Halen. Wat dat betreft zat het met mijn instapplaat Women and Children First wel goed!

Van Halen - Van Halen III (1998)

poster
2,5
De derde zanger van een groep? Soms werkt het goed, zoals David Coverdale bij Deep Purple of Mark Tornillo bij Accept. Soms wekt het minimaal gemengde reacties op, zoals Ian Gillan bij Black Sabbath. En soms werkt het niet, zoals Blaze Bayley bij Iron Maiden.
In welke categorie zit Gary Cherone bij Van Halen? Hij was niet de eerste keus. Zo was daar Mitch Malloy, maar met al het geflirt door de groep met David Lee Roth bedankt deze na enkele demo's voor de eer.

Inmiddels weten we dat Eddie Van Halen zich intensief bemoeide met Cherones zangstijl. Bovendien speelde hij zelf sommige drumpartijen in, baste op de meeste nummers en vertelde oudgediende Michael Anthony hoe te bassen op de overige drie. In de woorden van de laatste, in 2022 gedeeld door website Ultimate Classic Rock, is III min of meer een soloplaat van de gitarist/toetsenist. Het citeert uit dit veel uitgebreidere interview vanaf 28'03".

Het gitaarwerk op III is uiteraard knap met genoeg oefenstof voor de geïnteresseerden, dat wist je van tevoren. Maar laat ik doen alsof dit een debuutplaat is. Kom ik dan goede nummers tegen?
NeWorld trapt fraai akoestisch en instrumentaal af, waarna het midtempo Without You degelijk is. Met z'n dikke zes minuten te lang, waarbij het pas in de fade-out versnelt. Dirty Water Dog heeft een sterk refrein, maar te lange coupletten voor de dikke vijf minuten.
Josephina is een groeibriljantje. Het begint klein en groeit uit naar stevig, waarbij vreemde tempowisselingen langskomen. Mijn favoriet is Ballot or the Bullet waar het eindelijk los gaat.

En verder pakt het me niet. Het zit 'm naast de te vaak geknepen zang van Cherone in de vele introverte minuten. Zoals wanneer Josephina wordt gevolgd door meer melancholisch getokkel in Year to the Day en meer daarvan in het instrumentale Primary. Nog verdrietiger is de sfeer in Once, een synthesizernummer met sequencer, drumcomputer en gitaar.

Fire in the Hole haalde in ietsiepietsie ingekorte versie de soundtrack van Lethal Weapon 4 en past vast bij zo'n verhaal. Maar VH III met zijn tien nummers van boven de 5 minuten? Het is een lange zit. Te veel slappe nummers, daar kon Cherone niks aan doen.
Als totaal is het me te veel één man in zijn thuisstudio die hoorbaar niet de vrolijkste was en anderen liet meedoen. Anthony vond de tour erna wél heel goed en Cherones bijdrage daarin prima, maar het verval van het ooit machtige Van Halen was ingezet.

Van Halen - Women and Children First (1980)

poster
4,5
Je hebt het echte debuutalbum van een artiest/groep en "je persoonlijke debuut”. Met dat laatste bedoel ik de plaat die je voor het eerst in z’n geheel hoorde en waarmee je instapte in de catalogus van de desbetreffende naam.
Vanaf 1980 begon ik serieus elpees te beluisteren en dat leverde bijvoorbeeld de volgende “persoonlijke debuutplaten” op, waarbij het toeval wilde dat dit een topjaar voor heavy rock was: bij Black Sabbath hun achtste, Heaven and Hell; bij AC/DC Back hun zesde, Back in Black; en bij Van Halen hun derde, Women and Children First. Deze platen waren de startpunten en vormden het vergelijkingsmateriaal voor hun eerdere platen die ik later zou tegenkomen.

Op dinsdagmiddagen was Alfred Lagarde in zijn Betonuur een hartstochtelijk pleitbezorger van Van Halen, zodat ik inmiddels ruim twee jaar bekend was met o.a. You Really Got Me en Runnin’ with the Devil, geflopte singles die desondanks wekelijks in Arbeidsvitaminen klonken. Dat hielp mede, vermoed ik, om Runnin’… in mei 1980 alsnog een hit in Nederland te laten worden, kort voor hun Pinkpopoptreden. Alhoewel afkomstig van hun échte debuut, stuwde dat vermoedelijk Women… diezelfde maand naar de top 10 van de Elpee Top 50, piekend op #3 achter verzamelaars van BZN en Boney M.

Toen ik de plaat thuis uit de hoes haalde, werden mijn ogen groot: een vastgeketende en halfblote David Lee Roth in overstrakke broek op poster? Brrrrr, snel het papier terug in de hoes en de plaat op de draaitafel!
And the Cradle Will Rock kende ik van Lagarde, midtempo en zwaar, eerder in het Betonuur opgenomen en vele malen gedraaid. Daardoor hoor ik tot op de dag van vandaag, als David Lee Roth vraagt: ‘Have you seen junior’s grades?’ in mijn hoofd het afgemeten ‘No!’ van Lagarde als antwoord. Dan Everybody Wants Some!! dat sneller was, heerlijk! Fools begint klein en bluesy, gaat daarna over in een razendsnelle gitaarsolo (Eruption kende ik niet, voor het eerst hoorde ik zoiets) waarna een heavy en uptempo nummer losbarst. Machtig mooi, zeker toen het weer iets snellere Romeo Delight volgde.

