Hier kun je zien welke berichten Gajarigon als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Oceansize - Effloresce (2003)

4,5
0
geplaatst: 15 september 2009, 14:25 uur
Met dank aan Joy heb ik dit album leren kennen, nu ondertussen dik 3 jaar geleden. Het is één van de vele albums die ik luisterde omdat het te vergelijken zou zijn met Tool, en het is één van de weinigen die de vergelijking kan doorstaan. De vergelijking is ergens logisch: enkele lange nummers met afwijkende songstructuur, instrumentale fillertracks, onorthodoxe ritmes, muterende riffs en een erg getalenteerde drummer die prominent aanwezig is in de mixing. Daar stopt de vergelijking dan wel ongeveer, want de sound van zowel de gitaren als de zang is toch volledig anders. De gitaren vormen meestal een dikke laag met veel melodie (denk aan een soort gespierde Radiohead), terwijl de zang meer naar grunge lijkt te neigen. Ook de sfeer is anders. Oceansize speelt rock (en geen metal), en de muziek heeft een positief welhaast vrolijk kantje. Daarmee weet Oceansize zijn eigenheid te definiëren, en overleeft het de vergelijking met Tool. Oceansize is bovenal Oceansize, en dat wil zeggen epische, betoverende rockmuziek.
Effloresce begint en eindigt met eenzelfde earcandy. Dat trucje is al vaker uitgehaald, maar ik kan het steeds erg appreciëren. Echt openen gebeurt met 'I Am the Morning', een instrumentaal nummer met keyboard en mooie gitaarmelodiën die het nummer een post-rock feeling meegeven. Aan het einde komen er elektronische drums in die dan overgaan in het tweede nummer, 'Catalyst'. Zo'n overgang is niet bijster origineel, maar ik kan het allemaal smaken. 'Catalyst' begint als een traditioneel strofe/refrein nummer, maar aan het einde komt een prachtig instrumentaal slotstuk dat het nummer een serieuze meerwaarde geeft. Hoewel het op het eerste gehoor dus een simpele progrocksong lijkt, zitten er heel wat ritmische hoogstandjes in verborgen. En dat is een van de sterke punten van Oceansize: ze slagen erin om de vreemde ritmewisselingen op een natuurlijke wijze te integreren in hun nummers.
'One Day All This Could Be Yours' is een kort nummer (4:19), en een van de meest toegankelijke op het album. De vele effecten op de gitaar en de monotone zang geven het een leuke vibe. Het kortste volwaardige nummer wordt gevolgd door het langste: 'Massive Bereavement' is een muzikale trip van jewelste en naar mijn mening het beste nummer van het album. De tien minuten worden ten volle benut om van een idyllische intro op te bouwen tot een broeierige progrocker met een fantastische gitaarriff en Toolesque climax.
Vervolgens komt er weer een rustig instrumentaal nummer, 'Rinsed', dat als een soort adempauze dient tussen de verschillende delen van het album. Ruwweg gesproken valt het album op die manier in 3 delen uiteen, telkens ingeleid door een instrumentale track. Dit middenste 'rockgedeelte' is wat minder, 'You Wished' en 'Remember Who You Are' zijn de twee minste echte liedjes op het album. Gelukkig is er ook 'Amputee', wat naar ik eens ergens las het allereerste nummer is dat ze ooit schreven, wat dan wel weer een voltreffer is.
'Unravel' is de instrumentale inleider van het laatste 'postrock' gedeelte, en draait rond een leuk pianomelodietje (Gaspard de la Nuit volgens het booklet). Zoals hier al vaak geschreven staat is 'Women Who Love Men Who Love Drugs' een van de beste nummers van dit album (en van Oceansize tout court). Het is erg spacey, vloeiend als de inkt op de hoes. Spaarzame zang, talrijke lagen gitaarmelodie, ronduit prachtig. En wat een titel ook! Vervolgens is er 'Saturday Morning Breakfast Show', een nummer met enorme opbouw en bijhorende climax op het einde. Een van de beste momenten van het album is hoe de climax heel even stilgezet wordt en er een ogenblik volledige stilte in zit vooral verder te gaan (zo rond 8:41). Afsluiter 'Long Forgotten' maakt gebruik van strijkers, en is een emotioneel geladen nummer waarin de baslijn een hoofdrol speelt. Niet echt mijn favoriet nummer, maar toch nog een leuke einde.
Effloresce appeleert aan het beeld van een ontbloeide bloem, en is een geslaagde mix van progressieve rock en post-rock, met vleugjes grunge en een snuifje elektronica. Het album is niet volledig foutloos, het middenstuk is wat minder, en de instrumentale tussenstukken gaan na verloop van tijd wat langdradig klinken bij het aandachtig beluisteren. Ook is de zang ietwat een acquired taste. Desondanks slaagt Oceansize erin de aandacht van de luisteraar makkelijk 75 minuten vast te houden, iets waar slechts weinig groepen in kunnen slagen. Helaas hebben ze dit niveau op latere albums nog niet kunnen halen.
Effloresce begint en eindigt met eenzelfde earcandy. Dat trucje is al vaker uitgehaald, maar ik kan het steeds erg appreciëren. Echt openen gebeurt met 'I Am the Morning', een instrumentaal nummer met keyboard en mooie gitaarmelodiën die het nummer een post-rock feeling meegeven. Aan het einde komen er elektronische drums in die dan overgaan in het tweede nummer, 'Catalyst'. Zo'n overgang is niet bijster origineel, maar ik kan het allemaal smaken. 'Catalyst' begint als een traditioneel strofe/refrein nummer, maar aan het einde komt een prachtig instrumentaal slotstuk dat het nummer een serieuze meerwaarde geeft. Hoewel het op het eerste gehoor dus een simpele progrocksong lijkt, zitten er heel wat ritmische hoogstandjes in verborgen. En dat is een van de sterke punten van Oceansize: ze slagen erin om de vreemde ritmewisselingen op een natuurlijke wijze te integreren in hun nummers.
