MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Casartelli als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Gazpacho - London (2011)

poster
3,5
Casartelli (moderator)
Ik heb Gazpacho enkele keren live mogen meemaken. Dat is een intense ervaring, waarbij - zoals door enkelen hiervoor al opgemerkt - alleen al de steviger voordracht t.o.v. de soms wat steriele studioversies de aanwezigheid de moeite waard maakt. En hier hebben we dan een liveplaat die geheel uit materiaal van Night, Tick Tock en Missa Atropos bestaat, kortom Gazpacho on top of their game.

Toch doet deze registratie het voor mij niet helemaal. Of het nou is omdat het productiewerk het toch weer te veel de studiokant opgeduwd heeft... het toch vrij trouw naspelen van de studioversies met mindere middelen... het stemgeluid van Jan Henrik Ohme waar het 'breekbare' af en toe net wat te veel naar vals overhelt... of dat bijna twee uur Gazpacho thuis toch wel wat veel van het goede is? Deze gaat het bakje "legendarische livealbums" niet in.

Gazpacho - Night (2007)

poster
4,0
Casartelli (moderator)
Nu Tick Tock (het moet al raar lopen als dat aan het eind van het jaar niet gewoon de Plaat van het Jaar blijkt te zijn) wat is neergedaald, is het een mooi moment om Night eens te herwaarderen.

Hoewel dit al het vierde album van deze sympathieke Noren is, was het met deze plaat dat ze ineens naar een wat groter publiek doorbraken. Omdat ik op het moment van uitkomen nog met de (ook behoorlijk sterke) voorgangers bezig was, ben ik wat verlaat aan deze begonnen (namelijk: pas vrij kort voor het uitkomen van de opvolger en het bijbehorende concert). Night was bij mij dan ook wat ondergesneeuwd.

Wat hebben we hier? Een plaat van Gazpacho-niveau... hoog niveau dus. Toch moet ik zeggen dat ik het hier en daar wel een beetje in langdradigheid vind verzanden, vooral tijdens Dream of Stone (wat als openingsnummer toch een beetje het visitekaartje is). Het is hier al eerder door iemand opgemerkt: die wat steviger stukken, die hadden ze wel wat meer door mogen zetten. Dat is dan ook precies wat op Tick Tock gebeurd is.

Het voelt als een soort luxeprobleem om een plaat van dit niveau als overgangsplaat aan te wijzen. Toch doe ik dat bij deze... Tick Tock, dát is het echte meesterwerk.

Genesis - Abacab (1981)

poster
3,5
Casartelli (moderator)
Onlangs ben ik in de gelukkige positie gevaren dat deze plaat ook in originele staat huize Casartelli binnengekomen is. Naast een aureool van legale goedheid krijg je daar nog een extra goody bij: het feit dat je eens op je gemak de credits bij alle tracks na kunt lezen. Welnu, bij zes van de negen nummers staan drie namen, terwijl de andere drie elk een solocompositie zijn: eentje van Tony Banks (Me And Sarah Jane), eentje van Phil Collins (Man On The Corner) en eentje van Mike Rutherford (Like It Or Not).

Eerstgenoemde is nog nipt het beste. MOTC (waarover ook vaak gezegd wordt dat het een typisch PC-solonummer is) kan er ook mee door, al heeft deze wel dat trekje wat veel PC-solonummers ook hebben: in het begin even leuk, maar dan te weinig ontwikkeling om er echt wat van te maken. LION blinkt uit in nietszeggendheid.

Van de andere nummers is Dodo/Lurker redelijk interessant te noemen. Het titelnummer is duidelijk het beste wat op de plaat staat, vooral door de laatste drie minuten die op de radio doorgaans weggedraaid worden.

Dat het album verder vooral uit middelmaat en rommel bestaat, is hier al uitentreuren besproken. Ik blijf wat moeite met die constatering hebben, aangezien de plaat in ontwikkelingsopzicht wel interessanter is dan de latere platen van dit drietal, maar ja, ontwikkeling is ook weer geen op zichzelf staande voldoende voorwaarde voor kwaliteit. De noviteiten zijn vaak zo ver doorgevoerd dat het geforceerd overkomt.

2*, waarbij verlaging een waarschijnlijker toekomstperspectief lijkt dan verhoging...

