Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Echo & The Bunnymen - Crocodiles (1980)

3,5
1
geplaatst: 17 maart 2023, 14:59 uur
Het was 1980, de Koude Oorlog was onverminderd voelbaar met z’n kernwapendreiging en jongeren als ik werden opgeleid om vervolgens werkloos te worden. Althans, dat was het beeld dat via de media op me af kwam.
Bij dit alles kregen we een soundtrack. In mijn geval vooral boze metal vol escapisme en melancholische new wave, een nieuw genre dat uit de kruitdampen van punk tevoorschijn kwam in zowel gitaarpop- als synthesizervarianten. Echo en zijn Konijnenmannen waren typisch zo’n bandje in de gitaarpop, met als voornaamste blikvanger het kapsel van zanger Ian McCulloch en diens klaaglijke stem. Niet zo zwart-somber als bij Joy Division, eerder zoals bij The Cure. Maar dan anders.
Want al op hun debuut Crocodiles hebben Echo en the Bunnymen een eigen geluid, sterk herkenbaar en passend bij die periode. O, o, o, wat had Ian het zwaar. Alhoewel, eigenlijk lette ik niet eens op de teksten, maar ik leidde dat af uit de sferische muziek, gestoken in een passende aparte en fraaie hoesfoto.
Bovendien wordt duidelijk dat McCulloch een capabel liedschrijver is, zeker met gitarist Will Sergeant aan zijn zijde. Diens partijen klagen soms mee, andere malen zijn ze furieus, waarin de echo’s van punk klinken.
Mijn favoriete nummers zijn die met de meeste melodie. In de categorie weemoed zijn dat Monkeys, Rescue en Pictures on my Wall, in de cateorie boos zijn het Crocodiles, Villiers Terrace met z’n pianootje en All that Jazz met het knallende drumwerk van Pete de Freitas en dito gitaarspel.
Van Wikipedia leer ik dat de twee laatste nummers aanvankelijk werden weggehouden van de plaat vanwege de vermeende teksten. In Do it Clean zingt McCulloch de longen uit zijn lijf en klinkt een stranglersiaans orgeltje, Read it in Books bevat wederom de repetitieve drumpatronen die in de wave nogal eens klinken.
Op streaming kom ik bovendien de nodige aardige bonussen tegen, waaronder Simple Stuff uit de eerste dagen toen de band nog met drumcomputer werkte. Leuk om te horen.
Dit was typisch zo’n bandje dat ik met BBC-dj John Peel associeerde, de man die altijd op zoek was naar nieuwe namen. Heerlijke new wave, passend bij een tijdsbeeld en tegelijkertijd onverslijtbaar.
Bij dit alles kregen we een soundtrack. In mijn geval vooral boze metal vol escapisme en melancholische new wave, een nieuw genre dat uit de kruitdampen van punk tevoorschijn kwam in zowel gitaarpop- als synthesizervarianten. Echo en zijn Konijnenmannen waren typisch zo’n bandje in de gitaarpop, met als voornaamste blikvanger het kapsel van zanger Ian McCulloch en diens klaaglijke stem. Niet zo zwart-somber als bij Joy Division, eerder zoals bij The Cure. Maar dan anders.
Want al op hun debuut Crocodiles hebben Echo en the Bunnymen een eigen geluid, sterk herkenbaar en passend bij die periode. O, o, o, wat had Ian het zwaar. Alhoewel, eigenlijk lette ik niet eens op de teksten, maar ik leidde dat af uit de sferische muziek, gestoken in een passende aparte en fraaie hoesfoto.
Bovendien wordt duidelijk dat McCulloch een capabel liedschrijver is, zeker met gitarist Will Sergeant aan zijn zijde. Diens partijen klagen soms mee, andere malen zijn ze furieus, waarin de echo’s van punk klinken.
Mijn favoriete nummers zijn die met de meeste melodie. In de categorie weemoed zijn dat Monkeys, Rescue en Pictures on my Wall, in de cateorie boos zijn het Crocodiles, Villiers Terrace met z’n pianootje en All that Jazz met het knallende drumwerk van Pete de Freitas en dito gitaarspel.
Van Wikipedia leer ik dat de twee laatste nummers aanvankelijk werden weggehouden van de plaat vanwege de vermeende teksten. In Do it Clean zingt McCulloch de longen uit zijn lijf en klinkt een stranglersiaans orgeltje, Read it in Books bevat wederom de repetitieve drumpatronen die in de wave nogal eens klinken.
Op streaming kom ik bovendien de nodige aardige bonussen tegen, waaronder Simple Stuff uit de eerste dagen toen de band nog met drumcomputer werkte. Leuk om te horen.
Dit was typisch zo’n bandje dat ik met BBC-dj John Peel associeerde, de man die altijd op zoek was naar nieuwe namen. Heerlijke new wave, passend bij een tijdsbeeld en tegelijkertijd onverslijtbaar.
Echo & The Bunnymen - Heaven Up Here (1981)

4,0
1
geplaatst: 27 mei 2023, 07:16 uur
De debuutalbums van Joy Division, U2 en Echo & The Bunnymen verschenen alle drie in 1980. In mei ’80 was de carrière van de eerste alweer voorbij, al zou nog postuum werk verschijnen en volgde de doorstart als New Order.
Je merkt het echter aan de beschouwingen op Echo uit Liverpool, dat nogal eens met de groep uit de regio Manchester wordt vergeleken. Toch heeft de muziek in deze fase meer gemeen met die van de groep uit Dublin.
Hier klinkt vooral new wave, met centraal de melancholieke zang en melodielijnen van Ian MCcullogh en de waaierende, zangerige gitaarlijnen van Will Sergeant.
De laatste had volgens de ingewijden een zeer grote invloed op de stijl op Heaven up Here, hun tweede album. Met nieuwe producer Hugh Jones, technicus op hun debuut en co-producer op de tussen-EP Shine so Hard, resulteerde dit in een geluid van new wave in volle melancholieke grootsheid.
In vergelijking met U2’s tweede album is de productie hier veel voller en intenser. Alleen al het drumgeluid in de eerste maten van opener Show of Strength maakt dit duidelijk. Wat eveneens onmiddellijk duidelijk wordt is de toegevoegde waarde van drummer Pete de Freitas, nog maar een jaartje bij de band: zijn intense en gevarieerde bijdragen versterken de composities soms op grootse wijze.
Vijf nummers bevallen mij in het bijzonder: het al genoemde openingsnummer is mijn grootste favoriet, uptempo met alle kwaliteiten zojuist genoemd. In Over the Wall klinkt een spaarzame synthesizer die onder de gitaar, bas en drums kruipt, waarna de herkenbare stem McCullogh de kers op het gebakje vormt. Iets ingetogener en nog klaaglijker is A Promise met wederom fraai gitaarwerk. Dit terwijl hoog op de hals de bas van Les Pattinson, met de drums, een slepende groove neerzet.
Het titelnummer opent druk de B-kant en dat is het moment dat mijn associatie met Joy Division voor het eerst opduikt, mede door erupties van de gitaren. Verschil is dat het bij Echo & The Bunnymen altijd lichter is. Weemoed, geen wanhoop.
Dezelfde associatie heb ik met het wonderschone en langzame All my Colours, mijzelf streng toesprekend dat mijn vergelijking niet werd veroorzaakt doordat de heren naar die andere groep hadden geluisterd. Het hing in de lucht: prachtige new wave met een vleugje post-punk.
Tenslotte het iets snellere No Dark Things, met alweer gevarieerd en afwisselend gitaarwerk van de heren Sergeant en McCullogh. Soms lijkt het spel wel iets op dat van The Edge bij U2, maar hier klinken tweemaal zes snaren: het brengt extra dynamiek.
Sterk album, al pakt niet alles mij evenveel; de melodielijnen in mineur zijn soms wat eenvormig, wat enigszins wordt versluierd door de ijzersterke productie.
Daar bovenop: mijn vergelijkingen kunnen misleidend zijn. Echo & The Bunnymen hadden van meet af aan een eigen plek in de new wave, wat hun tweede album sterk bevestigt.
Je merkt het echter aan de beschouwingen op Echo uit Liverpool, dat nogal eens met de groep uit de regio Manchester wordt vergeleken. Toch heeft de muziek in deze fase meer gemeen met die van de groep uit Dublin.
Hier klinkt vooral new wave, met centraal de melancholieke zang en melodielijnen van Ian MCcullogh en de waaierende, zangerige gitaarlijnen van Will Sergeant.
De laatste had volgens de ingewijden een zeer grote invloed op de stijl op Heaven up Here, hun tweede album. Met nieuwe producer Hugh Jones, technicus op hun debuut en co-producer op de tussen-EP Shine so Hard, resulteerde dit in een geluid van new wave in volle melancholieke grootsheid.
In vergelijking met U2’s tweede album is de productie hier veel voller en intenser. Alleen al het drumgeluid in de eerste maten van opener Show of Strength maakt dit duidelijk. Wat eveneens onmiddellijk duidelijk wordt is de toegevoegde waarde van drummer Pete de Freitas, nog maar een jaartje bij de band: zijn intense en gevarieerde bijdragen versterken de composities soms op grootse wijze.
Vijf nummers bevallen mij in het bijzonder: het al genoemde openingsnummer is mijn grootste favoriet, uptempo met alle kwaliteiten zojuist genoemd. In Over the Wall klinkt een spaarzame synthesizer die onder de gitaar, bas en drums kruipt, waarna de herkenbare stem McCullogh de kers op het gebakje vormt. Iets ingetogener en nog klaaglijker is A Promise met wederom fraai gitaarwerk. Dit terwijl hoog op de hals de bas van Les Pattinson, met de drums, een slepende groove neerzet.
Het titelnummer opent druk de B-kant en dat is het moment dat mijn associatie met Joy Division voor het eerst opduikt, mede door erupties van de gitaren. Verschil is dat het bij Echo & The Bunnymen altijd lichter is. Weemoed, geen wanhoop.
Dezelfde associatie heb ik met het wonderschone en langzame All my Colours, mijzelf streng toesprekend dat mijn vergelijking niet werd veroorzaakt doordat de heren naar die andere groep hadden geluisterd. Het hing in de lucht: prachtige new wave met een vleugje post-punk.
Tenslotte het iets snellere No Dark Things, met alweer gevarieerd en afwisselend gitaarwerk van de heren Sergeant en McCullogh. Soms lijkt het spel wel iets op dat van The Edge bij U2, maar hier klinken tweemaal zes snaren: het brengt extra dynamiek.
Sterk album, al pakt niet alles mij evenveel; de melodielijnen in mineur zijn soms wat eenvormig, wat enigszins wordt versluierd door de ijzersterke productie.
Daar bovenop: mijn vergelijkingen kunnen misleidend zijn. Echo & The Bunnymen hadden van meet af aan een eigen plek in de new wave, wat hun tweede album sterk bevestigt.
Eddie & The Hot Rods - Fish 'n' Chips (1980)

2,5
0
geplaatst: 14 maart 2025, 17:06 uur
Niet één band balanceerde zó op de rand van pubrock en punk als Eddie and The Hot Rods. Na het sterke debuut Teenage Depression (1977) volgden het nog sterkere Life on the Line (1978) en het mattere Thriller (1979). Met Fish 'n' Chips verscheen hun voorlopig laatste album. De releasemaand kon ik niet vinden, vermoedelijk ergens eind 1980 in de VS en Canada, want pas in 1981 verscheen het in hun eigen Verenigd Koninkrijk.
Manco op de voorganger waren de mindere composities op kant 2 en dat euvel is verergerd op hun voorlopige zwanenzang. In drie gevallen werkt het wél: Time Won't Let Me Be heeft wel iets van Buzzcocks en iets dergelijks gebeurt met This Is Today en Call It Quits.
Verder is het aardig maar niet meer dan dat. De pit lijkt eruit en dat gitarist Graeme Douglas is verdwenen is daar mede debet aan: geen lekkere gitaarsolootjes meer. Ook verdwenen is bassist Paul Gray, die inmiddels was overgestapt naar The Damned en later bij onder meer UFO zou spelen. Niet dat zijn opvolger Tony TC Cranney ervoor verantwoordelijk is dat het wat meer mainstream klinkt. Dat zit 'm wellicht in producer Al Kooper, mede verantwoordelijk voor tweede gitaar en wat knullige toetsenpartijtjes. Of het was nieuwe platenbaas EMI dat met het oog op de Amerikaanse markt op de rem trapte? De hoes vermeldt namelijk dat het album nog vóór uitgave werd geremixt.
In 2000 verscheen in het VK een cd-heruitgave met veel, véél bonussen. Sterke bonussen bovendien, zo hoor ik via streaming. In 1985 stopte de groep om in 1996 terug te keren. Al overleed zanger Barrie Masters in 2019, tot de dag van vandaag zijn ze actief, zie daarvoor hun website.
Mijn reis door new wave van 1980 kwam van single Rat Race van The Specials, onder meer te vinden op More Specials. Volgende halte: het Nederlandse Gruppo Sportivo en de elpee Copy Copy.
Terwijl ik dit typ, speelt slotlied Fish 'n' Chips: "I ain't 'arf glad it's Friday night, I get my fish 'n' chips tonite", zoals ook vermeld op de achterzijde van de hoes. Vrolijk alsmede oer-Brits klinkt het zeker en het werkt: ik krijg prompt zin in kibbeling met friet!
Manco op de voorganger waren de mindere composities op kant 2 en dat euvel is verergerd op hun voorlopige zwanenzang. In drie gevallen werkt het wél: Time Won't Let Me Be heeft wel iets van Buzzcocks en iets dergelijks gebeurt met This Is Today en Call It Quits.
Verder is het aardig maar niet meer dan dat. De pit lijkt eruit en dat gitarist Graeme Douglas is verdwenen is daar mede debet aan: geen lekkere gitaarsolootjes meer. Ook verdwenen is bassist Paul Gray, die inmiddels was overgestapt naar The Damned en later bij onder meer UFO zou spelen. Niet dat zijn opvolger Tony TC Cranney ervoor verantwoordelijk is dat het wat meer mainstream klinkt. Dat zit 'm wellicht in producer Al Kooper, mede verantwoordelijk voor tweede gitaar en wat knullige toetsenpartijtjes. Of het was nieuwe platenbaas EMI dat met het oog op de Amerikaanse markt op de rem trapte? De hoes vermeldt namelijk dat het album nog vóór uitgave werd geremixt.
In 2000 verscheen in het VK een cd-heruitgave met veel, véél bonussen. Sterke bonussen bovendien, zo hoor ik via streaming. In 1985 stopte de groep om in 1996 terug te keren. Al overleed zanger Barrie Masters in 2019, tot de dag van vandaag zijn ze actief, zie daarvoor hun website.
Mijn reis door new wave van 1980 kwam van single Rat Race van The Specials, onder meer te vinden op More Specials. Volgende halte: het Nederlandse Gruppo Sportivo en de elpee Copy Copy.
Terwijl ik dit typ, speelt slotlied Fish 'n' Chips: "I ain't 'arf glad it's Friday night, I get my fish 'n' chips tonite", zoals ook vermeld op de achterzijde van de hoes. Vrolijk alsmede oer-Brits klinkt het zeker en het werkt: ik krijg prompt zin in kibbeling met friet!
Eddie & The Hot Rods - Life on the Line (1977)

4,5
1
geplaatst: 1 mei 2024, 13:23 uur
Een album dat inmiddels op YouTube staat, geen zwak moment kent en tomeloos doordendert. Zéér aanbevolen voor liefhebbers van powerpop uit die generatie als van The Jam, The Knack en The Romantics. Als bijzonderheid: liefhebbers van de soleerkunsten van gitarist Michael Schenker zullen hier eveneens vrolijk van worden. Daarover meer aan het slot.
Eddie and the Hot Rods, megaveel energie op de viersprong van powerpop, pubrock, new wave en punk. Na het sterke debuut is Life on the Line nóg een tandje beter. Verschenen in december 1977 bevat het sterke composities, waarbij de groep zich in het zweet werkt en Barrie Masters menig hart-onder-de-riem-tekst zingt; ze maken de muziek extra bijzonder. Veel van de teksten zijn van producer Ed Hollis, de broer van Mark, de latere frontman van Talk Talk. Als technicus zat Steve Lillywhite achter de knoppen; deze maakte later furore bij de eerste albums van U2, waarvan ik het brede gitaargeluid herken.
De plaat begint enkele seconden met stemmig kerkorgel, waarna het uptempo Do Anything You Wanna Do. Het ging als single aan de elpee vooraf en werd #9 in het VK in september '77, waarbij de groep op de hoes onder de naam Rods gaat. De vlotte single blijkt warempel het één na langzaamste nummer op de plaat.
Op Quit This Town wordt het iets sneller, als single #36 in het VK in januari '78. Dankzij de melodie moet ik aan The Jam denken.
Met Telephone Girl is er hakkend gitaarwerk á la Dr. Feelgood, wat nog intenser wordt met What's Really Going on. Hier zitten we in punkland met als verschil de zingende, dan weer knallende gitaarsolo's van Graeme Douglas en Dave Higgs. En altijd weer lekkere melodieën. Kant 1 sluit af met Ignore Them (Still Life), waar de gitaristen nogmaals hun vingervlugge spel etaleren met spetterend gitaarwerk en hun furieuze slagspel doet denken aan dat van Rick Parfitt ten tijde van On the Level (1975).
Kant 2 opent met titelnummer Life on the Line waarop de gitaristen alweer mogen excelleren. Ook zo lekker: het melodieuze basspel van Paul Gray en vinnige drumwerk van Steve Nicol, die regelmatig roffelt en zijn frequent bekkens teistert.
Onverminderd uptempo is (And) Don't Believe Your Eyes, waarbij de gitaren voor een keertje clean zijn. In het poëtische epistel zit levensadvies voor (jonge) mensen: ”Ignore the things I tell you (…) Don’t believe your elders and don’t believe your eyes”.
Pas met het korte, instrumentale We Sing...The Cross wordt een tandje teruggeschakeld. Dan is het tijd voor slotlied Beginning of the End, dat uptempo een dikke acht minuten doordendert.
Ook bij dit nummer wil ik liefhebbers van Michael Schenker nogmaals attenderen op het spel van de twee gitaristen. Natuurlijk is dit geen kopie van Der Michael, maar deze tijdgenoten wisten in hun genre dezelfde magnifieke versmelting van melodie en snelheid te bereiken.
Op JijBuis staat de extended edition uit 2007 met negen bonusnummers, waaronder drie liveversies. Waar bonussen nogal eens van mager kaliber zijn, geldt dat hier zeker niet.
Mijn reis door wave & co kwam vanaf Mink DeVille, ik vervolg bij de Amerikaanse punks van Dead Boys.
Eddie and the Hot Rods, megaveel energie op de viersprong van powerpop, pubrock, new wave en punk. Na het sterke debuut is Life on the Line nóg een tandje beter. Verschenen in december 1977 bevat het sterke composities, waarbij de groep zich in het zweet werkt en Barrie Masters menig hart-onder-de-riem-tekst zingt; ze maken de muziek extra bijzonder. Veel van de teksten zijn van producer Ed Hollis, de broer van Mark, de latere frontman van Talk Talk. Als technicus zat Steve Lillywhite achter de knoppen; deze maakte later furore bij de eerste albums van U2, waarvan ik het brede gitaargeluid herken.
De plaat begint enkele seconden met stemmig kerkorgel, waarna het uptempo Do Anything You Wanna Do. Het ging als single aan de elpee vooraf en werd #9 in het VK in september '77, waarbij de groep op de hoes onder de naam Rods gaat. De vlotte single blijkt warempel het één na langzaamste nummer op de plaat.
Op Quit This Town wordt het iets sneller, als single #36 in het VK in januari '78. Dankzij de melodie moet ik aan The Jam denken.
Met Telephone Girl is er hakkend gitaarwerk á la Dr. Feelgood, wat nog intenser wordt met What's Really Going on. Hier zitten we in punkland met als verschil de zingende, dan weer knallende gitaarsolo's van Graeme Douglas en Dave Higgs. En altijd weer lekkere melodieën. Kant 1 sluit af met Ignore Them (Still Life), waar de gitaristen nogmaals hun vingervlugge spel etaleren met spetterend gitaarwerk en hun furieuze slagspel doet denken aan dat van Rick Parfitt ten tijde van On the Level (1975).
Kant 2 opent met titelnummer Life on the Line waarop de gitaristen alweer mogen excelleren. Ook zo lekker: het melodieuze basspel van Paul Gray en vinnige drumwerk van Steve Nicol, die regelmatig roffelt en zijn frequent bekkens teistert.
Onverminderd uptempo is (And) Don't Believe Your Eyes, waarbij de gitaren voor een keertje clean zijn. In het poëtische epistel zit levensadvies voor (jonge) mensen: ”Ignore the things I tell you (…) Don’t believe your elders and don’t believe your eyes”.
Pas met het korte, instrumentale We Sing...The Cross wordt een tandje teruggeschakeld. Dan is het tijd voor slotlied Beginning of the End, dat uptempo een dikke acht minuten doordendert.
Ook bij dit nummer wil ik liefhebbers van Michael Schenker nogmaals attenderen op het spel van de twee gitaristen. Natuurlijk is dit geen kopie van Der Michael, maar deze tijdgenoten wisten in hun genre dezelfde magnifieke versmelting van melodie en snelheid te bereiken.
Op JijBuis staat de extended edition uit 2007 met negen bonusnummers, waaronder drie liveversies. Waar bonussen nogal eens van mager kaliber zijn, geldt dat hier zeker niet.
Mijn reis door wave & co kwam vanaf Mink DeVille, ik vervolg bij de Amerikaanse punks van Dead Boys.
Eddie & The Hot Rods - Teenage Depression (1976)

