MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten BoyOnHeavenHill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Focus - X (2012)

poster
3,5
Na mijn recente ontdekking van de eerste vijf platen van Focus (onder het motto "beter laat dan nooit") ben ik door de enthousiaste verhalen van de gebruikers hier (musician voorop) aan deze veel latere incarnatie begonnen, en ik moet zeggen dat dit "jubileumalbum" niet teleurstelt. Menno Gootjes zal wel nooit van het "de opvolger van"-etiket afkomen, maar getuige het lekkere gitaarwerk op de opener en de spetterende solo's op Birds come fly over (le tango) en Hoeratio haalt hij daar zijn schouders over op, en zo krijgt de band gewoon een vol en eigentijds geluid zonder per se herinneringen aan vroeger op te roepen. Ik moet wel zeggen dat na de eerste helft van de nummers het beste er wel een beetje van af is; wanneer de muziek zich in de richting van de luie jazz beweegt (zoals op het titelnummer en vooral Amok in kindergarten) haak ik af, en de meligheid wat betreft de flauwe woordspelingen in titels (All hens on deck, Hoeratio, net als vroeger Bennie Helder en Aya-yuppie-hippie-yee) en de oubollige muziek (Talk of the clown) kan ik ook niet goed hebben. Gelukkig blijft het niveau van musiceren onveranderd hoog, en het organische geluid is een balm voor de oren. Ik weet niet of dit album voor mij het niveau of de draaibaarheidsfactor van het vroege werk heeft, maar gelukkig is vergelijken niet nodig, want dit is gewoon een vitale en warme plaat van twee muzikanten die er nog altijd plezier in hebben om met twee jonge(re) honden samen muziek te maken. (Grappig feitje: toen ik kortgeleden een aantal DVD's met oude shows van Brigitte Kaandorp bekeek zag ik dat Pierre van der Linden daarbij in haar begeleidingsband meespeelde!)

Frank Sinatra - In the Wee Small Hours (1955)

poster
3,0
Och ja, niet zo veel aan het enthousiasme toe te voegen: smaakvolle arrangementen en prachtige composities (hoewel ik ook wel wat meer variaties in tempo zou willen horen). Maar die stèm... bij mijn ouders hoorde ik redelijk wat Sinatra (zij waren nog van de generatie die aan hem refereerde als "Frankie"), dus ik ben wel redelijk bekend met zijn timbre en zijn dictie, maar waar andere gebruikers hier de invloed van de breuk van Ava Gardner in zijn stem (menen te) kunnen horen bespeur ik toch steeds een bepaalde afstandelijkheid, een zekere koelte, een soort berekening die mij onaangenaam aandoet. Natuurlijk hebben die relatie en die breuk hem gevormd en getekend, en ongetwijfeld hebben die hun weerslag op zijn stem gehad, maar ik hoor zelf toch achter die perfect geëtaleerde gevoelens altijd de man die er consciëntieus voor zorgt dat de emoties altijd zo nauwkeurig mogelijk verklankt worden. Voor mijn gevoel zingt hij te vaak niet uit emotie maar uit controle.
        Dat ik dat in zijn stem hoor zal vermoedelijk ook wel te maken hebben met het beeld van Sinatra als "baasje" zoals dat uit diverse media tot mij is gekomen (hoewel een recent geziene documentaire op televisie mijn beeld van hem wel enigszins positief heeft bijgesteld). Wie tegenwerpt dat het oneigenlijk is om mijn indruk van zijn stem te laten beïnvloeden door externe beeldvorming heeft misschien gelijk – maar vele gebruikers hier doen in feite hetzelfde door de breuk met Gardner in deze liedjes terug te horen, terwijl Sinatra tijdens het zingen misschien wel dacht aan de volgende borrel, of aan een knellende bretel, of aan de vrouw van de eerste violist.
        Hoe dan ook, ontegenzeggelijk een fraai album, maar mijn man is Frankie niet.
        Overigens is dat best een aardige discussie hierboven, over of dit al dan niet het eerste concept-album was. Op twee gebieden is deze plaat echter zéker de eerste: het is de eerste titel (in chronologisch opzicht dus) in mijn boek over 1001 albums – de meest spraakmakende albums aller tijden, en het staat op nummer 1 in de MusicMeter-Toplijst van het jaar 1955, waar het de zware concurrentie heeft weten te weerstaan van het collectief van álle andere albums uit die lijst, te weten Miles Davis' Blue moods.

