Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
16 Horsepower - 16 Horsepower (1995)

4,0
1
geplaatst: 16 juni 2024, 13:35 uur
Nadat Sackcloth 'n' Ashes in 1996 mijn leven was binnengedenderd, keek ik in de platenzaak of er meer van 16 Horsepower was te vinden. Het waren de hoogtijdagen van de cd, die het vinyl geheel uit de winkel had verdreven. Daarmee was het bladeren door de bakken minder romantisch.
Van de titelloze debuut-EP die ik van de groep tegenkwam werd ik echter blij. Niet in zo'n lelijk plastic doosje, door de industrie de te liefdevolle benaming 'jewel box' gegeven. Nee, in een kartonnen hoesje, toen nog een zeldzaamheid.
Opener Haw kende ik van Sackcloth, sterk nummer met z'n slidegitaar in combinatie met David Eugene Edwards' klagende countryzang. De rest was nieuw. In South Pennsylvania Waltz meer blues met die pakkende stem en de nodige dynamiekverschillen. Country domineert in Shametown, of is het countryblues? Met diverse tempowisselingen een sterk nummer.
Straight Mouth Stomp duurt nog geen twee minuten en daarin een accordeon, gevolgd door het uptempo Coal Black Horses, waarin blues en country weer om voorrang strijden. Van Oor en de VPRO wist ik dat Edwards een diepgelovig mens is waarbij uit zijn teksten blijkt dat hij niet zelfingenomen kan zijn. Tegelijkertijd is hij duidelijk in de regels "The sky will open up and an angel blow his horn (...) When he comes at his table I'll dine".
In het uitgelaten slotlied I Gotta Gal overheerst dankzij de banjo het laatste genre, Edwards klinkt er zowaar bijna vrolijk!
Niet zo sterk als Sackcloth, wel een heerlijke inleiding daarop. Ja, er klinken veel blues en country in door, maar het is géén blues of country of countryblues. Dankzij de kenmerkende composities en zangstijl van Edwards, die er zijn eigen vorm van Americana van maakt. Nog altijd een favorietje!
Van de titelloze debuut-EP die ik van de groep tegenkwam werd ik echter blij. Niet in zo'n lelijk plastic doosje, door de industrie de te liefdevolle benaming 'jewel box' gegeven. Nee, in een kartonnen hoesje, toen nog een zeldzaamheid.
Opener Haw kende ik van Sackcloth, sterk nummer met z'n slidegitaar in combinatie met David Eugene Edwards' klagende countryzang. De rest was nieuw. In South Pennsylvania Waltz meer blues met die pakkende stem en de nodige dynamiekverschillen. Country domineert in Shametown, of is het countryblues? Met diverse tempowisselingen een sterk nummer.
Straight Mouth Stomp duurt nog geen twee minuten en daarin een accordeon, gevolgd door het uptempo Coal Black Horses, waarin blues en country weer om voorrang strijden. Van Oor en de VPRO wist ik dat Edwards een diepgelovig mens is waarbij uit zijn teksten blijkt dat hij niet zelfingenomen kan zijn. Tegelijkertijd is hij duidelijk in de regels "The sky will open up and an angel blow his horn (...) When he comes at his table I'll dine".
In het uitgelaten slotlied I Gotta Gal overheerst dankzij de banjo het laatste genre, Edwards klinkt er zowaar bijna vrolijk!
Niet zo sterk als Sackcloth, wel een heerlijke inleiding daarop. Ja, er klinken veel blues en country in door, maar het is géén blues of country of countryblues. Dankzij de kenmerkende composities en zangstijl van Edwards, die er zijn eigen vorm van Americana van maakt. Nog altijd een favorietje!
16 Horsepower - Hoarse (2001)
Alternatieve titel: Live

4,5
3
geplaatst: 6 oktober 2024, 09:19 uur
Gekocht bij het concert dat Sixteen Horsepower gaf op een warme zomeravond in Paradiso, Amsterdam. Ik vermoed dat dit 2 juni 2000 is geweest, met hulp van setlist.fm - toen lag Hoarse namelijk nog niet in de winkels, maar wél bij hun concerten. Of ben ik in de war met 26 augustus 2002 toen ze opnieuw in Paradiso stonden?
Zeker is dat bij de cd een erratum werd geleverd, een los blaadje met de correcte trackvolgorde. Het album geeft een goed beeld van hetgeen de groep op dat moment voorstond. En dat betekent dat de muziek met als startpunt country en countryblues steeds harder werd, waarin de voorliefde van David Eugene Edwards voor (post-)punk werd beleden.
Maar vooral klinkt zijn liefde voor de Heer: Edwards draaide er niet omheen. Zo coverde hij met zijn vierhoofdige groep Bad Moon Risin' van Creedence Clearwater Revival, verbouwd tot een trager nummer met in blues gedrenkte slidegitaar. Regel "The end is comin' soon" is echter gewijzigd in "I know the end, He will come soon, oh yes He will." Bijzonder toch dat hij met deze boodschap zo populair was in de wereld van alternatieve popmuziek van pakkumbeet Oor en VPRO. Het erratumblad vermeldt overigens dat dit een eigen compositie is, terwijl bij de afsluiters wél de oorspronkelijke vertolkers staan vermeld.
