MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Was (Not Was) - Born to Laugh at Tornadoes (1983)

poster
3,5
In 1983 las ik in Oor de recensie van een groep met de rare naam Was (Not Was). De enige reden dat ik geïnteresseerd was, lag in het feit dat op Born to Laugh at Tornadoes een gastrol was voor Ozzy Osbourne. Die trok met het zinnetje "You can't mary the bosses daughter" de aandacht, want dat was precies wat hij wél had gedaan door Sharon Arden te trouwen.

Toen de plaat in de bieb belandde, kon ik de verleiding niet weerstaan, ook al wist ik dat ik mij ver buiten mijn popsmaak begaf. De groep bestond uit de broers David en Don Was, die de hipste digitale geluidjes boden die 1983 kende. MuMe classificeert dit als funk, maar op dit album klinkt veel meer. Vooral opgewekte poprock vol ironie en knipogen, waarbij invloeden uit diverse genres tot en met jazz klinken. Naast Shake Your Head met Osbourne (aangename oorwurm) vond ik het afsluitende Zaz Turned Blue mooi, een ballade met crooner Mel Tormé. Zelden iemand zo ontspannen horen zingen.

Inmiddels herken ik meer hoogtepunten: de licht rockende opener Knocked Down, Made Small, Bow Wow Wow Wow dat wegheeft van de B52's of de hit Ghostbusters van Ray Parker Jr. Bij Betrayal moet ik denken aan In the Air Tonight van Phil Collins.
Professor Night heeft qua geluid weg van The Human League - of Hall & Oates? The Party Broke up klinkt als een voorloper van de digitale presentator Max Headroom later dat decennium en op het opgewekte popliedje Smile speelt gitarist Vinnie Vincent van Kiss mee.
Minder pakkend is Man vs. the Empire Brain Building, maar de herhaalde regel "I walk the line with Johnny Cash" trekt wel de aandacht.

Wat ik volkomen heb gemist is dat Shake Your Head als heropname in '92 een hit werd. Hierbij werd Osbourne vergezeld door actrice Kim Basinger en inmiddels klinkt jaren '90 house; de zanglijnen zijn compleet gewijzigd. Veel liever hoor ik de eerste versie.
En om mijn beeld verder te ruïneren: de gebroeders Was zíjn helemaal geen broers, maar jeugdvrienden, ontdekte ik zojuist. Nou ja, doet het ertoe? Aangenaam popplaatje van een duo met altijd onverwachte gastmusici, dat vijf jaar later hun eerste hit zou scoren met Walk the Dinosaur, te vinden op de opvolger.

Wayne County and The Electric Chairs - Storm the Gates of Heaven (1978)

poster
4,0
Na de bonte verzameling rockstijlen van het debuut van The Electric Chairs, noemt de groep zich op de tweede Wayne County & The Electric Chairs, waarbij het rockmengsel minder uiteenlopend is. Geen punk-meets-Buddy Holly. Wél stevige hardrock, waarbij maar liefst drie nummers langer dan zes minuten. Toch bleef de groep aan punk worden gekoppeld, mede door de - zeker toen - shockerende teksten waarin soms religieuze terminologie, gekoppeld aan County's travestie. De groep is tot een kwintet uitgegroeid: gitarist Val Haller wordt inmiddels bijgestaan door Fransman Henry Padovani, ex-The Police, die ook aan enkele nummers meeschreef.

Het titelnummer opent en lijkt qua tekst een reflectie op County’s religieuze jeugd toen zij nog Wayne Rogers heette – al weet ik niet of zij die inderdaad heeft gehad. Het nummer begint onheilspellend met een orgeltje als in een horror-B-film, gevolgd door vaudeville muziek, waarna in minuut 2 een heavy gitaarriff begint. Shockrock á la Alice Cooper. Cry of Angels is eveneens uptempo maar kent ook lichtere gitaarpartijen en een knallende gitaarsolo, Speed Demon wordt door een felle gitaarriff gedragen, hetzelfde geldt voor Mr. Normal.
Kant 2 begint met rockballade (!) Are You Man Enough to Be a Woman, op het komische Trying to Get on the Radio klinkt jaren ’70 glamrock met in het refrein een viool en piano. Bij I Had too Much to Dream Last Night moet ik denken aan de art-/glamrock van Steve Harley, waarna het album enigszins als een nachtkaarsje eindigt middels Tomorrow Is Another Day.

Op de in 2020 verschenen cd-box The Safari Years zijn aan dit album twee stevige bonussen toegevoegd, waarvan Evil Minded Momma een swingende rock ‘n’ roller in jaren ’50-stijl is.
Anders dan het debuut. Verrassend is dat dit album vooral mainstream hardrock bevat, al zijn er enkele invloeden van de glamrockende New York Dolls te horen. Klinkt in deze aanpak de invloed van producer Martin Birch, in die jaren naam makend met albums van onder meer Deep Purple, Rainbow en Whitesnake? Of is het omgekeerd en zocht de groep een ervaren producer bij hun massieve rock?
The Guardian publiceerde in mei 2021 een een artikel over de eerste transgender in rock, waarbij ook haar autobio Are You Man Enough to Be a Woman wordt genoemd.

Zoals genoemd kwam mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave van het debuut van The Electric Chairs. Ik reis naar mei 1979, de debuutsingle Electricity van Orchestral Manoeuvres in the Dark, als bonusversie te vinden op de titelloze eerste langspeelplaat van de groep.

Wayne County and The Electric Chairs - The Electric Chairs (1978)

poster
3,5
In 1978 brachten de New Yorkse shockrockers van Wayne County and The Electric Chairs twee albums uit. Op hun debuut heten ze nog The Electric Chairs, tevens de titel van dit album uit februari dat jaar.
Op de hoes is het nog niet goed te zien, maar (toen) frontman Wayne County voelde zich vrouw en zou zich spoedig als drag queen vertonen.
In 1976 bracht County als Wayne County & The Backstreet Boys een single uit genaamd Max's Kansas City en verschijnt op verzamelaar 1976 Max's Kansas City, waarna hij een doorstart maakt met The Electric Chairs. Blijkens de tekst op de hoes van de single en zijn uiterlijk laat hij zich beïnvloeden door stadsgenoten Lou Reed en de New York Dolls. In maart 1977 touren ze door Nederland als voorprogramma van The Police, de slotshow vindt plaats in Parijs.

Wat klinkt op The Electric Chairs is een bonte mix van punk, glamrock en jaren '50 rock 'n' roll. In opener Eddie & Sheena imiteert (parodieert?) hij Buddy Holly, om het vervolgens een punkdraai te geven. In Bad in Bed domineert punk, al zingt hij opnieuw met hints van ouderwetse rockabilly, in het rockende Hot Blood zijn het de New York Dolls die doorklinken. Pianist op dat laatste nummer is Jools Holland.
Het wordt gevolgd door Worry Wart, dat mede dankzij de mondharmonica iets weg heeft van Britse pubrock. met Out of Control hoor ik qua riff iets van Ted Nugent en andere Amerikaanse hardrockers uit die jaren, maar de zang van County geeft het een alternatief punktintje.
Kant 2 begint met een remake van Max's Kansas City, Plain of Nazca heeft qua groove iets weg van Golden Earrings Radar Love. Rock & Roll Resurrection sluit de plaat af met een religieus geïnspireerde tekst, al zal die in de Bible Belt met gefronste wenkbrauwen worden beluisterd.
Er wordt veel opgetreden. Live wordt de groep uitgebreid tot een kwintet met tweede gitarist Henry Padovani, de oorspronkelijke gitarist van The Police.

In 2020 verscheen 4cd-box The Safari Years met daarop de drie albums van de groep plus bonussen, én een vierde cd waarop de inmiddels geopereerde en hernoemde Jayne County haar oude werk live uitvoert. De bonusnummers hierboven vermeld zijn te vinden in die box; ze zijn qua teksten vaak explicieter dan die op de oorspronkelijke plaat.

Ik ben op reis door new wave; mijn vorige station was het debuut van Nick Cave in diens groep The Boys Next Door (1979), mijn volgende halte is nogmaals in 1978 en dat opnieuw met Wayne County and The Electric Chairs: hun tweede album verscheen al in augustus.

Wayne County and The Electric Chairs - The Safari Years (2020)

poster
3,5
Wayne Rogers, beter bekend als Wayne County, was één van de eerste transgenders, al helemaal in de popmuziek. Provocerend, grensverleggend en dicht bij zichzelf blijvend, voor zover ik kan nagaan.

Op deze verzamelbox zijn de drie studioalbums van de zanger en zijn groep te vinden, aangevuld met diverse bonussen. Meer informatie daarover heb ik bij de oorspronkelijke albums genoteerd: The Electric Chairs (1978) bevat een kruising van punk en rockabilly, op Storm the Gates of Heaven (eveneens uit 1978) wordt robuuste hardrock gespeeld en met Things Your Mother Never Told You (1979) keert de groep terug naar punkabilly. Je zou het (proto)psychobilly kunnen noemen en een voorloper van The Cramps.

Voor hele grote fans van The Police is wellicht interessant dat die groep met Wayne County & The Electric Chairs door Nederland tourde en dat hun eerste gitarist, Fransman Henry Padovani, zich in 1978 bij The Electric Chairs voegde.

Cd 4 van deze box bevat een concert van inmiddels zangeres Jayne County, in 1980 uitgebracht als Rock 'n' Roll Resurrection. Het betreft een optreden tijdens Oud en Nieuw van 1979 - 1980: tijdens het concert merkt County op dat het nieuwjaar is begonnen. De teksten zijn explicieter, de groep speelt felle punkabilly.

Wayne County and The Electric Chairs - Things Your Mother Never Told You (1979)

poster
3,5
De derde van Wayne County & The Electric Chairs verscheen in mei 1979. Bevatte het debuut diverse rockstijlen van punk naar rockabilly en klonk op de tweede vooral robuuste hardrock, op hun derde en laatste album keert de groep terug naar punkachtige rock. Hierin waart soms rockabilly rond als een voorloper van psychobilly. Geen bombast, wel stevig.

De plaat is verdeeld in een Us - en de Them – kant en werd geproduceerd door David Cunningham, die in datzelfde 1979 zijn eerste hit scoorde met Money van The Flying Lizards.
Opgenomen in Londen klinken in de teksten de ervaringen van County in Berlijn, zoals Wall City Girl. Op de tweede plaatkant wordt naast het stevige werk onconventioneler muziek gemaakt. In C3 een somberte als was dit het toen nog onbekende Joy Division en slotlied Think Straight is een soundscape met vervormde gitaren en stemmen.

De bonussen bij dit album, te vinden op cd 3 van de box The Safari Years bevatten de nodige hoogtepunten. Neem bijvoorbeeld de extended versie van Berlin waarin een drumcomputer klinkt als was dit Soft Cell, de Franstalige versie van Waiting For the Marines en de sessie bij BBC-dj John Peel uit juni ’79.

Ik heb een afspeellijst gemaakt met new wave; bij die losse nummers bespreek ik de achterliggende albums. Hiervoor was dat er eentje van Ian Dury & The Blockheads uit diezelfde meimaand en de volgende is de tweede van XTC: terug naar oktober 1978.