4,0
1
geplaatst: 28 maart 2024, 20:31 uur
Afkomstig uit Medway in Kent, werd Eddie and The Hot Rods geformeerd rond een pop genaamd Eddie, wat enige tijd werkte als practical joke. Na enige tijd sneuvelde de "frontman" en ten tijde van de debuutplaat resteerden vier menselijke leden: zanger Barrie Masters, gitarist Dave Higgs die eerder met Lee Brilleaux van Dr. Feelgood had gespeeld, bassist Paul Gray en drummer Steve Nicol.
Begonnen in 1975, kon de groep in 1976 in de Londense Marquee spelen met als opener de Sex Pistols. Die echter sloopten hun apparatuur, waarna de headliner niet meer kon optreden. In de boeken The Great Indie Discography (2003) van Martin Strong en Punk Diary (2005) van George Gimarc wordt beschreven hoe de gedroomde droomstart zo werd getorpedeerd, zeker toen tijdschrift NME het voorval beschreef zonder Eddie & The Hot Rods zelfs maar te noemen.
De laatsten kregen publiciteit door vervolgens een persbericht uit te brengen met het bericht dat de Pistols uit een tournee met E&THR waren getrapt... Oftewel, hoe je in die dagen nieuws genereerde én hoe creativiteit daarbij hielp.
In 1976 verscheen debuutplaat Teenage Depression en het titelnummer haalde als single in november dat jaar #36 in de Britse hitlijst. In januari '77 was de groep te zien bij tv-show Supersonic van het Britse ITV.
Het nummer is kenmerkend voor de debuutplaat. Lekker energiek en een drummer die iedere achtste tel op zijn hi-hat ráákt. Maar de gitaar scheurt niet zo hard als bij punk en de mode was plotseling op dat genre gericht. Het succes bleef daardoor bescheiden. Desalniettemin is deze pubrock net zo pittig als Dr. Feelgood en net zo vinnig als die van de punks.
Kant 1 sluit af met een liveversie van The Kids Are Alright, oorspronkelijk van The Who. Op kant 2 een volgende cover: slechts 90 seconden duurt Shake van Sam Cooke. Maar het lekkerst zijn de eigen nummers, waar je vrolijk van wordt én er gratis energie bij krijgt. Terwijl de meeste nummers onder de drie minuten eindigen, duurt afsluiter On the Run een dikke zes minuten, afwisselend en uptempo.
Discogs labelt hen afwisselend als pubrock, punk en zelfs hardrock. Dat laatste slaat echt de plank mis, maar een brug tussen pubrock en punk? Ja, correct!
Tenslotte vraag ik me af: een pop die Eddie werd genoemd. Aan welke mascotte doet dat me toch denken? Juistum: het antwoord begint met een 'I' en eindigt op 'ron Maiden'. Toeval?
Teenage Depression is niet op mijn streaming platform aanwezig, maar YouTube biedt hier een goed alternatief met bovendien de nodige bonussen, zoals in 2000 op deze cd-heruitgave verschenen.
Op reis door punk en new wave met aanverwante muziek, kwam ik hier vanaf The Nerves. Mijn reis vervolgt bij het debuut van Dirty Angels.
Begonnen in 1975, kon de groep in 1976 in de Londense Marquee spelen met als opener de Sex Pistols. Die echter sloopten hun apparatuur, waarna de headliner niet meer kon optreden. In de boeken The Great Indie Discography (2003) van Martin Strong en Punk Diary (2005) van George Gimarc wordt beschreven hoe de gedroomde droomstart zo werd getorpedeerd, zeker toen tijdschrift NME het voorval beschreef zonder Eddie & The Hot Rods zelfs maar te noemen.
De laatsten kregen publiciteit door vervolgens een persbericht uit te brengen met het bericht dat de Pistols uit een tournee met E&THR waren getrapt... Oftewel, hoe je in die dagen nieuws genereerde én hoe creativiteit daarbij hielp.
In 1976 verscheen debuutplaat Teenage Depression en het titelnummer haalde als single in november dat jaar #36 in de Britse hitlijst. In januari '77 was de groep te zien bij tv-show Supersonic van het Britse ITV.
Het nummer is kenmerkend voor de debuutplaat. Lekker energiek en een drummer die iedere achtste tel op zijn hi-hat ráákt. Maar de gitaar scheurt niet zo hard als bij punk en de mode was plotseling op dat genre gericht. Het succes bleef daardoor bescheiden. Desalniettemin is deze pubrock net zo pittig als Dr. Feelgood en net zo vinnig als die van de punks.
Kant 1 sluit af met een liveversie van The Kids Are Alright, oorspronkelijk van The Who. Op kant 2 een volgende cover: slechts 90 seconden duurt Shake van Sam Cooke. Maar het lekkerst zijn de eigen nummers, waar je vrolijk van wordt én er gratis energie bij krijgt. Terwijl de meeste nummers onder de drie minuten eindigen, duurt afsluiter On the Run een dikke zes minuten, afwisselend en uptempo.
Discogs labelt hen afwisselend als pubrock, punk en zelfs hardrock. Dat laatste slaat echt de plank mis, maar een brug tussen pubrock en punk? Ja, correct!
Tenslotte vraag ik me af: een pop die Eddie werd genoemd. Aan welke mascotte doet dat me toch denken? Juistum: het antwoord begint met een 'I' en eindigt op 'ron Maiden'. Toeval?
Teenage Depression is niet op mijn streaming platform aanwezig, maar YouTube biedt hier een goed alternatief met bovendien de nodige bonussen, zoals in 2000 op deze cd-heruitgave verschenen.
Op reis door punk en new wave met aanverwante muziek, kwam ik hier vanaf The Nerves. Mijn reis vervolgt bij het debuut van Dirty Angels.
Eddie & The Hot Rods - Thriller (1979)

3,0
0
geplaatst: 10 augustus 2024, 14:32 uur
Na twee redelijk succesvolle albums mochten Eddie & The Hot Rods naar de befaamde Abbey Road Studios, waar ze met producer Peter Ker het geluid zouden verbreden in een poging om in de opdrogende punkwoede een breder publiek aan te spreken. Niet dat dit ooit een punkgroep was. Wél klonk zeer energieke powerpop met vleugjes pubrock, plus teksten die nogal eens een hart onder de riem staken.
De gehoopte grote doorbraak bleef uit. Singles flopten en de elpee Thriller kwam bij verschijnen in maart 1979 niet verder dan #50. De groep raakte korte tijd later zijn contract kwijt en stapte over naar EMI.
Tot ik aan mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave begon, kende ik de groep (de hoes vermeldt hen kortweg als 'Eddie + Hot Rods') eigenlijk niet, maar de energie, dansende gitaarsolo's en feelgoodteksten vielen bijzonder goed in mijn smaak. Met hun derde worden die naïviteit en ongeremde energie plaats ingebed in een iets bredere productie, te vinden in de details.
Na de sterke opener - waarover dadelijk meer - volgt de bijna-punk van Echoes, gevolgd door powerpop in Media Messiahs en volgende juweeltje Circles, heerlijk vlot waarin een klavecimbel (!) meedoet. Ook lekker is de powerpop van Take It or Leave It met zijn sterke refrein.
De grotere productionele mogelijkheden blijken ook uit de gastmuzikanten, die extra jolijt brengen. Linda McCartney van Wings zingt een fijn moppie mee op opener The Power & The Glory waarbij ik - raar maar waar - aan Ellen Foleys bijdragen bij Meatloaf moet denken en op Out to Lunch doen pianist Jools Holland van Squeeze en Lee Brilleaux van Dr. Feelgood op mondharmonica mee.
De tweede plaatkant is evenwel minder pakkend dan de eerste. Het zit 'm in de composities, want het gitaarwerk mag er weer zijn. Net als bij de vorige twee denk ik verrassend vaak aan Michael Schenker van toentertijd UFO, zij het dat Graeme Douglas en Dave Higgs minder ruimte krijgen dan voorheen, met name ten opzichte van Life on the Line. Maar hoor eens hoe pakkend ze in Strangers on the Pay Phone zijn!
In Nederland is dit een groep die ik zelden tegenkom bij het tweedehands vinyl. Eddie & The Hot Rods bleven een typisch Brits fenomeen, dat echter meer verdient. In 2002 verscheen de cd-versie met als track 11 en 12 de B-kanten van de singles.
Ik kwam vanaf The Only Ones en omdat ik Stateless van Lene Lovich al eerder besprak, is het volgende station de derde van punkgroep Sham 69.
De gehoopte grote doorbraak bleef uit. Singles flopten en de elpee Thriller kwam bij verschijnen in maart 1979 niet verder dan #50. De groep raakte korte tijd later zijn contract kwijt en stapte over naar EMI.
Tot ik aan mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave begon, kende ik de groep (de hoes vermeldt hen kortweg als 'Eddie + Hot Rods') eigenlijk niet, maar de energie, dansende gitaarsolo's en feelgoodteksten vielen bijzonder goed in mijn smaak. Met hun derde worden die naïviteit en ongeremde energie plaats ingebed in een iets bredere productie, te vinden in de details.
Na de sterke opener - waarover dadelijk meer - volgt de bijna-punk van Echoes, gevolgd door powerpop in Media Messiahs en volgende juweeltje Circles, heerlijk vlot waarin een klavecimbel (!) meedoet. Ook lekker is de powerpop van Take It or Leave It met zijn sterke refrein.
De grotere productionele mogelijkheden blijken ook uit de gastmuzikanten, die extra jolijt brengen. Linda McCartney van Wings zingt een fijn moppie mee op opener The Power & The Glory waarbij ik - raar maar waar - aan Ellen Foleys bijdragen bij Meatloaf moet denken en op Out to Lunch doen pianist Jools Holland van Squeeze en Lee Brilleaux van Dr. Feelgood op mondharmonica mee.
De tweede plaatkant is evenwel minder pakkend dan de eerste. Het zit 'm in de composities, want het gitaarwerk mag er weer zijn. Net als bij de vorige twee denk ik verrassend vaak aan Michael Schenker van toentertijd UFO, zij het dat Graeme Douglas en Dave Higgs minder ruimte krijgen dan voorheen, met name ten opzichte van Life on the Line. Maar hoor eens hoe pakkend ze in Strangers on the Pay Phone zijn!
In Nederland is dit een groep die ik zelden tegenkom bij het tweedehands vinyl. Eddie & The Hot Rods bleven een typisch Brits fenomeen, dat echter meer verdient. In 2002 verscheen de cd-versie met als track 11 en 12 de B-kanten van de singles.
Ik kwam vanaf The Only Ones en omdat ik Stateless van Lene Lovich al eerder besprak, is het volgende station de derde van punkgroep Sham 69.
Egyptian Blue - A Living Commodity (2023)

4,0
2
geplaatst: 4 januari 2024, 15:48 uur
Het was blur8 die mij op dit bandje attendeerde bij The Tubs. Ik kende Egyptian Blue dus niet en de grootste kenner van postpunk ben ik evenmin, maar al sinds eind jaren '70 ben ik geïnteresseerd als die benaming valt.
Bij eerste beluistering valt op dat A Living Commodity robuuster klinkt dan die andere band én dat het drumwerk zo heerlijk gevarieerd en tegendraads klinkt. Dat gebeurt vaker in het genre, maar het is zo lekker en knap, plus ook nog eens handig om riffjes die mij minder pakken omhoog te tillen. Isaac Ide is een klasbak.
Ik vind dit album het lekkerst als de muziek uptempo los gaat. Met de eerste twee nummers Matador en Nylon Wire ben ik dan ook helemaal content.
Niet dat het daarna ergens inkakt: de gitaristische en ritmische kunsten worden namelijk gecompliceerder, waaruit blijkt dat dit een goed ingespeeld collectief is.
Op Apparent Cause en Suit of Lights is er even rust van de gitaargolven die bij vlagen over je heenkomen, om het met To Be Felt staccato te laten hakken en in Contain it voor de climaxen in dynamiek te gaan. Op de gevarieerde en gecompliceerde afsluiter Geisha komen alle elementen nog eens langs.
Soms zou ik willen dat de melodieën herkenbaarder waren, dan komt de popliefhebber in mij naar boven. Maar met elf nummers in 36 minuten klaag ik niet: compacte nummers met zoveel variatie? Knap gedaan.
Bij eerste beluistering valt op dat A Living Commodity robuuster klinkt dan die andere band én dat het drumwerk zo heerlijk gevarieerd en tegendraads klinkt. Dat gebeurt vaker in het genre, maar het is zo lekker en knap, plus ook nog eens handig om riffjes die mij minder pakken omhoog te tillen. Isaac Ide is een klasbak.
Ik vind dit album het lekkerst als de muziek uptempo los gaat. Met de eerste twee nummers Matador en Nylon Wire ben ik dan ook helemaal content.
Niet dat het daarna ergens inkakt: de gitaristische en ritmische kunsten worden namelijk gecompliceerder, waaruit blijkt dat dit een goed ingespeeld collectief is.
Op Apparent Cause en Suit of Lights is er even rust van de gitaargolven die bij vlagen over je heenkomen, om het met To Be Felt staccato te laten hakken en in Contain it voor de climaxen in dynamiek te gaan. Op de gevarieerde en gecompliceerde afsluiter Geisha komen alle elementen nog eens langs.
Soms zou ik willen dat de melodieën herkenbaarder waren, dan komt de popliefhebber in mij naar boven. Maar met elf nummers in 36 minuten klaag ik niet: compacte nummers met zoveel variatie? Knap gedaan.
Electric Light Orchestra - Out of the Blue (1977)

4,5
3
geplaatst: 29 januari 2023, 22:19 uur
Najaar 1976 ontdekte ik als pre-puber popmuziek, die mij bereikte via Hilversum 3. Zonder enige voorkennis van genres of namen bestonden er twee soorten liedjes: leuke en niet-leuke. In een oude werkagenda van mijn vader startte ik najaar 1977 mijn eigen wekelijkse top 15. De eerste #1 daarin was Ma Baker van Boney M, mijn favoriete zomerhit die daar zo’n vier weken standhield, de tweede was Needles and Pins van Smokie dat eind oktober de Nationale Hitparade betrad.
Drie weken later hoorde ik een nieuw liedje van een mij onbekende groep: Turn to Stone van Electric Light Orchestra, dat met een opzwellend, ietwat dreigend intro vanuit de radio mijn kamer binnenvloog. Het werd top 5 in mijn persoonlijke lijst. In maart 1978 volgde Mr. Blue Sky, dat ik nog beter vond met strijkers en koor én dat bijzondere einde. Je dacht dat het liedje na een dikke drieëneenhalve minuut voorbij was, maar het vervolgde met een ander thema. Majestueus! December 1978, een jaar na Turn to Stone, haalde Sweet Talkin' Woman nog eens #24.
Eén van mijn vrienden bleek zo’n drie jaar later de elpee Out of the Blue te hebben, waarvan ik als science-fictionfan de hoes magisch vond. Hij stond van november 1977 tot half augustus 1978 in de Album Top 50 van de Nationale Hitparade, piekend op #3, Eenmaal volwassen kocht ik ‘m dan zelf, waarbij de klassieker sindsdien menig rondje op mijn draaitafel en later ook als dubbel-cd-met-bonussen is gedraaid.
Favorieten kiezen is moeilijk. Nog altijd zijn de drie eerste kanten mijn favoriete, dus tot en met track 13. Daarna pakt het me minder, op Wild West Hero na en vanavond vielen me de audio-effecten in The Whale positief op. De bonussen bleken weinig toe te voegen.
Vooral de kanten A (track 1 – 4) en C (track 10 – 13) draai ik graag en de B-zijde doet daar nauwelijks voor onder. Deze start met het sterke Night in the City, op Starlight klinken de destijds modieuze discoviolen en het opgewekte Jungle vond ik eveneens niet onaardig. Mooiste nummer daarop is echter het prachtige miniatuurtje Believe Me Now, later gebruikt in het radioprogramma Theater van het Sentiment. Of was het in Goudmijn?
Out of the Blue is zowel warm als avontuurlijk. Als tiener waande ik me bijna in een ruimteschip, als volwassene viel me de perfecte productie op, ongekend voor die tijd en nog altijd heerlijk. Laat dat maar aan Jeff Lynne over. Voor Top 2000 á Gogo vertelde hij in 2012 over de totstandkoming van Mr. Blue Sky, op YouTube terug te zien.
Het schijnt de komende week vooral grijs weer te worden. Perfect weer voor deze plaat.
Drie weken later hoorde ik een nieuw liedje van een mij onbekende groep: Turn to Stone van Electric Light Orchestra, dat met een opzwellend, ietwat dreigend intro vanuit de radio mijn kamer binnenvloog. Het werd top 5 in mijn persoonlijke lijst. In maart 1978 volgde Mr. Blue Sky, dat ik nog beter vond met strijkers en koor én dat bijzondere einde. Je dacht dat het liedje na een dikke drieëneenhalve minuut voorbij was, maar het vervolgde met een ander thema. Majestueus! December 1978, een jaar na Turn to Stone, haalde Sweet Talkin' Woman nog eens #24.
Eén van mijn vrienden bleek zo’n drie jaar later de elpee Out of the Blue te hebben, waarvan ik als science-fictionfan de hoes magisch vond. Hij stond van november 1977 tot half augustus 1978 in de Album Top 50 van de Nationale Hitparade, piekend op #3, Eenmaal volwassen kocht ik ‘m dan zelf, waarbij de klassieker sindsdien menig rondje op mijn draaitafel en later ook als dubbel-cd-met-bonussen is gedraaid.
Favorieten kiezen is moeilijk. Nog altijd zijn de drie eerste kanten mijn favoriete, dus tot en met track 13. Daarna pakt het me minder, op Wild West Hero na en vanavond vielen me de audio-effecten in The Whale positief op. De bonussen bleken weinig toe te voegen.
Vooral de kanten A (track 1 – 4) en C (track 10 – 13) draai ik graag en de B-zijde doet daar nauwelijks voor onder. Deze start met het sterke Night in the City, op Starlight klinken de destijds modieuze discoviolen en het opgewekte Jungle vond ik eveneens niet onaardig. Mooiste nummer daarop is echter het prachtige miniatuurtje Believe Me Now, later gebruikt in het radioprogramma Theater van het Sentiment. Of was het in Goudmijn?
Out of the Blue is zowel warm als avontuurlijk. Als tiener waande ik me bijna in een ruimteschip, als volwassene viel me de perfecte productie op, ongekend voor die tijd en nog altijd heerlijk. Laat dat maar aan Jeff Lynne over. Voor Top 2000 á Gogo vertelde hij in 2012 over de totstandkoming van Mr. Blue Sky, op YouTube terug te zien.
Het schijnt de komende week vooral grijs weer te worden. Perfect weer voor deze plaat.
Elf - Carolina County Ball (1974)

