MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten BoyOnHeavenHill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Kaipa - Angling Feelings (2007)

poster
3,0
Fijne symfonische plaat die niet schroomt om af en toe naar rechts (folky fluitwerk) of naar links (jazzy drumwerk en percussie op Broken chords en Path of humbleness) te leunen. Toetsen en gitaar houden de hoofdrol (hoewel ik de laatste soms wel wat prominenter in de mix zou willen horen), maar ook de fretloze bas laat zich horen, en de afwisselende composities geven alle instrumenten de gelegenheid om te schitteren, hoewel de wat kortere (en poppier) nummers halverwege het album niet tot de sterkste behoren. Het grote minpunt hier is echter de zang: Patrik Lundström komt af en toe al wat schreeuwerig over (soms ben ik bang voor een Freddie Mercury-sound-alike), maar de partijen van Aleena Gibson zijn echt vreselijk – in een eerder bericht vergeleek ik haar met Carol Decker van T'Pau, maar op dít album doet ze me vooral denken aan een klein meisje dat graag met een grote-mensen-band mee wil doen en zich daardoor gaat overschreeuwen, en als ze sommige zangregels dan ook nog eens beëindigt met een dramatische hijg vind ik het al helemáál niet om aan te horen. En aangezien ze diverse belangrijke vocale gedeeltes (inclusief op de twee langste nummers) voor haar rekening neemt vergalt dat mijn plezier in dit album in niet onaanzienlijke mate. Misschien dat ik ooit nog eens ga wennen aan het geschreeuw van hem en dat afzichtelijke gekrijs van haar (dat is me bij James LaBrie per slot van rekening ook grotendeels gelukt), maar ik betwijfel het.

Kaipa - Keyholder (2003)

poster
4,0
Lekker ouderwetse progplaat waarbij ik steeds aan de Flower Kings moest denken, niet verwonderlijk natuurlijk gezien de aanwezigheid van zowel Roine Stolt als Jonas Reingold. De eerste krijgt veel ruimte voor zijn solo's (vaak met wah-wah, soms met slide), de harde Chris Squire-achtige bas van laatste komt regelmatig lekker door, en tussendoor kleurt Hans Lundin de afwisselende composities fraai in met zijn mellotron. De heerlijk lichte drums complementeren het groepsgeluid, maar ik moet zeggen dat ik de stem van Aleena zeldzaam slecht bij deze muziek vind passen; A complex work of art is zelfs bijna onbeluisterbaar door haar bijdrage die ik steeds associeer met het kindstemmetje van T'Pau's Carol Decker, en ook haar zangpartij op Across the big uncertain vergalt een groot deel van mijn plezier in dat nummer. Echt jammer, want voor de rest kan ik weinig op dit vrolijke en speelse album aanmerken. Bizar dat ik de eerste in bijna 17 jaar ben die hier wat bij schrijft.

Kaipa - Solo (1978)

poster
4,0
Het derde Kaipa-album is tevens het eerste met zanger Mats Löfgren en het voorlopig laatste met Roine Stolt. Kant 1 (de eerste zeven nummers) bevat de wat kortere nummers (alles onder de 5 minuten, inclusief vier instrumentals), kant 2 de wat epischere composities met drie nummers boven de 6 minuten (inclusief een vijfde instrumental), maar dat staat een duidelijke samenhang van de plaat als geheel niet in de weg. De bezetting is klassiek-seventies-symfonisch met gitaar, toetsen, bas, drums en zang (alles in het Zweeds), en sommige passages roepen onweerstaanbaar associaties op met de grote namen uit die tijd (met name Steve Hackett, Genesis, Focus, David Gilmour en Brian May), maar de composities zijn gevarieerd, de sound is warm en "slank" en opmerkelijk weinig gedateerd, en er klinkt een spelplezier en een inventiviteit uit op die doet denken aan, wel, de beste namen uit die symfonische topjaren. Aangeraden voor liefhebbers van toen en nu.
        Beluisterd via de 2015-remaster uitgegeven door Tempus Fugit, minus de laatste drie live-nummers hierboven, maar met een keurig boekje met een Engels tekstje over wat er speelde binnen Kaipa gedurende deze periode, plus alle Zweedse teksten en een groot aantal foto's (inclusief Stolt die in een minuscuul rood zwembroekje naast de tourbus gitaar staat te spelen), alsmede de vermelding dat Stolt in 1992 en 1994 ook al een vijftal tracks had geremixt.

Kaiser Chiefs - Souvenir (2012)

Alternatieve titel: The Singles 2004-2012

poster
4,5
Veel berichten hier in het kader van "is deze band nou nog wel of al niet meer levensvatbaar?" Zelf ken ik deze groep alleen van het debuut, dat een paar uitstekende nummers bevatte maar mij voor de rest nogal teleurstelde, dus voor mij is deze compilatie (inclusief ook die prima nummers van Employment) vooral een teken dat deze groep –mits via de singles tot mij genomen– toch wel een hoop leuks heeft gemaakt, met een mooie afwisseling van up-tempo-hectiek en Blur-achtige melancholie. Ik heb niet de behoefte om met terugwerkende kracht toch weer aan de reguliere albums te beginnen, maar wel ga ik me wagen aan het nieuwe album, dit als voorbereiding op het concert in 013 waar ik in oktober op uitnodiging naar toega. En als ik deze 16 nummers nog eens draai heb ik daar eigenlijk toch heel veel zin in. ("Everyday I love you less and less / I can't believe once you and me did sex" blijven trouwens twee geweldige regels.)