White Honey - Some Kinda Woman (1979)

poster
3,5
Afgelopen juli uit een bak met tweedehands vinyl geplukt, kreeg namelijk warme herinneringen bij het zien van de hoes. Immers, muziek uit de tijd dat ik net heavy rock had ontdekt, de jaren '77 - '79.
Zangeres Hanneke Kappen was vanaf april 1979 te horen op de woensdagmiddag in haar KRO-radioshow Stampij, waarin ze pittiger muziek draaide dan Alfred Lagarde in diens Betonuur op de dinsdag. Bovendien gezegend met een heerlijke spreekstem en een ongezouten mening, ook als een plaat tegenviel (Saxon met Denim and Leather).

Van Some Kinda Woman kende ik alleen single Nothing Going On in the City. Het blijkt het beste nummer op een verder prima plaat. Zes nummers per kant, relatief korte songs met een duidelijke kop en staart, gespeeld door een geoliede band. Zwakke composities kom ik niet tegen, afsluiter Never Forget About You is mijn tweede favo.
Een muzikaal stempeltje plakken is lastig. Op de hoes zie ik kleding waardoor je zou denken dat White Honey in de new wave zat, wat klinkt is echter een pittig rockend amalgaam met in de bezetting twee gitaristen die elkaar opzwepen. Her en der wordt bovendien lekker op gitaar gesoleerd, naar ik aanneem door Erwin Java. Rock 'n' roll en hardrock strijden fel om de aandacht, wat in een energiek album resulteert met als bonus de soms venijnige zangstem van Kappen.

Na een overintensief jaar verliet zij in 1979 hals over kop de band. Over de bijzondere omstandigheden lees ik hier bij Poparchief Groningen een mij onbekend verhaal. Wel heb ik in 1980 de heropname van Nothing met opvolgster Gina de Bruin gehoord. Hier te zien bij de TROS Top 50 van krakende videoband. Geen van beide versies haalde overigens de hitlijsten. Kappen werd later nog bekender als tv-presentatrice en is nog altijd wereldberoemd in Groningen, tevens in te huren als coach en dagvoorzitter, getuige haar website. Ook zingt ze gelukkig nog, tot jazz toe. Een stijl waar haar stem zich ook goed voor leent.

Some Kinda Woman bevat uptempo songs met passie gespeeld. Ook fijn: geen ballads! Mega-energieke nederrock voorzien van véél elektriciteit en peper. 'We play rock 'n roll', zoals Lemmy in diezelfde periode begon te zeggen.

Whitesnake - 1987 (1987)

Alternatieve titel: Whitesnake

poster
3,5
Met alle berichten uit maart ben ik 1987 gaan herbeluisteren. Voor velen hét album van Whitesnake, zo vond ook mijn broer die 'm destijds aanschafte en de cd nog altijd in de kast heeft staan. De elpee was op de terugtocht en dit was zijn tweede cd, na Guns N’ Roses’ Appetite for Destruction uit hetzelfde jaar. Ik hield het nog bij vinyl.

Op de hoes zien we het nieuwe logo, maar een vriend kocht de elpee met op het label nog het oude logo met de slang. Fans en media waren wild-enthousiast: zie bijvoorbeeld bij MuMe-thread Oordelen van dazzler. Hij plaatste een deel van de recensie die Hans van den Heuvel schreef.

Ik was echter minder enthousiast omdat er met Crying in the Rain en Here I Go Again maar liefst twee heropnames op stonden: zónde! Ik wilde nieuwe liedjes. Zelfs tekstueel was er gesleuteld: in Here I Go Again niet meer "Like a hobo I was born to walk alone" (1982, Saints & Sinners) maar "Like a drifter". Bovendien vond ik zowel het gitaar- als het drumgeluid (basdrums!) te wollig.
Plus dat ik leed aan een oneigenlijk sentiment: het was onwerkelijk dat één van mijn favoriete bandjes – tot dan toe alleen bij ‘ons hardrockers’ bekend - nu plotseling zo megapopulair was. Gelikte videoclips op tv en zelfs in Nederland hitparadesuccessen. Whitesnake was "van iedereen". Raarrr...

Ach, natuurlijk deed het er niet toe dat ik voorgangers Saint & Sinners en Slide It In prefereerde. Het vernieuwde Whitesnake stootte onverwacht plotseling door naar de absolute top en bereikte wat Coverdales voormalige Deep Purple-bandmaatje Ritchie Blackmore niet was gelukt. Die had vanaf 1979 met Rainbow tevergeefs gepoogd om door te breken in de VS.
1987 bleek een onbetwiste mijlpaal in de historie van Whitesnake en de hardrock in het algemeen, waarbij dat genre de verkoopcijfers van pop haalde. Dat gunde ik Coverdale na alle jaren buffelen.

Nieuwe nummers die ik omarmde: Bad Boys, Give Me All Your Love, Children of the Night en You're Gonna Break My Heart Again. Niet mijn favoriet (te langzaam) maar vernuftig in elkaar geknutseld is Still of the Night; zoals het stillere deel met de hi-hat vanaf 2'01" - opeens herken ik plotseling iets van Zeppelins Whole Lotta Love. Coverdale zingt er ma-gi-straal en qua snelle gitaarsolo's valt er steeds weer veel te genieten. Dank u John Sykes!

Na drie jaar wachten op de nieuwe Whitesnake werden mijn verwachtingen niet ingelost, mede door mijn voorkeur voor een hardere productie waarin de gitaren en drums feller van zich afbijten. Dat gevoel is gebleven. Mijn waardering van een 7,5 (3,5 ster) is daarmee wat lager dan die van de heren hierboven.

Mijn broer is het overigens nog altijd met mij oneens: de beste Whitesnake ooit volgens hem.

Whitesnake - Come An' Get It (1981)

poster
3,5
De tweede plaat van Whitesnake die op mijn draaitafel belandde, ergens in '81 of '82. Op de hoes kijkt een slang mij dreigend aan en pas veertig jaar later viel me op dat diens mond verdacht veel lijkt op een ander menselijk lichaamsdeel. Het origineel van het schilderij werd bij de artiest gestolen, las ik ergens. Vast vanwege de dubbele betekenis van deze slangenmond.

Vond ik de helft van het vorige album Ready an' Willing goed (maar dan ook érg goed!), van de opvolger belandden meer liedjes op cassettebandje: Come an' Get It is een a-typische opener, die voor een hardrockende groep rustig op gang komt met een heerlijke drumgroove van Ian Paice. Op Hot Stuff klinkt een gejaagd ritme met de snaredrum op elke tel, niet heel lekker maar desondanks vond de puber die ik was dat een uptempo song op cassette hoorde.
Dan het eerste absolute hoogtepunt van de plaat: Don't Break My Heart Again met het hammondorgel van Jon Lord en een pompend ritme, plus een heerlijke melodielijn.
Belandden van de vorige plaat vier liedjes op cassette, hier zat ik met de afsluiter van de A-kant Wine, Women an' Song al op dat aantal, een lekker testosteronrockertje met zijn boogiepiano.

Van de B-kant belandden het aardige Would I Lie to You en de tweede track in buitencategorie Till the Day I Die op tape, mede dankzij een spannend intro dat me nog altijd overeind doet veren.

Hoe leuk is het om de albums van toen jaren later weer terug te luisteren! Vaak constateer ik dat mijn muzieksmaak enigszins veranderd is. Zo vraag ik me nu af of ik indertijd bananen in mijn oren had, dat ik in Child of Babylon niet een heerlijke bluesrocker herkende, loom als een beer die op het punt staat in winterslaap te gaan, machtig en rustig tegelijk. Anderzijds vind ik Would I Lie to You nu wat minder dan toen.

Eindoordeel: een half sterretje meer dan de voorganger.

Whitesnake - Flesh & Blood (2019)

poster
3,5
Het laatste studioalbum van Whitesnake. Ik volg de groep vanaf 1980 of '81, geef hun albums soms drie sterren en vaker drieëneenhalf of vier. Op ieder album "killers 'n' fillers", waarbij de killers zo'n album naar (meer dan) een voldoende tillen. Zo ook op Flesh & Blood, dat gezien de conditie van David Coverdales stem waarschijnlijk hun laatste studioplaat zal blijven.
De bezetting is ten opzichte van voorganger The Purple Album ongewijzigd. Toen keerde drummer Tommy Aldridge terug, helemaal nieuw was gitarist Joel Hoekstra.

Good to See You Again is lekker al heb ik ze een album spannender horen aftrappen, Gonna Be Alright is van topklasse met een afwijkende maar pakkende riff plus dito melodie, Shut Up & Kiss Me is de macho (Coverdale blijft een haantje) single die ik destijds een week lang als kickstarter van mijn werkdag gebruikte.

Dan volgt zesmaal middelmatig werk, zij het met steevast heerlijk gitaarspel. Hey You (You Make Me Rock) is degelijk, Always & Forever is een gitaristische knipoog naar het Thin Lizzy van 1979-1981, de jaren met Scott Gorham, Gary Moore en Snowy White.
Anders dan de verkoopsuccesperiode rond albums 1987 en Slip of the Tongue, is de blues steeds aanwezig in deze hardrock. In die stijl gaat verder; er wordt sterk gemusiceerd, toch springen die zes er niet uit.

Maar dit is Whitesnake eigen vanaf hun prille begin: vind je één of meer nummers tegenvallen? Loop niet weg, ze gaan het nog flikken. Dat lukt dan inderdaad met de trage shuffle van Heart of Stone en het vrolijke, uptempo Get Up. Ronduit prachtig is het akoestische miniatuur After All, waar Aldridge even niets hoeft te doen. Slotlied Sands of Time is met z'n dikke zes minuten helaas niet de gedroomde finale, ondanks een groove die geïnspireerd lijkt door Kashmir van Led Zeppelin.
Dan zijn er in blessuretijd de aardige bonussen Can't Do Right for Doing Wrong met daarin prominent een elektrische piano; de ballade beklijft niet. If I Can't Have You rockt vierkant.

Met de zang van de hoorbaar ouder geworden Coverdale heb ik geen moeite, in de studio slaat hij zich er prima doorheen. Totdat hij gaat knijpen in de laatste bonus. Hoekstra is met Reb Beach een prima gitarist, al wordt de grote variatie in gitaargeluiden van Good to be Bad en vooral Forevermore gemist. Kom ik nog altijd uit op een dikke 7.

Whitesnake - Forevermore (2011)

poster
4,0
Het tweede studioalbum van het in 2002 teruggekeerde Whitesnake. Waar anderen moeite hebben met de stem van David Coverdale, heb ik dat minder. Ja, ik hoor dat er sleet op zit en voor de hogere regionen moet hij extra aanzetten. Storend vind ik het wél als hij zich gaat overschreeuwen, zoals op Coverdale-Page uit 1993.
Drummer Chris Frazier werd vervangen door Brian Tichy, de derde drummer van de hernieuwde groep, die bovendien toe was aan de derde bassist: Michael Devin. Spaarzame bijdragen zijn er van sessietoetsenist Timothy Drury.

