menu

Hier kun je zien welke berichten Ward als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Animal Collective - Feels (2005)

5,0
De reïntegratie van Ward deel 11:

Dit album was mijn eerste kennismaking met Animal Collective zo’n 7 jaar geleden. Liefde op het eerste gezicht was het echter niet. Feels heeft me altijd gefascineerd, maar een echte connectie voelde ik niet. Vooral van die hysterische zang werd ik toch een beetje kriegelig op den duur. Mijn ratio was geboeid, het hart een stuk minder. Ik volgde van dat moment hun carrière wel, maar toch met lichte scepsis. Alle lof vond ik een beetje overtrokken en in mijn hoofd deed ik die lof zelfs wel af als interessant-doenerij van indiesnobs. Feels vond heb ik altijd wel hun interessantste worp gevonden, met name doordat het wat meer uitgebalanceerd klinkt dan hun daaropvolgende albums.

Door de jaren heen is mijn waardering voor de band toch langzaam gegroeid en vorige zomer is het kwartje definitief gevallen. Ter voorbereiding op Centipede Hz een paar albums herbeluisterd en stuk voor stuk kon ik ze beter waarderen. Met als grootste uitschieter natuurlijk dit album, met een stijging naar de maximale score en een plek in mijn top 10. Toen arcade monkeys me gisteren opzadelde met de taak van het recenseren in het kader van mijn topic, pakte ik dit aan om mezelf heel de dag onder te dompelen in het vreemde wereldje van Animal Collective. Bovendien wordt het ook wel eens tijd dat ik bij mijn top 10-platen wat neerpen. Modest Mouse onlangs al gehad, nu dus tijd voor Feels.

Al ben ik (nog!) niet enorm bekend met het oude werk van de band heb ik altijd het idee dat dit album een schakelpunt vormt tussen hun experimentele, soundscape-gerichte eerste periode en de latere meer liedjesgerichte albums. Het album zelf bestaat ook uit echte liedjes en meer experimentele soundscapes. De eerste helft wordt gevormd door aanstekelijke nummers, volgepropt met melodieën die dagen door het hoofd spoken. Toch klinkt het ook hier nergens als een knieval voor commercie, daar zijn die nummers veel te bizar en nerveus voor. Om over de eigenzinnige muzikale invulling nog maar te zwijgen.

Met Did You See The Words gaat langzaam maar zeker de zon op. De wereld ontwaakt en begint vol goede moed aan de dag. Het begint vrij rustig en wordt steeds wat levendiger. Was je nog niet wakker zorgt het hysterische gekrijs in het refrein van Grass daar wel voor. Dit nummer is typerend voor de poppy kant van Animal Collective: aanstekelijk, naïef, stuwend, maar tegelijk bevreemdend en onvoorspelbaar. De reverb op de zang, de primitieve drums, de dromerige piano en de ondoordringbare gitaardrone op de achtergrond zorgen voor een totaal uniek geluid. Met Flesh Canoe wordt voor het eerst wat tempo teruggenomen. Mooi dromerig nummer en op de momenten dat de instrumentatie wat wegvalt en de zang echt op de voorgrond treedt zelfs verassend lieflijk. De liedjeshelft wordt afgesloten met het eerste hoogtepunt: The Purple Bottle. Stuwend als Arcade Fire, maar dan gebracht met kinderlijke fantasie. Hyperactief, euforisch, onrustig en zo catchy als maar kan. De euforische nervositeit die je voelt als je net verliefd bent wordt perfect omgezet in muziek. De zalige Beach Boys-harmonieën halverwege maken het nummer helemaal af.

Met Bees betreden we de meer experimentele, tragere kant van het album. Een mijmerende zanglijn over een warm tapijt van dromerige autoharpklanken en hemelse achtergrondzang. Alsof, nu de initiële nervositeit van verliefdheid is weggevallen, we ontspannen kunnen zweven op die roze wolk van verliefdheid. Was Bees al bezwerend, gaat dit zeker op voor Banshee Beat. Akkoorden worden aangehouden als drones en ook de zang gaat in eerste instantie gewoon mee in die hypnotiserende repetitiviteit. Als de zang na enkele minuten dan de hoogte inschiet voel je gewoon de ontlading. Deze stijl van dromerige soundscapes en ongrijpbare zang wordt ook aangehouden in Daffy Duck. Toch krijgt het hier door donkere onderliggende drone en de atonale gitaartonen iets dreigends. Het heeft net als heel het album iets sprookjesachtigs, maar hier zijn we wel bij de donkere sprookjes van Grimm aanbeland. Het beklemmendste moment van het album. Het lieflijke Loch Raven voelt dan ook als een warm bad na de voorgaande duisternis. Wakker worden na een nare droom. Die warme synthgolven in combinatie met die onverstaanbare zanglijnen die om elkaar heen dansen creëert echt iets volslagen unieks. Dat zou voor mij echt uren mogen aanhouden, wat mij betreft het absolute hoogtepunt. We sluiten af zoals het album begonnen is met een prettig gestoord stuwend popliedje. De cirkel is weer rond.

Met Feels leveren Animal Collective een volslagen uniek album af. De inventiviteit druipt van alles af: de composities, de harmonieën, de instrumentatie en de structuur van het album als geheel. Ze slagen op dit album er op briljante wijze in om het experimenteerdrang en hun liefde voor hypnotische soundscapes te combineren met hun vermogen tot het schrijven van aanstekelijke popliedjes. Voslagen unieke combinatie van freakfolk, pop, indierock, psychedelica, elektronica en Beach Boys-harmonieën, dat ook nog eens wordt gebracht met het jeugdig enthousiasme en de fantasie van hyperactieve 8-jarigen op hallucinogenen. Ongeëvenaard. 5*

Asaf Avidan - Different Pulses (2012)

4,0
De reïntegratie van Ward deel 1:

Toen aERo mij dit album tipte zei de naam Asaf Avidan me nog helemaal niets, maar zijn beschrijving klonk zeker als een interessante plaat. Toen ik Asaf even opzocht kwam ik al snel uit bij zijn hitje van dit jaar. Dit nummer kende ik natuurlijk wel, maar nooit geweten wie er verantwoordelijk voor was. Aangezien ik dit een van de vervelendste nummers van het jaar vond zakte de moed me toch even in de schoenen (al is het natuurlijk slechts een remix van zijn nummer). Gelukkig klonk de single Different Pulses een stuk aanlokkelijker. Nu ik het album de afgelopen dagen veelvuldig heb beluisterd moet ik gelukkig constateren dat aERo het niet verkeerd had gezien.

Het eerste dat opvalt aan de muziek van Asaf Avidan is zijn stem zelf. De stem van Asaf is simultaan krachtig en breekbaar. Een zeldzame combinatie die het bij mij altijd zeer goed werkt. Iets wat mij bijvoorbeeld ook altijd in het werk van The Veils heeft aangesproken. Ook al is de muziek van Asaf Avidan heel anders dan die van The Veils hebben ze ook een woestijnachtige broeierigheid en vlagen van maniakaliteit met elkaar gemeen (bijvoorbeeld het schelle gekrijs op het einde van 613 Shades of Sad). Het androgyne karakter van zijn stem maakt het geheel nog een pak meer intrigerend. Het moge duidelijk zijn dat zijn stem voor mij de sterkste troef van de plaat is.

Wil dat zeggen dat het muzikaal niet zoveel voorstelt? Allerminst. Ook muzikaal zit dit album uiterst bekwaam in elkaar. We krijgen als luisteraar een zompige mix van soul, gospel, folk en pop voorgeschoteld. Er is een goede variatie tussen tragere, donkere nummers (Thumbtacks In My Marrow, Setting Scalpels Free, Conspiratory Visions of Gomorrah) en wat meer uptempo aanstekelijke nummers (Love It or Leave It, Cyclamen). Ik heb wel een voorkeur voor die eerste categorie en die overheersen gelukkig ook. Bovendien worden zowel de rustige als de meer poppy nummers gekenmerkt door dreigende broeierigheid, waardoor de sfeer zeer consistent blijft. Wat me muzikaal verder aanspreekt is de mooie balans tussen een klassiek en een modern geluid. Dit soort albums willen nog wel eens de neiging hebben om een geforceerd ouderwets geluid na te bootsen. Asaf Avidan vermijdt dit door ook elektronische tinten niet te schuwen. Hierdoor krijg je een mooie sound die zowel klassiek klinkt, maar toch onmiskenbaar van deze tijd is. Het filmische karakter van de muziek kan mij ook wel smaken. Deze cinematische allure komt niet in de laatste plaats door de trompetjes hier en daar die sterk aan de muziek van Morricone doen denken (om over het gefluit in Turn nog maar te zwijgen).

Zijn er dan geen kritische noten te kraken bij dit album? Om eerlijk te zijn niet heel veel. A Gun & a Choice is misschien een tikkeltje te bombastisch en The Disciple kabbelt iets teveel voort, maar een kniesoor die daar over valt. Uiteindelijk is dit gewoon een zeer smaakvol gearrangeerd broeierig album met een intrigerende stem zoals je ze zelden tegenkomt. Ook echt zo’n tijdloze plaat die over tien jaar nog net zo urgent in de oren klinkt als nu. Ik begin heel voorzichtig met 4 sterren, maar het moet wel heel gek lopen wil daar in de toekomst niet nog minstens een halfje bijkomen.

PS: ben ik de enige die bij Thumbtacks In My Marrow elke keer aan Radiohead’s Exit Music (For a Film) moet denken?

Avey Tare and Panda Bear - Spirit They're Gone, Spirit They've Vanished (2000)

4,0
De reïntegratie van Ward deel 22:

Als groot liefhebber van het werk van Animal Collective was ik erg benieuwd toen The Eraser mij vroeg dit album van een recensie te voorzien. Het is natuurlijk altijd interessant om te zien waar het voor een band die je hoog aanslaat allemaal begonnen is. Aangezien Animal Collective een erg eigen geluid heeft, was ik vooral benieuwd of ze hier misschien wat traditioneler uit de hoek zouden komen? En in hoeverre die typische Animal Collective sound al terug te horen is op Spirit They're Gone, Spirit They've Vanished

Die eerste vraag is simpel te beantwoorden met een resolute nee. Deze plaat is vanaf de eerste tonen qua sound zo experimenteel als ik van Avey Tare en Panda Bear gewend ben. Zo begint we meteen met een dromerige melodie over een warm orgeltje, aangekleed met het nodige gekraak, gebliep en ruis. Al moet ik eerlijk zeggen dat die toonhoogte van die noise voor mij echt iets te hoog is, waardoor het onprettig wordt om naar te luisteren. Jammer aangezien de melodie meteen weer betoverend is. Gelukkig is dat een euvel waar de rest van de plaat geen last van heeft.

De plaat mengt constant kinderlijke vrolijkheid en speelsheid (de speelgoedpianos, de vrolijke zanglijnen, de kinderlijke teksten) met angstaanjagend surrealisme (het gekrijs van Avey Tare en de intense noise-uitbarstingen). Net als mijn favoriete sprookjes en kinderboeken (Roald, Dahl, Max en de Maximonsters) weet het een goede balans te vinden tussen naïeve dromerigheid en nachtmerrieachtige taferelen. Dit spanningsveld levert enkele fantastische nummers op (April and the Phantom, Penny Dreadfuls en Alvin Row). Met name laatstgenoemde behoort tot het beste werk wat de beide heren in hun carriere hebben afgeleverd. Hoe dat nummer een transformatie doorgaat van donkere noise naar melancholische psychedelica met griezelige uitbarstingen naar vrolijke, euforische pop met een heerlijk stuwende piano is echt weergaloos.

