Via deze pagina blijf je op de hoogte van recente stemmen, meningen en recensies van Rainmachine.
Standaard zie je de activiteiten in de huidige en vorige maand. Je kunt ook voor een van de volgende perioden kiezen:
januari 2025, februari 2025, maart 2025, april 2025, mei 2025, juni 2025, juli 2025, augustus 2025, september 2025, oktober 2025, november 2025, december 2025, januari 2026, februari 2026, maart 2026, april 2026, mei 2026, juni 2026, juli 2026, augustus 2026, september 2026, oktober 2026
James - Whiplash (1997)
Het probleem met dit album is dat James hier vooral heel erg bezig is on NIET als James te klinken. Ik hoor van alles voorbijkomen, Suede, Manic Street Preachers om maar een paar te noemen en daarmee zakt James dan ook door het ijs. Zonde want de eerdere twee albums Seven en Laid waren top. Schoenmaker hou je bij je leest...
»
details
» naar bericht » reageer
Brian - Understand (1992)
Understand van Brian uit 1992 is zo'n album waarvoor ik altijd een enorm zwak zal blijven houden. Een heerlijke Ierse indiepopplaat vol sprankelende gitaren, prachtige melodieën en een aangenaam nostalgische sfeer. Muzikaal ergens in de buurt van The Lightning Seeds en The Ocean Blue, maar met voldoende eigen charme. Achter Brian gaat voornamelijk de Ierse muzikant Ken Sweeney schuil. Opmerkelijk genoeg bestaat Understand grotendeels uit demo-opnamen die hij eind 1991 in Londen maakte op een eenvoudige achtsporenrecorder. Platenmaatschappij Setanta Records vond de opnamen zo overtuigend dat ze vrijwel ongewijzigd werden uitgebracht. Dat verklaart misschien wel waarom de muziek zo natuurlijk, fris en ongepolijst klinkt.
Het titelnummer Understand is meteen een prachtige binnenkomer, maar ook Big Green Eyes, You Can't Call Home en A Million Miles zijn bijzonder fraaie voorbeelden van melodieuze gitaarpop. De heldere, bijna rinkelende gitaren en de lekkere ritmische drive geven het album een heerlijk zomers karakter. Toch schuilt onder die luchtige muziek een melancholieke ondertoon. Sweeney schreef veel van de nummers na een verhuizing naar Londen en een verbroken relatie. Verlangen, herinneringen en verloren liefde vormen dan ook belangrijke thema's. Voor mij blijft Understand een kleine, enigszins vergeten parel uit de vroege jaren negentig. Acht schitterende nummers die na al die jaren niets van hun frisheid hebben verloren. Zomers, nostalgisch en nog altijd onweerstaanbaar mooi.
»
details
» naar bericht » reageer
In Tua Nua - The Long Acre (1988)
Na het uitstekende Vaudeville uit 1987 waren mijn verwachtingen voor het tweede album van In Tua Nua bijzonder hoog. Het debuut behoort nog altijd tot mijn favoriete platen uit de jaren tachtig, vooral dankzij de aanstekelijke energie, de sterke melodieën en die prachtige combinatie van gitaarrock en Ierse folkinvloeden. The Long Acre uit 1988 is beslist geen slechte plaat, maar haalt voor mij niet het niveau van zijn voorganger. De muziek klinkt beheerster, vlakker en vooral een stuk conventioneler. Waar Vaudeville voortdurend bruist van spontaniteit en enthousiasme, mis ik hier de drive die de band zo aantrekkelijk maakte.
Leslie Dowdall is gelukkig nog altijd uitstekend bij stem en nummers als Woman on Fire, Wheel of Evil en World Wired Up laten horen dat In Tua Nua nog steeds prima muziek kan maken. Ook het korte Meeting of the Waters herinnert aan de Ierse wortels van de band. Juist die herkenbare Ierse sfeer is op de rest van het album echter veel minder aanwezig. De bijzondere eigenheid van het debuut heeft plaatsgemaakt voor een toegankelijker geluid dat mij minder weet te raken. The Long Acre is daarmee een aangename, maar enigszins teleurstellende opvolger. Een album dat best gehoord mag worden, maar vooral duidelijk maakt hoe bijzonder Vaudeville eigenlijk was.
»
details
» naar bericht » reageer
In Tua Nua - Vaudeville (1987)
Vaudeville uit 1987 is zo'n plaat die nog altijd een bijzondere plaats inneemt in mijn verzameling. Het sympathieke debuut van de Ierse band In Tua Nua behoort zonder twijfel tot mijn favoriete albums uit de jaren tachtig. En iedere keer wanneer ik de plaat beluister, vraag ik me opnieuw af waarom deze band nooit echt groot is geworden. In Tua Nua combineerde energieke gitaarrock met Ierse folkinvloeden en sterke melodieën. De viool en traditionele instrumenten geven de muziek een eigen karakter, terwijl de uitstekende zangeres Leslie Dowdall de nummers met haar warme, krachtige stem naar een hoger niveau tilt. Seven Into the Sea, Right Road to Heaven, Valuable Lessons en Voice of America zijn slechts enkele voorbeelden van het muzikale potentieel dat hier te horen is.
Alles wees erop dat In Tua Nua aan de vooravond van een grote doorbraak stond. Helaas liep het anders. Na het tweede album The Long Acre viel de band uiteindelijk uiteen en begon Dowdall een solocarrière. Daarmee doofde een veelbelovende muzikale geschiedenis voortijdig uit. Vaudeville blijft gelukkig overeind als een uitstekende, energieke en bijzonder sympathieke debuutplaat. Een album dat na al die jaren niets van zijn charme heeft verloren. Eeuwig zonde dat deze band zijn enorme potentieel nooit volledig heeft kunnen waarmaken.
»
details
» naar bericht » reageer
Throwing Muses - The Real Ramona (1991)
Met hun titelloze debuut uit 1986 maakten Throwing Muses een van mijn favoriete platen aller tijden. Ook de twee opvolgers bevatten prachtige muziek. Er was destijds niets wat klonk als deze band, maar op The Real Ramona uit 1991 is dat bijzondere karakter voor een belangrijk deel verdwenen. Het is beslist een goede plaat. Counting Backwards, Red Shoes en Ellen West zijn sterke nummers en ook Hook in Her Head laat horen dat Kristin Hersh haar eigenzinnigheid niet helemaal heeft verloren. Toch zijn de composities toegankelijker en conventioneler geworden. De muziek klinkt inmiddels meer als de Amerikaanse alternatieve gitaarrock van Pixies en The Breeders. Vooral Honeychain doet mij denken aan Caribou van Pixies.
Een belangrijk gemis voor mij is bassist Leslie Langston. Haar prachtige, melodieuze en soms tegendraadse baslijnen waren een essentieel onderdeel van het oorspronkelijke geluid. Opvolger Fred Abong speelt veel conventioneler en vooral ondersteunend. Dat geeft de muziek meer ademruimte, maar maakt haar voor mij ook minder interessant. Ik begrijp heel goed waarom The Real Ramona destijds een groter publiek aansprak. De nummers zijn directer, de melodieën herkenbaarder en de productie klinkt verzorgd. Maar waar vroeger niets als Throwing Muses klonk, klinken Throwing Muses nu als zoveel andere alternatieve gitaarbands. Een prima album dus, maar de grilligheid, de muzikale spanning en vooral het unieke karakter van de eerste platen mis ik behoorlijk.
»
details
» naar bericht » reageer
Throwing Muses - The Fat Skier (1988)
Vanavond weer even in de speler als bonus van House Tornado. Ik bijf een enorm zwak houden voor de eerste platen van Throwing Muses, mede door het sierlijke baswerk van Leslie Langston, het debuut- en dit mini album blijven favoriet. Heerlijk om je hier zo af en toe in onder te dompelen, licht neurotisch getint maar lekker dynamisch en eigenzinnig. A feeling ai-ai-ai-ai-ai-ai
»
details
» naar bericht » reageer
Sjako! - Senior Citizens (2026)
stem gewijzigd, oorspronkelijke stem was 4,0 sterren
»
details
The Blue Nile - Hats (1989)
Vijf jaar na A Walk Across the Rooftops had ik eind jaren 80 de hoop eigenlijk al opgegeven dat er nog een tweede album van The Blue Nile zou verschijnen. Maar in 1989 was daar ineens Hats en gelukkig bleek de band muzikaal niets verloren te hebben. Over the Hillside maakt direct duidelijk dat Paul Buchanan, Robert Bell en Paul Joseph Moore verdergaan met die fraaie, ruimtelijke aanpak van het debuut. The Downtown Lights is voor mij een van de hoogtepunten, terwijl Let's Go Out Tonight het geluid nog verder terugbrengt. Hats klinkt sowieso nachtelijker en soberder dan zijn voorganger. Headlights on the Parade en het prachtige From a Late Night Train passen daar perfect bij. Kleine details krijgen alle ruimte en Buchanan hoeft zijn stem nooit te forceren om indruk te maken.
