Hier kun je zien welke berichten BoyOnHeavenHill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
I'm Your Fan (1991)
Alternatieve titel: The Songs of Leonard Cohen

4,5
0
geplaatst: 7 maart 2013, 22:24 uur
Geweldige tribute-plaat, met een aantal echt perfecte covers – Lloyd Cole's Chelsea Hotel moet ik even apart vermelden, en Don't go home with your hard-on (prachtige titel trouwens) is ook een hoogtepunt waarmee David McComb en Adam Peters hun vroegere band (The Triffids) gelukkig niet beschamen.
Maar zoals het hoort begint de plaat met het éénnabeste nummer (Who by fire met prachtige zang van House Of Love-baas Guy Chadwick) en eindigt hij met het beste nummer : de cover van John Cale was de eerste keer dat ik Hallelujah hoorde, en nog altijd vind ik zijn versie met afstand de mooiste. (Sowieso ben ik al blij dat ik er überhaupt nog naar kan luisteren na met de X-Factor-versie van Lisa te zijn doodgegooid.)
Maar zoals het hoort begint de plaat met het éénnabeste nummer (Who by fire met prachtige zang van House Of Love-baas Guy Chadwick) en eindigt hij met het beste nummer : de cover van John Cale was de eerste keer dat ik Hallelujah hoorde, en nog altijd vind ik zijn versie met afstand de mooiste. (Sowieso ben ik al blij dat ik er überhaupt nog naar kan luisteren na met de X-Factor-versie van Lisa te zijn doodgegooid.)
Ian Hunter - All American Alien Boy (1976)

2,5
0
geplaatst: 14 januari 2012, 09:53 uur
Nog een aardig weetje dat ik me herinner uit een toenmalig interview met Hunter: omdat critci altijd vonden dat hij zo klonk als Bob Dylan dacht hij "nou, laat ik het dan maar eens voluit proberen" en schreef hij God (take 1) ook geheel in de stijl van Dylan -- zij het met zijn tongue firmly in his cheek dunkt me.
Beetje wisselvallige en soms (Restless youth) ook gewoon tamelijk saaie plaat waarin de altijd puntige teksten niet altijd de wat matige muziek (het titelnummer) compenseren. Wat mij betreft enigszins een teleurstelling na het spetterende debuut, hoewel het openingsnummer hemeltergend mooi is (een sfeer die direct daarna verpest wordt door dat suffe begin van het titelnummer) en Apathy 83 (met die prachtige accordeon) altijd een persoonlijke favoriet is geweest, met slimme tekstregels die fraai in de melodie zijn verweven:"Heed a president proven rotten / Now officially forgotten", en "Wired out, tired out, transcendental mental / Only laughing in your sleep".
Een tekstueel zeer ambitieuze (en succesvolle) maar muzikaal voor mij niet geheel geslaagde plaat.
Beetje wisselvallige en soms (Restless youth) ook gewoon tamelijk saaie plaat waarin de altijd puntige teksten niet altijd de wat matige muziek (het titelnummer) compenseren. Wat mij betreft enigszins een teleurstelling na het spetterende debuut, hoewel het openingsnummer hemeltergend mooi is (een sfeer die direct daarna verpest wordt door dat suffe begin van het titelnummer) en Apathy 83 (met die prachtige accordeon) altijd een persoonlijke favoriet is geweest, met slimme tekstregels die fraai in de melodie zijn verweven:"Heed a president proven rotten / Now officially forgotten", en "Wired out, tired out, transcendental mental / Only laughing in your sleep".
Een tekstueel zeer ambitieuze (en succesvolle) maar muzikaal voor mij niet geheel geslaagde plaat.
Ian Hunter - Overnight Angels (1977)

2,5
0
geplaatst: 14 januari 2012, 10:00 uur
Muzikaal niet slecht, maar volgestopt met allemaal koortjes en productionele foefjes en daardoor platgeperst -- met dank aan Roy Thomas Baker die de trucendoos van zijn Queen-producties had meegenomen. Zonde.
Gitarist Earl Slick heeft in zijn enorme carrière met veel grote namen gewerkt, maar is voor mij vooral onsterfelijk vanwege zijn prachtige werk voor Bowie op Station to station. Drummer Dennis Elliott ging hierna naar Foreigner.
Gitarist Earl Slick heeft in zijn enorme carrière met veel grote namen gewerkt, maar is voor mij vooral onsterfelijk vanwege zijn prachtige werk voor Bowie op Station to station. Drummer Dennis Elliott ging hierna naar Foreigner.
Illusion - Enchanted Caress (1989)