Kant B opent met het dreigende Tora! Tora! dat al voorbij was voor ik het doorhad. Loss of Control volgt de volgende nanoseconde als vierde snelle track, helemaal fijn!
Daarna kakte de plaat in, vond deze puber. Take Your Whiskey Home begint akoestisch en bluesy, wordt daarna log en stevig. Op Could this me Magic? klinkt regen op de achtergrond, wat de akoestische bluessong een knus zomers sfeertje gaf; de tekst verwijst naar de albumtitel en de groepszang is voor eenmaal aanstekelijk bewust-vals; maar ik wilde snél en hárd. In a Simple Rhyme sluit de plaat af met rustig getokkel, waarna het steviger maar niet sneller wordt. Na het einde van dat nummer begint een heavy riff, niet op de hoes vermeld; kennelijk het échte slot van de slotsong, dacht ik toen. Jammer genoeg duurde dit deel maar kort.

De onbevangen tiener werd ouder. Hoe klinkt dit album nu? Ik constateer dat ie alleen maar beter is geworden. Het spelplezier en de inspiratie spátten van de plaat af. Af en toe heb ik het idee naar een avontuurlijke jam te luisteren en dat niet alleen door het gitaarspel van Eddie, de drumcapriolen van Alex en de opmerkingen en teksten van David.
Wanneer je een plaat opneemt zoals standaard was geworden (laagje voor laagje, te beginnen met de drums, dan bas, etc.) kan die steriel worden. Hier hoor je opnames in takes, passend bij de spontaniteit van de band. Daarom vind ik ook de laatste drie tracks lekker.
Eveneens hoorbaar is hoe groot Eddie’s passie voor het maken van muziek was, hoe hij geïnspireerd zowel elektrische als akoestische gitaar speelt, hoe de band hier sterke songs van maakt met grote variatie, vaak ook in één lied… wat een creativiteit! Als je dan na veertig jaar ontdekt dat de eerste tonen van de plaat van een vervormde elektrische piano komen, is extra duidelijk hoezeer de man immer experimenteerde met nieuwe geluiden.
Roth is geen topzanger, maar dat type zou volstrekt ongeschikt zijn voor de stijl van deze band. Wat hij hier doet is steevast krachtig en raak, net als het degelijke bassen van Michael Anthony en diens altijd lekkere achtergrondzang.

Ik vroeg me af of er nog outtakes van deze en andere albums in de archieven liggen, maar dat valt tegen. Ze gooiden die meestal weg. Het YouTubekanaal van studio Sunset Sound, waar de eerste VH-albums werden opgenomen, biedt sinds 2020 interessante vlogs zoals deze, waar ene Brian Kehew het nodige uit de doeken doet. Zo vertelt hij vanaf 5’40” hoe de ongebruikte takes letterlijk op de vloer belandden, op 13’28”volgt beter nieuws.

Conclusie: alhoewel de opnamen bijna als een jam klinken, waren ze dat bepaald níet. Een album dat bol staat van goede ideeën, sterk uitgevoerd door vier zeer getalenteerde muzikanten. Dat producer Ted Templeman en technicus Dann Landee dit moddervet hebben vastgelegd, maakt dat het plaatje áf is.

Hoeveel fans zouden eigenlijk die poster aan de muur van hun tienerkamer hebben gehangen?

Vandenberg - Sin (2023)

poster
4,0
2020 van Vandenberg heb ik overgeslagen omdat ik allergisch ben voor de stem van Ronnie Romero, die in mijn beleving ontzettend knijpt en forceert. Ik kan er niet naar luisteren, al heb ik nog een poging gewaagd met de toenmalige "single", een reprise van Burning Heart. Dat heb ik totaal niet met de stem van Mats Levén: niet afgelopen vrijdag live in Utrecht en ook niet op Sin.
Afgelopen september viel de hoes me op door de haaien, herkenbaar voor wie Vandenbergs Heading for a Storm uit 1983 kent. Tegelijkertijd is Sin niet een nostalgisch album: het klinkt eigentijds vol gevarieerd en geïnspireerd werk, waarvan ik begreep dat alle nummers begonnen met een idee van de gitarist. Het bewijst dat klassieke hardrock helemaal niet belegen hoeft te zijn: hier is het altijd lekker en bij vlagen zit ik op het puntje van de stoel, me scènes van de show van vrijdag herinnerend.

De groep vliegt de startblokken uit met Thunder and Lightning, waarna het stampende House on Fire volgt en bij het langzame titelnummer met zijn sterke riff heerlijk doorpakt. Sterk opgebouwde gitaarsolo's zijn het handelskenmerk van de bandbaas, zo luister ik geboeid naar hetgeen hij in Walking on Water neerzet. Levéns rauwe stem bevalt mij keer op keer goed, passend bij de stijl van Vandenberg. Dit omdat hij rauw en ontspannen tegelijk zingt, opnieuw in het uptempo Hit the Ground Running.
In semiballade Baby You've Changed spreekt hij een ander register van zijn stem aan, ondersteund door sobere toetsen. Waar ik normaal niet van ballades houd, vind ik het hier meer dan prima. Het elektrische getokkel in slotlied Out of the Shadows is mysterieus, zeker met de stem van zoonlief Emil Levén erbij. Tegen het einde van het nummer duikt plotseling een zware riff op, waarna het nummer tokkelend besluit. Zeer, zeer fraai!
Opgenomen in The Blue Room Studio in Californië en geproduceerd door Bob Marlette is dit gewoon een sterk album voor de liefhebbers van hardrock en pakkend gitaarwerk. Eén ding mis ik: ik had wel meer akoestische delen willen horen. Maar goed, in die behoefte is bij het concert reeds voorzien.