4,0
0
geplaatst: 7 augustus 2024, 07:16 uur
Carolina County Ball is mijn instapplaat wat betreft het vroegere werk van Ronnie James Dio. Hun tweede elpee kwam binnen alsof Dio de zanger was van het vroege jaren '70 Status Quo, zoals ik die kende van deze verzamelaar. Boogierock met Dio? Kortsluiting in mijn hoofd!
Het heeft mij drie decennia gekost voordat ik dit ten volle kon waarderen, aangezien ik als puber kennismaakte met de veel steviger (zang)stijl van Dio via Rainbows Kill the King (1977) en Black Sabbaths Neon Knights. Echt waar: ik schaamde mij indertijd zowat voor deze plaat: wat een andere stijl maakte deze powerzanger vroeger?!
Het is niet hard, het is niet snel, het is al helemaal geen metal. En alhoewel duidelijk herkenbaar zingt hij cleaner, minder grommend. Vergelijk zijn zangstijl bijvoorbeeld met de voordrachten op Black Sabbaths Mob Rules (1981)... Via internet volgden incidentele herbeluistering en stijgende waardering.
In 2021 werd ik meegesleept door Dio's verhalen in zijn postume bio Rainbow in the Dark. Hierin vertelt hij hoe na Elfs debuut de draad werd opgepakt.
Gitarist David Feinstein was vertrokken en liet een groot gat achter. Nieuw is gitarist Steve Edwards en omdat Dio zich helemaal op de rol van frontman wil concentreren, geeft hij de bas door aan Craig Gruber. Op personeel vlak gebeurde er tussen de albums meer, zo speelde drummer Mark Nauseef enige tijd mee als zesde percussionist.
Belangrijker is dat Elf door Purple Records werd getekend en hun tweede album in Engeland opnam, waar een wereld voor Dio openging: hier voelde hij zich thuis, inclusief Monty Python en andere Britse humor, hiertoe geïntroduceerd door inmiddels ex-Purpleman Roger Glover, nu in dienst van de Purple Company.
Dio en toetsenist Mickey Lee Soule zijn degenen die de muziek schrijven. Glover betrekt de twee tevens bij een ander project voor de Purple Company, The Butterfly Ball and the Grasshopper's Feast.
Elf is op hun tweede iets ingetogener dan op het debuut. Minder een powertrio met piano, zoals Dio het debuut omschreef, ook al omdat Edwards subtieler gitaar speelt dan zijn voorganger en Soule soms een mellotron inzet.
In het titelnummer blazen klarinet en trompet mee, Ain't It All Amusing heeft een slot dat met alle percussie (beïnvloed door Nauseef) niet zou misstaan op het Rotterdams Zomercarnaval, in Happy ingetogen blues als in een chique nachtclub, Rainbow (hé, voor het eerst dat ik die bij Dio tegenkom!) is een wat nostalgische ballade en Blanche is met zijn vaak herhaalde en weemoedige regel "Rainy days, rainy days, too many rainy days" nog altijd niet de favoriet - wél een oorwurm. Geen wonder dat ik jarenlange gewenning nodig had…
Steviger zijn de rockende kneiters met gitaarriffs á la The Sweet, Slade en Status Quo: L.A. 59 (op de Amerikaanse editie die enige tijd na de Europese verscheen het titelnummer), Do the Same Thing en Annie New Orleans.
Hoogtepunt is Rocking Chair Rock 'n' Roll Blues (wát een titel!), waarin Dio met kopstem begint, overschakelt naar een lager register en vervolgens naar rauwer. Met zijn tempowisselingen en verschillende thema's ingenieus.
Indertijd was dit een brug te ver voor mij. En ik wist nog zoveel níet: nergens las je dat Dio hiervoor zoetgevooisde muziek maakte onder de vlag van Ronnie and The Red Caps (vanaf 1958) en Ronnie Dio and The Prophets (vanaf 1961). Die informatie werd waarschijnlijk bewust verzwegen door de kleine man, die met zijn grote stem in heel ander vaarwater was beland en bij die koers verwarring wilde vermijden.
Tegenwoordig heb ik juist respect voor de ontwikkeling en volharding die hij tentoonspreidde. Meegroeiend met de tijdgeest, geleidelijk "my true voice" (zijn omschrijving) ontdekkend en uitgroeiend tot één der beste rockvocalisten ooit.
In 1974 werd hij alweer 32 jaar. Ondertussen werkte Elf zich op, mede dankzij een Britse tournee als voorprogramma van Deep Purple en in de VS onder meer tourend met Electric Light Orchestra.
Laatst kocht ik de cd als onderdeel van deze 2cd. Lekker album dit Carolina County Ball, al prefereer ik het steviger debuut.
Het heeft mij drie decennia gekost voordat ik dit ten volle kon waarderen, aangezien ik als puber kennismaakte met de veel steviger (zang)stijl van Dio via Rainbows Kill the King (1977) en Black Sabbaths Neon Knights. Echt waar: ik schaamde mij indertijd zowat voor deze plaat: wat een andere stijl maakte deze powerzanger vroeger?!
Het is niet hard, het is niet snel, het is al helemaal geen metal. En alhoewel duidelijk herkenbaar zingt hij cleaner, minder grommend. Vergelijk zijn zangstijl bijvoorbeeld met de voordrachten op Black Sabbaths Mob Rules (1981)... Via internet volgden incidentele herbeluistering en stijgende waardering.
In 2021 werd ik meegesleept door Dio's verhalen in zijn postume bio Rainbow in the Dark. Hierin vertelt hij hoe na Elfs debuut de draad werd opgepakt.
Gitarist David Feinstein was vertrokken en liet een groot gat achter. Nieuw is gitarist Steve Edwards en omdat Dio zich helemaal op de rol van frontman wil concentreren, geeft hij de bas door aan Craig Gruber. Op personeel vlak gebeurde er tussen de albums meer, zo speelde drummer Mark Nauseef enige tijd mee als zesde percussionist.
Belangrijker is dat Elf door Purple Records werd getekend en hun tweede album in Engeland opnam, waar een wereld voor Dio openging: hier voelde hij zich thuis, inclusief Monty Python en andere Britse humor, hiertoe geïntroduceerd door inmiddels ex-Purpleman Roger Glover, nu in dienst van de Purple Company.
Dio en toetsenist Mickey Lee Soule zijn degenen die de muziek schrijven. Glover betrekt de twee tevens bij een ander project voor de Purple Company, The Butterfly Ball and the Grasshopper's Feast.
Elf is op hun tweede iets ingetogener dan op het debuut. Minder een powertrio met piano, zoals Dio het debuut omschreef, ook al omdat Edwards subtieler gitaar speelt dan zijn voorganger en Soule soms een mellotron inzet.
In het titelnummer blazen klarinet en trompet mee, Ain't It All Amusing heeft een slot dat met alle percussie (beïnvloed door Nauseef) niet zou misstaan op het Rotterdams Zomercarnaval, in Happy ingetogen blues als in een chique nachtclub, Rainbow (hé, voor het eerst dat ik die bij Dio tegenkom!) is een wat nostalgische ballade en Blanche is met zijn vaak herhaalde en weemoedige regel "Rainy days, rainy days, too many rainy days" nog altijd niet de favoriet - wél een oorwurm. Geen wonder dat ik jarenlange gewenning nodig had…
Steviger zijn de rockende kneiters met gitaarriffs á la The Sweet, Slade en Status Quo: L.A. 59 (op de Amerikaanse editie die enige tijd na de Europese verscheen het titelnummer), Do the Same Thing en Annie New Orleans.
Hoogtepunt is Rocking Chair Rock 'n' Roll Blues (wát een titel!), waarin Dio met kopstem begint, overschakelt naar een lager register en vervolgens naar rauwer. Met zijn tempowisselingen en verschillende thema's ingenieus.
Indertijd was dit een brug te ver voor mij. En ik wist nog zoveel níet: nergens las je dat Dio hiervoor zoetgevooisde muziek maakte onder de vlag van Ronnie and The Red Caps (vanaf 1958) en Ronnie Dio and The Prophets (vanaf 1961). Die informatie werd waarschijnlijk bewust verzwegen door de kleine man, die met zijn grote stem in heel ander vaarwater was beland en bij die koers verwarring wilde vermijden.
Tegenwoordig heb ik juist respect voor de ontwikkeling en volharding die hij tentoonspreidde. Meegroeiend met de tijdgeest, geleidelijk "my true voice" (zijn omschrijving) ontdekkend en uitgroeiend tot één der beste rockvocalisten ooit.
In 1974 werd hij alweer 32 jaar. Ondertussen werkte Elf zich op, mede dankzij een Britse tournee als voorprogramma van Deep Purple en in de VS onder meer tourend met Electric Light Orchestra.
Laatst kocht ik de cd als onderdeel van deze 2cd. Lekker album dit Carolina County Ball, al prefereer ik het steviger debuut.
Elf - Elf (1972)

4,0
6
geplaatst: 1 augustus 2024, 10:04 uur
In zijn biografie 'Rainbow in the Dark' (postuum verschenen in 2021) vertelt Ronnie James Dio uitgebreid over zijn eerste jaren op het muziekpad. De trompetlessen die Ronald Padovano (zoals zijn naam in het boek wordt gespeld) kreeg onder toezicht van zijn strenge vader, de aanname van artiestennaam Dio, vernoemd naar een maffiabaas die niet mocht weten dat iemand onder zijn naam zong én dat hij de man (net niet) tegenkwam.
De jaren dat hij getooid met vetkuif met maatje en gitarist Nicky Pantas onder namen als Ronnie Dio and the Red Caps en Ronnie Dio and the Prophets diverse singles uitbracht, hoe neef David 'Rock' Feinstein zich als gitarist aan zijn zijde voegde, regionale tournees met Gene Pitney en de Australische The Easybeats met daarin de latere producers Vanda & Young.
De belevenissen met roadie Igor van wie niemand wist of dat zijn echte naam was, het ongeval onderweg naar huis na een concert waarbij een stomdronken tegenligger Pantas doodreed en hoe onder invloed van toetsenist Doug Thaler de geleidelijke omslag van zwoele pop naar progressievere rock plaatsvond, al bleef dit nog een coverband. De groepsnaam wordt The Electric Elves; 'elves' was door de lengte van de groepsleden namelijk een bijnaam.
Thaler vertrekt nadat deze in woede ontbrandde tegenover Feinstein, die het nummer Stone Cold Fever van Humble Pie als nieuwe cover aandraagt. Ze kijken elkaar verbaasd aan, zo vertelt Dio op p.75, waarna drummer Gary Driscoll de knoop met een "Fuck him!" doorhakt. Welkom nieuwe toetsenist Mickey Lee Soule.
De jaren '70 zijn daar en albums worden belangrijker dan singles. Bovendien zijn ze onder de hoede van de jonge manager Bruce Payne gekomen. Feinstein schrijft het rockende Sit Down Honey en het inmiddels tot Elf herdoopte viertal reageert enthousiast. Als hij bovendien Dixie Lee Junction introduceert, weten ze welke kant het op moet. Dio begint nu ook met liedschrijven en doet dit met Soule. "... my real voice finally came to the fore", schrijft Dio op p. 81, de muziek omschrijvend als "a power trio with honky-tonk piano" (p. 79).
Paynes bekwaamheden als manager brengen hen in contact met Clive Davis, platenbaas bij Columbia. Die krijgt interesse in Elf, zoals hij ook bezig is met de onbekende namen Aerosmith en Bruce Springsteen. Payne krijgt daarbij de kans zich in de VS voor Deep Purple in te zetten.
Als in oktober 1971 hun zanger Ian Gillan met hepatitis in het ziekenhuis belandt en de Amerikaanse tour voor Fireball wordt afgebroken, blijven bassist Roger Glover en drummer Ian Paice nog even in New York, waar ze Elf tweemaal zien optreden. Met de Columbiabaas erbij doet Elf daarna auditie. Een ieder is onder de indruk, een contract wordt getekend en het titelloze debuut opgenomen in Amerika met Glover en Paice als producers.
Als frontman offert Dio zich op om verkleed als elf de hoes op te luisteren. Vervolgens blijft het lange tijd onduidelijk wanneer plaat zal uitkomen, maar enkele weken nadat Elf in juli '72 Deep Purple ziet optreden tijdens de tournee voor Machine Head, landt Elf in de winkels.
De stijlomschrijving van de frontman is treffend. Het is luid, het is boogie, het is swingend en de stem van Dio is gegroeid van croonen naar luid en krachtig. Je zou het met The Faces kunnen vergelijken, de groep met Rod Stewart.
Getuige de credits zijn alle nummers door de vier groepsleden geschreven; het is dankzij het boek dat ik weet dat er eigenlijk twee ingangen voor nieuw materiaal waren: enerzijds Feinstein en anderzijds Dio/Soule. Tegelijkertijd is de stijl uniform op alle nummers: de groep had zijn eigen geluid gevonden. Nog geen teksten over regenbogen of draken, wel over vrouwen en de liefde.
Hoogtepunt is Never More met zijn progressieve opbouw naar een climax. Je hoort in de breaks en de slepende riff die na het ingetogen intro volgt de invloeden van Jethro Tull. Eén van de nummers die Elf coverde was Aqualung), hoor hier hun versie. Zwakke nummers staan er niet op en Dixie Lee Junction is mijn tweede favoriet.
De groep gaat touren. Eerst op three-bill-nights openend voor Fleetwood Mac, waarna Purple de hoofdact is. Ook met Alice Cooper, dan nog een groep en niet de zanger, wordt opgetreden.
Dio's eerste echtgenote Loretta heeft het zwaar met die vaak afwezige echtgenoot, vertelt hij op p. 93. Over haar vertelt hij in zijn bio hoegenaamd niets, ook niet dat ze een jongen adopteerden. Wat dat betreft is de site Padavona.com scheutiger met informatie.
Feinstein verloor tijdens de tournees zijn interesse in de groep en vertrok, wat Dio na de dood van Pantas voor de tweede maal hard raakte. Jaren later bereikte Feinstein mijn oren bij Wild Dogs van The Rods, waar opnieuw diens talent bleek.
In 2010, na Dio's overlijden, bleek de zanger nog eenmaal met zijn neef te hebben samengewerkt, volgens Feinstein zelfs Dio's laatste zangklus. Metal Will Never Die is te vinden op Feinsteins Bitten by the Beast. The "circle stays unbroken," zoals Dio op Holy Diver dichtte.
Wie die track beluistert en dan terugkeert naar dit debuut van Elf, hoort dat 38 jaren veel veranderingen brachten in muziek, zang en productie. Terug naar 1972: toen klonk boogierock, soms in de richting van southern rock, ook al zo'n typisch Amerikaans genre. Heerlijk debuut.
De jaren dat hij getooid met vetkuif met maatje en gitarist Nicky Pantas onder namen als Ronnie Dio and the Red Caps en Ronnie Dio and the Prophets diverse singles uitbracht, hoe neef David 'Rock' Feinstein zich als gitarist aan zijn zijde voegde, regionale tournees met Gene Pitney en de Australische The Easybeats met daarin de latere producers Vanda & Young.
De belevenissen met roadie Igor van wie niemand wist of dat zijn echte naam was, het ongeval onderweg naar huis na een concert waarbij een stomdronken tegenligger Pantas doodreed en hoe onder invloed van toetsenist Doug Thaler de geleidelijke omslag van zwoele pop naar progressievere rock plaatsvond, al bleef dit nog een coverband. De groepsnaam wordt The Electric Elves; 'elves' was door de lengte van de groepsleden namelijk een bijnaam.
Thaler vertrekt nadat deze in woede ontbrandde tegenover Feinstein, die het nummer Stone Cold Fever van Humble Pie als nieuwe cover aandraagt. Ze kijken elkaar verbaasd aan, zo vertelt Dio op p.75, waarna drummer Gary Driscoll de knoop met een "Fuck him!" doorhakt. Welkom nieuwe toetsenist Mickey Lee Soule.
De jaren '70 zijn daar en albums worden belangrijker dan singles. Bovendien zijn ze onder de hoede van de jonge manager Bruce Payne gekomen. Feinstein schrijft het rockende Sit Down Honey en het inmiddels tot Elf herdoopte viertal reageert enthousiast. Als hij bovendien Dixie Lee Junction introduceert, weten ze welke kant het op moet. Dio begint nu ook met liedschrijven en doet dit met Soule. "... my real voice finally came to the fore", schrijft Dio op p. 81, de muziek omschrijvend als "a power trio with honky-tonk piano" (p. 79).
Paynes bekwaamheden als manager brengen hen in contact met Clive Davis, platenbaas bij Columbia. Die krijgt interesse in Elf, zoals hij ook bezig is met de onbekende namen Aerosmith en Bruce Springsteen. Payne krijgt daarbij de kans zich in de VS voor Deep Purple in te zetten.
Als in oktober 1971 hun zanger Ian Gillan met hepatitis in het ziekenhuis belandt en de Amerikaanse tour voor Fireball wordt afgebroken, blijven bassist Roger Glover en drummer Ian Paice nog even in New York, waar ze Elf tweemaal zien optreden. Met de Columbiabaas erbij doet Elf daarna auditie. Een ieder is onder de indruk, een contract wordt getekend en het titelloze debuut opgenomen in Amerika met Glover en Paice als producers.
Als frontman offert Dio zich op om verkleed als elf de hoes op te luisteren. Vervolgens blijft het lange tijd onduidelijk wanneer plaat zal uitkomen, maar enkele weken nadat Elf in juli '72 Deep Purple ziet optreden tijdens de tournee voor Machine Head, landt Elf in de winkels.
De stijlomschrijving van de frontman is treffend. Het is luid, het is boogie, het is swingend en de stem van Dio is gegroeid van croonen naar luid en krachtig. Je zou het met The Faces kunnen vergelijken, de groep met Rod Stewart.
Getuige de credits zijn alle nummers door de vier groepsleden geschreven; het is dankzij het boek dat ik weet dat er eigenlijk twee ingangen voor nieuw materiaal waren: enerzijds Feinstein en anderzijds Dio/Soule. Tegelijkertijd is de stijl uniform op alle nummers: de groep had zijn eigen geluid gevonden. Nog geen teksten over regenbogen of draken, wel over vrouwen en de liefde.
Hoogtepunt is Never More met zijn progressieve opbouw naar een climax. Je hoort in de breaks en de slepende riff die na het ingetogen intro volgt de invloeden van Jethro Tull. Eén van de nummers die Elf coverde was Aqualung), hoor hier hun versie. Zwakke nummers staan er niet op en Dixie Lee Junction is mijn tweede favoriet.
De groep gaat touren. Eerst op three-bill-nights openend voor Fleetwood Mac, waarna Purple de hoofdact is. Ook met Alice Cooper, dan nog een groep en niet de zanger, wordt opgetreden.
Dio's eerste echtgenote Loretta heeft het zwaar met die vaak afwezige echtgenoot, vertelt hij op p. 93. Over haar vertelt hij in zijn bio hoegenaamd niets, ook niet dat ze een jongen adopteerden. Wat dat betreft is de site Padavona.com scheutiger met informatie.
Feinstein verloor tijdens de tournees zijn interesse in de groep en vertrok, wat Dio na de dood van Pantas voor de tweede maal hard raakte. Jaren later bereikte Feinstein mijn oren bij Wild Dogs van The Rods, waar opnieuw diens talent bleek.
In 2010, na Dio's overlijden, bleek de zanger nog eenmaal met zijn neef te hebben samengewerkt, volgens Feinstein zelfs Dio's laatste zangklus. Metal Will Never Die is te vinden op Feinsteins Bitten by the Beast. The "circle stays unbroken," zoals Dio op Holy Diver dichtte.
Wie die track beluistert en dan terugkeert naar dit debuut van Elf, hoort dat 38 jaren veel veranderingen brachten in muziek, zang en productie. Terug naar 1972: toen klonk boogierock, soms in de richting van southern rock, ook al zo'n typisch Amerikaans genre. Heerlijk debuut.
Elf - Trying to Burn the Sun (1975)

