menu

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

AC/DC - Back in Black (1980)

4,0
Rond 16 augustus 1980 verscheen dit album in Nederland, als ik afga op de noteringen in dutchcharts.nl, de albumlijst van de Nationale Hitparade zoals die toen heette. Back in Black kwam de 23e op 41 binnen. Het was de week met op 1 de elpee Xanadu van E.L.O. en Olivia Newton John (die blonde van John Travolta in de film Grease).
Mijn ene oma woonde in de Grote Stad, op loopafstand van een platenzaak. Dat wist ik van de keren dat we daar naar de Chinees gingen. Ergens in september verliet ik haar van de zaterdagmiddagthee, om de lp te kopen waarvan ik op de radio bij het Betonuur van Alfred Lagarde twee fantastische tracks had gehoord: Back In Black en Hell’s Bells. Misschien ook wel What Do You Do For Money, want hey, Big Al draaide bij de VARA wat hij leuk vond, waarbij hij de schijf op zijn kenmerkende, enthousiaste wijze aanprees. Op naar de platenboer!

Dankzij de drie hits die AC/DC eind jaren ’70 had gescoord, kende ik hun stijl en reputatie. Nu ik eindelijk een platenspeler bij elkaar had gespaard, waren de mogelijkheden om aan goede muziek te komen groter.
Als puisterige-puber-met-bescheiden-inkomsten-uit-een-krantenwijk moest je voorzichtig zijn. Miskopen kon ik me niet veroorloven, dat had ik al eens meegemaakt. Geschrokken had ik in de late winter gelezen over de dood van Bon Scott, “gestikt in zijn braaksel na overtollig alcoholgebruik”, aldus de pers. Inmiddels weten we dat dat iets anders lag, maar mijn puberbrein was onder de indruk, zeker omdat ik het jaar ervoor in Muziek Expres over zijn drankgelagen had gelezen. Iets met alcohol en dan bijna in een zwembad verdrinken. Desondanks was een nieuw album met nieuwe zanger alweer onderweg!

Dat de plaat goed werd gepromoot, bleek uit het rek bij de ingang, een filiaal van Max van Praag in het winkelcentrum van deze buitenwijk. Ik hoefde niet te zoeken. Al bij binnenkomst staarde Back In Black mij aan, uitgebreid tentoongesteld in een hoog rek langs de wand. Snel een exemplaar pakken (mooi, de letters in reliëf!), mijn zorgvuldig opgespaarde geld afleveren en terug naar oma. Ik denk dat ik drie minuten in de winkel was. Bij oma zal ik de plaat een keer bekeken hebben, maar dan weer snel in de tas hebben gedaan. Dat was voor straks.

Thuis meteen naar zolder. Staande naast de pick-up de hoes uitpakken. De binnenhoes met zwart-wit foto's van de leden en credits op pikzwart papier, heel stemmig. Die arme Bon. De plaat gleed uit het zwart naar buiten, mijn hand in. Kijk, een zwart/grijs label in het midden, net als een rouwkaart, maar dan met het mooie logo van Atlantic erop. Ja, die kleuren herinnerde ik me nog van de rouwkaart bij het overlijden van mijn lieve opa, drie jaar eerder.
De naald liet ik voorzichtig op het verste randje van het zwarte vinyl landen, die mocht onder geen beding halverwege het klokgelui terecht komen. Geen tikken maken... Dan klonk plotseling de klok die ik van Lagarde kende, deze keer in volle diepte. Een onheilspellend-spannende sfeer vulde mijn zolderkamer. Als na vier klokslagen Malcolm Youngs stemmige gitaarakkoorden zich erbij voegen, wordt het tegelijkertijd rauw. Wat was ik blij met dit pick-upje, wat klonk het toch mooi!

We kennen het liedje allemaal, maar als ik nu hoor hoe goed dit intro is opgebouwd, ben ik opnieuw onder de indruk. Toen was het bovendien nieuw, onbekend, één groot avontuur. Vele, vele, vele draaibeurten volgden, mede geholpen door het feit dat dit pas mijn tweede elpee was. Maar wat voor één! Een heftige knaller als Whole Lotta Rosie stond niet op Back In Black, toch bleek dit een heerlijke lp. De nieuwe zanger vond ik net zo goed als zijn voorganger, zij het minder humoristisch. Logisch, dit was hun zwarte plaat.

Van een klasgenoot leerde ik dat niet alleen die gekke, fabelachtige sologitarist Angus Young onze aandacht verdiende. Nee, hun drummer ook, maar dan om andere redenen: waar andere drummers een roffel doen, houdt Phil Rudd het bij één mep. Verrek, dat klopte wel. Ik zou inderdaad in de navolgende maanden op AC/DC’s eerdere albums (geleend uit de bieb in het dorp) meer bewijs horen. Als je hem vergelijkt met andere (hard)rockdrummers… Neem bijvoorbeeld het intro van You Shook Me All Night Long; wie anders zou dit zo sober en groovy tegelijk hebben kunnen inspelen?

Diezelfde soberheid vind je in de baslijnen. Vaak wordt één noot héééél lang herhaald, een virtuoze bassist zou gék worden als hij zo moest spelen. Echter, hoe effectief is de eenvoud van Cliff Williams… Let maar eens op de bass in het eerste deel van Shoot To Thrill. Het intro plus eerste couplet met precies één noot. De man heeft eigenlijk maar twee snaren nodig. Opnieuw: de kunst van het weglaten.

Een ander compliment voor iets wat te weinig wordt genoemd: het gitaargeluid, zowel slag als solo. Net als zijn voorgangers legde producer Mutt Lange die messcherp vast. Scherp maar nooit schel. Hard en toch transparant. Vast ook de verdienste van de broertjes Young.
Mijn hoogtepunten naast de al genoemde liedjes zijn de titelsong en de snellere tracks Shake a Leg (knappe gitaarsolo’s!) en Givin’ The Dog a Bone. De lome afsluiter Rock ‘n’ Roll Ain’t Noise Pollution is bovendien een verraderlijke meezinger.

In datzelfde 1980 verschenen heftiger albums, die mij ruim een maand later definitief bij de lurven zouden grijpen. Bovendien kwam in dezelfde week dat Back In Black de albumlijst betrad, iets hoger Seventeen Seconds van The Cure binnen, nog zo’n klassiekertje dat mij in het hart zou raken. Muziek in overvloed, ook toen, maar uiteraard bleef ik AC/DC volgen. Waar staat de schijf nu?
Back In Black blijft hun sterkste in het tijdperk Johnson, dit niveau haalden ze nooit meer. Op latere albums mis ik de speelsheid die op eerder werk vaak klinkt. Dat komt niet door hem, vermoed ik: in interviews (zie YouTube) is goed te merken wat een hartelijke vent Johnson is. Begin een gesprek en zijn grappen en grollen krijg je er gratis bij. Nee, ik vermoed dat de ”oude” bandleden met het verlies van Bon toch een kras op de ziel opliepen, waardoor iets van het kwajongensgevoel meestierf.