Wie in de regio van Groningen-stad woont, kan ze vanavond nog snel gaan zien of anders bij één van de vier shows die de komende dagen nog volgen. Live krijg je als bonus het inventieve werk van drummer Koen Herfst erbij, die met de kalme bassist Randy van der Elsen een heerlijke basis legt voor de heren Van den Berg en Levén.

Vengeance Rising - Human Sacrifice (1988)

poster
4,5
Gisteren appte een vriend mij dat Roger Martinez van Vengeance Rising is overleden. In de jaren 1988 - 1992 bracht deze Californische, christelijke thrashmetalgroep vier albums uit. De eerste twee van niveau plus origineel in aanpak, in de oorspronkelijke bezetting. Die viel uit elkaar, alleen Martinez bleef over. Met nieuwe muzikanten nam hij nog eens twee albums op, die in mijn beleving in de verste verte niet in de buurt kwamen van de eerste twee.

Vond debuut Human Sacrifice destijds fantastisch, vervolgens raakte het uit mijn bubbel. In recente jaren werd ik er weer nieuwsgierig naar en heb uiteindelijk vorige maand via Discogs deze heruitgave aangeschaft. Komt vervolgens het overlijdensbericht binnen...
Ik zit dus vers in het album. Destijds beleefde ik dit als één van Bay Area thrashbands uit die tijd, zij het dat bij Vengeance Rising de teksten duidelijk een andere inslag hadden. De afgelopen weken viel me veel meer dan vroeger de kwaliteit van de groep op. Destijds vond ik dit simpelweg brute thrash met invloeden uit hardcore punk (Receive Him van 6 seconden, Salvation van 16, He Is God van 52).

Inmiddels hoor ik dat gitaristen Doug Thieme en Larry Farkas de nodige klassieke hardrock en daarmee blues doen doorsijpelen in hun solo's en intro's: ze laten tussen alle topsnelheden regelmatig hun gitaren huilen met lange noten. Een contrast wat me goed bevalt. Die combinatie van thrash, hardcore, klassieke hardrock en blues hoor je het duidelijkst in de ruim 5 minuten van het instrumentale Ascension.
Bassist Roger Dale Martin en drummer Glenn Mancaruso leiden daar de rest bekwaam door alle tempowisselingen heen, net als op de overige nummers. Nóg een reden dat Human Sacrifice nog altijd een favoriet is: verschillende riffs en tempo's binnen één nummer.
Op mijn favorieten klinkt steevast snelle thrash: opener Human Sacrifice, I Love Hating Evil met een intro vol gitaargetokkel á la Scorpions om dan genadeloos te versnellen, het machtige duo White Throne en From the Dead en het met dramatisch gekrijs eindigende slotlied Beheaded. De teksten zijn dito in je smoel, in het geval van de afsluiter zeer plastisch met die climax aan het einde.

Van de grunt van Martinez moet je houden en dat doe ik. Een herkenbaar geluid, waarbij hij af en toe de hoogte in gaat. Wat me tegenwoordig nog steeds opvalt: in Burn hoor je op 2'02" hoe hij een nieuwe regel inzet, maar abrupt stopt omdat er zo'n huilende gitaarsolo komt. Toeval of opzettelijk? Waarom door producer Caesar Kalinowski zo gelaten?
Mijn bonusversie bevat drie nummers van matige audiokwaliteit die tegelijkertijd een indruk van de moshpits geven. Daarbij Prodigal Son, kennelijk een vroege versie van track 3 Mulligan Stew. Track 15 is volgens de hoes White Throne, maar het is Beheaded. Slordig maar ach, eigenlijk heeft dit album geen bonussen nodig. Het origineel is helemaal goed, zonder zwakke momenten.

Na het definitieve einde van de groep ontstond veel controverse rond Roger Martinez, te veel om hier te beschrijven. Eerder dit jaar kwam echter het bericht dat de groep komende 27 juli gaat optreden met Luke Easter (ex-Tourniquet) als nieuwe frontman; zie hier.

Roger Martinez, rust in vrede.

Verschwende Deine Jugend (2002)

Alternatieve titel: Punk und New Wave in Deutschland (1977-83)

poster
3,5
Ben op reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave, momenteel in 1980. Afkomstig van het debuut van de Engelse Hazel O'Connor kom ik bij de single So Froh van Ede+Die Zimmermänner a.k.a. Skafighter. Te vinden op deze verzamelaar uit 2002.

Titel Verschwende Deine Jugend: Punk und New Wave in Deutschland (1977-83) geeft precies aan wat dit is: een spijker-op-de-kop dwarsdoorsnede van die genres in (voor zover ik kan overzien) Wést-Duitsland. Een DDR-groep als Silly ontbreekt.
Ik weet niet meer waarom ik So Froh uitkoos en niet één van de andere nummers. Omdat ik ska kan waarderen en getrokken werd door de vreemde groepsnaam Ede+Die Zimmermänner a.k.a. Skafighter?

De single met dit nummer erop bevat drie nummers, So Froh staat op de B-kant. Vrolijke ska met zowel mannelijke als vrouwelijke zang. Het verscheen in 2014 nog eens op verzamelaar Zurück in der Zirkulation, een album dat ik, o verrassing, niet op Discogs aantref maar wél op mijn streaming platform. Hier klinken vooral jolige gitaarliedjes met dikke knipoog. Die Zimmermänner (zoals de groep zich nadien noemde) is géén skagroep.