3,5
0
geplaatst: 13 augustus 2024, 07:53 uur
Trying to Burn the Sun, de tweede van Elf als kwintet. Dus met gitarist Steve Edwards en bassist Craig Cruber. Opnieuw werd de meeste muziek geschreven door toetsenist Mickey Lee Soule, waarbij Ronnie James Dio de teksten leverde. Ik luister hem vanaf deze 2cd, waarvan de liner notes vertellen dat de plaat begin '75 in de Londense Kingsway Recorders van Roger Glover werd opgenomen. Meteen daarna vloog de groep naar München om daar met met Ritchie Blackmore te werken aan diens soloproject. Daarover dadelijk meer.
Op de derde Elf domineert wederom boogierock, zoals in opener Black Swampy Water dat te snel wordt weggedraaid en rockende gospel (!) in het eveneens vlotte en koortjesrijke Prentice Wood. Dio vergelijkt in zijn biografie Rainbow in the Dark het nummer met de muziek van The Allman Brothers. Hierbij ondersteunende zang van een drietal dat ook is te horen op Roger Glovers The Butterfly Ball and the Grasshopper's Feast: Hellen Chappelle, Barry St. John en Liza Strike: de verwevenheid met de producer en diens netwerk is gegroeid.
Voet van het pedaal in semiballade When She Smiles waarin Soule eens niet de akoestische maar de elektrische piano bespeelt. Iets sneller is Good Time Music, dat inderdaad over een sterk feelgoodgevoel beschikt. De muziek lijkt op die van The Faces en ook liefhebbers van de Rolling Stones zullen dit kunnen smaken.
Kant 2 begint met meer uptempo boogierock. In Liberty Road veel piano, al pakt Soule af en toe zijn mellotron erbij. Meer uptempo honkytonk in Shotgun Boogie, gevolgd door het hoogtepunt van de plaat: ieder van de drie albums van Elf kent één nummer waarop men nét wat verder gaat, Dio dwingend om tot de toppen van zijn kunnen te gaan - voor zover hij dat al niet deed. Hier is dat Wonderworld dat diverse delen en tempowisselingen kent, bijgestaan door een orkestrale begeleiding. Het is hier dat het zinnetje "Trying to burn the sun" wordt gezongen.
Met het swingende Streetwalker wordt afgesloten, waarin een heerlijk rockende gitaarsolo van Edwards en een langzaam bluesslot.
Een lekker album, als geheel echter nét wat minder dan de voorganger. Desondanks een 7,5 als schoolcijfer.
In zijn bio vertelt Dio hoe de groep na de Europese tournee met Purple - waarover hij enkele smakelijke details deelt - begin 1975 neerstreek in een appartement in het Londense Fullham, eigendom van het Purplemanagement. Daar werd in een maand de muziek voor deze Elf geschreven. Medio februari begonnen de opnamen in Kingsway, maar omdat deze op zeker moment voor een andere naam is geboekt, wordt verkast naar de AIR-studio van George Martin.
Hij vertelt uitgebreid over zijn kennismaking met Ritchie Blackmore en dat hij met Soule in de weekends met de Purplegitarist jamt in club Winkers Farm. Als de gitarist met Black Sheep of the Family komt aanzetten, een cover van Quatermass, wordt dit als demo opgenomen in Kingsway met toetsenist Matthew Fisher van Procol Harum. Een Amerikaanse tournee van Elf met Deep Purple volgt, waarmee het project alweer snel vergeten lijkt.
Tegen het einde van die maandenlange tour benadert Blackmore Dio, als men enkele dagen in Minneapolis pauzeert. Het blijkt dat Black Sheep is geweigerd door de leden van Purple. Blackmore, ontevreden met de funkrichting die de groep is ingeslagen, overweegt een solosingle. Hij heeft ook iets voor de B-kant, vertrouwt hij Dio toe. Of Elf minus gitarist Steve Edwards hem de avond erop willen vergezellen: Blackmore heeft al een studio geboekt voor opnamen. Het nummer zal bekend worden als Sixteenth Century Greensleeves, te vinden op het album van Elf/Rainbow genaamd Ritchie Blackmore's Rainbow.
Lang verhaal kort: de opnamen voor Trying to Burn the Sun zijn nog maar nauwelijks opgedroogd als Elf, na schrijfsessies van Dio en Blackmore, met Blackmore naar München vertrekt om de eerste Rainbow op te nemen.
Edwards moet de groep verlaten. Hij duikt in 1978 op als sessiemuzikant bij Randy Meisner (ex-Poco en -The Eagles). Volgens Discogs bleef het daarna stil rond hem, al vind ik op Last.fm wél enkele soloalbums. Is dat dezelfde Steve als die van Elf?
Tot teleurstelling van Dio wordt Trying to Burn the Sun in 1975 alleen in de VS uitgebracht, omdat de managers van Purple en Blackmore vrezen dat twee Elfalbums in één jaar verwarring zullen veroorzaken. Pas in 1984 komt via Safari een Europese uitgave.
Faalhaas benoemde hier met bronvermelding de plannen die in 2009 ontstonden voor een reünie van Elf. Dio's overlijden torpedeerde deze. Zie ook Wordpress.
Op de derde Elf domineert wederom boogierock, zoals in opener Black Swampy Water dat te snel wordt weggedraaid en rockende gospel (!) in het eveneens vlotte en koortjesrijke Prentice Wood. Dio vergelijkt in zijn biografie Rainbow in the Dark het nummer met de muziek van The Allman Brothers. Hierbij ondersteunende zang van een drietal dat ook is te horen op Roger Glovers The Butterfly Ball and the Grasshopper's Feast: Hellen Chappelle, Barry St. John en Liza Strike: de verwevenheid met de producer en diens netwerk is gegroeid.
Voet van het pedaal in semiballade When She Smiles waarin Soule eens niet de akoestische maar de elektrische piano bespeelt. Iets sneller is Good Time Music, dat inderdaad over een sterk feelgoodgevoel beschikt. De muziek lijkt op die van The Faces en ook liefhebbers van de Rolling Stones zullen dit kunnen smaken.
Kant 2 begint met meer uptempo boogierock. In Liberty Road veel piano, al pakt Soule af en toe zijn mellotron erbij. Meer uptempo honkytonk in Shotgun Boogie, gevolgd door het hoogtepunt van de plaat: ieder van de drie albums van Elf kent één nummer waarop men nét wat verder gaat, Dio dwingend om tot de toppen van zijn kunnen te gaan - voor zover hij dat al niet deed. Hier is dat Wonderworld dat diverse delen en tempowisselingen kent, bijgestaan door een orkestrale begeleiding. Het is hier dat het zinnetje "Trying to burn the sun" wordt gezongen.
Met het swingende Streetwalker wordt afgesloten, waarin een heerlijk rockende gitaarsolo van Edwards en een langzaam bluesslot.
Een lekker album, als geheel echter nét wat minder dan de voorganger. Desondanks een 7,5 als schoolcijfer.
In zijn bio vertelt Dio hoe de groep na de Europese tournee met Purple - waarover hij enkele smakelijke details deelt - begin 1975 neerstreek in een appartement in het Londense Fullham, eigendom van het Purplemanagement. Daar werd in een maand de muziek voor deze Elf geschreven. Medio februari begonnen de opnamen in Kingsway, maar omdat deze op zeker moment voor een andere naam is geboekt, wordt verkast naar de AIR-studio van George Martin.
Hij vertelt uitgebreid over zijn kennismaking met Ritchie Blackmore en dat hij met Soule in de weekends met de Purplegitarist jamt in club Winkers Farm. Als de gitarist met Black Sheep of the Family komt aanzetten, een cover van Quatermass, wordt dit als demo opgenomen in Kingsway met toetsenist Matthew Fisher van Procol Harum. Een Amerikaanse tournee van Elf met Deep Purple volgt, waarmee het project alweer snel vergeten lijkt.
Tegen het einde van die maandenlange tour benadert Blackmore Dio, als men enkele dagen in Minneapolis pauzeert. Het blijkt dat Black Sheep is geweigerd door de leden van Purple. Blackmore, ontevreden met de funkrichting die de groep is ingeslagen, overweegt een solosingle. Hij heeft ook iets voor de B-kant, vertrouwt hij Dio toe. Of Elf minus gitarist Steve Edwards hem de avond erop willen vergezellen: Blackmore heeft al een studio geboekt voor opnamen. Het nummer zal bekend worden als Sixteenth Century Greensleeves, te vinden op het album van Elf/Rainbow genaamd Ritchie Blackmore's Rainbow.
Lang verhaal kort: de opnamen voor Trying to Burn the Sun zijn nog maar nauwelijks opgedroogd als Elf, na schrijfsessies van Dio en Blackmore, met Blackmore naar München vertrekt om de eerste Rainbow op te nemen.
Edwards moet de groep verlaten. Hij duikt in 1978 op als sessiemuzikant bij Randy Meisner (ex-Poco en -The Eagles). Volgens Discogs bleef het daarna stil rond hem, al vind ik op Last.fm wél enkele soloalbums. Is dat dezelfde Steve als die van Elf?
Tot teleurstelling van Dio wordt Trying to Burn the Sun in 1975 alleen in de VS uitgebracht, omdat de managers van Purple en Blackmore vrezen dat twee Elfalbums in één jaar verwarring zullen veroorzaken. Pas in 1984 komt via Safari een Europese uitgave.
Faalhaas benoemde hier met bronvermelding de plannen die in 2009 ontstonden voor een reünie van Elf. Dio's overlijden torpedeerde deze. Zie ook Wordpress.
Elkie Brooks - Two Days Away (1977)

3,5
0
geplaatst: 10 april 2023, 20:13 uur
Als jonge tiener absorbeerde ik alle muziek die via Hilversum 3 tot mij kwam. Daarbij waren er twee categorieën, van muziekstijlen begreep ik namelijk nog niets: liedjes die ik niet leuk vond en muziekjes die me goed bevielen; de laatste categorie noteerde ik op vrijdagavond na de uitzending van de Nationale Hitparade in mijn persoonlijke top 15.
Eén van de eerste namen die ik noteerde was die van Elkie Brooks: haar Pearl’s a Singer haalde bij mij de middenmoot van mijn lijstje, bij de NOS #11 in juli 1977.
Eigenlijk vreemd dat het een hit werd in Nederland en al helemaal voor mij: mijn #1 was wekenlang de Duitse discohit Ma Baker van Boney M en hetzelfde gold voor de Nationale Hitparade. Maar haar stem, de melodie, de elektrische piano en de ritmewijziging op 2/3 van het nummer pakten me eenvoudigweg. Die zomer rende ik rond in een strandbad met rubberboot en snorkel, verbrandde mijn rug en genoot van deze en andere hits die uit de diverse transistorradio’s van andere badgasten klonken.
Heb nadien nooit meer muziek van Brooks gehoord: dit bleef haar single-luckhit en ook buiten de hitparade bleef het stil. Sterker nog, Brooks is wellicht van de categorie "vergeten artiest"; zelfs de hit hoor ik nooit meer op de radio.
Vorig jaar kwam ik de elpee tegen in een bak met tweedehands vinyl en het zaadje dat 45 jaar geleden werd geplant, leidde ertoe dat ik hem kocht. Gisterenmiddag, tijdens het opruimen van de tuin, was dit het album dat mijn platenspeler in de schuur uit zijn winterslaap mocht kussen.
De hees-rauwe stem van Brooks maakt wederom indruk. De muziek kan ik nu identificeren als een mix van vooral blues en soms gospel, zoals de hitsingle beide genres combineert. Opgenomen in Londen (Air Studios) en New York (Electric Lady Studios).
Pas vandaag ontdek ik dat bij deze Amerikaans klinkende muziek een Engelse zangeres voor de microfoon stond. Want ook vanmiddag, tijdens een autorit via streaming, maakt de muziek indruk. Ik verbaas me, heb altijd aangenomen dat ze Amerikaans was...
Thuis eens de kleine lettertjes gelezen: opgenomen met haar eigen band plus gastmusici; geproduceerd door Jerry Leiber en Mike Stoller, oernamen uit de rock ‘n’ roll van wie ze Love Potion #9 covert. En goed ook: langzaam en mysterieus, de beste versie van het nummer die ik ken. Andere namen op de plaat: blaasgroepen The Muscle Shoals Horns en The New York Horns, plus enkele violisten en een cellist.
Emotionele zang van de dame die op de hoes zich kort voor het schieten van de hoesfoto's lijkt te hebben opgemaakt en zich na een telefoontje in een spijkerbroek zal hijsen, klaar voor de dag. Haar fantastische stem vertolkt sterke liedjes in de sfeer van haar hit, "in a night club". Daar komt bij dat de teksten telkens een verhaal vertellen, dat bovendien steeds weer geloofwaardig wordt verteld. Verrassend is het afsluitende Saved, waarin ze heel "black gospel" klinkt en desondanks makkelijk overeind blijft.
Vermoedelijk gaat dit album verder groeien de komende maanden, zeker op zomeravonden met een glas wijn en goed gezelschap…
Nota bene: een jaartje later scoorde ze één week #50 met Lilac Wine van een volgend album. Een liedje dat ik indertijd heb gemist. Single luck was het dus puur gezien niet, al scheelt het in Nederland bijna niets.
Eén van de eerste namen die ik noteerde was die van Elkie Brooks: haar Pearl’s a Singer haalde bij mij de middenmoot van mijn lijstje, bij de NOS #11 in juli 1977.
Eigenlijk vreemd dat het een hit werd in Nederland en al helemaal voor mij: mijn #1 was wekenlang de Duitse discohit Ma Baker van Boney M en hetzelfde gold voor de Nationale Hitparade. Maar haar stem, de melodie, de elektrische piano en de ritmewijziging op 2/3 van het nummer pakten me eenvoudigweg. Die zomer rende ik rond in een strandbad met rubberboot en snorkel, verbrandde mijn rug en genoot van deze en andere hits die uit de diverse transistorradio’s van andere badgasten klonken.
Heb nadien nooit meer muziek van Brooks gehoord: dit bleef haar single-luckhit en ook buiten de hitparade bleef het stil. Sterker nog, Brooks is wellicht van de categorie "vergeten artiest"; zelfs de hit hoor ik nooit meer op de radio.
Vorig jaar kwam ik de elpee tegen in een bak met tweedehands vinyl en het zaadje dat 45 jaar geleden werd geplant, leidde ertoe dat ik hem kocht. Gisterenmiddag, tijdens het opruimen van de tuin, was dit het album dat mijn platenspeler in de schuur uit zijn winterslaap mocht kussen.
De hees-rauwe stem van Brooks maakt wederom indruk. De muziek kan ik nu identificeren als een mix van vooral blues en soms gospel, zoals de hitsingle beide genres combineert. Opgenomen in Londen (Air Studios) en New York (Electric Lady Studios).
Pas vandaag ontdek ik dat bij deze Amerikaans klinkende muziek een Engelse zangeres voor de microfoon stond. Want ook vanmiddag, tijdens een autorit via streaming, maakt de muziek indruk. Ik verbaas me, heb altijd aangenomen dat ze Amerikaans was...
Thuis eens de kleine lettertjes gelezen: opgenomen met haar eigen band plus gastmusici; geproduceerd door Jerry Leiber en Mike Stoller, oernamen uit de rock ‘n’ roll van wie ze Love Potion #9 covert. En goed ook: langzaam en mysterieus, de beste versie van het nummer die ik ken. Andere namen op de plaat: blaasgroepen The Muscle Shoals Horns en The New York Horns, plus enkele violisten en een cellist.
Emotionele zang van de dame die op de hoes zich kort voor het schieten van de hoesfoto's lijkt te hebben opgemaakt en zich na een telefoontje in een spijkerbroek zal hijsen, klaar voor de dag. Haar fantastische stem vertolkt sterke liedjes in de sfeer van haar hit, "in a night club". Daar komt bij dat de teksten telkens een verhaal vertellen, dat bovendien steeds weer geloofwaardig wordt verteld. Verrassend is het afsluitende Saved, waarin ze heel "black gospel" klinkt en desondanks makkelijk overeind blijft.
Vermoedelijk gaat dit album verder groeien de komende maanden, zeker op zomeravonden met een glas wijn en goed gezelschap…
Nota bene: een jaartje later scoorde ze één week #50 met Lilac Wine van een volgend album. Een liedje dat ik indertijd heb gemist. Single luck was het dus puur gezien niet, al scheelt het in Nederland bijna niets.
Ellen Foley - Nightout (1979)

4,0
0
geplaatst: 25 juli 2022, 22:19 uur
Zoals mijn leeftijdsgenoten kende ik Ellen Foley van Paradise by the Dashboard Light met Meat Loaf. Vanaf november 1978 was ons tieners uitgebreid voorgehouden dat de dame die we in de videoclip zagen met die dikke, zwetende meneer, níet de dame was die daadwerkelijk zong. In juni 1979 volgde het solodebuut van het échte zangtalent.
Vooral in de Lage Landen was dit succesvol. Wellicht had dat ook met de inzet van platenmaatschappij Epic hier te maken. We Belong to the Night werd in november 1979 in zowel Nederland als Vlaanderen #1, What’s a Matter Baby in februari 1980 in Nederland #5, in Vlaanderen #6. In Vlaanderen haalde derde single Sad Song in april ’80 nog eens #28.
Ze kwamen dus van Nightout, in Nederland #2, een album dat overigens ook in Duitsland (#31) en Zweden (#28) aardig verkocht. Helaas heb ik de archieven van deze buitenlandse lijsten nog steeds niet online gevonden, maar de albumverkopen doen vermoeden dat Foley ook daar singlesuccessen heeft gevierd.
1979 was opnieuw een jaar dat disco de hitlijsten beheerste, terwijl allerlei newwavebandjes begonnen door te dringen tot diezelfde statistieken. De conventionele rock waarbinnen Foley acteerde, was dus niet bepaald in de mode. Sterker nog, zelfs diverse rockartiesten deden inmiddels aan glitterjasjes en discoballen. Maar geen paniek. Rock als genre was nog maar zo’n twaalf jaar oud en bovendien bleek het een lenig beestje. Een groot talent als Foley paste daar prima in.
Pas afgelopen voorjaar kocht ik de elpee. Nostalgie zoals sommige MuMensen hierboven noemen heb ik dan ook niet. Sterker nog, diverse malen heb ik na enige twijfel de plaat teruggezet in de bakken van zaken met tweedehands platen, juist omdat ik het indertijd slechts ‘wel leuk’ vond.
Uiteindelijk zwichtte ik dus toch en daar heb ik zeker geen spijt van!
Sterke nummers genoeg. Behalve de singles springen vooral Stupid Girl (de enige song met scheurende gitaren op deze gitaarplaat!), Thunder and Rain en als übertopper Young Lust eruit, de laatste met een gitaarlijn die geleend lijkt van Heart full of Soul van The Yardbirds. Enige zwakker lied is de titelsong: die laat de A-kant wat doodbloeden met z’n baslijntje á la Stand by Me van Ben E. King; een climax van of variatie op het lied had dit kunnen voorkomen.
De productie is in de traditie van de wall of sound van Phil Spector en loopt bovendien vooruit op hetgeen in de jaren ’80 trendy zou worden, al galmen de drums gelukkig niet. De (heren)koren doen dat regelmatig wel en de melodieuze gitaarlijnen passen prima bij dit rockalbum, waarin een enkele keer ook invloeden uit new wave en glamrock doorsijpelen. Bij dit alles de krachtige stem van Foley, die bovendien goed klein kan zingen, getuige de twee ballads (naast de titelsong het afsluitende Don’t Let Go).
Op streaming hebben het uptempo Hideaway en Young Lust van plek geruild. Veel maakt het niet uit. Beide plaatkanten zijn sterk en bovendien werkt Nightout als afspeellijst.
Op YouTube staan twee interviewtjes uit de Top 2000 á Gogo, hier over Nightout en daar over haar connectie met The Clash. Bartjeking, dat laatste interview kun je rustig kijken, het verhaal is nóg mooier dan jij je herinnert. Dank voor de tip!
Eindoordeel: vier dikke sterren.
Vooral in de Lage Landen was dit succesvol. Wellicht had dat ook met de inzet van platenmaatschappij Epic hier te maken. We Belong to the Night werd in november 1979 in zowel Nederland als Vlaanderen #1, What’s a Matter Baby in februari 1980 in Nederland #5, in Vlaanderen #6. In Vlaanderen haalde derde single Sad Song in april ’80 nog eens #28.
Ze kwamen dus van Nightout, in Nederland #2, een album dat overigens ook in Duitsland (#31) en Zweden (#28) aardig verkocht. Helaas heb ik de archieven van deze buitenlandse lijsten nog steeds niet online gevonden, maar de albumverkopen doen vermoeden dat Foley ook daar singlesuccessen heeft gevierd.
1979 was opnieuw een jaar dat disco de hitlijsten beheerste, terwijl allerlei newwavebandjes begonnen door te dringen tot diezelfde statistieken. De conventionele rock waarbinnen Foley acteerde, was dus niet bepaald in de mode. Sterker nog, zelfs diverse rockartiesten deden inmiddels aan glitterjasjes en discoballen. Maar geen paniek. Rock als genre was nog maar zo’n twaalf jaar oud en bovendien bleek het een lenig beestje. Een groot talent als Foley paste daar prima in.
Pas afgelopen voorjaar kocht ik de elpee. Nostalgie zoals sommige MuMensen hierboven noemen heb ik dan ook niet. Sterker nog, diverse malen heb ik na enige twijfel de plaat teruggezet in de bakken van zaken met tweedehands platen, juist omdat ik het indertijd slechts ‘wel leuk’ vond.
Uiteindelijk zwichtte ik dus toch en daar heb ik zeker geen spijt van!
Sterke nummers genoeg. Behalve de singles springen vooral Stupid Girl (de enige song met scheurende gitaren op deze gitaarplaat!), Thunder and Rain en als übertopper Young Lust eruit, de laatste met een gitaarlijn die geleend lijkt van Heart full of Soul van The Yardbirds. Enige zwakker lied is de titelsong: die laat de A-kant wat doodbloeden met z’n baslijntje á la Stand by Me van Ben E. King; een climax van of variatie op het lied had dit kunnen voorkomen.
De productie is in de traditie van de wall of sound van Phil Spector en loopt bovendien vooruit op hetgeen in de jaren ’80 trendy zou worden, al galmen de drums gelukkig niet. De (heren)koren doen dat regelmatig wel en de melodieuze gitaarlijnen passen prima bij dit rockalbum, waarin een enkele keer ook invloeden uit new wave en glamrock doorsijpelen. Bij dit alles de krachtige stem van Foley, die bovendien goed klein kan zingen, getuige de twee ballads (naast de titelsong het afsluitende Don’t Let Go).
Op streaming hebben het uptempo Hideaway en Young Lust van plek geruild. Veel maakt het niet uit. Beide plaatkanten zijn sterk en bovendien werkt Nightout als afspeellijst.
Op YouTube staan twee interviewtjes uit de Top 2000 á Gogo, hier over Nightout en daar over haar connectie met The Clash. Bartjeking, dat laatste interview kun je rustig kijken, het verhaal is nóg mooier dan jij je herinnert. Dank voor de tip!
Eindoordeel: vier dikke sterren.
Elli & Jacno - Tout Va Sauter (1980)