Zoals in de stampende opener Steal Your Heart Away met daarin een scheurende mondharmonica van een anonieme muzikant. Lekker. All Out of Luck is aardig, het omgekeerde basdrumgeluid bij de start van de gitaarsolo een productioneel pareltje.
Single Love Will Set You Free, het eerste nummer dat ik destijds hoorde, is van ouderwetse klasse. Keer op keer word ik aangenaam verrast door de dansende gitaarpartijen van het duo Doug Aldrich en Reb Beach, die per nummer goed nadachten over wat te doen. Resultaat is de grote variatie per nummer. Mede daardoor is album Forevermore binnen de genregrenzen uiterst gevarieerd.

Het kalme Easier Said than Done is nét te pompend om een ballade te zijn en bevalt mij dankzij de melodie goed. Slidegitaar in het stevige Tell Me How, aan het Whitesnake van 1978-1982 herinnerend.
Dan tweemaal echo's van de jaren '70. Eerst in I Need You (Shine a Light), een licht verteerbaar en uptempo liedje. One of These Days heeft een aangename akoestische basis. In de stijl van ex-Snakeman Bernie Marsden geschreven, compleet met akoestische slaggitaar, heerlijk lange gitaarlijnen en zwoele koortjes. En bovendien in de sfeer van jaren '70-westcoastrock: een vleugje Eagles of Seals & Crofts. Coverdale zingt laag en clean, zonder rauw randje. Een deep cut pareltje.

Dan begint de plaat als het ware opnieuw, de trackvolgorde is zorgvuldig uitgekozen. Eerst het stevige Love & Treat Me Right, gevolgd door het snellere Dogs in the Street.

Fare Thee Well, een liedje over afscheid nemen, komt opeens anders binnen. Ik beluister het sinds elf dagen in de wetenschap dat mijn vader maximaal twee á drie maanden heeft te leven, waarbij hij het fysiek zwaar heeft.
Whitesnake is bepaald geen muziek voor hem (hij vindt Bill Haley al wild), maar toch is het alsof Coverdale mijn vaders woorden naar mijn moeder verwoordt, terwijl hij zich hardop afvraagt wanneer hij naar het hemelse Jeruzalem mag gaan:
"Fare thee well, I'll soon be gone
Fare thee well, back where I belong
We had out moments, our days in the sun
But now it's time I should be moving on
But you'll be in my heart, wherever I go".


Net als op de voorganger komt tegen het einde Coverdales voorliefde voor ruwe bluesrock boven middels het slepende Whipping Boy Blues (met mondharmonica) en het uptempo My Evil Ways. Ik heb er minder mee, mede omdat Coverdale hier te veel op de toppen van zijn longen zingt en de melodieën niet zo sterk zijn, die van de laatste op het tuttige af.
Forevermore blijkt de ijzersterke finale. Het eerste deel is akoestisch, klein, laag gezongen en met een práchtige melodie, waarna een prachtige climax volgt met wederom wervelend gitaarwerk.

Whitesnake ging weer touren en ome Dave zocht tevergeefs contact met Ritchie Blackmore om gezamenlijk nog eenmaal werk van Deep Purple te doen herleven. Ondertussen dook hij in 2014-2015 op als gastzanger bij Vandenberg's Moonkings (Vandenberg's Moonkings), Bernie Marsden (Shine) en Phil Collen (Delta Deep).
In 2015 presenteerde hij met Whitesnake (waar Aldrich inmiddels had plaatsgemaakt voor Joel Hoekstra) werk uit zijn jaren bij Deep Purple, het niet onomstreden The Purple Album. In 2019 volgde Flesh & Blood.

Whitesnake - Good to Be Bad (2008)

poster
4,0
Getuige sommige stukjes hierboven is menigeen er toch ingetrapt: dit was niet de eerste Whitesnake in 11, maar in 19 (!) jaar. De laatste keer dat een groep aantrad om gezamenlijk een album op te nemen was ten tijde van Slip of the Tongue uit 1989.
Nadien werkte David Coverdale eerst solo: het nummer The Last Note of Freedom bij de film Days of Thunder). Vervolgens met Jimmy Page op Coverdale-Page uit 1993, in '97 gevolgd door album Restless Heart. Dat was eigenlijk solo bedoeld, maar vanwege contractuele verplichtingen moest de naam Whitesnake op de hoes erbij. Daarna kwam het voluit soloalbum Into the Light en in 2002 startte een nieuwe Whitesnake, waarmee hij ging touren. Een weerslag van die periode is te vinden op live-dvd Live in the Still of the Night, kortgeleden op vinyl heruitgegeven.

De enige oudgediende in dit Whitesnake is naast Coverdale drummer Tommy Aldridge, van '87 tot '91 bij de groep. Nieuw zijn gitaristen Reb Beach en Doug Aldrich; bassist Marco Mendoza is dan alweer vervangen door Uriah Duffy.
Klinkt dit als Whitesnake? Jazeker. De muziek ligt in het verlengde van 1987 en Slip of the Tongue, waarbij het hoorbaar 2008 is. De speelstijlen en gitaargeluiden van Beach en Aldrich zijn eigentijds, waarbij ze zowel shredden als lange noten spelen, in blues gemarineerd.

De start is fenomenaal met Best Years (Aldridge in topvorm) en Can You Hear the Wind Blow, waar Coverdale steunt en kreunt als hij eind jaren '70 deed.
Minder spannend is het stevige Call on Me, het radiovriendelijke All I Want All I Need had zó op 1987 gepast en titelnummer Good to Be Bad groeit bij vaker draaien, waarbij het einde met dubbele basdrum een heerlijke climax brengt.

Met All for Love is daar het volgende uptempo en stevige nummer met wervelend gitaarspel, gevolgd door iets mindere composities. Eerst de slappe ballade Summer Rain, dan de invloeden van blues via Lay Down Your Love met iets van de Led Zeppelinske hardrock van Still of the Night. A Fool in Love drijft op een trage shuffle.
Got What You Need is uptempo met slidegitaar, zodat ik terugdenk aan het Whitesnake met Micky Moody in de groep; halverwege een ouderwets rockend en soms shreddend gitaarduel. Langzame, akoestische blues in slotlied 'Til the End of Time, dat een ingetogen climax blijkt.

Niet alles is raak, maar dat heb ik evenmin met welke voorganger dan ook. Ik tel vijf topnummers en anders dan ook wel gebeurde, ontbreken missers. Hoorbaar is dat de composities hebben kunnen rijpen én dat Coverdale, inmiddels terug "in het licht" zoals de titel van zijn vorige album suggereerde, erin slaagt om zowel stadionrock te maken als dicht bij zichzelf te blijven.

Zoals Wyverex hierboven schrijft, is ook deze in nieuw jasje verschenen met traditiegetrouw ook de trackvolgorde gewijzigd en de nodige bonussen.

Whitesnake - Live... in the Heart of the City (1980)

poster
4,0
De fonotheek van mijn dorp had Live... in the Heart of the City niet staan en ik was niet zo'n grote fan van Whitesnake dat ik deze aanschafte. Ieder album van de groep in hun eerste fase vond ik namelijk een mix van "killers & fillers".

Nou had mijn puberbrein moeten redeneren dat Whitesnake voor een liveplaat hun beste nummers zou selecteren, zodat dit een plaat vol killers zou zijn geworden.
Maar ik had nog een bezwaar: Bernie Marsden en Micky Moody zijn bluesmannen, geen snarenracers zoals Ritchie Blackmore en Tony Iommi, mijn eerste twee gitaarhelden. Wel had ik inmiddels Rory Gallagher op het vizier (Stage Struck, wát een liveplaat!), maar als ik een plaat kocht, dan wilde ik voor mijn duurverdiende centjes snelle muziek en racende solo's horen. Daar is Live... in the Heart of the City niet van. De lange gitaarsolo van Micky Moody in Lovehunter bijvoorbeeld put uit een andere traditie.
Dan schiet me bij de hoes een derde puberbezwaar te binnen: die hoed van Moody? Géén porem.

Via de autobio van Bernie Marsden kom ik alsnog hier terecht en hoofddeksels zijn geen belemmering meer. De constatering van Classic Rock Magazine en MuMensen hierboven dat dit een klassiekertje is, is volledig terecht.
De eerste elpee bevat opnamen uit juni 1980. Blij ben ik met de rollen van toetsenist Jon Lord en drummer Ian Paice, terwijl de machtige stem van David Coverdale nog fier en onaangetast regeert. Hoezeer de groep is gegroeid valt me vooral op bij Take Me with You dat de eerste plaat van de 2LP afsluit. Whitesnake, opgejaagd door Paices felle klappen, klinkt stukken hechter dan op de studioversie uit '78; gitaar- én toetsenwerk overtreffen die vervolgens enorm. De productie van Martin Birch laat horen dat hij meegroeide met de band.

Op de tweede elpee staan opnamen uit november 1978 met drummer Dave Dowle. Tot enkele jaren geleden onderschatte ik hem, maar op de EP + twee studio-elpees met hem hoorde ik wel degelijk fraaie details, zoals op basdrum. Deze opnamen bewijzen dat dat geen toeval was.
Minder leuk is dat nogmaals Come On en Ain't No Love zijn te horen, waar ik liever andere nummers had gehoord. Dan liever de versies op de eerste elpee laten vervangen door andere nummers, want de opnamen uit '78 vind ik nog sterker.
10'40" van Deep Purples Mistreated is wat lang, maar Ritchie Blackmore deed hetzelfde met zijn Rainbow: de versie op On Stage (1977) duurt zelfs twee minuten langer... Deze bezetting van Whitesnake slaagt er eveneens in het nummer naar climaxen te brengen met soms snelflitsende gitaarsolo. En hoor Dowles basdrum af en toe rollen!
Maar toch: kant 4 van deze Live... in the Heart of the City is met eerst Trouble en dan Mistreated wel veel van het langzame spul. Kijk, daar komt toch het pubertje in mij weer boven!

Komend jaar wil ik eens goed het Whitesnake vanaf 1987 gaan herbeluisteren. De jaren dat Coverdale naar de top klom zonder dat hij daarvoor twee andere ex-Purplemannen nodig had; alleen dat al verdient een petje-af. Plus de jaren dat het (alweer) ging rommelen in de bezetting en continuïteit, waarbij ik echter altijd weer nieuwe juweeltjes tegenkwam.
Maar vandaag nog eens genoten van deze bluesfase van Whitesnake. Op een heel andere manier een hele goede groep, waarbij de wenende lange bluesnoten van Marsden en Moody dan eindelijk landen in mijn voormalige puberbrein.

Whitesnake - Lovehunter (1979)

poster
3,5
Na Ready an’ Willing en Come an’ Get It was dit de derde Whitesnake die in ’81 mijn platenspeler bereikte. Een blik op de songlist op de achterkant van de hoes leerde me waarom de hoesteksten van die platen steevast 'We Wish You Well' naar de fans vermeldden, wat ik een lieve, persoonlijke groet vond.