'One Day All This Could Be Yours' is een kort nummer (4:19), en een van de meest toegankelijke op het album. De vele effecten op de gitaar en de monotone zang geven het een leuke vibe. Het kortste volwaardige nummer wordt gevolgd door het langste: 'Massive Bereavement' is een muzikale trip van jewelste en naar mijn mening het beste nummer van het album. De tien minuten worden ten volle benut om van een idyllische intro op te bouwen tot een broeierige progrocker met een fantastische gitaarriff en Toolesque climax.
Vervolgens komt er weer een rustig instrumentaal nummer, 'Rinsed', dat als een soort adempauze dient tussen de verschillende delen van het album. Ruwweg gesproken valt het album op die manier in 3 delen uiteen, telkens ingeleid door een instrumentale track. Dit middenste 'rockgedeelte' is wat minder, 'You Wished' en 'Remember Who You Are' zijn de twee minste echte liedjes op het album. Gelukkig is er ook 'Amputee', wat naar ik eens ergens las het allereerste nummer is dat ze ooit schreven, wat dan wel weer een voltreffer is.
'Unravel' is de instrumentale inleider van het laatste 'postrock' gedeelte, en draait rond een leuk pianomelodietje (Gaspard de la Nuit volgens het booklet). Zoals hier al vaak geschreven staat is 'Women Who Love Men Who Love Drugs' een van de beste nummers van dit album (en van Oceansize tout court). Het is erg spacey, vloeiend als de inkt op de hoes. Spaarzame zang, talrijke lagen gitaarmelodie, ronduit prachtig. En wat een titel ook! Vervolgens is er 'Saturday Morning Breakfast Show', een nummer met enorme opbouw en bijhorende climax op het einde. Een van de beste momenten van het album is hoe de climax heel even stilgezet wordt en er een ogenblik volledige stilte in zit vooral verder te gaan (zo rond 8:41). Afsluiter 'Long Forgotten' maakt gebruik van strijkers, en is een emotioneel geladen nummer waarin de baslijn een hoofdrol speelt. Niet echt mijn favoriet nummer, maar toch nog een leuke einde.
Effloresce appeleert aan het beeld van een ontbloeide bloem, en is een geslaagde mix van progressieve rock en post-rock, met vleugjes grunge en een snuifje elektronica. Het album is niet volledig foutloos, het middenstuk is wat minder, en de instrumentale tussenstukken gaan na verloop van tijd wat langdradig klinken bij het aandachtig beluisteren. Ook is de zang ietwat een acquired taste. Desondanks slaagt Oceansize erin de aandacht van de luisteraar makkelijk 75 minuten vast te houden, iets waar slechts weinig groepen in kunnen slagen. Helaas hebben ze dit niveau op latere albums nog niet kunnen halen.
Oceansize - Frames (2007)

3,5
0
geplaatst: 5 september 2010, 14:02 uur
Naar aanleiding van hun nieuw album én de begeesterende review van Don heb ik Frames nog eens wat luisterbeurten gegund. Na het uitmuntende debuut Effloresce en het nogal fletse vervolg Everyone In Position was Frames een lastige derde. Hoewel ze afstapten van de naar mijn mening mislukte radiovriendelijke rock van EiP, klikte het maar niet met deze. Drie jaartjes en ettelijke intense luisterbeurten (want dan komt Oceansize met alle muzikale franjes het best tot z'n recht) later kan ik toch vaststellen dat dit een meer dan geslaagd experiment is.
Ik zeg experiment, want Frames laat toch weer zien hoe Oceansize niet bang is om nieuwe wegen op te zoeken. Toegegeven, ze brengen nog steeds sprankelende, melodische artrock; met wisselende ritmische patronen (Mark Heron is een held), muterende riffs en lekker dynamische nummers. Maar deze keer zijn de hevige bombastische quasi post-hardcore uitspattingen (cfr. Massive Bereavement) achterwege gelaten op enkele korte opflakkeringen na, en het merendeel van het album is relatief rustig. Ze starten een muzikaal motiefje en bouwen er rustig aan voort, muterend en stilerend tot het eindelijk volgroeid is. Soms wat saai (de opener Commemorative T-Shirt is wel erg repetitief), maar het betuigt van vakmanschap hoe ze in nummers als Savant ruimte laten voor de ontwikkeling van het nummer. Daarin gelijken ze veel op Tool, met de rustige aanpak om muziek op eigen tempo tot volle bloei te laten komen. Het moet ook opgemerkt worden dat Frames erg coherent is. Geen korte single-waardige nummers, enkel lange nummer die op zichzelf staan maar ook inpassen in de gehele sfeer van het album.
Een verdere aanpassing zijn de nieuwe arrangementen. Zoals op Trail of Life, dat opgefleurd wordt met pianootje en wat strijkers, wordt hier voor meer en rijkere instrumentatie gekozen. Ook de zang is wat sentimenteler. Geen krachtige schreeuwerige uithalen van Mike Vennart meer, en dat betreur ik. Soms worden de nummers iets te melig, en dan verlang ik naar een ferme vocale mep die er helaas niet inzit. Gelukkig zijn er ook positieve progressies. De productie van de instrumenten is erg goed. De bas (gespeeld door de nieuwe bassist Steve Hodson) klinkt lekker stevig, de drums klinken krachtig, en de gitaren hebben een gebalde klank meegekregen. Gezien de rijkheid van de arrangementen is het bij de harde momenten in de muziek nogal lastig om te voorkomen dat het allemaal verzand in een lawaaierig soepje, en daar heeft Frames soms ook wel wat last van.
Er is een opmerkelijke invloed op hun muziek die van Frames echter echt een ideale smaakmaker heeft gemaakt voor hun volgend album. Dat zijn de metalinvloeden die er hier en daar ingekropen zijn. Zij het de kruipende spanning van doom (An Old Friend of the Christies - tien minuten instrumentale heroïek) of de extreem zware chugga-chugga van Meshuggah in Sleeping Dogs and Dead Lions, ik lust er wel pap van. Hopelijk gaan ze dit nog wat meer uitwerken, dan zie ik ze nog in staat om hun debuut te overtreffen.
Voor de echt hoge scores vind ik dit album wat te melig (het einde van Savant, de wat zoutloze zang). Maar Oceansize heeft genoeg intrinsieke klasse om die tekortkomingen te compenseren. Erg dikke 3,5*/Nipte 4*!