Seven A.M. brengt iets meer beweging, waarna Saturday Night het album rustig afsluit. Net als op het debuut staan er slechts zeven nummers op, maar meer heb ik ook hier niet nodig. De productie is opnieuw fantastisch en vooral de ruimtelijkheid blijft een sterk onderdeel van het geluid van The Blue Nile. A Walk Across the Rooftops blijft voor mij onaantastbaar, maar Hats is een bijzonder fraaie opvolger. Vijf jaar was destijds een eeuwigheid om op een nieuwe plaat te wachten, maar achteraf was het wachten gelukkig de moeite meer dan waard.
»
details
» naar bericht » reageer
The Blue Nile - A Walk Across the Rooftops (1984)
A Walk Across the Rooftops uit 1984 behoort al heel lang tot één van mijn favoriete albums aller tijden. Het titelnummer zet direct de sfeer neer met de karakteristieke stem van Paul Buchanan, spaarzame elektronica en vooral heel veel ruimte. Daarna volgt Tinseltown in the Rain, het nummer dat bij mij in 1984 binnenkwam als een bom. Ik heb de originele single nog steeds en destijds werkelijk grijs gedraaid. From Rags to Riches en Stay laten horen hoeveel The Blue Nile met relatief weinig middelen kan bereiken. De muziek heeft iets weemoedigs, maar wordt nergens te zwaar. Easter Parade en Heatwave gaan nog verder met die spaarzame aanpak. Kleine geluidjes, piano, elektronica en Buchanans zang krijgen allemaal hun eigen plaats.
Ook de productie speelt een belangrijke rol. Het album verscheen op Linn Records, het label van de Schotse hififabrikant Linn, en klinkt fantastisch. Vooral de ruimtelijkheid van de opname blijft bijzonder. Daarom draai ik A Walk Across the Rooftops het liefst op vinyl, waarop juist die rust en subtiele details prachtig tot hun recht komen. Automobile Noise sluit na zeven nummers een album af waarop voor mij niets te veel staat. Ruim veertig jaar later draai ik het nog steeds regelmatig. Tinseltown blijft speciaal, maar uiteindelijk zijn het alle zeven nummers samen die A Walk Across the Rooftops voor mij zo bijzonder maken.
»
details
» naar bericht » reageer
Claw Boys Claw - Crack My Nut (1987)
Na het geweldige With Love from the Boys en 3 in 1 doet opvolger Crack My Nut uit 1987 mij duidelijk minder. Niet omdat Claw Boys Claw ineens geen goede nummers meer schrijft, maar vooral door de productie. Vic Maile haalde op With Love from the Boys het maximale rendement uit de band: vet, rauw en krachtig. Producer Victor van Vugt lukt dat hier voor mij veel minder. Teenage Heartattack is een prima opener en ook Mistress of Seduction, Barbiedolls en Get Up hebben genoeg te bieden. Toch wil het album maar niet echt uit de luidsprekers springen. De gitaren missen gewicht, de ritmesectie slaat minder hard toe en het geheel klinkt vlakker dan deze muziek verdient. Zeker naast de geweldige live-opnamen op 3 in 1 valt op hoeveel energie deze bezetting eigenlijk kon produceren.
Ook Not Comin' Home, Madcat, Sunset 'B en Like Lovers Do zijn prima nummers. Er staat sowieso opvallend weinig slecht materiaal op Crack My Nut en juist daarom vind ik het jammer dat de plaat niet beter klinkt. Met de productie van With Love from the Boys had hier volgens mij veel meer ingezeten. Nu blijft Crack My Nut voor mij een prima Claw Boys Claw-album dat simpelweg onvoldoende tot leven komt. De band speelt nog steeds goed en de nummers zijn er, maar die enorme drive van de voorgangers ontbreekt in een wat muffe productie.
»
details
» naar bericht » reageer
Claw Boys Claw - With Love from the Boys (1986)
With Love from the Boys uit 1986 blijft voor mij Claw Boys Claw op het absolute hoogtepunt. Vanaf On the Run gaat het gas erop en met Mad Magician, Skindeep en That's Life wordt nauwelijks teruggeschakeld. Rauwe garagerock met humor, maar vooral met ongelooflijk veel kracht gespeeld. Ook de productie is geweldig: vet, hard en precies passend bij een band die in deze periode live werkelijk alles omver speelde. Voor mij is deze plaat onlosmakelijk verbonden met de zomer van 1986. Claw Boys Claw was overal te zien en ik heb ze in die periode zeker een keer of tien live meegemaakt. Iedere keer ging het dak eraf. Het concert op Pinkpop, waar With Love from the Boys werd gepresenteerd, was helemaal geweldig. Die energie hoor je terug op de plaat.
Dig It, Locomotive Breath, Jealous Eyes en Last Farewell houden het niveau hoog, terwijl Ridin' the Blinds, Too Far en El Jerko ervoor zorgen dat er tot het einde nauwelijks rust komt. De nummers zijn kort, direct en zitten zonder overbodige franje in elkaar. Het blijft zonde dat With Love from the Boys nooit normaal op cd is uitgebracht. Wat mij betreft is dit gewoon een Nederpopklassieker. Natuurlijk zitten er veel herinneringen aan vast, maar daar heeft deze plaat geen nostalgie voor nodig. Zet hem hard en hij rockt nog steeds de tent uit. Claw Boys Claw in hun hoogtijdagen. Volle mep.
»
details
» naar bericht » reageer
The Silencers - Receiving (1999)
Na vijf sterke albums op rij komt met Receiving voor mij helaas de eerste echte teleurstelling van The Silencers. Het vertrouwde geluid van de band is grotendeels verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor een veel alternatiever en soms wat gruizig geluid. Regelmatig heb ik eerder het idee naar een album van The Breeders te luisteren dan naar The Silencers. Op zichzelf hoeft dat natuurlijk niets verkeerds te zijn, maar het is simpelweg niet het geluid waarvoor ik deze band zo graag hoor. Nummers als Utopian Space Bible, Receiving, Incredible Creature en Psychik Magnet klinken anders dan het melodieuze en warme werk van de voorgaande albums. Ook de prominente zang van O’Neills dochter Aura geeft de plaat een ander karakter. Ze doet dat zeker niet slecht en haar stem past prima bij deze wat alternatievere richting, maar het is niet echt mijn ding. Hetzelfde geldt voor de plaat als geheel: er wordt genoeg geprobeerd en slecht gespeeld wordt er nergens, maar de nummers pakken me nauwelijks.
Af en toe zijn er nog momenten waarop het oude gevoel even naar boven komt, maar die zijn te schaars om Receiving voor mij echt interessant te maken. Vooral na het uitstekende Seconds of Pleasure en het sterke So Be It is het verschil behoorlijk groot. De melodieën die eerder zo vanzelfsprekend leken te komen, mis ik hier. Receiving is daarmee geen verschrikkelijk album, maar wel een flauwe en matige plaat waar ik weinig mee heb. Misschien moet je hem vooral los zien van wat The Silencers daarvoor deden, maar juist dat lukt mij niet. Na vijf albums die samen mijn favoriete periode van de band vormen, is Receiving het moment waarop ik voor het eerst duidelijk afhaak.
»
details
» naar bericht » reageer
The Silencers - So Be It (1995)
Na het fantastische Seconds of Pleasure kwamen The Silencers in 1995 met So Be It, voor mij de laatste homerun uit die geweldige eerste periode van de band. Het geluid is wat steviger en donkerder geworden, maar de sterke melodieën zijn gebleven. Something Worth Fighting For opent uitstekend, gevolgd door het ruim zes minuten durende Killing for God. Ook 27 en I Woke Up laten horen dat het niveau nog altijd bijzonder hoog ligt. Number One Friend behoort voor mij tot de sterkste nummers, terwijl Flying, Hello Stranger en Henry's Black Shadow ieder een andere kant van de band laten horen.
Een bijzonder moment is Wild Mountain Thyme. Het traditionele Schotse lied past volkomen natuurlijk bij The Silencers en benadrukt nog eens waar een deel van hun muzikale wortels ligt. Listen en About the Sea leiden vervolgens naar het ingetogen I Believe in You.
Achteraf heeft So Be It voor mij extra betekenis gekregen. Dit was het laatste album waarop Cha Burns meespeelde en precies hier ligt ook de grens van mijn favoriete Silencers-periode. Of het een rechtstreeks met het ander te maken heeft weet ik niet, maar opvallend is het wel. De latere albums zijn zeker niet slecht, maar het niveau van deze eerste vijf wordt voor mij niet meer bereikt. So Be It vormt daarmee een prachtige afsluiting van een reeks die in 1987 begon met A Letter from St. Paul. Vijf albums in acht jaar, waarvan ik er vier uitstekend vind en één minstens zeer goed. Waarvan akte...