Kaiser Chiefs - Stay Together (2016)

poster
4,0
Ik ben na (of liever gezegd tijdens) het eerste album van deze band al afgehaakt, maar de Souvenir-compilatie vond ik daarna toch wel heel erg leuk, en als voorbereiding op het concert in 013 van 22 oktober j.l. heb ik ook hun nieuwe album flink wat keren gedraaid. Wel even raar opgekeken, want dit is toch wel héél wat anders dan ik van ze gewend ben, maar zoals cristiu2 hierboven al schrijft, wanneer je hier met frisse oren (of dan toch op z'n minst de oren van een "onpartijdige toeschouwer") naar luistert is het een heel grappige en dansbare plaat, met invloeden van disco, synthpop, Daft Punk en Pulp, een paar geweldig-vrolijk-stemmende dansnummers (met name het openingstrio), een enkele flauwe misser (naar die falset van High society kan ik echt niet luisteren) en als geheel een zeer relaxte vibe die mij in dit geval wel aanspreekt. (Het concert was trouwens wel andere koek, want een speelduur van 60 minuten + 15 of 20 minuten toegift is natuurlijk zwaar onder de maat.)

Karla Bonoff - Karla Bonoff (1977)

poster
4,5
Ja, eigenlijk een perfecte plaat van een zeer sympathieke singer-songwriter uit de Californische hoek, kristalhelder gezongen en gespeeld met medewerking van diverse kopstukken uit die sien (Eagles, Linda Ronstadt, Andrew Gould, J.D. Souther). Naast covers door Linda Ronstadt is Home ook door Bonnie Raitt uitgevoerd. Inderdaad op merkwaardige wijze nooit echt groot geworden, maar liefhebbers van voornoemde artiesten moeten hier toch eens naar op zoek gaan.

Karmakanic - Dot (2016)

poster
3,5
Heerlijke arrangementen inclusief fluit en fretloze bas, en met een lekker volle maar nergens óvervolle sound, dus daar heb ik niets op aan te merken. Helaas is de zang niet zo bijzonder en zijn sommige melodieën niet erg memorabel, zodat ik eerder luister naar een aaneenschakeling van passages dan dat er bepaalde delen uitspringen. Het lange eerste stuk bijvoorbeeld ligt best prettig in het gehoor, maar na afloop heb ik niet het idee dat ik een duidelijk geprofileerd geheel heb gehoord, en de indruk ervan zakt dan ook weer gauw weg. De kortere stukken met een wat helderder en pakkender structuur bevallen me dan ook beter, zodat ik van met name Higher ground en Traveling minds veel meer kan genieten. Degelijke prog waarbij voor mij jammer genoeg nergens de vonk overspringt.
        Leuk trouwens dat Hugh Syme na zijn vroege werk voor Rush en zijn latere werk voor Dream Theater nu ook bij déze band aan de slag is. Zijn boekjes zijn toch altijd wel heel sfeervol.

Karmakanic - Who's the Boss in the Factory (2008)

poster
3,5
Mooie traditionele progrock die wel baat heeft bij de verrassende momenten, zoals de lange instrumentale passage in de tweede helft van het titelnummer en de verrassende sax van Theo Travis. Daarzonder is het af en toe bijna wat te braaf, het zou best een tandje explosiever hebben gemogen, vind ik zelf. (Ik kreeg dit album van een vriend van mij zonder commentaar te leen, en toen ik nog niet wist dat dit een plaat van de bassist van de Flower Kings is vond ik het zelfs een zeer Amerikaanse produktie, mede vanwege de uitstekende Engelse uitspraak van de zanger.) Maar dat het kwaliteit is lijdt geen twijfel.

Kayak - Coming Up for Air (2008)

poster
3,5
Prima plaat op het snijvlak van pop en rock met vleugjes van het symfonische verleden. Leuk hoe naast de melodische rijkdom ook diverse teksten echt iets te melden hebben, met aparte onderwerpen (Medea !), een uitgebreid vocabulaire, alles elegant verwoord en met een uitstekende Engelse uitspraak gezongen – het meelezen van de teksten tijdens het beluisteren van de muziek resulteert bij dit album in mijn oren in een meerwaarde. Aan de minkant moet ik zeggen dat het niveau van de eerste vier nummers op de rest van de plaat lang niet altijd gehaald wordt, dat de gitaarsolo's niet altijd ergens heen gaan en dat de zang van Edward Reekers nogal bezadigd klinkt, zeker in contrast met het vuur in de uitstekende stem van Cindy Oudshoorn. En als ik buiten het openingskwartet nog twee hoogtepunten mag noemen: What I'm about to say zou zó aan Barbra Streisand aangeboden kunnen worden (ook al doet de titel me steeds denken aan Jesus Christ superstar: "I only want to say..."), en op het prachtige Broken white legt Reekers juist precies de juiste kwetsbaarheid aan de dag. Al met al toch een behoorlijk overtuigend en gefocust album.

