menu

Hier kun je zien welke berichten BoyOnHeavenHill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

A Perfect Circle - Mer de Noms (2000)

2,5
Een naam die hier nog niet is gevallen: in nummers als Magdalena en Orestes hoor ik zowel qua gitaar als qua hele soundscape de Cocteau Twins anno Treasure terug. Dat is een aangename klankkleur, maar in de meeste andere nummers staat precies de naargeestigheid die mijn voorganger noemt mij tegen: met de composities en de insteek is niets mis, maar die koude sound, de riffs en de harde snaredrums doen mij onaangenaam aan, en Keenan trek ik prima wanneer hij gewoon zingt, maar zodra hij zo'n verbeten Eddie Vedder-stem opzet, of wanneer hij zo gemaniëreerd-onvast-zangerig gaat zingen (hetgeen z'n apotheose vindt in The package op de volgende plaat), dat vind ik echt vreselijk. Dus, heel persoonlijk, dit is niets voor mij.

ABC - The Lexicon of Love (1982)

4,0
Nog altijd de meest linkse plaat op mijn alfabetisch-chronologisch georganiseerde plankje, mede omdat de ABBA'tjes bij mevrouw OnHeavenHills afdeling staan. Ook voor mij was dit indertijd een vreemde eend in de bijt, tussen Joy Division, New Musik, the Cure, Echo & the Bunnymen, the Beat, the Associates en U2, maar de uitstekende composities en het kamerbrede, wat zeg ik? lándschapsbrede geluid trokken mij –hoewel vol scepsis– al spoedig over de streep. Bovendien zaten de teksten zó vol met ironische knipogen, dubbele bodems en binnenstebuiten gekeerde cliché's dat ik heerlijk kon meebrullen zonder me echt aan al die liefdesromantiek te hoeven bezondigen... totdat het hoogtepunt van de plaat arriveerde en 4 ever 2 gether zó goed in elkaar bleek te zitten en zo overdonderend en gewoon zo mooi was dat ik heel onironisch heel erg ontroerd werd (om nog maar te zwijgen van dat eigenlijk heel onheilspellende intro – wanneer de zang invalt krijg ik nog altijd kippevel: "You can't tell me... how to run my life..."). Nu minder verslavend dan toen, maar nog altijd een prachtplaat. Ook door mij indertijd in Utrecht gezien; gelukkig had ik snel kaartjes, want de belangstelling bleek zó groot dat er inderhaast een tweede optreden om 24:00 werd ingelast, en toen zag ik toch maar liever een (hopelijk) energiek eerste concert. (Een vriend van mij kocht trouw alle maxi-singles met al die verschillende remixen, maar mijn CD-versie uit 1998 bevat als enige bonustrack het enige B-kantje dat ik echt de moeite waard vond, Theme from "Man trap" oftewel de lounge-versie van Poison arrow.)

AC/DC - Back in Black (1980)

4,0
Een dijk van een rockplaat, terecht klassiek naar mijn mening, hoewel hij bij mij niet het aantal maximale sterren scoort omdat ik de laatste drie nummers niet het niveau van de rest van het album vind halen. Of ben ik tegen die tijd een beetje murw en heb ik er toch een beetje genoeg van gekregen?
        Je moet je trouwens toch niet voorstellen dat er bij een luisteraar naar deze muziek nèt het hersengebiedje voor "dubbele bodems" ontbreekt. "Wat is er nou zo bijzonder aan dierenliefde dat deze man ons deelgenoot wil maken van het feit dat hij zijn chihuahua een bot geeft? En hoe stop je zoiets onstoffelijks als liefde in 's hemelsnaam in een fysiek lichaam? En wat is er zo leuk aan om de hele nacht lang door elkaar geschud te worden? Vreemd, weird en wazig..."

Admiral Freebee - Admiral Freebee (2003)

4,5
De eerste helft van dit album benadert wel zo ongeveer de perfectie qua American singer-songwriter wat mij betreft, met vijf nummers waarin elke seconde telt plus een zesde nummer dat even de spanning verlicht. Helaas valt diezelfde spanning gedurende de tweede helft van de plaat wat te vaak weg, ofwel vanwege meligheid (Einstein brain, Bad year for rock'n'roll) ofwel omdat sommige nummers te lang duren voor hun beperkte melodieën (zoals Serenity now! en Alibies) – misschien dat een stevige rocker à la Rebound love ergens op drie-kwart van het album wonderen had gedaan. Desalniettemin blijft deze plaat uitstekend drijven op z'n onsterfelijke eerste helft : composities, stem, gitaar, begeleiding, produktie, geluid, sfeer, alles foutloos.
 