3,5
0
geplaatst: 14 september 2025, 17:36 uur
Alles gaat ontploffen! Tout va sauter heet het debuut van het duo Elli & Jacno, voorheen actief in de Bretons-Parijse groep Stinky Toys met wie ze twee albums uitbrachten.
De vorige halte tijdens mijn reis door new wave was de tweede van Hazel O'Connor en ik kondigde deze Franse plaat aan als "een ander onbekend pareltje". Dat blijkt overdreven, want anders dan de titel suggereert gaat niet alles ontploffen. Dit is eerder vergelijkbaar met een luchtig tussendoortje: een minigebakje of een kleine snack voor de oren. Aanvankelijk heel aangenaam, maar later slaat enige verveling toe. Het album verscheen in december 1980.
Zangeres Elli Medeiros en gitarist Denis Jacno klinken tesamen als een vroege versie van het Belgische duo Vive La Fête. Anders dan met hun voormalige groep zingt Elli nu Franstalig. Main dans la Main draait om een vrolijk synththema, Nos Allures Sages leunt vooral op lichte gitaarpartijen. Het resultaat klinkt onschuldig en luchtig, net als in het van een orgeltje voorziene On dit des choses waarmee het iets muzakachtigs krijgt, Tic Tac Tic is uptempo, de naïviteit druipt ervan af.
Kant 1 sluit net zo aardig af met L'Age Atomique , maar langzamerhand valt op dat de nummers, die vaak rond de 4 minuten lang zijn, eigenlijk te lang duren. Alsof je teveel minigebakjes in één keer eet. Ik raak verzadigd.
Moi et Mon Copain bevat meer lichte electropop, het langzame T'Oublier zou geschikt zijn voor een verzamelaar met chansons, passend tussen Gerard Lenorman en Edith Piaf maar dan met de synthesizers van 1980. Bien Plus Fort is gemaakt voor de dansschool uit die tijd, Dans Tes Bras is langzamer en romantisch en met L'Age Atomique : Suite et Fin is een instrumentale en omgekeerde versie van L'Age Atomique op kant 1, waarna Elli een gesproken-woord-boodschap heeft: geinig!
Ja, geinig is het juiste woord voor dit album dat in Engeland werd uitgebracht met twee vertaalde nummers. Mains dans la Main werd Mad Affair en L'Age Atomique werd Atomic Age. In 2011 kwam een cd-versie met de twee vertalingen als bonus; ook op streaming aanwezig.
In 2010 werd Tout Va Sauter door de Franse editie van Rolling Stone op plek 91 gezet in de lijst met beste albums in de Franse rock. Helaas begint het archief van de Franse hitsite LesCharts.com pas in november 1984 en dus is niet te achterhalen waarom dit als invloedrijk geldt. Laat onverlet dat dit een bescheiden mijlpaaltje in de electropop is.
Het volgende nummer op mijn afspeellijst met wave en aanverwanten is van Eddie & The Hot Rods, maar omdat ik dat album al besprak, vervolg ik bij het debuut van het West-Duitse Wirtschaftswunder genaamd Salmobray.
De vorige halte tijdens mijn reis door new wave was de tweede van Hazel O'Connor en ik kondigde deze Franse plaat aan als "een ander onbekend pareltje". Dat blijkt overdreven, want anders dan de titel suggereert gaat niet alles ontploffen. Dit is eerder vergelijkbaar met een luchtig tussendoortje: een minigebakje of een kleine snack voor de oren. Aanvankelijk heel aangenaam, maar later slaat enige verveling toe. Het album verscheen in december 1980.
Zangeres Elli Medeiros en gitarist Denis Jacno klinken tesamen als een vroege versie van het Belgische duo Vive La Fête. Anders dan met hun voormalige groep zingt Elli nu Franstalig. Main dans la Main draait om een vrolijk synththema, Nos Allures Sages leunt vooral op lichte gitaarpartijen. Het resultaat klinkt onschuldig en luchtig, net als in het van een orgeltje voorziene On dit des choses waarmee het iets muzakachtigs krijgt, Tic Tac Tic is uptempo, de naïviteit druipt ervan af.
Kant 1 sluit net zo aardig af met L'Age Atomique , maar langzamerhand valt op dat de nummers, die vaak rond de 4 minuten lang zijn, eigenlijk te lang duren. Alsof je teveel minigebakjes in één keer eet. Ik raak verzadigd.
Moi et Mon Copain bevat meer lichte electropop, het langzame T'Oublier zou geschikt zijn voor een verzamelaar met chansons, passend tussen Gerard Lenorman en Edith Piaf maar dan met de synthesizers van 1980. Bien Plus Fort is gemaakt voor de dansschool uit die tijd, Dans Tes Bras is langzamer en romantisch en met L'Age Atomique : Suite et Fin is een instrumentale en omgekeerde versie van L'Age Atomique op kant 1, waarna Elli een gesproken-woord-boodschap heeft: geinig!
Ja, geinig is het juiste woord voor dit album dat in Engeland werd uitgebracht met twee vertaalde nummers. Mains dans la Main werd Mad Affair en L'Age Atomique werd Atomic Age. In 2011 kwam een cd-versie met de twee vertalingen als bonus; ook op streaming aanwezig.
In 2010 werd Tout Va Sauter door de Franse editie van Rolling Stone op plek 91 gezet in de lijst met beste albums in de Franse rock. Helaas begint het archief van de Franse hitsite LesCharts.com pas in november 1984 en dus is niet te achterhalen waarom dit als invloedrijk geldt. Laat onverlet dat dit een bescheiden mijlpaaltje in de electropop is.
Het volgende nummer op mijn afspeellijst met wave en aanverwanten is van Eddie & The Hot Rods, maar omdat ik dat album al besprak, vervolg ik bij het debuut van het West-Duitse Wirtschaftswunder genaamd Salmobray.
Elvis Costello - My Aim Is True (1977)

3,5
2
geplaatst: 26 december 2021, 19:05 uur
‘De nieuwe Elvis heet Costello’ kopte de poppagina van de NCRV-gids, die wekelijks in mijn ouderlijk huis op de mat viel. Dat was in 1977 denk ik, na het verschijnen van zijn debuutplaat My Aim Is True. Of misschien nadat opvolger This Year’s Model uit was, een jaar later. Voor de Oelewapperpagina was ik sinds kort te oud, de poppagina had mijn aandacht. De kop maakte kennelijk zoveel indruk, dat ik ‘m nu nog weet.
Non-albumsingle Watching The Detectives was regelmatig op Hilversum 3 te horen, ook al werd het in Nederland geen hit. Dit alles leidde ertoe dat Costello tot op de dag van vandaag in mijn geheugen staat geprent onder het kopje ‘In de gaten houden!’
De poppagina van de allesbehalve progressieve NCRV werd geredigeerd door Skip Voogd. Op Hilversum 3 kondigde hij met keurige presentatiestem plaatjes aan en af. Te rustig. Hij was niet “Je bent jong en je wilt wat!!!”, zoals Veronica ons sinds kort luid voorhield. Maar met zijn overlijden in deze decembermaand moest ik onmiddellijk aan de titel van dat artikel denken.
In podcast Dit was de radio en het dikke boek 50 jaar 3FM komt hij langs. De bedaarde stem was opgegroeid met bigbandjazz, omarmde als jongvolwassene showorkesten met hun zingende stersolisten, daarna rock ‘n’ roll met de volgende generatie tieneridolen en had in 1965 aan de wieg van Hilversum 3 gestaan. Wat bewoog een keurige meneer, nog ouder dan mijn vader, om op 45-jarige leeftijd zo ronkend over Costello te schrijven?
De beste manier om dat uit te zoeken, is het draaien van die eerste twee albums. Vooraf: ik claim niet een grote kenner van Costello te zijn. Pas in juli 1995 hoorde ik voor het eerst een volledig album van Costello, nota bene een verzamel-cd, omdat een vriend die voor mij had gekopieerd op cassettebandje (het waren de laatste dagen van dat medium). Mijn oudste dochter was net geboren; naar en van het ziekenhuis zong Costello mij in de auto toe. Een herontdekking, al die singles bij elkaar te horen.
De week voor Kerst 2021 zet ik My Aim Is True op. Voor het eerst, dit dankzij streaming. In gedachten ga ik terug naar ’77 en ’78, toen new wave nieuw en opwindend was. Op de cover in jaren '50-stijl knipoogt Costello naar de gelijkenis met Buddy Holly. Het album is opgenomen met een deel van de band Clover, kort daarvoor op tournee met Graham Parker & The Rumour en headliner Thin Lizzy, zoals ik van hun Live and Dangerous weet.
Een paar draaibeurten later snap ik helemaal waarom “oude man” Voogd de loftrompet blies, nota bene voor een plaat die op dat ruige Stifflabel was verschenen. Twaalf korte, frisse liedjes, soms met een knipoog naar de eerste rock ‘n’ roll, zoals op No Dancing, Blame It On Cain en Mystery Dance. Ook een stickertje als pubrock is bruikbaar: op Sneaky Feelings, Pay It Back en Waiting for the End of the World. Allemaal fijne composities, vooral de laatste.
Via die compilatie-cd kende ik al de ballad Alison (bij het aanschouwen van het gelijknamige brood neurie ik nog altijd dat liedje). Mijn favorieten zijn die met venijnige wave: Welcome to the Working Week, Miracle Man en I’m not Angry.
Op streaming krijg je als bonus het met andere muzikanten opgenomen Watching The Detectives, waarop zijn wavestijl sterker werd. Die dreunende toms in het intro alleen al; één van mijn favoriete liedjes aller tijden. Costello was in die dagen een oude ziel in een nieuw jasje, met een neus voor goede liedjes. Later bleek hij nog veel meer in zijn mars te hebben.
Zo zie je maar, zelfs een orenschijnlijk saaie radiostem kan je op het goede spoor zetten. Dank u wel, meneer Voogd, voor het voorbeeld van iemand die met frisse oren blijft zoeken naar nieuwe muziek. Hopelijk kom ik uw ene artikel uit de gids ooit weer tegen.
Non-albumsingle Watching The Detectives was regelmatig op Hilversum 3 te horen, ook al werd het in Nederland geen hit. Dit alles leidde ertoe dat Costello tot op de dag van vandaag in mijn geheugen staat geprent onder het kopje ‘In de gaten houden!’
De poppagina van de allesbehalve progressieve NCRV werd geredigeerd door Skip Voogd. Op Hilversum 3 kondigde hij met keurige presentatiestem plaatjes aan en af. Te rustig. Hij was niet “Je bent jong en je wilt wat!!!”, zoals Veronica ons sinds kort luid voorhield. Maar met zijn overlijden in deze decembermaand moest ik onmiddellijk aan de titel van dat artikel denken.
In podcast Dit was de radio en het dikke boek 50 jaar 3FM komt hij langs. De bedaarde stem was opgegroeid met bigbandjazz, omarmde als jongvolwassene showorkesten met hun zingende stersolisten, daarna rock ‘n’ roll met de volgende generatie tieneridolen en had in 1965 aan de wieg van Hilversum 3 gestaan. Wat bewoog een keurige meneer, nog ouder dan mijn vader, om op 45-jarige leeftijd zo ronkend over Costello te schrijven?
De beste manier om dat uit te zoeken, is het draaien van die eerste twee albums. Vooraf: ik claim niet een grote kenner van Costello te zijn. Pas in juli 1995 hoorde ik voor het eerst een volledig album van Costello, nota bene een verzamel-cd, omdat een vriend die voor mij had gekopieerd op cassettebandje (het waren de laatste dagen van dat medium). Mijn oudste dochter was net geboren; naar en van het ziekenhuis zong Costello mij in de auto toe. Een herontdekking, al die singles bij elkaar te horen.
De week voor Kerst 2021 zet ik My Aim Is True op. Voor het eerst, dit dankzij streaming. In gedachten ga ik terug naar ’77 en ’78, toen new wave nieuw en opwindend was. Op de cover in jaren '50-stijl knipoogt Costello naar de gelijkenis met Buddy Holly. Het album is opgenomen met een deel van de band Clover, kort daarvoor op tournee met Graham Parker & The Rumour en headliner Thin Lizzy, zoals ik van hun Live and Dangerous weet.
Een paar draaibeurten later snap ik helemaal waarom “oude man” Voogd de loftrompet blies, nota bene voor een plaat die op dat ruige Stifflabel was verschenen. Twaalf korte, frisse liedjes, soms met een knipoog naar de eerste rock ‘n’ roll, zoals op No Dancing, Blame It On Cain en Mystery Dance. Ook een stickertje als pubrock is bruikbaar: op Sneaky Feelings, Pay It Back en Waiting for the End of the World. Allemaal fijne composities, vooral de laatste.
Via die compilatie-cd kende ik al de ballad Alison (bij het aanschouwen van het gelijknamige brood neurie ik nog altijd dat liedje). Mijn favorieten zijn die met venijnige wave: Welcome to the Working Week, Miracle Man en I’m not Angry.
Op streaming krijg je als bonus het met andere muzikanten opgenomen Watching The Detectives, waarop zijn wavestijl sterker werd. Die dreunende toms in het intro alleen al; één van mijn favoriete liedjes aller tijden. Costello was in die dagen een oude ziel in een nieuw jasje, met een neus voor goede liedjes. Later bleek hij nog veel meer in zijn mars te hebben.
Zo zie je maar, zelfs een orenschijnlijk saaie radiostem kan je op het goede spoor zetten. Dank u wel, meneer Voogd, voor het voorbeeld van iemand die met frisse oren blijft zoeken naar nieuwe muziek. Hopelijk kom ik uw ene artikel uit de gids ooit weer tegen.
Elvis Costello & The Attractions - Almost Blue (1981)

2,5
0
geplaatst: 7 november 2022, 19:56 uur
Najaar 1981. En toen was daar plotseling een “tussendoortje” van Costello. Covers. Country. Tja, daar kon ik niet zoveel mee. Het leverde zowaar zijn tweede Nederlandse hit op: tweeëneenhalf jaar na Oliver’s Army piekte Good Year for the Roses rond Kerst in de top 20 van zowel de Nationale Hitparade als de Top 40, in Vlaanderen #25.
Liet het album links liggen, ook in de bieb. Omdat ik de hit saai vond en (waarschijnlijk) vanwege Oors gereserveerdheid.
Nu pas besef ik dat het wel een knappe prestatie is van Elvis en zijn Attractions om na alle puntige new wave met een countryalbum te komen. Opgenomen in Nashville, waar de mannen erin slaagden de Britse sound te verwisselen voor deze Amerikaanse. Dit met hulp van John McFee van de Doobie Brothers, die pedalsteel speelde. Overigens een bandje dat ik bepaald níet met traditionele country associeerde.
Bovendien ontdek ik dankzij streaming dat er toch twee liedjes op staan die me bevallen, te weten Why Don’t You Love Me en Honey Hush. Ze staan het dichtste bij zijn new wave, waarvan ik hield en houd. Later in dat decennium zou ik alt. country horen, daar kon ik meer mee dan met de overige nummers van Almost Blue, waar de traditionele vorm klinkt.
Liet het album links liggen, ook in de bieb. Omdat ik de hit saai vond en (waarschijnlijk) vanwege Oors gereserveerdheid.
Nu pas besef ik dat het wel een knappe prestatie is van Elvis en zijn Attractions om na alle puntige new wave met een countryalbum te komen. Opgenomen in Nashville, waar de mannen erin slaagden de Britse sound te verwisselen voor deze Amerikaanse. Dit met hulp van John McFee van de Doobie Brothers, die pedalsteel speelde. Overigens een bandje dat ik bepaald níet met traditionele country associeerde.
Bovendien ontdek ik dankzij streaming dat er toch twee liedjes op staan die me bevallen, te weten Why Don’t You Love Me en Honey Hush. Ze staan het dichtste bij zijn new wave, waarvan ik hield en houd. Later in dat decennium zou ik alt. country horen, daar kon ik meer mee dan met de overige nummers van Almost Blue, waar de traditionele vorm klinkt.
Elvis Costello & The Attractions - Armed Forces (1979)

4,0
4
geplaatst: 25 november 2023, 13:30 uur
De beloofde update. Ik zit thuis, herstellende van een kleine operatie. Het gaat voorspoedig maar vooral de bank is voorlopig mijn habitat met als groot voordeel dat er veel meer ruimte is om muziek te luisteren.
In maart '22 noteerde ik over Armed Forces: "Ik ben enigszins in conflict met mezelf. De overige nummers deden en doen mij namelijk minder; ook ruim veertig jaar later, ook na herhaald draaien. Tegelijkertijd ontstijgen ze wel degelijk de middelmaat, dat hoor ik wel. Ik begrijp dan ook niet goed waarom ze mij sneller vervelen dan het gros van de songs op de voorganger."
Die verveling blijft nu echter uit. Is dat omdat ik momenteel veel meer rust heb om te luisteren? Zat mijn hoofd toen vol met allerlei drukte die frisse oren saboteerde?
Zou best kunnen. Vandaag doet Costello namelijk mijn mondhoeken omhoog kruipen, met als grootste favootjes op de A-kant de introloze opener Accidents Will Happen, Senior Service, Oliver's Army en de ietwat geheimzinnige sfeer met observerende tekst in Green Shirt.
Ook op de B-kant is het vooral de energieke wave-met-orgeltje die landt, met als favorieten Busy Bodies, Moods for Moderns met z'n lekkere pianospel en nog een fraai voorbeeld van puntige teksten in Two Little Hitlers.
En toen steeg mijn waardering met maar liefst anderhalve ster. Zoals Marten Toonder noteerde in De zonnige kijk (1980): "Zelfs een held heeft wel eens een misverstand in zijn denkraam, dat men hem in de schoenen kan schuiven." Dat gold hier zeker voor mij, niet-held die ik ben.
In maart '22 noteerde ik over Armed Forces: "Ik ben enigszins in conflict met mezelf. De overige nummers deden en doen mij namelijk minder; ook ruim veertig jaar later, ook na herhaald draaien. Tegelijkertijd ontstijgen ze wel degelijk de middelmaat, dat hoor ik wel. Ik begrijp dan ook niet goed waarom ze mij sneller vervelen dan het gros van de songs op de voorganger."
Die verveling blijft nu echter uit. Is dat omdat ik momenteel veel meer rust heb om te luisteren? Zat mijn hoofd toen vol met allerlei drukte die frisse oren saboteerde?
Zou best kunnen. Vandaag doet Costello namelijk mijn mondhoeken omhoog kruipen, met als grootste favootjes op de A-kant de introloze opener Accidents Will Happen, Senior Service, Oliver's Army en de ietwat geheimzinnige sfeer met observerende tekst in Green Shirt.
Ook op de B-kant is het vooral de energieke wave-met-orgeltje die landt, met als favorieten Busy Bodies, Moods for Moderns met z'n lekkere pianospel en nog een fraai voorbeeld van puntige teksten in Two Little Hitlers.
En toen steeg mijn waardering met maar liefst anderhalve ster. Zoals Marten Toonder noteerde in De zonnige kijk (1980): "Zelfs een held heeft wel eens een misverstand in zijn denkraam, dat men hem in de schoenen kan schuiven." Dat gold hier zeker voor mij, niet-held die ik ben.
Elvis Costello & The Attractions - Get Happy!! (1980)

4,0
0
geplaatst: 23 juni 2022, 23:18 uur
Twintig nummers op één stuk vinyl: die Costello was uiterst productief in deze periode, rond het verschijnen van deze elpee in februari 1980. Terwijl depressie (Joy Division en consorten), melancholie (The Cure en co) en spierballen (Iron Maiden, Saxon, Motörhead en meer) de sfeer van de "betere" pop dat jaar gingen domineren, ging hij met deze plaattitel en muziek dwars tegen de stroom in. Voorheen klonk hij bozer, hier lijkt de man vol blije stuiterenergie te zitten.
De liedjes duren uiteraard kort, anders pasten ze niet in de groef. De hoes verraadt al dat de mannen hun inspiratie vonden in de jaren '60, waaruit wordt geput van soul tot beat. Variatie overheerst dus. Geheel in stijl wordt een enkel nummer snel weggedraaid.
Mijn grote favo's zijn The Imposter met z'n felle orgel en Human Touch, de laatste omdat ik ska op z'n tijd erg lekker vind. The Attractions zijn op dreef en brengen behalve tonnen energie ook nog eens knap verschillende kleuren in de diverse liedjes.
Op single verschenen de twee laatste liedjes van de A- en de eerste van de B-kant. Hits leverde het in Nederland niet op, wel haalde de langspeler #34 in de vaderlandse albumlijst.
Een bescheiden klassieker, in Nederland wellicht te snel ondergesneeuwd door de hausse aan nieuwe bands die dat jaar doorbraken.
De liedjes duren uiteraard kort, anders pasten ze niet in de groef. De hoes verraadt al dat de mannen hun inspiratie vonden in de jaren '60, waaruit wordt geput van soul tot beat. Variatie overheerst dus. Geheel in stijl wordt een enkel nummer snel weggedraaid.
Mijn grote favo's zijn The Imposter met z'n felle orgel en Human Touch, de laatste omdat ik ska op z'n tijd erg lekker vind. The Attractions zijn op dreef en brengen behalve tonnen energie ook nog eens knap verschillende kleuren in de diverse liedjes.
Op single verschenen de twee laatste liedjes van de A- en de eerste van de B-kant. Hits leverde het in Nederland niet op, wel haalde de langspeler #34 in de vaderlandse albumlijst.
Een bescheiden klassieker, in Nederland wellicht te snel ondergesneeuwd door de hausse aan nieuwe bands die dat jaar doorbraken.
Elvis Costello & The Attractions - Imperial Bedroom (1982)