Vinyl ben ik kwijt, helaas, doe het nu met streaming. Daarover gemopperd: waar-om die ir-ri-tan-te tikken vooraf bij de titelsong? Zo begin je een B-kant niet. Maar vooral: dit bleef/blijft een fijn schijfje. Zo popte twee jaar geleden, na het jaren niet te hebben gehoofd, Givin’ The Dog… op in mijn hoofd en was er niet uit te slaan. Hoe bijzonder!

AC/DC - Dirty Deeds Done Dirt Cheap (1976)

4,5
Opnieuw zet MusicMeter (punt En El!) de Australische cover bij een album, net als bij voorganger High Voltage. De plaat die in de nazomer van ’76 in Nederlandse platenbakken (En El!!) terechtkwam was deze, een prachtige, eigenzinnige hoes van de ontwerpers van Hipgnosis.

Samen met een maatje was ik begin jaren '80 bezig om eerdere albums van AC/DC te ontdekken. Het tweede (Europese) album stelde bepaald niet teleur.
De titelsong is een heerlijke midtempo rocker met een grommend koortje in het refrein; de titel bleek een probleem om te vertalen. Daarna Love at First Feel, met een shuffle die aan glamrock herinnert.
Hierboven las ik de meningen over de tekst van Big Balls. Toen wij de plaat voor het eerst hoorden, moesten we hard lachen, pubers die we waren. Met de oren van nu valt op hoe Scott hier met een kak-aristocratisch accent zijn quasi-opschepperige verhaal doet; de man had een gave om teksten met een knipoog te schrijven en juist dat vind ik nu zo leuk.
De track sluit abrupt af, waarna onmiddellijk Rocker eroverheen knalt, een effect dat op streaming verdwijnt door die ene seconde stilte. Kant A sluit af met Problem Child en man, dát ging me toch over ons: “And my mother hates me!” Dat ging zeker op als ze de stop eruit draaide en ik opeens in de stilte zat, om daarna boos naar beneden te stormen en ‘m er weer in te draaien. Puberstrijd… Als de song voorbij is, begint ie weer om langzaam te worden weggedraaid; simpel maar erg effectief.

Kant B opent met het ietwat slappe There’s Gonna Be Some Rockin’, wat ik jaren later bij Jovink & De Voederbietels tegenkwam als ’t Geet Hier Spoken. Die hertaalde versie bracht me terug naar het origineel, waardoor ik deze plaat herontdekte.
Daarna Ain’t No Fun Waiting Round To Be a Millionaire. Ik schrijf dit de dag nadat de postcodeloterij alwéér niet op mijn adres is gevallen, maar toen leerden we de zinnen “I got holes in my shoes, I got holes in my teeth, I got holes in my socks, I can’t get no sleep” lachend uit het hoofd. Bovendien subtiel-knap opgebouwd naar het snellere tweede deel.
Ride On. Hoorden wij een ingetogen bluesje? We waren verbaasd, lekker was het wél! Mooie tekst en solo ook.
Met Squealer komen we aan het einde van de plaat. Wat ons toen vooral opviel was het soleren van Angus Young, die ten opzichte van de vorige plaat duidelijk vooruit was gegaan. Dat merkte je al op eerdere nummers, hier valt het helemaal op. Wat me nu pas opvalt is de four-to-the-floor-beat. Dat is echt niet gedaan om discofans te winnen, juist daardoor wordt er opnieuw zo sterk een climax opgebouwd.

Heerlijk plaatje, qua productie identiek aan voorganger High Voltage. De band maakte duidelijk progressie met heftiger uitbarstingen (Rocker, Problem Child, Squealer) tot gevolg. De humor is nog sterker aanwezig en dit alles tesamen levert eerlijke rock ‘n’ roll op van een vijftal dat keihard werkte, met altijd met een knipoog naar de luisteraar.

AC/DC - For Those About to Rock (1981)

Alternatieve titel: For Those About to Rock (We Salute You)

3,0
Op de poppagina van de NCRV-gids die bij ons op de deurmat viel, besprak een fan de nieuwe AC/DC. Hij vond de titelsong van hetzelfde kaliber als Child in TIme van Deep Purple. Dat was ik niet met 'm eens, maar een fantastische song vond ik visitekaartje For Those About To Rock (We Salute You) zeker.

Al het jaar nadat de band toch nog onverwacht in Amerika doorbrak met Back in Black, was daar de opvolger. En ja, de titelsong... Met de knipoog naar de Romeinse gladiatoren, het plinkeplinkgitaarspel in het eerste deel, het kanonnengebulder halverwege en daarna de versnelling, werd meteen duidelijk dat dit een instant-klassieker was.
Hetzelfde gitaargepluk klinkt in het snellere I Put the Finger on You, die ook regelmatig op de radio klonk. Op de lange golfradio had ik inmiddels bij de Franstalige zender WRTL het programma Wango Tango van Francis Zegut ontdekt en deze schreeuwende dj bleek een grote fan van de plaat. Door de maanden heen draaide hij elke aflevering wel een track, behalve de twee genoemde ook frequent Snowballed, Evil Walks en Night of the Long Knives. Plus zo af en toe op zijn vaste vrijdag- en later ook zondagavonden een ander nummer van de plaat; deze Parijzenaar was een groot fan van de groep en van zijn omroep mocht hij draaien wat hij wilde.

Zijn enthousiasme deel ik niet helemaal. Vooral kant B is langzaam en dat ging mij snel vervelen, mede omdat er op de A-kant ook al twee nummers in die categorie staan. Jammer, voorheen nam de band diverse snelle klassiekertjes op. Desondanks een dikke voldoende voor de altijd moeilijke opvolger van een succesalbum.

Nog wel een vraagje: de klok op BiB klinkt héél indringend; hadden die kanonnen niet hárder gekund?

AC/DC - High Voltage (1976)

4,0
Met mijn lidmaatschap van de plaatselijke fonotheek én de groeiende platencollectie van een leeftijdsgenoot kon ik vanaf 1980 naar eerdere albums van onze favoriete bandjes speuren. Samen ontdekten we muziek uit het verleden, voor ons gloednieuw. Na mijn aanschaf van Back in Black kochten we beiden nieuwe platen én gingen we het “oude” werk uitspitten.

Omdat ik niet meer weet op welke volgorde die zoektocht plaatsvond, bespreek ik deze op chronologische volgorde van verschijning. In het geval van AC/DC betekent dat aftrappen met High Voltage uit '76. Wát een debuut! Het begint al bij de achterkant van de hoes. Scháterlachen moest ik om de brieven die daarop staan afgedrukt. (Let op, ik heb het over deze versie. Het gemopper hierboven is zéér terecht. De frontcover die MuMe toont, zag je toen nergens, later nergens, nimmer kwam ik 'm tegen. Bovendien te lelijk voor woorden.)

Als je het dan ook nog flikte om je openingstrack te larderen met een doedelzaksolo, dán had je ons! Hoe gewaagd, op een hardrockplaat nog wel, waar de gitaarsolo als de heilige graal geldt... Met zijn slimme riff en de herkenbare, brutale stem van Bon Scott was It’s a Long Way to the Top meteen een klassieker.
De plaat staat vól met dit soort vrolijk stemmende tracks, vaak met verhalen die in mijn puberleventje herkenbaar waren. “You can stick in silly rules and all the other shit, they teach the children at schools”. Ja, dat vond ik ook! Verder beperkte mijn protest zich tot mopperen over huiswerk en een gebalde vuist op mijn slaapkamer, waar de plaat luid klonk.