Ik zeg experiment, want Frames laat toch weer zien hoe Oceansize niet bang is om nieuwe wegen op te zoeken. Toegegeven, ze brengen nog steeds sprankelende, melodische artrock; met wisselende ritmische patronen (Mark Heron is een held), muterende riffs en lekker dynamische nummers. Maar deze keer zijn de hevige bombastische quasi post-hardcore uitspattingen (cfr. Massive Bereavement) achterwege gelaten op enkele korte opflakkeringen na, en het merendeel van het album is relatief rustig. Ze starten een muzikaal motiefje en bouwen er rustig aan voort, muterend en stilerend tot het eindelijk volgroeid is. Soms wat saai (de opener Commemorative T-Shirt is wel erg repetitief), maar het betuigt van vakmanschap hoe ze in nummers als Savant ruimte laten voor de ontwikkeling van het nummer. Daarin gelijken ze veel op Tool, met de rustige aanpak om muziek op eigen tempo tot volle bloei te laten komen. Het moet ook opgemerkt worden dat Frames erg coherent is. Geen korte single-waardige nummers, enkel lange nummer die op zichzelf staan maar ook inpassen in de gehele sfeer van het album.
Een verdere aanpassing zijn de nieuwe arrangementen. Zoals op Trail of Life, dat opgefleurd wordt met pianootje en wat strijkers, wordt hier voor meer en rijkere instrumentatie gekozen. Ook de zang is wat sentimenteler. Geen krachtige schreeuwerige uithalen van Mike Vennart meer, en dat betreur ik. Soms worden de nummers iets te melig, en dan verlang ik naar een ferme vocale mep die er helaas niet inzit. Gelukkig zijn er ook positieve progressies. De productie van de instrumenten is erg goed. De bas (gespeeld door de nieuwe bassist Steve Hodson) klinkt lekker stevig, de drums klinken krachtig, en de gitaren hebben een gebalde klank meegekregen. Gezien de rijkheid van de arrangementen is het bij de harde momenten in de muziek nogal lastig om te voorkomen dat het allemaal verzand in een lawaaierig soepje, en daar heeft Frames soms ook wel wat last van.
Er is een opmerkelijke invloed op hun muziek die van Frames echter echt een ideale smaakmaker heeft gemaakt voor hun volgend album. Dat zijn de metalinvloeden die er hier en daar ingekropen zijn. Zij het de kruipende spanning van doom (An Old Friend of the Christies - tien minuten instrumentale heroïek) of de extreem zware chugga-chugga van Meshuggah in Sleeping Dogs and Dead Lions, ik lust er wel pap van. Hopelijk gaan ze dit nog wat meer uitwerken, dan zie ik ze nog in staat om hun debuut te overtreffen.
Voor de echt hoge scores vind ik dit album wat te melig (het einde van Savant, de wat zoutloze zang). Maar Oceansize heeft genoeg intrinsieke klasse om die tekortkomingen te compenseren. Erg dikke 3,5*/Nipte 4*!
Oceansize - One Day All This Could Be Yours (2003)

3,5
0
geplaatst: 13 oktober 2007, 16:30 uur
One Day All This Could Be Yours is een van de toegankelijkere nummers van Oceansize, maar persoonlijk vind ik het een van de blekere nummers op Effloresce. Breed Siamese is een complexer nummer dat zeker niet slecht is. Massive Bereavement was het beste nummer van Effloresce en de live uitvoering is prachtig geslaagd. Geslaagde EP.
Oceansize - Self-Preserved While the Bodies Float Up (2010)

3,5
0
geplaatst: 5 september 2010, 21:31 uur
Moet Oceansize nog geïntroduceerd worden? Dankzij hun sterke live prestatie is dit Britse vijftal al vrij bekend geworden, en hier op MuMe staan ze ook garant voor nogal wat stemmen. Ze brengen een combinatie van progressieve rock en post-rock met invloeden uit een hele rist genres.
Na het lastige Frames, waar veelal lange nummers op staan, is Self-Preserved While the Bodies Float Up weer een album met korte, toegankelijke nummers op. De cohesie van Frames schiet er wel bij in, want het album valt uiteen in twee delen. Een hard begin, en een rustig eind. Qua klank is dit zonder twijfel hun beste album tot dusver. De productie is erg goed, en alle instrumenten klinken uitstekend. Ook de harde stukken klinken deze keer uitmuntend. Instrumentaal is Oceansize nog steeds erg sterk. De drums en bas zijn bij momenten op een complexe manier met elkaar verweven, en het gitaarspel is ook steeds erg geslaagd.
Helaas ontbreekt het bij dit album een beetje aan spanning. Misschien dat sommigen meer houden van de kortere nummers, maar zelf heb ik het toch meer voor de lange epische escapades van hun debuut. Ze klinken meer en meer als Radiohead, maar Radiohead slaagt er wel veel beter in om richting te geven aan hun nummers. De trage nummers van Oceansize hebben een te kabbelend karakter, en blijven dus ook helemaal niet plakken.
De harde nummers op het album zijn een verdere evolutie van het harde materiaal op Frames. Interessant, maar er is te weinig aanwezig om echt te kunnen smaken. Hopelijk komen ze ooit nog eens met een wat zwaarder album over de brug.
Naar de muziek zelf dan. Part Cadillac (4:09) is een brutale opener. Een zware slome sludge-geïnspireerde riff rolt over je heen, als een soort verlengde van An Old Friend of the Christies. Mike Vennart heeft zelfs een kleine vocale uitspatting te bieden aan het eind, en hoewel dit een beetje een doelloos nummer is, is dit een fijne opener. Ook Superimposed (4:13) zou ik bij het hardere werk van Oceansize classificeren, al is de zang wel rustig. Het is zeker een druk nummer, waar drummer Mark Heron op het einde nog eens ferm uithaalt. En wat dan te zeggen van Build Us a Rocket Then (3:58). Hoog tempo, lekkere riffs van zowel gitaar als bas en wervelende drums. Dit is Oceansize op zijn meest chaotisch, en helaas is het hierna voor een tijdje afgelopen met de harde kant van hun muziek.