Admiral Freebee - Songs (2005)

4,0
Aangezien we inmiddels weten wie Freebee is en wat hij kan, zal deze opvolger nooit de impact kunnen hebben van het debuut. Op z'n eigen merites beoordeeld is dit echter een uitstekend album, met voor mij slechts één zwak plekje (het melige Hope alone) en verder over de hele linie redelijke tot zeer sterke songs. Net als bij het debuut is de eerste helft het sterkst, met als hoogtepunten Lucky one, Sad rebel en Oh darkness, maar de tweede helft houdt toch ook een vrij hoog niveau, met twee stevige Crazy Horse-achtige rockers (Waiting for nothing en Murder of the sun) en een sfeervol slotnummer. Een uitstekende tweede worp.
 

Admiral Freebee - Wild Dreams of New Beginnings (2006)

2,5
Tweeëneenhalf jaar lang geen berichten bij dit album. Kennelijk ineens uit het zicht verdwenen?

Toen ik deze plaat indertijd leerde kennen (met hoge verwachtingen na de eerste twee) was ik behoorlijk teleurgesteld. Dan krijgt onze man de kans om met een topproducer (de rechterhand van Daniel Lanois) te werken en ook nog eens een duet met Emmylou Harris op te nemen, en dan komt hij aan met ongeïnspireerde en vlakke nummers, alsof hij het idee heeft dat hij zich meteen maar naar de AOR-normen dient te schikken.

Sommige nummers zijn prachtig, zoals het openingsnummer (met de eerste maten die als een warm onthaal klinken), Perfect town en het titelnummer, maar bij de meeste andere nummers bekruipen me toch de twijfels. I'd much rather go out with the boys is een suffe rocker met een stomme tekst, All through the night is niet ontwapenend maar vreselijk klef ("Hey sugar baby I'm gonna teach you how to dance"?), en de eenzame echo van Blue eyes probeert zó overduidelijk te ontroeren dat het wat mij betreft volledig z'n doel voorbijschiet. En Nobody knows you, op zich een mooi nummer, maar hoe komt hij er dan toch bij om er plotseling "Glory glory hallelujah" tussendoor te gooien? Waar sláát het op om de refreinregel uit de Battle hymn of the republic –een hymne over de Amerikaanse Burgeroorlog!– in een intiem liefdesliedje te proppen?

Zelfs het fraaie slotnummer glijdt pijnlijk uit: Van Laere doet z'n gitaarwerk uitstekend en zingt ook een prima partij, maar dan komt Harris het nummer binnenzeilen met een hoeveelheid valse lucht waar Bono nog jaloers op zou worden ("Well maye bahhhby, we'll meet again somedahhhy…"). En persoonlijk vind ik het oeuvre van Van Laere ook wel wat te beperkt om zichzelf nu al te gaan citeren (in het ook muzikaal zouteloze Trying to get away, waar hij dan ook nog eens om onverklaarbare redenen de titel van een obscuur nummer van Dylan in gebruikt – of is dat koketteren met cult?). Nee, de zo natuurlijk aandoende Sturm und Drang van zijn eerste twee albums lijkt hij hier te hebben vervangen door maniërismen die mijzelf erg onnatuurlijk in de oren klinken.

Na dit album een paar jaar niet gedraaid te hebben denk ik dat ik hem nu een half sterretje beter vind dan toen, vooral omdat de tweede helft toch wel redelijk sterk is. Vanwege deze plaat ben ik opgehouden met Freebee te volgen, maar misschien moet ik zijn vierde album toch maar eens gaan opsnorren. Echt geweldig vind ik Wild dreams of new beginnings echter nog altijd niet.
 

Aerosmith - Pump (1989)

4,5
Een schoolvoorbeeld van hoe een gelikte produktie toch heel goed met een lekkere rock & roll-groove kan samengaan, natuurlijk ook wel een pietsie geholpen door perfecte composities, uitstekende arrangementen, karakteristieke zang die keurig balanceert tussen intens en overspannen, spaarzame maar effectieve blazers, een zeer gedetailleerd geluid vol kleine effectjes en opvulgeluidjes, onverwachte momenten van ontroering zoals de teksten van Jamie's got a gun en What it takes, en natuurlijk al die kleine muzikale left turns die het allemaal spannend houden zonder dat ze gezocht of gekunsteld aandoen, zoals het psychedelische outro van Love in an elevator, het accordeon-achtige geluid van What it takes en die rare introotjes bij diverse nummers. Kortom, het klinkt alsof de mannen gewoon ontzettend veel plezier hadden in de studio, en via tien geweldige nummers (zonder ook maar één enkele zwakke broeder) en een uitgekiende produktie wordt dat gevoel feilloos op de luisteraar overgebracht. De ultieme dampende feestplaat.