Kayak - Kayak (1974)

Alternatieve titel: Kayak (2nd Album)

poster
4,0
Voor mijn gevoel een fractie minder dan het debuut, maar ik vind het moeilijk om precies aan te geven waarom. Misschien omdat de nummers net wat minder spectaculair zijn en er net wat minder krakers op staan, maar verder ook geen echt slechte nummers (hoewel Mountain too rough wel wat minder is), en de bron van goede melodieën is ook nog niet uitgeput. Hoogtepunten zijn voor mij de bijzonder classy single Wintertime en het spetterende They get to know me met weer superbe zang van Max Werner en een lekkere gitaarsolo die zó aan de versterker van Chris Koerts lijkt te zijn ontsnapt. Uitstekende opvolger.

Kayak - Royal Bed Bouncer (1975)

poster
3,0
Het op MusicMeter hoogst gewaardeerde Kayak-album (3,77 bij 99 stemmen), en als ik de berichten lees vinden de meeste schrijvers hier dat ook. (Alleen het dit jaar verschenen Seventeen scoort nog iets beter met 3,88 bij 47 stemmen, maar daarvan moet het gemiddelde misschien nog even "uitgebalanceerd" worden.) Ik kan daar op zich niets tegen inbrengen, maar mij dit doet deze plaat toch wat minder dan z'n twee voorgangers. Het lijkt wel alsof het accent een beetje verschoven is van de symfo naar de ballades, en hoewel er natuurlijk nog altijd rare wendingen en aparte arrangementen te horen zijn voelt deze plaat meer als een verzameling fraaie ballades met symfonische invloeden dan als symfonische muziek met een lyrisch accent. Niets mis mee, en het niveau blijft hoog (met uitzondering van het enigszins irritante titelnummer en Patricia Anglaia dat eigenlijk nergens naartoe gaat), maar míj doet het minder. Hoogtepunten vind ik het melancholische Bury the world (is dat een echte hobo-of-klarinet-of-sopraan-saxofoon in die solo?) en Said no word, het meest proggy nummer van de plaat, hoewel de perfecte single met bovendien een heel grappige tekst ("We'll sail the second ark, tickets are cheap / You can always choose a window seat if you wish") eigenlijk ook een eervolle vermelding verdient – schandalig dat dat geen hogere plaats dan de 31ste in de top-40 heeft behaald, maar Ruthless queen was vier jaar later helaas de enige top-10-single die Kayak ooit heeft gehad. Maar goed, in z'n geheel zoals gezegd een mooie plaat die me toch niet zo pakt..

Kayak - See See the Sun (1973)

poster
4,5
Ik heb indertijd wel het singletje van Mammoth gekocht – ik zie het lichtgroene hoesje nog voor me, en om de een of andere reden herinner ik me dat ik tegelijkertijd I'm just a singer (in a rock and roll band) kocht. Mammoth vond en vind ik een geweldig nummer, maar er was toen natuurlijk niet genoeg zakgeld om alles te kopen wat ik wilde (so many records, so little money...), dus verloor ik deze band uit het oog. Jaren geleden via een vriend weer opgepikt, en als ik het nu zo draai heb ik toch veertig jaar lang wel wat gemist, want dit is een prachtige stevige symfonische plaat zonder zwakke momenten (hoewel ik kant 1 iets sterker dan kant 2 vind), met smaakvol toetsenwerk, op z'n tijd lekkere gitaaruitbarstingen en een perfecte mysterieuze stem die net zo'n uniek timbre als die van Kaz Lux heeft (zij het "nogal snijbranderachtig" volgens Ton Scherpenzeels uiterst onderhoudend blog, mooi geformuleerd). Weinig op aan te merken, en ook nog een prachtige ballade als afsluiter, petje af, en dat geluid hoeft ècht niet "eigener" wat mij betreft – het schuurt toch altijd een beetje als de maker van een plaat die ik zelf geweldig vind zijn eigen produkt wegzet als een soort jeugdzonde ("qua vakmanschap wat betreft songschrijven, spelen en arrangeren moesten we nog veel leren").
        Prima Engelse uitspraak heeft Max Werner trouwens. Toch hoor ik na 43 jaar nog steeds hoe hij in de openingszin van mijn geliefde Mammoth "Yes I feel like a mammes today" zingt...

Kayak - Seventeen (2018)