Kleine wijzigingen zijn te horen in de arrangementen, zoals een iets andere banjopartij of drumpatroon. Vooral is het intens, ook vanaf cd. Dat was het in de zaal helemaal. Van het concert herinner ik me dat het volume ten opzichte van het vorige concert dat ik indertijd zag (Tivoli, Utrecht in 1996? - mijn geheugen is een gatenkaas, had ik de concertkaartjes maar bewaard...) een stuk hoger was. Dat is hoorbaar aan het einde van Hoarse, waar het punkachtige Fire Spirit van de The Gun Club en Day of the Lords van Joy Division worden gecoverd. Gelukkig belandden die covers op Hoarse en opnieuw krijg ik de indruk dat Edwards zijn persoonlijke insteek in de teksten stopte.
De ruim 52 minuten bevatten uiteraard geen volledige weergave van de setlist van de groep, wél een meer dan pakkende samenvatting die bovendien helder is vastgelegd. De eerste drie studioalbums gaf ik de volle mep en deze een 9,5, uitgedrukt in 4,5 ster.
Na Hoarse en Folklore volgden geen reguliere albums meer, wel de compilatie Olden (2003) die ik indertijd oversloeg. Misschien toch maar eens aanschaffen als ik 'm tegenkom. Ondertussen werd duidelijk dat 16Hp was ontbonden en dat Edwards actief was met de nieuwe groep Wovenhand, albums die ik binnenkort wil herverkennen.
Zeker is dat bij de cd een erratum werd geleverd, een los blaadje met de correcte trackvolgorde. Het album geeft een goed beeld van hetgeen de groep op dat moment voorstond. En dat betekent dat de muziek met als startpunt country en countryblues steeds harder werd, waarin de voorliefde van David Eugene Edwards voor (post-)punk werd beleden.
Maar vooral klinkt zijn liefde voor de Heer: Edwards draaide er niet omheen. Zo coverde hij met zijn vierhoofdige groep Bad Moon Risin' van Creedence Clearwater Revival, verbouwd tot een trager nummer met in blues gedrenkte slidegitaar. Regel "The end is comin' soon" is echter gewijzigd in "I know the end, He will come soon, oh yes He will." Bijzonder toch dat hij met deze boodschap zo populair was in de wereld van alternatieve popmuziek van pakkumbeet Oor en VPRO. Het erratumblad vermeldt overigens dat dit een eigen compositie is, terwijl bij de afsluiters wél de oorspronkelijke vertolkers staan vermeld.
Kleine wijzigingen zijn te horen in de arrangementen, zoals een iets andere banjopartij of drumpatroon. Vooral is het intens, ook vanaf cd. Dat was het in de zaal helemaal. Van het concert herinner ik me dat het volume ten opzichte van het vorige concert dat ik indertijd zag (Tivoli, Utrecht in 1996? - mijn geheugen is een gatenkaas, had ik de concertkaartjes maar bewaard...) een stuk hoger was. Dat is hoorbaar aan het einde van Hoarse, waar het punkachtige Fire Spirit van de The Gun Club en Day of the Lords van Joy Division worden gecoverd. Gelukkig belandden die covers op Hoarse en opnieuw krijg ik de indruk dat Edwards zijn persoonlijke insteek in de teksten stopte.
De ruim 52 minuten bevatten uiteraard geen volledige weergave van de setlist van de groep, wél een meer dan pakkende samenvatting die bovendien helder is vastgelegd. De eerste drie studioalbums gaf ik de volle mep en deze een 9,5, uitgedrukt in 4,5 ster.
Na Hoarse en Folklore volgden geen reguliere albums meer, wel de compilatie Olden (2003) die ik indertijd oversloeg. Misschien toch maar eens aanschaffen als ik 'm tegenkom. Ondertussen werd duidelijk dat 16Hp was ontbonden en dat Edwards actief was met de nieuwe groep Wovenhand, albums die ik binnenkort wil herverkennen.
16 Horsepower - Low Estate (1997)

5,0
3
geplaatst: 21 juli 2024, 08:33 uur
Hoera, een nieuwe Sixteen Horsepower, dacht ik bij het verschijnen van Low Estate. Hierboven las ik enkele verhalen in de trant van 'niet zo goed als het debuut'. De voorbije twintig (?) jaar heb ik de groep in de cd-kast laten staan, andere muziekjes vroegen mijn aandacht. Nu ik hem echter de voorbije vier weken terug hoorde, was ik opnieuw blij verrast door de sterke composities, de grote variatie in stijlen, ritmes, tempo's en instrumenten én de unieke combinatie van in doomwave gedrenkte roots-blues-country.
Alsof dat niet afwijkend genoeg was, verwoordde frontman David Eugene Edwards zijn ontzag voor de Schepper in ongewone teksten: "Just as sure as by evil you are torn, the sky will open up, an' an angel blow his horn, an' down come Jesus lookin' so fine, just as sure as that girl she is mine...." zingt hij bijvoorbeeld in Coal Black Horses. Zelfs in kringen van de "betere popsmaak" viel dit goed, buiten die van de christelijke wereld - voor wie de muziek in de meeste gevallen te bizar zal zijn geweest.
De groep was inmiddels uitgebreid met violist/gitarist/cellist/organist Jeffrey Paul. Zijn bijdragen verrijken het geluid, dat baadt in de warme productie van John Parish. Na zovele jaren valt me op hoeveel muziek in mijn brein was opgeslagen, inclusief breaks, tekstflarden of de vervreemdende piano in Phyllis Ruth.