Aimee Mann - Whatever (1993)

4,5
Geen enkel slecht nummer, echt elk nummer heeft een ijzersterke melodie : ik lees elke titel en hoor meteen de bijbehorende melodie waarop die woorden gezongen worden in mijn hoofd, wat meer kun je je wensen? Wat een rijkdom.

Air - 10,000 Hz Legend (2001)

2,5
geplaatst:
Het is natuurlijk toe te juichen dat de mannen van Air hun grenzen proberen te verleggen en het handelsmerk waarmee ze beroemd zijn geworden (instrumentale analoge retro sfeertracks) niet tot een trucje willen laten verworden. De veelheid aan zangers en de langere speelduur van de nummers maken van deze plaat echter een enigszins gezichtsloze brei, en waar al die verschillende invloeden bij de ene plaat het effect van een rijke toverbal kunnen sorteren (Daft Punk bijvoorbeeld, om maar dicht bij maison te blijven) levert dat in het geval van 10,000 Hz legend vooral het effect op van een lappendeken met zóveel kleuren dat niets er meer uitspringt. Bovendien is door al die verschillende medewerkers het gevoel van intimiteit verdwenen, en dat was voor mij nu juist het sterke punt van deze band. Niet toevallig zijn het de nummers die nog het meest aan de eerdere Air doen denken (Radian en het slotnummer) die het meest bij mij losmaken, en Lucky and unhappy heeft een onweerstaanbaar synthbas-patroon, maar wanneer ik me dan ook nog ga storen aan dat Franse accent bij de Engelse uitspraak (“We are electronic pèrformers” “Shoot, use your gun...” waarvan ik eerst dacht ze “Shut... up” zouden gaan zeggen) besef ik dat deze plaat mij echt tegen de haren in strijkt.

Air - Moon Safari (1998)

5,0
Waarom weet ik nog zo precies op welke dag (zaterdag 14 februari 1998) en in welke CD-winkel ik dit album kocht? Vermoedelijk niet omdat het zo'n overdonderende indruk op me maakte, want daar is dit de muziek niet voor. Wel heb ik dit album eigenlijk al vanaf de aanvang bijna grijs gedraaid, want het is muziek voor op alle momenten van de dag: vrolijk, dromerig, sfeervol, enthousiast, slim, onschuldig en zeer afwisselend, en 23 jaar later blijkt dit album nog maar weinig van z'n verleidelijkheid te hebben verloren. Als hoogtepunten heb ik Talisman en Le voyage de Penelope (goeie titel) aangevinkt, allebei bijzonder melodieuze nummers met een zeer spannende opbouw, maar voor hetzelfde geld had ik het openingsnummer en You make it easy kunnen aanvinken, of willekeurig welk ander duo. Perfecte popmuziek die tegelijkertijd diep onder de huid kruipt en die appelleert aan onbenoembare gevoelens van weemoed en nostalgie maar zonder enige zwaarmoedigheid.
        Overigens, Remember bevat dan wel een drumsample van Do it again van de Beach Boys, maar wat ik in dat nummer vooral hoor zijn (al dan niet synthetische) strijkers (0:34, 1:15) die me elke keer weer aan ELO ten tijde van Out of the blue doen denken.

Air - Premiers Symptômes (1997)

5,0
Nooit geweten dat de oorspronkelijke CD slechts uit de eerste vijf nummers bestond – voor mijn gevoel was ik er snel bij om deze te kopen, maar dat zal dus niet zo zijn geweest. Ik ontdek ook nu pas dat deze compilatie kennelijk al vóór Moon safari is uitgekomen in plaats van daarná zoals ik altijd had gedacht (want op mijn CD staat "P & C 1999"). Le soleil est près de moi kende ik al iets eerder, volgens mij via een gratis verzamel-CD die ik bij de VPRO-gids kreeg, maar ook daarbij kan mijn geheugen mij bedriegen.
        Hoe dan ook, zelfs de oorspronkelijke en vrij korte CD (of mini-album zo je wilt) krijgt van mij de maximum waardering, want alles hierop is al van hetzelfde niveau als dat veelgeprezen langspeeldebuut, met lekkere ouderwetse synths, mooie melodieën, een ontspannen sfeer, een uitnodigende dromerigheid en een prachtig warm geluid. Ik kan er ook bijna onbeperkt naar luisteren; vanwege mijn interesse in diverse andere soorten muziek heb ik dat de afgelopen jaren nauwelijks gedaan, maar zodra ik dit opzet word ik weer betoverd. Ik herinner me dat ik dat indertijd bij Moon safari en The virgin suicides eveneens had, benieuwd of dat nu nog steeds zo is. En Le soleil est près de moi blijft net zo buitenaards mooi als toentertijd.
        De twee bonustracks op mijn uitgave (Californie en Brakes on) vallen qua sfeer enigszins buiten de boot (hetgeen achteraf dus verklaarbaar is), maar zijn absoluut niet slecht.