poster
4,0
Na de eerste maand waarin dit album verkrijgbaar was (en waarin ook het leeuwendeel van de berichten verscheen) is daarna het aantal berichten pijnlijk afgekalfd en in het laatste halfjaar zelfs tot nul gereduceerd. Dat is wel vaker het geval bij een plaat van een band met een vrij kleine fanbase en geen hits om het album nog wat langer commercieel levensvatbaar te houden, maar in dit geval is dat wel héél erg jammer, want volgens mij bevat dit album voor iedereen wel iets van zijn of haar gading zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit of de scherpe randjes. Het openingsnummer alleen al is de perfect introductie, met z'n piekende pianonoten, sterke melodie en precies passende zang – het stuwende ritme en het explosieve geluid zetten meteen de toon voor het album, en eigenlijk kakt Seventeen daarna nergens in, hoewel niet alle ballades voor mij nodig waren geweest (de melige zangmelodie van Falling, het nogal traditionele All that I want...). Het geluid is àf, de zang van Bart Schwertmann is sfeervol en goed hard maar nergens brallerig, en naast de melodieuze vondsten van Scherpenzeel zou ik de gitaarpartijen van Marcel Singer als belangrijkste troef willen noemen, soms à la John Petrucci, soms wat onderkoelder, maar altijd sterk en smaakvol.
        Ik spring zelf vanaf het vierde Kayak-album ineens ruim veertig jaar vooruit naar Seventeen en kan dus niet oordelen over wat er in de tussenliggende decennia allemaal qua muzikale ontwikkelingen heeft plaatsgevonden, maar dit album klinkt in ieder geval niet als het produkt van zestigers en zeventigers die zonodig nog eens hun kunstje willen doen, eerder als een warm en organisch produkt van muzikanten die het in de studio vreselijk naar hun zin hebben. Voornaamste minpunt is de tweede zanger, de knauwende en vrij beperkte stem die bijvoorbeeld te horen is op het tweede gedeelte (dus "II") en het korte laatste coupletje van Cracks – is dat Scherpenzeel zelf? En hoewel het boekje zelf mooi verzorgd is moet ik Wandelaar helaas met instemming citeren wanneer hij op 21-12-2017 meent dat "de art-director die de hoes bedacht een vrije dag gehad moet hebben en het werk aan de jongste bediende overliet." Maar verder een uitstekende plaat, en wat een lange muzikale adem heeft die Scherpenzeel...

Kayak - The Last Encore (1976)

poster
4,0
Zeer mooie en ontroerende plaat met voor mijn smaak precies de juiste balans tussen "romantiek" (lyrische en meeslepende melodieën, prachtige pianopartijen) en prog. Volgens wikipedia was Johan Slager teleurgesteld dat hij zo weinig aan de opnames kon bijdragen, maar zijn fraaie gitaarlijnen zijn hier op meerdere nummers toch wel degelijk prominent aanwezig, en Max Werners stemgeluid past naadloos bij de muziek. De eerste vier nummers vormen voor mij het hoogtepunt van het album, maar daarna zakt het eigenlijk toch nergens echt in; zelfs van het enigszins merkwaardige Love me tonight / Get on board (waarvan Scherpenzeel later schijnt te hebben gezegd dat het beter was geweest als dat het album niet had gehaald) kan ik de humor wel inzien ("Drop your knickers, dear!"), en Raid your own house is een erg sterke rocker. En ik vind de nummers van Pim Koopman eigenlijk nauwelijks onderdoen voor die van Ton Scherpenzeel; aan dat openingskwartet hebben ze allebei twee composities bijgedragen, en als favorieten heb ik één nummer van Scherpenzeel en twee van Koopman aangevinkt. Maakt verder ook niet uit : over de hele linie is dit een uitstekende plaat.

Keane - Hopes and Fears (2004)

Alternatieve titel: Hopes and Fears 20

poster
4,5
Een moderne klassieker? Na vijftien jaar klinkt deze plaat mij in ieder geval nog net zo fris in de oren als toen ik hem voor het eerst hoorde. De melodieën zijn nog altijd even hemels als melancholisch, de stem kan alles aan, de nummers "never outstay their welcome", en de teksten bieden niets opzienbarends of origineels maar zijn ook niet slecht en passen bovendien perfect bij de muziek. De arrangementen klinken allemaal bedrieglijk simpel, maar niets is minder waar, want naast die zelfverzekerde stem, heldere hamerpiano en drums zit deze plaat vol met kleine geluidjes die de sound inkleuren en van detail voorzien: stiekeme orgeltjes, synthesizers, tamboerijntjes, subtiele synthetische drums bij de intro's van We might as well be strangers en She has no time, elektronische bliepjes onder de piano van Everybody's changing en Your eyes open, een zachte synthesizer-solo op Sunshine, de stevige keyboardsolo op het slotnummer, en op Untitled 1 lijkt het wel of ik drie nootjes op de elektrische gitaar hoor – allemaal kleine maar niet onbelangrijke ingrediënten die hier uiteindelijk een perfecte popplaat van maken.
        En ja, die stem... Ik herinner me nog dat ik de bandversie van Snowed under voor het eerst hoorde, en op het moment dat ik besefte dat de regels "I don't know why I waste my time / Getting hung up about the things you say / When I open my eyes and it's a..." op weg waren naar een uitbundige climax, dacht ik letterlijk: jongen, hou op, stop nú met dit nummer, je bent op weg naar een afgrond, die hoge noten ga je nóóit halen... en het achteloze gemak waarmee hij vervolgens die horde nam en "love-ly day" er vol passie uitgooide was echt een schok.

Keane - Night Train (2010)

poster
2,5
Leuk dat Keane een beetje experimenteert met andere soundscapes, invalshoeken en co-zangers; een EP is daar best een goed medium voor, en na drie uitstekende albums vergeef ik ze op voorhand al veel. Toch valt het me allemaal niet mee, want te veel nummers zijn te flauw om te beklijven en zijn het andere oor al bijna uit wanneer ze het ene oor nog ín moeten. Het elektronische intro laat bijvoorbeeld geen enkele indruk achter, dat duet met Tigarah is totaal zouteloze bubblegum, en de tijden dat ik nog mijn best deed om raps op pop- of rocknummers te waarderen liggen reeds ver achter mij, dus hoewel de eerste twee-en-een-halve minuut van Stop for a minute wel grappig en catchy zijn (en goed gezongen door K'Naan) haak ik daarna acuut af. (Dat Tom Chaplin af en toe klinkt als Bono helpt ook niet mee.)
        Wat overblijft is de aardige 80's-synthesizer-wanhoop van Back in time, het spannende Your love (prima gezongen door Rice-Oxley) en de afsluiter waarvoor ze voor de zekerheid maar even een klassieke en redelijk sterke Keane-compositie hebben gereserveerd om de luisteraar toch met een goed gevoel naar huis of bed te kunnen sturen. Zo krijgen de mannen full marks voor de ambitie, maar het resultaat is op te veel plaatsen te nietszeggend, en ik betwijfel of dit een blijvertje in de Keane-discografie zal blijken te zijn. En ik ben daarin blijkbaar niet de enige, want dit is pas het vierde bericht sinds 2011 bij deze EP, toch wel een beetje verrassend.