»
details
» naar bericht » reageer
The Silencers - Seconds of Pleasure (1993)
Na het wat grillige Dance to the Holy Man kwamen The Silencers in 1993 met Seconds of Pleasure, en voor mij is dit een fantastische terugkeer naar het allerhoogste niveau. Vanaf I Can Feel It klinkt de band werkelijk in optima forma. De toevoeging van accordeon en viool is een gouden greep en geeft de muziek extra warmte en kleur zonder dat The Silencers hun eigen identiteit verliezen. Daardoor zijn er soms raakvlakken met bands als The Waterboys, Hothouse Flowers en Del Amitri, maar het blijft onmiskenbaar The Silencers. De stem en melodieën van Jimme O’Neill en het karakteristieke gitaarwerk van Cha Burns blijven bepalend. Sylvie en Cellar of Dreams zijn prachtig, terwijl Small Mercy alle ruimte krijgt om het rijkere groepsgeluid te laten horen. Ook It's Only Love en Misunderstood behoren voor mij tot de sterke momenten.
Met Life Can Be Fatal, The Unhappiest Man en Walkmans and Magnums blijft het niveau hoog. Opvallend is vooral hoe natuurlijk alle verschillende instrumenten samengaan. Nergens klinkt de viool of accordeon als een toevoeging die er per se bij moest; ze zijn volledig onderdeel van het Silencers-geluid geworden. My Prayer en Unconscious sluiten een album af waarop voor mij vrijwel alles klopt. Seconds of Pleasure is warm, melodieus, afwisselend en veel samenhangender dan zijn voorganger. Een fantastisch album waarop The Silencers hun geluid verbreden en tegelijkertijd volledig zichzelf blijven.
»
details
» naar bericht » reageer
The Silencers - Dance to the Holy Man (1991)
Na de uitstekende eerste twee albums keerden The Silencers in 1991 terug met Dance to the Holy Man. Het eerste wat opvalt is die nogal maffe hoes, die wat mij betreft eerder afbreuk doet aan het geheel. Gelukkig is de muziek een stuk beter. Na het korte Singing Ginger begint het album echt met Robinson Crusoe in New York, gevolgd door het uitstekende Bulletproof Heart, terecht een van de bekendere nummers van de band. The Art of Self Deception en I Want You houden het niveau hoog, maar voor mij komt een van de mooiste momenten met One Inch of Heaven. Met ruim zeven minuten krijgt het nummer alle ruimte en juist daarin zijn The Silencers sterk: melodieën mogen zich ontwikkelen en het gitaarwerk van Cha Burns krijgt de tijd om te schitteren.
Just Can't Be Bothered is mijn favoriet hier maar ook Afraid to Love, Rosanne en Electric Storm behoren tot de betere nummers van de plaat. Met vijftien nummers en verschillende korte tussendoortjes is Dance to the Holy Man wel wat grilliger dan zijn voorgangers en voelt het minder als één geheel. Het niveau van A Letter from St. Paul en A Blues for Buddha wordt hier niet helemaal gehaald, maar dit blijft een prima Silencers-album. O’Neill en Burns zijn nog altijd de muzikale spil en er staat meer dan genoeg moois op. Hier probeert de band meer verschillende kanten van zichzelf te laten horen, en dat pakt de ene keer beter uit dan de andere.
»
details
» naar bericht » reageer
The Silencers - A Blues for Buddha (1988)
Na het uitstekende A Letter from St. Paul kwamen The Silencers een jaar later met A Blues for Buddha, en wat mij betreft is deze opvolger minstens zo sterk. Answer Me opent overtuigend, waarna Scottish Rain volgt, een van mijn favoriete nummers van de band. Het nummer kreeg destijds ook in Nederland aandacht, werd regelmatig door Frits Spits op Radio 3 gedraaid en groeide uit tot een kleine hit. Met The Real McCoy laat de band vervolgens een lossere en uitbundigere kant horen, terwijl het korte titelnummer A Blues for Buddha een mooi rustpunt vormt. Walk with the Night brengt daarna een donkerder sfeer, gevolgd door voor mij het absolute hoogtepunt van het album: Razor Blades of Love. Zelfs nu, bijna veertig jaar later, krijg ik nog steeds kippenvel van dit nummer.
Ook de tweede helft blijft uitstekend. Skin Games, het traditioneler klinkende Wayfaring Stranger en het ruim zeven minuten durende Sacred Child laten horen hoeveel variatie de band inmiddels in zijn muziek kon verwerken. My Love Is Like a Wave / Razor Blade Reprise brengt verschillende elementen mooi bij elkaar en laat die prachtige melodie nog eenmaal terugkeren, waarna Sand and Stars het album ingetogen afsluit. A Blues for Buddha klinkt wat rijker en volwassener dan het uitstekende debuut zonder het herkenbare Silencers-geluid kwijt te raken. O’Neill en Burns vormen opnieuw de muzikale spil. Voor mij is dit dan ook geen moeilijke tweede plaat, maar gewoon het tweede uitstekende album op rij.
»
details
» naar bericht » reageer
The Silencers - A Letter from St. Paul (1987)
Sinds 2019 geen berichten, het is toch kras voor zo'n fraai album. Ik zal nog een duit in het zakje doen!
Met A Letter from St. Paul leverden The Silencers in 1987 een debuut af waarop de band eigenlijk meteen volledig gevormd klinkt. Geen zoektocht naar een eigen identiteit, maar negen sterke nummers waarin de stem van Jimme O’Neill en het gitaarwerk van Cha Burns bepalend zijn. Painted Moon is een fantastische opener, met prachtige gitaarlijnen, een stevig ritme en een refrein dat onmiddellijk blijft hangen. I Can't Cry is wat ingetogener, maar minstens zo sterk en laat horen hoeveel gevoel O’Neill in zijn stem kan leggen zonder daarin te overdrijven. Bullets and Blue Eyes trekt het tempo weer omhoog, terwijl God's Gift een wat donkerder karakter heeft. Daarna volgt met I See Red voor mij een van de absolute hoogtepunten. Hier vallen melodie, ritme en gitaar prachtig samen.
Vooral het gitaarwerk van Burns is geweldig: nergens te nadrukkelijk aanwezig, maar voortdurend bepalend voor de sfeer en het karakter van de muziek. Ook de tweede helft blijft sterk. I Ought to Know heeft wat meer tijd nodig, terwijl het titelnummer en Blue Desire juist die melancholische kant van The Silencers laten horen die mij zo aanspreekt. Met Possessed wordt het album uitstekend afgesloten. A Letter from St. Paul klinkt onmiskenbaar als een album uit de jaren tachtig, maar juist op een manier waar ik van hou. Ruimtelijk geproduceerd, melodieus en met gitaren die werkelijk iets toevoegen. Een uitstekend debuut en het begin van vijf albums die voor mij de beste periode van The Silencers vormen.
»
details
» naar bericht » reageer
Cocteau Twins - Lullabies to Violaine Volume 1 (2006)
Lullabies to Violaine Volume 1 is veel meer dan een verzameling singles en EP’s. Voor mij is het bijna een alternatieve geschiedenis van Cocteau Twins, waarin je prachtig hoort hoe de band tussen 1982 en 1990 veranderde. Hoewel ik hun latere, etherische werk absoluut kan waarderen, ligt mijn voorkeur duidelijk bij de donkere en veel rauwere beginperiode. Dat heeft voor een belangrijk deel te maken met het geweldige baswerk van Will Heggie. Op nummers als Feathers-Oar-Blades, Alas Dies Laughing en het indrukwekkende It's All but an Ark Lark is zijn bas nadrukkelijk aanwezig en vormt die bijna de ruggengraat van de muziek. Samen met de hoekige gitaar van Robin Guthrie en de nog veel rauwere zang van Elizabeth Fraser geeft dat deze vroege nummers een dreigende, nerveuze sfeer die ik bijzonder mooi vind. Ook Peppermint Pig en Laughlines hebben nog volop dat donkere karakter.
Daarna hoor je de muziek langzaam veranderen. Sugar Hiccup, From the Flagstones en Hitherto wijzen al richting het kenmerkende, zwevende geluid waarmee Cocteau Twins later beroemd zouden worden. Ook die ontwikkeling levert prachtige nummers op. The Spangle Maker, Pearly-Dewdrops' Drops, Aikea-Guinea en Pink Orange Red zijn stuk voor stuk schitterend. Toch blijf ik bij deze verzameling vooral terugkeren naar die eerste nummers. Daar klinkt Cocteau Twins voor mij het spannendst: donker, kaal, mysterieus en soms bijna ongemakkelijk. Lullabies to Violaine Volume 1 maakt juist door zijn chronologische karakter prachtig hoorbaar hoe groot de ontwikkeling van de band was, maar bevestigt voor mij tegelijkertijd waarom die vroege periode zo onweerstaanbaar blijft. Volle mep voor deze prachtige verzamelaar van de beginperiode van een zeer bijzondere band.