Terug naar deze verzamelaar: die fungeert als soundtrack bij wat de Duitse auteur Jürgen Teipel een Doku-Roman noemt, genaamd Verschwende Deine Jugend. Een boek dat in 280 pagina's middels interviews en anekdotes het verhaal achter de muziek vertelt. Hoe new wave als Neue Deutsche Welle een alternatief gezicht kreeg, waarbij ook ruimte was voor beeldende kunstenaars. In West-Duitsland waren deze muziek en kunst namelijk nauw verbonden. De titel verwijst naar het D.A.F.-nummer met dezelfde naam, op cd 2 te vinden als track 22.
Het album is als afspeellijst deels op YouTube te vinden, maar als ik weer eens in Duitsland ben, moet ik toch eens op zoek naar de originele dubbelaar.

Die Zimmermänner brachten in 1982 hun eerste volledige album uit, genaamd 1001 Wege Sex zu Machen Ohne Daran Spaß zu Haben; So Froh staat hier niet op.
Aan dat album ben ik nog lang niet toe, dit is immers 1980! Op naar de Britse hitparadewave van Adam and the Ants met hun doorbraakplaat Kings of the Wild Frontier.

Vic Godard & The Subway Sect - A Retrospective (1977-81) (1984)

poster
3,5
In juni 1978 geven de Sex Pistols een optreden in Manchester, dat het lontje zou worden van de punkrevolte. De leden van Subway Sect hoorden bij hun gevolg, net als Siouxsie Sioux en latere leden van Generation X met daarin Billy Idol.
Subway Sect wordt vervolgens in september 1976 opgericht, mede door toedoen van Sex Pistols' manager Malcolm McLaren. Het was één van de groepen die optrad op festival 100 Club Punk Special, nog diezelfde maand gehouden. Over een bliksemstart gesproken!

Nu ben ik bezig om de albums te beluisteren achter mijn afspeellijsten met nummers uit new wave en aanverwanten, maar in het geval van Subway Sect wordt dat 'm niet. De productie blijft namelijk beperkt tot twee singles.
De groep opent op de fameuze White Riot Tour van The Clash, neemt in 1978 single Nobodys Scared op én doet een sessie bij BBC Radio 1-dj John Peel. Hierop ontslaat manager Bernie Rhodes, die tevens The Clash onder zijn hoede had, de gehele groep op frontman Vic Godard na. Opnieuw zie ik dat het credo 'Do it yourself' niet altijd gold...

Met de goedkeuring van Rhodes wordt om Godard heen een nieuwe Subway Sect geformeerd, waarmee een heel album wordt opgenomen. Na meer onenigheid met de manager blijft dit titelloze debuut tot op de dag van vandaag op de planken liggen - als de banden nog bestaan...
Wél verschijnt een remix van het nummer Ambition op single; het schopt het eind 1978 tot #15 in de NME-lijst met singles van dat jaar. De concurrentie was niet misselijk, zie het overzicht daarvan. De heerlijke zeurzang van Godard, de toetsen van een anoniem gebleven klavierenmens en als slagroom de verraderlijk smakelijke bliepjes uit een Casio.

Godard is er even klaar mee, maar keert in 1980 terug met een nieuwe bezetting, begrijpelijkerwijs buiten de tentakels van Rhodes. De groep heet nu Vic Godard & The Subway Sect. Hierin grijpt hij terug op rockabilly, swing en skiffle, de muziek van eind jaren '50, begin '60. Hier zijn publiek en pers nog niet klaar voor en in 1982 keert verruilt hij de muziekwereld voor een bestaan als postbode.
Met terugwerkende kracht wordt hij als een pionier erkend en in de indiewereld van de jaren '90 wordt hij steeds vaker genoemd als invloed. Hierop keert Godard in 2002 terug met Sansend, waarop warempel indierock (of is het new wave maar dan van het nieuwe millennium?) klinkt.

Bij Drowned in Sound verscheen in 2007 een verhelderend artikel over de groep in de eerste jaren. Zie ook deze zes minuten uit de docu 'Punk in London' bij de Duitse tv.
En wat betreft dit A Retrospective? Een leuk tijdsdocument van een avontuurlijke muziekman, die zich wist te ontworstelen aan een nare manager. Er verschenen overigens meer compilaties en nieuwe albums van (Vic Godard & The) Subway Sect, die echter niet op MuMe zijn opgenomen. Ik verwijs u naar Discogs of uw streamingplatform.

Mijn muzikale reis door de new wave van 1978 kwam van Pere Ubu en Nina Hagen Band; omdat ik het debuut van synthpioniers Tubeway Army al eerder besprak, vervolg ik bij het debuut van Public Image Ltd..

Vicious Rumors - Digital Dictator (1987)

poster
4,5
Compromisloze metal met gevoel voor melodie en heerlijke gitaarsolo's. Het is weinig groepen gegeven om het vertrek van een goede zanger en stergitarist te overleven, met vervangers Carl Albert en Mark McGee werd echter al vanaf de hoestekening nóg eens een fikse stap vooruit gezet.
Vicious Rumors dicht de leemte tussen de melodieuze metal en het speed- en thrashgebeuren van 1988. En ja, dan is het geníeten!