De sound van deze plaat leek sterk op die van de twee opvolgers. Hierboven las ik gemopper over drummer David Dowle. Alsof Ian Paice op de volgende twee platen het hoge Purpleniveau bereikte… Echt niet. Daar ging het bij het Whitesnake in deze jaren ook niet om.
Dowle speelt gewoon lekker, in dienst van de songs. Dat Neil Murray heerlijk daaromheen bast maakt het alleen maar swingender of juist lomer. Bij het Whitesnake van deze jaren ging het niet om muzikale (hoog)standjes, maar dankzij gitaristen Marsden/Moody klonk bluesy hardrock met vooral teksten over alle facetten van de liefde voor de vrouw. Ik weet nog precies welke liedjes op een cassettebandje belandden, 38 jaar later kon ik ze nog letterlijk meezingen.

Op de A-kant Long Way from Home, Walking in the Shadow of the Blues (majestueus orgelintro van Jon Lord, eenvoudig maar uiterst verslavend! De eerste twee regels belandden in mijn mooiste schrift op de muur van mijn jongenskamer: “I love the blues, they tell my story. If you don’t feel it you will never understand”) en Medicine Man.
Op de B-kant Mean Business en We Wish You Well, omdat dit hun wensspreuk was. Kortom, briljantjes en fillers wisselen elkaar af, maar opnieuw waren de sterke songs bijna allemaal van het zuiverste goud.

In december 2019 was ik op vakantie bij mijn broertje, die inmiddels jarenlang in een Ver Buitenland woonde. Bij hem was het dertig-plus graden en in zijn cd-kast ontdekte ik deze plaat, die ik uit pure nostalgie opzette. Ik kon mijn favorieten van toen meteen meezingen, die zaten heel diep. Bovendien pasten ze goed bij de zomerse sferen; opeens wist ik weer dat ik deze indertijd in de zomer had geleend. Zomerzwoele hardrock met fijn gitaarwerk en een enkele flitsende gitaarsolo.
De andere songs vindt ook de oude versie van mezelf minder dan die toppers, al is de titelsong beter dan ik me herinnerde. Wat ik was vergeten was dat Bernie Marsden Outlaw zingt, wat ook een best liedje is.

Via streaming ging ik vervolgens de voorganger eens checken, maar dan is Lovehunter toch echt een stuk beter. In retrospect de eerste Whitesnake van een (meer dan) acceptabel niveau.

Whitesnake - Ready An' Willing (1980)

poster
3,0
Deep Purple was allang dood en begraven toen ik in heavy rock geïnteresseerd raakte. Bij Arbeidsvitaminen en Veronica’s Top 100 Aller Tijden was de groep desondanks niet te missen. In 1979 nam ik tijdens de herfstvakantie het NCRV-programma LP Pop Special op van Hilversum 3, die avond een uur lang gewijd aan Purple. Het cassettebandje heb ik niet meer, maar er klonken zo'n beetje dezelfde nummers als op deze verzamelaar, het jaar erop verschenen, kort na Ready an' Willing. Gezien de talrijke advertenties hiervoor in die tijd, vermoed ik dat dit in de eerste helft van de jaren ’80 Purples bestverkochte plaat was.

Vanaf 1980 ging ik samen met mijn muziekmaatje van school luisteren naar de bands die uit Purple waren voortgekomen. Met Rainbow hadden we inmiddels kennisgemaakt, maar in de fonotheek hadden ze bovendien platen van Gillan en Whitesnake.
We lazen dat in die laatste band maar liefst drie ex-Purplemannen speelden. Bovendien ontwaarden we op de hoes de naam van producer Martin Birch, die ons had overdonderd met Black Sabbaths Heaven and Hell.

Nou, Whitesnake was wel even andere koek, constateerde ik thuis: alhoewel beide albums vrijwel gelijktijdig waren opgenomen, is de sound bij Coverdale & co heel anders. Hier geen huizenhoge gitaarmuren, maar vaak lome hardrock met een dikke bluessaus, ondersteund door sobere toetsenklanken of een enkele honkytonk-piano. Prominent in de sound zit de basgitaar van Neil Murray.
Geen heftige beukers of klassiek-beïnvloede capriolen, noch razendsnelle gitaarsolo’s, laat staan duels tussen de solisten. Wél melancholieke songs, veel relaxte slidegitaren van de heren Marsden en Moody en altijd die pakkende stem van Coverdale. Hij pende daarbij fraai-romantische zinnen neer, zoals de (bijna) gospeltekst in Ain’t Gonna Cry No More. De invloed van blues en gospel klinkt sowieso sterk door, constateerde ik vandaag. De tekst van Carry Your Load bijvoorbeeld verwijst duidelijk naar de traditie van de zwarte leermeesters.

Mijn maatje werd van ons tweeën de grote fan van Whitesnake, ik was iets kritischer. Hun eerste platen bevatten steevast voor de helft sterke en voor de helft zwakkere songs, viel me op. Maar die sterke nummers waren dan wel vaak superjuweeltjes. Op deze A-kant Fool for Your Loving en Blindman, op de B-kant Ain’t Gonna Cry No More en in iets mindere mate Black and Blue. Deze belandden uiteraard op een volgend cassettebandje.

Mettertijd groeide mijn waardering voor de band, juist ook voor het werk dat ze vóór 1987 uitbrachten. Zo klonken de sterke nummers steevast in de jukebox in mijn hoofd, zoals de regels “Lord, I know the sunshine, but I feel the tears of rain, falling down to wash my sins away…” uit Ain’t Gonna Cry. Inmiddels vind ik ook Sweet Talker erg aangenaam.
Dit album staat dichter bij het Purple-met-Bolin dan het Purple-met-Blackmore. Meer blues, subtieler, minder door klassieke muziek beïnvloed en in de titelsong een vleugje funk. Voeg daarbij dat de jonge David Coverdale (hier nog geen dertig) fantastisch bij stem is en je hebt een fijn plaatje.

Whitesnake - Saints & Sinners (1982)

poster
4,0
Dat waren altijd aangename middagjes of avondjes: met mijn muziekmaatje van school de laatste nieuwe aanwinst beluisteren. Hij was een grote fan geworden van David Coverdale en daarmee ook van Whitesnake. Nadat we via de fonotheek kennis hadden gemaakt met de drie voorgangers, was Saints & Sinners hun eerste plaat die hij zelf aanschafte. Zoals altijd wilde hij zijn enthousiasme delen.
Ik was iets sceptischer, omdat de voorgaande drie platen steevast naast edelsteentjes ook fillers bevatten. Het kwam erop neer dat ik op ieder van die albums de helft van de liedjes briljant vond en de andere helft een stuk minder. ‘Maar deze is anders,’ verzekerde hij me zelfverzekerd, ‘hoor maar!’

Het eerste wat opviel was de hoes, die ik nog niet in het echt had gezien: de elpee lag nog maar net in de winkels. Het moet dus eind november 1982 zijn geweest, dat ik de opvallende cover bekeek. Die gaf mij het gevoel dat er iets was veranderd. Het straalde een nieuw elan uit, passend bij de sensuele teksten die Coverdale nogal eens neerpende. De binnenhoes liet wat dat betreft al helemaal niets aan de verbeelding over, met het vrijende heilige-en-zondaar-paartje in een andere houding dan op de cover.
Op de achterzijde geen bandfoto, maar alleen een foto van Coverdale. Waarom dat was, had ik in Oor gelezen, daarover later meer.

Ondertussen denderde de A-zijde uit de groef, de vriend had uiteraard de versterker luid opengedraaid. Kort daarop zou hij ‘m opblazen. De defecte weerstand verscheen vervolgens aan een ketting om zijn nek, bewijs van de charme van luid afgespeelde muziek.
Anders dan voorheen bij Whitesnake had producer Martin Birch de gitaren prominent ingemixt, waardoor de sound niet meer warm in jaren ’70-stijl was. Een pittige sound. Daar kwam bij dat de eerste drie nummers stevig en op hoog tempo rocken en dat alle vijf de composities op de A-kant sterk zijn. Dit was inderdaad beter dan voorheen, terwijl ik de drie voorgangers al lekker vond. Vanaf de eerste gitaarklanken van opener Young Blood is duidelijk dat de band meer scheurt en energieker klonk. Als er op het vierde nummer iets gas wordt teruggenomen, Victim of Love is midtempo, blijft de sound stevig. Dan Crying in the Rain dat met een fraaie bluesgitaar begint, om vervolgens naar die heerlijk slepende riff over te stappen.

Kant B begon ook al zo lekker, met het orgel van Jon Lord in het intro van Here I Go Again, dat het midden houdt tussen een ballade en een midtempo rocker. Coverdale was hoorbaar in topvorm en liet dat horen, emotioneel geladen en krachtig als nooit tevoren.
Dat Lord keyboards van een nieuwe generatie gebruikt, droeg extra bij aan het opgefriste geluid, daarover waren we het roerend eens. Ondertussen drumt Ian Paice groovy, zoals hij zo goed kan en het basje van Neil Murray danst heerlijk met diens partijen.
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de rest op de B-kant mij minder pakte, maar al met al vond ik de band duidelijk gegroeid ten opzichte van de voorgangers. Steviger, zonder de amoureuze sfeer te verliezen.
Inmiddels heb ik meer met de twee afsluitende liedjes, Dancing Girls met die heerlijke toetsensolo en de net anders gespelde titelsong. Het bluesachtige gevoel wat in de muziek zit, bevalt mij beter dan ooit.

Zoals B.Robertson in het vorige bericht schrijft, was er hommeles geweest in het land van de Witteslang. De band was kort voor afronding van de opnamen uit elkaar gevallen, vermoeid door teveel feesten en geldgebrek. Dat laatste frustreerde hen, omdat ze inmiddels grote zalen vulden. Eén prangende vraag hield hen bezig: waar bleef het geld? Coverdale was er klaar mee. Hij ontsloeg de manager om zelf de geldzaken op zich te nemen én stuurde bovendien, op Lord na, alle bandleden de laan uit.
Zo kwam het dat bij verschijnen van Saints & Sinners de bezetting anders was dan op de plaat: de nieuwe jongens waren drummer Cozy Powell, gitarist Mel Galley en bassist Colin Hodgkinson.
Dat drie-vijfde van de band inmiddels was vervangen was ons dus bekend, maar wat deze twee pubers vooral bezighield waren de opgefriste sound en hernieuwde energie die van de plaat spatten.

‘Bloody Luxaflex!’ grapten we in de schoolgangen tijdens de pauzes, als verbastering van het derde nummer op de plaat, een ijzersterke rocker. Op 31 januari ’83 stond de band in Vredenburg, Utrecht. De vriend kwam met razendenthousiaste verhalen terug en liet zien op welke plek Coverdale zijn microfoon vooral had gehouden. Niet bij zijn mond. Mooie herinneringen, heb nog altijd spijt dat ik niet bij dat concert ben geweest…

Whitesnake - Slide It In (1984)

poster
4,0
Mijn eerste kennismaking met Slide it In was met de videoclip van Love Ain't No Stranger. IJzersterk liedje, tot op de dag van vandaag één van de allerbeste nummers in hun oeuvre door de opbouw en omdat zanger David Coverdale zó mooi zingt...
Het oorspronkelijke album lag toen al een jaar in de winkels, maar ik kende het niet, omdat de dorpsbieb 'm niet had. Bovendien was de middelbare schooltijd voorbij, waardoor ik mijn maatje, groot fan van de groep, minder frequent zag. De single haalde in februari '85 #44 in de British Charts.
Als Nederlandse puber had ik voordien maar liefst vier Britse singles gemist, soms met videoclip: Guilty of Love (augustus ’83 #31 in de British charts), Give Me More Time (januari ’84 #29), Standing in the Shadow (april '84 #62) en Slow an' Easy, dat de hitlijst miste. Had ik de clips gezien, dan had ik opgemerkt dat de bezetting veranderde.