»
details
» naar bericht » reageer
New Order - Get Ready (2001)
Get Ready markeert voor mij de glorieuze comeback van New Order. Na jaren van ups en downs vindt de band hier opnieuw die perfecte balans tussen melodie, ritme, gitaren en elektronica. Het is geen nostalgische terugblik, maar een plaat waarop New Order het klassieke geluid herontdekt en tegelijk moderniseert. Dat wordt meteen duidelijk met Crystal, een fantastisch nummer waarin gelaagde synthesizers, strakke ritmes en Peter Hooks karakteristieke bas perfect samengaan met Bernard Sumners zang. Ook 60 Miles an Hour en Turn My Way laten een energieke band horen die durft te experimenteren zonder de eigen identiteit te verliezen. Vicious Streak en Primitive Notion vertegenwoordigen de wat rauwere kant van het album, met hoekige riffs en scherpe elektronische patronen, terwijl Slow Jam juist voor een meer ingetogen moment zorgt.
Rock the Shack voert de energie vervolgens weer op, waarna Someone Like You, Close Range en Run Wild de melodische kracht van New Order nog eens onderstrepen. Vooral Someone Like You is voor mij een hoogtepunt: een nummer dat moeiteloos aansluit bij het beste werk uit de jaren tachtig, maar tegelijkertijd fris en eigentijds klinkt. Juist die combinatie van vertrouwd en vernieuwend maakt Get Ready zo sterk. Hook, Morris en Sumner klinken scherp, energiek en geïnspireerd. Voor mij is dit een van de meest bevredigende New Order-albums sinds hun hoogtijdagen: geen gemakzuchtige comeback, maar een band die hoorbaar weer iets te bewijzen heeft.
»
details
» naar bericht » reageer
New Order - Music Complete (2015)
»
details
Claw Boys Claw - Shocking Shades of Claw Boys Claw (1984)
Shocking Shades of Claw Boys Claw was in 1984 een behoorlijk opvallend debuut. De plaat klinkt ongepolijst en bij vlagen bijna primitief, maar bezit tegelijkertijd een enorme gedrevenheid. Peter te Bos, John Cameron, Bobbie Rossini en Allard Jolles klinken niet alsof ze zich druk maken over technische perfectie. Alles draait om energie, spontaniteit en de kracht van het moment. Vanaf het begin zit er een enorme vaart in de plaat. De nummers zijn compact, de gitaar van Cameron klinkt scherp en smerig en Te Bos heeft hier al die onmiskenbare uitstraling waarmee hij ook op het podium alle aandacht naar zich toe kon trekken.
Vooral “Foul Play” vind ik fantastisch, wat een nummer. Daar valt voor mij alles samen: die rauwe gitaar, de opjagende ritmesectie en Te Bos die er met zijn stem dwars doorheen gaat. Het klinkt alsof de boel ieder moment kan ontsporen, maar juist daardoor krijgt het nummer zoveel kracht. Ik heb Claw Boys Claw in deze periode verschillende keren live gezien en daar kwam deze muziek nog nadrukkelijker tot leven. Diezelfde onbevangen energie hoor ik terug op Shocking Shades. Ruim veertig jaar later zijn juist die rafelranden een belangrijk deel van de aantrekkingskracht gebleven.
Het origineel krijgt 4 sterren maar met de bonusnummers ga ik toch naar 4,5
»
details
» naar bericht » reageer
Sinéad O'Connor - The Lion and the Cobra. (1987)
The Lion and the Cobra kwam in 1987 bij mij als een bom binnen. Vanaf “Jackie” en vooral “Mandinka” was duidelijk dat hier iemand opstond die zich weinig aantrok van hoe een popzangeres hoorde te klinken. Wat een power en wat een stem. Sinéad O'Connor kon bijna breekbaar klinken en enkele seconden later uithalen met een intensiteit waarbij je rechtop ging zitten. Toch draait het album niet alleen om kracht. “Jerusalem”, “Just Like U Said It Would B” en “Never Get Old” laten horen hoeveel kanten ze toen al op kon. Het absolute hoogtepunt is voor mij “Troy”, waarin ruim zes minuten lang de spanning wordt opgebouwd totdat de emotie bijna uit de luidsprekers barst.
Achteraf is het moeilijk deze plaat helemaal los te zien van haar latere leven en grillige carrière. Juist daarom blijft The Lion and the Cobra zo indrukwekkend. Hier hoor je Sinéad misschien wel in haar meest pure vorm: jong, compromisloos, kwaad en kwetsbaar, met een werkelijk uitzonderlijke stem. Ze zou later nog prachtige muziek maken en wereldwijd doorbreken, maar alles wat Sinéad O'Connor zo bijzonder maakte, is op dit debuut al aanwezig. Bijna veertig jaar later heeft het nauwelijks aan kracht verloren. Het blijft een verbijsterend goed debuut en wat een stem....
»
details
» naar bericht » reageer
Paddy McAloon - I Trawl the Megahertz (2003)
I Trawl the Megahertz is misschien wel de eerlijkste plaat die Paddy McAloon heeft gemaakt. Geen Prefab Sprout-naam op de hoes en geen poging om een band te suggereren die er niet is. Dit is Paddy, zijn studio en een hoofd vol muziek, woorden en merkwaardige gedachten. Het ruim 22 minuten durende titelstuk vormt het hart van het album. Nadat problemen met zijn ogen hem sterk hadden beperkt, luisterde McAloon veel naar radio-uitzendingen. Dat klinkt door in deze bijzondere compositie, waarin een vrouwenstem boven een langzaam bewegend orkestlandschap gedachten en herinneringen laat langskomen. Alsof je 's nachts langs onbekende radiofrequenties draait en toevallig fragmenten uit andere levens opvangt.
De kortere stukken die volgen, waaronder “Esprit de Corps”, “We Were Poor”, “Orchid 7” en “I'm 49”, blijven binnen diezelfde eigenzinnige wereld. Ook “Sleeping Rough”, “Ineffable” en “…But We Were Happy” voelen eerder als muzikale scènes en losse gedachten dan als traditionele popnummers. Hier hoeft McAloon helemaal niet als Prefab Sprout te klinken. I Trawl the Megahertz staat volledig op zichzelf: persoonlijk, vreemd, soms abstract en vooral bijzonder eerlijk. Geen band die gereconstrueerd moet worden en geen verleden dat opnieuw moet worden opgeroepen. Gewoon Paddy McAloon en zijn hersenspinsels, zonder vermomming. Geen gemakkelijk album maar wel bijzonder.
»
details
» naar bericht » reageer
Prefab Sprout - Crimson / Red (2013)
Toen Crimson/Red in 2013 verscheen, was ik behoorlijk enthousiast. Na het zeer matige Let's Change the World with Music hoorde ik eindelijk weer nieuwe Paddy McAloon-composities waarop zijn klasse onmiddellijk herkenbaar was. Mooie nummers, prachtig geproduceerd, geweldige teksten en bij iedere luisterbeurt nieuwe details. Bovendien verbaasde ik me erover hoe goed Paddy nog bij stem was. Mijn conclusie destijds: laat Prefab Sprout vooral dit soort albums blijven maken. Dertien jaar later luister ik er anders naar. “The Best Jewel Thief in the World”, “The List of Impossible Things”, “Adolescence” en “Grief Built the Taj Mahal” bevestigen nog steeds wat een bijzondere liedjesschrijver McAloon is.
Maar tegelijkertijd hoor ik nu veel sterker wat ontbreekt. Crimson/Red is feitelijk een Paddy McAloon-studioproject onder de naam Prefab Sprout. Ik mis Martin McAloons bas, Wendy Smiths stem, Neil Conti’s drums en vooral de onderlinge dynamiek die de oude platen zoveel charme gaf. De kwaliteit is er nog, maar de synergie van de band is verdwenen. Paddy McAloon blijft een uitzonderlijke liedjesschrijver, maar de band behoort voor mij tot het verleden. En voorlopig is dit een mooi moment om mijn reis door het bijzondere Prefab Sprout oeuvre af te sluiten.
»
details
» naar bericht » reageer
Prefab Sprout - Let's Change the World with Music (2009)
Het absolute diepteband van Prefab Sprout voor zoverre er hier nog sprake van een band is. De opnamen stammen namelijk al uit 1992 en waren schijnbaar bedoeld als blauwdruk voor het album dat na het hoogwaardige Jordan: The Comeback had moeten verschijnen. Zeventien jaar later werden de demo's opgepoetst en alsnog uitgebracht. Dat verklaart waarschijnlijk waarom deze plaat zo merkwaardig klinkt. Paddy McAloon is onmiddellijk herkenbaar, maar ik hoor nauwelijks nog een band. Keyboards, elektronica en bewerkte stemmen bepalen het geluid en soms krijg ik zelfs een vreemde Daft Punk-associatie. Dat kan onmogelijk de oorspronkelijke inspiratie zijn geweest, gezien het opnamejaar, maar qua klank schiet die vergelijking regelmatig door mijn hoofd.