Verassend dat Avey Tare en Panda Bear hier al volledig hun sound hebben gevonden. Het klinkt hier allemaal wat schetsmatiger en rauwer dan op hun latere werk. Toch zijn alle elementen van de sound die zij later met Animal Collective hebben uitgediept hier onmiskenbaar aanwezig (de mix tussen folk, psychedelica, elektronica en noise, de kinderlijke manier van zingen afgewisseld met maniakaal gekrijs, de uptempo vrolijke gekte, de dromerige rustige stukken). Natuurlijk is er een wereld van verschil tussen bijvoorbeeld dit album en Merriweather Post Pavilion, toch behoren die platen wel allebei onmiskenbaar tot het eigen universum van Animal Collective. Elk van hun platen onderzoekt gewoon een ander aspect van hun sound, maar die eerdergenoemde basiselementen komen altijd wel weer terug. Erg bijzonder dat ze dat zo jong al voor elkaar hadden. De jeugdigheid is meer terug te horen in de overdaad aan ideeën, waardoor niet elk idee evengoed uit de verf komt. Aan de andere kant is die schetsmatigheid en de vele abrupte wisselingen ook de grote charme van de plaat. Deze plaat kan zich wat mij betreft dan ook aardig meten met hun beste werk. Toch haal ik wel een half sterretje van mijn score af voor dat schelle geluid in het openingsnummer en het begin van Alvin Row. 4*

Bonny Billy & Marquis de Tren - Get the Fuck on Jolly Live (2001)

4,5
De reïntegratie van Ward deel 10:

Bonnie ‘Prince’ Billy is een artiest waar ik me al een tijd in wil verdiepen. Ik heb I See a Darkness wel in de kast staan en Wolfroy Goes to Town heb ik ook wel beluisterd, maar meer dan snuffelen heb ik aan de beste man zijn oeuvre dus nog niet gedaan. Deze tip van Masimo greep ik dan ook dankbaar aan. Kende ik met I See a Darkness al zijn bekendste album, is dit waarschijnlijk een van de meest obscure releases uit zijn carrière. Er is op internet nauwelijks een letter te vinden over deze release. Dat roept natuurlijk de vraag op of we hier te maken hebben met een vergeten parel of met gewoon een mindere release van een zeer productieve artiest.

Het album opent sterk met XXV. Het nummer wordt gedragen door twee tonen gespeeld op de bas die steeds terugkomen als eb en vloed. In dit nummer gebeurt er niets en alles tegelijk. Aan de ene kant stroomt het nummer heel minimalistisch voort zonder ooit naar een punt of een climax toe te werken. Aan de andere kant gebeurt er van alles: verschillende loops met zacht gitaargetokkel, wat zachte percussie, af en toe wat accordeon en daaroverheen de dromerige zang van Will Oldham. Dat alle partijen op het eerste gezicht bijna onafhankelijk van elkaar lijken te opereren waardoor het ritmisch vaak wringt, zorgt voor een fascinerende onderhuidse spanning.

Bij II / XV is meteen duidelijk dat deze stijl heel het album zal worden aangehouden. Dromerige gitaarloops waar rustig overheen wordt getokkeld, spaarzame bijna willekeurige percussie aangevuld met de mijmerende stem van Will Oldham maken hier de dienst uit. De plaat is tegelijkertijd zowel chaotisch als zeer rustgevend, zoals natuurgeluiden in hun chaos vaak ook tot een rustgevende geluidsstroom verworden. Het gevaar ligt met een dergelijke sound misschien op de loer om de luisteraar kwijt te raken. Zeker bij een eerste luisterbeurt kan ik me voorstellen dat iemand dit als puntloos en saai zou afdoen. Toch zou ik dit zeer onterecht vinden. Wanneer je je concentreert op de prachtige, dromerige melodieën en de ritmische spanning tussen de verschillende partijen is dit verre van saai. Voor puntloos valt misschien meer te zeggen.

‘Our life is just to sit and play songs with no purpose’ (II / XV

De nummers werken namelijk nergens naartoe. Klassiek gestructureerde popliedjes hoef je hier niet te verwachten, net zo min als verassende wendingen of grootse climaxen. Erg is dit echter allerminst, sterker nog het is de grote kracht van dit album. In een tijd waarin alles een doel of een richting moet hebben is het zeer waardevol om soms te onthaasten en weg te kruipen in je eigen gedachten. Get The Fuck On Jolly Live biedt je die mogelijkheid. Zeer bijzonder album.

4,5*

Charles Mingus - The Black Saint and the Sinner Lady (1963)

3,5
De reïntegratie van Ward deel 12:

Al ben ik over het algemeen wel in voor het ontdekken van nieuwe genres, heb ik met jazz altijd een nogal stroeve relatie gehad. De hele esthetiek van het genre ligt me gewoon niet. Als ingrediënt om een gerecht op smaak te brengen ben ik er op zich niet vies van. Zo kan ik de muziek van Talk Talk, Tom Waits en Can, maar ook bijvoorbeeld de jazzy hiphop van Nujabes, goed waarderen. Pure onversneden jazz is echter niet aan mij besteed. De rustige variant vind ik vaak niet meer dan aardige achtergrondmuziek, terwijl wildere jazz mij vooral enorm op de zenuwen werkt.

Mijn verwachtingen waren dan ook niet enorm hoog gespannen toen ik deze tip ontving van Arrie in het kader van mijn recensie-topic (aanmeldingen blijven welkom). Tegelijkertijd vind ik het wel fijn om af en een toe een beetje uitgedaagd te worden, dus ben ik toch onbevooroordeeld aan deze plaat begonnen. Bij de eerste luisterbeurten ging het zoals ik van jazz gewend was totaal langs me heen. Na een paar luisterbeurten begon de plaat me echter zowaar te boeien. Waar die omslag vandaan komt is moeilijk te omschrijven, aangezien ik een totale leek ben als het op jazz aankomt. Een poging.

Wat me aanspreekt in dit album is dat het voor mij aan de ene kant heel klassiek aandoet, aan de andere kant heeft het album ook iets vuigs en zelfs licht subversiefs in zich. Het ene moment klinkt het zwierig, speels (het einde van Solo Dancer) en zelfs romantisch (het begin van Duet Solo Dancers), terwijl het bij andere momenten lekker vuig klinkt door de scheurende blazers. Charles Mingus laat zowel de dromerige verliefdheid als de zweterige seks horen (de flamencogitaren dragen hier ook een steentje aan bij). Zowel de ‘saint’ als de ‘sinner’ uit de titel zijn muzikaal terug te horen. Dit levert een zeer boeiend spanningsveld op.

The Black Saint and the Sinner Lady is te ruw om af te doen als achtergrondmuziek. De plaat heeft wel een soort coole ontspannenheid die bij jazz hoort, maar het album schuurt te veel om te verdwijnen naar de achtergrond. Gelukkig wordt het nergens te druk, iets waar ik me bij veel jazz aan stoor. Het album verzandt nergens in oeverloos gepiel of andere vormen van interessantdoenerij. Hierdoor moet ik concluderen dat dit het boeiendste staaltje jazz is dat ik tot nu toe heb beluisterd. Een echt hoge beoordeling blijft echter uit, doordat ik persoonlijk nog steeds een echte klik met het genre mis. Toch heeft het album de deur naar jazz voor mij op een klein kiertje gezet, afwachten of ik die deur ooit verder ga openen.

3,5*

Daniel Lemma - Morning Train (2001)

3,0
De reïntegratie van Ward deel 16:

Al had ik nog nooit van Daniel Lemma gehoord (ben ook allerminst thuis in de soul), verbaasd de hoge score hier me absoluut niet. Dit album staat vol met makkelijk in het gehoor liggende, melodische soul, bovendien heeft hij een aangenaam warm stemgeluid. Het nostalgische sausje doet vermoed ik de rest van het werk voor veel mensen. Zeer begrijpelijk dat Shelter dit album uitkoos om mijn interesse voor het genre te wekken. Desalniettemin ben ik niet onverdeeld positief over dit album.

Laat ik met de positieve punten beginnen. Daniel Lemma heeft een prachtig warm timbre. Met zijn zachte, licht hese stem zingt hij heel makkelijk zonder onnodige opsmuk. Bovendien heeft hij regelmatig een fijne vibrato in zijn stem. De smaakvolle veelal akoestische instrumentaties sluiten perfect bij zijn stem aan. Wederom houdt hij het vrij klein: akoestische gitaar, drums, piano, af en toe een orgeltje en wat blazers, maar het is allemaal vrij simpel gehouden. Hierdoor weet hij een prettig ontspannen sfeertje te scheppen met wat invloeden uit de jazz en folk. Erg klassiek allemaal, maar zeer sterk uitgevoerd. Al weet ik weinig van soul, hoor zelfs ik nog wel dat Otis Redding zijn grote voorbeeld is. Af en toe gaat het tempo licht omhoog en wordt het wat funkier (Alive, Something Evil, If I Used to Love You), maar de sfeer blijft heel laidback. Persoonlijk liggen de ingetogen liedjes mij een stuk beter, zoals het ontroerende Run Tell John en de fijne folky afsluiter You Won’t See Me.

Al is die nostalgische, klassieke aanpak in zekere zin zijn sterke wapen is dat ook wat mij enigszins tegenstaat aan het album. Het album kleurt zo braaf binnen de lijntjes dat het tegen het saaie aan wordt. Nergens word je verrast door een melodie of een instrumentatie (of het moet de accordeon in Must’ve Been Blind zijn). Bij vlagen neigt het zelfs naar muzak voor mij. Hij blijft zo trouw aan de traditie voor mijn gevoel dat het album weinig toegevoegde waarde heeft. Natuurlijk hoeft niet elk album de muziekgeschiedenis te vernieuwen, maar een beetje een originele invalshoek zou ik fijn vinden. Maar dat heeft misschien ook te maken met mijn onervarenheid in het genre.

Uiteindelijk vind ik hier ook wel genoeg om van te genieten. Zo is het allemaal gewoon heel degelijk, met smaakvolle instrumentaties en een heerlijke stem. Maar het album ontbreekt een beetje aan durf en scherpte om mij echt te overtuigen. Door Morning Train heb ik wel zin gekregen om me in het oeuvre van Otis Redding te verdiepen. Dus in die zin heeft het mijn interesse voor soul toch licht aangewakkerd. Bovendien is het een fijn album voor op de zondag ochtend. 3*

Four Tet - There Is Love in You (2010)

5,0
De reïntegratie van Ward deel 6:

Al zet ik af en toe wel een stapje in het veld van de elektronische muziek (Boards of Canada, Aphex Twin, Burial), zijn er nog veel gaten in mijn kennis van het genre. Four Tet was tot nu toe zo’n gat. Doordat Rhythm & Poetry mij dit album tipte in het kader van mijn eigen topic (voel vrij om je in te schrijven ) kwam daar gelukkig verandering in.