Digital Dictator is vanaf de eerste seconden meeslepend als het instrumentale Replicator de oortjes verwachtingsvol doet spitsen, om dat met het titellied volledig waar te maken. Hierop wordt er met het snelle Minute to Kill nog eens een schepje bovenop gedaan. Kinderlijk eenvoudig pakken ze me vervolgens in met het meebrulkoortje in Towns on Fire.
Het grote drumgeluid, typisch voor het tijdsgewricht (co-productie van groepsbaas Geoff Thorpe en Steve Fontana), zorgt er weliswaar voor dat basgitaar en hi-hat moeilijker te onderscheiden zijn, maar het dendert heerlijk door met al het gitaargeweld.
Slim om in het intro van Worlds and Machines even gas terug te nemen, want als de rest van de groep bijvalt wordt het er alleen maar zwaarder van en in het refrein klinkt een verradelijk fraaie melodie gevolgd door smeuïge gitaarsolo's.

Vicious Rumors floreerde in de leemte die het gros van de generatie New wave of British heavy metal had laten vallen door zich van zijn scherpe kantjes te ontdoen. Dit in de hoop Amerika te veroveren.
De Amerikaanse reactie? We noemden het US metal en iets later US power metal en ze waren harder dan de Saxons en Tygers en Ravens en Jaguars. Of steviger dan dat: Europa werd op speed- en thrashmetal getrakteerd.

Allemaal gedachten die dit klassiekertje bij mij oproept. Bij nader inzien nog beter dan de sterke Zevende symfonie van Maiden, die ik vanochtend afspeelde.

Vicious Rumors - Soldiers of the Night (1986)

poster
3,5
Wat leuk om dit album weer eens onder de aandacht te krijgen! Indertijd had een vriend van me 'm en ik was vooral onder de indruk van de razendsnelle gitaarsolo's van Vinnie Moore en Geoff Thorpe.

Soldiers of the Night van Vicious Rumors bood een welkome variatie op de speed- en thrashmetal van die dagen, maar was wel degelijk van zwaar kaliber. Toch belandden slechts ouverture Premonition, de snarenracerij van het instrumentale Invader en March or Die op een cassettebandje: het metalaanbod in die dagen was groot en mijn budget klein, waardoor ik overkritisch moet zijn geweest.
Nu valt meer positiefs op, waarbij ik glimlach om de ruimtelijke drumsound van die dagen: op de eerste plaatkant voeg ik Ride (into the Sun) en Murder toe, van de B-zijde de dubbele basdrumbeuker Blitz the World met een heerlijk gitaarduel; idem voor het razende In Fire dat bovendien lekkere melodielijnen bevat.

Ik noemde dit indertijd power metal; zelf verzonnen benaming. Dit om het te onderscheiden van slappere varianten zoals mijn geliefde Saxon was gaan doen. In vergelijking met het gelijknamige genre van nu geeft Vicious Rumors echter veel meer betekenis aan die benaming dan de brave, popachtige melodieën van de huidige power metal.
Een tweede reden waarom dit veel meer metal voor de oren biedt: de tempowisselingen, iets wat in het huidige genre zo goed als ontbreekt.

Pure, beukende metal, eerlijk en oprecht, gedragen door de krachtige zang van Gary St. Pierre met flitsend gitaarwerk van maar liefst twee snarenacrobaten. Als een heftige Queensrÿche, al had het qua composities spannender gemogen.

Man, wat hoop ik dat die afscheidstournee van Moores huidige groep UFO toch nog gaat komen, mede vanwege hem!

Virgin Steele - A Cry in the Night (1983)

poster
3,5
Na hun titelloze debuut en opvolger Guardians of the Flame was deze EP het laatste wapenfeit van van gitarist Jack Starr bij Virgin Steele. Een US-metalgroep waarvan ik voorspelde dat ze heel groot zouden worden, begin 1982 opgericht door Starr met bassist Joe O’Reilly.
Het vrijwel live opgenomen debuut verscheen kort voor Kerst 1982. Toen het voorjaar '83 mijn tienerkamer bereikte, ging ik om door de verhalende composities in de stijl van het Rainbow met Ronnie James Dio. Voor de gilletjes van David DeFeis was ik niet allergisch en de opvolger, iets beter geproduceerd, beviel al even goed. Grote troef zijn het vet klinkende, melodische ofwel flitsende spel van Starr, in combinatie met de tempowisselingen en soms de mythegeïnspireerde albums.

Zo’n drie jaar terug kocht ik deze EP, verschenen ná het tweede album. Powerballad A Cry in the Night trapt af, ik kende ik deze al van Guardians. Op deze EP klinkt ie voller – is het de persing?
Dan het fan-tas-ti-sche I Am the One. Snel met soms de kopstem van DeFeis en weer zo’n meer-dan-heerlijke gitaarsolo.
Op de B-kant het robuuste Go Down Fighting, minder spectaculair dan het vorige nummer maar nog altijd meer dan degelijk, gevolgd door een interview met de groep.

Die grootse toekomst kwam niet uit. Starr verliet om mij onbekende redenen zijn eigen groep en ging solo. DeFeis werd daarmee de kapitein van Virgin Steele, waarvan de carrière weliswaar naar grotere hoogten steeg, maar nooit zo hoog als ik had voorspeld.
Ik haakte overigens zelf af als fan, waar vele anderen juist aanhaakten: de shredderstijl van Starrs opvolger deed me niets, al vind ik de Griekse tragedieverhalen van DeFeis wél interessant.
In 1986 zouden Starr en DeFeis samenwerken op No Turning Back! van Jack Starr’s Burning Starr. Ben Virgin Steele op een afstandje blijven volgen, inclusief de rare zang van de laatste albums. In de woorden van gigage bij Ghost Harvest uit 2018: "Wrauww, aaahhh, wright, lookout, jauw oöoooohh, come on!"