Oscar Acceptance Speech (8:52) is namelijk meer dynamisch, en dit is ook het meest uitgebalanceerde nummer op de cd. Alleen spijtig dat het zo langdradig eindigt met drie minuten viool, want voor de rest is dit een uitschieter op het album.
Ransoms (4:06) is een kalm nummer, waarin ze als vanouds weer prachtig sfeer scheppen met verre echo's van tremolo gitaar. De muziek deint op en neer, aanzwellend dan weer afnemend, allemaal erg mooi, maar niet bijster spannend. Ook A Penny's Weight (3:36) is een kort kalm stukje muziek dat wel erg zachtmoedig klinkt, fluweelzachte dreampop welhaast.
Silent Transparent (8:27) is meer in de stijl van Frames, zoals het begint met een complex spel tussen drums en bas. Ook gebruiken ze weer een meer rechtlijnige opbouw naar climax, zonder echte zijstapjes. Na zes minuten komt er dan eindelijk schot in de zaak, met een mooie finale die gerust de concurrentie met de betere shoegaze bands uit het begin van de jaren '90 aankan. Na het abrupte einde is het contrast met het stevige Its My Tail and I'll Chase It If I Want To (3:34) des te groter. Zware drums met daaroverheen een drukke gitaarriff en afgehaspelde zang zorgen voor een erg gespannen nummer dat nogal misplaatst lijkt te staan op het album.
Pine (4:54) is terug een adempauze: tremolo gitaarlijntjes, wat getokkel, rustig kabbelend melodietje, ingetogen hese zang, ... kortom weer zo'n nummer.
Afsluiter Superimposter (5:14) is een beetje de vreemde eend in de bijt. De ritmische strofen voelen aan als mathrock, maar dat gevoel wordt dan in de war gestuurd door het melodieuze refrein. Dan slaat het nummer plots een vreemde richting in, en begint een onheilspellende opbouw, die dan weer onderbroken wordt voor een refrein. Geen ontlading, geen finale ontploffing. Je blijft als luisteraar op je honger zitten (en dan krijg je natuurlijk zin om terug naar het eerste nummer terug te grijpen).
De afsluiter Cloak (3:41) is een erg ingetogen nummer met kale instrumentatie. Een niemendalletje dat niet zo goed past aan het eind van het album.
Dit album is dus een beetje een misser door al het te rustige materiaal. Te weinig climaxen, ontladingen en spanningsopbouwen om mij te bekoren. Niet toevallig zijn de twee langste nummers de beste op de cd. De schade qua score valt echter nog goed mee, omdat Oceansize nu eenmaal over prachtige arrangementen beschikt, een uitstekende ritmesectie heeft en een meer dan behoorlijke zanger. Deze zal ik zeker nog vele keren beluisteren, maar ik weet wel al zeker dat ze het niveau van Effloresce niet gehaald hebben.
Na het lastige Frames, waar veelal lange nummers op staan, is Self-Preserved While the Bodies Float Up weer een album met korte, toegankelijke nummers op. De cohesie van Frames schiet er wel bij in, want het album valt uiteen in twee delen. Een hard begin, en een rustig eind. Qua klank is dit zonder twijfel hun beste album tot dusver. De productie is erg goed, en alle instrumenten klinken uitstekend. Ook de harde stukken klinken deze keer uitmuntend. Instrumentaal is Oceansize nog steeds erg sterk. De drums en bas zijn bij momenten op een complexe manier met elkaar verweven, en het gitaarspel is ook steeds erg geslaagd.
Helaas ontbreekt het bij dit album een beetje aan spanning. Misschien dat sommigen meer houden van de kortere nummers, maar zelf heb ik het toch meer voor de lange epische escapades van hun debuut. Ze klinken meer en meer als Radiohead, maar Radiohead slaagt er wel veel beter in om richting te geven aan hun nummers. De trage nummers van Oceansize hebben een te kabbelend karakter, en blijven dus ook helemaal niet plakken.
De harde nummers op het album zijn een verdere evolutie van het harde materiaal op Frames. Interessant, maar er is te weinig aanwezig om echt te kunnen smaken. Hopelijk komen ze ooit nog eens met een wat zwaarder album over de brug.
Naar de muziek zelf dan. Part Cadillac (4:09) is een brutale opener. Een zware slome sludge-geïnspireerde riff rolt over je heen, als een soort verlengde van An Old Friend of the Christies. Mike Vennart heeft zelfs een kleine vocale uitspatting te bieden aan het eind, en hoewel dit een beetje een doelloos nummer is, is dit een fijne opener. Ook Superimposed (4:13) zou ik bij het hardere werk van Oceansize classificeren, al is de zang wel rustig. Het is zeker een druk nummer, waar drummer Mark Heron op het einde nog eens ferm uithaalt. En wat dan te zeggen van Build Us a Rocket Then (3:58). Hoog tempo, lekkere riffs van zowel gitaar als bas en wervelende drums. Dit is Oceansize op zijn meest chaotisch, en helaas is het hierna voor een tijdje afgelopen met de harde kant van hun muziek.
Oscar Acceptance Speech (8:52) is namelijk meer dynamisch, en dit is ook het meest uitgebalanceerde nummer op de cd. Alleen spijtig dat het zo langdradig eindigt met drie minuten viool, want voor de rest is dit een uitschieter op het album.
Ransoms (4:06) is een kalm nummer, waarin ze als vanouds weer prachtig sfeer scheppen met verre echo's van tremolo gitaar. De muziek deint op en neer, aanzwellend dan weer afnemend, allemaal erg mooi, maar niet bijster spannend. Ook A Penny's Weight (3:36) is een kort kalm stukje muziek dat wel erg zachtmoedig klinkt, fluweelzachte dreampop welhaast.