Langzamer zijn de bluesjes The Jack en op de B-kant Little Lover, de laatste met een fraaie surprise na het slot. Lekker, maar de uptempo songs waren mijn favorieten.
Meer hoogtepunten: het simplistische basintro van Mark Evans in Live Wire, de afsluiter van kant A. Hoe swingt de groove die vervolgens ontstaat… Ik had je in die discojaren voor gek verklaard, als je had beweerd wat ik nu doe: dit is Betere Dansmuziek.
Meebrullen kan op het “Oi!” koortje in T.N.T., kennelijk een gevleugelde uitdrukking: in Londen ontstond eind jaren ’70 Oi-punk, wat datzelfde kom-maar-op-als-je-durft-gevoel heeft. De titelsong sluit de plaat af, stemt alweer vrolijk, een tekst die over mij ging en een refrein dat ik met geheven vinger meezong. De verhalen van Scott, doorspekt met Australische slang: het meeste kon ik verstaan en ik begreep de knipoogjes.

Wat ons toen onbekend was, is dat dit eigenlijk hun derde plaat is; een combi van muziek van hun eerste twee Australische releases van het jaar ervoor, vooral van tweede werpsel T.N.T. Ook wisten we niet dat Bon de tweede zanger van de band was, met voorganger Dave Evans zaten er bovendien glaminvloeden in de muziek. In het tijdperk vóór internet bleef dit soort informatie buiten beeld, tenzij je toevallig het juiste nummer van het juiste tijdschrift kocht, waarin iemand dit oplepelde.

45 jaar na verschijning blijft dit een heerlijk plaatje. Snelle liedjes, zoals ze die op volgende albums zouden zetten, ontbreken. Angus’ solo’s zijn nog niet zo snel als later – maar wel degelijk pakkend. Door de homogene productie van Vanda & Young hoor je niet dat de liedjes van twee albums komen, knap gedaan. De gitaren, hard doch transparant. Hoe effectief en strak stuurde Malcolm Young dit beest aan, samen met Phil Rudd en Evans, loeistrak als een metronoom en bovendien heerlijk swingend. Eerlijke rock ‘n’ roll, uitgaande van de licks van Chuck Berry, de grondlegger die je in die jaren nog op Hilversum 3 hoorde.

Wat het extra leuk maakt: vijftien jaar geleden, op een zomerse dag in Wallonië, klonk It’s a Long Way… opeens op radiostation Classic 21, ik had het jaren niet gehoord. Onmiddellijk kwam de puber in mij naar boven: wij tegen de wereld, we konden alles en iedereen aan. Ik legde het mijn kinderen uit, ze keken me meewarig aan...

‘Wie-uw!’ roep ik met Bon, terwijl de plaat wegsterft, waarna ik kant A weer eens opleg. Als streaming, dat wel… Voor de hoes ga ik toch eens op zoek naar het ouderwetsch vinyl.

AC/DC - Highway to Hell (1979)

4,0
Pubquizvraagje: wat zijn de laatste woorden van Bon Scott op plaat?

Op MuMe verschijnen geen onofficiële livereleases. Dat wist ik niet, totdat ik afgelopen afgelopen augustus bij zo'n boekenwinkel met daarbinnen een Free Record Shop deze 4-cd van AC/DC tegenkwam. Toen ik thuis wilde nalezen wat MuMe erover had te melden, ving ik bot. Hij mag er niet op, de regels verbieden het.

In het geval van legale radioconcerten is dat iets te kort door de bocht. Neem dit boxje. Je hoort de band tijdens een drietal Amerikaanse radioconcerten, plus restopnamen op een vierde cd. De eerste twee cd’s bevatten opnamen van tournees voorafgaand aan Highway to Hell, te weten Let There Be Rock en Powerage, waarna een concert uit oktober ’79 volgt van de HtH-tour. Van HtH speelt de band behalve de titelsong Shot Down in Flames en If You Want Blood.
Ongepolijste opnamen voor de radio, duidelijk rauwer dan de officiële liveplaat If You Want Blood You’ve Got It uit 1978. De concerten helpen het plaatje compleet te krijgen van een band die bijna continu onderweg was en er middels eindeloos spelen stukje bij beetje in slaagde om onder de huid van de Amerikanen te kruipen. Die vechtersmentaliteit wordt extra levendig bij het 1979-concert, waar zanger Bon Scott tussen de nummers door bezig is om een (dreigende?) vechtpartij tussen fans en security te doven.

Hoe goed vond deze puber de vijfde studioplaat van AC/DC? Titelsong Highway to Hell kende ik uiteraard uit de hitlijsten. Het haalde in de verregende augustusmaand van 1979 in de Nationale Hitparade #17, de elpee klom naar #14. Die laatste leerde ik in 1981 kennen, zoals zoveel andere plaatjes opgevist uit de platenbak van de plaatselijke fonotheek. Alhoewel qua composities nét iets minder dan de twee studiovoorgangers, is het kwaliteitsverschil minimaal en bleek dit gewoon een ijzersterk album.
Vanaf Let There Be Rock van twee jaar eerder was de productie van de studio-albums kristalhelder en toch moddervet. Dit nieuwe album was de eerste AC/DC die door Mutt Lange werd geproduceerd, de eerste ook die buiten Australië werd opgenomen: in de Roundhouse Studio in Londen. Toch hoor ik geen verschil met de hoge kwaliteit van de twee vorige albums van de groep.
Onveranderd sinds 1981 zijn mijn twee grote favorieten van dit album: Touch too Much met dat fantastische, licht monotoon-dreigende eerste deel dat swingt als de beste dansplaat; een vrouw omschrijven zoals hier gebeurt als “Venus with arms”, vond én vind ik zó grappig en treffend!
De andere favo is het langzamere Night Prowler. Wie zich in een zuidelijk land bevindt op een zomerse avond, zal de tekst herkennen: “You hear a dog bark in distance, you hear someone’s baby cry.” Deze slotsong schiet mij dikwijls tijdens zomervakanties te binnen… Voor het overige: zwakke nummers staan er niet op, dat de titelsong van de liveplaat op dit album verscheen, vond ik opmerkelijk.

In mei dit jaar kwam deze Australische ABC-documentaire online. Hierin wordt een genuanceerd en breed beeld van Scott geschetst, ook wat betreft diens tragische einde. Nee, niet gestikt in braaksel en ook geen koolmonoxide, verhalen die ik door de jaren tegenkwam. Maar "He could drink like a fish," in de woorden van Jimmy Barnes. Indringende woorden klinken uit de mond van Bruce Howe over Scotts "Holy grail".
Broer Derek en vrienden vertellen over de jaren daarvoor, verhalen die een voor mij verrassend licht doen schijnen. Tevens leer ik meer over zijn persoonlijkheid, net als over zijn jeugd, het jaar in de jeugdgevangenis en zijn carrière vóór AC/DC, waarin hij zich van een heel andere muzikale kant liet horen. Dat hij reeds als zanger van Fraternity zijn toekomstige AC/DC-opvolger Brian Johnson heeft ontmoet, was bijvoorbeeld nieuw voor me.