Dan liever deze EP, die overigens in de VS met andere titel, hoes en tracklist verscheen.

Virgin Steele - Guardians of the Flame (1983)

poster
4,0
Slechts zo’n drie maanden na het debuut van Virgin Steele verscheen in augustus 1983 opvolger II - Guardians of the Flame. Een iets andere titel dan MuMe vermeldt, onder de groepsnaam staat namelijk een Romeinse ‘2’. Met een enthousiaste recensie in Oor op het netvlies haastte ik mij weer naar de Grote Stad. In die recensie sputterde Hans van den Heuvel (?) lichtjes over de productie, maar verder was hij enthousiast.
Dat de opvolger er al zo snel was, kwam doordat het enige tijd duurde voordat de Amerikaanse groep een distributiedeal tekende bij het Amsterdamse Roadrunner (sinds 1980 actief) en het kersverse Britse Music for Nations.

Ik was – en ben – een grote fan van het gitaarspel van Jack Starr. Op het debuut koppelde hij een Europese stijl (hij is van Franse afkomst, ik denk dat deze achternaam niet dezelfde is als in zijn paspoort) aan de epische composities van zanger David DeFeis. Op die momenten ontstaan er, net als op het debuut, nummers die een 10 waard zijn: The Redeemer sluit de A-kant af, het instrumentale Birth through Fire opent gedurende veertig seconden de B-kant als ouverture naar Guardians of the Flame.
De composities van Starr gaan over het leven op de straat of de glorie van heavy metal. Je ziet het al aan titels als het aardige Burn the Sun en mindere nummers als Life of Crime, Metal City en Hell or High Water.
De drie composities van DeFeis gaan over de liefde en twee ontstijgen de middelmaat: opener Don’t Say Goodbye (Tonight) met een heerlijke solo van Starr en de powerballade A Cry in the Night. Edwynn schreef bij de voorganger “…een heerlijk schizofreen debuutplaatje”, een kwalificatie die ook hier geldt met enerzijds epische en anderzijds aardse metal.

Anders dan Sinner hierboven in 2006 noteerde, beleef ik de heropnames van enkele nummers op Book of Burning (2002) als een stuk minder. Ja, de productie is moderner, maar ik mis Starr daar zó ontzettend! Als bewijsstukken voer ik zijn solo’s in The Redeemer en Guardians of the Flame aan: snel en wendbaar maar ook hoekig en onvoorspelbaar, met als extra attractie de tremolo. Starr speelt hier op het niveau en in de geest van de leermeesters Ritchie Blackmore en Tony Iommi, heel anders dan de shredderstijl van zijn opvolger. Zijn solo’s in de overige composities zijn overigens ook niet misselijk.

Net als op het debuut is op de hoes een verre planeet afgebeeld, de zang in een wolkje echo gehuld en de dubbele basdrum van Joey Ayvazian heerlijk vet. Een ruimer budget zorgde ervoor dat er nu wel een tekstvel bij zat (handig voor deze tiener met zijn matige Engels) en dat de foto’s op de achterzijde in kleur waren; waar ik bij de bedankjes de naam van Aardschoks Charles Hunfeld tegenkwam.

Net als het debuut is dit schijfje niet op streaming te vinden, op YouTube na; fans van heavy metal zullen zich echter met de aanschaf van Guardians of the Flame allesbehalve een buil vallen. Hierna verscheen de EP A Cry in the Night, die ik ook in huis heb. Daarover binnenkort meer.

Virgin Steele - The Book of Burning (2002)

poster
4,0
Virgin Steele maakte vanaf hun derde album Noble Savage (1985) enige furore met verhalende metal, waarin frontman David DeFeis voluit zijn fascinatie voor de antieke wereld en klassieke muziek combineerde met U.S. metal. Pas later gingen we dit power metal noemen, een subgenre dat een hele eigen aanhang heeft. Bij Virgin Steele leidde het tot een reeks albums die, als ik het goed heb gevolgd, tot en met The Black Light Bacchanalia (2010) enthousiast werd ontvangen. Daarna trad wisselvalligheid in. Of erger. Áls ik het goed heb gevolgd.

Nieuw in 1985 was gitarist Edward Pursino, die weliswaar razendsnel kan snarenracen, maar iedere robuustheid, timing, klassieke invulling en eigenwijsheid van zijn voorganger Jack Starr mist. Toch had ik zo'n tien jaar geleden ernstige heimwee naar de betere nummers uit de periode Jack Starr. Ik nam de gok en schafte The Book of Burning aan. Dit voor de acht tracks met nieuwe versies van nummers van de albums Virgin Steele (1982) en Guardians of the Flame (1983).
Qua productie waren die platen van (weliswaar betere) demokwaliteit, maar op ieder album werd ik steevast omver geblazen door de helft van de nummers. Die met verhalende metal en mythologische teksten, terwijl de groep daarnaast een bepaald soort partymetal opnam, waar ik dan weer niks mee had.