2,5
0
geplaatst: 6 december 2024, 22:38 uur
De band Illusion bestond uit vier van de vijf leden die in 1969 en 1971 onder de naam Renaissance twee albums (Renaissance en Illusion) maakten. Vijf jaar later bestond die groep nog steeds, zij het met allemaal andere muzikanten aangezien alle oorspronkelijke leden inmiddels waren vertrokken, dus toen de laatsten de draad weer wilden oppakken moesten ze een andere groepsnaam kiezen. En daarvoor werd de naam van het tweede Renaissance-album gebruikt, zodat voor de goede verstaander de link onmiskenbaar bleef.
Illusion bestond dus uit de vier oorspronkelijke leden, Jim McCarty (ex-Yardbirds; zang, akoestische gitaar en het merendeel van de composities), John Hawken (toetsen en aantal composities), Jane Relf (zang) en Louis Cennamo (bas), aangevuld met gitarist John Knightsbridge en drummer Eddie McNeil. Oorspronkelijk zou de band zelfs een zevende lid herbergen, maar Jim Relf (eveneens ex-Yardbirds en samen met McCarty de initiatiefnemer van Illusion) werd in mei 1976 in zijn appartement geëlektrocuteerd toen zijn elektrische gitaar niet goed geaard bleek.
In deze bezetting maakte Illusion twee prachtige albums met verzorgde romantische pop met soms een licht symfonische inslag, Out of the mist (1977) en Illusion (1978). Maar de tijdgeest was de band bepaald niet gunstig gestemd, en de in 1979 opgenomen demo's resulteerden nooit in een derde album. Gelukkig werden die demo's in 1989 of 1990 alsnog uitgebracht onder de titel Enchanted caress. Al deze acht nummers zijn geschreven en geproduceerd door Jim McCarty, en ik twijfel niet aan hoe geïnspireerd hij was, maar helaas is het merendeel nogal vlak, en McCarty's vrij vervelende zangstem maakt de zaak er niet beter op.
Er lijkt een poging gedaan te zijn om iets meer in lijn met de toenmalige popmode te komen, dus vinden we hier wat kortere rechttoe-rechtaan nummers zonder enige symfonische bijsmaak, de toetsen als dominant instrument, en lichte Steely-Dan-jazzy en disco-invloeden, maar met zulke matige composities maakt dat allemaal niet veel uit: Getting into love again klinkt alsof ze nog een èchte en betere zangmelodie moesten verzinnen, Living above your head heeft last van een vervelend Song for Guy-ritmeboxje, en You are the one heeft een ongelooflijk vervelend refrein ("You are, you are, you are the one" vier keer achter elkaar op dezelfde melodie). Zelfs het altijd smaakvolle en subtiele spel van toetsenist John Hawken kan deze nummers maar zelden naar een hoger niveau tillen.
Het is in feite alleen maar aan Jane Relf te danken dat ik dit album dan toch nog een redelijke score toeken. Haar soms ijle, soms warme maar altijd prachtige stem was voor mij al de voornaamste kwaliteit van de twee studioplaten van Illusion; hier is zij degene wiens tweede stem de leadzang van Jim McCarty draaglijk maakt, en dankzij haar solozang halen de twee hoogtepunten van Echanted caress (te weten The man who loved the trees en As long as we're together) warempel het niveau van het eerdere werk. Zónder haar bijdrage zouden deze demo's het naar mijn smaak werkelijk niet verdienen om in een serieuze studio te worden omgewerkt tot tracks voor een release-waardig album.
Naast de acht demo's (die overigens uitstekend klinken) bevat deze compilatie nog twee curiosa. Allereerst is daar Slaughter on Tenth Avenue, oorspronkelijk een compositie van Richard Rodgers uit 1936 voor een ballet, maar hier uitgevoerd als een soort solonummer van gitarist John Knightsbridge met hulp van de ritmesectie van The Strawbs, echter zonder dat het mij duidelijk wordt wat dit toevoegt aan de hitversie van The Ventures uit 1964. Daarnaast is er nog All the fallen angels, het laatste nummer dat Keith Relf opnam vóór zijn dood in 1976 en als zodanig een mooi eerbetoon voor zijn fans, maar hoewel het hier pride of place als monumentaal slotnummer heeft vind ik het zelf een vrij monotone ballade met bovendien nogal zeurderige leadzang. Beide nummers zijn natuurlijk nodig om hier een album met een acceptabele speelduur van te maken, maar voor mij voegen ze niets toe.
De twee bovengenoemde bonustracks tenslotte zijn nummers van Out of the mist, het eerste album van Illusion, en wie Enchanted caress aanschaft zal dat tweetal al in de collectie hebben; wie ze nog níét kent zal merken dat ze allebei veel beter zijn dan wat er verder op Enchanted caress staat, maar die vergelijking is natuurlijk niet eerlijk. De echte Illusion-fan zal toch willen horen wat de band voor hun derde album van plan was, maar hij of zij weze gewaarschuwd.
Illusion bestond dus uit de vier oorspronkelijke leden, Jim McCarty (ex-Yardbirds; zang, akoestische gitaar en het merendeel van de composities), John Hawken (toetsen en aantal composities), Jane Relf (zang) en Louis Cennamo (bas), aangevuld met gitarist John Knightsbridge en drummer Eddie McNeil. Oorspronkelijk zou de band zelfs een zevende lid herbergen, maar Jim Relf (eveneens ex-Yardbirds en samen met McCarty de initiatiefnemer van Illusion) werd in mei 1976 in zijn appartement geëlektrocuteerd toen zijn elektrische gitaar niet goed geaard bleek.
In deze bezetting maakte Illusion twee prachtige albums met verzorgde romantische pop met soms een licht symfonische inslag, Out of the mist (1977) en Illusion (1978). Maar de tijdgeest was de band bepaald niet gunstig gestemd, en de in 1979 opgenomen demo's resulteerden nooit in een derde album. Gelukkig werden die demo's in 1989 of 1990 alsnog uitgebracht onder de titel Enchanted caress. Al deze acht nummers zijn geschreven en geproduceerd door Jim McCarty, en ik twijfel niet aan hoe geïnspireerd hij was, maar helaas is het merendeel nogal vlak, en McCarty's vrij vervelende zangstem maakt de zaak er niet beter op.
Er lijkt een poging gedaan te zijn om iets meer in lijn met de toenmalige popmode te komen, dus vinden we hier wat kortere rechttoe-rechtaan nummers zonder enige symfonische bijsmaak, de toetsen als dominant instrument, en lichte Steely-Dan-jazzy en disco-invloeden, maar met zulke matige composities maakt dat allemaal niet veel uit: Getting into love again klinkt alsof ze nog een èchte en betere zangmelodie moesten verzinnen, Living above your head heeft last van een vervelend Song for Guy-ritmeboxje, en You are the one heeft een ongelooflijk vervelend refrein ("You are, you are, you are the one" vier keer achter elkaar op dezelfde melodie). Zelfs het altijd smaakvolle en subtiele spel van toetsenist John Hawken kan deze nummers maar zelden naar een hoger niveau tillen.
Het is in feite alleen maar aan Jane Relf te danken dat ik dit album dan toch nog een redelijke score toeken. Haar soms ijle, soms warme maar altijd prachtige stem was voor mij al de voornaamste kwaliteit van de twee studioplaten van Illusion; hier is zij degene wiens tweede stem de leadzang van Jim McCarty draaglijk maakt, en dankzij haar solozang halen de twee hoogtepunten van Echanted caress (te weten The man who loved the trees en As long as we're together) warempel het niveau van het eerdere werk. Zónder haar bijdrage zouden deze demo's het naar mijn smaak werkelijk niet verdienen om in een serieuze studio te worden omgewerkt tot tracks voor een release-waardig album.
Naast de acht demo's (die overigens uitstekend klinken) bevat deze compilatie nog twee curiosa. Allereerst is daar Slaughter on Tenth Avenue, oorspronkelijk een compositie van Richard Rodgers uit 1936 voor een ballet, maar hier uitgevoerd als een soort solonummer van gitarist John Knightsbridge met hulp van de ritmesectie van The Strawbs, echter zonder dat het mij duidelijk wordt wat dit toevoegt aan de hitversie van The Ventures uit 1964. Daarnaast is er nog All the fallen angels, het laatste nummer dat Keith Relf opnam vóór zijn dood in 1976 en als zodanig een mooi eerbetoon voor zijn fans, maar hoewel het hier pride of place als monumentaal slotnummer heeft vind ik het zelf een vrij monotone ballade met bovendien nogal zeurderige leadzang. Beide nummers zijn natuurlijk nodig om hier een album met een acceptabele speelduur van te maken, maar voor mij voegen ze niets toe.
De twee bovengenoemde bonustracks tenslotte zijn nummers van Out of the mist, het eerste album van Illusion, en wie Enchanted caress aanschaft zal dat tweetal al in de collectie hebben; wie ze nog níét kent zal merken dat ze allebei veel beter zijn dan wat er verder op Enchanted caress staat, maar die vergelijking is natuurlijk niet eerlijk. De echte Illusion-fan zal toch willen horen wat de band voor hun derde album van plan was, maar hij of zij weze gewaarschuwd.
Illusion - Illusion (1978)