Genesis - Genesis (1983)

poster
3,0
Casartelli (moderator)
Na alle discussie heb ik hem vannacht ook maar weer eens opgezet. Je hebt van die platen die je een tijdje niet hoort, waarbij hij wat wegzakt in de herinnering. Bij herbeluistering realiseer je je plotseling wat een goede plaat je al die tijd hebt laten verstoffen.

Dit plaatje is helaas meer een voorbeeld van het tegenovergestelde. Dat er een paar tamelijk flauwe nummers opstaan was gevoeglijk bekend, maar het meest storend zijn eigenlijk de in de basis vrij goede nummers die op details verziekt worden. Meest pregnante voorbeeld is wel die "stuwende" drumcomputer die heel Second Home by the Sea volstampt.

Op de B-kant vind ik Just a Job to Do overigens wel een hoogtepunt.

Genesis - Invisible Touch (1986)

poster
2,5
Casartelli (moderator)
Nogmaals: Invisible touch. Succesvol popalbum waarop van de roots van de band hoegenaamd niks meer terug te vinden is. Alleen The Brazilian komt in de buurt.

Maar Casartelli: er staan toch twee epics op??

Oh ja, Tonight tonight tonight en Domino. Wel die eerste is duidelijk een opgerekt vierminutennummer. Niettemin hebben ze dat op zich wel knap gedaan. Als het dan al geen symfo is, is het toch onderhoudende popmuziek. Ik heb hem niet voor niets als een van mijn twee favoriete nummers aangevinkt.
Domino echter overtuigt een stuk minder. De eerste helft vormt een best aardig nummer, maar de aaneensmeding met de tweede helft verdient allerminst de schoonheidsprijs. Het dwingerige van de drumcomputer helpt al niet echt mee, maar de kunstmatigheid waarmee deze twee losse ideeën aan elkaar hangen, teneinde toch nog met één nummer boven de tien minuten op de proppen te komen is de ware doodsteek.

Genesis - Selling England by the Pound (1973)

poster
4,0
Casartelli (moderator)
Een klassiek Genesisalbum bestaat uit een aantal epische nummers en een aantal korte nummers, waarvan sommige luchtig en sommige melancholiek zijn. Het heeft bij mij met name even geduurd voordat ik deze setup als 'typisch Genesisalbum' onder ogen kon zien. Tot die tijd was het altijd: tja, onevenwichtig.

Goed, daar ben ik nu dus overheen. Dit album schittert voor mij in de epics: Epping Forest, Cinema Show, maar toch vooral in de iets minder excentrieke nummers Moonlit Knight (hét archetypische Genesisnummer) en Firth of Fifth (maar niet speciaal vanwege Hacketts solo).

Nu I Know What I Like gewoon tot 'echte' Genesis-albumtrack gepromoveerd is, kan ik daar ook ten volle van genieten. After the Ordeal is niet spectaculair, maar een aardig tussenstuk. More Fool Me is eigenlijk de voornaamste reden waarom dit album niet de volle mep krijgt.

Voor iemand die hier niet mee opgegroeid is en dit meer dan dertig jaar na dato leerde kennen, is het verleidelijk om dit album als te gepolijst te beschouwen, als prog binnen de lijntjes. Die neiging heb ik dan ook gehad, maar dat is feitelijk hetzelfde als jaren '80 Metallica tot clichémetal uit te roepen: dat clichés later ontstaan zijn, zegt meer over kopieergedrag dan over het origineel. Hooguit is Selling England by the Pound het eindstuk van het symfonische vijfmanschap Genesis (The Lamb is toch een andere boeg).

Op grond van de uitschieters hoor ik Nursery Cryme nog net iets liever. Niettemin is dit een (bijna-)topalbum van Genesis.

Genesis - The Lamb Lies Down on Broadway (1974)

poster
4,0
Casartelli (moderator)
Per saldo het zwakste jaren '70 album van Genesis... naast onder meer Incantations, Tales from Topographic Oceans en diverse (vooral) latere Emerson, Lake & Palmerwerken een schoolvoorbeeld van "de excessen van de prog" (waar volgens de overlevering de punk en new wave dan weer tegen moesten ageren, waarna ene Phil Collins Genesis een andere kant op moest sturen, etc. etc. etc.).

Natuurlijk staat hier wel een aantal sterke nummers op (In the Cage, Carpet Crawlers, Colony of Slippermen), maar als geheel bezwijkt dit onder zijn eigen gewicht en eigenlijk wel zodanig dat ik ook niet direct voor me zie hoe het met de helft minder materiaal een werkelijk sterk enkel-album geweest zou zijn.