De plaat opent ijzersterk met Angel Echoes. De basis is een vrij rechttoe rechtaan repetitieve beat. Daar wordt stapje voor stapje een hemels warm klanktapijt over uitgespreid. Het nummer doet wat een openingsnummer moet doen: het pakt je vanaf de allereerste luisterbeurt bij je lurven. Bij de eerste luisterbeurt zat ik echt met open mond te luisteren naar de warme stroom aan geluidjes die ik over me heen kreeg. Het nummer klinkt zo subtiel en etherisch dat je het gevoel hebt dat wanneer je niet voorzichtig genoeg bent, het nummer je zo kan ontglippen als een gedachte of een droom. Ondanks het adembenemend delicate karakter van het nummer is het door de optimistische, euforische toon tegelijkertijd ook heel erg krachtig. Dat Four Tet dit voor elkaar krijgt zonder dat het nummer ooit plat of bombastisch wordt is een schitterende prestatie.

Daarna komt het langste nummer van de plaat: Love Cry. Dit nummer heeft een wat andere sound dan de rest van het album. Het klinkt wat kaler, wat kouder dan veel van de andere nummers. Neemt niet weg dat dit net als de opener gewoon weer vol in de roos is. De eerste minuten zijn minimalistisch met voornamelijk percussie. Dit wordt echter zo doeltreffend gedaan dat dit de luisteraar in een fijne roes brengt en wanneer na een minuut of 5 die zang erbij komt is het dan ook puur kippenvel. Dit wordt nog eventjes dunnetjes over gedaan wanneer de zware synth erbij komt en de stemsamples door elkaar heen gaan lopen.

Na die climax komt er een mooi sereen rustmoment met Circling. De warme sound van Angel Echoes is weer terug. Net als bij die opener weet Four Tet weer een prachtige combinatie van dromerige breekbaarheid en optimistische krachtigheid uit de speakers te toveren. Het warme synthloopje dat de basis van het nummer vormt is gewoon echt heerlijk en hoe kun je niet vrolijk worden als op het einde dan die zwaardere synth, belletjes en die zachte vrouwenstem erbij komt?

Met Sing wordt het wat dansbaarder. Net als de rest van het album wordt dit nummer gekenmerkt door het repetitieve, minimalistische karakter. Dit nummer heeft echter tegelijkertijd een zeer zelfverzekerde schwung. En heeft iemand ooit een goddelijker geluid gehoord dan die stemsample?

De sound op This Unfolds wijkt wat af van de eerste helft van de plaat. Het nummer wordt omgebouwd om een simpel, warm gitaarloopje. Dit geeft het nummer wat meer een folky textuur mee. Het woord folktronica ben ik met betrekking tot Four Tet nogal eens tegen gekomen. Bij een nummer als dit kan ik die term me wel indenken (al vind ik het een dom woord). Het nummer neemt met zijn 8 minuten de tijd, maar weet met gemak de aandacht te binden. Want ook hier valt de dromerige stroom aan percussie, bliepjes en melodietjes op. Bovendien zit er halverwege een glorieuze tempowisseling.

Reversing is een beetje een onopvallend tussendoortje. Het kabbelt fijn verder, maar er gebeurt iets te weinig om aandacht te eisen. Gelukkig weet je bij de openingstonen van Plastic People al dat het meteen weer raak is. Het nummer wordt gemaakt door een zeer catchy dansbaar loopje. Daar komen langzaam steeds allerlei geluiden bij, die evengoed weer verdwijnen, maar die basis gaat maar door en door. Dit geeft Plastic People een heerlijk stuwende kracht en lijkt me het nummer dat het het best doet op de dansvloer. Daarna sluiten we af met het rustige She Just Likes To Fight. Dit nummer is gebaseerd rond een mooie gitaarpartij. Heeft wel wat weg van Bibio, al is dit wat subtieler. Het album sluit net zo warm af als het opent. Een soort muzikale zonsondergang.

Four Tet levert met There is Love in You (zoals de titel en hoes al doen vermoeden) een heerlijke, warme plaat af, waarbij elk geluidje, sampletje, melodietje lijkt geplaatst met chirurgische precisie. De nummers zijn allemaal vrij repetitief, maar dit is eerder een kracht dan een zwakte. Hierdoor weet Four Tet te hypnotiseren en je even los te rukken van je dagelijkse beslommeringen. Doordat ik van mezelf een beetje zwaar op de hand ben, raakt donkere muziek me vaak meer dan vrolijke muziek. Ik laat me het liefst meevoeren door de melancholische muziek van Burial, The Cure of Tiny Vipers. Bij vrolijke, optimistische muziek heb ik vaak het idee dat het wat oppervlakkiger blijft dan wat droevigere muziek. Four Tet laat hier zien dat optimistische, bijna euforische muziek net zo goed zeer subtiel, emotioneel en diepgaand kan zijn. Daarvoor hulde en 4,5 dikverdiende sterren.

Gil Scott-Heron - Pieces of a Man (1971)

3,5
De reïntegratie van Ward deel 3:

Deze tip heb ik van jassn gekregen zodat ik mezelf eens kon verdiepen in het soul-genre. Dat was ik al langer van plan, dus het is fijn om door middel van deze tip een beginpunt te hebben. Het nadeel is alleen dat ik het hierdoor lastig vind om een recensie te schrijven, aangezien ik dus (op losse nummers na) weinig bekend met het genre ben. Maar zal toch even mijn bevindingen bij dit album neerpennen.

Wat het eerst in het oog springt zijn de directe, vrij letterlijke teksten van Gil Scott-Heron. Ik ben iemand die over het algemeen (hiphop is misschien de uitzondering) die niet erg met teksten bezig is. Ik ga niet actief achterhalen waar een liedje over gaat. De directe tekstuele aanpak van Gil Scott-Heron zorgt er echter voor dat ik het niet kan helpen dat ik op de teksten let. Dit heeft zowel een positief als negatief effect in mijn ogen. Zeer positief is dat zijn sociale bevlogenheid wel echt aankomt. Hij komt sowieso erg oprecht over in zijn frustratie over sociale misstanden. Het hoogtepunt in die zin is het bekende The Revolution Will Not Be Televised.

There will be no pictures of pigs shooting down
brothers in the instant replay.
There will be no pictures of Whitney Young being
run out of Harlem on a rail with a brand new process.
There will be no slow motion or still life of Roy
Wilkens strolling through Watts in a Red, Black and
Green liberation jumpsuit that he had been saving
For just the right occasion.


Een prachtige opzwepende, treffende tekst. Knap ook vind ik hoe dat nummer wel enorm cynisch is, maar dat hij ook de nodige humor erin weet te verwerken (The revolution will not go better with Coke ). Zeker in de sociaal betrokken nummers vind ik de directe schrijfstijl erg effectief (Home is Where the Hatred is, The Prisoner). Het gevaar dat echter op de loer ligt is om te vervallen in banaliteit. Gelukkig weet hij dit over het algemeen wel vrij goed te vermijden. Maar de tekst van een nummer als Save The Children is een voorbeeld waar zijn directe aanpak verzandt in afschuwelijk clichématige banaliteiten.

We've got to do something to save the children
Soon it will be their turn to try and save the world


Dit soort Imagine/Heal The World-achtige clichés werken enorm op mijn lachspieren. Neemt niet weg dat ik dit album voor het grootste deel tekstueel dik in orde vind. Bovendien vind ik de stem van Gil Scott-Heron erg fijn. Het is niet de perfecte zoetgevooisde soulstem, maar zijn bevlogenheid maakt dit ruimschoots goed. Hij zingt met ziel en zaligheid en heeft alle vocale tierelantijntjes waar soulzangers zich nog wel eens aan willen wagen niet nodig. Hij houdt moeiteloos je aandacht vast.

Muzikaal heb ik weinig aan te merken op dit album. Zeer sfeervol gearrangeerd met een fijn laidback jazzy sfeertje. De gitaarpartijen zijn vaak lekker los ingespeeld aangevuld met jazzy pianopartijen en wat dartelende fluitpartijen (hoewel die voor mijn gevoel wel iets te vaak worden ingezet). De afwisseling tussen de wat repetitieve, donkere nummers en de optimistische uptempo catchy nummers zorgt ervoor dat het ook nergens eentonig wordt. Toch verslapt mijn aandacht wat naar het einde toe. Maar wanneer ik de nummers van de tweede helft los beluister doen die eigenlijk niet onder voor de eerste helft (The Prisoner is zelfs een van de hoogtepunten). Dat mijn aandacht verslapt zal vermoed ik dan toch te maken hebben met het feit dat soul (nog) niet helemaal mijn genre is en ik drie kwartier dan toch een tikkeltje te veel van het goede vind. Toch vind ik dit wel een overtuigende 3,5* waard.

P.S. de mensen die dit erg kunnen waarderen zouden ook eens de band Cymande moeten opzoeken. Deed dit me af en toe aan denken en is ook erg de moeite waard.

Gorky - Gorky (1992)

3,0
De reïntegratie van Ward deel 21:

Van Vinck heb ik de opdracht gekregen deze Vlaamse klassieker van een recensie te voorzien. Als Ollander was ik niet bekend met de muziek van Gorky/Gorki. Aangezien ik wel twee jaar in Antwerpen heb gewoond en er nog wekelijks vertoef, was ik wel bekend met de klassiekerstatus van dit album en singles als Mia en Lieve Kleine Piranha. Vol verwachting ben ik dan ook voor deze plaat gaan zitten en te kijken of die status mijn inziens terecht is. Een vraag waar ik niet echt een eenduidig antwoord op heb kunnen vinden.

Voor mij is Luc De Vos de kracht van dit album. Misschien niet allerbeste zanger, maar ik hou wel van zijn lichthese stem die doordrenkt is van melancholie. Vooral tekstueel staat het als een huis. De Vos heeft een mooie observerende manier van schrijven waarin droefenis en humor hand in hand gaan. Schertsend beschrijft hij de melancholie en eenzaamheid van het moderne burgerlijke leven. Doet me hierin een beetje denken aan Jarvis Cocker. Al wordt die typisch Britse mengeling van cynisme en gevatheid hier ingewisseld voor Belgisch surrealisme met een vleugje absurdisme. Hierdoor dreigt het soms wat afstandelijk te worden, maar waar nodig weet De Vos ook te ontroeren met een wat persoonlijkere insteek (Arme Jongen, Boze Wolven.

Al ben ik zeer lovend over de teksten, ben ik iemand bij wie de muziek zelf toch altijd op de eerste plaats staat en laat ik net over die muzikale omlijsting wat minder enthousiast zijn. Al staan er buiten Hollywood geen slechte nummers op het album, vind ik het allemaal vooral erg degelijk. Met name de uptempo nummers vind ik toch wel erg standaard jaren ’90 rock. Er wordt nergens ook maar een beetje buiten de lijntjes gekleurd en die nummers leunen toch wel op vrij flauwe gitaarriffjes. De rustige nummers zijn misschien ook wat middle of the road, maar die vind ik een stuk mooier ingekleurd. Zo zijn de strijkers bij Eisen van de Romantiek erg mooi gedaan en de country-invloeden op Boze Wolven vind ik ook erg fijn. Over de gehele linie toch net wat te vlak voor mijn smaak.