4,0
0
geplaatst: 3 maart 2012, 20:48 uur
Zie mijn stuk bij het eerste Illusion-album Out of the mist voor een korte inleiding bij deze groep.
Zowel qua materiaal als qua sfeer sluit deze plaat aan bij het debuutalbum, met een mix van klassieke popmuziek, soepele ballades en licht symfonische invloeden, ditmaal geproduceerd door Paul Samwell-Smith, ook al ex-Yardbirds en vooral bekend vanwege zijn werk met Cat Stevens tijdens diens meest succesvolle periode (Tea for the tillerman, Teaser and the firecat en Catch bull at four).
Opener Madonna Blue wordt in het boekje bij de CD genoemd als het beste nummer dat deze band opnam; wie mijn recensie van Out of the mist heeft gelezen weet dat ik het daar niet mee eens ben, maar een mooi nummer is het zeker. Ook Wings across the sea en het melancholieke Never be the same zijn fraai, maar net als op het eerste plaat wordt het de ware hoogtepunt toch gevormd door de twee meest verstilde nummers.
Allereerst is daar Man of miracles, een feitelijk zeer simpele compositie die echter enorme impact krijgt door het arrangement van elektrische piano, synthesizer en (zoals gebruikelijk) prachtige zang. Daarnaast is er het enige nummer dat niet werd geschreven door McCarty en/of Hawken, Louis' theme, gecomponeerd door bassist Louis Cennamo en Jane Relf. In principe eveneens een vrij eenvoudig nummer, gebouwd rondom een zich steeds herhalend baspatroon, maar met subtiel verschuivende accenten van toetsen en strijkers, en met bovendien wederom bijna onnatuurlijk mooie en ijle zang van Jane Relf. (Ik herinner me nog hoe ik het bij de langspeelplaat altijd moeilijk vond om na dit emotionele nummer de plaat om te draaien, hoezeer ik me ook verheugde op wat de tweede kant zou brengen.)
Spijtig genoeg bevinden zich ook op dít album twee mindere broeders. Cruising nowhere is een oninteressant synthipopnummer met een tamelijk vervelende melodie, waarbij McCarty's jengelende zang het geheel ook al niet naar een hoger plan kan tillen. Dat valt echter nog in het niet bij The revolutionary, een track die in het geheel niet past bij de rest van de plaat. Een merkwaardig nummer over een gedoemde Zuidamerikaanse vrijheidsstrijder, met een nep-Spaans gitaarintro, zogenaamd opzwepende strijkers, een koortje dat rechtstreeks uit de synthesizer komt en een refrein als een mislukte strijdkreet: "José!" Een onbegrijpelijke misser van deze verder zo smaakvolle groep.
Al met al was dit echter toch een redelijk waardige opvolger van het schitterende debuut. Helaas was de punkrevolutie in volle gang toen dit album uitkwam, en zowel band als elpee stierf een roemloze dood. In 2003 werden beide albums door Acadia/Evangeline op een 2-for-1 uitgebracht, met uitstekend geluid en een redelijk informatief boekje (maar zonder de teksten die op de oorspronkelijke hoes van dit album stonden afgedrukt). Een aanrader voor liefhebbers van serieuze romantische popmuziek.
Zowel qua materiaal als qua sfeer sluit deze plaat aan bij het debuutalbum, met een mix van klassieke popmuziek, soepele ballades en licht symfonische invloeden, ditmaal geproduceerd door Paul Samwell-Smith, ook al ex-Yardbirds en vooral bekend vanwege zijn werk met Cat Stevens tijdens diens meest succesvolle periode (Tea for the tillerman, Teaser and the firecat en Catch bull at four).
Opener Madonna Blue wordt in het boekje bij de CD genoemd als het beste nummer dat deze band opnam; wie mijn recensie van Out of the mist heeft gelezen weet dat ik het daar niet mee eens ben, maar een mooi nummer is het zeker. Ook Wings across the sea en het melancholieke Never be the same zijn fraai, maar net als op het eerste plaat wordt het de ware hoogtepunt toch gevormd door de twee meest verstilde nummers.
Allereerst is daar Man of miracles, een feitelijk zeer simpele compositie die echter enorme impact krijgt door het arrangement van elektrische piano, synthesizer en (zoals gebruikelijk) prachtige zang. Daarnaast is er het enige nummer dat niet werd geschreven door McCarty en/of Hawken, Louis' theme, gecomponeerd door bassist Louis Cennamo en Jane Relf. In principe eveneens een vrij eenvoudig nummer, gebouwd rondom een zich steeds herhalend baspatroon, maar met subtiel verschuivende accenten van toetsen en strijkers, en met bovendien wederom bijna onnatuurlijk mooie en ijle zang van Jane Relf. (Ik herinner me nog hoe ik het bij de langspeelplaat altijd moeilijk vond om na dit emotionele nummer de plaat om te draaien, hoezeer ik me ook verheugde op wat de tweede kant zou brengen.)
Spijtig genoeg bevinden zich ook op dít album twee mindere broeders. Cruising nowhere is een oninteressant synthipopnummer met een tamelijk vervelende melodie, waarbij McCarty's jengelende zang het geheel ook al niet naar een hoger plan kan tillen. Dat valt echter nog in het niet bij The revolutionary, een track die in het geheel niet past bij de rest van de plaat. Een merkwaardig nummer over een gedoemde Zuidamerikaanse vrijheidsstrijder, met een nep-Spaans gitaarintro, zogenaamd opzwepende strijkers, een koortje dat rechtstreeks uit de synthesizer komt en een refrein als een mislukte strijdkreet: "José!" Een onbegrijpelijke misser van deze verder zo smaakvolle groep.
Al met al was dit echter toch een redelijk waardige opvolger van het schitterende debuut. Helaas was de punkrevolutie in volle gang toen dit album uitkwam, en zowel band als elpee stierf een roemloze dood. In 2003 werden beide albums door Acadia/Evangeline op een 2-for-1 uitgebracht, met uitstekend geluid en een redelijk informatief boekje (maar zonder de teksten die op de oorspronkelijke hoes van dit album stonden afgedrukt). Een aanrader voor liefhebbers van serieuze romantische popmuziek.
Illusion - Out of the Mist (1977)