Zijn laatste woorden op vinyl: “Nanu-nanu”. De groet van buitenaards wezen Mork van Ork, gespeeld door Robin Williams in tv-serie Mork & Mindy, die ik in die periode wekelijks met veel plezier keek. Tevens een verwijzing naar de humor van de rusteloze zanger, zoals zijn bekenden hem een dikke veertig jaar later omschrijven.
Dit was AC/DC's vijfde sterke studioplaat op rij: band en management beseften dat de plaat die ze in 1980 zouden gaan opnemen, weleens de doorbraak in de Verenigde Staten kon worden, vertelt de documentaire. Dat laatste lukte ook, maar met de kennis van nu over het einde van Scott smaakt de titel Highway to Hell mij wrang. Laat onverlet dat dit nog steeds een sterk album is.

AC/DC - If You Want Blood You've Got It (1978)

4,0
De hoes vermeldt slechts “All tracks recorded live during 1978 World Tour”, later leerden we dat ie is opgenomen in de Apollo in het Schotse Glasgow. Vanuit dezelfde zaal als het legendarische livealbum van Status Quo van een jaar eerder, werd ook If You Want Blood You’ve Got It een klassieker.
De band speelde een bijna-thuiswedstrijd: zanger Bon Scott en de gebroeders Young zijn van Schotse afkomst. De zaal kende een gevreesd publiek: menig band heeft er minder prettige herinneringen aan, maar was men je goed gezind dan kon je tot grote hoogten reiken. Quo en AC/DC hoefden niet te vrezen.
De Australiërs waren sinds 1973 non-stop aan het optreden geweest, bikkelend naar eerst een nationale en vervolgens een Europese doorbraak. Dit laatste dankzij album Let There Be Rock (1977) en de bijbehorende singles. If You Want Blood werd opgenomen op 30 april 1978, kort voordat opvolger Powerage uitkwam.

In tegenstelling tot Quo is dit geen dubbelaar en op de plaat vinden we geen uitgesponnen versies van songs. Alleen in Bad Boy Boogie en Let There Be Rock wordt de studioversie iets opgerekt. Je hoort een ingespeelde en gretige band, wederom (maar voorlopig voor het laatst) geproduceerd door Vanda & Young. Oppoetsen was waarschijnlijk nauwelijks nodig, alleen is te horen dat gedurende de gitaarsolo in Whole Lotta Rosie de slaggitaar een likje verf heeft gekregen.

Met deze plaat bevestigde AC/DC zijn kersverse status van topband. In november 1978 haalde hij in Nederland #7 in de albumlijst, er verschenen vreemd genoeg geen singles hiervan op het Europese continent.
Wat betreft hun status: in oktober 1977 speelde de band in Kontich nabij Antwerpen. Daarover verscheen vorige maand dit uiterst vermakelijke artikel bij de VRT.

De band met de reputatie van alles-of-niks. Anders dan veel andere rocksterren in die jaren, die nogal eens een discosausje over hun muziek deden vloeien. Nee, dan liever de puurheid van AC/DC, vond deze kersverse fan!

AC/DC - Let There Be Rock (1977)

4,0
Tweede helft jaren ’70. Terwijl disco heer en meester werd in popland en punk/new wave geleidelijk aan invloed wonnen, werkte het management van AC/DC met platenlabel Atlantic aan een internationale doorbraak van de Australisch-Schotse band. De sleutels daartoe: uiteraard een hitsingle en touren. Veel touren.
Nadat hun eerste twee platen in 1976 in andere jasjes een internationale release hadden gekregen, verscheen nummer drie slechts vier maanden nadat de Australische versie uitkwam, wederom met een gewijzigde hoes én een ander liedje.

Let op, de vorige alinea's zijn Wikiwijsheid. Ik was zelfs voor puistjes nog te jong, maar hoorde wél vanaf juni 1978 een bepaald liedje op de radio en dat wás me toch hárd! Wauw! Hoe lekker! Een snelle riff, een geluidsmuur, een knállende gitaarsolo… Ik kende maar één liedje dat ook zo heftig was: Black Betty van Ram Jam, dat eind 1977 aan zijn opmars in de Nederlandse hitlijsten begon en in maart maar liefst #4 (Top 40, Veronica) en #6 (Nationale Hitparade, NOS) haalde. Dat was andere koek dan de overige hits in die lijsten.
De ontdekking dat de singleversie van Whole Lotta Rosie ingekort was, kwam waarschijnlijk toen Alfred Lagarde de albumversie in zijn Betonuur bij de VARA draaide. Die solo, oeeeeeeh! De single haalde in Nederland #3 (Top 40) en #5 (Nationale Hitparade).

Pas ergens in ’81 of ’82 zou ik de bijbehorende elpee kunnen horen, dankzij een schoolvriend die een grote fan was geworden en met terugwerkende kracht hun albums kocht. Ik weet nog dat hij me indringend aankeek: ‘Er staat een liedje op, dat heet Hell Ain’t No Bad Place to Be. Waar denk je dat dat over gaat?’ Ik had uiteraard geen flauw idee. ‘Eenzaamheid!’ luidde zijn antwoord en zijn gezicht stond ernstig. Hij had waarschijnlijk door dat ik uit een NCRV-gezin kwam; wilde hij mijn reactie testen?
Op zijn kamer beluisterden we de plaat op het hoogst mogelijke volume. De start is ietwat gewoontjes met de shuffle van Go Down, met Dog Eat Dog gaan tempo en venijn omhoog en bij Let There Be Rock wordt het gaspedaal helemaal ingedrukt. Wat dan al is opgevallen: producers Vanda & Young hebben de gitaren ten opzichte van de vorige albums veel meer vooraan in de mix gezet, terwijl Angus Young voor het eerst helemaal losgaat in zijn solo’s.
Jaren later zond Sky Channel veelvuldig de clip van Let There Be Rock uit in metalshow Monsters of Rock. Toen pas drong echt tot me door dat Bon Scott hier het bijbelse scheppingsverhaal uit Genesis leent en toepast op het ontstaan van rock ‘n’ roll. Kwam Bon soms ook uit een NCRV-gezin?
Kant A eindigt met Bad Boy Boogie, net als de opener wel aardig.

Kant B van deze Europese uitgave trapt af met Problem Child, wat we al kenden van voorganger Dirty Deeds Done Dirt Cheap. Enige verschil is dat op die plaat het liedje na het slotakkoord terugkeert, in deze reprise is dat niet zo.
Vervolgens Overdose met een intro dat me toen in '81 deed denken aan de tweede hit van van AC/DC in Nederland, Rock ‘n’ Roll Damnation. Maar goed, die was eigenlijk van later datum. Na een klein begin komt Overdose op gang met een heerlijke groove. AC/DC op z’n sterkst met deze uptempo groove waarbij de baslijn lang op één noot blijft hangen, terwijl Malcolm Young daarover zijn repeterende riff hakt. Ook hier werkt dat heel goed.
Dan dus het liedje waar mijn hardrockmaatje het over had, een prima liedje inderdaad over eenzaamheid en als slotstuk het beukende Whole Lotta Rosie. In ’78 dacht ik dat het over een roos ging, inmiddels wist ik iets meer maar niet veel. Wat betekent ‘Lotta”? Is dat een meisjesnaam of iets anders? Engels vond ik een moeilijke taal.