Silent Transparent (8:27) is meer in de stijl van Frames, zoals het begint met een complex spel tussen drums en bas. Ook gebruiken ze weer een meer rechtlijnige opbouw naar climax, zonder echte zijstapjes. Na zes minuten komt er dan eindelijk schot in de zaak, met een mooie finale die gerust de concurrentie met de betere shoegaze bands uit het begin van de jaren '90 aankan. Na het abrupte einde is het contrast met het stevige Its My Tail and I'll Chase It If I Want To (3:34) des te groter. Zware drums met daaroverheen een drukke gitaarriff en afgehaspelde zang zorgen voor een erg gespannen nummer dat nogal misplaatst lijkt te staan op het album.
Pine (4:54) is terug een adempauze: tremolo gitaarlijntjes, wat getokkel, rustig kabbelend melodietje, ingetogen hese zang, ... kortom weer zo'n nummer.
Afsluiter Superimposter (5:14) is een beetje de vreemde eend in de bijt. De ritmische strofen voelen aan als mathrock, maar dat gevoel wordt dan in de war gestuurd door het melodieuze refrein. Dan slaat het nummer plots een vreemde richting in, en begint een onheilspellende opbouw, die dan weer onderbroken wordt voor een refrein. Geen ontlading, geen finale ontploffing. Je blijft als luisteraar op je honger zitten (en dan krijg je natuurlijk zin om terug naar het eerste nummer terug te grijpen).
De afsluiter Cloak (3:41) is een erg ingetogen nummer met kale instrumentatie. Een niemendalletje dat niet zo goed past aan het eind van het album.
Dit album is dus een beetje een misser door al het te rustige materiaal. Te weinig climaxen, ontladingen en spanningsopbouwen om mij te bekoren. Niet toevallig zijn de twee langste nummers de beste op de cd. De schade qua score valt echter nog goed mee, omdat Oceansize nu eenmaal over prachtige arrangementen beschikt, een uitstekende ritmesectie heeft en een meer dan behoorlijke zanger. Deze zal ik zeker nog vele keren beluisteren, maar ik weet wel al zeker dat ze het niveau van Effloresce niet gehaald hebben.
Opeth - Blackwater Park (2001)

5,0
0
geplaatst: 27 juni 2010, 20:19 uur
Blackwater Park betekende de definitieve doorbraak van de Zweedse death metal band Opeth. Toen het album in 2001 uitkwam werd het onthaald op erg goede kritieken, en sindsdien wordt het vaak vernoemd in lijstjes allerhande. Het is waarschijnlijk het meest succesvolle album in het genre, en wordt vaak aangegeven als een ideaal startpunt om kennis te maken met de typische death metal zang, de grunt. Hier kan ik enkel mee akkoord gaan, want ook ondergetekende leerde grunten appreciëren dankzij Blackwater Park. En hoewel het album zijn zwakkere momenten kent, is het een terechte mijlpaal in het genre.
Toen het album uitkwam in 2001 had Opeth al een serieuze muzikale evolutie doorgemaakt. Ze begonnen met melodische death metal op Orchid ('95) en Morningrise ('96), en eens ze internationaal doorbraken verbreedde hun muziekstijl zich. Vanaf My Arms, Your Hearse ('98) werden de nummers iets korter en werd er meer aandacht besteed aan contrast en dynamiek binnen de nummers zelf, met sfeerwisselingen gebaseerd op de overgangen van akoestische passages naar harde stukken. Dit was mede te danken aan de komst van hun nieuwe drummer, Martin Lopez, die ook op Blackwater Park in erg goeie doen is. Hij weet de death metal kant van de muziek te ondersteunen met woeste drums, en de kalme stukken voorziet hij van een meer jazzy percussie. Still Life ('99) was een verdere verdieping van hun evolutie, en Blackwater Park kan op zijn beurt beschouwd worden als een meer gepolijste vorm van hun muziek, en is in zekere zin hun magnum opus. Het idee van een concept album lieten ze achterwege, en met behulp van producer Steven Wilson (van Porcupine Tree) perfectioneerden ze hun geluid.
Sindsdien wordt de muziek van Opeth benoemd met de term 'progressieve death metal'. Zware drums, virtuoos gitaarspel en diepe grunts worden afgewisseld met rustigere akoestische passages. Zo een dynamiek is een riskante aangelegenheid, maar bij Opeth zijn de rustigere passages volwaardige delen van de nummers. Het succesvol afwisselen van de cleane vocalen met de grunts draagt daar zeker bij mee, want het is weinigen gegeven om zo schitterend te zingen en te grunten als de frontman Mikael Akerfeldt. Zijn gewone stem lijkt wat op de stem van Steven Wilson van Porcupine Tree, en hij kan er erg goed mee overweg. Vooral het veelvuldig gebruik van harmonieën valt me erg in de smaak. Ook de zware zang is een schot in de roos. Zijn grunts zijn diep en indrukwekkend, en verbazingwekkend melodieus voor zulk een beklemmende stijl. Het teruggrijpen naar effecten (zoals op Dirge for November) is dan ook totaal overbodig, en ik vind het een spijtige tendens dat daarvoor op latere albums steeds vaker zou worden geopteerd. Het gitaarspel is eveneens indrukwekkend, met veel afwisselende riffs en erg veel aandacht voor melodie. De twee gitaristen (Akerfeldt en Peter Lindgren) vullen elkaar goed aan en zorgen samen met de bas (Martin Mendez) voor een vol geluid dat zeker wat te vergelijken valt met Porcupine Tree. Er wordt af en toe wat bluesy gesoleerd, aan een relatief rustig tempo en nooit overdadig lang.
Het moet gezegd worden dat ze hun nummers soms wel wat te veel rekken. Enkele riffs worden te vaak herhaald en daardoor slepen vooral de overgangsstukken in de nummers wat aan. De nummers in het midden van het album lijden daar wat onder. Ook zijn niet alle riffs even goed, maar met de enorme overdaad aanwezig op Blackwater Park is dat eigenlijk muggenziften. Dankzij het expressieve drumspel van Lopez komen de logge riffs immers echt tot leven waardoor de muziek nooit in sloomheid verzandt - iets wat bij zulke zware muziek wel eens wilt gebeuren. Ook hier weer is heel wat te danken aan de uitstekende productie van Wilson. De drums zijn erg helder, en alle instrumenten komen dankzij de reverb echt samen in de mixing zonder hun eigenheid te verliezen.