4,5
2
geplaatst: 3 maart 2012, 20:15 uur
Deze band bestaat uit vier van de vijf leden die in 1969 en 1971 onder de naam Renaissance twee albums (Renaissance en Illusion) maakten. Vijf jaar later bestond die groep nog steeds, zij het met allemaal andere muzikanten aangezien alle oorspronkelijke leden inmiddels waren vertrokken, dus toen de laatsten de draad weer wilden oppakken moesten ze een andere groepsnaam kiezen. En daarvoor werd de naam van het tweede Renaissance-album gebruikt, zodat voor de goede verstaander de link onmiskenbaar bleef.
Zowel deze debuutplaat als de opvolger daarvan werd dus gemaakt met de vier oorspronkelijke leden, Jim McCarty (ex-Yardbirds; zang, akoestische gitaar en het merendeel van de composities), John Hawken (toetsen en aantal composities), Jane Relf (zang) en Louis Cennamo (bas), aangevuld met gitarist John Knightsbridge en drummer Eddie McNeil. Oorspronkelijk zou de band zelfs een zevende lid herbergen, maar Jim Relf (eveneens ex-Yardbirds en samen met McCarty initiatiefnemer van Illusion) werd in mei 1976 in zijn appartement geëlektrocuteerd tot zijn elektrische gitaar niet goed geaard bleek.
Deze plaat grijpt in zoverre terug op de eerste twee Renaissance-albums dat ook hier sprake is van romantische popmuziek met symfonische invloeden en een lichte folky feel, maar de songs zijn korter en strakker, en er is meer aandacht voor de compositorische structuur dan voor lange instrumentale passages en solo's. De grootste kracht van Illusion is voor mij naast de fijnzinnige composities van McCarty en Hawken gelegen in het stemgeluid van Jane Relf: ijl en tegelijk aards, breekbaar en tegelijk zelfverzekerd, en thuis in zowel de hoge als de lage registers. Het voornaamste nadeel is de iele en soms zelfs bibberige stem van Jim McCarty; als voornaamste componist mag hij natuurlijk het recht opeisen om een aantal (delen van) nummers te zingen, maar gelukkig blijft zijn aandeel relatief beperkt, en bovendien zijn zijn harmonieën met Relf wèl bijzonder fraai.
De vijf nummers waarop Jane Relf de (voornaamste) leadzang heeft zijn uniform prachtig, met het heldere pianospel van John Hawken als belangrijkste melodie-instrument, subliem ondersteund door lichte drums, soepel baswerk en smaakvol gitaarspel. Opener Isadora eist onvermijdelijk de meeste aandacht op, niet alleen vanwege de prominente plaats op de plaat maar ook vanwege de manier waarop de verschillende delen vloeiend in elkaar overlopen, maar ook de wat meer up-tempo nummers Roads to freedom en Everywhere you go springen eruit.
Eigenlijk bevat de plaat slechts twee mindere nummers. Solo flight is een enigszins nerveus nummer dat draait rond een tamelijk saai hamerpiano-patroon en een wah-wah-gitaar, die geen van beiden McCarty's dunne vocalen kunnen compenseren; en Candles are burning is een door de piano gedreven rocker waarop de zang van Relf in de eerste helft tegenwicht biedt tegen McCarty's onzekere zang, maar dat in de tweede helft met strijkers en al uit de bocht vliegt.
Daar staat tegenover dat de twee hoogtepunten van deze plaat bijna onaards mooi zijn. Face of yesterday is een bewerking van een nummer van het tweede Renaissance-album, waarbij de bluesy elektrische gitaar vervangen is door een subtiele akoestische gitaar, en waarin een string-synthesizer een prachtige ijle sfeer creëert; en Beautiful country, voor mij het mooiste nummer dat deze groep ooit opnam, is een door Jane Relf hemeltergend mooi gezongen loflied op Engeland dat leunt op een zeldzaam delicate melodie, gebracht door een elektrische piano en vervolmaakt door een mellotronsolo. De foto van Relf op de hoes van dit album sluit voor mijn gevoel naadloos aan bij de sfeer van dit nummer.
Het jaar daarop maakte deze groep nog een tweede (titelloze) album, maar de punkrevolutie was toen reeds in volle gang, en zowel band als elpee stierf een roemloze dood. In 2003 werden beide albums door Acadia/Evangeline op een 2-for-1 uitgebracht, met uitstekend geluid en een redelijk informatief boekje. Een aanrader voor liefhebbers van serieuze romantische popmuziek.
Zowel deze debuutplaat als de opvolger daarvan werd dus gemaakt met de vier oorspronkelijke leden, Jim McCarty (ex-Yardbirds; zang, akoestische gitaar en het merendeel van de composities), John Hawken (toetsen en aantal composities), Jane Relf (zang) en Louis Cennamo (bas), aangevuld met gitarist John Knightsbridge en drummer Eddie McNeil. Oorspronkelijk zou de band zelfs een zevende lid herbergen, maar Jim Relf (eveneens ex-Yardbirds en samen met McCarty initiatiefnemer van Illusion) werd in mei 1976 in zijn appartement geëlektrocuteerd tot zijn elektrische gitaar niet goed geaard bleek.
Deze plaat grijpt in zoverre terug op de eerste twee Renaissance-albums dat ook hier sprake is van romantische popmuziek met symfonische invloeden en een lichte folky feel, maar de songs zijn korter en strakker, en er is meer aandacht voor de compositorische structuur dan voor lange instrumentale passages en solo's. De grootste kracht van Illusion is voor mij naast de fijnzinnige composities van McCarty en Hawken gelegen in het stemgeluid van Jane Relf: ijl en tegelijk aards, breekbaar en tegelijk zelfverzekerd, en thuis in zowel de hoge als de lage registers. Het voornaamste nadeel is de iele en soms zelfs bibberige stem van Jim McCarty; als voornaamste componist mag hij natuurlijk het recht opeisen om een aantal (delen van) nummers te zingen, maar gelukkig blijft zijn aandeel relatief beperkt, en bovendien zijn zijn harmonieën met Relf wèl bijzonder fraai.
De vijf nummers waarop Jane Relf de (voornaamste) leadzang heeft zijn uniform prachtig, met het heldere pianospel van John Hawken als belangrijkste melodie-instrument, subliem ondersteund door lichte drums, soepel baswerk en smaakvol gitaarspel. Opener Isadora eist onvermijdelijk de meeste aandacht op, niet alleen vanwege de prominente plaats op de plaat maar ook vanwege de manier waarop de verschillende delen vloeiend in elkaar overlopen, maar ook de wat meer up-tempo nummers Roads to freedom en Everywhere you go springen eruit.
Eigenlijk bevat de plaat slechts twee mindere nummers. Solo flight is een enigszins nerveus nummer dat draait rond een tamelijk saai hamerpiano-patroon en een wah-wah-gitaar, die geen van beiden McCarty's dunne vocalen kunnen compenseren; en Candles are burning is een door de piano gedreven rocker waarop de zang van Relf in de eerste helft tegenwicht biedt tegen McCarty's onzekere zang, maar dat in de tweede helft met strijkers en al uit de bocht vliegt.
Daar staat tegenover dat de twee hoogtepunten van deze plaat bijna onaards mooi zijn. Face of yesterday is een bewerking van een nummer van het tweede Renaissance-album, waarbij de bluesy elektrische gitaar vervangen is door een subtiele akoestische gitaar, en waarin een string-synthesizer een prachtige ijle sfeer creëert; en Beautiful country, voor mij het mooiste nummer dat deze groep ooit opnam, is een door Jane Relf hemeltergend mooi gezongen loflied op Engeland dat leunt op een zeldzaam delicate melodie, gebracht door een elektrische piano en vervolmaakt door een mellotronsolo. De foto van Relf op de hoes van dit album sluit voor mijn gevoel naadloos aan bij de sfeer van dit nummer.
Het jaar daarop maakte deze groep nog een tweede (titelloze) album, maar de punkrevolutie was toen reeds in volle gang, en zowel band als elpee stierf een roemloze dood. In 2003 werden beide albums door Acadia/Evangeline op een 2-for-1 uitgebracht, met uitstekend geluid en een redelijk informatief boekje. Een aanrader voor liefhebbers van serieuze romantische popmuziek.
Infringement - Black Science and White Lies (2024)

4,0
0
geplaatst: 12 december 2025, 22:11 uur
Bij het enige andere album van deze band op MusicMeter staat welgeteld één bericht, dus dat er bij déze plaat nog helemaal niets is geschreven zou me niet mogen verbazen, maar dat doet het tóch, om de eenvoudige reden dat dit een uitstekende en zeer toegankelijke plaat is. Infringement is een vijfkoppige band uit Oslo wier muziek in de hoek van de progmetal zit, maar tegelijkertijd bevat zij diverse elementen van de klassieke jaren 70 en 80-symfonische muziek à la Genesis en IQ, met zeer melodische elektrische gitaarpartijen, een lekkere ouderwetse Hammond, een zware bas en zeer gedetailleerde drums, zodat de totaalindruk minstens evenveel die van afwisseling en variatie is als van metal.
Tekstueel haalt zanger en tekstchrijver Hans Andreas Brandal op dit conceptalbum heel veel overhoop met thema's als geloof, conformisme, vervreemding, moederbinding en utopie versus dystopie, maar met hem heb ik meteen ook het zwakke punt van deze plaat aangestipt, want aan zijn stem (die me soms aan Fish en soms aan het timbre van de oudere Bruce Dickinson doet denken) heb ik wel even moeten wennen, inclusief de manier waarop hij kan spelen met zijn gevoel voor drama, maar eenmaal daaraan gewend kan ik alleen maar respect hebben voor zijn ambitie en voor de pakkende melodieën en zeer melodieuze arrangementen van deze band op dit album.
Voor wat Brandal allemaal wilde zeggen met het verhaal wil ik overigens verwijzen naar de eigen site van Infringement, waar hij zijn bedoelingen verklaart en zijn teksten uitgebreid toelicht.
Tekstueel haalt zanger en tekstchrijver Hans Andreas Brandal op dit conceptalbum heel veel overhoop met thema's als geloof, conformisme, vervreemding, moederbinding en utopie versus dystopie, maar met hem heb ik meteen ook het zwakke punt van deze plaat aangestipt, want aan zijn stem (die me soms aan Fish en soms aan het timbre van de oudere Bruce Dickinson doet denken) heb ik wel even moeten wennen, inclusief de manier waarop hij kan spelen met zijn gevoel voor drama, maar eenmaal daaraan gewend kan ik alleen maar respect hebben voor zijn ambitie en voor de pakkende melodieën en zeer melodieuze arrangementen van deze band op dit album.
Voor wat Brandal allemaal wilde zeggen met het verhaal wil ik overigens verwijzen naar de eigen site van Infringement, waar hij zijn bedoelingen verklaart en zijn teksten uitgebreid toelicht.
INXS - Kick (1987)