Dit debuut van Gorky is een album waarvoor ik de bescheiden klassiekerstatus me wel kan voorstellen. Tekstueel zeer boeiend, een interessante frontman en ik kan me wel voorstellen dat deze Nederladstalige rock erg fris moet hebben aangevoeld begin jaren ’90. Ook al is de energie nog steeds wel aanstekelijk, vind ik het muzikaal te standaard en te gedateerd klinken om hier echt door gegrepen te worden. Dit album heeft de tand des tijds niet helemaal zonder kleerscheuren doorstaan. Door de teksten en de handvol positieve uitschieters kom ik echter nog steeds uit op een ruime voldoende.

3,5*

P.S. Om herman’s theorie over de Nederlandse voorliefde voor de latere Gorki-albums te staven heb ik enkele nummers van Eindelijk Vakantie! beluisterd en die sound bevalt mij een stukje beter dan dit album. Muzikaal klinkt dat gewoon een stuk rijker. Dus zal die plaat ook eens beluisteren.

Groundation - Hebron Gate (2002)

2,0
De reïntegratie van Ward deel 19:

Dat ik weinig heb met reggae is een understatement. Een van de weinige genres waar ik nooit enige interesse voor heb kunnen opbrengen. Voor mijn gevoel klinkt elke reggaeband precies hetzelfde: als een slap aftreksel van Bob Marley (en daar heb ik ook al niks mee). Tot zover mijn vooroordelen over het genre. Toen Eilord mij de opdracht gaf dit album te recenseren was ik benieuwd of dit mijn visie op het genre kon veranderen. Zeker door zijn opmerking dat hij zelf normaliter ook niet echt voor reggae te porren was. Waren mijn vooroordelen gegrond (pun intended) of valt er ook in deze hoek in de muziek voor mij het nodige te ontdekken?

Die vraag moet ik met ja en nee beantwoorden. Laat ik met het positieve beginnen. Het idee dat alle reggae inwisselbaar klinkt wordt door Hebron Gate wel degelijk ontkracht. Groundation hebben een duidelijk herkenbaar eigen geluid. Dit komt ten eerste door de duidelijke invloeden van jazz en afrobeat. Ze zijn duidelijk muzikaal onderlegd en dat betaald zich uit in een uitgebalanceerd geluid met een fijn jamachtig karakter (de meeste nummers klokken boven de zes minuten). Een tweede aspect dat Groundation een duidelijk eigen karakter geeft is de zang van Harrison Stafford. De man heeft een eigenaardig geknepen androgyn stemgeluid met een rauw randje. Doet me nog het meeste denken aan de stem van Asaf Avidan. Drukt een duidelijke stempel op het geluid van de band.

Tot zover ben ik dus zeker positief. Neemt niet weg dat reggae gewoon een esthetiek heeft die mij niet aanspreekt of raakt. Tekstueel doet zich eenzelfde probleem voor. De teksten gaan veel over Jah en de Rastafari levensopvatting, iets waar ik nul binding mee heb. Dus al hoor ik best waarom dit een van de beter gewaarde reggaebands is, is er van een persoonlijke klik geen sprake. Daarom zou ik normaal gesproken op een kleine voldoende uitkomen. Er is echter nog een struikelblok, waar ik me niet overheen kan zetten. Het mag een detail lijken, maar het accent van de Stafford kost deze plaat zeker een ster. Prees ik hem eerder nog voor zijn bijzondere stemgeluid, stoor ik me enorm aan zijn aangeleerde Jamaicaanse accent. Er is niks mis met een Jamaicaan accent, maar een blanke knul uit California die naar de naam Harrison Stafford luistert die in een aangezet Jamaicaans geluid zingt klinkt gewoon potsierlijk. Desalniettemin heeft Groundation, voor wat het waard is, mijn vooroordelen over reggae wel ontkracht. Al zal ik nooit wat met het genre kunnen ben ik bang.

2*

Guido Belcanto - Een Man Als Ik (2011)

Alternatieve titel: Een Man Zoals Ik

3,0
De reïntegratie van Ward deel 18:

Het leuke aan een topic waar anderen platen voor je uitkiezen is dat je soms bij albums uitkomt die je normaal gesproken niet zou hebben beluisterd. Deze Een Man Als Ik is er zo een. Een man als Guido Belcanto zie je niet elke dag: strak in een zwart pak gestoken en met een kapsel waar Jan Vayne jaloers op zou zijn. Alsof een ordinaire volkszanger poseert op een hoes van een Johnny Cash album. Dat is eigenlijk ook een goede weerspiegeling van de muziek zelf. Donkere weemoedige nummers gebracht in een country jasje en hij schuwt kitscherige strijkers en blazers allerminst. Zijn teksten zitten vol met levenslessen, maar gebracht met de nodige humor. Op papier zijn alle ingrediënten voor een fijne cultplaat aanwezig.

De toon wordt wat dat betreft meteen gezet met het gedragen De zonde die ik nooit beging. Tussen de bombastische strijkers door vertelt Guido ons dat er geen zondes zijn die hij nooit heeft begaan. Als het op de lusten van het leven aankomt kunnen wij hem niets nieuws meer leren. Ik zal de nummers niet een voor een bespreken. Het album blinkt uit in weelderige country producties vol strijkers, blazers en steelguitar. Dat volle, bombastische geluid gaat er bij mij goed in, ondanks dat het regelmatig de grens van kitsch ruimschoots passeert.

Het kitscherige past ook prima bij de traditie van het levenslied waarin Guido zichzelf in plaatst met de verschillende covers die op het album staan. Die covers vind ik niet alle even geslaagd. Met het ingetogen Dan ga ik weg voorgoed maakt hij een schitterende vertaling van Dylan’s Abandoned Love. Een van de hoogtepunten van het album. Zijn versie van Dylan’s It Ain’t Me, Babe wordt wel een erg plat meebrulnummer en zijn versie van Summer Wine (Toverdrank) is solide uitgevoerd, maar voegt eigenlijk niets toe aan het origineel. Daar staat dan weer tegenover dat het titelnummer, zijn versie van de Ierse traditional I’m a Man You Don’t Meet Every Day, Guido op het lijf is geschreven. Die ironische zelfverheerlijking is puur genieten:

‘Wel mijn naam is Guido, meer bepaald Belcanto
de grootste ster die je ooit van zo dicht zag
Koning van het levenslied, dat ben ik, een ander niet
een man als ik ontmoet je niet elke dag.’

Tekstueel weet Guido sowieso aardig uit de hoek te komen. Zijn directe manier van verwoorden past goed bij het genre van het levenslied. Zijn bespiegelingen over vrouwen en relaties mogen dan niet hemelschokkend zijn, Guido weet het erg onderhoudend te brengen. Vooral doordat hij die levenslessen vaak onder een laag snedige humor verstopt, zoals in het erg vermakelijke Een SMS of 3, waarin hij de invloed van moderne technologie op menselijke relaties hilarisch verwoord.

Al zijn er dus genoeg elementen aanwezig om een absolute cultplaat te zijn, is het voor mij dat persoonlijk helaas niet. Dit heeft voornamelijk te maken met Guido’s manier van zingen. Zijn stem zelf ben ik al niet kapot van, maar het grootste struikelblok is de manier waarop hij woorden uitspreekt (en dan heb ik het niet over zijn Vlaams accent). De manier waarop hij constant klemtonen in woorden verkeerd legt om qua metrum uit te komen werkt mij enorm op de zenuwen. Hierdoor loopt het nooit lekker door en komt zijn manier van zingen nogal gekunsteld over. Al klinkt het op papier misschien als een klein kritiekpunt, zorgt het in de praktijk er wel voor dat ik niet echt kan meegaan in de wereld van Guido Belcanto. Hierdoor blijf ik helaas steken op een nipte drie sterren.

Heather Duby - Post to Wire (1999)

3,5
De reïntegratie van Ward deel 23:

Al meer dan een half jaar geleden kreeg ik de taak van Ataloona toegewezen om dit album te recenseren. Dat het zo lang heeft geduurd om iets bij dit album neer te pennen, komt aan de ene kant door het feit dat ik een paar erg drukke maanden achter de rug heb. Aan de andere kant komt het ook door dit album zelf. Het album is de afgelopen maanden regelmatig voorbij gekomen op mijn iPod, maar toch heb ik moeite om een uitgesproken mening over Post to Wire te vormen. De muziek blijft wat ongrijpbaar, maar belofte maakt schuld, dus hierbij mijn bevindingen.

Heather Duby maakt melancholische pop met een elektronische inslag. Sterke troef is Duby’s stem die doordrenkt is van melancholie, maar tegelijkertijd heel zelfverzekerd en onverzettelijk klinkt. Door de krachtige melodieën worden die kwaliteiten slim versterkt, bijvoorbeeld in het meeslepende refrein van Kensington Place en Falter. In de meer etherische nummers zoals Halo Sky is de zang wat dromeriger en spookachtiger (à la Cocteau Twins), wat erg goed uit de verf komt.

Muzikaal is het een gedurfde plaat, die het vooral van sfeer moet hebben. De invloeden uit de triphop (Portishead, Massive Attack, Beth Orton) zijn duidelijk aanwezig, wat een goede match is voor de dromerige stem van Heather Duby. De sfeer is grotendeels kil, donker, maar ook ongrijpbaar. Echoënde zang, onderkoelde elektronische beats, spaarzame gitaar en zoemende orgels. Hoogtepunt is voor mij For Jeffrey, waar een meeslepend spanningsveld wordt gecreëerd tussen de bijna klassiek aandoende melodie en de zeven minuten doordreunende drums. Naar het einde van het album toe wordt de sfeer steeds dromeriger met het Low-esque slepende September en de uitgesponnen klanktapijten Halo Sky en Soulflower. Het drum ‘n’ bass-experimentje Amygdala vind ik wat minder geslaagd.

Al met al zeker een geslaagde plaat, waar de licht experimentele elektronische productie een goed huwelijk vormt met de bijzondere stem van Heather Duby. Een echte topscore zit er op dit moment niet in omdat over de gehele linie Post to Wire mijn aandacht niet volledig weet vast te houden. Bovendien staan er ook wat mindere broeders op het album: het vrijblijvende You Loved Me, het flauwe walsje A Healthy Fear of Monsters en het eerdergenoemde Amygdala. Maar als desolaat sfeerstuk met gewaagde producties en aangrijpende, sterke zang is dit album zeker de moeite waard.

3,5*

Jim O'Rourke - Eureka (1999)

4,0
De reïntegratie van Ward deel 14:

Door de hoes, het jaaraantal en de artiesten waar Jim O’Rourke links mee heeft verwachtte ik een typisch jaren ’90 lo-fi plaatje toen ik deze tip ontving van Sander. Bij het opzetten van de plaat werd ik echter verrast door een weelderig gearrangeerde orchestrale popplaat. Zoals aan de tracktijden wel is te zien zijn het echter geen standaard 3 minuten durende popdeuntjes die Jim O’Rourke ons voorschoteld. Al zijn er ook duidelijke folkinvloeden en hoor je in zijn eigenzinnige houding wel verwantschap terug met de Amerikaanse indierock van de jaren ’90, is dit toch moeilijk te vergelijken met andere platen uit die tijd.