Ook gebeurt er voor mij nog iets vreemds. Een album dat voortdurend vertelt hoe bijzonder muziek is, weet die magie zelf maar zelden over te brengen. Er staan beslist grappige composities op en McAloons melodische talent is niet verdwenen, maar ik mis de dynamiek, warmte en verrassingen van Prefab Sprout als band. Daardoor klinkt Let's Change the World with Music vooral als wat het oorspronkelijk was: een studioblauwdruk die nooit volledig werd afgemaakt. Interessant als historisch document, maar voor mij een duidelijk dieptepunt binnen de Prefab Sprout-catalogus. Ook nu nog steeds een afknapper...
»
details
» naar bericht » reageer
Prefab Sprout - The Gunman and Other Stories (2001)
Vier jaar na Andromeda Heights verscheen The Gunman and Other Stories, een album waarop de verhoudingen binnen Prefab Sprout duidelijk veranderd waren. Neil Conti was op Andromeda Heights al niet meer van de partij en nu ontbreekt voor het eerst ook Wendy Smith. Van de klassieke bezetting zijn daarmee alleen Paddy en Martin McAloon nog over. Vooral Wendy’s karakteristieke achtergrondstem wordt gemist en hier kreeg ik voor het eerst echt het gevoel dat Prefab Sprout steeds meer een Paddy McAloon-project werd. McAloon bouwt ditmaal een wereld rond cowboys, revolverhelden, verloren liefdes en Amerikaanse westernmythologie. “Cowboy Dreams” zet meteen de toon, waarna “Wild Card in the Pack”, “I’m a Troubled Man” en “The Streets of Laredo / Not Long for This World” het thema verder uitwerken.
Toch blijft het door McAloons typisch Engelse manier van schrijven onmiskenbaar Prefab Sprout. Met “Love Will Find Someone for You” en “Cornfield Ablaze” blijft zijn melodische klasse volledig overeind, terwijl producer Tony Visconti het album een rijk en verzorgd geluid meegeeft. In het ruim acht minuten durende “The Gunman” komt McAloon bovendien steeds nadrukkelijker als verhalenverteller naar voren. The Gunman and Other Stories haalt voor mij niet het niveau van de klassieke Sprout-periode, maar is wel een prima en belangrijke plaat. Het is geen breuk met het verleden, maar een duidelijke verschuiving: minder het werk van een vaste band en steeds meer Paddy McAloons eigen muzikale wereld.
»
details
» naar bericht » reageer
Prefab Sprout - Andromeda Heights (1997)
Na zeven jaar stilte keerde Prefab Sprout in 1997 terug met Andromeda Heights. Wie een nieuwe Jordan: The Comeback verwachtte, kreeg iets heel anders. De grote gebaren hebben plaatsgemaakt voor een warmer en romantischer geluid, prachtig geproduceerd en volledig losstaand van wat er op dat moment in de Britse muziekwereld gebeurde. Met “A Prisoner of the Past”, “The Mystery of Love”, “Life’s a Miracle” en “Anne Marie” blijkt vervolgens hoe weinig McAloon van zijn melodische talent heeft verloren. De muziek klinkt toegankelijk, maar onder de oppervlakte zitten weer talloze fraaie details verstopt. Ook de tweede helft, met onder meer “Avenue of Stars”, “The Fifth Horseman” en “Weightless”, houdt dat niveau prima vast. De tegendraadse kant van Swoon is vrijwel verdwenen en Andromeda Heights haalt voor mij niet de uitzonderlijke hoogte van Jordan. Maar na zeven jaar was dit een uitstekende terugkeer. Een warme, volwassen en prachtig opgenomen Prefab Sprout-plaat die door de jaren heen alleen maar dierbaarder is geworden. Sommige albums verouderen; andere verzamelen herinneringen. Deze doet voor mij vooral dat laatste.
»
details
» naar bericht » reageer
Simple Minds - Sacrosanct (2027)
Bij de BBC, in een interview door iemand die totaal niet weet waar de band voor staat/stond. Jim Kerr gaat er verder prima mee om. Ik vind de nieuwe line-up helemaal niets en ook de laatste albums dramatisch slecht. Jim is echter nog wel goed bij stem en het is ook echt een zanger, en niet zo'n moderne dertien-in-een-dozijn-kweler.
Ik heb de nieuwe "single" ook beluisterd. Klinkt aardig, maar het is erg oppervlakkige standaardrock met een licht Simple Minds-sausje. Jims soloalbum was destijds overigens best interessant, het is en blijft echt een bijzondere gozer, maar de echte creatieve spillen zijn uit de band verdwenen. Wat nu overblijft, is een collectief van pleasers dat inspeelt op groots volksvermaak. (Waar zijn die handjes? = "Let me see your hands!")
Het blijft verbijsterend waar zo'n talentvolle band uiteindelijk is geëindigd, maar daar zullen de meningen verschillend over zijn.
»
details
» naar bericht » reageer
Prefab Sprout - Jordan: The Comeback (1990)
Een ambitieus dubbelalbum met negentien nummers is vragen om problemen. Toch heb ik bij Jordan: The Comeback nooit het gevoel gehad dat Prefab Sprout beter wat had kunnen schrappen. Integendeel. Voor mij is dit de absolute homerun van de band en uiteindelijk zelfs de plaat die ik liever draai dan Steve McQueen. Vanaf de uitstekende opener “Looking for Atlantis” ontvouwt zich een enorme muzikale wereld. “Wild Horses”, “Machine Gun Ibiza” en het prachtige “We Let the Stars Go” verschillen behoorlijk van elkaar, maar passen wonderlijk goed binnen hetzelfde geheel. Daarna duiken Jesse James, Elvis, romantiek, geloof en allerlei andere typisch McAloonse onderwerpen op. Thomas Dolby helpt ondertussen om de rijk gevulde arrangementen helder en ruimtelijk te houden.
Het knappe is dat de enorme ambitie nergens loodzwaar wordt. Tussen “Jordan”, “Moondog”, “The Ice Maiden”, “Paris Smith”, “One of the Broken” en afsluiter “Doo Wop in Harlem” verandert voortdurend de sfeer, terwijl de plaat zijn samenhang behoudt. Zelfs de korte tussendoortjes hebben hun functie. Jordan: The Comeback vraagt natuurlijk tijd. Negentien nummers zet je niet op wanneer je over een halfuur weer weg moet. Maar wie ervoor gaat zitten, krijgt ook werkelijk iets terug. Na al die jaren ontdek ik er nog steeds details in en eigenlijk zou ik geen nummer willen missen. Steve McQueen mag dan doorgaans als dé Prefab Sprout-klassieker gelden, mijn keuze is Jordan: The Comeback. Ambitieus, eigenzinnig, melodieus en verbazingwekkend consistent. Een waanzinnig fraaie plaat in alle betekenissen van het woord.
»
details
» naar bericht » reageer
Prefab Sprout - Protest Songs (1989)
Protest Songs neemt een merkwaardige plaats in binnen de discografie van Prefab Sprout. Het verscheen in 1989, na From Langley Park to Memphis, maar werd grotendeels al jaren eerder opgenomen. Wie goed luistert, hoort dan ook veel meer verwantschap met de vroege Sprouts. “Life of Surprises” is een prachtig voorbeeld van wat destijds sophisticated pop werd genoemd: een fraaie melodie met daaronder veel meer muzikale verfijning dan je aanvankelijk hoort. Bij “Horsechimes”, “Diana” en “Talking Scarlet” gaat de band nog verder. De jazzy, tegendraadse structuren en onverwachte wendingen doen regelmatig denken aan Swoon, maar zonder dat Prefab Sprout zichzelf kopieert.
De band produceerde Protest Songs zelf en daardoor ontbreekt de extra studioglans die Thomas Dolby aan Steve McQueen gaf. Daar staat een directer en puurder bandgeluid tegenover. Het was duidelijk geen keuze waarmee men nadrukkelijk op commercieel succes mikte en juist dat past bij Prefab Sprout. Misschien waren ze sowieso iets te Engels om in Nederland werkelijk groot te worden. Achter de mooie melodieën schuilen McAloons ironie, woordspel en tongue-in-cheek humor, waardoor er meer gebeurt dan aan de oppervlakte zichtbaar is. Protest Songs is geen Steve McQueen, maar hoeft dat ook helemaal niet te zijn. Het is eigenzinnig, soms weerbarstig en voorzien van een prachtige hoes die op vinyl helemaal tot zijn recht komt. Een onderschat Prefab Sprout onderdeel van een bijzonder sterke periode.