3,0
1
geplaatst: 13 november 2022, 22:42 uur
Held vind ik inderdaad een héld, zo enthousiast als hij in 2005 opkwam voor dit Imperial Bedroom. Heb genoten van zijn bijdragen hierboven. Je wilde een reactie: bij deze.
Ik leerde Costello in 1977 en '78 kennen via zijn eerstelingen My Aim is True en This Year's Model. Nou ja, kennen... Ik las lovende stukjes en een enkele keer hoorde 'm op Hilversum 3, de enige bron voor popmuziek voor een prille tiener. Aangezien er maar drie omroepen waren die hem draaiden (VARA, KRO en VPRO) en er dus maar tweeëneenhalve dag kans was dat je Costello hoorde, kwam ik hem niet vaak tegen.
Natuurlijk werd meneer Costello geleidelijk ouder en bovendien was hij te te creatief om die platen te herhalen. Gelukkig maar. Ik vond het dan ook niet verrassend dat hij geleidelijk andersklinkende muziek ging maken, al was voorganger Almost Blue wel heul erg onverwacht anders met alle country.
Toch was ik bang dat hij heilig vuur was verloren toen een jaar later Keizerlijke Slaapkamer verscheen. Mooie titel weer, dat voordeel kreeg hij van mij meteen in die zomer van 1982! Vijf, zes jaar na mijn eerste kennismaking met Costello was mijn Engels inmiddels verbeterd, waardoor dit soort poëzie mij opviel. Van recensenten las ik enthousiaste verhalen, zo was Bart Chabot in Oor meer dan lovend (even scrollen voor een deel van de recensie).
Hitsingles leverde het nochtans niet op, via die weg kwam de nieuwe Costello niet binnen. Wel was de plaat een instant favoriet bij de "serieuze muziekfan", maar (sorry Held!) aan dat niveau kan ik kennelijk niet tippen. Costello's liedjes zijn bezadigder, waarbij ik de angry young Elvis node mis. Volgens Wikipedia hoorden diverse recensenten overeenkomsten met The Beatles. Tja, dan snap ik wel waarom ik afhaak: van die groep was ik nooit onder de indruk, hun muziek wist mij nooit bij de lurven te grijpen.
Drie liedjes springen er nochtans uit: Shabby Doll lijkt wat meer op zijn werk tot en met 1980 en loopt al lekker vanaf het zweverige akoestische gitaartje in het intro met weemoedige new wave; ...And in Every Home is aangenaam met de brassband en orkestrale begeleiding - is het daarom dat er Beatlesvergelijkingen worden gemaakt?; The Loved Ones heeft een staccatoriffje dat me aan London Calling van The Clash doet denken, lekker energiek met bovendien een heerlijke pianopartij.
En verder... kabbelt het door zonder dat ik ook maar iets van enthousiasme in mij bespeur. Het is niet slecht, maar ik mis de felheid van voorheen. Respect voor de man die zijn eigen gang ging en gaat, de veelschrijver die alweer een plaat met veel liedjes (deze keer vijftien) aanbood, degene die niet in de valkuil van herhaling van eerder succes viel en deze keer bovendien teksten schreef die vooral over hemzelf lijken te gaan.
Maar respect is wat anders dan geraakt worden. Dat word ik hier dus niet. Op naar opvolger Punch the Clock, waar ik meer mee heb.
Ik leerde Costello in 1977 en '78 kennen via zijn eerstelingen My Aim is True en This Year's Model. Nou ja, kennen... Ik las lovende stukjes en een enkele keer hoorde 'm op Hilversum 3, de enige bron voor popmuziek voor een prille tiener. Aangezien er maar drie omroepen waren die hem draaiden (VARA, KRO en VPRO) en er dus maar tweeëneenhalve dag kans was dat je Costello hoorde, kwam ik hem niet vaak tegen.
Natuurlijk werd meneer Costello geleidelijk ouder en bovendien was hij te te creatief om die platen te herhalen. Gelukkig maar. Ik vond het dan ook niet verrassend dat hij geleidelijk andersklinkende muziek ging maken, al was voorganger Almost Blue wel heul erg onverwacht anders met alle country.
Toch was ik bang dat hij heilig vuur was verloren toen een jaar later Keizerlijke Slaapkamer verscheen. Mooie titel weer, dat voordeel kreeg hij van mij meteen in die zomer van 1982! Vijf, zes jaar na mijn eerste kennismaking met Costello was mijn Engels inmiddels verbeterd, waardoor dit soort poëzie mij opviel. Van recensenten las ik enthousiaste verhalen, zo was Bart Chabot in Oor meer dan lovend (even scrollen voor een deel van de recensie).
Hitsingles leverde het nochtans niet op, via die weg kwam de nieuwe Costello niet binnen. Wel was de plaat een instant favoriet bij de "serieuze muziekfan", maar (sorry Held!) aan dat niveau kan ik kennelijk niet tippen. Costello's liedjes zijn bezadigder, waarbij ik de angry young Elvis node mis. Volgens Wikipedia hoorden diverse recensenten overeenkomsten met The Beatles. Tja, dan snap ik wel waarom ik afhaak: van die groep was ik nooit onder de indruk, hun muziek wist mij nooit bij de lurven te grijpen.
Drie liedjes springen er nochtans uit: Shabby Doll lijkt wat meer op zijn werk tot en met 1980 en loopt al lekker vanaf het zweverige akoestische gitaartje in het intro met weemoedige new wave; ...And in Every Home is aangenaam met de brassband en orkestrale begeleiding - is het daarom dat er Beatlesvergelijkingen worden gemaakt?; The Loved Ones heeft een staccatoriffje dat me aan London Calling van The Clash doet denken, lekker energiek met bovendien een heerlijke pianopartij.
En verder... kabbelt het door zonder dat ik ook maar iets van enthousiasme in mij bespeur. Het is niet slecht, maar ik mis de felheid van voorheen. Respect voor de man die zijn eigen gang ging en gaat, de veelschrijver die alweer een plaat met veel liedjes (deze keer vijftien) aanbood, degene die niet in de valkuil van herhaling van eerder succes viel en deze keer bovendien teksten schreef die vooral over hemzelf lijken te gaan.
Maar respect is wat anders dan geraakt worden. Dat word ik hier dus niet. Op naar opvolger Punch the Clock, waar ik meer mee heb.
Elvis Costello & The Attractions - Punch the Clock (1983)

4,0
2
geplaatst: 19 november 2022, 17:40 uur
Via streaming luister ik de discografie van Elvis Costello door, de man die ik vanaf 1977 volg via singles op de radio en artikelen in de muziekpers (zie bijvoorbeeld een fragment van de Oorrecensie van Geert Henderickx uit 1983). Nu dus een luisterreis door zijn complete albums.
Op Punch the Clock klinkt de tijdgeest van 1983. Ik denk aan bijvoorbeeld aan The Style Council, waar Paul Weller zijn punk-/modfase had ingeruild voor een ingetogener, soulachtige aanpak. Iets dergelijks deed Costello op single Everyday I Write the Book, dat ik indertijd op de radio hoorde tijdens mijn vakantiebaantje in een afwaskeuken. In juli-augustus 1983 stond het in de Tipparade van NOS/Nationale Hitparade en was het een bescheiden radiohitje. Heerlijk zwoel met dat dameskoortje.
Op de momenten waar het er fel aan toegaat is er een andere associatie: die met Dexys Midnight Runners, zoals op opener Let Them All Talk. Want Punch the Clock klinkt bij vlagen vinniger dan Imperial Bedroom van het jaar ervoor. Het ‘lalala’-koortje in The Element Within Her is verraderlijk meezingbaar en bij de keyboardpartij in Love Went Mad moet ik zelfs aan de Nederlandse tijdgenoten van Klein Orkest denken.
Ach ja, mijn associaties… Vergeet ze maar direct. Feit is dat het album gevarieerd is, dat Elvis deze keer “slechts” dertien liedjes in gevarieerde smaken op vinyl zette en dat de partijen van toetsenist Steve Nieve en ritmesectie Thomas & Thomas lenig als een muzikale kameleon zijn.
Wat Punch the Clock een eigen plek in Costello’s discografie geeft zijn de overvloedige blazers van The TKO Horns én de trompet in Shipbuilding. Bijzonder toch, dat de toentertijd min of meer Amsterdamse trompettist Chet Baker op deze kwaliteitspopplaat meespeelt? Goed om die legende nog eens te memoreren.
Anders dan menig Costellovolger vind ik dit plaatje dus beter dan de voorganger. Nog één hoogtepunt tot besluit: in King of Thieves klinken invloeden van 19e eeuwse kamermuziek, wat in combinatie met de semi-klassieke toetsenpartij van Nieve een heerlijk springerig liedje oplevert. Op Punch the Clock is afwisseling troef, kwaliteit de rode draad.
Op Punch the Clock klinkt de tijdgeest van 1983. Ik denk aan bijvoorbeeld aan The Style Council, waar Paul Weller zijn punk-/modfase had ingeruild voor een ingetogener, soulachtige aanpak. Iets dergelijks deed Costello op single Everyday I Write the Book, dat ik indertijd op de radio hoorde tijdens mijn vakantiebaantje in een afwaskeuken. In juli-augustus 1983 stond het in de Tipparade van NOS/Nationale Hitparade en was het een bescheiden radiohitje. Heerlijk zwoel met dat dameskoortje.
Op de momenten waar het er fel aan toegaat is er een andere associatie: die met Dexys Midnight Runners, zoals op opener Let Them All Talk. Want Punch the Clock klinkt bij vlagen vinniger dan Imperial Bedroom van het jaar ervoor. Het ‘lalala’-koortje in The Element Within Her is verraderlijk meezingbaar en bij de keyboardpartij in Love Went Mad moet ik zelfs aan de Nederlandse tijdgenoten van Klein Orkest denken.
Ach ja, mijn associaties… Vergeet ze maar direct. Feit is dat het album gevarieerd is, dat Elvis deze keer “slechts” dertien liedjes in gevarieerde smaken op vinyl zette en dat de partijen van toetsenist Steve Nieve en ritmesectie Thomas & Thomas lenig als een muzikale kameleon zijn.
Wat Punch the Clock een eigen plek in Costello’s discografie geeft zijn de overvloedige blazers van The TKO Horns én de trompet in Shipbuilding. Bijzonder toch, dat de toentertijd min of meer Amsterdamse trompettist Chet Baker op deze kwaliteitspopplaat meespeelt? Goed om die legende nog eens te memoreren.
Anders dan menig Costellovolger vind ik dit plaatje dus beter dan de voorganger. Nog één hoogtepunt tot besluit: in King of Thieves klinken invloeden van 19e eeuwse kamermuziek, wat in combinatie met de semi-klassieke toetsenpartij van Nieve een heerlijk springerig liedje oplevert. Op Punch the Clock is afwisseling troef, kwaliteit de rode draad.
Elvis Costello & The Attractions - This Year's Model (1978)

4,0
3
geplaatst: 29 december 2021, 09:53 uur
In de herfst van ’76 leende ik van mijn ouders een transistorradiootje, waarmee ik naar Hilversum 3 luisterde. Daarbij was ik vooral gericht op de hitlijsten, met als favoriet de TROS Europarade met Ferry Maat. Toch pikte ik vanzelf meer op. Zo hoorde ik over punk/new wave, termen die toen nog door elkaar werden gebruikt. In Londen explodeerde kennelijk woeste muziek van lelijke jongens die woorden riepen die ik van mijn moeder niet mocht zeggen. Spannend!
Naderhand leerde ik dat de Britse pers hijgerig fel was over punk/wave, pro of juist anti. Hier bleef het zo goed als stil. Op radio hoorde je de muziek een enkele keer bij VARA en KRO (vooral bij dr. Van Punkenstein oftewel Vincent van Engelen). De VPRO-vrijdagavond beluisterde ik niet, omdat ik dan lang mocht opblijven en beneden tv keek…
De koplopers van de Britse en Amerikaanse punk (Sex Pistols, The Damned en Ramones) haalden hier niet eens onze twee (!) tipparades. Uitzonderingen in de vaderlandse hitlijsten van ’77: David Bowie die zichzelf in Berlijn opnieuw uitvond en vanaf april met Sound and Vision scoorde, The Stranglers vanaf september met Something Better Change en Iggy Pop vanaf november met Lust for Life. Ik nam ze op met de voor mijn verjaardag gekregen radio-cassettespeler.
In ’78 was de minder heftige new wave een eigen genre geworden en meer hits volgden. Ook in Nederland. Wat te denken van de Belg Plastic Bertrand met #1-punkhit Ça Plane pour Moi? Of Ian Dury & The Blockheads? Blondie scoorde dat jaar zelfs vier hits, waarbij #1 Denis.
Ik genoot, geholpen door “dj-autoriteiten” die me wegwijs maakten. Bij de VARA was dat Willem van Beusekom. Hij liet vanaf eind april ’78 in zijn dinsdagmiddagse LP Top 20 liedjes van This Year’s Model van Elvis Costello horen, nieuw binnen op #19. De singles daarvan werden gedraaid, in april (I Don’t Want To Go To) Chelsea, in mei Pump It Up. Althans, zo herinner ik me dat, want van beide liedjes weet ik dat ik ze uit mijn oerradiodagen ken. Ze haalden niet de drie (!!) hitparades die we vanaf juni ‘78 hadden: die van NOS, TROS en Veronica.
Dat NCRV’s veteraan Skip Voogd zo positief hierover schreef is veelzeggend (zie mijn post bij My Aim Is True). Opnieuw stel ik de vraag: wat trok hem aan in Costello?
Was Costello’s debuut een overgangsplaat tussen de “oude” pubrock en “nieuwe” wave, op dit album wordt hij voor het eerst begeleid door The Attractions en klinkt wave op alle liedjes. Net als op het debuut staan op elke plaatkant zes composities, hier met een dienende en toch opvallende rol voor de dunne orgelsound van Steve Nieve (wij noemden hem toen nog Steve Naive). Centraal staan echter de stem en gitaarliedjes van Costello. De sfeer is energiek en creatief, de ritmesectie Bruce en Peter Thomas zorgt namelijk voor extra dynamiek, waardoor ik deze plaat beter vind dan het debuut. Het album kent twee rustpuntjes: Little Triggers en afsluiter Night Rally.
Ik vind het moeilijk om buiten de singles meer uitschieters te vinden; tegelijkertijd staat er geen zwakke song op. Bij …Chelsea klinkt de sterke invloed van ska/reggae. Vreemd dat Costello er hier geen hit mee scoorde, reeds vanaf ’79 braken bij ons namelijk The Police en Britse ska door met een soortgelijke klanken.
Op latere cd-versies en streaming tref je bonustracks uit datzelfde 1978 aan. Ze zijn in dezelfde stijl en allemaal sterk, zoals stand-alone single Radio Radio. Tevens geschikt voor (NCRV-)radio. Schiet me opeens te binnen: misschien kende ik de singles van dit album wel van de TROS Europarade?!
Tenslotte een nerdfeitje. Als liefhebber van het werk van Phil Lynott wist ik dat deze met Costello op één podium had gestaan. Nu maar eens uitgezocht: dat blijkt april ’78 te zijn geweest, een maand nadat dit album uitkwam. Bij die show ontbrak Bruce Thomas, die in Costello’s vaste producer Nick Lowe een vervanger had. Op Mystery Dance echter, van het vorige album, nam Lynott de honneurs waar.
Naderhand leerde ik dat de Britse pers hijgerig fel was over punk/wave, pro of juist anti. Hier bleef het zo goed als stil. Op radio hoorde je de muziek een enkele keer bij VARA en KRO (vooral bij dr. Van Punkenstein oftewel Vincent van Engelen). De VPRO-vrijdagavond beluisterde ik niet, omdat ik dan lang mocht opblijven en beneden tv keek…
De koplopers van de Britse en Amerikaanse punk (Sex Pistols, The Damned en Ramones) haalden hier niet eens onze twee (!) tipparades. Uitzonderingen in de vaderlandse hitlijsten van ’77: David Bowie die zichzelf in Berlijn opnieuw uitvond en vanaf april met Sound and Vision scoorde, The Stranglers vanaf september met Something Better Change en Iggy Pop vanaf november met Lust for Life. Ik nam ze op met de voor mijn verjaardag gekregen radio-cassettespeler.
In ’78 was de minder heftige new wave een eigen genre geworden en meer hits volgden. Ook in Nederland. Wat te denken van de Belg Plastic Bertrand met #1-punkhit Ça Plane pour Moi? Of Ian Dury & The Blockheads? Blondie scoorde dat jaar zelfs vier hits, waarbij #1 Denis.
Ik genoot, geholpen door “dj-autoriteiten” die me wegwijs maakten. Bij de VARA was dat Willem van Beusekom. Hij liet vanaf eind april ’78 in zijn dinsdagmiddagse LP Top 20 liedjes van This Year’s Model van Elvis Costello horen, nieuw binnen op #19. De singles daarvan werden gedraaid, in april (I Don’t Want To Go To) Chelsea, in mei Pump It Up. Althans, zo herinner ik me dat, want van beide liedjes weet ik dat ik ze uit mijn oerradiodagen ken. Ze haalden niet de drie (!!) hitparades die we vanaf juni ‘78 hadden: die van NOS, TROS en Veronica.
Dat NCRV’s veteraan Skip Voogd zo positief hierover schreef is veelzeggend (zie mijn post bij My Aim Is True). Opnieuw stel ik de vraag: wat trok hem aan in Costello?
Was Costello’s debuut een overgangsplaat tussen de “oude” pubrock en “nieuwe” wave, op dit album wordt hij voor het eerst begeleid door The Attractions en klinkt wave op alle liedjes. Net als op het debuut staan op elke plaatkant zes composities, hier met een dienende en toch opvallende rol voor de dunne orgelsound van Steve Nieve (wij noemden hem toen nog Steve Naive). Centraal staan echter de stem en gitaarliedjes van Costello. De sfeer is energiek en creatief, de ritmesectie Bruce en Peter Thomas zorgt namelijk voor extra dynamiek, waardoor ik deze plaat beter vind dan het debuut. Het album kent twee rustpuntjes: Little Triggers en afsluiter Night Rally.
Ik vind het moeilijk om buiten de singles meer uitschieters te vinden; tegelijkertijd staat er geen zwakke song op. Bij …Chelsea klinkt de sterke invloed van ska/reggae. Vreemd dat Costello er hier geen hit mee scoorde, reeds vanaf ’79 braken bij ons namelijk The Police en Britse ska door met een soortgelijke klanken.
Op latere cd-versies en streaming tref je bonustracks uit datzelfde 1978 aan. Ze zijn in dezelfde stijl en allemaal sterk, zoals stand-alone single Radio Radio. Tevens geschikt voor (NCRV-)radio. Schiet me opeens te binnen: misschien kende ik de singles van dit album wel van de TROS Europarade?!
Tenslotte een nerdfeitje. Als liefhebber van het werk van Phil Lynott wist ik dat deze met Costello op één podium had gestaan. Nu maar eens uitgezocht: dat blijkt april ’78 te zijn geweest, een maand nadat dit album uitkwam. Bij die show ontbrak Bruce Thomas, die in Costello’s vaste producer Nick Lowe een vervanger had. Op Mystery Dance echter, van het vorige album, nam Lynott de honneurs waar.
Elvis Costello & The Attractions - Trust (1981)