Het album wordt geopend met het mantra: “Women of the world take over / 'Cause if you don't the world will come to an end / And it won't take long”. Dit wordt minutenlang herhaald, waarbij er langzaam naar een climax wordt toegewerkt. Al is dat een afgrijselijk dertienjarig feministen mantra (*kuch* Thatcher) waar ik mijn spreekwoordelijke hol mee afveeg, is het toch een zeer waardige opener. Die afgrijselijke tekst wordt zo vaak herhaald dat het makkelijk wordt om de tekst te negeren en je te focussen op de mooie, zalvende melodielijn. De subtiele arrangementen met percussie, fingerpicking, piano, xylofoon en strijkers werken naar een warme climax toe (dat korte vioolstukje werkt zeer bevrijdend).
Ghost Ship in a Storm begint wat stemmiger met een weemoedige gitaar- en pianopartij. Door de rollende, jazzy percussie opent het liedje zich toch langzaam. De arrangementen zijn weer om je vingers bij af te likken. Vooral het instrumentale einde is echt prachtig gedaan met eerst blazers en daarna de pedal steel. Movie on the Way Down begint stemmig met een wat ontoegankelijkere geluidsbrij, totdat na een minuut of vier een melancholisch liedje zijn kop opsteekt. Hoe dat liedje uit die rommeligheid voortkomt is wel een hint naar zijn latere productiewerk op Wilco’s Yankee Hotel Foxtrot. Het liedje zelf klinkt breekbaar en wat kleinschaliger dan de voorgaande nummers. Toch is de productie weer zeer origineel met de nadrukkelijke rol voor weerbarstige blazers en de melancholische viool op het einde.
Through The Night Softly begint als een klassiek aandoend jazzy instrumentaal nummer. Halverwege breekt het echter groots open met een indrukwekkende scheurende saxofoon ondersteund door een koor. Het opvallendste moment van het album, maar wat mij betreft zeker zeer geslaagd. Het tamelijk korte instrumentale Please Patronize Our Sponsors brengt het tempo terug in het album en de tweede helft van het nummer brengt de lach terug op ons gezicht terug.
Die lach staat ook het gezicht gebeiteld tijdens het heerlijk kitscherige Something Big. Een uitbundige cover van een Burt Bacharach nummer, dat opvallend dicht bij het origineel blijft met een bossanova-gitaar gekoppeld aan vrouwelijke achtergrondzang. Een groots popspektakel, die qua productie aansluit bij de weelderigheid van de rest van het album. Hierna gaan we over in het uitgesponnen meesterwerk Eureka. Het is te begrijpen waarom Shinji Aoyama dit nummer voor zijn film met dezelfde titel gebruikte. Het straalt dezelfde zomerse, trage melancholie uit dat zijn film. Naar het einde toe verdwijnen de blazers steeds meer in een dronerige spacy geluidscollage, die voor je gevoel oneindig zou kunnen duren. Het album wordt afgesloten met het weerbarstige Happy Holidays. Heel even lijkt het of ik toch nog de lofi-sound krijg die ik van te voren verwachtte, maar al snel breekt er toch weer een koortje los aangevuld met loepzuivere blazers. Al is het een aardig nummer, had ik het denk ik fijner gevonden om met Eureka in de wolken te blijven hangen.

Jim O’Rourke laat hier zien meerdere talenten te hebben. Zo laat hij horen dat hij het schrijven van goede popmelodieën achteloos beheerst. Dit wordt pas echt interessant doordat hij dit vermogen koppelt aan een echt hemelse productie. De plaat klinkt zo warm en weelderig, zonder ooit goedkoop of bombastisch te klinken. Hij zet een heel scala aan instrumenten in, maar elke noot weet zijn plaats in het geheel. Elk melodielijntje is zo subtiel dat het nergens te bombastisch wordt. Hij creëert een vol driedimensionaal geluid, dat toch heel luchtig aanvoelt. Ondanks de valse start op tekstueel gebied met de opener weet hij ook op dat vlak indruk te maken met zijn zwartgallig gevoel voor humor. Zijn absurdistische beschrijving van een ongeluk in Ghost Ship in a Storm is bijvoorbeeld een fraai stukje tragikomedie. Eureka is een mooi gelaagd album, waar elke luisterbeurt nieuwe details in zijn te ontdekken. Aan de andere kant voelt de warme, maar weemoedige sfeer vanaf de eerste luisterbeurt als een warm bad. Deze combinatie van gelaagdheid en toegankelijkheid maakt dit album tot een tijdloos stukje muziek. 4*

Kanye West - Yeezus (2013)

4,0
Grotendeels eens met de Don. Als heel het album had geklonken als de eerste helft zou dit echt een classic zijn. Zo dreigend en in your face, heel sterk. Dat geschreeuw en gehijg op het einde van I am a God werkt echt heel intens (sowieso samen met New Slaves voor mij het hoogtepunt). Goede paranoia sfeer. Op de tweede helft wordt het iets voller van sound en dan verslapt mijn aandacht toch een beetje. Er zijn nog wel toffe productionele vondsten, maar ook teveel autotune geneuzel (met die solo op het einde van Blood On The Leaves als triest dieptepunt). Ik vond eigenlijk dat Kanye altijd autotune op een goede manier wist in te zetten. Zo paste het perfect bij de koude sfeer van 808's & Heartbreak en vond ik de solo in Runaway ook een schitterende vondst. Op dit album klinkt het echter veel overbodiger en alsof hij er maar wat mee aan het aankloten is.

Tekstueel stelt het album niet zo veel voor. Toch vind ik het wel bij de sfeer passen. Kanye rapt veel over seks, drugs en het rijke leven, maar lijkt het niet echt te vieren of te verheerlijken. Hij lijkt zich eerder gedesillusioneerd en verveeld hier aan te vergrijpen. De sfeer is er eerder eentje van agressie en zelfhaat dan van zorgeloos feesten (doet me qua sfeer wat denken aan The Weeknd). Neemt niet weg dat hij tekstueel wel iets dieper had kunnen gaan. Boeiend project wat imo niet volledig geslaagd is, met name door de mindere tweede helft. Toch blijf ik het maar draaien.

Ik begin met 3,5 maar kan voor mijn gevoel nog alle kanten op.

Klee - Unverwundbar (2003)

4,0
De reïntegratie van Ward deel 20:

Soms stuit je op een album dat onterecht verloren lijkt te zijn gegaan in het brede aanbod dat er wekelijks aan muziek uitkomt. Dit album van Klee lijkt me er zo eentje. Staat hier op een bescheiden zeven stemmen en ook op google krijg je niet bijster veel resultaten terug. Een enkele Duitse recensie en wat korte informatie over het album. Was dit zelf denk ik dan ook niet zomaar op het spoor gekomen, ware het niet dat GrafGantz mij dit album aanraadde.

Dat gebrek aan belangstelling zal grotendeels komen door de Duitse teksten, dat verkleint het potentieel publiek aanzienlijk. Maar het heeft misschien ook met het karakter van Unverwundbar te maken: dit is geen album wat schreeuwt om aandacht of wat meteen bij de lurven grijpt. Het is een lieflijk, zachtaardig album dat langzaam in je hart nestelt. Klee combineert warme synthklanken, vrolijke New Order basloopjes en de zachte, lieve stem van Suzie Kerstgens versierd met een blazertje hier en daar. Klee levert hier een onvervalste lenteplaat af. Vrolijk met een licht melancholische ondertoon, maar vooral überschattig. Een mierzoete plaat over verliefdheid, met af en toe een bitter randje. Unverwundbar is een passende titel, zo voel je je immers als je net verliefd bent. Dat gevoel van euforie hangt dan ook als een warme deken over het album heen.

Soms wordt de sfeer ietsje donkerder en gaat de muziek voorzichtig richting muziek voor in de club (#9, Nicht Immer Aber Jetzt en Standard Kompakt. Deze nummers zorgen er voor dat het album niet te eentonig wordt en dat de sfeer nergens te klef wordt. Toch vind ik dit muzikaal veruit de minst interessante nummers. Die nummers zijn zeker niet slecht maar hebben toch een beetje een gedateerd elektrogeluid. De kracht van Klee ligt niet in die hoek, maar duidelijk bij de schattige lentepop die de rest van het album vult.

Het album wordt bij vlagen misschien net iets te cheesy (Hey Wenn Du Lachst), maar ik persoonlijk stoor me daar allerminst aan. Klee weet het gevoel van jeugdige verliefdheid perfect om te zetten in smaakvolle synthpop. Natuurlijk is er de euforie wanneer je met haar/hem bent, maar ook de melancholie waarmee je overvallen wordt als je alleen in je bed ligt. Het zal voor velen misschien te zoet zijn, maar voor mij is het perfect album om nostalgisch te mijmeren over vervlogen zomers en de kalverliefdes die daarbij horen.

4*

Marc and the Mambas - Torment and Toreros (1983)

4,0
Ben nu met mijn vierde luisterbeurt bezig. Ik heb nog niet het gevoel dat ik heel de plaat heb verwerkt, maar het is dan ook zowel qua lengte als qua inhoud niet eenvoudig te behappen. Desalniettemin wil ik wel wat eerste indrukken kwijt.

Als filmfanaat had ik direct de associatie met de films van Pedro Almodóvar en dan heb ik het niet enkel over het Spaanse tintje dat dit album kenmerkt. Torment and Toreros is net als de cinema van Almodóvar theatraal, heftig en ik zou zeggen bijna overdramatisch (bedoel ik overigens niet negatief). Net als Almodóvar slaagt Marc Almond er echter in om het zo gepassioneerd en kleurrijk te brengen dat het ondanks de emotionele heftigheid toch ook iets heel krachtigs en zelfs levenslustigs heeft. Hierdoor wordt die zeer emotionele aanpak ook nergens potsierlijk. Depressief zou ik het dan ook niet willen noemen, dan denk ik toch eerder aan de koude uitzichtloosheid van een Joy Division.

Een andere associatie die ik had was de muziek van Xiu Xiu. Ik doel dan eigenlijk voornamelijk op de tekstuele benadering, niet zozeer de muzikale invulling. Die directe, bijna pijnlijke tekstuele benadering. Zonder enige vorm van schaamte of terughoudendheid al je twijfels, verlangens, wanhoop en zelfs zelfhaat van je afspugen. Bovendien brengt Marc Almond het net als Jamie Stewart met een hoop pathos.

Muzikaal is dit album overigens ook zeer puik met een meeslepende mix van cabaret, new wave, pop, Spaanse muziek en zelfs wat klassiek. Dit album is echt een zeer bijzondere ervaring. Ik open dan ook gewoon met 4,5*

Modest Mouse - The Lonesome Crowded West (1997)

5,0
De reïntegratie van Ward deel 8:

Snoeperd heeft mij met de onmogelijke taak opgezadeld om mijn favoriete album aller tijden te recenseren. Kun je als muziekliefhebber met woorden ooit recht doen aan de band die je hebt met je meest dierbare album? Die liefde gaat dieper dan een ik hou van dit album om reden A,B en C. Die persoonlijke klik die je voelt bij je lievelingsalbum is iets onverklaarbaars. Natuurlijk heb ik argumenten waarom ik dit een sterke plaat vind, maar een verklaring waarom ik The Lonesome Crowded West verkies boven alle andere albums heb ik zelf ook niet. Hierdoor weet ik bij aanvang van mijn recensie al dat deze recensie nooit succesvol kan zijn. Desalniettemin ben ik het aan mijzelf, maar bovenal aan dit album, verschuldigd om toch een poging te wagen.