Nog niet de beste AC/DC, wél de eerste waarin het gaspedaal hier en daar diep wordt ingedrukt. Klinken de voorgangers nog enigszins ingehouden, hier knalt het, zeker als Angus volop over de snaren racet.
Bon Scotts karakteristieke stem kan prima mee met deze steviger koers en de dienende rol van de ritmesectie, drummer Phil Rudd en voor het laatst bassist Mark Evans, betaalt zich uit in een plaat die onze moeders deed mopperen over zoveel volume.
Onlangs draaide ik For Those About To Rock uit ’81 weer eens uitgebreid. Nu pas valt me op hoe spaarzaam Angus daar soleert ten opzichte van Let There Be Rock. In combinatie met de snellere songs van 1977 biedt de oudste van de twee veel meer. En het beste moest nog komen!

AC/DC - Powerage (1978)

4,5
Er zijn grammofoonplaatjes waarbij mijn voeten vanzelf gaan meetikken. Vanochtend nog: na een douche betrapte ik tijdens het afdrogen de rechtervoet erop dat ie enthousiast meetikte met Sin City, zonder dat ik hem dat had gevraagd!

Dit bijzondere fenomeen is het gevolg van een ontdekkingstocht die in 1980 begon. Samen met een schoolmaatje ontdekte ik de wondere wereld van vooral scheurende gitaren en Powerage bleek één van de hoogtepunten.
De eerste kennismaking was oktober 1978 toen Rock 'n' Roll Damnation de tweede hit voor AC/DC in Nederland werd. Ik herinner me scherp hoe ik op het einde van een hete zomerdag door een eindeloze gang van mijn middelbare school liep, toen deze midtempo rocker luid uit een radio schalde. Vrolijk werd ik ervan. Dat moet aan het einde van datzelfde schooljaar zijn geweest, juni 1979.

Toen ik zo'n twee jaar later de hele elpee uit de bieb leende, bleek dat fijne kennismakingsnummer warempel één van de mindere nummers te zijn. De plaat is uptempo, de productie van wederom Vanda en Young scherp als slagersmessen met dat heerlijk knisperende gitaargeluid, terwijl de ritmesectie de ene na de andere sterke groove neerzet en de teksten van Bon Scott de nodige humor, waarschuwingen en wereldwijsheden bevatten. Mijn favoriet was "I know I ain't doing much, doing nothing means a lot to me".

Vier absolute favorieten ontdekte ik: Down Payment Blues, alleen al om het intro dat me altijd weer adrenaline geeft, waarna alles tot en met het aparte slot klopt; het snelle Riff Raff; Sin City met z'n gokplannen á la James Bond; en Kicked in the Teeth met onder andere een gitaarsolo om de vingers bij af te likken.

De vorige platen van de groep waren al goed en deze vonden wij alweer net iets beter. Dit dankzij de songs, die zijn doordrenkt van energieke rock' n' roll in de voetsporen van Chuck Berry, waar doorheen een scheutje blues is geroerd. Hardrock van een band in topvorm met een unieke, eigen stijl die nog eens dansbaar is ook. Zelfs als je het liever bij meetikken houdt.

Accept - Restless and Wild (1982)

4,0
Ik was een tiener, meisjes waren hopeloos onbereikbaar en puistjes zochten mij juist op. Gelukkig was daar altijd de muziek. Bijvoorbeeld toen Restless and Wild verscheen, mijn kennismaking met het Duitse Accept.
De hoes alleen al: 'Was dat een sneer naar Michael Schenker?' vroeg ik mij met mijn muziekmaat af. 'Die zal het niet leuk vinden dat twee Flying-V-gitaren in de fik worden gestoken', redeneerden we.

De opener kende een onverwacht humoristische start en vervolgens klonk het snelste nummer dat ik ooit had gehoord. Jawel, een tijd lang gold Fast as a Shark als het ultieme snelheidsrecord in de muziek. Ik zette een jaar later de songtitel op de kettingkast op mijn fiets met een haai erbij getekend, als afschrikmiddel om dit rijwiel niet bij het NS-station te stelen.
Jammer dat er niet nog zo’n knaller op stond, van mij had de hele plaat wel zo mogen klinken. Desondanks volgde meer kwaliteit. Op de A-kant de vlotte titelsong, het snellere Ahead of the Pack en het langzame Neon Nights dat aan het einde onverwacht versnelt. Had eerder gemogen, vond ik.
Op de B-kant sprongen het uptempo Flash Rockin’ Man en het sferische Princess of the Dawn met zijn abrupte slot eruit. Maar zelfs mindere nummers als Shake your Heads (over de enige “dans” die ik beheerste) en Don’t Go Stealing my Soul Away bevatten fraaie details. Dit alles messcherp geproduceerd, de plaat knalde mijn goedkope boxjes uit. De speenvarkenkrijs van Udo Dirkschneider beviel mij wel, bovendien was ook zijn lagere versnelling aangenaam.
Jaren later vielen mij pas goed de subtiele, klassieke elementen in het gitaarwerk op, een fraai contrast met de woeste heavy metal. Wolf Hoffmann doet hier wat Ritchie Blackmore in de hardrock deed: melodie en versieringen toevoegen.

Tot dan toe waren de Verenigde Staten en Engeland dé hardrock-/metallanden. Dit album was een voorbode van de grote Duitse wereld van scheurende gitaren die aanstaande was, nadat Scorpions aan Accept was voorgegaan. Iets soortgelijks gebeurde gelijktijdig in Japan met Bow Wow en Loudness. De genres kregen ook buiten de Angelsaksische wereld eigen wortels, waar nadien menig grote boom uit groeide.

Toen ik in 2017 de catalogus van de band ging herontdekken, heb ik eens uitgezocht hoe het met dat “hei-di-hei-do-hei-da” in de eerste tonen van de plaat zit. Het blijkt uit Ein Heller und ein Batzen te komen, oorspronkelijk (1830) een drinklied maar rond 1940 een marslied van het Duitse leger. Omdat het geen nazitekst heeft, valt het echter niet onder het Duitse wetsartikel omtrent verboden uitingen; § 86a van het Strafgesetzbuch, leer ik van Wikipedia. De heren van Accept waren overigens onbekend met die geschiedenis, las ik elders.
Mooi is de anekdote die ZAP! hierboven vertelt: ik zie het gezinnetje aan de geprakte aardappels met spruitjes zitten en vervolgens schrikken. Fijn, zo’n oudste broer! Precies wat ik mijn broertje en zusje liet doen, want natuurlijk moest iedereen dit horen!

Altered Images - Happy Birthday (1981)

Alternatieve titel: Happy Birtday... Plus

3,5
De jaren rond 1980. Hoe ga je om met werkloosheid die je bijna alle hoop op een fatsoenlijke baan ná je studie ontneemt, terwijl Russische atoomwapens op je staan gericht en ieder moment een kernoorlog kan uitbreken?