Keane - Perfect Symmetry (2008)

poster
4,0
Leuke frisse plaat die aan de ene kant knipoogt naar de jaren 80 (Ashes to ashes-bliepjes op Better than this, elektronische drummetjes op You haven't told me anything, een funkgitaartje op Pretend that you're alone) en aan de andere kant weer een paar prachtige melancholische ballades in de beste Keane-traditie bevat. Maar de experimentjes vind ik eigenlijk best geslaagd, van de toverdoos met ijzersterke melodieën van Tim Rice-Oxley is de bodem nog steeds niet in zicht, Tom Chaplin is uitstekend bij stem en de arrangementen en de produktie zijn weer àf, dus ik kan dit met de beste (of slechtste) wil van de wereld geen slechte of teleurstellende plaat vinden – met uitzondering van die laffe "Whoow!"-gilletjes in het openingsnummer, die mij veel te veel aan het begin van het refrein van het gruwelijke Shine a little love van ELO doen denken.
        Wat de aangevinkte nummers betreft, daarin conformeer ik me aan de overgrote meerderheid van de gebruikers hier, want mijn favoriete nummers (The lovers are losing, het uitbundige Spiralling en het titelnummer) hebben met afstand de meeste stemmen (resp. 86, 84 en 82, met vèr daarachter de toch ook fabuleuze afsluiter met 42 stemmen). Dat fantastische trio geeft ook meteen aan wat ik het grote wapen van deze band vind: de tijdloze composities die vrijwel altijd een memorabele melodie en een pakkend refrein hebben, en dat nu al drie prima platen lang.
        Op de DVD van de luxe-editie geven de drie bandleden commentaar op alle nummers van de plaat, zowel muzikaal als tekstueel. Leuke info, sympathieke jongens. (Tom Chaplin, aan het einde van zijn commentaar op de tekst van Love is the end : "And it ends with a gong." Waarop Richard Hughes: "Most importantly." Tim Rice-Oxley: "And it has a musical saw on it, which is definitely the coolest instrument ever invented." Hughes: "After the gong." )

Keane - Strangeland (2012)

poster
4,0
Als dit inderdaad een poging is om terug te keren naar de songs en het geluid van de eerste twee Keane-platen, zoals blijkens de Engelse Wikipedia-pagina de bedoeling van Chaplin en Rice-Oxley was, dan zijn ze daar aardig in geslaagd, want met name de eerste zeven nummers hebben weer alle ingrediënten van hun klassieke ballades: knappe melodieën, zang uit volle borst, een heldere hamerpiano, nummers die allemaal redelijk kort zijn (slechts een tweetal boven de 4 minuten) en daardoor lekker puntig, en een mooie tekstuele onderstroom van nostalgie en melancholie om emotionele verwijdering en gemiste kansen. Jammer dat het niveau niet helemaal volgehouden wordt tijdens de laatste vijf nummers, want dan zou er wellicht nog een hogere score hebben ingezeten, maar zoals de plaat nu is ben ik er toch ook dik tevreden mee. Mij persoonlijk hebben hun albums in ieder geval nog nimmer teleurgesteld. (En zoals hierboven al wordt gesteld is het bizar dat het titelnummer niet op het reguliere album staat, want qua thematiek hoort het er helemaal bij, en qua niveau zou het de tweede helft van de plaat wat mij betreft een stukje ophalen.)

Keane - Under the Iron Sea (2006)

poster
4,0
De misschien onvermijdelijke vergelijking met het debuut valt bijna even onvermijdelijk in het nadeel van deze opvolger uit, maar als het publiek niet met Hopes and fears maar via Under the iron sea met Keane zou hebben kennisgemaakt zou dít album misschien wel met dezelfde jubel zijn onthaald – in Engeland hebben beide platen de eerste plaats van de albumlijsten gehaald, en op MusicMeter verschilt de waardering qua stemgemiddelde amper (momenteel 3,59 om 3,53). Het spectrum aan geluiden (de verschillende sounds die Tim Rice-Oxley aan zijn instrumenten ontlokt) is wat breder, de variatie aan nummers groter en de sfeer wat duisterder, maar het belangrijkste is natuurlijk dat het niveau van de nummers eigenlijk onverminderd hoog is – kennelijk is bij Rice-Oxley de bodem van zijn voorraad knappe melodieën nog niet in zicht. Zoals gezegd kan deze plaat nooit meer zó verrassen als het overrompelende debuut, maar verder is dit gewoon een uitstekende plaat met hoogstaande en zeer verzorgde popmuziek.