Dan kan ik favorieten gaan noemen, maar opnieuw bleek dat ieder nummer wel een favoriet is. Juist door de enorme variatie in muziek, grote passie in voordracht en troostvolle teksten van een zanger, die gelijktijdig getormenteerd overkomt. Met liefde geef ik opnieuw de volle vijf sterren.
In de maanden erna kocht ik de EP's Coal Black Horses en The Partisan. Ze maakten mijn fascinatie alleen maar groter.
Ik kocht Low Estate dus bij verschijnen en die heeft een afwijkende tracklist dan MuMe heeft. Ik denk toch echt dat de mijne de oorspronkelijke is met onder meer Coal Black Horses als reguliere track. Vijfsterrenalbum.
Alsof dat niet afwijkend genoeg was, verwoordde frontman David Eugene Edwards zijn ontzag voor de Schepper in ongewone teksten: "Just as sure as by evil you are torn, the sky will open up, an' an angel blow his horn, an' down come Jesus lookin' so fine, just as sure as that girl she is mine...." zingt hij bijvoorbeeld in Coal Black Horses. Zelfs in kringen van de "betere popsmaak" viel dit goed, buiten die van de christelijke wereld - voor wie de muziek in de meeste gevallen te bizar zal zijn geweest.
De groep was inmiddels uitgebreid met violist/gitarist/cellist/organist Jeffrey Paul. Zijn bijdragen verrijken het geluid, dat baadt in de warme productie van John Parish. Na zovele jaren valt me op hoeveel muziek in mijn brein was opgeslagen, inclusief breaks, tekstflarden of de vervreemdende piano in Phyllis Ruth.
Dan kan ik favorieten gaan noemen, maar opnieuw bleek dat ieder nummer wel een favoriet is. Juist door de enorme variatie in muziek, grote passie in voordracht en troostvolle teksten van een zanger, die gelijktijdig getormenteerd overkomt. Met liefde geef ik opnieuw de volle vijf sterren.
In de maanden erna kocht ik de EP's Coal Black Horses en The Partisan. Ze maakten mijn fascinatie alleen maar groter.
Ik kocht Low Estate dus bij verschijnen en die heeft een afwijkende tracklist dan MuMe heeft. Ik denk toch echt dat de mijne de oorspronkelijke is met onder meer Coal Black Horses als reguliere track. Vijfsterrenalbum.
16 Horsepower - Secret South (2000)

5,0
4
geplaatst: 11 augustus 2024, 08:13 uur
Najaar 2000. Op muziekjacht met een maatje in Den Haag. Ik kocht er een EP (vinyl) van Philip Lynott. Daarna kwamen we in een winkel met louter cd’s, zoals er in die tijd veel waren. We werden er door de chagrijnige eigenaar weggemopperd toen we vroegen naar een cd die hij niet had staan: “Jullie zijn toch alleen maar in elpees geïnteresseerd!” was het verwijt. Hij vergiste zich. Diezelfde dag kocht ik elders in de stad de cd van Secret South.
Rond diezelfde tijd was bij de VPRO de documentaire The Preacher bij de VPRO te zien, gemaakt door Sarah Vos en Gijsbert Kamer. Hoera, op JijBuis te vinden! Je komt het nodige te weten over Edwards, zijn gezin, de muziek en de invloeden daarop vanuit zijn jeugd. Alternatief Nederland hield van Edwards. Oor, VPRO en concertzalen voorop.
Omvergeblazen door het eerdere werk was het wel weer spannend of hij wederom traditionele country en folk pakkend kon combineren met postpunk annex doomwave. En of daar ontwikkeling in zou zitten: hij leek me niet iemand die keer op keer hetzelfde zou doen, al leken Sackcloth & Ashes en Low Estate sterk op elkaar.
Opgenomen in Blue River in zijn Colorado, VS, gemixt in Bath, Engeland en gemasterd in Northeim, Duitsland, waar de groep na twee albums voor A&M in Glitterhouse een nieuw label vond.
Opnieuw geldt: alhoewel jarenlang niet gedraaid, blijkt de muziek nog rijkelijk door mijn brein herkend te worden. Refreinen, gitaarlijnen, tekstflarden en de sfeer. Alsof ik een oude vriend na jaren weer tegenkom, om de draad meteen weer op te pakken.
Dezelfde bezetting als op het vorige album en toch anders. Op Secret South bleek de muziek bedachtzamer, passend bij de herfst die we waren ingegaan. Minder banjo, minder uptempo, meer reflectief. Zoals ik ze voor het eerst hoorde op EP The Partisan.
Opnieuw waag ik me niet aan het noemen van favorieten, maar de sterkere inbreng van piano, strijkers en het contemplatieve spel op accordeon brengen nieuwe accenten en sferen, tegelijkertijd nog helemaal als Sixteen Horsepower klinkend. Na een uptempo begin met Clogger volgt de prachtige traditional Wayfaring Stranger, mij toen nog onbekend. Deze alt.-aanpak is nog steeds één van de mooiste versies die ik ken. Cinder Alley met zijn wiegende cello’s, de piano van Morning Rush. Meer van dat gevarieerde fraais volgt, zoals de dynamiekverschillen in het juweeltje Splinters, waar melancholieke post-punk echoot. Of de wonderschone melodie en viool in Just Like Birds, de dronegeluiden van de cello en in contrast daarmee een vederlichte xylofoon (?). In afsluiter Straw Foot een sacrale tekst zoals alleen Edwards ze kan schrijven.