»
details
» naar bericht » reageer
Prefab Sprout - From Langley Park to Memphis (1988)
Met From Langley Park to Memphis kiest Prefab Sprout voor een groter en rijker geluid. De scherpe kantjes van Swoon waren op Steve McQueen al prachtig in goede banen geleid, maar hier worden de mogelijkheden van de studio veel nadrukkelijker benut. Toch verdrinkt Paddy McAloons manier van schrijven nergens in de productie. “The King of Rock ’N’ Roll” opent bijna bedrieglijk eenvoudig, waarna “Cars and Girls” alles op zijn plaats laat vallen. Het strakke drumwerk van Neil Conti, Wendy Smiths achtergrondzang en vooral die fantastische melodie maken het voor mij tot vrijwel perfecte popmuziek. Een nummer dat tegenwoordig best wat vaker uit de luidsprekers zou mogen komen.
Minstens zo indrukwekkend is “Enchanted”. Met een goede koptelefoon hoor je pas hoeveel er in die opname gebeurt. Stemmen, instrumenten en kleine accenten zijn schitterend geplaatst, zonder dat het nummer ooit als een technische demonstratie klinkt. Ook “I Remember That”, “Nightingales”, “Hey Manhattan!” en “The Golden Calf” laten horen hoeveel verschillende kanten Prefab Sprout inmiddels op kan. Steve McQueen vormt misschien een nog iets hechter geheel, maar From Langley Park to Memphis heeft zijn eigen kracht. Het is ambitieus en tot in detail verzorgd, zonder overgeproduceerd te klinken. Meer dan vijfendertig jaar later valt vooral op hoe goed deze plaat zich heeft gehouden. En “Cars and Girls” blijft simpelweg onweerstaanbaar.
»
details
» naar bericht » reageer
Prefab Sprout - Swoon (1984)
Swoon is een debuut waarop bijna alles wat Prefab Sprout later bijzonder zou maken al aanwezig is, alleen nog in een behoorlijk onrustige vorm. Paddy McAloon schrijft nummers die voortdurend onverwachte afslagen nemen. Melodieën veranderen, ritmes verschuiven en wanneer je denkt te begrijpen waar een nummer heen gaat, gebeurt er meestal iets anders. “Don’t Sing” zet onmiddellijk de toon, terwijl “Cue Fanfare” en “Green Isaac (I)” laten horen hoeveel schoonheid er tussen alle muzikale kronkels verborgen zit. “Couldn’t Bear to Be Special” behoort voor mij eveneens tot de hoogtepunten.
Daartegenover staan passages en nummers waarbij ik nog steeds mijn wenkbrauwen optrek. Zo zit je volledig in vervoering te luisteren en even later denk je: moet dit nou? Juist dat voortdurende wisselen van sfeer maakt Swoon zowel fascinerend als vermoeiend. Ook het verhaal dat McAloon zelf de positieve linernotes schreef en deze toeschreef aan een niet-bestaande journalist past uitstekend bij zo’n eigenzinnig debuut. Gewoon zelf je plaat maar even aanbevelen. Swoon is zeker niet voor iedereen en ook niet alles is even sterk. Maar ruim veertig jaar later klinkt het nog steeds eigenaardig, intelligent en volkomen herkenbaar als Prefab Sprout. Soms prachtig, soms merkwaardig en regelmatig allebei tegelijk.
»
details
» naar bericht » reageer
Do-Ré-Mi - The Happiest Place in Town (1988)
Drie jaar na het bijzondere "Domestic Harmony" kwam Do-Ré-Mi met "The Happiest Place in Town", een uitstekende opvolger die duidelijk anders klinkt dan het debuut. De band is volwassener geworden en de nummers zijn beter uitgewerkt, zonder dat de eigenzinnigheid helemaal is verdwenen. Deborah Conway blijft met haar karakteristieke stem het herkenningspunt, terwijl de bas van Helen Carter opnieuw een belangrijke rol speelt. "Haunt You" is meteen een uitstekende opener, gevolgd door het speelsere "King of Moomba" en het donkerdere "Adultery". "Valentines Day" en "Take Me Anywhere" laten een toegankelijkere kant horen, terwijl "Heads Will Roll" weer wat steviger uitpakt. Do-Ré-Mi probeert gelukkig nergens een tweede "Man Overboard" te maken.
Ook de tweede helft blijft sterk. "Disneyland", "Wild and Blue" en "Desert Song" laten verschillende kanten van de band horen en het korte titelnummer zorgt voor een passend einde. Als geheel klinkt deze plaat minder grillig dan "Domestic Harmony", maar zeker niet minder overtuigend. Jammer genoeg heeft "The Happiest Place in Town" in Nederland nauwelijks iets gedaan. Nog datzelfde jaar viel Do-Ré-Mi uiteen en bleef het bij twee albums. Het bijzondere debuut kreeg daardoor nooit een derde hoofdstuk, maar deze volwassen en opvallend sterke opvolger vormt voor mij een uitstekende afsluiting van een veel te kleine catalogus.
»
details
» naar bericht » reageer
Do-Ré-Mi - Domestic Harmony (1985)
"Domestic Harmony" uit 1985 is een van die Australische debuutalbums die ik nog altijd bijzonder vind. Do-Ré-Mi klinkt werkelijk anders dan vrijwel alles eromheen in die tijd. Deborah Conway trekt natuurlijk onmiddellijk de aandacht met haar herkenbare stem, maar de geweldige baspartijen van Helen Carter zijn minstens zo bepalend. Samen met het hoekige gitaarwerk van Stephen Philip en de ritmes van Dorland Bray ontstaat een merkwaardige maar bijzonder geslaagde combinatie van postpunk, funk en new wave. "The Theme from Jungle Jim" laat dat meteen horen. Ook "Idiot Grin" is uitstekend, terwijl het donkere "Warnings Moving Clockwise" voor mij tot de mooiste nummers van de eerste helft behoort.
En dan is er natuurlijk "Man Overboard". Een traag, broeierig nummer zonder traditioneel refrein en met teksten over onder meer "penis envy" en "pubic hair" werd in Australië gewoon een Top 5-hit. Ook muzikaal blijft het fantastisch, vooral door die dominante bas en de geweldige manier waarop Conway haar tekst brengt. Daarna houden "Big Accident", "Racing to Zero" en "New Taboos" het niveau hoog, voordat "1000 Mouths" de plaat afsluit. "Domestic Harmony" telt slechts tien nummers en dat is precies genoeg. Het album is eigenwijs, intelligent en muzikaal uitstekend. Vooral de prominente bas, Conways stem en de soms vreemde ritmes geven Do-Ré-Mi een geluid dat ik zelfs binnen de toch al avontuurlijke periode rond 1985 nog steeds heel bijzonder vind.
Als ik Do-Ré-Mi toch ergens mee zou moeten vergelijken, kom ik uit bij een merkwaardige kruising tussen Talking Heads en Martha & The Muffins. De hoekige ritmes, funky bas en soms nerveuze gitaarpartijen doen regelmatig aan Talking Heads denken, terwijl de melodieuze kant en de sfeer dichter bij Martha & The Muffins liggen. Toch klinkt Do-Ré-Mi nooit als een kopie van een van beide. Daarvoor zijn Deborah Conways stem en de prominente bas van Helen Carter veel te bepalend voor het eigen geluid van de band.
»
details
» naar bericht » reageer
Hoodoo Gurus - Magnum Cum Louder (1989)
Na het fantastische Blow Your Cool! kwam Hoodoo Gurus in 1989 met Magnum Cum Louder, een album waarmee ik altijd een wat vreemde verhouding heb gehouden. Het is absoluut geen slechte plaat. Daarvoor staan er te veel sterke nummers op en ligt het muzikale niveau veel te hoog. Toch klinkt de band duidelijk anders: harder, strakker en voor mij ook wat klinischer. Er was in twee jaar tijd dan ook het nodige veranderd. Clyde Bramley was op bas vervangen door Rick Grossman en na problemen met hun oude platencontract hadden Hoodoo Gurus het Big Time label verlaten en waren ze bij het grote RCA/BMG terechtgekomen. Bovendien produceerde de band het album zelf. Welke verandering de meeste invloed heeft gehad, weet ik niet, maar de koerswijziging is duidelijk hoorbaar.
“Come Anytime” is fantastisch en behoort voor mij tot het beste werk van Hoodoo Gurus. Ook “Another World” en het prachtige “Shadow Me” zijn erg sterk. Met “Axegrinder”, “Hallucination” en later “I Don’t Know Anything” komt het hardere gitaarwerk veel nadrukkelijker naar voren. Aan het muzikantschap ligt het nergens: de band speelt hier uitstekend. Achteraf zie ik Magnum Cum Louder vooral als een overgang naar de stevigere gitaarplaten van de jaren negentig. Een goede en technisch indrukwekkende plaat met verschillende uitstekende nummers, maar ook het album waarop Hoodoo Gurus voor mij begint weg te bewegen van het lossere en melodieuzere geluid van de eerste drie albums.