The Leper Affinity opent op magistrale wijze met een traag aanzwellend dissonant akkoord dat plots explodeert in één van de sterkste riffs van het album. Scheurende gitaren en excellente percussie maken het een erg vlot vloeiend nummer. Hoogtepunt is zonder twijfel het moment waarop Akerfeldt voluit 'Deafening shrieks pierced the night' schreeuwt, kippenvel moment. Rond 8:00 schudt Lopez dan zo'n sexy drum fill uit zijn mouw, en de outro wordt ingezet. Als epiloog komt er dan een enkele piano, akelig eenzaam een einde gevend aan het nummer.
Vervolgens gaan ze echt de progressieve metal richting uit met Bleak, dat hoge schrille elektrische gitaar combineert met sprankelend akoestische gitaar. Dit is waarschijnlijk hun beste combinatie van cleane vocalen en grunts. De extra zang van Steven Wilson geeft de rustige passage helemaal het Porcupine Tree sfeertje mee, dat dan opengebroken wordt met denderende drums. Aan het eind van het nummer is er wel een lelijke passage wanneer de gitaren herleidt worden tot geluidsruis. Harvest is een akoestische ballade, ingetogen drums en uitsluitend cleane vocalen. Een ideaal nummer om Opeth te leren kennen, maar een beetje magertjes in vergelijking met de eerste twee nummers. De single The Drapery Falls is weer een zwaarder nummer, met wel veel cleane vocalen en een rustig tempo. Het sleept hier en daar wat aan, maar het blijft nog steeds een erg goed nummer.
Dirge for November is voor mij het minste nummer op het album. Hoewel de akoestische outro na zes minuten prachtig is, is het begin van het nummer wat eentonig. Eén van de voornaamste punten van kritiek die Opeth te verduren krijgt is meestal dat alle nummers hetzelfde procédé bevatten, en dat speelt hun hier wat parten door het ontbreken van een echte climax. Leuke riffs genoeg, maar ze zijn een beetje doelloos. Een van de zwaarste nummers op het album is The Funeral Portrait, dat opgebouwd is rond een wel heel erg lekkere gitaarriff. Akerfeldt doet hier ook enkele ferme uithalen met een aanzwellende grunt. Beetje verrassend dat het hier het minst favoriete nummer van het album is (Pattern in the Ivy en de bonusnummers buiten beschouwing gelaten). Het instrumentale Patterns in the Ivy is een kort nummer met enkel gitaar en piano, en dient als een adempauze vooraleer het titelnummer aftrapt. De afsluiter is een waarlijk episch nummer dat vooral dankzij de sterke zang en loeiharde drums een ontzagwekkende finale kent.
Nu ik toch al zo'n lap tekst heb neergeschreven kan ik evengoed een woordje spenderen aan de verpakking. De hoes van Blackwater Park is mijn favoriete Opeth hoes, en eigenlijk de enige die ik echt geslaagd vind. Het stelt een mistig moeras voor met op de achtergrond vage gestaltes, mooi glad gephotoshopped. Een beetje zoals de muziek dus: duister en mysterieus, in zekere zin akelig, maar dankzij de productie toch erg aangenaam om te bewonderen. Het tekstboekje kan helpen om de grunts te ontcijferen, want bij momenten is hij wel nogal lastig te verstaan. Spijtig is dat eigenlijk niet, want veel diepgang is daar niet te vinden. The Leper Affinity gaat over een brutale verkrachting, the Funeral Portrait over een seriemoordenaar, ... de standaard death metal thematiek. Het titelnummer behandelt de neerwaartse spiraal van een dorp (Blackwater Park) dat in de greep is van een pandemie, en uiteindelijk ten onder gaat aan aan de duistere natuur van de inwoners, en hun onvermogen om zich te bekommeren om de zieken (This doesn't concern me yet/ Still far from the knell/ Taunting their bereavement). Wel leuk om eens op te letten, maar een boodschap zit er dus niet in. Pure entertainment, en erg goede wat mij betreft. Het album zakt af en toe wat in - de opener en de afsluiter steken er duidelijk bovenuit - maar minder dan zéér goed wordt het nergens. Een aanrader voor liefhebbers van zware metalen, en een uitstekende manier om grunts te leren appreciëren.
Toen het album uitkwam in 2001 had Opeth al een serieuze muzikale evolutie doorgemaakt. Ze begonnen met melodische death metal op Orchid ('95) en Morningrise ('96), en eens ze internationaal doorbraken verbreedde hun muziekstijl zich. Vanaf My Arms, Your Hearse ('98) werden de nummers iets korter en werd er meer aandacht besteed aan contrast en dynamiek binnen de nummers zelf, met sfeerwisselingen gebaseerd op de overgangen van akoestische passages naar harde stukken. Dit was mede te danken aan de komst van hun nieuwe drummer, Martin Lopez, die ook op Blackwater Park in erg goeie doen is. Hij weet de death metal kant van de muziek te ondersteunen met woeste drums, en de kalme stukken voorziet hij van een meer jazzy percussie. Still Life ('99) was een verdere verdieping van hun evolutie, en Blackwater Park kan op zijn beurt beschouwd worden als een meer gepolijste vorm van hun muziek, en is in zekere zin hun magnum opus. Het idee van een concept album lieten ze achterwege, en met behulp van producer Steven Wilson (van Porcupine Tree) perfectioneerden ze hun geluid.
Sindsdien wordt de muziek van Opeth benoemd met de term 'progressieve death metal'. Zware drums, virtuoos gitaarspel en diepe grunts worden afgewisseld met rustigere akoestische passages. Zo een dynamiek is een riskante aangelegenheid, maar bij Opeth zijn de rustigere passages volwaardige delen van de nummers. Het succesvol afwisselen van de cleane vocalen met de grunts draagt daar zeker bij mee, want het is weinigen gegeven om zo schitterend te zingen en te grunten als de frontman Mikael Akerfeldt. Zijn gewone stem lijkt wat op de stem van Steven Wilson van Porcupine Tree, en hij kan er erg goed mee overweg. Vooral het veelvuldig gebruik van harmonieën valt me erg in de smaak. Ook de zware zang is een schot in de roos. Zijn grunts zijn diep en indrukwekkend, en verbazingwekkend melodieus voor zulk een beklemmende stijl. Het teruggrijpen naar effecten (zoals op Dirge for November) is dan ook totaal overbodig, en ik vind het een spijtige tendens dat daarvoor op latere albums steeds vaker zou worden geopteerd. Het gitaarspel is eveneens indrukwekkend, met veel afwisselende riffs en erg veel aandacht voor melodie. De twee gitaristen (Akerfeldt en Peter Lindgren) vullen elkaar goed aan en zorgen samen met de bas (Martin Mendez) voor een vol geluid dat zeker wat te vergelijken valt met Porcupine Tree. Er wordt af en toe wat bluesy gesoleerd, aan een relatief rustig tempo en nooit overdadig lang.