I didn’t move to the city, the city moved to me and I want out desperately (Cowboy Dan)

Isaac Brock beschrijft op dit album een tijd van transitie. De natuur wordt langzaam verdrongen door de zich maar altijd uitbreidende ‘beschaving’. Kleine Amerikaanse steden verliezen hun identiteit doordat kleine middenstanders worden weggevaagd door grote winkelketens en winkelcentra. Alles lijkt te draaien om materialisme en winst maken. Het leven wordt steeds onpersoonlijker. Brock voelt zich vervreemd van deze veranderingen en schreeuwt zijn frustraties van zich af op dit album. Niet voor niets identificeert hij zichzelf in zijn teksten met mensen die aan de rand van deze veranderende wereld leven: white trash, truckers en zelfs een cowboy. De titel The Lonesome Crowded West zegt eigenlijk alles: de wereld wordt alleen maar drukker en voller, maar dit brengt enkel eenzaamheid met zich mee.

Brock weet dit echter te verpakken in mooie, surrealistische metaforen (“Eating snowflakes with plastic forks”). Bovendien heeft hij een talent voor het schetsen van vervreemdende, intrigerende taferelen. Wat te denken bijvoorbeeld van de dronken cowboy die God probeert te vermoorden in Cowboy Dan: He drove to the desert, fired his rifle in the sky / And says, "God if I have to die you will have to die". Hierdoor ligt de boodschap er nooit te dik op en kan iedereen uit zijn teksten halen wat hij/zij zelf wil. Al is die afkeer van de asfaltering van de wereld duidelijk aanwezig:

Waiting to bleed on the big streets
That bleed out on the highways and
Off to other cities built to make and
Store these rocks

(Convenient Parking)

Al is Isaac Brock een begenadigd tekstschrijver, Modest Mouse heeft veel meer te bieden dan enkel dat. Een struikelblok voor veel mensen is de stem van Brock, iets waar ik in het begin ook aan heb moeten wennen. Brock heeft absoluut geen mooie stem. Zijn zang is schreeuwerig, rauw en vaak niet al te zuiver (om over zijn geslis nog maar te zwijgen). Toch schuilt er een emotionele eerlijkheid in zijn stem die me diep in mijn hart raakt en door de jaren heen is zijn stem me zeer dierbaar geworden. Bovendien past het rauwe, bijna brute stemgeluid perfect bij de muziek, die al net zo rammelt als Brock zijn stem. De muziek bevindt zich ergens tussen Pavement, Pixies en Built To Spill in, maar blijft altijd onmiskenbaar Modest Mouse. De voorspelbare, conventionele weg wordt altijd gemeden. Rauw, compromisloos en tegendraads zijn hier sleutelwoorden. Hoekige, dansbare, schreeuwerige stukken worden afgewisseld met uitgesponnen instrumentale jams. Ik ken geen andere band die op zo’n natuurlijke wijze van brute agressie abrupt kan omschakelen naar totale rust en weer terug. De sfeer is er een van desillusie, depressie en frustratie.

De toon van het album mag dan wel doorspekt zijn met cynisme en zwartgallige humor, toch zijn er ook momenten van ontwapenende eerlijkheid. Zo begint Brock’s kritiek op het gebrek aan authenticiteit bij veel mensen in de ontroerende ballad Bankrupt on Selling nog vanuit een afstandelijk sarcasme (Well all the Apostles-they're sitting in swings / Saying "I'd sell off my Savior for a set of new rings / And some sandles with the style of straps that cling best to the era"). Brock geeft zich op het einde van het nummer echter onverwachts bloot wanneer hij concludeert dat hij zelf geen haar beter is en dit koppelt aan een stukgelopen relatie (“I come clean out of love with my lover / I still love her / Loved her more when she used to be sober and I was kinder”). Het meest ontroerende moment is echter het door merg en been gaande Trailer Trash. Een hartverscheurend nummer over de uitzichtloze situatie waar de Amerikaanse ‘white trash’ zich in bevinden.

The Lonesome Crowded West is tegendraads, dissonant, rauw, inventief, melancholisch en ontwapenend. Een cynisch commentaar op het moderne leven en de suburbanisering van Amerika. De tragiek van het verdwijnen van de Amerikaanse kleinstedelijke cultuur wordt zo scherp beschreven, dat je niet anders kan dan meegaan in Isaac Brock zijn woede en desillusie. Al kan ik hun later werk ook wel goed waarderen, mis ik ergens toch wel de rauwe urgentie en ontoegankelijkheid van hun oude werk. Deze plaat klinkt nog alsof die op elk moment uit elkaar kan vallen (maar dat natuurlijk gelukkig nooit doet). Rotsvast op die nummer 1 positie in mijn top 10.

Motorpsycho - Blissard (1996)

4,5
De reïntegratie van Ward deel 2:

Een lastig album om te reviewen, mede doordat het album twee gezichten heeft. De plaat begint zeer energiek en aanstekelijk en wordt gaandeweg steeds introverter om uiteindelijk zelfs af te sluiten met een stukje ambient. Die structurering van het album zorgt voor een zeer bijzondere luisterervaring die sowieso intrigeert.

Toch zat dit album mij in het begin niet helemaal lekker. Waar ik sommige nummers wel sterk vond, ergerde ik me bij het luisteren van het album als geheel soms toch teveel aan de zang. Dan gaat het me niet om het feit dat niet alles even zuiver en toonvast ingezongen wordt, dat hoort immers bij dit soort rammelende albums. Ik vond de stem van de zanger soms iets te schel, zeker bij de wat hogere schreeuwerige stukken. Bovendien vond ik de eerste helft in eerste instantie niet zo boeiend, op de geniale opener na.

Elke luisterbeurt begon ik zeer kritisch, om dan naar het einde toe toch steeds meer bij te draaien. En ook al vind ik de tweede helft nog steeds aanzienlijk sterker, is die eerste helft ook aanzienlijk gegroeid in mijn waardering. De eerste helft bestaat uit lekker rommelige rock waar de ene geniale gitaarlijn struikelt over de volgende. Dit wordt aangevuld met krachtige drumpartijen en zeer catchy refreintjes. Ik ben nog steeds geen enorme fan van de stem van de zanger in sommige van deze nummers, maar dat wordt door de andere elementen ruimschoots goed gemaakt. Het hoogtepunt van deze eerste helft is de Sonic Youth-achtige opener Sinful, Wind-Borne, wat gewoon een enorme brok rauwe energie is, bovendien zit het compositorisch ook nog eens heel sterk in elkaar met een overvloed aan mooie melodielijnen. The Nerve Tattoo mag er ook zeker zijn, wederom erg melodieus met bovendien een schitterende outro dat lijkt te beginnen als een korte rustige bridge op weg naar het laatste refrein. In plaats van een laatste refrein wordt de toon echter steeds ongemakkelijker om uiteindelijk over te gaan in een dissonante kakofonie.

Met het Slint-esque True Middle wordt duidelijk gemaakt dat de toon van de tweede helft een heel stuk anders zal zijn. Een donker, langzaam uitgesponnen nummer met gesproken tekst. Er wordt op schitterende wijze een bijna apocalyptische spanning opgebouwd die uiteindelijk tot bloei komt in een noise-uitbarsting op het einde van het nummer. De toon blijft een tikkeltje dreigend (al valt het apocalyptische van het vorige nummer wel weg) met het 10 minuten durende S.T.G.. Het nummer dendert lekker voort en verraadt net als het openingsnummer een duidelijk invloed van Sonic Youth. Heerlijke compositie weer. Vooral hoe het halverwege steeds meer ontspoort in een totale waanzin om daarna terug te vallen in een rustige outro van ruim 3 minuten.

Hierna vervalt de plaat steeds meer in een ingetogen introspectie. Eerst is er het magistrale Manmower dat aan de rustige nummers van Smashing Pumpkins doet denken. Echt zo’n larger-than-life liedje (die piano ) waarbij je je als luisteraar na al het voorgaande gitaargeweld gewillig laat meeslepen. Fool’s Gold is een ontroerende lo-fi gitaarballad die gewoon heel hard binnenkomt. Prachtig ook de kleine slordigheidjes en de beperkte opnamekwaliteit. Geeft het nummer een extra persoonlijke lading en impact. Hierna kun je als luisteraar nog even overpeinzen naar wat voor bijzonder album je geluisterd hebt op de dromerige ambient-klanken van Nathan Daniel's Tune from Hawaii. Schitterend hoe je zo als luisteraar nog een paar minuten van bezinning hebt voor je verder gaat met de rest van je dag.

De plaat is echt enorm gegroeid binnen een luisterbeurt of tien en zal hopelijk nog door blijven groeien. Voor de eerste helft zou ik nu op ongeveer 4* uitkomen, maar die tweede helft is zo bijzonder dat alles minder dan 5* een belediging zou zijn. Daarom neem ik voor nu de middenweg van 4,5*.

Nujabes - Metaphorical Music (2003)

4,0
De reïntegratie van Ward deel 5:

Al luister ik de laatste jaren vrij veel hiphop en begin ik mijn weg goed te vinden in het genre, blijf ik het recenseren van hiphopalbums toch lastig te vinden. In zekere zin voel ik me dan toch nog een beetje een beginner in het genre. Zeker wanneer je op deze site soms interessante zeer gedetailleerde gesprekken over beats maken, rijmschema’s en flows leest. Aan de andere kant is dat natuurlijk geen onoverkomelijk probleem, en kan ik niet meer doen dan neerpennen hoe ik een plaat ervaar. Dus dat zal ik dan ook trachten te doen over dit door Ernie getipte album.

Ik heb de laatste jaren een flinke interesse in Japan ontwikkeld. Dit komt met name door mijn liefde voor Japanse cinema, maar heeft zich ook wel verder uitgespreid en ik ben zelfs bezig om Japans als taal te leren. Met Japanse popmuziek ben ik echter veel minder bekend (kan niet zoveel met J-Pop). Daarom was mijn interesse snel gewekt bij het zien van de tip. Bovendien had ik al wel eens wat losse nummers van Nujabes beluisterd die zeker naar meer smaakten. Dit plaatje is in die zin eigenlijk ook precies wat ik verwachtte. Uiterst ontspannen, smaakvolle hiphop met een flink scheut jazz.

Nujabes zijn grootste kracht is dat hij zijn muziek heerlijk luchtig weet laten te klinken. Hij stopt zijn producties niet te vol, waardoor de liedjes lekker kunnen ademen. Hierdoor krijgen de jazzy pianosamples goed de ruimte om de luisteraar weg te laten dromen. De baslijntjes wandelen hier op subtiele wijze doorheen en geeft de nummers een zekere gerichtheid mee, zonder overigens te sterk op de voorgrond te treden. Deze ontspannen sound maakt dit een perfecte zondagochtend plaat. Je hoofd is nog niet helemaal scherp door de slaap (en eventueel de drank van de avond ervoor) en je hebt nog niet echt zin om met anderen mensen te communiceren. In deze staat van verdoving is het gewoon heerlijk wegdromen op de muziek van Nujabes. Een beetje uit het raam staren naar de mensen die door de straat lopen, een beetje op bed liggen en naar het plafond kijken, een beetje doelloos door een boek bladeren. Gewoon fijn lanterfanten en de alledaagse werkelijkheid laten binnensijpelen op de jazzy tonen van Metaphorical Music.