»
details
» naar bericht » reageer
Hoodoo Gurus - Kinky (1991)
Na het wat merkwaardige "Magnum Cum Louder" kreeg ik met "Kinky" in 1991 weer een Hoodoo Gurus-album waar ik veel meer plezier aan beleefde. Toch begint de plaat voor mij met zijn grootste zwakke plek. "Head in the Sand" is niet eens een slecht nummer, maar als opener een verkeerde keuze: Hoodoo Gurus komen meteen met gestrekt been naar binnen en suggereren daarmee een veel harder album dan "Kinky" uiteindelijk blijkt te zijn. Gelukkig volgen met "A Place in the Sun" en het prachtige "Castle in the Air" meteen betere nummers. En dan "Miss Freelove '69" bezorgt mij ook in 2026 nog altijd een grijns van oor tot oor. Meteen daarna volgt met "1000 Miles Away" nog een absoluut hoogtepunt.
Ook het prachtige "Brainscan" is voor mij belangrijk. Dit is klassieke Hoodoo Gurus en had zo op "Stoneage Romeos" kunnen staan. Het laat horen dat de eigenzinnigheid van de vroege Gurus hier nog volop aanwezig is. Voor mij is "Kinky" het laatste echt interessante Hoodoo Gurus-album. Het latere voortdurende gitaargerag en vooral dat steeds met gestrekt been naar binnen denderen gingen me uiteindelijk tegenstaan. Ironisch genoeg waarschuwt "Head in the Sand" daar al voor. Gelukkig is op de rest van "Kinky" de verhouding tussen stevige gitaren, melodie, humor en speelsheid nog uitstekend.
»
details
» naar bericht » reageer
The Smiths - Hatful of Hollow (1984)
Voor mij heeft Hatful of Hollow altijd gevoeld als het echte vervolg op het debuut, ongeacht het feit dat het formeel een verzamelaar is. In de jaren tachtig draaide ik deze plaat helemaal grijs en niet zonder reden. De John Peel-sessies en singleversies geven de nummers een rauwheid en directheid die perfect past bij de kern van deze muziek. Het album klinkt minder gepolijst dan het debuut, maar juist daardoor menselijker, urgenter. Alsof de nummers dichter op de huid zitten en minder afstand bewaren. Dit was geen plaat voor de achtergrond, maar een metgezel die meeging door slaapkamers, koptelefoons en lange avonden.
De afsluitende fase van het album is emotioneel misschien wel het sterkst. Back to the Old House klinkt breekbaar en intiem, Reel Around the Fountain behoudt zijn weemoedige schoonheid, en Please Please Please Let Me Get What I Want is een meesterlijke afsluiter in al zijn eenvoud. Voor mij is Hatful of Hollow geen bijeengeraapt geheel, maar een samenhangend album dat perfect vastlegt waar deze band in 1984 voor stond. Precies daarom blijft dit voor mij een onmisbaar hoofdstuk, vol herinneringen en melodieën die zich diep hebben vastgezet in mijn geheugen.
»
details
» naar bericht » reageer
Duran Duran - Seven and the Ragged Tiger (1983)
Mwah, na mijn paar heerlijke uurtjes met de eerste twee worpelingen van Duran Duran dacht ik: zal ik het nog eens proberen met de opvolger? Ook ik heb de 7" nog van The Reflex-flex-flex-flex, maar ik heb dit album nooit kunnen pruimen. Kwam ook doordat mijn jongere broer aan de andere kant van de hal later de hele tijd Wild Boys aan het draaien was en daar was ik op een gegeven moment helemaal klaar mee. Dat nummer staat hier niet op en ook niet op het latere album. Zal ook een reden voor zijn geweest.
Ik heb Seven and the Ragged Tiger (lijkt wel de titel van een aflevering van Sandokan) nog keurig in het schap staan, met hooguit twee draaiuren over de afgelopen veertig jaar. Dat zegt wel genoeg en mijn huidige draaibeurt gaat daar ook niets meer aan veranderen. Vreselijk flauw album dat echt niet aan mij besteed is. Het klinkt allemaal enorm gekunsteld: meer vorm dan inhoud. Ik hou het mooi bij de eerste twee albums, die zijn echt top.
»
details
» naar bericht » reageer
Hoodoo Gurus - Blow Your Cool! (1987)
Met Blow Your Cool! uit 1987 maakten Hoodoo Gurus wat mij betreft een waanzinnig goed derde album. De zomer van 1987 was sowieso een geweldige tijd en daar heeft deze plaat voor mij zeker aan bijgedragen. Ik weet nog precies dat ik het album kocht in de vinylkelder van Looper in Sneek en niet kon wachten om thuis te komen en het te draaien. Ik vond Stoneage Romeos al uitstekend en Mars Needs Guitars! een meer dan prima opvolger, maar hier ligt het niveau over de volle lengte bijzonder hoog. Dat begint meteen met “Out That Door”, gevolgd door het fantastische “What’s My Scene”. Veel beter wordt Hoodoo Gurus voor mij niet. Daarna komt ook nog “Good Times”, met achtergrondzang van The Bangles. “I Was the One” en het stevigere “Hell for Leather” zorgen ervoor dat de eerste helft nauwelijks een minder moment kent.
Ook daarna blijft het niveau hoog. “Middle of the Land” is geweldig, maar minstens zo mooi vind ik “My Caravan”. Het rustigere, melancholische karakter en de schitterende melodie maken dit voor mij tot een van de bijzondere momenten van het album. “Come On” en “On My Street” zorgen voor meer tempo, waarna “Party Machine” en het donkere “Heart of Darkness” de plaat afsluiten. Blow Your Cool! is veel meer dan een album met een paar uitstekende singles. Juist de combinatie van bekende nummers en persoonlijke favorieten als “My Caravan” maakt dit voor mij een van de absolute hoogtepunten uit de catalogus van Hoodoo Gurus — en onlosmakelijk verbonden met die prachtige zomer van 1987.
»
details
» naar bericht » reageer
Hoodoo Gurus - Mars Needs Guitars (1985)
Een jaar na Stoneage Romeos bewezen Hoodoo Gurus met Mars Needs Guitars! dat hun uitstekende debuut bepaald geen toevalstreffer was. De band klinkt in 1985 steviger en wat gecontroleerder, maar de humor, garagerock, sixtiesinvloeden en vooral Dave Faulkners sterke gevoel voor melodie zijn nog volop aanwezig. Nieuw achter de drums is Mark Kingsmill, die James Baker na het debuut had vervangen. “Bittersweet” is direct een van de hoogtepunten en behoort voor mij tot het beste dat Hoodoo Gurus heeft gemaakt. Ook “Death Defying” en het geweldige “Like Wow-Wipeout!” laten horen hoe gemakkelijk de band stevige gitaren met pakkende refreinen kon combineren. “Poison Pen” en “In the Wild” zorgen ervoor dat de eerste helft van het album bijzonder sterk is.
Ook daarna blijft er genoeg te genieten. “Hayride to Hell” is wat donkerder, “Show Some Emotion” lekker compact en “The Other Side of Paradise” opnieuw een sterk gitaarnummer. Het korte titelnummer laat de humoristische kant van de band horen, waarna “She” het album afsluit. Persoonlijk plaats ik Mars Needs Guitars! nét onder Stoneage Romeos. Het debuut heeft voor mij iets meer charme en eigenzinnigheid, terwijl deze opvolger wat strakker klinkt. Het verschil is echter klein. Met “Bittersweet”, “Death Defying” en “Like Wow-Wipeout!” staan hier voor mij enkele absolute Hoodoo Gurus-favorieten op.
»
details
» naar bericht » reageer
Hoodoo Gurus - Stoneage Romeos (1984)
Met Stoneage Romeos leverden Hoodoo Gurus in 1984 direct een bijzonder sterk debuut af. De Australiërs klinken hier rauw, enthousiast en soms heerlijk vreemd, maar bovenal staat het album vol uitstekende nummers. Dave Faulkner laat meteen horen hoe goed hij stevige gitaren kon combineren met sterke melodieën, pakkende refreinen en teksten over alles van popcultuur tot merkwaardige historische onderwerpen. “(Let’s All) Turn On” is een geweldige opener, waarna “I Want You Back” voor mij meteen tot de hoogtepunten behoort. Ook “Arthur” is sterk, terwijl het primitieve en aanstekelijke “Dig It Up” een heel andere kant van de band laat horen. Met “My Girl” bewijst Faulkner vervolgens dat hij ook een prachtig compact popnummer kon schrijven. Die afwisseling is een van de grote kwaliteiten van het album.
De tweede helft doet nauwelijks onder voor de eerste. “Leilani” heeft met zijn langere speelduur en bijzondere sfeer een heel eigen plaats op het album, terwijl “Tojo” voor mij opnieuw een van de beste nummers is. Afsluiter “I Was a Kamikaze Pilot” past met zijn bizarre onderwerp en sterke melodie perfect bij deze vroege Hoodoo Gurus. Stoneage Romeos klinkt minder gepolijst dan de albums die zouden volgen, maar juist dat rauwe karakter bevalt me uitstekend. Met nummers als “I Want You Back”, “My Girl”, “Dig It Up” en “Tojo” stond Hoodoo Gurus er wat mij betreft vanaf het debuut al volledig op de kaart.