Het moet gezegd worden dat ze hun nummers soms wel wat te veel rekken. Enkele riffs worden te vaak herhaald en daardoor slepen vooral de overgangsstukken in de nummers wat aan. De nummers in het midden van het album lijden daar wat onder. Ook zijn niet alle riffs even goed, maar met de enorme overdaad aanwezig op Blackwater Park is dat eigenlijk muggenziften. Dankzij het expressieve drumspel van Lopez komen de logge riffs immers echt tot leven waardoor de muziek nooit in sloomheid verzandt - iets wat bij zulke zware muziek wel eens wilt gebeuren. Ook hier weer is heel wat te danken aan de uitstekende productie van Wilson. De drums zijn erg helder, en alle instrumenten komen dankzij de reverb echt samen in de mixing zonder hun eigenheid te verliezen.
The Leper Affinity opent op magistrale wijze met een traag aanzwellend dissonant akkoord dat plots explodeert in één van de sterkste riffs van het album. Scheurende gitaren en excellente percussie maken het een erg vlot vloeiend nummer. Hoogtepunt is zonder twijfel het moment waarop Akerfeldt voluit 'Deafening shrieks pierced the night' schreeuwt, kippenvel moment. Rond 8:00 schudt Lopez dan zo'n sexy drum fill uit zijn mouw, en de outro wordt ingezet. Als epiloog komt er dan een enkele piano, akelig eenzaam een einde gevend aan het nummer.
Vervolgens gaan ze echt de progressieve metal richting uit met Bleak, dat hoge schrille elektrische gitaar combineert met sprankelend akoestische gitaar. Dit is waarschijnlijk hun beste combinatie van cleane vocalen en grunts. De extra zang van Steven Wilson geeft de rustige passage helemaal het Porcupine Tree sfeertje mee, dat dan opengebroken wordt met denderende drums. Aan het eind van het nummer is er wel een lelijke passage wanneer de gitaren herleidt worden tot geluidsruis. Harvest is een akoestische ballade, ingetogen drums en uitsluitend cleane vocalen. Een ideaal nummer om Opeth te leren kennen, maar een beetje magertjes in vergelijking met de eerste twee nummers. De single The Drapery Falls is weer een zwaarder nummer, met wel veel cleane vocalen en een rustig tempo. Het sleept hier en daar wat aan, maar het blijft nog steeds een erg goed nummer.
Dirge for November is voor mij het minste nummer op het album. Hoewel de akoestische outro na zes minuten prachtig is, is het begin van het nummer wat eentonig. Eén van de voornaamste punten van kritiek die Opeth te verduren krijgt is meestal dat alle nummers hetzelfde procédé bevatten, en dat speelt hun hier wat parten door het ontbreken van een echte climax. Leuke riffs genoeg, maar ze zijn een beetje doelloos. Een van de zwaarste nummers op het album is The Funeral Portrait, dat opgebouwd is rond een wel heel erg lekkere gitaarriff. Akerfeldt doet hier ook enkele ferme uithalen met een aanzwellende grunt. Beetje verrassend dat het hier het minst favoriete nummer van het album is (Pattern in the Ivy en de bonusnummers buiten beschouwing gelaten). Het instrumentale Patterns in the Ivy is een kort nummer met enkel gitaar en piano, en dient als een adempauze vooraleer het titelnummer aftrapt. De afsluiter is een waarlijk episch nummer dat vooral dankzij de sterke zang en loeiharde drums een ontzagwekkende finale kent.
Nu ik toch al zo'n lap tekst heb neergeschreven kan ik evengoed een woordje spenderen aan de verpakking. De hoes van Blackwater Park is mijn favoriete Opeth hoes, en eigenlijk de enige die ik echt geslaagd vind. Het stelt een mistig moeras voor met op de achtergrond vage gestaltes, mooi glad gephotoshopped. Een beetje zoals de muziek dus: duister en mysterieus, in zekere zin akelig, maar dankzij de productie toch erg aangenaam om te bewonderen. Het tekstboekje kan helpen om de grunts te ontcijferen, want bij momenten is hij wel nogal lastig te verstaan. Spijtig is dat eigenlijk niet, want veel diepgang is daar niet te vinden. The Leper Affinity gaat over een brutale verkrachting, the Funeral Portrait over een seriemoordenaar, ... de standaard death metal thematiek. Het titelnummer behandelt de neerwaartse spiraal van een dorp (Blackwater Park) dat in de greep is van een pandemie, en uiteindelijk ten onder gaat aan aan de duistere natuur van de inwoners, en hun onvermogen om zich te bekommeren om de zieken (This doesn't concern me yet/ Still far from the knell/ Taunting their bereavement). Wel leuk om eens op te letten, maar een boodschap zit er dus niet in. Pure entertainment, en erg goede wat mij betreft. Het album zakt af en toe wat in - de opener en de afsluiter steken er duidelijk bovenuit - maar minder dan zéér goed wordt het nergens. Een aanrader voor liefhebbers van zware metalen, en een uitstekende manier om grunts te leren appreciëren.
Opeth - Damnation (2003)

4,0
0
geplaatst: 15 september 2007, 21:21 uur
auto pilot schreef:
Het is wel vreemd dat een album dat niet helemaal representatief is voor een band het beste album van een band kan zijn. Voor mij persoonlijk is het nog steeds een goed album, maar door de wat meer eenzijdiger insteek niet het beste van deze band.