Net als toen, die donkere, grijze winter van 2000 – 2001 in een grauwe flatwijk, blijkt de muziek in deze warme juli- en augustusdagen in een groene omgeving... verslavend mooi.
De scarabee op de hoes verwijst naar de dood, leerde ik uit een interview. De teksten in het boekje lijken in de typografie op woordzoekers – ik houd niet van zulk gepuzzel, maar David Eugene Edwards’ teksten zijn zonder hulp verstaanbaar genoeg. Heb ik ooit een groep driemaal vijf sterren gegeven voor een album? Denk het niet, maar de derde volle mep op rij is een feit.
Rond diezelfde tijd was bij de VPRO de documentaire The Preacher bij de VPRO te zien, gemaakt door Sarah Vos en Gijsbert Kamer. Hoera, op JijBuis te vinden! Je komt het nodige te weten over Edwards, zijn gezin, de muziek en de invloeden daarop vanuit zijn jeugd. Alternatief Nederland hield van Edwards. Oor, VPRO en concertzalen voorop.
Omvergeblazen door het eerdere werk was het wel weer spannend of hij wederom traditionele country en folk pakkend kon combineren met postpunk annex doomwave. En of daar ontwikkeling in zou zitten: hij leek me niet iemand die keer op keer hetzelfde zou doen, al leken Sackcloth & Ashes en Low Estate sterk op elkaar.
Opgenomen in Blue River in zijn Colorado, VS, gemixt in Bath, Engeland en gemasterd in Northeim, Duitsland, waar de groep na twee albums voor A&M in Glitterhouse een nieuw label vond.
Opnieuw geldt: alhoewel jarenlang niet gedraaid, blijkt de muziek nog rijkelijk door mijn brein herkend te worden. Refreinen, gitaarlijnen, tekstflarden en de sfeer. Alsof ik een oude vriend na jaren weer tegenkom, om de draad meteen weer op te pakken.
Dezelfde bezetting als op het vorige album en toch anders. Op Secret South bleek de muziek bedachtzamer, passend bij de herfst die we waren ingegaan. Minder banjo, minder uptempo, meer reflectief. Zoals ik ze voor het eerst hoorde op EP The Partisan.
Opnieuw waag ik me niet aan het noemen van favorieten, maar de sterkere inbreng van piano, strijkers en het contemplatieve spel op accordeon brengen nieuwe accenten en sferen, tegelijkertijd nog helemaal als Sixteen Horsepower klinkend. Na een uptempo begin met Clogger volgt de prachtige traditional Wayfaring Stranger, mij toen nog onbekend. Deze alt.-aanpak is nog steeds één van de mooiste versies die ik ken. Cinder Alley met zijn wiegende cello’s, de piano van Morning Rush. Meer van dat gevarieerde fraais volgt, zoals de dynamiekverschillen in het juweeltje Splinters, waar melancholieke post-punk echoot. Of de wonderschone melodie en viool in Just Like Birds, de dronegeluiden van de cello en in contrast daarmee een vederlichte xylofoon (?). In afsluiter Straw Foot een sacrale tekst zoals alleen Edwards ze kan schrijven.
Net als toen, die donkere, grijze winter van 2000 – 2001 in een grauwe flatwijk, blijkt de muziek in deze warme juli- en augustusdagen in een groene omgeving... verslavend mooi.
De scarabee op de hoes verwijst naar de dood, leerde ik uit een interview. De teksten in het boekje lijken in de typografie op woordzoekers – ik houd niet van zulk gepuzzel, maar David Eugene Edwards’ teksten zijn zonder hulp verstaanbaar genoeg. Heb ik ooit een groep driemaal vijf sterren gegeven voor een album? Denk het niet, maar de derde volle mep op rij is een feit.
20/20 - 20/20 (1979)

3,5
1
geplaatst: 18 oktober 2024, 07:27 uur
Californische powerpop, verschenen in oktober 1979. Muzikaal redelijk verwant aan The Knack uit diezelfde staat. Bij 20/20 echter veel meerstemmige zang dankzij twee gitaristen annex leadvocalisten genaamd Steve Allen en Chris Silagyi, die afwisselend het voortouw nemen en invloeden van de Britse glamrock uit de hoogtijdagen rond 1973. Dat is in het kort wat je op het titelloze debuut van de groep hoort.
Bij herhaald draaien val ik echter vooral voor de capaciteiten van drummer Mike Gallo, die groovet als de beste met de juiste snareslagen / breaks / fills / bekkens op de juiste momenten, daarmee de liedjes naar een hoger peil meppend. Liefhebbers van het werk van stokkenman Clem Burke van Blondie zouden dit 20/20 eens moeten horen.
Mijn favorieten: Cheri, Tonight We Fly, Remember the Lightning, She's an Obsession, Backyard Guys en Action Now, dat met z'n akkoordenreeks enerzijds een lichte versie van rockklassieker Born to Be Wild lijkt en anderzijds alsof het geleend is van één van de eerste albums van Cheap Trick. Supermelodieus en ik herhaal het maar, vaak tweestemmig.