Binnen de new wave ging dat als volgt. Je kunt gaan somberen zoals Joy Division, of melancholiek in je eigen wereld duiken zoals The Cure, óf je maakt licht verteerbare muziek. Uiteraard zijn er meer varianten te verzinnen, maar met de dansende stem van Clare Crogan, een meisje in punkachtige kleding, een vrolijk type met waarschijnlijk een vriendelijk ratje in haar mouw verborgen, zag het leven er plots weer zonnig uit.
Happy Birthday kende ik indertijd van de radio, al was het in Nederland geen hit. In het Verenigd Koninkrijk in oktober 1981 echter #2. Enkele jaren geleden hoorde ik het liedje na lange tijd dankzij streaming. Toen ik de elpee afgelopen zomer tweedehands zag staan, kon ik de verleiding niet weerstaan.

In 2012 schreef Dibbel geen onjuist woord over de band, waaraan ik wil toevoegen dat het producer Martin Rushent was (bekend van onder meer de eerste platen van The Buzzcocks, The Stranglers en The Human League) die de titelsong produceerde. Dat liedje is niet alleen de opener van de B-kant, het refrein ervan opent en sluit de plaat bovendien af.
Qua gitaarwerk doet dit vaak aan de lichtere kant van The Cure denken. Vrolijk en tegelijkertijd licht-melancholiek, fraai ineen hakend met de stem van Crogan. Zij zingt zoals tekenfilmkuiken Calimero in de Nederlandse versie praatte, met talrijke omhoog springende uitschieters. Afhankelijk van mijn stemming vind ik dat ofwel aangenaam luchtig, ofwel het gaat me na enkele nummers irriteren.
Een enkele keer echter trappen gitaristen Tony McDaid en Jim McKinven het distortionpedaal in en hoor je de punkwortels van het kwintet. Het zorgt voor een pittiger tegenwicht bij alle dartele zang.

Op de eerste kant valt Legionnaire op, een bijna instrumentaal lied met aan het einde vrolijk gelalalala. Mooiste nummer aan die zijde vind ik Faithless, dat verdrietig verhaalt over een gestrande relatie.
Op de B-kant word ik naast de hitsingle vooral vrolijk van Midnight met zijn punkachtige, driftige gitaarpartij en al helemaal van Insects. Dit bevat een pianopartij waarvan ik vermoed dat het de inspiratie vormde voor The Lovecats (1983) van The Cure; het tekstthema doet dan weer denken aan de videoclip bij Lullaby (1989) van datzelfde bandje, met alle verwijzingen naar enge kriebelbeestjes.

Fans van The Cure zullen ongetwijfeld enige leuke momenten met dit album beleven. De composities zijn meestal aangenaam, de springerige zangstijl wordt soms wat gekunsteld. Desondanks aanbevolen voor zonnige dagen, zoals ik deze zomer ervaarde, óf juist voor de grijze dagen waarin de zon uit je speakers moet schijnen.

Angmodnes - The Weight of Eternity (2022)

4,5
Een nieuwe band van niet-onervaren muzikanten. Angmodnes is een Utrechts duo dat debuteert met het minialbum The Weight of Eternity. Gedurende drie nummers klinkt doom metal. De muziek is onverbiddelijk traag, de sfeer zwaar. Regelmatig echter worden als contrast lichte klanken neergezet, of zelfs stilte.

Mijn favoriet is het titellied dat dit album opent. Beginnend en eindigend met bijna meditatief pianospel wordt tussen de gitaarmuren door gepauzeerd, herbegonnen en opnieuw gepauzeerd. Zanger/gitarist/bassist Y.S. (de twee bandleden vermelden slechts hun initialen) grunt bij dit alles niet alleen diep, hij heeft ook een fraaie zangstem, waarin de wanhoop van de tekst wordt gevoeld. Dat ook een vrouwenstem klinkt, brengt een extra laag in deze toch al doorwrochte compositie. Dat drummer M.V. in het slot (spoiler) met furieus basdrumwerk overrompelt, levert een bizar sterke climax op, zeker als een piano het lied verstild afsluit, zoals het ook begon.

Hollow Earth is nog net iets langzamer dan de eerste track. Ook hier wordt voldoende variatie ingebouwd om de ruim elf minuten afwisselend te houden. Zo klinken in contrast tot de grunts de ijle stem van mevrouw F.S. en een cello.
Het pianospel aan het einde duurt hier wat langer dan op de opener; inmiddels weet ik zeker dat dit géén digitaal toetsenbord is; warme akoestische klanken vullen de ruimte.

Under Darkened Vaults heeft een tekst van de filosoof Emil Cioran (1911-1995). Het lijkt erop dat hier een antwoord op gegeven op de vragen die in de eerste twee nummers worden gesteld: bezongen wordt de ontsluiering van de ziel. Openend met keyboards waaruit een koor verrijst, neemt de gitaarmuur met grunts spoedig het nummer over. Het blijkt het meest "uptempo" deel van dit mini-album te bevatten, tegelijkertijd is dat schijn. Sterk gedrumd, is de enig logische conclusie.

De productie is mod-der-vet, zodat de muziek pas echt tot zijn recht komt met goede audiospeakers. In de klaphoes zijn de teksten te vinden. Ze vertellen allemaal het verhaal van de albumtitel. Diep en beladen kan het leven zijn en dit half uur laat horen hoezeer pijn schoonheid kan baren. Genoeg om het minialbum een paar keer achter elkaar te kunnen draaien zonder dat het gaat tegenstaan.

The Weight of Eternity is ook te vinden op streaming. Op sociale media is te zien dat de band zich met enkele gastmuzikanten voorbereidt op in 2023 te geven concerten.

Ann Wilson - Fierce Bliss (2022)

3,0
Afgaande op de liedjes die ik mij uit de hitlijsten herinner, is oktober 1976 de maand geweest dat ik intensief naar popmuziek ging luisteren. Net op tijd voor de eerste hit van Heart, Magic Man, dat in december de hitlijsten van Nederland betrad.
In de zomer van '77 viel het kwartje pas echt. Ik nam het liedje op van Radio Caroline, toen nog op de middengolf: dof geluid met het gekraak van de ether, inclusief krachtige afkondiging van de dj met zijn melodieuze Engelse accent.
Dat cassettebandje draaide ik daarna vaak en het lied werd zo in mijn dna gestempeld: dit gepassioneerde hoogstandje blijft één van mijn absolute klassiekers. Bovendien werd Ann Wilson mijn favoriete zangeres in de rockwereld, gezien het feit dat ze prachtig klein én groot kan zingen.
Aan Fierce Bliss te horen heeft ze nog altijd die extra power in haar stem; bepaald niet slecht voor iemand die volgende maand 72 hoopt te worden! Dat is bijvoorbeeld David Coverdale, ruim een jaar jonger, niet gelukt, al heeft diens inmiddels gruizige stem wél zijn charme...

Dank aan Marco van Lochem voor zijn uitgebreide recensie-met-achtergrondinformatie. Die heb ik erbij gehouden tijdens het beluisteren (streaming), desondanks ben ik iets minder enthousiast over de plaat. Dat zit 'm dus niet in de zang en ook niet in het spel van de muzikanten, waar alles dik in orde is. Het zit 'm in het tempo van de liedjes, die te vaak midtempo of langzaam zijn.
Opener Greed is een lekkere aftrap en heeft een bijzondere tekst, waarvoor ze ongetwijfeld uit haar levenservaring putte. Daarna echter komen maar liefst drie langzamere tracks voorbij. Die zijn op zichzelf prima, maar mijn aandacht dwaalt af bij zoveel traagheid, zeker als die bekende ballade van Queen volgt en het nog meer stilvalt.
Pas met Missionary Man komt er weer tempo in. Op vinyl is dit de opener van de B-kant, lekkere cover! Hierna opnieuw langzamere tracks waarna het met A Moment in Heaven weer vlotter gaat, een heerlijk lied. Met de laatste twee muziekjes is de voet weer van het gaspedaal, waarbij ik wél gecharmeerd ben van afsluiter As the World Turns. Met zijn akoestische intro en mooie opbouw is dit mijn vierde hoogtepunt van dit album.