Frank Zappa - Sheik Yerbouti (1979)

poster
4,0
Een gigantisch mozaïek van perfecte popsongs met hilarische teksten afgewisseld met experimentele en al dan niet samengeplakte muzikale intermezzo's. De eerstgenoemde nummers zijn regelmatig briljant en leveren af en toe een geweldige flow binnen het album op, over de tweede categorie ben ik minder enthousiast, want ik vind Zappa's gitaarsolo's tegen die achtergrond van een minimale hoeveelheid akkoorden nou eenmaal gewoon niet mooi of interessant. Ach, alles hoort bij elkaar, de leuke en de minder leuke stukjes, hun samenspel illustreert het genie van deze man, dus ik draai dit album bijna altijd toch wel in z'n geheel, maar zonder die lange solo's op Rat tomago, The Sheik Yerbouti tango en Yo' mama zou de score wellicht nog hoger uitvallen.

Frankie Laine - Hell Bent for Leather! (1961)

poster
4,5
Jeugdsentiment, want uit de platenkast van mijn vader, maar sinds ik steeds meer westerns ben gaan kijken ook hédendaags sentiment, want een goede western uit de jaren 50 is niet compleet zonder Frankie's vocalen. Nee, High noon is niet oorspronkelijk door hèm voor de gelijknamige film opgenomen, en ja, het is allemaal nep, maar op de één of andere manier heeft deze man de enig juiste stem voor dat soort films. 3:10 to Yuma is wèl oorspronkelijk van hem, en de perfecte titelsong van een al even perfecte western. Heerlijke plaat, nu samen met Rockin' uit 1957 op een 2-for-1-CD van Collectables uitgebracht.

Frankie Laine - Rockin' (1957)

poster
3,0
Aardige representatieve plaat met een paar hits en een paar goede klassiekers, gezongen met het bekende stevige stemgeluid, en gelukkig nergens echt te stroperig. Samen met Laine's klassieke verzameling western-film-thema-songs Hell bent for leather uit 1961 op een 2-for-1-CD van Collectables uitgebracht.

Frederick Loewe & Alan Jay Lerner - My Fair Lady (1964)

poster
5,0
De soundtrack van de gelijknamige verfilming (1964) van de succesvolle musical van Alan Jay Lerner (libretto) en Frederick Loewe (muziek) (1956) naar het toneelstuk Pygmalion van George Bernard Shaw (1913). Eén van de laatste grote en "lavish" geproduceerde musicals die nog commercieel succesvol waren (in dít geval zelfs zéér succesvol), en naar mijn smaak bovendien één van de beste, grappigste en soms ook ontroerendste musicals ooit gemaakt.
        En op deze soundtrack (sinds de Sony-remaster uit 1994 met maar liefst 11 nummers aangevuld) kunnen we precies horen waaróm: een schandalige hoeveelheid ijzer-ijzer-ijzersterke melodieën, zeer geestige liedteksten met extreem inventieve rijmschema's, elegante lichtvoetige arrangementen, en natuurlijk Shaw's levendige personages en niet kapot te krigen plot. We horen voornamelijk de praatzang van Rex Harrison als professor Henry Higgins en de fraaie stem van Marni Nixon die de partijen van Audrey Hepburn als het bloemenmeisje Eliza Doolittle indubde (tot verdriet van de laatste), maar ook vinden we hier twee liedjes van Stanley Holloway als Eliza's klaplopende vader Alfred P. Doolittle (inclusief het nummer dat de titel van zijn autobiografie zou worden, Wiv a little bit o' luck uit 1967). Het enige minpuntje is On the street where you live, nota bene mijn favoriete nummer uit de film, dat in de achteloze cover van Dean Martin de perfectie benadert, maar dat hier veel te braaf en galmend wordt gezongen door Bill Shirley (hoewel het wordt "voorgedragen" door een jonge Jeremy Brett).
        Kortom, 76 minuten prachtig muzikaal vermaak die me nog steeds laten lachen, ook al weet ik precies wat er komt wanneer Eliza op Ascot lichtjes uit haar rol valt. Natuurlijk is deze soundtrack extra leuk voor wie het toneelstuk en/of de film nog goed op zijn netvlies heeft staan, maar ook daarzónder is het eenvoudig om ontroerd te raken door Eliza's Wouldn't it be loverly (ja, die laatste r hoort daar echt) en I could have danced all night, en wonderbaarlijk genoeg is professor Higgins' I've grown accustomed to her face zelfs aandoenlijk. Zoals gezegd één van de beste, grappigste en ontroerendste musicals ooit gemaakt.