Hoe fris en fruitig kon Amerikaanse new wave klinken... En dan te bedenken dat deze groep nogal vergeten is; dit verdient meer!
Mijn reis door new wave in 1979 kwam van het tweede album van de Schotse Skids en omdat ik het debuut van The Knack, de derde van de The Boomtown Rats en de vierde van The Stranglers al eerder besprak, is het tijd voor het album dat onlangs door Oor tot beste postpunkalbum ooit werd verkozen: 154 van Wire.
Bij herhaald draaien val ik echter vooral voor de capaciteiten van drummer Mike Gallo, die groovet als de beste met de juiste snareslagen / breaks / fills / bekkens op de juiste momenten, daarmee de liedjes naar een hoger peil meppend. Liefhebbers van het werk van stokkenman Clem Burke van Blondie zouden dit 20/20 eens moeten horen.
Mijn favorieten: Cheri, Tonight We Fly, Remember the Lightning, She's an Obsession, Backyard Guys en Action Now, dat met z'n akkoordenreeks enerzijds een lichte versie van rockklassieker Born to Be Wild lijkt en anderzijds alsof het geleend is van één van de eerste albums van Cheap Trick. Supermelodieus en ik herhaal het maar, vaak tweestemmig.
Hoe fris en fruitig kon Amerikaanse new wave klinken... En dan te bedenken dat deze groep nogal vergeten is; dit verdient meer!
Mijn reis door new wave in 1979 kwam van het tweede album van de Schotse Skids en omdat ik het debuut van The Knack, de derde van de The Boomtown Rats en de vierde van The Stranglers al eerder besprak, is het tijd voor het album dat onlangs door Oor tot beste postpunkalbum ooit werd verkozen: 154 van Wire.
999 - 999 (1978)

3,5
0
geplaatst: 10 augustus 2024, 15:56 uur
Ik kende de groep 999 niet, maar dankzij Cherry Red Records wordt dat goedgemaakt. Dit debuut (#53 in maart 1978 in de Britse albumlijst) is gisteren door het label als 2cd uitgebracht, samen met opvolger Separates uit hetzelfde jaar.
Dit werd indertijd punk genoemd, met de oren van nu hoor ik vooral venijnige powerpop. Veel nummers klokken al onder de drie minuten. Dat doen ze twaalf maal, de vier van 999 knallen strak en voortvarend door de liedjes. Felste nummers zijn I'm Alive en vooral Pity (aha, tóch punk!), in Crazy komen energie en melodie fraai samen, bij Emergency zou je kunnen denken aan het vroege werk van XTC en in Nobody Knows zowaar lekker gesoleer op de zes snaren!
Niet opzienbarend, ook toen niet. Wél aangenaam.
Dit werd indertijd punk genoemd, met de oren van nu hoor ik vooral venijnige powerpop. Veel nummers klokken al onder de drie minuten. Dat doen ze twaalf maal, de vier van 999 knallen strak en voortvarend door de liedjes. Felste nummers zijn I'm Alive en vooral Pity (aha, tóch punk!), in Crazy komen energie en melodie fraai samen, bij Emergency zou je kunnen denken aan het vroege werk van XTC en in Nobody Knows zowaar lekker gesoleer op de zes snaren!
Niet opzienbarend, ook toen niet. Wél aangenaam.
999 - Concrete (1981)

3,5
0
geplaatst: 13 januari, 18:22 uur
Mei 1981. Nadat Adam and the Ants met Stand and Deliver de week ervoor meteen op #1 landden, betreedt 999 de Britse hitlijst voor een schamele éénweekse notering op #71.
Op hun vierde album Concrete is de groep een kwartet geworden, nadat men op The Biggest Prize in Sport nog met z'n vijven was - min of meer noodgedwongen met twee drummers, omdat Pablo LaBrittain na een ongeval tijdelijk was vervangen.
De vier beginnen met de vinnige rock 'n' roll van So Greedy, gevolgd door het midtempo en nonchalant gezongen Little Red Riding Hood (#59 in juli), dat bovendien lekkere 'owwwwws' kent. Meer van die nonchalance in Break It Up. Poppunk of powerpop? U zegt het maar.
Ieder nummer is net wat kalmer dan de vorige, zo ook met Taboo, maar dan gaat het tempo omhoog met Mercy Mercy, dat weliswaar weg heeft van The Clash en Rock the Casbah van het jaar erna, maar tegelijkertijd klinkt zoals 999 altijd al deed: licht verteerbare gitaartjes, melodieën, koortjes en een punkattitude. Kant 1 sluit af met het swingende Fortune Teller inclusief oh-ho-ho-koortjes.
Obsessed trapt kant 2 af met zijn roepzang en westernsferen; ik hoor warempel enige overeenkomst met één van de nummers op het album van Adam and the Ants. De vrolijke poppunk van 999 heeft inderdaad enkele overeenkomsten daarmee. Ook aangenaam is Silent Anger met lekkere gitaarlijnen van zanger Nick Cash en Guy Days, inclusief reggae in de brug. Een bescheiden orgeltje in That's the Way It Goes en opnieuw denk ik dat fans van The Clash hier blij van worden.
Bongos on the Nile is een midtempo instrumentaal tussendoortje; de ruimtelijke productie van Vic Maile klinkt op zijn rijkst in Don't You Know I Need You, een nummer als een kruising tussen The Clash en The Romantics en met Public Enemy No. 1 is het alsof we naar het titelnummer van een thrillerfilm luisteren, waarbij enige invloed van de jaren '60 en The Kinks.