De composities zijn op zichzelf prima, de covers worden bovendien fraai uitgevoerd, maar deze jongen mist variatie. Degenen mijn moeite niet delen, kunnen rustig een ster extra aan mijn drie stuks voor Fierce Bliss toevoegen en misschien nog wel meer.

Avatarium - Avatarium (2013)

3,0
Afgelopen week zag ik dat het Zweedse Avatarium een nieuw album heeft uitgebracht. Hoera! Altijd interessant, alhoewel niet ieder album mij even goed past. Ik ontdekte de band in 2015 op YouTube met single The Girl with the Raven Mask, waarschijnlijk omdat ik in een online metalmagazine over de band las. Indertijd stond nog niet alles van deze band op streaming, dat blijkt nu eindelijk veranderd. Komende week wil ik hun catalogus doornemen, te beginnen met dit debuut.

Ik hou van doom metal, met als uitschieters de muziek die Black Sabbath en Trouble in dit genre maakten, in beide gevallen zijn dat vooral hun eerste drie, vier albums. Candlemass kon mij nooit zo boeien, ik was dan ook verrast te lezen dat Avatarium begon als een project van gitarist Leif Edling van Kaarsjesmis. De reden dat Avatarium mij wél pakt, is de stem van zangeres Jennie-Ann Smith. Dat was me een aangename ontdekking!

Drie nummers springen eruit: Moonhorse is een ijzersterke aftrap met meeslepende logge riffs en een trage gitaarsolo die doet denken aan Ritchie Blackmore in diens eerste Rainbowjaren; Boneflower is ieeets vlotter, de keyboards van Carl Westholm doen denken aan die van Ken Hensley in het Uriah Heep van de jaren ’70; Tides of Telepathy is gevarieerd met bovendien een heerlijk spetterende gitaarsolo van Eidling of Marcus Jidell.

De fans van pure doom zullen dit kunnen waarderen, van mij had echter op hun debuut wel iets meer variatie gemogen in de tempo's. Het album (op vinyl een dubbelelpee) klinkt daarbij zwaar en diep als een kerkmisklok, laat dat maar aan de veteranen in de band over. De zang van Smith maakt dat de band zich direct onderscheidt van de conculega's.
Drie sterren, op naar het album waarmee het voor mij begon.

Avatarium - Death, Where Is Your Sting (2022)

4,5
Met de nieuwe Avatarium lijkt het erop dat de band via voorganger The Fire I Long For aan een nieuwe cyclus is begonnen. De eerste cyclus begon met het debuut en duurde drie albums, die vanuit doom metal qua muzikale variatie steeds gevarieerder werd.
Met de voorganger werd teruggekeerd naar vooral doom en via het tijdens de coronapandemie verschenen tussendoortje An Evening with Avatarium (een prima livealbum, alleen op streaming verkrijgbaar) is daar nu Death, Where is your Sting. Het tweede album van een nieuwe trilogie?

Na vier albums bij Nuclear Blast is dit hun eerste voor het AFM-label. Net als op hun tweede album wordt het muzikale palet uitgebreid. Het gevolg is meer variatie, zoals ik de band het liefst hoor. Laat onverlet dat de meeste nummers langzaam zijn. En sommige loodzwaar.
In een interview op YouTube vertelt zangeres Jennie-Ann Smith dat Stockholm werd geschreven naar aanleiding van de suïcide van een vriend. Nu ik dat weet, krijg ik de indruk dat de teksten rondom dit thema zijn ontstaan: het leven met depressie en daaraan gekoppeld, de dood.

De teksten werden door Smith geschreven. Ze is ervoor gaan zitten: in de beeldende beschrijvingen zitten heftige emoties, een enkele keer gekoppeld aan bijbelteksten. De woorden worden gekoppeld aan zanglijnen die melodieuzer zijn dan op de voorganger het geval was.
Na de cello’s in het intro van het slepende A Love like Ours, eindigend met een spetterende vioolsolo, volgt Death, where is your Sting. De titel van het lied/album is een vraag, ooit door de apostel Paulus opgetekend. Gedragen door een akoestische gitaar klinken elektrische gitaargeluiden die je eerder bij een indie gitaarband zou verwachten. In de tekst klinkt wanhoop: “In the valley of the shadow of death I tripped and fell’; het eerste deel van deze zin is een verwijzing naar een psalm. In de tekst zie je het leven door de ogen van iemand die het heel, heel zwaar heeft.

Die eerste twee nummers bouwen op naar het zware Stockholm, over de overleden vriend: “For him, for loss, and love somehow.” De gitaarsolo huilt als in de blues, een viool speelt een bescheiden rol, een gitaarmuur biedt contrast. Aan dit nummer schreef voormalig bandlid Leif Edling mee, die op deze wijze bij zijn geesteskind betrokken blijft.
Ingetogen is Psalm for the Living, waarin Smith de nabestaanden een arm om de schouder lijkt te slaan; wederom klinken de gitaargeluiden lichtelijk als die van een indieband.
Verlatenheid druipt van de doom in God is Silent, waar Smiths tekst wederom invoelbaar is. Lekkere gitaarsolo bovendien, gespeeld door Smiths echtgenoot Marcus Jidell.
Mother Can you Hear me Now is alweer zo indringend, deze keer roept een gekweld persoon om zijn moeder. Nee, dat is níet kinderachtig, zeker niet met de intensiteit waarmee deze muziek op je afkomt.

Nocturne is uptempo en beschrijft een onzichtbare vriend. Of is het een vijand? “He always creeps up from behind, He moves in time, he moves in slowly.”
Het afsluitende Trancedent is instrumentaal. Het blijft lang ingetogen en akoestisch, maar als het na een dikke twee minuten losgaat, klinkt Avatarium heftiger dan ooit tevoren met warempel een dubbele basdrum en vioolmelodie, waarna akoestisch wordt afgesloten. Een sfeervol einde, maar iedere keer wil ik meer.

Ik zet het album vervolgens (weer eens) op repeat.

Jammer dat de journalisten in metalland niet de moeite nemen om eens door te vragen over de teksten. De vragen die ik op internet en YouTube tegenkwam zijn soms op het onbenullige af. "What is your favourite Black Sabbath number?"
Ja doei, wil je ook haar lievelingskleur en favoriete boterhambeleg weten? Met een album als dit en de teksten op streaming onder handbereik verdient Smith echte interesse voor de lyrieken, zoals de overige bandleden dat toekomt voor de intense en gevarieerde composities, die hard en toch gevoelig zijn.