Air - Talkie Walkie (2004)

2,0
geplaatst:
Deze plaat doet aan alsof... ik zeg niet dat het zo ís, maar het doet aan alsof... Air na de teleurstellende verkoop van 10,000 Hz legend terug wilde naar de onschuld van Moon safari, maar die onschuld is niet op bevel terug te halen of op te roepen. Misschien maakten ze die debuutplaat wel onbevangen en zonder enige bijbedoeling, en toen iedereen daarna riep: "O, wat een mooie onschuld!" dachten ze: nou, laten we voor Talkie walkie dat sprookjesland dan nóg maar eens bezoeken. Maar de toegangswegen zijn inmiddels versperd en de poort is dicht, en de pogingen om de oude magie weer op te roepen doen geforceerd en gekunsteld aan, ook al omdat ik maar weinig pakkende melodieën hoor. Of zijn die er wel maar gaan ze ten onder aan de flauwe arrangementen en de melige zangpartijen?
        Maar goed, zo ervaar ík het. Toen dit album uitkwam vond ik het een verbetering ten opzichte van het taaie 10,000 Hz legend, maar na de eerste maand is het eigenlijk nauwelijks nog uit mijn platenkast tevoorschijn gekomen, en nu ik het jaren later weer eens draai begrijp ik ook waarom. Zoals gezegd ligt dat misschien ook wel helemaal aan mij, maar als ik Mike Mills nou vergelijk met Talisman... (Indertijd overigens gekocht als dubbeluitgave met een live-DVD met vijf nummers, Air aangevuld met een toetsenist + ritmesectie onderweg in een tourbus, zeer psychedelisch gemonteerd maar best de moeite waard.)

Air - The Virgin Suicides (2000)

5,0
Ik leerde dit album kennen vèr voordat ik de film ooit zag, maar dat was wat mij betrof geen enkel punt omdat ik de nummers gewoon stuk voor stuk en zonder uitzondering sterk, beklemmend en spookachtig mooi vond. Toen ik later de film zag vond ik die een beetje tegenvallen, maar terwijl de beelden daarvan grotendeels zijn weggezakt is de soundtrack volledig overeind gebleven. Het probleem dat ik heb met veel apart (dus los van de film) beluisterde soundtracks is dat er zo vaak sprake is van een beperkt aantal thema's die in steeds verschillende arrangementen en sferen terugkomen, zodat ik bijvoorbeeld een soundtrack van 50 minuten voor mezelf terug kan brengen tot een 10 minuten lange compilatie van de beste versies van elke thema. Van de (toegegeven, weinige) soundtracks die ik ken lijden de meeste aan dit euvel, maar Ryuichi Sakamoto's Merry Christmas Mr Lawrence is een uitzondering omdat daar elk muziekstuk –herhaald thema of niet– sterk is, en voor The virgin suicides geldt wat mij betreft hetzelfde: ik vind het hele album van a tot z sterk, beklemmend en spookachtig mooi, nog steeds, en dus ook los van de film. De orgeltjes, xylofoons en geluidseffecten vragen natuurlijk om de meeste aandacht, maar het lekkere en geweldig klinkende drumwerk en de soepele baspartijen zijn voor mij daarbij even belangrijk.
        Tot slot, niemand hier vermeldt het, dus doe ik het maar even: op de Engelse wikipedia lees ik een leuk feitje dat wordt bevestigd door MusicMeter. Wanneer ik in bovenstaande tracklisting bij het eerste nummer op Gordon Tracks klik, blijkt dat een pseudoniem te zijn van Thomas Mars, de zanger van de Franse band Phoenix (mij persoonlijk onbekend, maar hun zes albums hebben hier op MusicMeter samen 761 stemmen).