Na de veel betreurde breuk tussen Peter Gabriel en de rest van Genesis zouden beide partijen, elk op hun eigen manier, met materiaal komen dat dit logge werkstuk ver in de schaduw stelde. Een win-winsituatie zullen we maar zeggen...

Gnidrolog - In Spite of Harry's Toe-Nail (1972)

poster
3,5
Casartelli (moderator)
Een onvervalste vergeten progparel. Heb er, bij de heruitgave rond zijn 40e verjaardag hier een recensie aan gewijd.

Golden Earring - Keeper of the Flame (1989)

poster
3,5
Casartelli (moderator)
Vond deze toch goed meevallen. Distant Love, Turn the World Around en in het bijzonder My Killer My Shadow waren al bekend en gewaardeerd. Can Do That is, compleet met jazzintermezzo, ook erg onderhoudend. Prijsnummer is toch wel One Word.

Niet elke jaren '70 rockband blijft even goed overeind in de jaren '80, maar Golden Earring kan ik juist uit die tijd goed hebben.

Goo Goo Dolls - A Boy Named Goo (1995)

poster
3,5
Casartelli (moderator)
Luisteraars die aanhaakten bij Dizzy up the girl en het niet al te onaardig vonden, kunnen deze zeker eens proberen. Waar Dizzy de doorbraak in Europa betekende, kwam die doorbraak in het thuiscontinent al een album eerder (hier dus). De sound is nog wat steviger dan later en hoewel het niet direct overloopt van de variatie is alles precies puntig genoeg om het interessant te houden. De beste stevige nummers zitten in het begin, terwijl Name een meer dan waardige voorganger van Iris is. 3½*

Good NightOwl - Truthmaster (2019)

poster
3,5
Casartelli (moderator)
Tussen alle grauwe middelmaat een prettige ontdekking. Good NightOwl (de artiestennaam van Daniel Lewis Cupps) heeft sinds 2011 in zijn eentje een luttele 15 albums op de mensheid losgelaten. Wellicht schaadt overdaad, maar dit is pas de eerste Good NightOwl die ik hoor, dus tot dusverre...

Wat we horen is een mix van recente melodieuze prog (waar inderdaad al ruim voldoende van voorhanden is) en wave in de beste Talking Heads traditie (of jaren '80 King Crimson, om dichtbij huis te blijven). Het geheel komt fris en urgent over, adjectieven die ik tot nog toe nooit nodig heb gehad om een 2019-release te omschrijven.

Helaas (vooralsnog) alleen digitaal uitgebracht.

Grand Avenue - The Outside (2007)

poster
3,5
Casartelli (moderator)
Stadionpop (met de toevoeging stadion- als duiding van het grote geluid is dit toch meer -pop dan -rock) in de traditie van Coldplay en Saybia, maar toch wel een graadje minder. Je valt je er geen buil aan, maar je mist er ook niet zoveel aan als je het voorbij laat gaan.

Favoriete nummers zijn Give Myself Away en Closer (als het moet galmen, dan moet het ook maar meteen goed galmen). Na enige twijfel tussen Bullet en het titelnummer kreeg de laatste de derde gele ster.

Green Carnation - Light of Day, Day of Darkness (2001)

poster
4,0
Casartelli (moderator)
Door THEMARSVOLTA weer even op dit album geattendeerd; zag dat ik hem nog maar op 3½* had staan; gauw een halfje erbij.

Dit is een absolute topper in het moderne metalgebeuren. De band zou zich daarna wat meer op de kortere songs storten. Van de volgende albums kan The Quiet Offspring me iets meer bekoren dan A Blessing In Disguise.

Wat deze betreft: het omstreden middenstuk roept enige The Great Gig In The Sky-associaties op. Door het hele nummer heen zit misschien een minuut of 5 a 10 teveel; blijven er een stuk of 50 a 55 zeer substantiële minuten over. Sterk verhaal, sterke compositie, sterke melodieën, de emotie gaat tot op het bot.

GTR - GTR (1986)

poster
3,5
Casartelli (moderator)
Rond de eeuwwisseling leerde ik via (meestal Amerikaanse) verzamelalbums veel nieuwe rocksongs kennen, vaak van artiesten waar ik überhaupt nog nooit van gehoord had. Deze hadden het dan buiten Nederland nog net tot B-artiest geschopt, terwijl ze hier in het beste geval een C(ult)-status hadden. Een van die songs was When The Heart Rules The Mind van een bandje genaamd GTR. Vanaf dat ik dit nummer met al zijn energie en zijn aanstekelijke melodie voor het eerst hoorde, was ik meteen verkocht.