Sterk in variatie, slepend met soms een akoestische basis en subtiele toetsenpartijen; vaak zwaar, altijd sfeervol en empatisch. Vreemd dat ik de cd/lp tot dusver niet tegenkwam in diverse platenzaken. Avatarium verdient meer aandacht. Voorlopig noteer ik 4,5 sterren.

Avatarium - Hurricanes and Halos (2017)

4,5
Met hun derde album groeit de muzikale afwisseling van deze band verder, een trend op voorganger The Girl with the Raven Mask ingezet. Het titellied daarvan en Run Killer Run bijvoorbeeld waren een stuk sneller dan de doom metal die het debuut domineerde.

Met Into the Fire / Into the Storm wordt meteen duidelijk dat de inspiratie wederom van Purple, Rainbow, Sabbath en Heep komt. Terug naar de jaren '70 dus, waarbij Avatarium meer retro klinkt als Purple en Heep heden ten dage doen.
Qua stijl is het dus niet origineel, maar noem mij bijvoorbeeld een singer-songwriter die dat wel is? Wat ik op Hurricanes & Halos hoor, zijn sterke composities. Daar gaat het mij eigenlijk altijd om, ongeacht het genre.

Ook The Starless Sleep is zo'n snel nummer (voor jaren '70-normen, verwacht geen blast beats) en bevat bovendien een betoverend mooie melodie. Wat zingt die Jennie-Ann Smith toch goed! Maar ook de rest van de band staat als een huis.
Road to Jerusalem lijkt het verhaal te zijn van een kruisridder in gewetensnood, een sfeervolle ballade met bluesgevoel, ook al zo passend bij deze retrohardrock. Medusa is iets sneller en steviger met bovendien een verrassende tempowisseling op de momenten dat de brug begint en... een kinderkoortje. Maak me gek.

The Sky at the Bottom of the Sea heeft die snelle shuffle, dat tadak-tadakritme, waarmee Uriah Heep op bijvoorbeeld Easy Livin' en Return to Fantasy excelleerde. Zo nadrukkelijk als deze hier wordt gedrumd hoor je het nooit meer. Ik weet niet of Lee Kerslake zijn muzikale kinderen ooit heeft gehoord, maar waarschijnlijk had de drummer dan net als ik volop genoten. In combinatie met het orgel van Rickard Nilsson en de gitaarsolo van Marcus Jidell aan het einde (kort en zeer krachtig) valt alles perfect samen.
A Kiss (From the End of the World) begint akoestisch, om dan over te gaan in een zware doomriff. Ze hebben me...

Dat de muziek zwaar is geproduceerd maar niet dichtgesmeerd met technieken als compressie (althans, dat vertelde Smith in een interview ten tijde van het debuut), maakt dat het album kan "ademen" en natuurlijk klinkt. Nu maar hopen dat ze ter promotie van hun laatste album naar Nederland komen, de dichtstbijzijnde show die tot dusver staat gepland is in Hamburg, iets te ver weg.

Avatarium - The Fire I Long For (2019)

3,5
In maart 2020 kwam ik verplicht thuis te zitten toen de eerste coronalockdown werd afgekondigd. Ik zag daar ook wel voordelen in. Het scheelde de nodige stress en onnodige drukte. Bovendien: tijdens werktijd muziek en radio kunnen luisteren vond ik heerlijk. Zoals de show van Rob Stenders met meestal kwaliteitspop en altijd weer leuke weetjes. Op mijn werk kon/kan dat niet. Nee, alhoewel ik om mij heen zag hoe zwaar deze lockdown voor sommigen was, ontdekte ik er ook wel voordelen in.

Pas in die maand ontdekte ik dat Avatarium in september 2019 hun vierde album had uitgebracht. Enthousiast ging ik ervoor zitten, ondertussen een werkklusje aan het doen, maar jammer genoeg viel The Fire I Long For tegen: op de één of andere manier pakte de muziek me nauwelijks, zelfs bij herhaaldelijk afspelen. Op de opener na, die pakte me meteen.

De afgelopen week ben ik nogmaals gaan luisteren. Vaak komt muziek beter bij mij binnen als ik die enige tijd later nogmaals beluister. Zo ook hier.
Op het album wordt teruggekeerd naar de stijl van het debuut, waar doom metal was te horen in de stijl van de eerste drie platen van Black Sabbath. Zwaar en traag in jaren ’70-stijl. Daar houd ik wel van, maar op deze nieuwe Avatarium was het een zoeken naar sterke composities. Uiteindelijk kwamen er vier bovendrijven. Naast Voices zijn dat Lay Me Down, The Fire I Long For en Epitaph of Heroes.
Het gebrek aan pakkende melodieën en riffs, plus de verminderde variatie in tempo's veroorzaken bij de andere nummers een eenvormigheid. Ook jammer is dat de rol van toetsen is teruggebracht, waar die juist op de twee vorige albums voor extra variatie en kwaliteit zorgde.
Ik houd het bij 3,5 ster, een krappe zeven. Nog altijd een ster beter dan ik in maart 2020 zou hebben gegeven.

Avatarium - The Girl with the Raven Mask (2015)

4,0
Mijn eerste kennismaking met Avatarium was bij de lyricvideo van The Girl with the Raven Mask, titelnummer van de plaat die in 2015 in diverse metalbladen ‘album van de maand’ werd, aldus Wikipedia. Ik was in de veronderstelling met vikingmetal te maken te hebben. Immers, de raaf doet het qua symboliek goed in dat genre.

Hun tweede leg bevat meer variatie dan het debuut, dat vooral langzaam is. De titelsong dendert er immers meteen op hoog tempo in, gelardeerd met verwijzingen naar het Deep Purple en Uriah Heep van voorbije dagen. Zangeres Jennie-Ann Smith knalt uit de speakers, mede dankzij de moddervette productie.

Er staat meer fraais op en ik ontdekte dat van vikingmetal géén sprake is. In Pearls and Coffins klinken nadrukkelijke bluesinvloeden; lekker nummer, al duurt het me met z’n zeven minuten net wat te lang. Hypnotized valt positief op met de variatie tussen ingetogen en uitbundige delen. De solo in het eveneens afwisselende Iron Mule brengt me terug naar de dagen dat Ken Hensley één van de populairste rocktoetsenisten ter wereld was. Leuk dat hij alsnog erkenning voor zijn werk krijgt, ik ken geen andere artiesten waar zijn invloed zo nadrukkelijk doorklinkt.
De wenkbrauwen gingen verbaasd omhoog bij het slotlied In my Time of Dying, waar de stervende ik-persoon om Jezus roept. Nee, het label vikingmetal blijkt echt niet te kloppen, daarin had ik mij zwaar vergist. In dit lied zijn zowel muziek als tekst beïnvloed door gospel en wederom blues, een verrassend slot van een sterke plaat die zoveel meer fijne verrassingen en overgangen herbergt.

Aan de doom van het debuut wordt hier het nodige toegevoegd, van uptempo riffs tot bluesy zijstapjes met her en der een lekkere gitaarsolo. Die variatie bevalt mij heel goed! Raar toch dat ik de band maar weinig in de bakken van platenzaken zie staan: de mannen en vrouw verdienen meer. Ze staan op mijn emmerlijst van bands die ik wil zien spelen. Dat moet gaan lukken met het nieuwe album dat zojuist verscheen.