Keef Hartley Band - Halfbreed (1969)

poster
3,0
Degelijke plaat uit de nadagen van de Britse bluesgolf. Helaas valt hij wat mij betreft niet in de eredivisie daarvan: de zang van Miller Anderson is niet "persoonlijk" genoeg, en de gitaarsolo's van hem en/of Ian Cruickshank vind ik nergens echt interessant. Wat de nummers vaak toch boeiend houdt zijn de "versieringen" op de arrangementen: het Santana-achtige begin van het instrumentale gedeelte na de eerste twee minuten van het openingsnummer, de verrassende fluit op Sinnin' for you, de geweldige half jazzy half experimentele trompet-hook op Just to cry, de fraaie viool op Too much thinking, en de blazers waarvan de sound vooruit lijkt te wijzen naar hoe Chicago (Sinnin' for you) en Blood Sweat & Tears (Too much thinking) niet veel later zouden gaan klinken. Door die toevoegingen krijgen de nummers (en daardoor de plaat als geheel) toch genoeg karakter om tot een voldoende te komen. (Getipt door Mssr Renard.)
        Op de remaster van One Way Records uit 1995 staat als bonustrack overigens nog de aardige single Leave it 'til the morning, een lief poppy liedje met een country-achtig gitaartje dat geen hit werd. (Op de B-kant stond een ingekorte versie van Just to cry.)

Keith Caputo - Died Laughing (2000)

poster
4,0
Nogal een verrassing voor mij indertijd, omdat ik Caputo's "moederband" eigenlijk alleen maar kende uit de nu-metal-hoek. Died laughing is echter bijna compleet het tegenovergestelde van de stijl die ik daarmee associeerde, met zeer melodieuze singer-songwriter-popliedjes, zorgvuldig afgewogen arrangementen met een soort folkrock-inslag, en broos en melancholisch gezongen melodieën, af en toe met een theatraal randje maar zonder dat dat stoort. Veel goede teksthooks ook: "I'm out of my head again", "And don't be sca...red", "I'm selfish with myself", "Sex in the head", "I recommend a psychotherapist to clean up your brain", "syringe me with addiction", "If you don't believe in Heaven, it won't believe in you", "My fairy tale junkie", allemaal tekstflarden die me nog regelmatig door het hoofd schieten. Caputo's stem doet me af en toe denken aan Adam Duritz maar dan zonder de maniërismen die ervoor zorgden dat ik na het debuut van Counting Crows al meteen geen zin meer in hun volgende platen had, maar zoals gezegd blijft Died laughing gelukkig gevrijwaard van die gekunstelde voordracht. Mooie kwetsbare plaat.

Kensington - Borders (2010)

poster
2,5
Niet slecht, met een aardige eighties-vibe in die hyper-doorwerkende drums (ik moet soms denken aan New Musik, de Cars en de vroege Cure, maar ook –wat minder flatteus– aan Rock and roll van Gruppo Sportivo), en in de gitaren hoor ik flarden Echo & the Bunnymen en de Editors. De nummers duren nooit te lang, en dat de zang nog niet zo vol zelfvertrouwen en karakter zit als op de volgende albums betekent gelukkig ook dat de refreinen nog zo neigen naar die stadion-meebrul-impulsen van Rivals ("Calling, calling!"). Toch kan ik er niet over de hele linie even enthousiast over zijn : er zit teveel dezelfde dynamiek in en te weinig gemene sologitaar, de nummers blijven "emotioneel" steeds op hetzelfde niveau (zodat een uitschieter als Friendly fire meer dan welkom is), en dat de mannen af en toe een tandje hoger schakelen betekent helaas nog niet dat ze ook echt heftig uit de hoek komen. Misschien mis ik net als frolunda hierboven (23-11-2017) de scherpe randjes, hoewel de belofte van een ècht goede popplaat wel ruimschoots aanwezig is – en die kwam er dan ook met de beter en voller klinkende opvolger Vultures.
        (Overigens heb ik zelf een uitgave waarin de volgorde van de eerste zeven nummers radicaal omgegooid is ten opzichte van bovenstaande tracklisting, en met één extra nummer, Let go dat het album opent en gevolgd wordt door Youth.)

Kensington - Control (2016)