Zoals vielip in 2010 schreef is dit album "de perfecte overgangsplaat tussen oude en nieuwe Whitesnake", al wisten we dat in januari '84 natuurlijk nog niet, zoals uit deze recensie in Oor blijkt (even scrollen).
Drie nieuwe bandleden telde de groep en allen speelden ze op het album Octopuss van drummer Cozy Powell van het jaar ervoor. Allereerst Powell zelf: deze powerbeuker verving de iets subtieler meppende Ian Paice. Met hem mee kwamen gitarist Mel Galley en bassist Colin Hodgkinson. Gebleven waren toetsenist Jon Lord en gitarist Micky Moody, ontslagen waren gitarist Bernie Marsden en bassist Neil Murray. Coverdale wilde uit de financiële impasse komen en zocht zijn heil in een nieuwe bezetting, gecharmeerd door Powells uitstraling, reputatie en spel.

Het album lag nog maar net in de winkels, toen er verwarrende berichten opdoken: Geffen had de groep voor Noord-Amerika getekend en eiste daarom dat de (prima!) productie van Martin Birch een mix van Keith Olsen zou krijgen.
En dat niet alleen: ik las dat John Sykes, die ik zo had bewonderd om zijn flitsend-snelle solo's bij Tygers of Pan Tang en Thin Lizzy, voor die nieuwe albumversie was toegetreden ten koste van Micky Moody, terwijl bassist Neil Murray weer terug was op het nest.

En toen kwam in april '84 het bericht dat Deep Purple weer bij elkaar kwam! Oftewel, ook Jon Lord verliet Whitesnake. Dat met een opvallende mededeling, waar ik om moest grinniken: "Het was al moeilijk om me staande te houden tussen twee gitaristen, maar met de stijl van John Sykes was er geen gaatje meer over om te kunnen vullen," zegt hij in een interview, waarvan deze zin terugkeerde in Oor's Muziekencyclopedie. Inmiddels blijkt ook Galley te zijn ontslagen, nadat hij al enige tijd geblesseerd was: Coverdale maakte zijn Whitesnake klaar voor een compleet nieuw hoofdstuk.
Hierna zou Whitesnake als kwartet touren door de Verenigde Staten, waarbij de populariteit snel groeide. Dit met toetsenist Richard Bailey (ex-Magnum) in de coulissen.

Pas begin '85 belandde de elpee op mijn draaitafel. De Britse versie welteverstaan. Bij twee nummers luisterde ik verbaasd: de riff van Give Me More Time leek geleend van AC/DC's Rock 'n' Roll Damnation en het was alsof Guilty of Love met zijn dubbele gitaarlijnen op Thin Lizzy was geënt. Tegelijkertijd: in het land van de gitaarriffs heb je natuurlijk al snel dat het wat op elkaar gaat lijken. Toch had ik dit soort associaties nooit eerder met Whitesnake gehad, de groep die voorheen vooral op zichzelf leek.
De sound was weer iets voller dan op voorganger Saints & Sinners, waarop al het nodige was veranderd: meer gitaar in de mix en andere toetsengeluiden. In mijn oren was op Slide it In bovendien de invloed van blues(rock) minder en klonk in plaats daarvan vooral robuuste hardrock. Nuanceverschillen, maar toch.
Favoriete nummers: Gambler is midtempo, waarbij Powell vierkanter speelt dan Paice voorheen deed, maar het nummer gedijt bij een heerlijke melodie. Verder het pompende Standing in the Shadow; dankzij oudgediende gitarist Moody blues in Slow an' Easy, met in de coupletten een staccato riff als een voorloper van Still of the Night van 1987; en tenslotte het al genoemde Guilty of Love.

Dankzij streaming ken ik de US-versie. Die biedt een prominentere gitaar, iets hardere bas en wat meer echo voor zang en drums. Hiermee werd het geluid iets zwaarder, niet beter of slechter. Wat ik niet wist, was dat de single van Love Ain't No Stranger de Amerikaanse mix betrof.
En wat ik helemaal nooit heb beseft was dat de dame op de hoes doodsbang is geweest bij de foto-opnamen met een python om haar nek, een verhaal dat in 2009 verscheen. Kan ik me iets bij voorstellen...

De laatste show die Whitesnake met Jon Lord speelde was op 16 april 1984 in Zweden en laat die nu deels op YouTube staan en nog in goede beeld- en audiokwaliteit ook! Bovendien gaat Sykes hier lós, veel meer dan op de US-mix van Slide it In. Het publiek aan tafeltjes zag een band in topvorm. Aanrader!

Whitesnake - Slip of the Tongue (1989)

poster
3,5
In 1989 was ik inmiddels vertrouwd met de situatie dat Whitesnake mainstream was geworden. Sterker nog, ik vond het oprecht jammer dat "onze" Adje groot blessureleed meemaakte en enige tijd niet meer kon spelen. De stijl van volgende nieuwe gitarist Steve Vai was enigszins wennen, maar vooral klinkt hier een Whitesnake in topvorm in lijn met voorganger 1987.

Mijn favorieten: met titellied Slip of the Tongue zingt Coverdale op de toppen van zijn longen, Now You're Gone heeft mooie melancholie, de rockende ode aan het sterke geslacht via Kittens Got Claws, het vergelijkbare maar meer open klinkende Wings of the Storm en natuurlijk het juweel annex slotlied Sailing Ships.
Toen ik nog jong en fris was, kon ik de vele kleine lettertjes goed lezen. Zo ontwaarde ik dat er bijdragen klonken van twee voormalige toetsenisten van Rainbow, te weten Don Airey en David Rosenthal. Achtergrondzang was er onder andere van Tommy Funderburk, die ik toen kende van The Front en vorig jaar solo tegenkwam.

Dat ik in '89 al een grumpy old man werd, bewees de remake van Fool for Your Loving; ik was/ben te gehecht aan de versie op Ready An' Willing van negen jaar eerder. Een verschijnsel dat ik op 1987 al tweemaal eerder meemaakte. Dat je dit album steeds vaker op het kleine formaat van cd tegenkwam, was ook wel wennen: die kleine plastic doosjes haalden het niet bij de grote hoezen van elpees...
Met verzamelaar Greatest Hits uit 1994 kwam er een B-kantje bij, dat wel op het originele album had gemogen: Sweet Lady Luck. Uiteraard dook het ook op latere heruitgaven van Slip of the Tongue op.

Een lekker album en was ik tien jaar jonger geweest, dan was ik omvergeblazen. Maar ja, al in 1989 voelde deze twintiger enige bezadigdheid. Iets wat ik trouwens bij latere albums van Whitesnake weer kwijt zou raken. Desondanks houd ik wat gemengde gevoelens bij deze Whitesnake, net als hun eerste albums "gewoon voor de helft hartstikke lekker".

Whitesnake - Snakebite (1978)

poster
3,5
December 1977 speelt de Schotse r&b-zanger Frankie Miller in het Londense Rainbow Theatre met tijdelijk gitarist Micky Moody in de groep, die gelijktijdig met zanger David Coverdale werkt.
Als gitarist Bernie Marsden de Rainbow binnenloopt, ontmoet hij de zanger. De twee kenden elkaar van een ontmoeting in München, waar Marsden werkte aan het enige album dat PAL uitbracht en Coverdale zijn maatjes van Deep Purple opzocht.
In zijn biografie Where's My Guitar? (2020) vertelt Marsden dat Coverdale hem vraagt om de dag erna met Moody gedrieën de audities voor zijn nieuwe David Coverdale Band te doen. Marsden is iets eerder gevraagd door het management van Paul McCartneys Wings, maar dit blijft onduidelijk en Marsden neemt Coverdales aanbod aan.

Na vier dagen audities wordt Dave Dowle drummer en bassist Neil Murray (ex-Colosseum II) komt erbij op initiatief van Marsden. Toetsenist/zanger Tony Ashton, ex-PAL, bedankt voor de eer, in plaats daarvan versterkt Brian Johnston (door Marsden abusievelijk Johnson genoemd) de groep. In Coverdales appartement worden de eerste nummers geschreven, te beginnen met Come On. De naam verandert hier naar Whitesnake.

Manager Joe Caletta weet voor zijn label Sunburst een distributiedeal met EMI te krijgen en in maart begint de eerste tournee met in de setlist een cover van Ain't No Love in the Heart of the City, oorspronkelijk van soulzanger Bobby Bland. Diens tekst werd per ongeluk gewijzigd: Marsden dacht deze goed te kennen, maar vergiste zich...
Na afloop van het laatste concert van de tour wordt een dronken Johnston erg openhartig over de boezem van Coverdales vriendin. Hij wordt pardoes de bus uitgezet en voorlopig vervangen door Pete Solley, ex-Procol Harum.

Het is in deze bezetting dat de EP Snakebite wordt opgenomen, waarop Coverdale kiest voor de bluesrock die zich in lichte mate op zijn twee soloplaten manifesteerde. In juni 1978, slechts drie maanden na Coverdales tweede soloplaat Northwinds, verschijnt Snakebite op fraai wit vinyl.
In september verschijnt een elpee met dezelfde titel, aangevuld met voornamelijk de tweede plaatkant van Northwinds.

Ondertussen was de groep in mei begonnen met de opnamen voor het album Trouble, om in juni hun eerste festival in het AZ '67-stadion in Alkmaar te spelen, uitgezonden op de Nederlandse radio (luister hier) mét interview (lichtelijk versneld maar desondanks plezant), daar te horen.

Met het witte vinyl van de EP, een nieuw album in de steigers én de elpeeversie van Snakebite in aantocht is duidelijk dat de groep serieuze plannen had en hard werkte. De vier nummers druipen van de blues, gekleed in stevige gitaren met soms een vleugje boogie. Niet opzienbarend maar een volgende stap op Coverdales weg naar de top.

Whitesnake - Snakebite (1978)

poster
4,0
Terecht te vinden bij de verzamelaars van Whitesnake. Een samenvoegsel van de stevigste nummers van de David Coverdale-elpee Northwinds uit maart 1978 en de vier nummers van het debuut van Whitesnake, de EP Snakebite uit juni dat jaar. En dat terwijl de opnamen voor de eerste echte Whitesnake-elpee, Trouble genaamd, al in mei waren begonnen.

Qua releases is het dus enigszins onoverzichtelijk, maar met deze acht nummers horen we wél een David Coverdale in grootse vorm, een stem die helaas in recente jaren (te?) versleten is geraakt. Alleen daarom al kan ik ervan genieten, waar ik vroeger scheurende gitaren en snelle nummers miste plus piano en dameskoortjes overbodig vond.
De productie (respectievelijk Roger Glover en Martin Birch) is niet alleen prima, je hoort eigenlijk nauwelijks dat hier sprake is van twee verschillende opnamesessies.