Concrete kende net als de voorganger bescheiden succes in de VS: kwam die tot #177, deze haalde er #192. Het staat niet in zijn geheel op mijn streamingdienst, al vond ik enkele nummers ervan op verzameld werk. Wél kwam ik het tegen op YouTube.
Het volgende nummer op mijn afspeellijsten met new wave is Careless Memories van Duran Duran, maar omdat ik hun titelloze debuut al eerder besprak, vervolg ik bij Toyah en Anthem: single I Want to Be Free kwam op 10 mei 1981 mét de genoemde singles van 999 en Duran Duran de Britse hitlijst binnen.
Op hun vierde album Concrete is de groep een kwartet geworden, nadat men op The Biggest Prize in Sport nog met z'n vijven was - min of meer noodgedwongen met twee drummers, omdat Pablo LaBrittain na een ongeval tijdelijk was vervangen.
De vier beginnen met de vinnige rock 'n' roll van So Greedy, gevolgd door het midtempo en nonchalant gezongen Little Red Riding Hood (#59 in juli), dat bovendien lekkere 'owwwwws' kent. Meer van die nonchalance in Break It Up. Poppunk of powerpop? U zegt het maar.
Ieder nummer is net wat kalmer dan de vorige, zo ook met Taboo, maar dan gaat het tempo omhoog met Mercy Mercy, dat weliswaar weg heeft van The Clash en Rock the Casbah van het jaar erna, maar tegelijkertijd klinkt zoals 999 altijd al deed: licht verteerbare gitaartjes, melodieën, koortjes en een punkattitude. Kant 1 sluit af met het swingende Fortune Teller inclusief oh-ho-ho-koortjes.
Obsessed trapt kant 2 af met zijn roepzang en westernsferen; ik hoor warempel enige overeenkomst met één van de nummers op het album van Adam and the Ants. De vrolijke poppunk van 999 heeft inderdaad enkele overeenkomsten daarmee. Ook aangenaam is Silent Anger met lekkere gitaarlijnen van zanger Nick Cash en Guy Days, inclusief reggae in de brug. Een bescheiden orgeltje in That's the Way It Goes en opnieuw denk ik dat fans van The Clash hier blij van worden.
Bongos on the Nile is een midtempo instrumentaal tussendoortje; de ruimtelijke productie van Vic Maile klinkt op zijn rijkst in Don't You Know I Need You, een nummer als een kruising tussen The Clash en The Romantics en met Public Enemy No. 1 is het alsof we naar het titelnummer van een thrillerfilm luisteren, waarbij enige invloed van de jaren '60 en The Kinks.
Concrete kende net als de voorganger bescheiden succes in de VS: kwam die tot #177, deze haalde er #192. Het staat niet in zijn geheel op mijn streamingdienst, al vond ik enkele nummers ervan op verzameld werk. Wél kwam ik het tegen op YouTube.
Het volgende nummer op mijn afspeellijsten met new wave is Careless Memories van Duran Duran, maar omdat ik hun titelloze debuut al eerder besprak, vervolg ik bij Toyah en Anthem: single I Want to Be Free kwam op 10 mei 1981 mét de genoemde singles van 999 en Duran Duran de Britse hitlijst binnen.
999 - Separates (1978)

4,0
1
geplaatst: 12 augustus 2024, 13:03 uur
Op reis door new wave reis ik van de derde van Sham 69 uit 1979 terug naar '78. Het Londense 999 behoorde tot de eerste punkgolf, in 1978 twee albums uitbrengend. Maar kijk eens naar de hoes van dit Separates en dat van hun titelloze debuut. Geen zwart leren jasjes, geen gescheurde kleertjes, geen buttons. Wel kleurige kleren, op de voorganger bovendien met een kleurige achtergrond. En kort en vaak fel geverfd haar, alsof dit 1981 is, de tijd dat de new romantics de pop- én modewereld veroverden. Vorige week verschenen de twee elpees als een uitgebreide 2cd-rerelease bij Cherry Red, zie hier.
Klonk op het debuut venijnige powerpop op het randje van punk, de groep ontwikkelde binnen een jaar hun geluid. Op Separates duren de nummers langer en al blijft de zang van Nick Cash erg vinnig, met de riffjes en solo's van hem en Guy Days viel langzamerhand het eurootje: hier klinken invloeden van glamrock, waarbij ik vooral aan T-Rex moet denken.
We gaan dus regelmatig terug naar de eerste helft van de jaren '70 met stevige gitaren, energieke composities en melodieus-felle zang. De liedjes zijn langer geworden. Met elf nummers eentje minder dan de voorganger, waarbij het album bijna vier minuten langer duurt.
Powerpop in glamrockstijl domineert in de uptempo nummers Let's Face It, Out of Reach en het voor een energie- of autoreclame zéér geschikte High Energy Plan met zijn pakkende refrein. Een stampende glamrockriff in Wolf en iets dergelijks in het pompende Subterfuge met zijn Kinksachtige riff.