Ik kan nog wel iets schrijven over de rappers, maar die spelen voor mij toch een beetje tweede viool op dit album. Begrijp me niet verkeerd, ze halen zeker wel een prima niveau en voegen met hun laidback flows zeker wel iets toe. Ik bedoel meer dat ze gewoon opgaan in de totaalsound, in plaats van sterk op de voorgrond te treden. Ze voelen goed aan dat dit geen muziek is die in-your-face wil zijn. Die houding maakt dit album ook zo sterk als het is. Toch is dit tevens ook de valkuil van Metaphorical Music. Het album vormt een heel fijn dromerig geheel, maar ik mis toch een beetje producties waarbij je van je stoel valt van bewondering. Het niveau ligt echter constant hoog en als geheel werkt het gewoon.

4*

Ocean Wisdom - Chaos 93' (2016)

4,0
Volledig eens met Sjaakspeare. Tof album van een zeer veelbelovend MC. De producties van Dirty Dike mogen er wat mij betreft ook zijn met toffe samples en lekkere basloopjes. Soms wordt er misschien qua sound iets te nadrukkelijk teruggegrepen op de jaren '90. Toch voelt het door Ocean Wisdom zijn flow tegelijkertijd ook wel fris en nieuw aan. Ook al kan hij in een razend tempo spitten, weet hij dit gelukkig goed te doseren, waardoor het geen gimmick wordt. Hij blijft telkens op indrukwekkende wijze zijn flow en tempo variëren. De hooks en refreintjes mogen wel wat sterker. Vooral als hij een refreintje zingt vind ik een stuk minder.

Door het accent en lokale slang kost het soms wat moeite om te volgen waar het over gaat. Sowieso kan het inhoudelijk wel wat sterker. Het gaat toch vooral over zijn eigen vaardigheden als MC, wat na een tijdje wat eentonig wordt. Hij komt wel met goede punchlines, sowieso wel tof om typisch Britse referenties naar voetballers, etc. te horen. Alles bij elkaar ben ik zeker positief en laat Ocean Wisdom dat de UK meer te bieden heeft dan grime.

Hoogtepunten: Walkin', High Street en One Take.

Rolling Stones - Exile on Main St. (1972)

3,5
De reïntegratie van Ward deel 9:

Een goede Stonesknaller kan ik op zijn tijd erg goed waarderen. Toch heb ik nooit echt de neiging gevoeld om hun oeuvre uit te pluizen. Mijn Rolling Stones-honger is vaak na een nummer of drie wel weer gestild. Bovendien vind ik het soms lastig om de Stones los te zien van wat de Stones nu zijn. De meelijwekkende beelden van een bijna bejaarde Mick Jagger die zijn heupen schudt alsof hij nog twintig is, zijn vaak moeilijk af te schudden. Neemt niet weg dat het natuurlijk oneerlijk is om hun oude werk daarop af te rekenen. Dat doe ik ook zeker niet, maar het is wel een reden waarom mijn interesse voor de Stones nooit heel erg is aangewakkerd.

Toen ArthurDZ aankwam met deze plaat als tip voor mij, was ik zeer benieuwd of deze klassieker mij dan eindelijk het licht kon laten zien. Wat me meteen aansprak bij de eerste luisterbeurt is de rauwe sound die de Stones hier hanteren. Ik vind het wat intenser, vuriger klinken dan op Let It Bleed (de enige plaat die ik verder echt van ze ken) en dat bevalt me wel. Het geheel is een ongepolijste mengelmoes van pure Amerikaanse genres als country, blues, rock & roll, soul en gospel. Hierdoor zit het met de afwisseling wel goed op de plaat, maar hierdoor heeft Exile on Main St. ook iets onevenwichtigs. Tegelijkertijd haalt het album daar ook zijn spanning juist wel uit.

De hoogtes van dit album zijn duizelingwekkend hoog. Zo opent de plaat ijzersterk met Rocks Off. Vooral het contrast tussen de energieke instrumentatie en de verveelde zanglijn van de coupletten werkt erg goed, om over die heerlijke blazers nog maar te zwijgen. Een andere persoonlijke favoriet is het slepende countrynummer Sweet Virginia. Zo sfeervol hoe iedereen meeblèrt met Jagger, voor mij het absolute prijsnummer. Ook Loving Cup is genieten geblazen met echt die typische Stones-sound, maar ook voor een gospelkraker als Shine a Light draaien ze hun hand niet om. De plaat is ondanks het wispelturige karakter toch vrij consistent. Al vind ik het stuk tussen Rip This Joint en Sweet Virginia persoonlijk iets te onopvallend en vind ik Ventilator Blues zelfs ronduit vervelend. Sowieso heb ik veel meer met de midtempo en downtempo nummers (knap hoe ook die nummers iets vuigs blijven hebben), vind de uptempo nummers soms een beetje dertien in een dozijn.

Dat weerhoudt mij er dan ook van om een echte topscore uit te delen. Bovendien vind ik een uur en 7 minuten een tikkeltje te lang voor dit album. Een paar mindere broeders weg en ik zou minstens een halve ster hoger uitkomen. Neemt niet weg dat de klasse van deze plaat afdruipt. Je proeft hun oprechte liefde voor traditionele genres als soul, gospel, country en blues op deze plaat en dat werkt heel aanstekelijk. Ze beheersen deze stijlen echt tot in de puntjes en de stem van Jagger vind ik ook echt perfect passen bij de ongepolijste stijl die ze hier hanteren. Deze zweterige, rauwe plaat van de Stones verdient de klassiekerstatus die hij heeft dan ook zeker, maar voor mij persoonlijk net iets te inconsistent. 4*

Steve Reich - Music for 18 Musicians (1978)

5,0
De reïntegratie van Ward deel 15:

Ruim zes jaar geleden volgde ik in het eerste jaar van mijn bachelor opleiding Algemene Cultuur Wetenschappen een vak waarin heel de geschiedenis van kunst in rap tempo werd doorgenomen. Toen we eenmaal in de 20e eeuw werden aangekomen kregen we een heel college over minimalistische muziek. Al vond ik de fragmenten die we te horen kregen in dit college zeer interessant vanuit een academisch oogpunt, kon ik op een persoonlijk vlak een stuk minder er van genieten. Er zat echter één fragment tussen dat er voor mij uitsprong, dit klonk warmer, meer organisch en dromeriger dan de andere fragmenten. Een jaar later wilde ik het betreffende stuk eens grondiger gaan beluisteren, maar de titel en componist waren mij ontschoten (ik was ervan overtuigd dat het door Philip Glass gecomponeerd was). Toen Teunnis mij dit album van Steve Reich tipte wist ik wel dat dit album een klassieker was, maar had ik geen idee dat dit het album was dat ik jaren geleden tevergeefs had gezocht.

Al snel wordt duidelijk waarom dit soort muziek minimalisme wordt genoemd. Repetitie is hier het sleutelwoord. Elke sectie bestaat uit een enkel akkoord (als ik me niet vergis), waarop verschillende instrumenten kleine melodielijntjes planten. Het klankenpalet bestaat onder anderen uit piano, xylofoon, marimba, viool, cello, klarinet en zachte vrouwenzang. Deze instrumenten komen als golven langzaam op om iets later weer even geleidelijk naar de achtergrond te verdwijnen. Op deze wijze creëert Reich een complex web van steeds verschuivende patronen. Een bijna mathematisch proces, toch klinkt Music for 18 Musicians nergens kil of machinaal. Reich slaagt erin om juist een heel warm en organisch geluid te creëren. Je hoort alle afzonderlijke instrumenten, maar tegelijkertijd ontstaat er een groter geheel. Reich heeft zo’n gevoel voor timnbre dat hij een enorm vol en warm geluid weet te creëren, zonder dat het ooit bombastisch klinkt of zelfs maar hint naar sentimentaliteit.

Bij minimalisme ligt misschien het gevaar op de loer dat het voornamelijk muziek van het ratio is, maar dat is hier allerminst het geval. Reich weet in dit warme klanktapijt een hoop emotie te leggen. Voor een avant-gardistisch genre als minimalisme is dit ook verrassend toegankelijke muziek. De invloed die dit stuk heeft gehad op de popmuziek verbaasd me dan ook allerminst. Teunnis had het in zijn aanbeveling van dit album in mijn topic al over Sufjan Stevens en Holden. Referenties die eenvoudig zijn te begrijpen. De xylofoon gebaseerde, weelderige klanktapijten die op Illinois regelmatig zijn terug te horen, grijpen duidelijk terug op dit werk. Holden grijpt nog nadrukkelijker terug op minimalistische genre en zijn muziek deelt een pulserende levensenergie met deze compositie van Reich. Zelf hoor ik ook duidelijk de invloed van dit werk terug in Four Tet’s prachtige There is Love in You (die ik al eerder in het kader van mijn topic van een recensie heb voorzien). Four Tet gebruikt dezelfde soort twinkelende repetitieve loops als Steve Reich. Met die duidelijke invloed op veel van mijn persoonlijke favorieten is het dan ook geen verassing dat dit album goed bij mij in de smaak valt (ik zal Reich’s CD-box Phases meteen doorgeven aan Sinterklaas). Een schitterende dromerige reis en verplichte kost voor elke liefhebber van elektronische muziek. 4,5*

Suede - Dog Man Star (1994)

4,5
De reïntegratie van Ward deel 13:

Al heb ik de britpop-hoogdagen niet heel bewust meegekregen (ik was zes jaar oud in ’94), heb ik altijd wel een connectie gehad met de stroming. Blur, maar met name Pulp komen hier geregeld uit de kast. Ik moet echter beschaamd toegeven dat ik me tot nu toe nooit aan Suede had gewaagd (toch geen kleine naam in het genre). Fathead heeft me echter aangespoord om daar toch eens verandering in te brengen.

De band stelt zichzelf voor met Introducing the Band. Klinkt een beetje als een cynische parodie op de opening van Sgt. Peppers Lonely Hearts Club Band. In plaats van een vrolijk welkom krijgen we verwijzingen naar drugs en geweld voorgeschoteld, gebracht in een soort afstandelijk, mechanisch tempo. De toon en de sfeer is meteen gezet. Want met We Are The Pigs is duidelijk dat die dystopische sfeer van het openingsnummer zal worden aangehouden. Zo mogen we op het einde meegalmen met Brett Anderson dat ‘we will watch them burn’. Behoorlijk bitter, om over de outro waarin kinderen hetzelfde mantra scanderen nog maar te zwijgen. In tegenstelling tot de openingstrack klinkt het nummer muzikaal echter behoorlijk zwierig.

Die combinatie van muzikale zwierigheid en gitzwarte, cynische teksten blijken een terugkerende tegenstelling te zijn op Dog Man Star. Weelderige, stijlvolle strijkersarrangementen en blazers worden ondermijnd door teksten doordrenkt van angst, walging, woede, apathie, drugs en disillusie. Het roept beelden op van een aan lager wal geraakte Hollywood-diva. Het tragisch vasthouden aan de grandeur van een vorig leven in een groezelige wereld van verslaving en depressie. Het verlangen tot escapisme is sterk aanwezig:

But oh if you stay we'll ride from disguised suburban graves
We'll go from the bungalows where the debts still grow every day
(The Wild Ones)

Tekstueel zeer interessant met meerdere verwijzingen naar tragische Hollywood-figuren (James Dean en Marilyn Monroe bijvoorbeeld). Tegelijkertijd gaat het over het grijze bestaan van de Britse jeugd in de arbeiderswijken en het dromen van een kleurrijker, glamoureuzer bestaan. De uitzichtloosheid en grimmigheid van dat leven wordt heel knap voelbaar gemaakt.