Mijn kennis van en affiniteit met prog was op dat moment nog minimaal. Van Yes kende ik weinig meer dan Owner Of A Lonely Heart en van Genesis weinig meer dan Mama, Land Of Confusion en I Can’t Dance. Laat staan dat ik ooit gehoord had van ene Steve Howe, dan wel Steve Hackett die, nog ruim voor de betreffende hits, in die respectievelijke bands de gitaar beroerden en in die functie ieder een heldenstatus bezaten. Het is dan ook weinig verwonderlijk dat, toen ik het album van GTR in zijn geheel ging beluisteren, ik daar met andere verwachtingen aan begon dan de gemiddelde oudere Howe- of Hackett-fan indertijd.

Het ongetitelde debuut, tevens zwanenzang, van de curieuze samenwerking van deze twee gitaristen, aangevuld met zanger Max Bacon (Nightwing), bassist Phil Spalding (Toyah, Mike Oldfield) en drummer Jonathan Mover (onder andere een blauwe maandag bij Marillion, tussen Mick Pointer en Ian Mosley in), staat bij veel progliefhebbers van de oude stempel bekend als één van de zwartste bladzijden in de geschiedenis van hun favoriete genre. Evenals veel tijdgenoten werd GTR (bij gebrek aan iets symfonischers) nog wel tot de prog gerekend, maar maakten ze op de keper beschouwd toch vooral AOR. Wat dat betreft moet ik ook constateren dat het album vooral een sterperformance van Max Bacon bevat, hoewel de naam van de band anders doet vermoeden.

Hackett had er alweer heel wat solojaren op zitten, na uit Genesis vertrokken te zijn, volgens het publieke geheim vooral omdat zijn songideeën vrijwel unaniem afgewezen werden. Steve Howe’s laatste grote band was Asia geweest, waarmee hij welgeteld twee albums gemaakt had en waar hij met name op het tweede album, “Alpha“ eigenlijk een vergelijkbaar ‘trauma’ opliep. Niettemin was Hackett blijkbaar het verst afgebroken, want enkel van ‘zijn’ instrumentaaltje, Hackett To Bits (een variant op zijn aloude Please Don’t Touch), worden de credits aan hem toegeschreven. Howe komt met een echt solo-instrumentaaltje, Sketches In The Sun, een nummer dat qua kleur wat meer op de vroege symfo teruggrijpt (Mood For A Day 2?) dan het stuk van Hackett. Niet helemaal toevallig heeft dat stuk dan ook mijn voorkeur.

De bulk van het album bestaat echter uit up-tempo ‘stadionrock’ die redelijk in het verlengde ligt van het openingsnummer, waarbij de aanwezigheid van de beide gitaristen naar voren komt in net iets meer en net iets langere solo’s dan bij veel andere contemporaine rockplaten. Voor veel progliefhebbers is deze muziek toch wat gewoontjes en anderzijds bevat hij voor veel AOR-liefhebbers toch nogal wat vreemde wendingen in het basistempo (Here I Wait, Jekyll And Hyde, You Can Still Get Through). Voor degene die zich graag op het snijvlak van AOR en prog begeeft (zoals ondergetekende) levert het een hoop genietbaars op. Reach Out (Never Say No) is een prima powerrocker, onsterfelijk door een goed gevonden basisriff: een echt kind van zijn tijd zogezegd. Imagining had zo in het post-”Relayer“-Yes repertoire gekund.

Een aparte vermelding is er voor de beide ballades. Toe The Line is alleszins behoorlijk, maar het echte prijsnummer van de plaat is het stemmige The Hunter, gecomponeerd en geproduceerd door niemand minder dan Geoffrey Downes. Dit nummer is later ook nog door Asia zelf uitgevoerd, wat enigszins pijnlijk duidelijk maakte waarom het soms goed is als componist en uitvoerende zich ieder van hun eigen kwaliteiten bewust zijn.

Beter dan enig Yes- of Genesis-album uit de jaren ‘80 en beter dan Asia’s toenmalige laatsteling, is het enige studioalbum van GTR een bijna verplicht kleinood voor de progressieve AOR-liefhebber. Alleen niet aan te bevelen aan de conservatievere Hackett- en Howefans.