Daarnaast worden meer invloeden geïntegreerd. Het onheilspellende Crime (Medley) heeft een jazzachtig slot dankzij de baslijn van Jon Watson, waar producer Martin Rushent (hij deed The Stranglers maar ook Shirley Bassey) gierende autobanden en pistoolschoten aan toevoegde. Op Feelin' Alright with the Crew komt ska binnenwaaien, een jaar voordat The Clash furore zou maken met een soortgelijke crossover. In Brightest View een staccato riff á la London Calling; je vraagt je af waarom The Clash zoveel furore maakte terwijl 999 nooit tot grote populariteit steeg.
De plaat leverde tevens hun grootste hit ooit op: het midtempo Homicide haalde in november 1978 #40 in de British Charts. Waar het albumdebuut wél de albumlijst haalde, faalde Separates. Vreemd. Wellicht dat frontman Nick Cash zelf kan helpen?
Op hun website vertelt hij zelf de historie van de groep, die overigens nog altijd actief is. Zo blijkt hij onder de naam Keith Lucas met Ian Dury Kilburn & the High Roads te hebben opgericht, ontwierp Malcolm McLaren in diezelfde periode zijn kleding en werd Homicide getroffen door een BBC-boycot.
Sterk vervolg van het aardige debuut, kruisbestuiving van glamrock, powerpop en punk. Bovendien koplopers van ontwikkelingen die in/na 1979 gemeengoed zouden worden, met name de invloeden van reggae en ska op new wave en de kleurige kleding.
De reis door albums achter mijn afspeellijsten met nummers uit new wave vervolgt met de in maart 1979 verschenen tweede van Magazine.
Klonk op het debuut venijnige powerpop op het randje van punk, de groep ontwikkelde binnen een jaar hun geluid. Op Separates duren de nummers langer en al blijft de zang van Nick Cash erg vinnig, met de riffjes en solo's van hem en Guy Days viel langzamerhand het eurootje: hier klinken invloeden van glamrock, waarbij ik vooral aan T-Rex moet denken.
We gaan dus regelmatig terug naar de eerste helft van de jaren '70 met stevige gitaren, energieke composities en melodieus-felle zang. De liedjes zijn langer geworden. Met elf nummers eentje minder dan de voorganger, waarbij het album bijna vier minuten langer duurt.
Powerpop in glamrockstijl domineert in de uptempo nummers Let's Face It, Out of Reach en het voor een energie- of autoreclame zéér geschikte High Energy Plan met zijn pakkende refrein. Een stampende glamrockriff in Wolf en iets dergelijks in het pompende Subterfuge met zijn Kinksachtige riff.
Daarnaast worden meer invloeden geïntegreerd. Het onheilspellende Crime (Medley) heeft een jazzachtig slot dankzij de baslijn van Jon Watson, waar producer Martin Rushent (hij deed The Stranglers maar ook Shirley Bassey) gierende autobanden en pistoolschoten aan toevoegde. Op Feelin' Alright with the Crew komt ska binnenwaaien, een jaar voordat The Clash furore zou maken met een soortgelijke crossover. In Brightest View een staccato riff á la London Calling; je vraagt je af waarom The Clash zoveel furore maakte terwijl 999 nooit tot grote populariteit steeg.
De plaat leverde tevens hun grootste hit ooit op: het midtempo Homicide haalde in november 1978 #40 in de British Charts. Waar het albumdebuut wél de albumlijst haalde, faalde Separates. Vreemd. Wellicht dat frontman Nick Cash zelf kan helpen?
Op hun website vertelt hij zelf de historie van de groep, die overigens nog altijd actief is. Zo blijkt hij onder de naam Keith Lucas met Ian Dury Kilburn & the High Roads te hebben opgericht, ontwierp Malcolm McLaren in diezelfde periode zijn kleding en werd Homicide getroffen door een BBC-boycot.
Sterk vervolg van het aardige debuut, kruisbestuiving van glamrock, powerpop en punk. Bovendien koplopers van ontwikkelingen die in/na 1979 gemeengoed zouden worden, met name de invloeden van reggae en ska op new wave en de kleurige kleding.
De reis door albums achter mijn afspeellijsten met nummers uit new wave vervolgt met de in maart 1979 verschenen tweede van Magazine.
999 - The Biggest Prize in Sport (1980)

3,0
0
geplaatst: 28 januari 2025, 17:46 uur
Op reis door new wave van 1980 kom ik van de postpunk van het wat sombere A Certain Ratio bij het vrolijke 999. De groep behoorde tot de eerste golf Britse punk en na twee albums in 1978 volgde op 18 januari 1980 hun derde.
Single Found out too Late was in oktober 1979 vooruitgeschoven en haalde in de Britse lijst slechts #69. Het kwam niet op de U.K.-versie van The Biggest Prize in Sport, dat de albumlijst niet haalde; wél op de Noorse persing te vinden, leert Discogs.
De eerste twee van 999 leunden al sterk op powerpop en dat geldt ook voor deze. Sterker nog: is dit nog wel punk? Vriendelijke melodietjes met scheurende gitaartjes is namelijk de formule en in Trouble een vleugje reggae. Boos is het zeker níét.
Van powerpop houd ik zéker, maar zang en melodieën zijn in dit geval nog eens niet zo pakkend. Hoogtepunten zijn de stoempende opener Boys in the Gang, het springerige Fun Thing, het vlotte titelnummer met z'n hoge koortjes, het vrindelijk rockende Stranger dat wat Beatlesachtig is én het grimmigste nummer van de plaat English Wipeout. Die laatste lijkt in de coupletten wel geïnspireerd lijkt op Steppenwolfs Born to Be Wild.