De helft van dit album bestaat uit heropnames van de eerste twee platen. DeFeis wijzigde zijn zanglijnen (niet verkeerd: minder gilletjes, meer laag, meer rauw) en toetsenarrangementen. Pursino is van het type shredder en zijn invulling is daarmee vloeiender en ronder dan die van zijn voorganger. Het geluid van de slaggitaren mist daardoor een echt rauw randje.

De cd ging al snel de kast in: de nieuwe arrangementen vond ik niks en vooral de invulling van Starr miste ik node. De remakes die ik tegenkwam zijn van Don't Say Goodbye, Children of the Storm, J.S. Bachs Minuet in G Minor (in 1982 het anonieme intro van Danger Zone), The Redeemer, instrumentaaltje Birth Through Fire, Guardians of the Flame en een akoestische versie van A Cry in the Night. Oorspronkelijk op de EP A Cry in the Night uit 1983 is de herbewerking van het majestueuze I Am the One.

Maar goed, een maand terug blies ik het stof van de cd en dan moet je ook je best doen. Dus heb ik het nog eens en nog eens en nog eens geprobeerd. En verrek, langzamerhand wenden de nieuwe jasjes.
Bijkomend voordeel is dat er mij onbekend werk op staat, dat meteen goed landde: de felle opener Conjuration of the Watcher op z'n speedmetals, een soortgelijke aanpak in Rain of Fire en The Succubus.

Soms werkt het totaal niet. Het spannendste deel van The Chosen Ones is het intro, want daarna komt een monotoon ritme en het slagwerk is dat van een saai geprogrammeerde drumcomputer. Hier hadden, net als in de eerste jaren, enkele tempowisselingen moeten worden toegevoegd. Ook Hellfire Woman kabbelt maar door, in Hot & Wild een ode aan de motor, mij te party. In The Final Days Defeis' apocalyptische visie op de wereld, verpakt in soms platte taal. Dan mis ik de epische lyrieken van weleer.

Voordeel is zeker dat de productie in tegenstelling tot die eerste twee albums in orde is. Fans van latere datum (dat zijn de meesten) zullen waarschijnlijk weinig kunnen met de jaren Jack Starr. Het is weer eens een smaakdingetje. Nu ik ben gewend, noteer ik een krappe 8.

Virgin Steele - Virgin Steele (1982)

poster
4,0
Na de doorbraak van de new wave of British heavy metal, maar nog vóór de Amerikaanse speed- en thrashmetalgolf was er een periode dat Amerikaanse heavy metal van zich liet horen. Drie groepen bereikten mijn oren: eerst Riot en later The Rods en Virgin Steele, allen uit de regio New York.

Het zal in het voorjaar van 1983 zijn geweest dat ik in Oor een recensie van het titelloze debuut van Virgin Steele las. Hierin werd gitarist Jack Starr heel positief omschreven. Ik wilde graag een nieuwe gitaarheld ontdekken; de eindexamens had ik zojuist na hard werken voltooid, een beloning was op zijn plaats. Op naar de Grote Stad.
Daar vond ik de science-fictionhoes indrukwekkend. De foto’s op de achterzijde overtuigden mij dat het qua heavy gehalte wel goed zat: het enorme zwaard dat zanger David DeFeis beethield zorgde ervoor dat ik bij voorbaat al om was. Zo kocht ik de plaat op de gok. Verras mij maar!
De plaat verscheen hier bij Music For Nations en dat zonder speciale binnenhoes. Op Discogs zie ik dat de Amerikaanse uitgave wél een tekstvel bevatte met daarop bedankjes aan onder andere "onze" Charles Hunfeld van Aardschok.

Op Virgin Steele trof ik enerzijds epische, verhalende metal aan in de traditie van het Rainbow met Ronnie James Dio, bij de New Yorkers in een eigen jasje. Avontuurlijk en krachtig. De nummers die DeFeis (zijn stem steevast in een wolkje echo) met Starr schreef, bleken veelal de beste. Op de A-kant waren dit vooral opener Danger Zone, dat begint met een klassiek thema, naar ik aannam van Johann Sebastian Bach; een uptempo nummer waarop de groep zich warm speelt. Na enkele hardrockachtige nummers waarin blues doorsijpelt, sluit Still in Love with You de A-zijde af; een powerballad waar Starr ondanks het “weke” onderwerp kan excelleren, bovendien voorzien van enkele tempowisselingen.
En dan de klapper. Children of the Storm opent de B-kant en is waarschijnlijk het beste nummer dat ik dat jaar tegenkwam. Veel variatie, sterk gedrumd door Joey Ayvazian met fraaie toetsenpartijen en fabuleus gitaarspel. Op Pulverizer is slechts een overstuurde gitaar te horen; Starr soleert bliksemsnel, wat extra werkte als ik de muziek extra hard zette: de noten knalden mijn kamer in... Tenslotte de titelsong met ook al een episch verhaal en diverse tempowisselingen, waar wederom lekker basdrumwerk klinkt.

Anderzijds klonken flauwere liedjes waar ik minder mee had, terwijl Starr desondanks lekker soleert en de ritmesectie (ook bassist Joe O'Reilly moet worden genoemd) wederom solide blijkt. In American Girl en Pictures on You klinken invloeden van Frank Marino, waar mijn maatje zo’n fan van was. Het is er bluesachtiger.
Waar je tegen moest kunnen waren de vele hoge uithalen van DeFeis, maar daar had ik geen bezwaar tegen. De productie was daarbij wat wollig, wat vooral duidelijk wordt als die gitaar-in-je-smoel-solo van Pulverizer wordt gevolgd door de blikkerige gitaarsound van Living in Sin.
De goede nummers vond ik echter van hoge kwaliteit, met Children als instant klassieker. Uiteraard probeerde ik enkele vrienden te overtuigen, dit met weinig succes.