3,5
0
geplaatst: 29 april 2015, 21:53 uur
60% ijzersterke nummers (New sensation, Devil inside, Need you tonight, Mistify, Tiny daggers en het absolute hoogtepunt Never tear us apart, maar daarnaast geen echte missers of irritante skipnummers) + 20% perfecte productie van een oude rot die precies weet hoe een goede popplaat moet klinken + 20% attitude = samen voor honderd procent een ultiem jaren-80-pakketje waar ik indertijd weinig aandacht voor had maar dat ik nu leuker vind dan ooit. Ook opmerkelijk weinig gedateerd: zelfs de drums klinken meestentijds goed, en in de arrangementen zit zoveel lucht dat alles nog altijd helder en fel klinkt. Petje af.
IQ - Dark Matter (2004)

3,0
0
geplaatst: 8 september 2017, 13:36 uur
Ook ik ben niet per se gebrand op vernieuwing, zeker niet wanneer een groep zich op zo'n knappe wijze een geheel eigen slingerpad heeft gebaand, en van het mooie volle geluid van deze plaat kan ik echt genieten. Zoals ChrisX het al een aantal jaren geleden heeft geformuleerd: "Ik hou wel van het ambachtelijke karakter van IQ's symfo. En daar bij moet het zo zijn dat alle elementen precies goed op smaak zijn. En dat is op DM gelukkig voor een groot deel zo." (15 mei 2009) Dat gezegd hebbende lopen de overeenkomsten met de Genesis van tussen Trespass en Foxtrot wel èrg in het oog, vooral vanwege het orgelwerk, de manier waarop tempowisselingen worden ingezet en de analogie met Supper's ready. Daardoor ontbeert dit album voor mij een beetje een eigen gezicht en klinken deze vijftig minuten enigszins eenvormig en té vertrouwd, terwijl dit toch pas mijn derde IQ-plaat is, en na het gevoel van een grote ontdekking dat ik had met Subterranea en daarna de impact die The road of bones op mij had is dat toch een beetje teleurstellend. Het ligt misschien meer aan mij, maar dit album raakt me niet echt, het is wat "teveel van hetzelfde", en dat dat niet voldoende is (terwijl dit toch absoluut geen slechte plaat is) duidt er wellicht ook op dat ik me gewoon niet een die-hard-IQ-fan kan noemen.
IQ - Ever (1993)

4,0
2
geplaatst: 18 september 2020, 21:13 uur
Kris-kras en a-chronologisch de IQ-discografie verkennend merkte ik bij de twee meest recent beluisterde albums Seventh house en Resistance een zekere IQ-vermoeidheid bij mezelf op, met name vanwege de zware geluidsbrij die soms over de composities ligt en vanwege de stem van Peter Nicholls die bijna altijd alleen maar kwetsbaar en berustend klinkt. Dit vroege album herinnert mij er echter weer aan hoezeer ik onder de indruk was van Subterranea en The road of bones, want het geluid van Ever is mooi slank zonder dun te zijn (met dank aan de superbe 2018-remix) en de nummers zijn zó sterk dat mijn bezwaren tegen Nicholls' stem smelten als sneeuw voor de zon. Hoogtepunten zijn voor mij de imposante opener en de emotionele en zeer aangrijpende afsluiter, maar als geheel kakt de plaat eigenlijk nergens in. Prachtig.
IQ - Frequency (2009)

4,0
0
geplaatst: 21 september 2017, 21:57 uur
Ik kom hier vanaf het enigszins teleurstellende want vrij matte en bijzonder "Genesissy" Dark matter. Die Genesis-invloeden zijn op dit album niet minder evident (de overeenkomst met Steve Hacketts gitaargeluid op Life support en The province, Peter Gabriels rauwe stemgeluid op Ryker skies...), maar verder is dit album een stuk feller en grilliger. De dynamiek tussen zacht en hard op het geweldige titelnummer zet mij meteen al op scherp, en de rest van de plaat houdt de aandacht goed vast, ook wanneer de sfeer op Stranger than friction en One fatal mistake aanzienlijk melancholischer wordt. Het laatste deel van het album sleept een beetje, maar het gemiddelde niveau blijft toch vrij hoog. Een mooi kleurrijke en volle plaat.
IQ - Resistance (2019)

2,5
1
geplaatst: 7 september 2020, 13:47 uur
Nee, het is mij allemaal wat te veel : ellenlange nummers waar ik weinig lijn in kan ontdekken, een sound die op mij nogal eenvormig overkomt met steeds weer die synthesizer op standje mannenkoor, en teksten waarvan ik de grootste gedeelte van de tijd geen flauw idee heb waarover ze gaan. Belangrijkste pijnpunt is voor mij de stem van Peter Nicholls: op zich zingt hij wel mooi en zuiver, maar hij klinkt eigenlijk de hele plaat door hetzelfde, uit zijn stem spreekt steeds dezelfde kwetsbaarheid en/of berusting, nooit eens echte agressie of vrolijkheid of woede, en hij is ook zelden of nooit "double-tracked" of met achtergrondzang te horen, en dat helpt allemaal niet mee om de muziek wat afwisselender te maken. Juist de nummers waarin de band wat anders klinkt (If anything met die fretloze bas en dat begin met lichte elektronische drums, Perfect space met een wat afwijkend gitaargeluid, de elektrische en daarna gewone piano op Fallout) steken er dan bovenuit, maar ze zijn in de minderheid. Dat mooie tussenstuk op Fallout met die piano, en dan knalt na 13 minuten die gebruikelijke synthesizer er weer in, en na 15 minuten mogen de drums los gaan met een enorme herrie op de bekkens... Wat voor een ander misschien aangenaam vertrouwd is, klinkt voor mij teveel naar een eenvormige brei waarin ik pakkende melodieën maar mondjesmaat kan ontwaren.
IQ - Subterranea (1997)

5,0
0
geplaatst: 30 september 2017, 20:21 uur
Helaas gebeurt het mij nog wel eens dat een plaat waar ik bij de eerste kennismaking uiterst enthousiast over was, bij zijn "tweede leven" (beluistering één of twee jaar later) aanzienlijk minder indruk maakt. Subterranea echter vond ik drie jaar geleden al goed maar nu zo mogelijk nog beter : een overdaad aan ijzersterke melodieën, een perfect gebruik van een incidentele sax, prachtige instrumentale stukken (Laid low, The other side, de tweede helft van Tunnel vision), een ademstokkend moment bij "So what if you're sentimental?" in Capricorn (en hoor ik trouwens even later in datzelfde nummer een knipoog naar Strawberry Fields forever ?) en een ondraaglijk weemoedige coda van het laatste nummer: "Told me I was brighter than most and I believed it all then..." Akoestische gitaar, orgel, kwetsbare stem, soms is dat even alles wat je nodig hebt. Naar 5*.
IQ - The Road of Bones (2014)

4,5
0
geplaatst: 6 september 2014, 15:25 uur
Casartelli mag voortaan mijn platenkast beheren, want dit is inderdaad een prachtig album, met heel veel sterke melodieën, zeer zorgvuldig gearrangeerd (soms tamelijk Genesissy zonder dat dat ook maar èrgens storend wordt) en klinkend als een klok. De tweede CD is op het eerste gehoor veelbelovend maar vind ik na verloop van tijd toch een beetje tegenvallen, met name de eerste twee nummers zijn melodisch niet overal even sterk met ook weinig dwingende songstructuren. Het slot is dan wel weer erg fraai, met die leuke glamrockdrums op Ten million demons en die prachtige gitaarsolo op het einde van Hardcore. En als die drumsound van Ten million demons zo'n knipoog naar de jaren zeventig is, hoor ik dan in de laatste wegstervende maten van dat nummer het beginloopje van Son of my father van Chicory Tip (in januari 1972 drie weken op de eerste plaats van de Engelse hitlijsten, in Nederland #4) ?
IQ - The Seventh House (2000)