Smaak kan veranderen, zoals ik ook het Elf met Ronnie James Dio tegenwoordig veel leuker vind dan voorheen. Vier sterren derhalve.

Whitesnake - The Purple Album (2015)

poster
4,0
Bij 1987 van Whitesnake ontstond een discussie over The Purple Album. Met jullie goedvinden verplaats ik 'm hierheen en dan mijn reactie. Het begon gisteren, 21 juni, met Hans Brouwer:
Fluister je broer maar in z'n oor dat het beste album van Whitesnake toch echt "The Purple Album" is.
waarop vielip vandaag reageerde met
Dat is wat mij betreft zo'n beetje het allerslechtste album dat onder de naam Whitesnake is uitgebracht. Mag die bandnaam eigenlijk niet eens dragen...
bijgevallen door milesdavisjr die noteerde:
Een van de meest vreemde reacties die ik ooit heb gelezen. Ten eerste is the Purple album een plaat vol met bewerkingen van Coverdale met Deep Purple. Ten tweede is het een verzamelaar en is het eigenaardig dat die onder de naam Whitesnake uitkwam, maar dat laatste is natuurlijk niet verboden.
met daarop Hans' reactie:
"The Purple Album" is dus geen verzamelaar maar een bewerking van Deep Purple nummers. Noem het een cover album of een "ode aan" album. En ja, ik vind het een heel strak rock album. Met Whitesnake heb ik verder niet zoveel hoewel "1987" wel deel uitmaakt van mijn lp/cd collectie maar "The Purple Album" van Whitesnake vind ik te gek.
Laten we feiten en meningen niet verwarren. Qua feiten heeft Hans gelijk. Op The Purple Album nam David Coverdale immers nieuwe versies op van muziek uit zijn eigen periode bij de groep. De term verzamelalbum is daarmee onjuist, de term "odealbum" dekt de lading beter. Ik schreef er vorig jaar juli uitgebreider over.

Qua meningen is duidelijk dat sommigen The Purple Album niks vinden. Meestal ben ik het eens met vielip en miles, nu een keertje niet. Net als Hans geniet ik oprecht van de klassiekers in dit moderne, flitsende jasje van Whitesnake met soms andere arrangementen en vele gitaarsolo's: anders dan de versies met Blackmore, maar nog steeds smullen voor mij. Wat ik afgelopen vrijdagavond tijdens het afspelen besefte, was dat Coverdales stem het hier nog redt; inmiddels lukt hem dat niet meer - tenzij er inmiddels een wonder is gebeurd.
Overigens weet ik nog dat Hans vorig jaar nog uitermate sceptisch was over The Purple Album. Hij is toen echter van mening veranderd, zie zijn bericht van 14 juli 2024.

Kortom, over smaak valt zeer wel te twisten! En daar hebben we een belangrijke meerwaarde van MuMe: de lezer kan aan de hand van tegengestelde meningen zijn eigen oordeel vormen. Dank dus aan Hans, vielip, miles en anderen! Dat kom je op reguliere muzieksites niet tegen, leve een forum als dit.

Whitesnake - Trouble (1978)

poster
3,0
Het enthousiasme waarmee Bernie Marsden in zijn autobiografie Where's My Guitar? over dit album schrijft is aanstekelijk. Toch ben ik iets minder enthousiast over de debuutelpee van de groep.

1978 was het eerste jaar van Whitesnake en meteen heel intensief. Nadat de EP Snakebite in maart verscheen, werd in mei gestart met de opnamen van Trouble.
In de zomer volgde een volgende offensief. In juni, tijdens het WK voetbal, wordt bij Top of the Pops Bloody Mary van de EP gespeeld (Black Sabbath is er om Never Say Die te promoten maar Marsden heeft vooral interesse voor Bob Marley), gevolgd door onder meer een concert in de Londense Lyceum. Na een optreden in de eveneens Londense Strand met in het vijftienhonderdkoppige publiek ook de EMI-staf, krijgt de groep een contract bij sublabels United Artists/Liberty.
Als toetsenist Jon Lord, eveneens ex-Deep Purple, begin augustus mixen van het album Trouble hoort, dient hij prompt een verzoek in om deel uit te maken van Coverdales nieuwe groep. Exit Pete Solley, wiens bijdragen worden vervangen door die van Lord.
In september verschijnt een "verzamelelpee" die opnieuw Snakebite heet, in oktober gevolgd door Trouble.

Hierop klinkt melodieuze hardrock in blues gedrenkt, door Coverdale onomwonden cockrock genoemd. In contrast daarmee de dansende baslijnen van Neil Murray (die waren de reden dat hij in 1976 Colosseum II moest verlaten), welke samen met drummer Dave Dowle een solide basis neerzet. Daarover het gitaartandem Micky Moody - Marsden en toetsenist Jon Lord. Als blikvanger David Coverdale, wiens bronzen stem tevens de oren diende te veroveren.
Met Deep Purple op het cv van twee groepsleden én de terugkeer naar hardrock waren de mogelijkheden groot, verwachtte manager John Coletta. De muziek verscheen via diens label Sunburst. Geleidelijk zouden de groepsleden ontdekken dat hun contracten enkele nare trekjes bevatten ten faveure van Coletta. In 1981-'82 zou dit tot een ingrijpende breuk met het management leiden.

Op Trouble was dat alles nog onbekend en klinkt een groep als opgetogen koeien in de lente, die voor het eerst de wei in mogen. Neem bijvoorbeeld Nighthawk (Vampire Blues) waarin de anderen meedansen met Murrays basgitaar en Dowle flink van zich af mept.
Dat neemt niet weg dat de groep nog zijn weg moest vinden. De composities zijn meestal middelmatig, inclusief de overbodige Beatlecover Day Tripper (maar heb ook bar weinig met de groep uit Liverpool), inclusief het gitaarfoefje van die dagen, de talkbox. Marsden was hier echter heel trots op!

Drie keer veer ik op. Dit bij het midtempo Love to Keep You Warm, het dansende The Time Is Right for Love en het slepende titelnummer.
Vier keer is het aardig: de aftrap van Take Me with You is me iets te springerig; het instrumentale Belgian's Tom Hat Trick in de geest van een Rory Gallagher mag er ook zijn en in Free Flight drumt Dowle vol klasse; het uptempo Don't Mess with Me doet me aan de aftrap denken, dat nét wat te graag wil. Producer Martin Birch zet opvallend genoeg naast de zang ook de bas hoog in de mix, met de gitaren en toetsen iets daaronder.
Op streaming te vinden met de Amerikaanse/Canadese kleurenhoes, is de oorspronkelijke cover zoals MusicMeter hem toont.

Een groep ervaren muzikanten staat hier nog aan het begin. Ze groeiden met alle optredens echter snel naar elkaar toe. Marsden beschrijft zijn ervaringen enthousiast, waarbij een privéoptreden op zijn oude middelbare school met als speciale gast... David Coverdale; ontmoetingen met B.B. King en George Harrison leveren bij het lezen meer glimlachjes op.
Al in januari 1979 werd een begin gemaakt met de mix van livealbum Live... in the Heart of the City (1980) en tegelijkertijd werd muziek geschreven voor de opvolger, studioplaat Lovehunter ('79).

Widowmaker - Widowmaker (1976)

poster
3,5
Vanmiddag was het hier 1976 met deze Widowmaker en Jailbreak van Thin Lizzy: 47 jaar geleden, kort voordat punk en new wave uitbraken, waarvan de Britten als eersten de invloed zouden ondervinden én het jaar dat ik als prepuber naar popmuziek ging luisteren.

Ik was hun titelloze debuut tot dusver nooit tegengekomen, maar kwam ‘m toevallig tegen in een bak met tweedehands platen. De reden dat ik ‘m meenam is vanwege bassist Bob Daisley. Dit was zijn vierde band, twee jaar later zou hij toetreden tot Rainbow en vervolgens mede dankzij zijn schrijftalent cruciaal zijn voor de wederopstanding van de carrières van Ozzy Osbourne en Uriah Heep om vervolgens op te duiken bij onder meer Black Sabbath en Gary Moore.
Maar nu zijn we dus in 1976. Hierboven vraagt milesdavisjr zich af waarom er toch zo weinig MuMe-stemmen zijn voor de groep, maar in Nederland deed Widowmaker helemaal niets. Je komt hun twee platen hier dan ook zelden tegen. Hetzelfde geldt voor de singles van dit album, te weten Leave the Kids Alone, Pin a Rose on Me/On the Road en When I Met You.

De achterzijde vermeldt vier leden, op de voorzijde zien we ook gitarist Huw Lloyd Langton (ex-Hawkwind) zitten. Het korte introductieverhaal op de achterzijde van de hoes vermeldt zanger Steve Ellis en gitarist Ariel Bender (voorheen bekend als Luther Grosvenor, ex-Mott The Hoople/Spooky Tooth) als groepsleiders. Toch is het Daisley die de eerste twee nummers (mede) componeerde. Drummer is Paul Nicholls, ex-Lindisfarne.
Een ander detail dat opvalt is het Jet label, oftewel dat van Don Arden, de latere schoonvader van Osbourne. Mogelijk dat dit heeft geholpen bij Daisleys opwaartse spiraal, waarover hij een lezenswaardige biografie schreef.

Waar Lizzy duidelijk een muzikale koers had gevonden, te weten hardrock met folkachtige gitaarlijnen, is het palet bij Widowmaker veel breder. Rock, blues, country en in Shine a Light on Me zelfs gospel, compleet met lekkere tempowisselingen. Kortom, rhythm and bluesrock zoals dat in die jaren vaker werd gedaan, denk aan grote namen als The Faces en Rod Stewart. Bij Widowmaker (op de achterzijde van de hoes als Widow Maker geschreven) vraag je je alleen af of ze niet iets eenduidiger hadden kunnen blijven.
Een stevig nummer wordt consequent gevolgd door een rustiger exemplaar, waarna het volgende weer robuust klinkt met altijd minimaal één voet in de blues. Het afsluitende Got a Dream moet een met drank overgoten muzieksessie voorstellen, met lollig resultaat.

Kortom, een heerlijk gedateerd rockplaatje en dat bedoel ik als een compliment. Daisleys biografie 'For Facts Sake' (2014) schijnt vol leuke feitjes te staan maar is wat prijzig. Toch twijfel ik...

Wild Horses - Stand Your Ground (1981)

poster
3,0
Waar het debuut van Wild Horses zo tegenviel, is de opvolger een goede stap vooruit. Het zit 'm in de composities die beter zijn en zelfs de zang kan er mee door, nu gitarist Brian Robertson dit overlaat aan bassist Jimmy Bain. Gitarist-toetsenist Neil Carter was vertrokken naar UFO en vervangen door John Lockton.

Meteen bij de opener I'll Give You Love valt te horen dat Robertson één van de pijlers van Thin Lizzy's topjaren was, gezien de fraaie gitaarlijntjes en breaks. De nummers die op kant 1 volgen zijn allemaal okay, vergelijkbaar met de twee sterkste nummers van de voorganger, waarna met het sterke Stand Your Ground wordt afgesloten.
Kant 2 opent met de bijna punkriff van The Axe, waarna het niveau van kant 1 op wordt geëvenaard, wat eveneens geldt voor de ballade Precious.