4,5
0
geplaatst: 5 november 2022, 12:07 uur
Spijker op de kop, hoe Reint hierboven beschrijft dat Costello in 1981 niet meer modieus was, toen hij zijn gekruide new wave van de eerste golf voortzette. Sterke popliedjes met de energie en bijtendheid van punk. Inderdaad, inmiddels brachten jazz-pop en new romantics zoals Duran Duran een meer gepolijste vorm van wave, waar de marketingvingers van platenmaatschappijen meer baat bij hadden. Was immers aan een breder publiek te verkopen. Ook bij die nieuwe vormen zaten fraaie albums en liedjes, maar hoe zat het dan met Costello en The Attractions en hun inmiddels “ouderwetse” new wave?
Van Trust kwamen in Nederland geen hitsingles, het haalde hier zelfs de albumlijst niet. Terwijl dit gewoon een sterk album is. In het Verenigd Koninkrijk en Zweden was wel succes, top 10 zelfs met respectievelijk #9 en #8; in de Verenigde Staten #28.
Na de twintig nummers van voorganger Get Happy!! staan er hier “slechts” veertien op. Nog altijd zeven per plaatkant, afwisseling is daarbij troef. Alhoewel opener Clubland bij velen favoriet is, duikt mijn eerste favorietje pas op met het derde nummer You’ll Never Be a Man; licht swingend met een sterke pianopartij van Steve Nieve en dito melodie. Op Pretty Words klinkt het muzikale venijn dat ook op vorige albums met The Attractions was te horen.
De band klinkt als een enthousiaste en geoliede eenheid, de muziek alsof men een hoop lol in de studio had. Volgens Wikipedia lag dat anders, iets met ruzie en te overvloedige alcohol. Het bewijst des te meer hoe ingespeeld Costello en zijn companen waren, zeer bekwaam in het arrangeren en uitvoeren van Costello's composities.
Op Strict Time speelt Nieve een partij die zo op een album van Joe Jackson had gekund, wederom swingt het de pan uit. Watch your Step is het nummer dat ook in Nederland de hitlijsten had moeten halen, verslavend fijn en met dat orgeltje geschikt voor een breder publiek.
De B-kant start met het duet From a Whisper to a Scream met Glenn Tilbrook van de groep Squeeze. Mooie melodie maar ook zonder die assistentie had dit prima gekund. White Knuckles en Fish ‘n’ Chips Paper bevatten wederom het heerlijke Attractionsgeluid.
Buitenbeentjes kent Trust ook: Luxembourg met de zang in een wolkje reverb, het rock ende rollt als een malle; Different Finger is een verhuld countryliedje en de magnifieke ballade Shot with his Own Gun valt met zijn romantische pianopartij (in de betekenis van de klassieke muziekstroming, niet in als in ‘zwoel en verliefd’) helemaal buiten de geijkte kaders.
Met veertien nummers bevalt het ene liedje beter dan het andere, maar "If you don't like the weather, stick around," zoals iemand uit Chicago mij ooit voorhield. Het volgende liedje bevalt immers meestal beter. Ook hier worden liedjes soms vrij abrupt weggedraaid, net als op de voorganger. Geen nodeloze herhalingen, maar vaart en variatie staan voorop.
Een speciale vermelding voor de teksten. Ik kan me voorstellen dat iemand die Engelse literatuur studeerde, hierop is gepromoveerd. En zo nee, dan moet dat nodig gebeuren. Costello beschouwt in de veertien portretjes vooral falende relaties, wellicht als maskerades voor de zijne. De bewoordingen zijn bijtend: soms ironisch, dan weer cynisch, en meestal (altijd?) van poëtische schoonheid.
Ieder MuMens dat zich haast om iets over de laatste hype te roeptoeteren, vaak nog vóór zo’n album verschijnt, zou eens in dit plaatje kunnen duiken. Het klinkt nog altijd fris. Verdient meer aandacht, zeker hier.
Van Trust kwamen in Nederland geen hitsingles, het haalde hier zelfs de albumlijst niet. Terwijl dit gewoon een sterk album is. In het Verenigd Koninkrijk en Zweden was wel succes, top 10 zelfs met respectievelijk #9 en #8; in de Verenigde Staten #28.
Na de twintig nummers van voorganger Get Happy!! staan er hier “slechts” veertien op. Nog altijd zeven per plaatkant, afwisseling is daarbij troef. Alhoewel opener Clubland bij velen favoriet is, duikt mijn eerste favorietje pas op met het derde nummer You’ll Never Be a Man; licht swingend met een sterke pianopartij van Steve Nieve en dito melodie. Op Pretty Words klinkt het muzikale venijn dat ook op vorige albums met The Attractions was te horen.
De band klinkt als een enthousiaste en geoliede eenheid, de muziek alsof men een hoop lol in de studio had. Volgens Wikipedia lag dat anders, iets met ruzie en te overvloedige alcohol. Het bewijst des te meer hoe ingespeeld Costello en zijn companen waren, zeer bekwaam in het arrangeren en uitvoeren van Costello's composities.
Op Strict Time speelt Nieve een partij die zo op een album van Joe Jackson had gekund, wederom swingt het de pan uit. Watch your Step is het nummer dat ook in Nederland de hitlijsten had moeten halen, verslavend fijn en met dat orgeltje geschikt voor een breder publiek.
De B-kant start met het duet From a Whisper to a Scream met Glenn Tilbrook van de groep Squeeze. Mooie melodie maar ook zonder die assistentie had dit prima gekund. White Knuckles en Fish ‘n’ Chips Paper bevatten wederom het heerlijke Attractionsgeluid.
Buitenbeentjes kent Trust ook: Luxembourg met de zang in een wolkje reverb, het rock ende rollt als een malle; Different Finger is een verhuld countryliedje en de magnifieke ballade Shot with his Own Gun valt met zijn romantische pianopartij (in de betekenis van de klassieke muziekstroming, niet in als in ‘zwoel en verliefd’) helemaal buiten de geijkte kaders.
Met veertien nummers bevalt het ene liedje beter dan het andere, maar "If you don't like the weather, stick around," zoals iemand uit Chicago mij ooit voorhield. Het volgende liedje bevalt immers meestal beter. Ook hier worden liedjes soms vrij abrupt weggedraaid, net als op de voorganger. Geen nodeloze herhalingen, maar vaart en variatie staan voorop.
Een speciale vermelding voor de teksten. Ik kan me voorstellen dat iemand die Engelse literatuur studeerde, hierop is gepromoveerd. En zo nee, dan moet dat nodig gebeuren. Costello beschouwt in de veertien portretjes vooral falende relaties, wellicht als maskerades voor de zijne. De bewoordingen zijn bijtend: soms ironisch, dan weer cynisch, en meestal (altijd?) van poëtische schoonheid.
Ieder MuMens dat zich haast om iets over de laatste hype te roeptoeteren, vaak nog vóór zo’n album verschijnt, zou eens in dit plaatje kunnen duiken. Het klinkt nog altijd fris. Verdient meer aandacht, zeker hier.
Eno - Another Green World (1975)

4,0
2
geplaatst: 3 maart 2024, 23:00 uur
Wie door de wereld van new wave reist, kan niet om het belang van Brian Eno heen als innovator of, zoals Oor's Popencyclopedie (editie 1982) 'm noemt: katalysator. Vier dagen na het debuut van Patti Smith, mijn vorige station in deze reis, verscheen Eno's derde soloplaat Another Green World op 14 november 1975.
Hij maakte furore met Roxy Music waarin hij zonder een conventioneel instrument te bespelen aan de slag was met innovatieve geluiden en technologieën, die hij ook buiten de groep praktiseerde. Dit mede geïnspireerd door de muziek van John Cage en Cornelius Cardew. Of het album A Rainbow in Curved Air (1969) van Terry Riley, waarop diezelfde experimenteerdrift is te horen.
In 1973 bracht Eno samen met gitarist Robert Fripp (No Pussyfooting) uit. Net als bij Riley is sprake van twee nummers, op iedere plaatkant één. Eno verzorgde de geluiden waarbij drones, waaroverheen Fripp zijn elektrische gitaar deed wenen. Het brengt geluiden en sferen waarvan ik nu pas ontdekte dat hij die later toepaste bij U2's EP The Unforgettable Fire (1985), bijvoorbeeld op Bass Trap.
Na twee soloplaten in het spoor van de artrock van Roxy Music, haalde Eno met Another Green World de sfeer van zijn samenwerking met Fripp binnen. Op opener Sky Saw speelt Eno echter zelf gitaar in diens geest.
Soms klinken vocalen, vaker is het instrumentaal. Klinkt er zang, dan is deze monotoon-mechanisch, maar de muziek brengt zoveel levendigheid dat het contrast er alleen maar fraaier op wordt.
Uitzonderingen zijn St. Elmo's Fire en I'll Come Running, die bijna als reguliere popsingles klinken met bovendien pakkend gitaarwerk van Fripp. Toch is het meestal afwijkend van het gangbare. Tijdens In Dark Trees bijvoorbeeld klinken sferische loops: geluiden die je meevoeren naar een bladerdichte jungle op een andere planeet, als was dit science-fiction.
Anders dan op (No Pussyfooting) klinken hier niet twee maar veertien nummers, zeven per plaatkant: het maakt de boel alleen maar gevarieerder en spannender. Kant 2 is daarbij kalmer dan de eerste helft. Mijn favoriet is het instrumentale Sombre Reptiles met zijn drumloop, waarbij Eno alle geluiden voor zijn rekening nam.
Bij een deel van de nummers is sprake van hulptroepen: naast Fripp bijvoorbeeld John Cale op viola, Phil Collins op drums en Percy Jones op fretloze basgitaar.
Another Green Garden was zijn tijd vooruit, klinkend als de blauwdruk van de klassieker Low (1977) van David Bowie, het eerste album dat ik ooit aanschafte. Vergelijk bijvoorbeeld In Dark Trees met Art Decade van Low; of de vreemde gitaarlijnen op dit album met de partijen van Carlos Alomar en Ricky Gardiner op Low, zoals in What in the World. De invloed van Eno is groot, zo bewijst Another Green Garden.
Dat de man later bij diverse new wavers achter de productieknoppen zat, deed de Popencyclopedie constateren dat hij "één van de belangrijkste exponenten van de progressieve new wave" is. Waarvan dit album het bewijs is en er bovenop 41 minuten luisterplezier oplevert.
Op naar hele andere sferen: mijn volgende album in de reis door protowave en -punk brengt me naar ...For the Whole World to See van de groep Death (nee, niet de deathmetalband maar een eerdere naamgenoot).
Hij maakte furore met Roxy Music waarin hij zonder een conventioneel instrument te bespelen aan de slag was met innovatieve geluiden en technologieën, die hij ook buiten de groep praktiseerde. Dit mede geïnspireerd door de muziek van John Cage en Cornelius Cardew. Of het album A Rainbow in Curved Air (1969) van Terry Riley, waarop diezelfde experimenteerdrift is te horen.
In 1973 bracht Eno samen met gitarist Robert Fripp (No Pussyfooting) uit. Net als bij Riley is sprake van twee nummers, op iedere plaatkant één. Eno verzorgde de geluiden waarbij drones, waaroverheen Fripp zijn elektrische gitaar deed wenen. Het brengt geluiden en sferen waarvan ik nu pas ontdekte dat hij die later toepaste bij U2's EP The Unforgettable Fire (1985), bijvoorbeeld op Bass Trap.
Na twee soloplaten in het spoor van de artrock van Roxy Music, haalde Eno met Another Green World de sfeer van zijn samenwerking met Fripp binnen. Op opener Sky Saw speelt Eno echter zelf gitaar in diens geest.
Soms klinken vocalen, vaker is het instrumentaal. Klinkt er zang, dan is deze monotoon-mechanisch, maar de muziek brengt zoveel levendigheid dat het contrast er alleen maar fraaier op wordt.
Uitzonderingen zijn St. Elmo's Fire en I'll Come Running, die bijna als reguliere popsingles klinken met bovendien pakkend gitaarwerk van Fripp. Toch is het meestal afwijkend van het gangbare. Tijdens In Dark Trees bijvoorbeeld klinken sferische loops: geluiden die je meevoeren naar een bladerdichte jungle op een andere planeet, als was dit science-fiction.
Anders dan op (No Pussyfooting) klinken hier niet twee maar veertien nummers, zeven per plaatkant: het maakt de boel alleen maar gevarieerder en spannender. Kant 2 is daarbij kalmer dan de eerste helft. Mijn favoriet is het instrumentale Sombre Reptiles met zijn drumloop, waarbij Eno alle geluiden voor zijn rekening nam.
Bij een deel van de nummers is sprake van hulptroepen: naast Fripp bijvoorbeeld John Cale op viola, Phil Collins op drums en Percy Jones op fretloze basgitaar.
Another Green Garden was zijn tijd vooruit, klinkend als de blauwdruk van de klassieker Low (1977) van David Bowie, het eerste album dat ik ooit aanschafte. Vergelijk bijvoorbeeld In Dark Trees met Art Decade van Low; of de vreemde gitaarlijnen op dit album met de partijen van Carlos Alomar en Ricky Gardiner op Low, zoals in What in the World. De invloed van Eno is groot, zo bewijst Another Green Garden.
Dat de man later bij diverse new wavers achter de productieknoppen zat, deed de Popencyclopedie constateren dat hij "één van de belangrijkste exponenten van de progressieve new wave" is. Waarvan dit album het bewijs is en er bovenop 41 minuten luisterplezier oplevert.
Op naar hele andere sferen: mijn volgende album in de reis door protowave en -punk brengt me naar ...For the Whole World to See van de groep Death (nee, niet de deathmetalband maar een eerdere naamgenoot).
Ernie and the Automatics - Low Expectations (2009)

3,5
0
geplaatst: 23 december 2024, 14:57 uur
Op Low Expectations klinkt stevige rhythm and blues van de gelegenheidsgroep Ernie and The Automatics. Ik was hier nooit gekomen als er niet twee ex-leden van Boston in speelden: gitarist Barry Goudreau en drummer Sib Hashian. Bovendien horen we met toetsenist Brian Maes en bassist Tim Archibald twee leden van de andere groep van Goudreau, RTZ. Tweede gitarist is Ernie Boch Jr. en sfeerbepalend is zanger/saxofonist/mondharmonicaspeler Michael Antunes.
Het album staat niet op streaming, op YouTube kwam ik wel wat tegen. In de videoclip van het swingende The Good Times (Never Last) zitten ook beelden van de dagen bij Boston, bij de clip van Back Around klinkt huilende blues, compleet met mondharmonica.
Eveneens op YouTube staat als audio The Best Is up Ahead, midtempo r&b met scheurende gitaar en sax. If I a Let You is bruisend met lekkere saxofoonsolo en staat op JijBuis in een live-in-de-studio-versie, net als het swingende pianonummer Tappin' on an Empty Head.
Aangezien niemand ooit op dit Low Expectations stemde of er iets bij schreef, ben ik zo vrij om op basis van die vijf nummers een 'voorzichtige' beoordeling te geven. Of is 'voorbarig' een beter woord? Hoe dan ook, wat ik hoor is pakkende, rockende r&b, niks mee mis en bovendien door goede muzikanten neergezet. Alsof je in een Amerikaanse club komt met totaal onbekende muzikanten maar van grote klasse. Wie weet, kom ik de cd ooit in het wild tegen...
Goudreau bracht in 2017 de eerste van twee albums uit met de groep Barry Goudreau's Engine Room. Op daarheen.
Het album staat niet op streaming, op YouTube kwam ik wel wat tegen. In de videoclip van het swingende The Good Times (Never Last) zitten ook beelden van de dagen bij Boston, bij de clip van Back Around klinkt huilende blues, compleet met mondharmonica.
Eveneens op YouTube staat als audio The Best Is up Ahead, midtempo r&b met scheurende gitaar en sax. If I a Let You is bruisend met lekkere saxofoonsolo en staat op JijBuis in een live-in-de-studio-versie, net als het swingende pianonummer Tappin' on an Empty Head.
Aangezien niemand ooit op dit Low Expectations stemde of er iets bij schreef, ben ik zo vrij om op basis van die vijf nummers een 'voorzichtige' beoordeling te geven. Of is 'voorbarig' een beter woord? Hoe dan ook, wat ik hoor is pakkende, rockende r&b, niks mee mis en bovendien door goede muzikanten neergezet. Alsof je in een Amerikaanse club komt met totaal onbekende muzikanten maar van grote klasse. Wie weet, kom ik de cd ooit in het wild tegen...
Goudreau bracht in 2017 de eerste van twee albums uit met de groep Barry Goudreau's Engine Room. Op daarheen.
Errol Brown - Love in This (1996)

3,5
0
geplaatst: 8 april 2023, 20:17 uur
De zwanenzang van Errol Brown wat betreft nieuw werk was zijn derde soloalbum Love in This. De voormalige zanger van Hot Chocolate kwam net als zijn voormalige groep in Duitsland terecht, waar de belangstelling voor hen groot was gebleven.
Helaas was zijn muziek op de twee solovoorgangers in jasjes gestoken die hem niet goed stonden, namelijk eerst digitale dancepop en vervolgens eurohouse. Geen groep als begeleiding, maar dancebeats en keyboards, wat het tot gladde, emotieloze muziek maakte.
Op Love in This klinkt echter een afwisseling van groeps- en keyboardgebaseerde muziek, waarbij anders dan zijn eerdere solowerk de nadruk op pop en soul ligt. De wederom Duitse producers Alex Christensen en Frank Peterson hebben gelukkig de warmte in de muziek teruggebracht, waar de stem van Brown van profiteert.
Mijn hoogtepunten zijn dan ook de nummers waarin een hammondorgel, gitaar, violen en/of blazers klinken: Superhuman, Call him Marvin (doet denken aan Nightshift (1985) van The Commodores), Peace of Mind, In Hollywood en anti-racismelied Change the People’s Hearts. Maar ook de andere nummers kunnen ermee door, omdat popsoul de sfeer bepaalt in deze veelal door Brown zelf geschreven muziek.
Weinig mensen zaten te wachten op nieuw werk van de zanger, die daarmee in een best-of-circuit terecht kwam met de grote successen van Hot Chocolate, net als zijn vroegere kompanen die sinds 2010 met zijn lookalike Kennie Simon optreden.
In 2015 overleed Brown op de Bahama’s. Met dit Love in This bracht hij een kleine twintig jaar eerder een waardig laatste album. Het album is in tegenstelling tot de andere twee soloschijfjes eenvoudig op streaming te vinden. Liefhebbers van soul in de stijl van de jaren ’80 en ’90 zouden wel eens aangenaam verrast kunnen worden.
Helaas was zijn muziek op de twee solovoorgangers in jasjes gestoken die hem niet goed stonden, namelijk eerst digitale dancepop en vervolgens eurohouse. Geen groep als begeleiding, maar dancebeats en keyboards, wat het tot gladde, emotieloze muziek maakte.
Op Love in This klinkt echter een afwisseling van groeps- en keyboardgebaseerde muziek, waarbij anders dan zijn eerdere solowerk de nadruk op pop en soul ligt. De wederom Duitse producers Alex Christensen en Frank Peterson hebben gelukkig de warmte in de muziek teruggebracht, waar de stem van Brown van profiteert.
Mijn hoogtepunten zijn dan ook de nummers waarin een hammondorgel, gitaar, violen en/of blazers klinken: Superhuman, Call him Marvin (doet denken aan Nightshift (1985) van The Commodores), Peace of Mind, In Hollywood en anti-racismelied Change the People’s Hearts. Maar ook de andere nummers kunnen ermee door, omdat popsoul de sfeer bepaalt in deze veelal door Brown zelf geschreven muziek.
Weinig mensen zaten te wachten op nieuw werk van de zanger, die daarmee in een best-of-circuit terecht kwam met de grote successen van Hot Chocolate, net als zijn vroegere kompanen die sinds 2010 met zijn lookalike Kennie Simon optreden.
In 2015 overleed Brown op de Bahama’s. Met dit Love in This bracht hij een kleine twintig jaar eerder een waardig laatste album. Het album is in tegenstelling tot de andere twee soloschijfjes eenvoudig op streaming te vinden. Liefhebbers van soul in de stijl van de jaren ’80 en ’90 zouden wel eens aangenaam verrast kunnen worden.
Errol Brown - Secret Rendezvous (1992)
Alternatieve titel: This Time It's Forever