3,0
0
geplaatst: 14 juli 2020, 11:26 uur
Tja, ik weet niet goed wat ik hier mee aan moet. Het klinkt allemaal mooi (hoewel ik me bij het openingsnummer af en toe stoor aan het ietwat schelle snaredrum- en gitaargeluid), de arrangementen zijn goed verzorgd en aan de beheersing der instrumenten hoef ik niet te twijfelen, maar waar ik ander werk van IQ warm en gloedvol zou noemen komt The seventh house op mij een beetje vlak en voorspelbaar over, alsof de balans net een beetje te veel naar de veilige kant is doorgeschoven. De twee lange nummers vind ik niet majestueus genoeg om een lengte van 12 resp. 14 minuten te rechtvaardigen, en het vervelende monotone "industrial"-ritme maakt van Shooting angels eveneens een erg lange zit. Buiten dat laatstgenoemde nummer wordt het verder natuurlijk ook nergens echt slecht, Erosion vind ik wèl spannend (inclusief die mooi vervormde solo), en het slotnummer is wat mij betreft het hoogtepunt met een lang en interessant instrumentaal gedeelte en een ontroerend emotioneel einde, maar als geheel kan het album mij niet een uur lang boeien, en dan gaat de weinige variatie van het enigszins klaaglijke timbre van Peter Nicholls' stem me ook een beetje tegenstaan.
Iron Butterfly - In-A-Gadda-Da-Vida (1968)

4,5
1
geplaatst: 25 juli 2020, 13:22 uur
Dit is één van het handvol platen die ik als klein jongetje regelmatig uit de kamer van mijn zeven jaar oudere zus hoorde schallen, en net als die andere platen heeft In-a-gadda-da-vida daardoor een onwrikbare en onaantastbare plek op de bodem van mijn geheugen gekregen. Kritiek op dit album leveren is zeker niet onmogelijk, maar zal tegelijkertijd ook nooit iets kunnen afdoen aan de mythische status die het titelstuk voor mij heeft.
Aan de andere kant is het wèl mogelijk om kritisch te gaan luisteren, en wat me dan bij het titelnummer opvalt is dat alles zo HARD klinkt, maar dan vooral in de negatieve zin des woords: het orgel klinkt steeds zeurend hard, Erik Brann lijkt gedurende bijna het hele nummer maar één sound op zijn gitaar te hebben, en wanneer Doug Ingle dan ook nog eens zo ongenuanceerd hard zingt zou de totaalsound me eigenlijk snel murw kunnen maken. Dat zulks dan toch niet gebeurt komt door de ijzersterke basismelodie, de doordenderende riff en de drumsolo die voor mij zo ongeveer model staat voor hoe een drumsolo moet klinken (namelijk met ritme erin). Het is misschien niet allemaal even vernieuwend of gevarieerd wat er gebeurt, maar het nummer blijft voor mij toch de volle 17 minuten boeiend door de onderhuidse spanning die steeds aanwezig is.
Voor de kortere nummers op kant 1 had ik vroeger niet veel aandacht, maar bij nadere beschouwing zijn die eigenlijk behoorlijk leuk, met een lekkere mix van hard-rock, psychedelica en poppy melodieën (met name Flowers and beads heeft wel iets van een hitsingle), met als bonus dat Brann hier wat meer afwisseling in zijn gitaarspel brengt (geplukte snaren op My mirage en Termination) en dat er af en toe effectief gebruik wordt gemaakt van een mooi koortje. Een minpunt vind ik de teksten; ze zijn absoluut niet slecht (of althans niet per se slechter dan het gros van de teksten in pop en rock), maar drie van de vijf nummers bevatten maar één couplet dat twee of zelfs drie keer gebruikt wordt zonder dat Ingle de moeite heeft genomen om even een nieuw couplet of zelfs maar een enkel nieuw regeltje te schrijven, en als er dan geen nieuwe muzikale elementen in de begeleiding optreden vraag ik me eigenlijk af wat er dan het nut van is om het nummer 3 of 4½ minuten te laten duren als je feitelijk twee of drie keer naar dezelfde 1½ minuut zit te luisteren. (Het titelnummer gebruikt natuurlijk ook drie keer hetzelfde couplet, maar daar gebeurt tussendoor óók nog wel wat. De singleversie gebruikt dat couplet slechts twéé keer en is verder sowieso hilarisch voor wat betreft hoe representatief het voor de albumversie is – een totaal achterlijke edit.)
Hoe dan ook, deze plaat zit zoals gezegd zódanig op aangename wijze verankerd in mijn muziekgeheugen dat ik er niet minder dan ****½ voor kan geven, en als ik hem nu weer voor de zoveelste maal beluister kan ik er nog steeds van genieten. Mooie uitgave ook van Rhino, hoewel ik het zelf afschuwelijk vind dat de sfeervolle oorspronkelijke voorkant van de hoes nu wordt ontsierd door die lelijke holografische vlinder.
In het Literair Poptijdschrift Wah-Wah nummer 10 (2008) mocht een groot aantal literatoren een stukje schrijven over hun favoriete plaat, onder het motto Groeten van Rottumerplaat – het beslissende album volgens 100 en enige schrijvers. Youp van 't Hek vond het zo flauw om het over The white album te doen omdat daar volgens hem toch al genoeg mensen van zijn generatie over zouden schrijven (en inderdaad zou hij niet de enige zijn geweest), dus koos hij voor een plaat die hij zich nog van zijn schoolfeestjes herinnerde: In-a-gadda-da-vida. Maar "wat een deceptie. Slap, lang, langzaam, sloom, slaapverwekkend. // 'Mag dit af,' vroegen mijn kinderen dwingend. // Dat mocht. Moest zelfs!"
Aan de andere kant is het wèl mogelijk om kritisch te gaan luisteren, en wat me dan bij het titelnummer opvalt is dat alles zo HARD klinkt, maar dan vooral in de negatieve zin des woords: het orgel klinkt steeds zeurend hard, Erik Brann lijkt gedurende bijna het hele nummer maar één sound op zijn gitaar te hebben, en wanneer Doug Ingle dan ook nog eens zo ongenuanceerd hard zingt zou de totaalsound me eigenlijk snel murw kunnen maken. Dat zulks dan toch niet gebeurt komt door de ijzersterke basismelodie, de doordenderende riff en de drumsolo die voor mij zo ongeveer model staat voor hoe een drumsolo moet klinken (namelijk met ritme erin). Het is misschien niet allemaal even vernieuwend of gevarieerd wat er gebeurt, maar het nummer blijft voor mij toch de volle 17 minuten boeiend door de onderhuidse spanning die steeds aanwezig is.
Voor de kortere nummers op kant 1 had ik vroeger niet veel aandacht, maar bij nadere beschouwing zijn die eigenlijk behoorlijk leuk, met een lekkere mix van hard-rock, psychedelica en poppy melodieën (met name Flowers and beads heeft wel iets van een hitsingle), met als bonus dat Brann hier wat meer afwisseling in zijn gitaarspel brengt (geplukte snaren op My mirage en Termination) en dat er af en toe effectief gebruik wordt gemaakt van een mooi koortje. Een minpunt vind ik de teksten; ze zijn absoluut niet slecht (of althans niet per se slechter dan het gros van de teksten in pop en rock), maar drie van de vijf nummers bevatten maar één couplet dat twee of zelfs drie keer gebruikt wordt zonder dat Ingle de moeite heeft genomen om even een nieuw couplet of zelfs maar een enkel nieuw regeltje te schrijven, en als er dan geen nieuwe muzikale elementen in de begeleiding optreden vraag ik me eigenlijk af wat er dan het nut van is om het nummer 3 of 4½ minuten te laten duren als je feitelijk twee of drie keer naar dezelfde 1½ minuut zit te luisteren. (Het titelnummer gebruikt natuurlijk ook drie keer hetzelfde couplet, maar daar gebeurt tussendoor óók nog wel wat. De singleversie gebruikt dat couplet slechts twéé keer en is verder sowieso hilarisch voor wat betreft hoe representatief het voor de albumversie is – een totaal achterlijke edit.)
Hoe dan ook, deze plaat zit zoals gezegd zódanig op aangename wijze verankerd in mijn muziekgeheugen dat ik er niet minder dan ****½ voor kan geven, en als ik hem nu weer voor de zoveelste maal beluister kan ik er nog steeds van genieten. Mooie uitgave ook van Rhino, hoewel ik het zelf afschuwelijk vind dat de sfeervolle oorspronkelijke voorkant van de hoes nu wordt ontsierd door die lelijke holografische vlinder.
In het Literair Poptijdschrift Wah-Wah nummer 10 (2008) mocht een groot aantal literatoren een stukje schrijven over hun favoriete plaat, onder het motto Groeten van Rottumerplaat – het beslissende album volgens 100 en enige schrijvers. Youp van 't Hek vond het zo flauw om het over The white album te doen omdat daar volgens hem toch al genoeg mensen van zijn generatie over zouden schrijven (en inderdaad zou hij niet de enige zijn geweest), dus koos hij voor een plaat die hij zich nog van zijn schoolfeestjes herinnerde: In-a-gadda-da-vida. Maar "wat een deceptie. Slap, lang, langzaam, sloom, slaapverwekkend. // 'Mag dit af,' vroegen mijn kinderen dwingend. // Dat mocht. Moest zelfs!"
Iron Maiden - Piece of Mind (1983)