Qua productie (Bain, Robertson en knoppenman Kit Woolven) klinkt nog steeds het gortdroge geluid van de jaren '70. Dat deed Woolven in diezelfde dagen bij Thin Lizzy en Philip Lynott-solo beter. Zo zette Wild Horses zichzelf opnieuw op achterstand: bij de new wave of British heavy metal klonk een veel heftiger geluid en ook werden nieuwe productietechnieken genegeerd: Stand Your Ground klinkt alsof het nog 1977 is.
Vergelijk afsluiter Stake Out eens met XTC's Making Plans for Nigel uit '79 (ik vind de melodielijnen iets van elkaar weg hebben, vandaar): alleen al zo'n drumsound had deze Wild Horses veel dynamischer gemaakt.

De plaat verscheen in het voorjaar van 1981 en deed wederom weinig. Al in juni dat jaar verlieten Robertson en Edwards de groep, de eerste om het jaar erop bij Motörhead te landen, de tweede trad toe tot Bernie Marsden's SOS, de nieuwe groep van de voormalige gitarist van Whitesnake.
Bain probeert een doorstart van Wild Horses met onder meer Laurence Archer, de latere gitarist van Phil Lynott's Grand Slam en Frank Noon, de oorspronkelijke drummer van Def Leppard. Het werkt niet en nog datzelfde jaar gooit hij de handdoek in de ring. Ik zou hem vervolgens tegenkomen op het debuut van Dio. Lockton komt terecht bij de Duitse hardrockers van Victory.

In 2013 verscheen via Rock Candy een geremasterde versie met bonussen, waarbij de prima single-B-kant The Kid, de niet-passende cover Everlasting Love, een hit voor Love Affair in 1968 en door vele anderen gecoverd, van U2 tot Sandra en Jamie Cullum, én een cover van Lizzy's Are You Ready. Bovendien klinken twee opnamen van de Japanse tournee in 1980, waarvan in 2014 een heel album verscheen.

Was Wild Horses' debuut beneden de maat, met de opvolger werd het behoorlijk beter. Maar niet genoeg. Als schoolcijfer een 6,5, in drie sterren vertaald.

Wild Horses - The First Album (1980)

poster
2,0
Als groot liefhebber van Thin Lizzy raakte ik rond '82 ook geïnteresseerd in Wild Horses, het eerste bandje van ex-gitarist Brian Robertson na zijn vertrek uit die groep. De plaat stond echter noch bij vrienden, noch in de fonotheek in de kast/bak en gezien hetgeen ik erover las, besloot ik 'm niet te gaan kopen. Oor's Pop Encyclopedie editie 1982 over hun beide albums: "Op papier veelbelovend, op plaat teleurstellend."

Als ik via streaming ruim 43 jaar later controleer of ze gelijk hadden, blijkt dat inderdaad het geval te zijn. Vergelijk het met een recept vol smakelijke ingrediënten, maar met mij als kok; bij het laatste gaat het mis.
Ingrediënten naast Robertson: bassist Jimmy Bain (ex-Rainbow), toetsenist/gitarist Neil Carter (die ik in '82 van UFO kende) en de toen nog onbekende drummer Clive Edwards, die in 1989 tot UFO zou toetreden.

De geserveerde maaltijd bevat echter slappe hardrock, middelmatige composities (of minder dan dat) en futloze zang van Robertson en Bain. Waarom zij meenden de leadzang te moeten doen is mij een raadsel. Kant 1 sluit af met twee nummers die Bain met leden van Thin Lizzy schreef: Flyaway met Phil Lynott en Dealer met Scott Gorham als co-auteur. Mogelijk nummers die eerder niet door de selectie van een album van Lizzy kwamen en nu alsnog zijn opgewarmd.

The First Album (inspiratieloze titel bovendien) werd geproduceerd door Trevor Rabin en heeft ongeveer hetzelfde geluid als diens soloplaat uit '79. Waar Rabin echter goede composities leverde (I'll Take the Weight was een favoriet van Alfred Lagarde), lukte dat Bain en Robertson niet.
Het is niet alleen kommer en kwel: de muzikanten zijn goed en Robertson speelt bij vlagen heerlijk. In 1979 ging single Criminal Tendencies vooraf, met No Strings Attached de enige hoogtepuntjes van de elpee, die bovendien verzoop temidden van de concurrentie van de New wave of British heavy metal.

In 2013 bracht Rock Candy een geremasterde bonusversie uit, zoals dat label dat zo fraai kan. Daarop is onder meer Phil Lynott te horen op bas en achtergrondzang in de demoversie van Flyaway. Het voegt weinig toe, te oordelen op wat ik op streaming hoor.

Wild Turkey - Battle Hymn (1971)

poster
4,0
In april 1970 begon de tour voor Benefit, de derde van Jethro Tull. Dit in Denver, Colorado. Na een vakantie speelde de groep in augustus op het festival Isle of Wight om daarna terug te keren naar Amerika, zo schrijft Scott Allen Nollen in zijn biografie over de groep uit 2002.
In november vliegt de groep vanaf New York huiswaarts, maar bassist Glenn Cornick wordt door manager Terry Ellis op het vliegveld apart genomen voor een kop koffie: "Well, Ian [Anderson] doesn't want to work with you anymore. We've cancelled your plane ticket and you're on the flight tomorrow." Hij zou zijn groepsgenoten voorlopig niet meer zien.
Als compensatie neemt Ellis in 1971 de nieuwe groep van Cornick onder contract: welkom Wild Turkey. In 1972 was de groep één van de groepen die voor Jethro Tull opende tijdens hun Thick as a Brick Tour.

Afgezien van de delen met akoestische gitaar ontbreekt het folkelement bij Wild Turkey, dat zeker géén poging tot imitatie van Tull is. Wel trekt Wild Turkey op het debuut Battle Hymn de ontdekkende lijn door.
Na een stevige start scheuren de elektrische gitaren van Alan Lewis (lead) en Jon Blackmore (slag, geen familie van zijn naamgenoot bij Deep Purple) minder en wordt duidelijk dat hier progrock klinkt. Dit met de voor die periode typische virtuoze drumpartijen (Jeff Jones), waarin de invloed van de powertrio's van eind jaren '60 klinkt. Verder akoestisch gitaarwerk en heldere zang van Gary Pickford-Hopkins. Die had al vanaf 1966 enige reputatie opgebouwd als frontman van Eyes of Blue, maar verkoos rock boven de hitparadepop van die groep. Het totaalgeluid op Battle Hymn is een stukje melodieuzer dan Cornick voorheen bij Tull deed.

De progressive rock van Wild Turkey heeft enerzijds de echo's van een Hendrix en Cream, dankzij de elektrische gitaristen. Anderzijds is het de akoestische gitaar die frequent rustiger tegenwicht brengt. De stem van Pickford-Hopkins krijgt op sommige momenten een rauw randje. Cornick, met Blackmore de hoofdcomponist en een melodieus en technisch bekwame bassist, hield ervan om avontuurlijke paden te betreden. Er valt daarom het nodige te genieten.
Magnum opus van Battle Hymn is het titelnummer op kant 2, maar over de gehele plaat is er de nodige variatie. Na de energieke en hard rockende opener Butterfly volgen bijvoorbeeld het subtiele To the Stars met daarin een piano en westcoastzang, Easter Psalm met drumrolls in de stijl van White Rabbit van Jefferson Airplane maar ook een prachtige akoestische gitaarsolo, het op een akoestische basis drijvende uptempo Sanctuary en mooie baslijntjes in afsluiter Sentinel. Jammer dat laatstgenoemde zo vlot wordt weggedraaid. Ander pluspunt van dit album zijn de fraaie solo's op elektrische gitaar van Lewis.

Het album haalde in mei 1972 in Amerika #193 in de albumlijst, waar het drie weken genoteerd stond. Op YouTube vind ik nog twee bonustracks, liveversies van nummers die op het debuut ontbraken, sinds 2004 verkrijgbaar op een cd-editie. De trackvolgorde op YouTube en hierboven bij MuMe verschilt overigens van die op de oorspronkelijke elpee.
Bij degenen die achter de knoppen zaten, herken ik twee namen uit de hardrock- en metalwereld: de dan nog piepjonge Rodger Bain en Tom Allom. In 1971 deden ze echter veel meer dan dat, getuige dit sterke Battle Hymn.

Wild Turkey - Final Performance (2000)

poster
3,5
Lang heb ik gedacht dat het principe van de twinguitars was uitgevonden door Wishbone Ash en Thin Lizzy. Onjuist natuurlijk: dat twee of meer elektrische gitaristen hun spel bundelen in zingende gitaarlijnen ontstond op vele plaatsen spontaan, in diverse groepen met deze bezetting.

Zo ook Wild Turkey, dat zich gedurende hun relatief korte bestaan ontwikkelde van een progrock- naar een (hard)rockend gezelschap. De groep van bassist Glenn Gornick kreeg maar geen contract voor een derde album, zelfs Chrysalis wilde niet met hen in zee. In juni 1974 speelde de groep zijn afscheidsconcert in de Londense Marquee. Dit met nieuwe drummer Kevin Currie. Gitarist Bernie Marsden duikelde de opnamen op uit zijn archief en aangevuld met opname van een openluchtconcert in Berlijn van twaalf maanden eerder, toen nog met Jeff Jones als stokkenman, verscheen dit in 2000 op cd als Final Performance.

Veel zingende en hardrockende gitaarlijnen van Marsden en Mick Dyche, al helemaal in de lijn van het Whitesnake waar Marsden in 1978 meteen vanaf de start deel van zou uitmaken. Het nummer Sweet Talkin' Woman heet inmiddels Street Walker.
Vanaf track 7 klinken de opnamen van de Berlijnse Waldbühne, om te beginnen met een lange gitaarjam, gevolgd door een bassolo en een woeste, lange drumsolo van Jones die daarvoor leefde, aldus Bernie Marsden in zijn biografie Where's My Guitar? (2020). Bij de gitaarsolo's hoor ik warempel voorzichtig gehamer, de techniek waarmee Eddie Van Halen vier jaar later furore zou maken.

Talent had deze groep genoeg: de redenen dat een platencontract uitbleef kunnen niet in het gebrek daaraan hebben gelegen. Dat Cornick ex-Jethro Tull was, was echter geen garantie voor een lange platencarrière. Final Performance is een tijdsdocument uit de periode dat solo's lang mochten duren en zowel het rockgenre als de wijze van spelen op de elektrische gitaar zich volop vernieuwden. De cd is hier op YouTube te vinden.

De groepsleden vervolgden hun carrières bij onder meer Rick Wakeman van Yes (zanger Gary Pickford-Hopkins) en de Duitse groep Karthago (Cornick). Dyche speelde vervolgens gitaar bij Tim Rose en is te horen op hitsingle Driver's Seat van Sniff 'n' The Tears.
Marsden ging dankzij platenbaas en producer Mickie Most sessiewerk doen en is daardoor te horen bij Hot Chocolate. Bovendien scoorde hij zijn eerste hit en wel via Hammer, de groep van drummer Cozy Powell. Dit met het glamrockachtige Na Na Na, waarbij in de clip van Top of the Pops ook een glimp van de latere Deep Purpletoetsenist Don Airey is te zien. Eigenlijk had er een album van Hammer moeten komen, maar Most vond het "te rock" en liet de groep vallen. De bio van Marsden vertelt hoe de gitarist daarop terechtkwam bij Babe Ruth.