De plaat is niet op streaming te vinden, uitgezonderd YouTube. Op heruitgaven wordt inmiddels bevestigd dat de eerste tonen van het album van Bach zijn geleend, vermeld als Minuet in G Minor.
Voor The Book of Burning (2001) heeft de band enkele nummers opnieuw opgenomen, maar ik prefereer absoluut de versies met Jack Starr: zijn spel en timing vind ik namelijk nog altijd briljant.
Voeg zijn kwaliteiten samen met de avontuurlijke composities die DeFeis voor dit album schreef en je hebt een alleraardigst album met een groep zoekende naar een eigen stijl. Ik waardeer het geheel op drieëneenhalve ster, maar de sterke nummers zijn minimaal een ster meer waard.

Visage - Visage (1980)

poster
3,5
Na zondag drie platen te hebben gedraaid uit de jaren ’70 (een Elkie Brooks uit 1977, een Jackson Browne uit datzelfde jaar en een Rory Gallagher uit 1974) keerde ik vandaag terug naar mijn reis door de synthesizer-new wave. Daar was ik bij 1980 aanbeland, te weten dit titelloze debuut van Visage.
Wat dan opvalt is hoe groot het contrast is tussen de jaren ’70 gitaarmuziek met zijn wortels in vooral blues met deze new wave. Plotseling besef ik weer hoe fris dit in 1980 klonk!

Visage kende ik van de prachtige hit Fade to Grey, dat in februari 1981 #24 haalde bij de Nationale Hitparade, in Vlaanderen (de BRT Top 30) zelfs #4. Daar was men waarschijnlijk nog meer gecharmeerd van de Franstalige stem van de Belgische Brigitte Arens, toen het liefje van drummer Rusty Egan. In mei werd Mind of a Toy bescheiden #42 in Nederland.
Mijn eerste vraag is altijd of een ouder album na zovele jaren overeind blijft, de tweede hoe zo’n album zich verhoudt tot de singles. Want dat laatste is vaak het enige dat ik ken(de), met streaming biedt zich echter de gelegenheid aan om de rest te horen.

Ik noem de naar mijn smaak sterkste nummers. Met de naar zichzelf vernoemde opener trapt Visage uptempo af. Het volgende sterke nummer is The Dancer, instrumentaal met scheurend gitaartje maar ook uitwaaierende toetsen. Als na 37 seconden een kleine gitaarsolo klinkt, gevolgd door een saxofoonlijn, denk ik onmiddellijk aan de Berlijntrilogie van David Bowie, wat ik als groot compliment bedoel. Het derde nummer op de A-kant wat me goed bevalt is de grote hitsingle, die deze zijde afsluit.

De B-kant opent met Malpaso Man, waarbij de volgende associatie voorbijkomt: die met The Stranglers, mede omdat de zangstijl van Steve Strange hier doet denken aan die van Hugh Cornwell. De groepen deelden producer Martin Rushent, wellicht heeft dat nog invloed gehad op die gelijkenis.
Mind of a Toy doet het op dit album goed, mede omdat het net wat ingetogener is. De typisch Engelse uitspraak brengt een Britse sfeer.
Moon over Moscow is vrolijk, het is het tweede instrumentaaltje met een eenvoudige, herhalende keyboardmelodie, als een voorloper van house; de ondersteuning is van een pseudo-Kozakkenkoor. Een derde instrumentaal nummer sluit hun debuut af: The Steps is duister als bij een zwart-witfilm uit vervlogen tijden, compleet met digitaal kerkorgel.

Pas vorige week ontdekte ik de bijzondere samenstelling van de groep: zanger Steve Strange kende ik, maar mij was onbekend dat Midge Ure en Billie Currie naast lid van Ultravox ook hier groepslid waren. En dat John McGeoch en Dave Formula en part-time bassist Barry Adamson uit Magazine kwamen, was mij indertijd ook ontgaan.
Een sterk debuut. Niet wereldschokkend, maar genoeg voor een stevige zeveneneenhalf.

Vive la Fête - Les Sauvages (2025)

poster
4,0
Rond 2012 zag ik Vive La Fête tweemaal live. Eénmaal op een bevrijdingsfestival en eenmaal in Tivoli. Als een kruising tussen The Cure en jaren '80 synthwave en dat met een dikke sensuele saus met ironische knipoog. Om het nog vreemder te maken: Vlamingen die Franstalig zongen, oui oui.

Na enkele albums kwam de klad erin, het pakte niet meer zo. Dat vond het duo kennelijk zelf ook, want na Destination Amour (2018) bleef het stil, tot in maart '25 Les Sauvages verscheen.

Dat ontdekte ik pas in december, vandaar dit ietwat late bericht. Bij herhaald draaien groeit het mini-album. Vijf nummers met de bekende combinatie van invloeden en toch fris. Want: goede liedjes met pakkende melodieën, dikke synths met soms een bijtend gitaartje en uiterst dansbaar.

Zoals slotlied Extraordinaire met haakjes in mijn brein slaat: "Il m’a emporté par la musique kitch-pop.
Il m’a rendu heureux, je me sentais tip-top.
On faisait la fête partout, non-stop"

Het klinkt simpel, maar zit geraffineerd in elkaar...