4,0
0
geplaatst: 4 oktober 2018, 14:01 uur
Misschien komt het doordat ik deze plaat als laatste van het klassieke vroege Dickinson-kwintet heb leren kennen in plaats van als opvolger van The number of the beast, dat ik hier niet onverdeeld enthousiast over kan zijn. Energie en sound zijn dik in orde, er staan een paar geweldige nummers op (met name de eerste drie en de afsluiter) en The trooper is een behoorlijk sterke single, maar Die with your boots on heeft een heel vervelende brug ("No point asking...") en een flauw refrein vol melige opklimmende riffs, en Sun and steel klinkt of het in twee minuten in elkaar is gezet – allebei tracks die ik in hun simpelheid eigenlijk Maiden-onwaardig vind. De overige nummers lopen lekker door en storen nergens, maar zijn ook niet van een niveau waarop zelfs de minder opvallende nummers nog potentiële favorieten zijn, zoals op de voorganger wel het geval was (hoewel ik het refrein van het gewraakte Quest for fire eigenlijk best een aardige melodie vind hebben). Zo kom ik uit op een score van half geweldig, half mwah; misschien dat bij deze plaat over een tijdje het kwartje nog wel valt, maar vooralsnog vind ik dit de minste van de voornoemde vijf. (Eén nummer hiervan kende ik trouwens al eerder, want de bonus-CD bij Black clouds and silver linings van Dream Theater uit 2009 bevat een cover van To tame a land. Het knalt goed uit de speakers en klinkt als een klok, maar verder voegt het niet zoveel toe, en James LaBrie is geen Bruce Dickinson.)
Iron Maiden - Powerslave (1984)

4,5
0
geplaatst: 23 mei 2016, 15:13 uur
"The Golden Goose is on the loose!" (Geweldige tekstregel, ik stel me er van alles bij voor.) Ik (een Iron Maiden-noviet) heb deze plaat nu pas een keer of vijf maal gehoord, maar het lijkt me typisch een album met zó'n eenheids-flow dat de mindere momenten (bijvoorbeeld de soms wat flauwe refreintjes van Flash of the blade, The duellists en Back in the village) meegesleept worden in de snelkookpan van de majestueuze gitaarpartijen. Aangekruiste favorieten zijn het titelnummer (zeer sterke tekst ook) en de epische afsluiter (die als enige nadeel heeft dat hij, zoals Tolkien over The Lord of the rings zei, "too short" is). Energie, spelplezier en levenslust, dat zijn dingen waar ik de laatste jaren steeds meer naar op zoek ben in muziek, en bij Iron Maiden lijken deze begrippen hoog in het vaandel te staan. Magnifieke hoes trouwens, qua slimme vondst vergelijkbaar met die van Deep Purple in rock maar qua visuals en vooral zeggingskracht oneindig veel beter – half komisch, half dreigend, hélemaal geslaagd.
Iron Maiden - Seventh Son of a Seventh Son (1988)

5,0
0
geplaatst: 16 oktober 2017, 21:21 uur
"Have a good sin!" De vierde van de vijf klassieke albums met Bruce Dickinson van tussen 1984 en 1988 die ik leer kennen. Vind ik het ook de beste? Moeilijk om te zeggen wanneer The number of the beast vooraan de rij staat en daarmee de meetlat vormt waar alle opvolgers langs worden gelegd : de schaduw van die plaat is lang, maar net als Powerslave en Somewhere in time staat Seventh son of a seventh son in z'n eigen zon. Het album barst bijna uit z'n voegen van de energie waardoor zelfs een minder nummer als Can I play with madness in de "flow" mee kan gaan en het geheel een behoorlijk consistente indruk maakt, Dickinson is in topvorm, en in de vette remaster van 1998 spettert de gitaarsound alsof dit album gisteren is opgenomen. Mede vanwege de grommende vette bas klinkt het allemaal ook heel warm, en na de perfecte en bijna poppy afsluiter met dat oorwurm-intro is het alleen maar jammer dat deze plaat slechts een kwartiertje lijkt te duren.
Net als voor vele anderen hier is het titelnummer voor mij het hoogtepunt. Een stevig begin waarbij ik me er nooit van kan weerhouden om mee te brullen met dat "Ooh-ooh-ooh" na elk couplet (met die heerlijk volle gitaarlijn erachter), dan even gas terugnemen met een lang sfeervol tussenstuk, en dan dat instrumentale slot waarbij het me eigenlijk niet eens kan schelen wát ze spelen omdat het zo'n heeeerlijke sound is, maar het is wel mooi meegenomen dat de solo's en de breaks dan in de praktijk ook nog eens geweldig zijn : die vijf seconden vanaf 7:57, pedal to the metal ! – en dan moet dat omlaagvallende loopje vanaf 9:09 nog komen...
Net als voor vele anderen hier is het titelnummer voor mij het hoogtepunt. Een stevig begin waarbij ik me er nooit van kan weerhouden om mee te brullen met dat "Ooh-ooh-ooh" na elk couplet (met die heerlijk volle gitaarlijn erachter), dan even gas terugnemen met een lang sfeervol tussenstuk, en dan dat instrumentale slot waarbij het me eigenlijk niet eens kan schelen wát ze spelen omdat het zo'n heeeerlijke sound is, maar het is wel mooi meegenomen dat de solo's en de breaks dan in de praktijk ook nog eens geweldig zijn : die vijf seconden vanaf 7:57, pedal to the metal ! – en dan moet dat omlaagvallende loopje vanaf 9:09 nog komen...
Iron Maiden - Somewhere in Time (1986)