Je zou de groep kunnen vergelijken met voorgangers als glamrockers Sweet en Mud. Of tijdgenoten The Boys, eveneens van de eerste punkgolf. Of je ziet ze als een voorloper van Weezer, dat veertien jaar later debuteerde met hun "nerdgrunge".
Duidelijk is dat de sfeer meestal van optimisme overloopt, met aan het slot enige dikke knipogen naar jaren '50 rock 'n' roll middels Shake en Boiler. Het lijkt daar bijna op het Status Quo van de jaren '80. In 1995 verscheen het op cd met als bonussen de non-albumsingles. Een 6,5 als schoolcijfer, in drie sterren uitgedrukt, is het resultaat. De hoesfoto vind ik dan weer helemaal geslaagd.
Volgende station op mijn muzikale reis is het solodebuut van de ex-frontman van Ultravox, te weten John Foxx.
Single Found out too Late was in oktober 1979 vooruitgeschoven en haalde in de Britse lijst slechts #69. Het kwam niet op de U.K.-versie van The Biggest Prize in Sport, dat de albumlijst niet haalde; wél op de Noorse persing te vinden, leert Discogs.
De eerste twee van 999 leunden al sterk op powerpop en dat geldt ook voor deze. Sterker nog: is dit nog wel punk? Vriendelijke melodietjes met scheurende gitaartjes is namelijk de formule en in Trouble een vleugje reggae. Boos is het zeker níét.
Van powerpop houd ik zéker, maar zang en melodieën zijn in dit geval nog eens niet zo pakkend. Hoogtepunten zijn de stoempende opener Boys in the Gang, het springerige Fun Thing, het vlotte titelnummer met z'n hoge koortjes, het vrindelijk rockende Stranger dat wat Beatlesachtig is én het grimmigste nummer van de plaat English Wipeout. Die laatste lijkt in de coupletten wel geïnspireerd lijkt op Steppenwolfs Born to Be Wild.
Je zou de groep kunnen vergelijken met voorgangers als glamrockers Sweet en Mud. Of tijdgenoten The Boys, eveneens van de eerste punkgolf. Of je ziet ze als een voorloper van Weezer, dat veertien jaar later debuteerde met hun "nerdgrunge".
Duidelijk is dat de sfeer meestal van optimisme overloopt, met aan het slot enige dikke knipogen naar jaren '50 rock 'n' roll middels Shake en Boiler. Het lijkt daar bijna op het Status Quo van de jaren '80. In 1995 verscheen het op cd met als bonussen de non-albumsingles. Een 6,5 als schoolcijfer, in drie sterren uitgedrukt, is het resultaat. De hoesfoto vind ik dan weer helemaal geslaagd.
Volgende station op mijn muzikale reis is het solodebuut van de ex-frontman van Ultravox, te weten John Foxx.
ØXN - Cyrm (2023)

3,5
1
geplaatst: 28 november 2023, 15:57 uur
Vorig jaar zag ik tot driemaal toe de fantastische Ierse film The Banshees of Inisherin; met de groepen Lankum en vandaag zijproject ØXN is het alsof ik de alternatieve soundtrack bij die film hoor. Anders dan op False Lankum is de muziek op Cyrm gelijkmatiger en tevens melancholischer.
In de jaren '60 waren er folkpuristen die Bob Dylan verfoeiden toen hij het waagde elektrische instrumenten in zijn muziek te integreren. Ik weet niet of zulke puristen nu nog rondlopen - vast wel ergens - maar bij zangeres Radie Peat en haar kompanen zijn ze aan het verkeerde adres. Inmiddels zijn het elektronische geluiden die de muziek aanvullen, bij ØXN nog veel meer dan bij Lankum.
En zo ontvouwen zich diverse soundscapes, op z'n folk-vrolijkst in The Wife of Michael Cleary en op z'n elektronica-slependst in Farmer in the City. Nooit uitbundig of hard, bijna altijd indringend en continu weemoedig.
Ik krijg zin om naar de Ierse westkust te emigreren. Daar word ik vrienden met Rory en Paddy en Saoirse en Siobhán of hoe ze ook maar heten, we drinken lauw-zwart bier en voeren absurde gesprekken. Als een donker sprookje, net als in die film.
In de jaren '60 waren er folkpuristen die Bob Dylan verfoeiden toen hij het waagde elektrische instrumenten in zijn muziek te integreren. Ik weet niet of zulke puristen nu nog rondlopen - vast wel ergens - maar bij zangeres Radie Peat en haar kompanen zijn ze aan het verkeerde adres. Inmiddels zijn het elektronische geluiden die de muziek aanvullen, bij ØXN nog veel meer dan bij Lankum.
En zo ontvouwen zich diverse soundscapes, op z'n folk-vrolijkst in The Wife of Michael Cleary en op z'n elektronica-slependst in Farmer in the City. Nooit uitbundig of hard, bijna altijd indringend en continu weemoedig.
Ik krijg zin om naar de Ierse westkust te emigreren. Daar word ik vrienden met Rory en Paddy en Saoirse en Siobhán of hoe ze ook maar heten, we drinken lauw-zwart bier en voeren absurde gesprekken. Als een donker sprookje, net als in die film.