Free - The Best Of (1991)

Alternatieve titel: All Right Now

poster
5,0
Als ik mezelf van bij een andere verzamel-CD mag citeren, dit is helaas geen ideale compilatie. Want, en dit is een persoonlijke afwijking van mij, ik vind eigenlijk dat een best-of-compilatie altijd één slecht nummer moet hebben, om te voorkomen dat je gaat denken: "hee, dit zijn eigenlijk alleen maar geweldige nummers, volgens mij heeft deze band alleen maar goed werk afgeleverd, ik moet toch nog eens wat reguliere albums van ze kopen!" – met het risico dat je vervolgens opgescheept zit met platen die toch eigenlijk toch een stuk minder zijn dan die nummers die de best-of-compilatie hebben gehaald… Maar helaas is dat bij deze CD niet het geval, er staat eigenlijk geen enkele zwakke broeder op. Ik geloof dat ik dan toch maar eens aan hun reguliere albums moet gaan geloven, want wat deze compilatie mij in ieder geval leert is dat het vooroordeel dat ze niets meer dan bluesrockers zijn totaal nergens op slaat: de ballades zoals Come together in the morning, Sail on, Be my friend en het fantastische Don't say you love me zijn net zo sterk en maken duidelijk dat Paul Rodgers een werkelijk briljante zanger is. Maar nee, hèm apart noemen doet de rest van de band onrecht... een geweldige groep, ik kan niet anders zeggen. (Overigens schrijft Gert P hierboven dat The hunter hier in een live-versie op staat; begin jaren negentig kocht een vriend van mij deze CD, een paar jaar geleden ikzelf, en bij allebei die "persingen" stond The hunter er gewoon in de studioversie op.)
 

Freedy Johnston - Can You Fly (1992)

poster
4,5
De bezwaren die ik had bij The trouble tree (rockers die niet lekker lopen en daardoor niet Johnstons forte lijken te zijn) zijn hier nog niet helemaal ondervangen (de twee openers en California thing overtuigen mij niet), maar het middenstuk van dit album (nummers 6 tot en met 11) maakt dat allemaal meer dan goed. Daar doet Johnston waar hij voor mij het best in is: mid-tempo-verhaaltjes over mensen op de rand, gebed in prachtige melodieën, met een sfeervolle produktie, perfecte opvullende sologitaartjes (Responsible !) en een fascinerende stem, enigszins hees en eindeloos onbevooroordeeld en onbevangen. Wie zo mooi als in Tearing down this place kan beschrijven hoe een huis vol liefde onbewoonbaar wordt verklaard is een hele grote.

Freedy Johnston - The Trouble Tree (1990)

poster
3,5
Net als steven hierboven (7-1-2011) heb ik deze man indertijd leren kennen via Ein Abend in Wien (1991) – althans, dat dácht ik, want op die compilatie staat van hem Innocent, terwijl volgens mij het prachtige Gina het eerste was dat ik van hem hoorde. Hoe dan ook, voor zijn beste nummers was ik meteen verkocht: het poppy No violins, het jazzy Bad girl, het akoestische maar spannende Tucumcari, het bijzonder grappige Fun ride (zuchtend: "Hurry up and go to the bathroom.") en natuurlijk dat mysterieuze Gina waarvan ik blij ben dat ik er nog steeds niet helemaal zeker van ben waar het over gaat, alles gezongen met die typische licht hese stem die vaak de indruk wekt van een zesjarig jongetje afkomstig te zijn maar op andere momenten bijna ondraaglijk intiem kan zijn.
        Helaas wordt het album ontsierd door diverse rock-achtige arrangementen die pijn doen aan mijn oren omdat ze voor geen meter lopen. Het ademloze Stray Cats-achtige ritme en de overstuurde gitaren doen Nature boy bijvoorbeeld bepaald geen goed, After my shocks begraaft een geweldige (en pijnlijke) tekst in een tsjakka-boem-drumpatroon dat het nummer totaal doodslaat, en de leuke tekst van Little red haired girl verzuipt in een cirkelzaag-gitaar die helemaal niets toevoegt. Misschien probeerde Johnston zo krampachtig te vermijden dat hij als singer-songwriter gelabeld zou worden, maar zulke mislukte pogingen doen mij alleen maar geforceerd aan.
        Uiteindelijk kan ik echter toch niet anders dan sympathie hebben voor een man die zijn vriendinnetje meeneemt voor een romantisch autoritje maar daar tegelijk aan toevoegt: "We can go get your little brother!" Maar de belofte van dit debuut zou pas op de opvolger echt ingelost worden.
        Indertijd gekocht op een CD (P 1990 Bar/None Records USA, C 1991 Demon Records UK) met twee "ghost tracks": een mooi akoestisch nummer met een tekst waarin de albumtitel zó vaak voorkomt dat het wel het titelnummer zal zijn, en een nóg psychedelischer versie van Little red haired girl.