»
details
» naar bericht » reageer
Duran Duran - Rio (1982)
"Rio" uit 1982 laat horen hoe snel Duran Duran zich na hun debuut ontwikkelde. De donkere en soms hoekige kanten van de eerste plaat zijn niet helemaal verdwenen, maar alles klinkt zelfverzekerder en beter uitgewerkt. Het titelnummer is meteen fantastisch, met John Taylors bas, Roger Taylors drums, Andy Taylors gitaar en Nick Rhodes' synthesizers die voortdurend om elkaar heen bewegen. Met "Hungry Like the Wolf" en "Save a Prayer" staan hier natuurlijk twee enorme klassiekers op, maar mijn waardering voor "Rio" gaat veel verder dan de hits. "Lonely in Your Nightmare" is prachtig, "Hold Back the Rain" heeft een geweldige vaart en "New Religion" behoort voor mij tot de interessantste nummers van het album.
Het donkere, elektronische "The Chauffeur" is vervolgens een fantastische afsluiter en herinnert nog het sterkst aan de mysterieuze kant van het debuut. Na "Rio" hield mijn liefde voor Duran Duran eigenlijk op. De latere albums heb ik niet meer gekocht, terwijl ik deze plaat en het debuut uit 1981 nog altijd koester. Voor mij horen ze bij elkaar: eerst een jonge band die zijn eigen geluid ontdekt en vervolgens dezelfde vijf muzikanten die amper een jaar later precies weten wat ze daarmee kunnen doen. Mijn Duran Duran-verzameling mag hier ophouden. Met de twee eerste albums kan ik ruim veertig jaar later nog steeds uitstekend uit de voeten.
»
details
» naar bericht » reageer
Duran Duran - Duran Duran (1981)
"Duran Duran" uit 1981 is een debuut waarvoor ik nog steeds een enorm zwak heb. Natuurlijk zijn "Girls on Film" en "Planet Earth" de bekendste nummers, maar voor mij zit de kracht van het album juist in het totaalbeeld. Deze vroege Duran Duran klinkt donkerder, nerveuzer en avontuurlijker dan de enorme popband die enkele jaren later de wereld zou veroveren. De ritmesectie is fantastisch. John Taylors bas is voortdurend aanwezig en Roger Taylor drumt strak en krachtig, terwijl Nick Rhodes met zijn synthesizers veel van de sfeer bepaalt. Andy Taylors gitaar zorgt ervoor dat het nooit uitsluitend elektronische pop wordt. Vooral "Careless Memories" laat horen hoe stevig de band kon klinken.
Mijn zwak zit ook bij de minder voor de hand liggende nummers. "Anyone Out There" is uitstekend, "Night Boat" donker en dreigend en "Friends of Mine" behoort voor mij tot de hoogtepunten. Het instrumentale "Tel Aviv" is vervolgens een opvallende maar passende afsluiting. Ruim veertig jaar later draai ik "Duran Duran" nog steeds met veel plezier. Nostalgie speelt ongetwijfeld een rol, maar daarvoor alleen blijft een album niet zo lang interessant. Een prachtig debuut van een jonge band dat zijn eigen geluid al had gevonden, maar nog alle vrijheid nam om ermee te experimenteren.
»
details
» naar bericht » reageer
Urban Dance Squad - Persona Non Grata (1994)
"Persona Non Grata" uit 1994 blijft mijn persoonlijke favoriet van Urban Dance Squad. Na het vertrek van DJ DNA veranderde het geluid ingrijpend. De draaitafels verdwenen uit de vaste bezetting en Tres Manos kreeg veel meer ruimte voor zijn gitaar. Het resultaat is harder, zwaarder en directer dan de eerste twee albums. "Demagogue" maakt dat vanaf de eerste minuten duidelijk. Tres Manos speelt messcherp, Rudeboy klinkt bijzonder fel en de combinatie van Silvano Matadin en Michel Schoots geeft het nummer een enorme ritmische kracht. Die lijn wordt voortgezet in "Good Grief" en "No Honestly!", terwijl langere nummers als "Alienated", "Selfsufficient Snake" en "(Some) Chitchat" laten horen dat de band binnen die hardere aanpak voldoende ruimte voor dynamiek heeft gehouden.
Ook de tweede helft blijft sterk met "Burnt Up Cigarette", "Selfstyled", "Mugshot" en "Hangout". Uiteindelijk volgt het ruim tien minuten durende "Downer", een opvallend lange en donkere afsluiter die juist door zijn lengte een ander soort spanning krijgt. "Life 'n Perspectives of a Genuine Crossover" was avontuurlijker, maar "Persona Non Grata" raakt mij harder. De gitaar, bas en drums klinken fantastisch en Rudeboy past met zijn agressieve voordracht perfect bij deze koers. "Demagogue" mag het bekendste nummer zijn, voor mij is vooral het niveau van de volledige plaat indrukwekkend. Een absolute prijspakker en mijn favoriete Urban Dance Squad-album.
»
details
» naar bericht » reageer
Urban Dance Squad - Life 'n Perspectives of a Genuine Crossover (1991)
"Life 'n Perspectives of a Genuine Crossover" uit 1991 gaat voor mij duidelijk verder dan het toch al uitstekende debuut van Urban Dance Squad. Waar "Mental Floss for the Globe" de verschillende invloeden introduceerde, gebruikt de band ze hier veel vrijer. Funk, hiphop, rock, soul en ska lopen voortdurend door elkaar en toch blijft het resultaat herkenbaar. "Comeback" en "(Thru) the Gates of the Big Fruit" zetten meteen de toon. Daarna laten onder meer "Mr. Ezway", "Routine", "Son of tha Culture Clash" en "Grand Black Citizen" horen hoeveel vrijheid de vijf muzikanten elkaar inmiddels kunnen geven. Vooral de combinatie van de ritmesectie van Silvano Matadin en Michel Schoots met de gitaar van Tres Manos, Rudeboys stem en de draaitafels van DJ DNA maakt deze bezetting bijzonder.
Ook de tweede helft blijft verrassen. Het bijna uitbundige "Duck Ska" staat zonder problemen naast "For the Plasters", "Wino the Medicineman" en "Bureaucrat of Flaccostreet". De vier korte "Life 'n Perspectives"-stukken zorgen ondertussen voor verbinding tussen al die verschillende richtingen. Het album is grilliger en vraagt meer aandacht dan zijn voorganger, maar juist dat waardeer ik eraan. Urban Dance Squad beperkt crossover hier niet tot rap met harde gitaren, maar gebruikt werkelijk alles wat muzikaal bruikbaar is. Voor mij is "Life 'n Perspectives of a Genuine Crossover" daarom een van hun beste platen en een bijzonder hoogtepunt binnen de Nederlandse muziek van begin jaren negentig.
»
details
» naar bericht » reageer
Urban Dance Squad - Mental Floss for the Globe (1989)
"Mental Floss for the Globe" klonk in 1989 behoorlijk ongewoon voor een Nederlandse plaat. Urban Dance Squad combineerde rap, funk, rock, hiphop, punk, blues en samples zonder dat het resultaat aanvoelde als een verzameling losse stijlen. Vanaf "Fast Lane" hoor je vijf muzikanten die ieder een duidelijke functie hebben. Rudeboy rapt en zingt, Tres Manos schakelt tussen stevige riffs en funky gitaarwerk, terwijl Silvano Matadin en Michel Schoots voor een ritmesectie zorgen die voortdurend in beweging blijft. DJ DNA maakt het geluid compleet met draaitafels en samples.
"Deeper Shade of Soul" werd terecht de grote internationale hit, maar het album heeft veel meer te bieden. "No Kid", "Prayer for Demo", "Big Apple" en "Piece of Rock" laten horen hoe gemakkelijk de band tussen verschillende stijlen beweegt. Ook "Brainstorm on the U.D.S.", het titelnummer en "God Blasts the Queen" hebben ieder een duidelijk eigen karakter.
Wat mij vooral bevalt, is de enorme gedrevenheid. Er gebeurt voortdurend iets, maar het muzikale samenspel voorkomt dat het een rommeltje wordt. Bovendien klinkt Urban Dance Squad nergens als een rockband die simpelweg wat hiphop heeft toegevoegd. Achteraf is gemakkelijk vast te stellen dat de band zijn tijd vooruit was. Belangrijker vind ik dat "Mental Floss for the Globe" nog steeds een bijzonder lekkere plaat is. Een uitstekend debuut dat ruim vijfendertig jaar later nog altijd uitnodigt om het volume flink open te draaien.
»
details
» naar bericht » reageer