Het is wel vreemd dat een album dat niet helemaal representatief is voor een band het beste album van een band kan zijn. Voor mij persoonlijk is het nog steeds een goed album, maar door de wat meer eenzijdiger insteek niet het beste van deze band.
Hier kan ik mij wel in vinden. Sowiezo vind ik dat het album iets te vaak voortkabbelt, en er te weinig durf uit spreekt. Maar er staan natuurlijk enkele parels op. Verder vind ik de drums hier erg mooi klinken. En de mellotron zorgt bij momenten voor een erg leuk sfeermoment. Dit album schommelt zowat tussen de 3,5* en 4* voor mij.
Opeth - Deliverance (2002)

4,5
0
geplaatst: 5 november 2009, 20:35 uur
Door de nogal zware toon van het album (vijf epische composities langer dan tien minuten) is Deliverance niet bepaald mijn eerste keus als ik een Opeth plaat opzet. Vreemd eigenlijk, want alle vijf zijn het schoten in de roos, met als uitschieter het titelnummer - waarschijnlijk mijn favoriet Opeth nummer. Zoals je mag verwachten bij Opeth klopt alles weer als een bus, de productie op kop. Het is daarom lastig om minpuntjes op te noemen. Misschien de effecten op de zang in het laatste nummer, hier en daar een wat mindere riff en het gebrek aan adempauze.
Deliverance zal misschien geen nieuwe zieltjes winnen, maar wie de rest van hun materiaal kan smaken, zal zeker niet ontgoocheld zijn. Met Blackwater Park bewees Opeth al definitief dat ze wereldtop zijn in hun genre, en dat bevestigen ze hier wederom.
Deliverance zal misschien geen nieuwe zieltjes winnen, maar wie de rest van hun materiaal kan smaken, zal zeker niet ontgoocheld zijn. Met Blackwater Park bewees Opeth al definitief dat ze wereldtop zijn in hun genre, en dat bevestigen ze hier wederom.
Opeth - Watershed (2008)

3,5
0
geplaatst: 1 mei 2010, 14:19 uur
Opeth is een band die steevast kwaliteit levert. Hoewel ik hun oudste werk niet volledig weet te waarderen (wegens wat te grauw en soms wat te onsamenhangend) hebben ze vanaf Blackwater Park (en eigenlijk ook al vanaf Still Life) allemaal zeer goede tot ronduit uitstekende albums afgeleverd. Epische death metal die mede dankzij een uitstekende productie vermijdt in het ravijn van de potsierlijkheid te storten, wat gezien de nogal over-the-top vocalen makkelijker gezegd dan gedaan is. Omdat het allemaal zo propertjes klinkt, én omdat frontman Mikael Åkerfeldt een cleane zang heeft die aardig te pruimen valt, is Opeth een ideale groep om kennis te maken met gruntmuziek. Ook Watershed bevat dezelfde sleutelelementen die Opeth zo'n succes maakt. Instrumentaal is het allemaal topklasse, ook de nieuwe drummer kan het hoge niveau probleemloos aan, hij introduceert zelfs een voor Opeth nieuw element: blastbeats in the Lotus Eater. De nummers zijn als vanouds een superpositie van harde metalstukken en sfeervolle rustige passages, die een adempauze gunnen aan de fervente headbanger.
Sinds Akerfeldt vader werd in 2004, is de muziek van Opeth wel verder geëvolueerd naar de progrock. Ghost Reveries vond ik daarom een stap terug, en Watershed gaat in dezelfde richting voort. Keyboard riedeltjes zoals in the Lotus Eater zijn niet aan mij besteed vrees ik. Ook voelen de sprongen in maatsoort soms kunstmatig aan, zoals in de riff van Heir Apparent. Beetje spijtig, maar er blijft nog genoeg lekkers over voor een 3,5*.
Nog een uitsmijter: What's up with all the sorrow? Het woordje sorrow komt echt wat te vaak terug op dit album. Da's dan weer één van de nadelen van een cleane zang zeker.
Sinds Akerfeldt vader werd in 2004, is de muziek van Opeth wel verder geëvolueerd naar de progrock. Ghost Reveries vond ik daarom een stap terug, en Watershed gaat in dezelfde richting voort. Keyboard riedeltjes zoals in the Lotus Eater zijn niet aan mij besteed vrees ik. Ook voelen de sprongen in maatsoort soms kunstmatig aan, zoals in de riff van Heir Apparent. Beetje spijtig, maar er blijft nog genoeg lekkers over voor een 3,5*.
Nog een uitsmijter: What's up with all the sorrow? Het woordje sorrow komt echt wat te vaak terug op dit album. Da's dan weer één van de nadelen van een cleane zang zeker.
Orchid - Gatefold (2002)

3,5
0
geplaatst: 10 juni 2010, 22:12 uur
Van de traditionele screamo met korte tracks en dito uitbarstingen is dit met voorsprong mijn favoriet. De screams zijn raak en gevarieerd, net als de muziek. Het blijft natuurlijk allemaal hectisch en energetisch, maar het blijft toch allemaal nog bevatbaar, en door de rustige passages die ze er tussen plaatsen (bv. Tigers) krijg je als luisteraar af en toe een rustmoment om even op adem te komen. Een leuke energieinjectie voor af en toe.
Owls - Owls (2001)

2,0
0
geplaatst: 15 november 2010, 17:54 uur
Owls mag je gerust het vervolg op Cap'n Jazz noemen, want 4/5 van die groep speelt hier weer in mee. Centraal natuurlijk Tim Kinsella (en zijn broer Mike), maar ook de productie van Steve Albini. De klank is goed verzorgd, en zo ook het gitaarspel. Helaas gaat samen met de rommeligheid ook de energetische dynamiek verloren die Cap'n Jazz nog leuk maakte. Dit valt ergens tussenin Cap'n Jazz en American Football, en het is net dit vis noch vlees karakter die de muziek de nek omwringt. "I Want the Quiet Moments of a Party Girl" bijvoorbeeld klinkt als zo'n volledig mislukt Velvet Underground experiment, dat helemaal nergens heengaat. Kortom, een ontgoochelend album.