poster
2,0
Ben ik (of moet ik mezelf beschouwen als) een Kensington-basher? Hmmm... Ik krijg bij zo'n beschuldiging altijd hetzelfde gevoel als wanneer er op MovieMeter een discussie gaande is over een film die veel mensen slecht vinden, en als iemand dan zegt dat hij de film eigenlijk best goed vindt is de reactie soms : "Ja, maar jij houdt nou eenmaal van die regisseur of acteur, en fanboys vinden altijd alles goed, dus dat telt niet." Toen ik Kensington voor het eerst hoorde was ik verbaasd over en onder de indruk van hun lekker harde geluid, hun puntige rock en de karakteristieke zang van Eloi Youssef, en Vultures vind ik nog altijd een prima plaat, dus ik heb zeker geen hekel aan deze band. En ik hoor ook wel dat ze op Control af en toe wat ánders proberen, zoals het slepende ritme op Regret (voor mij het enige echt goede nummer van dit album), een ballade als Sorry en het lekker broeierige Storms. Het probleem is alleen dat ze zelden of nooit afwijken van het climaxgerichte componeren, nergens zo erg te horen als op het titelnummer dat zo ingetogen begint en dan eindigt met breed uitwaaierende akkoorden en klassieke stadion-samenzang. En dan direct daarna Rely, vier maten rustig, en dan weer de galm en het grote gebaar... Misschien zitten er nog meer kleine of grote verschillen of veranderingen of nuances op deze plaat die ik verder niet heb opgepikt, maar ook op het vierde album van deze band klinkt wat ik hun emotionele dynamiek zou willen noemen niet wezenlijk anders, net zoals de teksten nog altijd vlak zijn en ik nog altijd nergens eens een lekker vieze gitaarsolo hoor. En dat hoeft verder ook niet, zolang zijzelf en hun doelgroep er tevreden mee zijn en ze de Ziggodome moeiteloos uitverkopen vind ik het allemaal best, wat míj betreft moeten ze vooral blijven doen waar ze goed in zijn als ze daar gelukkig van worden, maar ik heb het zelf inmiddels wel gezien met deze band, en aan de commentaren hier te lezen ben ik daar niet de enige in – en dat heeft toch echt niets met bashen te maken, maar alles met voorspelbaarheid. (Overigens beluisterd via de Limited Live Edition uit 2017, met een 11 tracks tellende, 51 minuten lange bonus-CD Live at Ziggo Dome 2016, opgenomen in november van dat jaar.)

Kensington - Rivals (2014)

poster
2,5
De opener Streets geeft meteen het beste en het slechtste wat deze band in huis heeft prijs: een slim gecomponeerd nummer, uitstekende produktie, mooie doorzeurende eighties-gitaar en een tamelijk onweerstaanbaar refrein, dus wat mij betreft in alle opzichten een ijzersterke popsingle die me echter tegelijkertijd vanwege het schaamteloze stadion-appeal vreselijk tegen de haren in strijkt. Dat gevaar signaleerde ik al bij hun vorige plaat, waar het echter nog werd ondervangen door de sterke nummers en de grote variatie, maar op Rivals lijken vele nummers al met Lowlands en Pinkpop in het achterhoofd geschreven te zijn, want op Streets volgt All for nothing dat ook al om een climax smeekt, en na de eerste refreinregel van Riddles "Where we will go, we'll be lost in the middle" begin ik automatisch "Calling, calling!" te blèren, en dan moet War (dat "doet mijn tandglazuur barsten" zoals west treffend opmerkt) met dat stompzinnige "HEY!" nog komen... Neemt niet weg dat het allemaal weer klinkt als een klok en probleemloos naar binnen glijdt, hetgeen ook ontegenzeggelijk een kwaliteit is, maar een gevaarlijk randje of een onvoorspelbare wending zou een nog veel grótere kwaliteit zijn (en dan bedoel ik niet die er met de haren bijgesleepte laatste twee minuten van Little light).

Kensington - Vultures (2012)

poster
3,5
"Pakkende meezingpop" las ik ergens op internet, en die omschrijving klopt wel aardig. Elders worden vaak de Kings Of Leon als referentiepunt genoemd, maar zelf moet ik ook wel aan de Editors denken, plus de vroege U2 en andere springerige eighties-gitaarbands. Gelukkig is het niveau van de composities over het algemeen redelijk hoog, met geen enkel nummer dat door het ijs zakt en genoeg uitschieters naar boven om de aandacht de hele plaat door vast te houden, en bovendien is de produktie perfect, de zang karakteristiek en ijzersterk en de Engelse uitspraak piekfijn verzorgd, zodat het wel duidelijk is hoe (en wat mij betreft ook terecht dát) deze mannen aan hun succes komen. De verleiding van het grote gebaar van het anthem voor het stadionpubliek dat klaarzit met de aanstekers ligt regelmatig op de loer, maar gelukkig wordt daar (althans op dit album) slechts spaarzaam aan toegegeven. Leuke plaat.

Kevin Coyne - Marjory Razorblade (1973)

poster
4,5
Een artiest en een plaat waarvan ik de naam en de titel al decennialang ken zonder dat ik er ooit een noot van heb gehoord – vermoedelijk heb ik ergens ooit iemand over hem horen praten (op mijn middelbare school indertijd?) of iets over dit album gelezen (in de Muziek Expres?) en daarna in mijn achterhoofd opgeslagen als "moet ik nog eens proberen" zonder dat ik hem ooit ben tegengekomen. Nu is dat laatste dan bij toeval gebeurd in de tweedehandsbak van "mijn" Sounds, en al na één keer draaien is duidelijk waarom deze man valt in de categorie van artiesten als Gene Clark, Nick Drake en Tim Buckley: niet veel mensen zijn met hun werk bekend, maar wie dat wel is wordt dan ook vaak meteen een énorme fan.
        En wie gevoelig is voor de brille van Kevin Coyne kan ook helemaal meegezogen worden in zijn wereld vol bizarre karakterstudies van verschoppelingen, "gewone" maar lang niet altijd gelukzalige liefdesliedjes en wrang sociaal commentaar. De nummers hebben vaak een bluesy structuur met melodische herhalingen, maar soms ook gewoon de klassieke akkoordenreeksen van de betere pop, en door de nadrukkelijke herhalingen van "trefwoorden" (I want my crown, Nasty, Chop chop, Lickspittle... good boy) is het ook heerlijk om mee te brullen, maar niet te hard en niet te veel want anders mis je de humor: "Left me in charge / Left your poodles at large.." De stem zit soms tegen die van Van Morrison aan maar op andere momenten hoor ik ook wel Captain Beefheart en Joe Cocker, en de vrij traditionele band weet aan alles een behoorlijke swing mee te geven, met dank aan de effectieve slidegitaar, de stevige bas en de heerlijk sloffende drums.
        Kortom, een totaal eigen universum waar het goed vertoeven is, ook al liggen de wanhoop en het verdriet soms niet ver onder het oppervlak, en soms er ook ruimschoots bovenop: "I don't have a cent / And I don't know how I'll pay the rent / I think I'll turn bent / And make some money." Wonderschone plaat vol scherpe randjes. "Talking to no-one is strange, talking to someone is stranger..."