0
geplaatst: 7 april 2023, 18:00 uur
Secret Rendezvous is het tweede soloschijf van Errol Brown, voorheen zanger bij Hot Chocolate. Zijn oude bandje bleek in de jaren '90 vooral in Duitsland nog populair en dat gold dan logischerwijs ook voor Brown.
Op openingsnummer This Time's Forever na is dit album namelijk geproduceerd door Dieter Bohlen van Modern Talking, waarmee het muzikale recept duidelijk is: hitparadegerichte pop, al heb ik niet kunnen vinden of het daadwerkelijk hits opleverde. In Nederland niet, zoveel is duidelijk.
De eerste twee van Brown-solo kon ik overigens slechts op YouTube vinden. Met zijn volgende en tevens laatste soloalbum is dat makkelijker. Secret Rendezvous verscheen in diverse versies, meer daarover bij Discogs (even scrollen naar 'Notes').
Vlotte popmuziek met toetsen als belangrijkste instrument, dit alles over een standaard drumcomputertje en digitale bas en voilà, hapklare noten voor de oren. Afgezien van Browns heerlijke stem is er niets meer dat doet denken aan de successen van de jaren '70 en eerste helft van jaren '80. Behalve dan That’s no Lie, waarvan de tekst het vervolg is op de eerste internationale hit van Hot Chocolate Emma (1974). Toch spitste ik eenmaal de oren: Rise is een aardige ballade met koor in Afrikaanse stijl, waarin nog iets van die vroegere hartstocht doorklinkt.
Omdat ik een ontdekkingsreis door het land van Hot Chocolate maakte, heb ik deze ook meegenomen. Een sterrenwaardering laat ik achterwege, deze jaren ’90-stijl is me te plat. Of objectiever: ik vind dit op voorhand niets. Kwestie van smaak. Gezien de commentaren bij dit album op YouTube zijn er echter mensen die daar heel anders over denken. Als positieve slotnoot de opmerking dat ik véél liever dit hoor dan hetgeen Browns producer indertijd met Modern Talking maakte...
Op openingsnummer This Time's Forever na is dit album namelijk geproduceerd door Dieter Bohlen van Modern Talking, waarmee het muzikale recept duidelijk is: hitparadegerichte pop, al heb ik niet kunnen vinden of het daadwerkelijk hits opleverde. In Nederland niet, zoveel is duidelijk.
De eerste twee van Brown-solo kon ik overigens slechts op YouTube vinden. Met zijn volgende en tevens laatste soloalbum is dat makkelijker. Secret Rendezvous verscheen in diverse versies, meer daarover bij Discogs (even scrollen naar 'Notes').
Vlotte popmuziek met toetsen als belangrijkste instrument, dit alles over een standaard drumcomputertje en digitale bas en voilà, hapklare noten voor de oren. Afgezien van Browns heerlijke stem is er niets meer dat doet denken aan de successen van de jaren '70 en eerste helft van jaren '80. Behalve dan That’s no Lie, waarvan de tekst het vervolg is op de eerste internationale hit van Hot Chocolate Emma (1974). Toch spitste ik eenmaal de oren: Rise is een aardige ballade met koor in Afrikaanse stijl, waarin nog iets van die vroegere hartstocht doorklinkt.
Omdat ik een ontdekkingsreis door het land van Hot Chocolate maakte, heb ik deze ook meegenomen. Een sterrenwaardering laat ik achterwege, deze jaren ’90-stijl is me te plat. Of objectiever: ik vind dit op voorhand niets. Kwestie van smaak. Gezien de commentaren bij dit album op YouTube zijn er echter mensen die daar heel anders over denken. Als positieve slotnoot de opmerking dat ik véél liever dit hoor dan hetgeen Browns producer indertijd met Modern Talking maakte...
Errol Brown - That's How Love Is (1989)

0
geplaatst: 7 april 2023, 10:41 uur
Het met diverse producers opgenomen solodebuut van Errol Brown, voormalig zanger bij Hot Chocolate, staat vol gladde popmeuk. Of misschien vindt u het juist heel lekker, want liefhebbers van het productiewerk van bijvoorbeeld Stock - Aitken - Waterman kunnen hier vast wel wat mee. Ik kwam één bekend liedje tegen: So Strong, een cover van de hit (1987) van Labi Siffre.
Muziek voor de hitlijsten, al werden die niet gehaald. Niet mijn kopje thee en daarom laat ik een sterrenwaardering achterwege. De reden dat ik toch hierover schrijf is omdat er niets bij That's How Love Is stond vermeld en misschien is er een liefhebber van dit genre die tegenwicht wil bieden?
Muziek voor de hitlijsten, al werden die niet gehaald. Niet mijn kopje thee en daarom laat ik een sterrenwaardering achterwege. De reden dat ik toch hierover schrijf is omdat er niets bij That's How Love Is stond vermeld en misschien is er een liefhebber van dit genre die tegenwicht wil bieden?
Essential Logic - Beat Rhythm News (1979)

3,5
0
geplaatst: 9 november 2024, 00:34 uur
Frontvrouw Lora Logic zat eerst in de eerste fase van X-Ray Spex, maar verliet die groep na één single. Met haar nieuwe groep Essential Logic is het evenwel wederom sterk en origineel, bovendien was deze groep een langer leven beschoren dan de Spex.
Op 1 december 1979 verschijnt het debuut met de lange titel Beat Rhythm News; Waddle Ya Play? Opvallend zijn de grommende maar melodieuze bas van Mark Turner en de springerige vocalen van Logic, die eveneens saxofoon speelt. Verder is opmerkelijk dat er met Dave Flash een tweede tenorsaxofonist is en ondertussen rommelt en schuift het gitaarspel van Ashley Buff met virtuoos slagspel van Rich Tea.
Makkelijk is het nergens. Tempowisselingen zijn talrijk en vaak onverwacht. Misschien een vreemde gedachtensprong, maar ze doen me met hun hoekigheid denken aan de eerste twee albums van Iron Maiden. De grote overeenkomst tussen beide groepen: de dominante rol van de basgitaar.
Verdere associaties: The Stranglers maar dan met saxofoons in plaats van toetsen. Of logischerwijs X Ray Spex.
De muziek bij Essential Logic is met alle tempo- en daarmee harmoniewisselingen echter moeilijker te volgen dan bij die namen. Vaker draaien levert dan ook nieuwe ontdekkingen op: dit zit goed in elkaar.
MuMe noemt dit punk, tegenwoordig wordt hier de term postpunk op losgelaten. Ik houd het bij experimentele wave met dankzij de saxofoons vleugjes jazz.
Tsja, altijd die genrestickertjes... Vaak handig, hier NIET. Dit is compleet anders dan een Sex Pistols of The Damned of The Ruts of The Slits of Joy Division of de eerste albums van Fontaines DC. Dit is Essential Logic.
Vooral in de langere nummers komt de diversiteit in de muziek tot zijn recht: The Order Form (I Want to Order a Pelican) met zijn bijna zes minuten, World Friction met zijn dikke zeven en Collecting Dust met zijn vijf. De nummers daaromheen zijn korter en ook dan is duidelijk dat dit zéér competente muzikanten zijn, lenig op hun instrument als een acrobaat in de touwen van het circus. Probeer maar eens Wake Up.
Daarbij wordt het de luisteraar niet per se makkelijk gemaakt: soms is het zoeken naar herkenbare melodieën in een bijna-kakafonie aan noten. Maar wát een passie en wát een creativiteit... Kent maatje JeKo deze groep? Echt iets voor hem, een groep die buiten de lijntjes kleurt en daar met verve in slaagt.
Mijn reis door new wave kwam van Toyah en vervolgt in datzelfde december '79 bij een soulcover door de Britse skagroep The Beat, in 1983 voor het eerst op elpee verschenen via verzamelaar What Is Beat?
Op 1 december 1979 verschijnt het debuut met de lange titel Beat Rhythm News; Waddle Ya Play? Opvallend zijn de grommende maar melodieuze bas van Mark Turner en de springerige vocalen van Logic, die eveneens saxofoon speelt. Verder is opmerkelijk dat er met Dave Flash een tweede tenorsaxofonist is en ondertussen rommelt en schuift het gitaarspel van Ashley Buff met virtuoos slagspel van Rich Tea.
Makkelijk is het nergens. Tempowisselingen zijn talrijk en vaak onverwacht. Misschien een vreemde gedachtensprong, maar ze doen me met hun hoekigheid denken aan de eerste twee albums van Iron Maiden. De grote overeenkomst tussen beide groepen: de dominante rol van de basgitaar.
Verdere associaties: The Stranglers maar dan met saxofoons in plaats van toetsen. Of logischerwijs X Ray Spex.
De muziek bij Essential Logic is met alle tempo- en daarmee harmoniewisselingen echter moeilijker te volgen dan bij die namen. Vaker draaien levert dan ook nieuwe ontdekkingen op: dit zit goed in elkaar.
MuMe noemt dit punk, tegenwoordig wordt hier de term postpunk op losgelaten. Ik houd het bij experimentele wave met dankzij de saxofoons vleugjes jazz.
Tsja, altijd die genrestickertjes... Vaak handig, hier NIET. Dit is compleet anders dan een Sex Pistols of The Damned of The Ruts of The Slits of Joy Division of de eerste albums van Fontaines DC. Dit is Essential Logic.
Vooral in de langere nummers komt de diversiteit in de muziek tot zijn recht: The Order Form (I Want to Order a Pelican) met zijn bijna zes minuten, World Friction met zijn dikke zeven en Collecting Dust met zijn vijf. De nummers daaromheen zijn korter en ook dan is duidelijk dat dit zéér competente muzikanten zijn, lenig op hun instrument als een acrobaat in de touwen van het circus. Probeer maar eens Wake Up.
Daarbij wordt het de luisteraar niet per se makkelijk gemaakt: soms is het zoeken naar herkenbare melodieën in een bijna-kakafonie aan noten. Maar wát een passie en wát een creativiteit... Kent maatje JeKo deze groep? Echt iets voor hem, een groep die buiten de lijntjes kleurt en daar met verve in slaagt.
Mijn reis door new wave kwam van Toyah en vervolgt in datzelfde december '79 bij een soulcover door de Britse skagroep The Beat, in 1983 voor het eerst op elpee verschenen via verzamelaar What Is Beat?
Europe - Bag of Bones (2012)

4,5
2
geplaatst: 27 februari 2025, 12:37 uur
Kritische geluiden hierboven, dat het niet meer is als toen en bovendien te veel blues. Ben juist blij dat het niet is als de succesjaren '86 - '91; véél liever deze doorleefde hardrock met gitarist John Norum. Qua blues valt het ook mee, wat verrassenderwijs ook gold voor Play Yard Blues, de soloplaat van Norum uit 2010. Bag of Bones bevat vooral robuuste hardrock in de voetsporen van hun jeugdhelden uit de jaren '70 en begin '80.
Ook deze Europe werd weer in Stockholm opgenomen, waarschijnlijk om de opnames te kunnen combineren met hun privélevens. Een vette productie van de ervaren Zuid-Afrikaan Kevin Shirley, die de boel gelukkig niet dichtsmeert.
Vanaf Secret Society (2006) kwamen de composities tot stand door de hele groep, waarbij de inbreng van Tempest het grootst is. De zanger schreef daarbij afwisselend met Michaeli, Levén en Norum. Ondertussen klinken de massieve riffs van Norum en soleert deze her en der alsof zijn leven ervan af hangt.
Bezig aan een inhaalslag qua Europe, kende ik van Bag of Bones alleen het filmische intermezzo Requiem, het akoestische Drink and a Smile met verrassenderwijs invloed van Led Zeppelin en het kalme slotlied Bring It All Home. Ik was niet omvergeblazen.
Dat gebeurt me wél met opener Riches to Ashes met z'n pakkende versnelling en heerlijke gitaarwerk. En ook met het log rockende Not Supposed to Sing the Blues, waarin zanger Joey Tempest verwijst naar zijn geboortejaar 1963 "In the shadow of Kennedy", zijn afkomst en jeugdhelden als Zeppelin ("I am still a kid when the levy breaks") en AC/DC ("Back in black and I am seventeen"). Een Zweeds jongetje dat niet werd geacht de blues te zingen, maar "All I know is what I feel - And it can't be wrong". En ook met het bijna progmetalintro van Firebox, dat een sterk, stevig en uptempo nummer blijkt te zijn met alweer pakkende melodieën en halverwege een sitar.
Bag of Bones bezingt de vergankelijkheid en is fraai verwoord; Levén bast hier het nummer bovendien knap naar een bijna-swing. Na het intermezzo Requiem (van de hand van toetsenist Mic Michaeli) volgt het log-massieve My Woman My Friend. De riff ervan heeft iets van Black Sabbath ten tijde van Seventh Star (1986): melodieus en doom(metal) tegelijk.
Ook daarna blijft het niveau van de composities hoog. Zoals het denderende Demon Head, dat de verdoving door alcohol bezingt, gevolgd door de 141 seconden van het akoestische Drink and a Smile waar de gitaarmuren even pauze krijgen. Dat wérkt. Daarna het rockende Doghouse, waar drummer Ian Haugland in het refrein de geest van Zeppelins John Bonham laat rondwaren. Klasbak!
Ik heb een Europees exemplaar en mis dus die sterke Japan-only bonustrack Beautiful Disaster; op JijBuis met beelden uit de studio. Die sluit in tegenstelling tot ballade Bring It All Home het album knallend af.
Lang verhaal kort: waarom toch al dat gemopper hierboven?
Ook deze Europe werd weer in Stockholm opgenomen, waarschijnlijk om de opnames te kunnen combineren met hun privélevens. Een vette productie van de ervaren Zuid-Afrikaan Kevin Shirley, die de boel gelukkig niet dichtsmeert.
Vanaf Secret Society (2006) kwamen de composities tot stand door de hele groep, waarbij de inbreng van Tempest het grootst is. De zanger schreef daarbij afwisselend met Michaeli, Levén en Norum. Ondertussen klinken de massieve riffs van Norum en soleert deze her en der alsof zijn leven ervan af hangt.
Bezig aan een inhaalslag qua Europe, kende ik van Bag of Bones alleen het filmische intermezzo Requiem, het akoestische Drink and a Smile met verrassenderwijs invloed van Led Zeppelin en het kalme slotlied Bring It All Home. Ik was niet omvergeblazen.
Dat gebeurt me wél met opener Riches to Ashes met z'n pakkende versnelling en heerlijke gitaarwerk. En ook met het log rockende Not Supposed to Sing the Blues, waarin zanger Joey Tempest verwijst naar zijn geboortejaar 1963 "In the shadow of Kennedy", zijn afkomst en jeugdhelden als Zeppelin ("I am still a kid when the levy breaks") en AC/DC ("Back in black and I am seventeen"). Een Zweeds jongetje dat niet werd geacht de blues te zingen, maar "All I know is what I feel - And it can't be wrong". En ook met het bijna progmetalintro van Firebox, dat een sterk, stevig en uptempo nummer blijkt te zijn met alweer pakkende melodieën en halverwege een sitar.
Bag of Bones bezingt de vergankelijkheid en is fraai verwoord; Levén bast hier het nummer bovendien knap naar een bijna-swing. Na het intermezzo Requiem (van de hand van toetsenist Mic Michaeli) volgt het log-massieve My Woman My Friend. De riff ervan heeft iets van Black Sabbath ten tijde van Seventh Star (1986): melodieus en doom(metal) tegelijk.
Ook daarna blijft het niveau van de composities hoog. Zoals het denderende Demon Head, dat de verdoving door alcohol bezingt, gevolgd door de 141 seconden van het akoestische Drink and a Smile waar de gitaarmuren even pauze krijgen. Dat wérkt. Daarna het rockende Doghouse, waar drummer Ian Haugland in het refrein de geest van Zeppelins John Bonham laat rondwaren. Klasbak!
Ik heb een Europees exemplaar en mis dus die sterke Japan-only bonustrack Beautiful Disaster; op JijBuis met beelden uit de studio. Die sluit in tegenstelling tot ballade Bring It All Home het album knallend af.
Lang verhaal kort: waarom toch al dat gemopper hierboven?
Europe - Europe (1983)

3,0
3
geplaatst: 7 september 2024, 17:49 uur
In 1982 had Hanneke Kappen in radioprogramma Stampij een special over Scandinavische metal. Naar aanleiding hiervan verwachtte ik dat Silver Mountain dé grote band uit Zweden zou worden. Het werd echter Europe, dat in de uitzending ontbrak.
Het debuut lijkt qua productie ontzettend op hetgeen bij andere groepen via deze en andere afleveringen van Stampij klonk: droog en direct, hartstikke eerlijk maar niet per se uit de speakers knallend zoals topproducers dat wel wisten te doen. Denk aan de Engelsen Martin Birch, Pete Hinton en Tom Allom. Verrassend is dat de groep het debuut zelf produceerde met hulp van technicus Erik Videgård en manager (!) Thomas Erdtman.
De groep is hier nog een kwartet, waarbij Joey Tempest naast zang ook enige toetsen speelt. Drummer is Tony Reno / Niemistö, die met bassist John Levén een solide basis neerzet. Qua stijl klinkt energieke hardrock die soms metal wordt, herkenbaar aan de momenten dat de dubbele basdrum gaat rollen. Melodieus met lekkere gitaarlicks en -solo’s van John Norum.
Toen ik Europe jaren later hoorde, moest ik wat vertederd lachen om de jongensachtigheid van hoes en muziek, maar inmiddels denk ik dat dit debuut meer waardering mijnerzijds verdient. In sporttermen: het is alsof je een jeugdploeg ziet spelen en denkt: die jongens hebben het talent om het ver te schoppen.
Het beste materiaal staat op kant 1, al is het uptempo Children of This Time dat kant 2 aftrapt nog wel aardig en hetzelfde geldt voor de gitaarsolo in Words of Wisdom.
Ook mijn favoriet is Seven Doors Hotel met opener The Future to Come en het Blackmoreaanse The King Will Return als goede nummers 2 en 3. In het instrumentale Boyazont, dat kant 1 afsluit, klinken ook invloeden van Michael Schenker en Thin Lizzy’s Scott Gorham en Brian Robertson. Het eerste deel van het nummer is vlot, waarna wordt overgeschakeld op een hogere versnelling.
Hierboven ging het gesprek over de hoes. Op website Wingsoftomorrow.com lees ik bij 'History 1978-1984' onder het kopje 'The first album' bij de vierde alinea dat een Japanse rockjournalist het album in een importzaak in Londen kocht en zo enthousiast was, dat hij het bracht bij zijn landgenoten van Victor Records. Vervolgens meldt de site: "The Japanese edition of the album was given a new cover and it's the cover that has been used for most (if not all) editions of the album that have been released ever since. (...) The album became a big succes in Japan, reaching the Top 10, mostly thanks to the popular single Seven Doors Hotel." Wie wil weten welke gebouwen zijn afgebeeld, verwijs ik naar diezelfde alinea.
Een beloftenteam met de wortels in de klassieke hardrock soms een scheutje New wave of British heavy metal toevoegend; qua stijl en productie herkenbaar uit de vroege jaren ’80 stammend.
Het debuut lijkt qua productie ontzettend op hetgeen bij andere groepen via deze en andere afleveringen van Stampij klonk: droog en direct, hartstikke eerlijk maar niet per se uit de speakers knallend zoals topproducers dat wel wisten te doen. Denk aan de Engelsen Martin Birch, Pete Hinton en Tom Allom. Verrassend is dat de groep het debuut zelf produceerde met hulp van technicus Erik Videgård en manager (!) Thomas Erdtman.
De groep is hier nog een kwartet, waarbij Joey Tempest naast zang ook enige toetsen speelt. Drummer is Tony Reno / Niemistö, die met bassist John Levén een solide basis neerzet. Qua stijl klinkt energieke hardrock die soms metal wordt, herkenbaar aan de momenten dat de dubbele basdrum gaat rollen. Melodieus met lekkere gitaarlicks en -solo’s van John Norum.
Toen ik Europe jaren later hoorde, moest ik wat vertederd lachen om de jongensachtigheid van hoes en muziek, maar inmiddels denk ik dat dit debuut meer waardering mijnerzijds verdient. In sporttermen: het is alsof je een jeugdploeg ziet spelen en denkt: die jongens hebben het talent om het ver te schoppen.
Het beste materiaal staat op kant 1, al is het uptempo Children of This Time dat kant 2 aftrapt nog wel aardig en hetzelfde geldt voor de gitaarsolo in Words of Wisdom.
Ook mijn favoriet is Seven Doors Hotel met opener The Future to Come en het Blackmoreaanse The King Will Return als goede nummers 2 en 3. In het instrumentale Boyazont, dat kant 1 afsluit, klinken ook invloeden van Michael Schenker en Thin Lizzy’s Scott Gorham en Brian Robertson. Het eerste deel van het nummer is vlot, waarna wordt overgeschakeld op een hogere versnelling.
Hierboven ging het gesprek over de hoes. Op website Wingsoftomorrow.com lees ik bij 'History 1978-1984' onder het kopje 'The first album' bij de vierde alinea dat een Japanse rockjournalist het album in een importzaak in Londen kocht en zo enthousiast was, dat hij het bracht bij zijn landgenoten van Victor Records. Vervolgens meldt de site: "The Japanese edition of the album was given a new cover and it's the cover that has been used for most (if not all) editions of the album that have been released ever since. (...) The album became a big succes in Japan, reaching the Top 10, mostly thanks to the popular single Seven Doors Hotel." Wie wil weten welke gebouwen zijn afgebeeld, verwijs ik naar diezelfde alinea.
Een beloftenteam met de wortels in de klassieke hardrock soms een scheutje New wave of British heavy metal toevoegend; qua stijl en productie herkenbaar uit de vroege jaren ’80 stammend.