Muzikaal zit het ook zeer prima in elkaar. De invloeden van David Bowie en T. Rex zijn duidelijk te horen in de glamrock-gitaarpartijen. Aan de ene kant staan er wat stevige, grimmige rocknummers op, aan de andere kant heb je melancholische, bombastische ballads vol zwierige arrangementen. Muzikaal heb je dus dezelfde tegenstelling tussen grandeur en grimmigheid die ook in de teksten terug te vinden zijn. Hierdoor ontstaat een bijzonder album waarbij er duidelijk over de samenhang tussen de vorm en de inhoud is nagedacht, zonder dat het een pretentieus conceptalbum is geworden. Bovendien is de combinatie van Brett Anderson zijn snerende en galmende manier van zingen en de weidse gitaarpartijen van Bernard Butler zeer prettig om naar te luisteren. Begrijpelijk dat dit duo in een adem wordt genoemd met Morrissey en Marr. Mijn favorieten zijn het hartverscheurende Still Life, We Are The Pigs en The Asphalt World. Hogeschool Britpop. 4,5*

The Microphones - The Glow, Pt. 2 (2001)

5,0
De reïntegratie van Ward deel 7:

Al viel mijn eerste luisterbeurt van The Microphones’ The Glow, Part 2 niet tegen, vond ik het ook een beetje een rommelige plaat. De langere liedjes deden het meteen wel goed, maar al die schetsjes tussendoor vond ik niet altijd even goed werken. Toch greep de plaat mij bij elke luisterbeurt steeds steviger vast, totdat ontsnappen niet meer mogelijk leek. Aan de andere kant waarom zou je willen ontsnappen aan de greep van dit fijne plaatje. Phil Elverum lijkt deze plaat vooral voor zichzelf gemaakt te hebben, maar is toch zo gul om ons een kijkje in zijn wereld te gunnen.

Dat kijkje is echter niet altijd even plezierig. Elverum zingt namelijk vol bezieling over zijn zielenroerselen die met name over liefdesverdriet en depressie te lijken gaan. Hij brengt dit echter met zo’n ontwapenende eerlijkheid dat het soms bijna ongemakkelijk wordt. Alsof je getuige bent van iets dat niet voor jou ogen (of in dit geval oren) bestemt is. Dit bedoel ik echter allerminst negatief. Het zorgt ervoor dat de plaat een enorme emotionele impact heeft. De eerste keer dat ik die uithaal bij ‘My blood flows harshly’ in The Glow, Part 2 hoorde moest ik wel even slikken. De emotionele eerlijkheid en wanhoop die in veel van de teksten zit lijkt samengebald te zijn in die kreet. Elverum is ook slim genoeg om zijn zielenroerselen vrij abstract te verwoorden, waardoor iedereen voor zichzelf iets uit teksten kan halen. Hierdoor wordt het gelukkig ook nooit zeurderig of te pathetisch. Bovendien komen de momenten waarin hij tekstueel wel wat concreter wordt meteen extra hard binnen.

We lijken hier een man te horen die in de war is en van emotie naar emotie schiet. Dit komt ook muzikaal terug. De muzikale omlijsting lijkt puur intuïtief. Elverum’s emotionele achtbaan komt muzikaal terug in de weerbarstige aaneenschakeling van muzikale ideeën. Van melancholische berusting (Headless Horseman) schieten we naar dromerig verlangen (My Roots Are Strong) om later gewoon met een stukje noise te komen (Samurai Sword). Soms ook binnen een nummer, zoals in I Felt My Size waarin optimisme constant door de verslagen berusting probeert heen te breken. Elverum bewijst sowieso een meester te zijn in het vertalen van de emotie van een tekst naar muziek. Zo is het een briljante vondst om herinneringen aan een ex-geliefde in The Moon vorm te geven door de zang zacht in te mixen. Hoe de zang wordt ondergesneeuwd door de muzikale omlijsting in dat nummer, is er een betere manier om de vergankelijkheid van die herinneringen weer te geven? Ondanks het onvoorspelbare karakter van de muziek blijft het toch een geheel. Dit komt mede door de lo-fi aanpak die de plaat kenmerkt. Of we nu naar een stukje noise luisteren of naar een zacht gitaar met fluisterzang liedje, het klinkt altijd of het een kwartiertje nadat het geschreven is op band is gezet. Al deze kanten behoren onmiskenbaar tot het universum van The Glow, Part 2. Met name de onvaste, zachte stem van Elverum en het warme geluid van de akoestische gitaar met nylonsnaren vallen hierbij op.

Mijn kritiekpunt dat de plaat wat rommelig en bij vlagen te schetsmatig is valt dan ook volledig weg. Waren al die ideeën keurig uitgewerkt zou de emotionele impact grotendeels wegvallen. Het intuïtieve muzikale karakter geeft de plaat juist die emotionele punch. Een soort muzikale stream-of-consciousness. Elverum gunt ons een kijkje in zijn meest persoonlijke gedachtes. Dat levert zowel ontroerende en mooie als ongemakkelijke momenten op, maar altijd bijzonder en de moeite waard. 4*

The Raconteurs - Consolers of the Lonely (2008)

3,0
De reïntegratie van Ward deel 17:

Met deze plaat liet Jack White zien dat The Raconteurs meer was dan een eenmalig hobbyproject. Al klinkt het nog steeds als een vriendenband die in een schuurtje even een stapeltje rocknummers hebben opgenomen. Het plezier straalt er namelijk weer af. De classic rock invloeden liggen er duimendik bovenop. De dikke gitaarriffs volgen elkaar in rap tempo op, waardoor bands als The Who en Led Zeppelin nooit ver weg zijn. Eentonig wordt het echter nooit. Zo zijn er ook duidelijke invloeden van folk (Old Enough, Top Yourself), Ennio Morricone (The Switch and the Spur), punk (Five on the Five) en blues (Carolina Drama). De snelle rockers worden ook goed afgewisseld met meer slepende en rustige nummers (zoals het mooie pianonummer You Don’t Understand Me) De stemmen van Benson en White passen goed bij elkaar, alhoewel ze misschien qua klankkleur iets teveel op elkaar lijken. Maar de afwisseling tussen White’s maniakale manier van zingen en de meer gecontroleerde stem van Benson werkt goed.

Aangezien ik buiten de singles om White eigenlijk alleen van The White Stripes kende, moest ik wel even wennen om White in wat vollere composities te horen. Waar The White Stripes bekend staan om hun minimalisme, klinkt het hier allemaal wat bombastischer. Dat komt aan de ene kant door het gebruik van blazers en strijkers, maar ook door de wat meer bombastische refreinen. Al spreekt het simpele rechttoe rechtaan geluid van The White Stripes mij meer aan, gaat dit hem echter ook aardig af. Alleen het door Benson gezongen Many Shades of Black gaat voor mij echt over het randje. Dat nummer klinkt iets te glad en pompeus, flinke misser. Ook het daarop volgende Five on the Five is een niemendalletje, met name die outro is wel erg infantiel. Het niveau daalt wat mij betreft sowieso wel een beetje op de tweede helft van het album. Al wordt dat nog wel goedgemaakt door miniatuurtje Pull This Blanket Off en de meeslepende afsluiter Carolina Drama. Op laatstgenoemde laat White horen dat hij weet hoe je een spannend verhaal verteld.

Een plaat die laat horen dat White en Benson vakmannen zijn, die met gemak een gevarieerde meeslepende ouderwetse rockplaat afleveren. Persoonlijk zal dit soort rock echter nooit helemaal mijn genre worden ben ik bang. Ik heb niet zoveel op met dit soort gitaarriff gedreven muziek (heb ook een broertje dood aan gitaarsolos). Bovendien duurt de plaat voor mijn gevoel iets te lang, zeker aangezien er ook wel enkele missers opstaan. Een onvoldoende zou ik er ook nooit aan geven, daarvoor zit het simpelweg te goed in elkaar. Maar meer dan een ruime drie sterren zit er voor mij helaas niet in. 3*

Tom Waits - Rain Dogs (1985)

5,0
De reïntegratie van Ward deel 4:

Het is lastig om wat te zeggen over Tom Waits, aangezien alles wel gezegd lijkt te zijn. Mijn eerste kennismaking met de muziek van Waits was toen ik een jaar of 11 was en mijn vader Mule Variations aanschafte. Dit wakkerde mijn vaders liefde voor Waits opnieuw aan en de rest van mijn jeugd heb ik dus, onvrijwillig, veel naar het gebulder van Waits moeten luisteren. Zeker toen ik zo klein was (11 tot 15 jaar ongeveer) vond ik dit echt een ware straf.

Hierdoor heb ik altijd negatieve associaties met de naam Tom Waits gehad. Het roept bij mij herinneringen op aan druilerige dagen waar ik door het slechte weer niet buiten een balletje kon gaan trappen, waardoor ik me binnen zit te vervelen vergezeld door de muziek van Tom Waits. Bij Radiohead heb ik ook jarenlang een zelfde negatief gevoel gehad. Toen ik ouder werd heb ik dat bij Radiohead makkelijk overwonnen, maar Tom Waits heb ik toch lang links laten liggen.

Ook al dacht ik ergens wel dat ik Tom Waits nu goed zou kunnen waarderen, vond ik het toch moeilijk om die negatieve associatie af te schudden. Daarom was ik wel blij dat Niels mij dit album tipte. Nu had ik geen andere keus om een keer echt aan Tom Waits te beginnen en ik ben zeker blij dat ik dat gedaan had. Al had ik het album niet meer gehoord sinds ik een kind was, herkende ik eigenlijk alle nummers echt meteen. Er zijn blijkbaar wel genoeg jaren overheen gegaan dat mijn jeugdtrauma’s wat betreft Tom Waits geen rol meer spelen in mijn beoordeling. Want ik vond de eerste luisterbeurt meteen van de eerste tot de laatste seconde puur genieten.

Ten eerste is er natuurlijk de stem van de beste man. Niemand kan zo bars bulderen, grommen en kraken als Tom Waits. Over die stem is al genoeg geschreven (en terecht!), dus daar heb ik verder niet heel veel aan toe te voegen. Al is het wat mij betreft de sterkste troef van de plaat. Een ander sterk punt van Rain Dogs is de sfeerschepping. Tom Waits schildert een portret van de markante buitenbeentjes van de maatschappij. De kracht zit in de romantische manier waarop hij dat doet. Net als in de boeken van Bukowski wordt een eenzame barfly opeens een tragische held. Een troosteloos leeg Hopperesque café klinkt opeens als de meest aanlokkelijke plek ter wereld.

Muzikaal is dit album ook om door een ringetje te halen. Aan de ene kant heb je de rammelende potten en pannen chaos zoals ik mij Tom Waits vooral herinner uit mijn jeugd. Die gedreven gekte wordt echter tot mijn verassing afgewisseld met toegankelijke, Springsteen-achtige nummers en hartverscheurende ballads (Time ). Gooi daarbij soms nog wat latin-ritmes en wat New Orleans blazers om de plaat wat extra schwung te geven en je komt toch wel dicht in de buurt van perfectie wat mij betreft. De plaat springt wel alle kanten op, maar blijft toch een zeer coherent geheel.

Ik kan niet anders dan hier het volle pond aan geven. 5*