Wild Turkey keerde in 1996 terug met Stealer of Years.

Wild Turkey - Live in Edinburgh (2001)

poster
3,5
Onder auspiciën van bassist Glenn Cornick verscheen in 2001 een cd met hierop een concert uit 1973 van het door hem opgerichte Wild Turkey. Dit in de nieuwe bezetting met gitaristen Mick Dyche en Bernie Marsden, die met hun vaak lange solo's het publiek hoorbaar razend enthousiast maakten. Het album kreeg de sobere titel Live in Edinburgh mee.

De gemiddelde fan van Rory Gallagher zou hier heel enthousiast van kunnen worden, mede omdat het toetsenspel van Steve Gurl en het drumwerk van Jeff Jones dik in orde zijn, vergelijkbaar met de muzikanten die in die periode bij de Ier rondliepen. De stem van zanger Gary Pickford-Hopkins klinkt rauwer dan op de twee studioplaten die de groep maakte; ik moet soms zelfs aan die van Paul Rodgers denken.
Hoorbaar is dat nieuweling Marsden het ontzettend naar zijn zin had, zoals hij ook schrijft in zijn bio Where's My Guitar? (2020, in '21 in rode herdruk verschenen bij Harpercollins). Wat ook opvalt is zijn hoge tweede stem, die op Social World het geluid verrijkt. Waar bij UFO de sfeer onbehagelijk kon zijn, kwam hij hier in een warm bad met toegewijde en getalenteerde muzikanten.
Enige nadeel was dat er toentertijd al zoveel bands in dit genre waren, meer nog dan de inventieve progrock die vooral op het debuut klonk. In dat opzicht is het minder "spannend"; het Schotse publiek dacht daar echter anders over.

De groep tourde intensief, mede in de hoop zo een nieuw platencontract te verkrijgen. Dit in een "dorstige Chevy" (de oliecrisis, brandstof was duur), bestuurd door Cornick die rustig ononderbroken honderden kilometers reed en alleen voor brandstof stopte.
In Spanje, waar het regime van de rechtse dictator Franco heerste, lesten de vijf op een snikhete dag hun dorst in een wegrestaurant, toen soldaten binnenkwamen en hen in woedend Spaans wat toebeten. Eén van hen vertaalde: "Jullie drinken alcohol aan de weg, daarvan kun je in problemen komen." De Britten stopten er onmiddellijk mee, geïntimideerd door de boze uniformen. Totdat een lokale politieagent binnenkwam en Cornick herkende: "Living in the past!" riep hij, refererend naar het nummer uit de dagen van de bassist bij Jethro Tull. Ze mochten gaan en kregen zelfs een "high-speed escort".

In Duitsland was Wild Turkey co-headliner met UFO en de onderlinge sfeer was kil. Hun zanger Phil Mogg liet UFO als grap Cold Turkey van John Lennon instuderen, erop gebrand de groep van zijn ex-gitarist eruit te spelen. Marsden beschrijft dat het omgekeerde gebeurde, nota bene tot leedvermaak van Marsdens opvolger Michael Schenker.
De sfeer was heel anders tijdens een andere Duitse tournee in het voorprogramma van Yes. Het leidde ertoe dat Pickford-Hopkins op twee soloplaten van Yes' toetsenist Rick Wakeman zou zingen.

Terug naar Schotland. Vijftig jaar later is dit gewoon een lekker liveplaatje vol classic rock, in blues gedrenkt, soms tegen hardrock aanleunend. En nog op op JijBuis te vinden ook. Wie de cd aanschaft, heeft het voordeel een boekje met 12 pagina's aan te treffen met daarin naast de nodige foto's van diverse bezettingen van de groep een introductie van de zanger.

In 2000, het jaar ervoor, verschenen opnamen van het afscheidsconcert van Wild Turkey in 1974. Eens horen of ik de groep toen nog altijd zo vlamde.

Wild Turkey - Rarest Turkey (2002)

poster
3,5
In 2002 op cd en in 2016 bovendien op elpee verschenen. De postume verzamelaar van Wild Turkey, de groep die aanvankelijk aandacht kreeg vanwege de ex-bassist van Jethro Tull, de man met haarband Glenn Cornick. Die verzamelde meer dan capabele muzikanten om zich heen, waarbij zanger/akoestische gitarist Gary Pickford-Hopkins, leadgitarist Alan 'Tweke' Lewis, pianist Steve Gurl en drummer Jeff Jones.
Op de eerste plaat speelde Jon Blackmore vaak luid slaggitaar, zijn opvolger op de tweede plaat Mick Dyche deed dat iets ingetogener. Voor de concertenreeks na het uitbrengen van de tweede worp trad Bernie Marsden toe als leadgitarist.
Die had kort tevoren blues geblazen in de muziek van hardrockers UFO en zou later onder meer met Jon Lord en Ian Paice van Deep Purple werken en vervolgens bij het Whitesnake van David Coverdale landen, eveneens ex-Deep Purple.

Rarest Turkey begint met vijf demotracks uit de periode Bernie Marsden, dus uit de periode na hun tweede album. Daarna volgt werk van eerdere dagen: singleversies en B-kanten met Tweke Lewis als leadgitarist. Er wordt afgesloten met solowerk van zanger Pickford-Hopkins.
Marsden bracht ook blues in Wild Turkey, dat daarmee een ander geluid kreeg. De muziek wordt compacter en minder experimenteel, ver verwijderd van het debuut en iets minder ver van de opvolger. Eigenlijk begrijp ik wel dat Wild Turkey er niet in slaagde een nieuw platencontract te tekenen: de afstand tot de muzikale wereld van Jethro Tull was te groot geworden.

Neemt niet weg dat dit als verzamelaar een prima album is, méér dan wat je normaal gesproken onder dat fenomeen verstaat. Pickford-Hopkins vond na het uiteenvallen van de groep onderdak bij Rick Wakeman, Marsdens ster zou nog hoger rijzen.
Maar eerst ga ik meer Wild Turkey luisteren. Het postuum uitgebrachte livewerk mag er zijn en omdat dit op YouTube is te vinden, kan ik lekker door met mijn reis door de carrière van Bernie Marsden. Over die concerten vertelt hij in zijn biografie Where's My Guitar? enkele leuke anekdotes, wordt vervolgd!

Wild Turkey - Stealer of Years (1996)

poster
3,5
Reüniealbum van drie kernleden van Wild Turkey, te weten bassist (plus op mandoline en fluit) Glenn Corney (ex-Jethro Tull), gitarist Alan 'Tweke' Lewis en zanger/akoestische gitarist Gary Pickford-Hopkins. Opgenomen 21 jaar na hun laatste studioplaat doet dit nog het meest denken aan het debuut uit '71, waar progrock en folk elkaar vonden. Voor drums werd de onbekende Brian Lewis gevraagd.

Wrap It Up Take It Home bevat ietwat gejaagde rock met bluesgevoel, op het wiegende St. Catherine's Bells klinkt folk en het uptempo Battlefield bevat dubbele elektrische gitaarlijnen, vergelijkbaar met het betere jaren '70-werk van Thin Lizzy.
En zo klinken deze drie stijlelementen gedurende het gevarieerde en aangename album. De stem van Pickford-Hopkins is rauw en hees als toen, waardoor bluesballade With You in Mind extra sterk wordt, mede dankzij sterk gitaarspel van Lewis.
De tekst van het akoestische titelnummer mag er ook zijn, getuige het refrein van de ouder wordende Cornick: "Stealer of years, you're the thief of man's dreams. Stealer of years, you're the cause of man's tears. Stealer of years you can't touch me, now I have no fear". Het heeft bovendien een sterke melodie.

Andere hoogtepunten: het met twingitaren doorspekte Riff Me Rock Me; Anthem of the Universe met een tapijt van gasttoetsenist Lee Morris en Lewis' dromerige gitaarspel; meer mooi gitaarwerk in American Song en de instrumentale afsluiter Klementina, waar hij nogmaals zijn talent laat horen in melodieuze gitaarlijnen.

Het album is te vinden op JijBuis. In 2003 bracht Pickford-Hopkins een soloalbum uit (nog niet op MuMe, toevoeging ingediend). In 2006 musiceerden Cornick en Pickford-Hopkins nogmaals onder de vlag van Wild Turkey, maar (spoiler) dat viel tegen.

Wild Turkey - Turkey (1972)

poster
4,0
Waar op voorganger Battle Hymn van Wild Turkey elektrische en akoestische gitaar beurtelings alle ruimte kregen, is opvolger Turkey gelijkmatiger. De invloeden van de powertrio's van eind jaren '60 zijn nagenoeg verdwenen en hetzelfde geldt voor de folkinslag.

Wat resteert is (prog)rock waarbij de vijf muzikanten naar hartelust spelen. Nieuw was gitarist Mick Dyche die Jon Blackmore verving, wat dus leidt tot minder contrasten in de muziek. Het werkt wel, mede omdat pianist Steve Gurl was toegetreden.
Dankzij bassist Glenn Cornick liggen vergelijkingen met zijn voormalige band Jethro Tull voor de hand, maar in bijvoorbeeld het instrumentale See You Next Tuesday denk ik eerder aan een sterke jamsessie van Rory Gallagher en zijn band, met behalve sterk pianospel ook heerlijk soleerwerk van gitarist Alan 'Tweke' Lewis, de blues voorbij.
Van het album verschenen geen singles, maar ik beveel van de A-kant A Universal Man aan. Mijn hoogtepunt met zijn sterke melodie en spel. De lenige stem van frontman Gary Pickford-Hopkins is krachtig en vol emotie met een rauw randje in de climaxen; vreemd dat ik zijn naam niet kende... Andere potentiële single zou The Street van de B-kant moeten zijn geweest, waarin een vleugje Tull doorklinkt. Telephone vormt een (te) kort slot van de elpee.

Maar goed, er verschenen geen singles en de plaat flopte. De band probeerde het nogmaals met gitarist Bernie Marsden, de toekomstige snarenman bij Cozy Powell's Hammer en daarna Whitesnake. Tevergeefs. Alhoewel met hem in de gelederen de nodige optredens werden gedaan, viel de groep uiteen en zou dit tot 2006 het laatste studioalbum van Wild Turkey blijven, een verzamelaar met "nieuw" werk met Marsden (uitgebracht in 2002) uitgezonderd.

Bovendien verschenen in de jaren 2000 - 2021 concerten van de groep in diverse bezettingen, waarbij een halve elpee met opnamen van de BBC. Muziek die grotendeels (niet het BBC-concert) op YouTube staat, waar ik de verdere historie van de groep zal uitspitten.
Mssr Renard, ik denk dat je je bucketlist van 30, 35 jaar oud toch maar eens moet gaan aanpakken... Probeer om te beginnen dit Turkey maar eens, waar de groep een boeiende muzikale balans vond.