Khan - Space Shanty (1972)

poster
3,0
Tja, ik zat er helemaal klaar voor om dit geweldig te vinden, maar ik kan hier toch niet zo enthousiast over zijn als mijn voorgangers. De insteek heeft helemaal mijn zegen, het geluid is tegelijk "early seventies" en tijdloos (zoals spaceman hiervóór opmerkt) en wanneer Dave Stewart zijn orgeltje zó instelt dat het wel lijkt alsof Caravans Dave Sinclair meedoet (op maar liefst vier van de zes nummers) kun je me opdweilen, maar helaas ontbeert dit album naar mijn smaak té vaak een echt fatsenlijke structuur om de pittige solo's aan op te hangen. De meeste composities zijn niet bijzonder dwingend en de melodieën niet erg inventief, dus ik zit meer te genieten van de ambiance, het Hammondwerk, sommige solo's en de lekkere seventies-sfeer dan van een hecht doortimmerde en de hele speelduur lang boeiende plaat. Komt nog eens bij dat ik de zang heel matig en onpersoonlijk vind, hetgeen ook altijd zwaar weegt bij mij, en dat is allemaal extra jammer omdat de paar nummers waar tekst, muziek, arrangement en solo's wèl allemaal in orde zijn en elkaar versterken (zoals het lieflijke Stranded en het met een aantal geweldige solo's gezegende Driving to Amsterdam) meteen ook wel héél erg sterk zijn. 3* in plaats van de 4* of hoger waar ik eigenlijk op hoopte.

Killing Joke - Killing Joke (2003)

Alternatieve titel: Killing Joke 2003

poster
4,0
Van platen zoals deze heb ik er niet veel in de kast staan – gelukkig maar, zeggen mijn huisgenoten, want dit is een aural assault zonder weerga. Ik ben hier zelf ook lang niet altijd voor in de stemming, maar als dat wèl het geval is vind ik dit geweldig, hoewel ik de tweede helft ondanks een indrukwekkend slotnummer wel van lager niveau vind dan de eerste, net als bij het enige andere KJ-album dat ik ken, Night time. Overigens is dit ook de plaat die mij definitief over de streep trok wat betreft de waardering van Dave Grohl als superdrummer – power, helderheid, functionaliteit en gedrevenheid hand in hand.

King Buffalo - Acheron (2021)

poster
2,5
Zacht getokkelde elektrische gitaren die later in het nummer gaan scheuren, een drummer die grotendeels hetzelfde patroon moet aanhouden, een muurtapijt van sfeersynths, romantische natuurlyriek van een zanger die achterin de mix zit omdat zijn klank belangrijker is dan zijn boodschap, nummers die vrij willekeurig afbreken omdat ze ook nog wel een paar minuten door zouden kunnen gaan... Er komen allemaal namen bij me op: Black Rebel Motorcycle Club, Wooden Shjips, Monomyth, maar ook 80's-shoegaze zoals Slowdive en andere ikonen uit die tijd. Het is absoluut niet slecht, en de trancy fuzz-gitaren klinken spectaculair, maar als geheel klinkt het te bekend en soms ook te voorspelbaar (de drums die in meerdere nummers even stilvallen om even later weer verder te gaan terwijl de rest van de band ondertussen doorspeelt) om een blijvende indruk achter te laten.

King Crimson - Discipline (1981)

poster
5,0
This is a dangerous place! Een album dat in het muzikale klimaat van 1981 in mijn beleving eigenlijk nergens op leek en dat nog steeds vrij uniek is; de funk van de Talking Heads en de vervreemde "gebroken" sound van Pere Ubu zijn misschien referenties, maar als muzikale planeet leeft Discipline voor mijn gevoel toch in een eigen stratosfeer. Een heel bizarre mix van precieze gitaarnootjes, wilde akkoorden, Frippertronics die ik al zó vaak gehoord heb dat ik bijna vergeet dat die geluidjes iets met een gitaar te maken hebben, rare "ongeschoolde" zang van Adrian Belew, het afwisselend drukke en efficiënte drumwerk van Bill Bruford en als eeuwig anker de warme bas van Tony Levin. Een studie in samenvloeiende contrasten : de hectiek van Indiscipline tegenover de zuiverheid van het titelnummer, de ontroering van Matte Kudasai tegenover het wilde Thela hun ginjeet... Veel van King Crimson is aan mij niet besteed, soms vanwege een bepaalde afstandelijkheid die ik voel, soms vanwege de "metalen" kilte van het gitaargeluid, maar Discipline is onbeperkt draaibaar.