5,0
0
geplaatst: 2 juni 2016, 13:41 uur
Echt een fantastische plaat kan ik dit (vooralsnog) niet vinden, daarvoor zitten er teveel schoonheidsfoutjes in de muziek: Sea of madness heeft een matige melodie, Heaven can wait is een beetje gewoontjes met een rare tussengeplakte brug, The loneliness of the long distance runner heeft een couplet waarin de nogal kronkelige zangmelodie niet erg fantasierijk gewoon de gitaarriffs volgt en daarnaast onder de solo's een drumpartij zit die niet altijd even spannend is, en Deja vu heeft een riff die mij wel èrg opzichtig aan die van The loneliness of the long distance runner doet denken. Als geheel is deze plaat echter meer dan de som der delen vanwege de heerlijke sound van de gitaren, de overtuiging van de zang en de professionele afwerking van de produktie, en bovendien staan er een paar absolute hoogtepunten op, zoals Wasted years (een perfect voorbeeld van hoe je een ijzersterke metal-compositie toch onweerstaanbaar poppy kunt laten klinken zonder uitverkoop te houden, met als belangrijkste troef natuurlijk een geweldige zangmelodie), Stranger in a strange land met die ongeëvenaard vette en vunzige gitaarriff die me soms warempel aan David Gilmour doet denken (en ik hoor er zelfs af en toe de gitaar van Joe Walsh op Life in the fast lane in), en natuurlijk het (in ieder geval in muzikaal opzicht) majestueuze slotnummer. Bovendien ken ik deze band onderhand goed genoeg om te weten dat er een bepaalde muzikale onderstroom in hun albums zit die je soms pas na vele malen draaien de schoonheid en de coherentie van de nummers doet inzien, dus mijn score is slechts een voorlopige.
Iron Maiden - The Book of Souls (2015)

4,0
3
geplaatst: 22 juli 2019, 16:35 uur
Drie dingen sprongen er voor mij uit bij het voor het eerst beluisteren van dit album. Om met het meest opvallende te beginnen : voor iemand die Iron Maiden eigenlijk pas de laatste jaren heeft leren kennen en die vanaf Seventh son ineens naar The Book of Souls is gesprongen was het wel even schrikken om opeens te horen hoezeer de stem van Dickinson sindsdien aanzienlijk lager, minder operatesk en "stijver" is geworden. Ik weet het wel, de jaren gaan tellen, de man was al 56 ten tijde van de opnames, maar toch was het even slikken toen ik hoorde hoe hij in bijvoorbeeld The great unknown nogal moeite heeft met de hoge noot van "Where the fools are lying"; gelukkig bleek al spoedig dat zijn zeggingskracht nog altijd intact is, en toen ik eenmaal gewend was aan hoe hij nu klinkt bleek zijn huidige stem naadloos te passen bij –het tweede dat me opviel– de muziek, die eigenlijk nog altijd klinkt als vijfentwintig jaar geleden, met dezelfde sound, hetzelfde "gegaloppeer" wanneer er een solo wordt ingezet, en dezelfde donder en bliksem die de één bombast noemt en de ander de klassieke Iron Maiden-furie.
En dat leidt me tot het derde opvallende : dat muzikanten die al 35 jaar bezig zijn en die in die decennia miljoenen platen hebben verkocht na al die tijd niet op hun lauweren gaan rusten maar integendeel nog zó hongerig zijn dat ze nu op de proppen komen met een plaat van anderhalf uur lang waarop ze zo ongeveer alle grenzen van hun genre verkennen, van de geweldige Maiden-oorwurm-opener via de zeven minuten solo's van The red and the black, de instant-klassieker van het titelnummer en het lekkere Shadows of the valley (eigenlijk de perfecte single) tot het majestueuze epische slotnummer. CD2 vind ik iets sterker dan CD1, maar het geheel ademt zoveel zelfvertrouwen, energie en vooral ambitie, en de thematiek van de dreigende dood en de contrasterende vitaliteit ("Climb like a monkey out of Hell where I belong", geweldige regel die voor Dickinson na zijn ziekte misschien wel veel betekenis had) loopt zó sterk door alle nummers heen, dat ik het album eigenlijk steeds als een geheel ervaar, feitelijk een conceptalbum. Dat sommige nummers ten gevolge van een overmaat aan herhalingen van hun refrein te lang doorgaan neem ik daarbij wel voor lief. Een zeer indrukwekkende plaat – misschien moet ik nu maar eens beginnen aan wat ander werk van na 1988.
En dat leidt me tot het derde opvallende : dat muzikanten die al 35 jaar bezig zijn en die in die decennia miljoenen platen hebben verkocht na al die tijd niet op hun lauweren gaan rusten maar integendeel nog zó hongerig zijn dat ze nu op de proppen komen met een plaat van anderhalf uur lang waarop ze zo ongeveer alle grenzen van hun genre verkennen, van de geweldige Maiden-oorwurm-opener via de zeven minuten solo's van The red and the black, de instant-klassieker van het titelnummer en het lekkere Shadows of the valley (eigenlijk de perfecte single) tot het majestueuze epische slotnummer. CD2 vind ik iets sterker dan CD1, maar het geheel ademt zoveel zelfvertrouwen, energie en vooral ambitie, en de thematiek van de dreigende dood en de contrasterende vitaliteit ("Climb like a monkey out of Hell where I belong", geweldige regel die voor Dickinson na zijn ziekte misschien wel veel betekenis had) loopt zó sterk door alle nummers heen, dat ik het album eigenlijk steeds als een geheel ervaar, feitelijk een conceptalbum. Dat sommige nummers ten gevolge van een overmaat aan herhalingen van hun refrein te lang doorgaan neem ik daarbij wel voor lief. Een zeer indrukwekkende plaat – misschien moet ik nu maar eens beginnen aan wat ander werk van na 1988.
Iron Maiden - The Number of the Beast (1982)

4,5
0
geplaatst: 18 april 2016, 15:04 uur
Moeilijk om hier nog iets nieuws over te schrijven... Zo'n klassieker in het genre, 613 stemmen, 791 stemmen en een plaats in de MuMe-top-250, me dunkt dat dit album wel tot in alle hoeken en gaten belicht is. Voor mij persoonlijk is het de eerste serieuze kennismaking met deze band, en hoewel het natuurlijk niet toevallig is dat ik juist met The number of the beast ben ingestapt, heeft deze plaat me toch redelijk weggeblazen. De composities, de invalshoeken van sommige teksten, de zang en de sound staan sowieso nog altijd als een huis, ook 34 jaar na dato en zelfs in de ongemasterde versie (waar in het boekje nota bene de namen van de muzikanten en de componisten ontbreken...), maar wat me vooral opvalt is het zelfvertrouwen en de flair die de band uitstraalt, alsof ze wéten dat ze met deze zanger en dit materiaal nu opeens goud in handen hebben en dat ze bezig zijn met een historisch album – en belangrijker nog, met iets waarin ze al hun lol, energie en spelplezier kwijt kunnen. Zoiets is natuurlijk bij (bijna) elke band heerlijk om te horen, maar wanneer er dan ook nog een plaat als deze uit blijkt te zijn gerold is het helemaal een moment om te koesteren.
It's a Beautiful Day - It's a Beautiful Day (1969)

4,0
0
geplaatst: 3 maart 2012, 11:02 uur
da dude schreef:
Over 'leenwerk' gesproken: is iemand al de overeenkomst opgevallen tussen Girl with no eyes en Monday, Monday (Mamas & Papas), beiden - toevallig?? - zo rond 1:20?
Over 'leenwerk' gesproken: is iemand al de overeenkomst opgevallen tussen Girl with no eyes en Monday, Monday (Mamas & Papas), beiden - toevallig?? - zo rond 1:20?
Hmm, allebei fraaie voorbeelden van door elkaar zingen, maar ik zou toch niet durven beweren dat hier meer dan enkel toeval in het spel is...
Eerder is hier opgemerkt dat deze plaat nog altijd niet gedateerd klinkt. Ik vind hem zelf niet zozeer niet-gedateerd alswel tijdloos klinken, alsof hij niet specifiek aan 1969 vastgepind kan worden: de songstructuur, de energie, de niet klassiek-zoetgevooisde zang (die soms doet denken aan de harmonieën van Jefferson Airplane, zoals een andere gebruiker hier al zei) en vooral de prachtige viool (nog altijd niet echt een gebruikelijk soloinstrument in de popmuziek, ondanks beroemde "voorbeelden" als de Velvets en Van Der Graaf) lijken de muziek op een bepaalde manier buiten z'n periode te zetten. Komt niet zo vaak voor.