Freedy Johnston - This Perfect World (1994)

poster
3,0
Als iemand mij indertijd zou hebben gevraagd waarom ik na This perfect world was opgehouden met Freedy Johnston te volgen, zou ik hebben gezegd: op zijn eerste plaat was zijn stem fascinerend want ongewoon, maar de kwaliteit en de insteek van de nummers waren nogal wisselvallig. Op zijn tweede plaat was zijn stem nog steeds fascinerend, maar het merendeel van de nummers was nu niet meer veelbelovend maar tot complete bloei gekomen, en dat maakte Can you fly tot een klein meesterwerk. Op zijn derde plaat had hij zijn stijl in feite geperfectioneerd en waren de ruwe diamantjes van zijn composities tot perfecte popnummers uitgekristalliseerd, maar daarmee was ook het grillige en onvoorspelbare van zijn eerdere platen verdwenen, en bovendien was hij niet alleen steeds béter maar daarmee ook steeds gewoner gaan zingen, waardoor het unieke en ongrijpbare een beetje uit zijn muziek was weggefilterd. Het resultaat is een perfecte plaat – té perfect wat mij betreft, want na het perfecte eerste kwartet nummers slaat de verveling bij mij toe en beginnen mijn gedachten af te dwalen. Ik had niet gedacht dat ik dit ooit bij een plaat zou zeggen, maar het is allemaal té smaakvol, met alle composities te klassiek, alle arrangementen te voorbeeldig, alle emoties te goed gekanaliseerd en alle ruwe randjes te zorgvuldig weggeslepen.

Fuzzy Duck - Fuzzy Duck (1971)

poster
3,5
Zo, bijna precies tien jaar geleden zijn hier vlak na de toevoeging in een uurtje vijf berichten over geschreven, daarna totale radiostilte... Kennelijk een vergeten "klassieker", goed dat Aproxis zijn oren open houdt.
        "Classic keyboard-driven British progressive rock" noemt de All Music Guide dit, en inderdaad ligt de nadruk op het lekker vette en volle Hammond-orgel van Roy Sharland, maar persoonlijk vind ik ook de prominente basgitaar van Mick Hawksworth op deze plaat èrg leuk, want het was volgens mij in die tijd nog niet echt gangbaar om de bas er op deze manier uit te laten knetteren (zo overdonderend als Chris Squire is het niet, maar de basgitaar speelt hier zeker geen ondergeschikte rol). Lekker stevige psychedelische orgel-rock dus, met de vermelding dat door de niet zo bijzondere composities en de vrij onpersoonlijke vocalen (van twee verschillende zangers) na verloop van tijd ondanks de lekkere sound toch de verveling een beetje toeslaat. De eerste twee tracks zijn in mijn optiek duidelijk het sterkst.
        Wat de bonustracks betreft, bij Double time woman moet ik steeds denken aan wat Ian Paice zei over Dark night, de single die niet op Deep Purple in rock stond maar wel werd gebruikt om dat album te promoten: "We realised we'd done something rather good for ourselves." En het lijkt wel of Fuzzy Duck deze single op precies dezelfde manier wilde gebruiken: compacter en aanzienlijk korter dan de albumtracks, en poppier en catchier dan het album (en om de link nog wat verder door te voeren klínkt het nummer ook diep-paars, net zoals er op In our time al een Blackmore-achtige gitaar te horen is). Op No name face daarentegenlijkt de zanger juist zijn best te doen om op Roger Chapman te lijken, maar in commercieel opzicht maakte het helaas allemaal niet veel uit.