Airbag - The Greatest Show on Earth (2013)

3,0
Deze plaat bevalt me beter dan Identity, al was het alleen maar omdat er nu veel meer dynamiek en agressie in de muziek zit. Helaas blijft voor mij de Pink Floyd-invloed veel te duidelijk aanwezig, en diverse nummers lijken haast niet meer dan voorwendselen om weer zo'n hypnotiserende Gilmour-gitaarsolo ten beste te geven. Het lange slotnummer maakt nog de meeste indruk, maar als daar dan zelfs twéé Gilmour-explosies in zitten (eerst op 5:38, daarna op 13:34) houd ik het toch voor gezien. Het is absoluut niet slecht, maar ik stoor me er gewoon aan dat ik geen nummer kan beluisteren zonder aan de naam van een andere band te moeten denken, net zoals ik had bij Wobblers Rites at dawn en Yes.

Al Di Meola - Elegant Gypsy (1977)

4,0
geplaatst:
Heerlijk afwisselende plaat met zwiepende gitaarpartijen die voor mij enkel wordt ontsierd door dat gedateerde gefriemel op die synthesizer (op bijvoorbeeld het eerste en het laatste nummer) en doordat sommige nummers (met name het eerste en het vierde) een beetje uitgaan als een nachtkaars. Di Meola speelt af en toe sneller dan het geluid maar kan op andere momenten lekker onderkoeld klinken, en ook voor wie niet per se in jazzrock thuis (of geïnteresseerd) is werkt dat bijzonder goed. Fijne totaalsound ook.

Al Di Meola / John McLaughlin / Paco de Lucía - Friday Night in San Francisco (1981)

Alternatieve titel: Live

3,5
Altijd virtuoos en ook heel vaak erg mooi, maar toch ook wel met diverse momenten waarop de riedeltjes en de maximumsnelheid de oorspronkelijke melodieën en het luisterplezier een beetje overschaduwen. Daarom voor mij ook niet een plaat voor alle momenten van de dag, hoe heerlijk ik sommige passages ook vind.

Al Green - Al Green's Greatest Hits Volume 2 (1977)

Alternatieve titel: Greatest Hits Vol. 2

3,0
Allemaal wat minder dan deel 1, met veel funk- en disco-invloeden, maar toch ook wel weer een paar fraaie nummers, waaronder Take me to the river (voor veel mensen misschien bekender van het tweede Talking Heads-album), en sowieso eigenlijk al verplicht vanwege het absoluut briljante Love and happiness.

Al Stewart - Modern Times (1975)

5,0
Tja, waarom werd Modern times géén hit en de opvolger wèl? De enige echt steekhoudende reden die ik kan verzinnen (of je moet geloven in zoiets als "perfect aansluitend op de tijdgeest) is dat deze plaat geen hits opleverde, terwijl Year of the cat juist twee uitstekende uithangbordjes had in de vorm van On the border en het titelnummer. Aan de kwaliteit kan het mijns inziens niet liggen, want dit zijn toch stuk voor stuk perfecte liedjes met de nadruk afwisselend op pop, folk en episch, en tussen de acht composities zit echt geen enkele die zich niet al na een paar draaien in mijn geheugen genesteld had – sterker nog, ik hoorde deze plaat eind jaren 70 misschien twee of drie keer bij een vriend van toen, en dertig jaar later zoemden sommige van de melodieën nog stééds in mijn hoofd rond. Bovendien zijn de arrangementen net zo rijk als op (bijvoorbeeld) Year of the cat, vooral wat betreft de manier waarop piano en gitaar elkaar aanvullen in de klankkleur. In het boekje bij de CD vertelt Stewart hoe zijn toenmalige manager vertelde dat "it was all about getting good guitar solos. If we got that side sorted, then we were on our way in terms of making sure this album sold." En met het snarenspel zat het wel snor, zoals Stewart in de daaropvolgende zin stelt: "So, we were lucky in having Tim Renwick playing so brilliantly."
        En zo is het maar net, want zowel bij de "fills" als bij de solo's geeft Renwicks heldere en licht afgeknepen gitaarspel een extra dimensie aan de muziek. En dan zijn daar nog Stewarts teksten, nooit simpele boy-meets-girl/you-blue-too-refreintjes maar altijd verhaaltjes, observaties of sociale schetsen die echt ergens over gaan, nooit vage situaties maar altijd specifiek en soms voorzien van pijnlijk scherpe details zoals in de door mij aangevinkte favoriete Not the one en Apple cider re-constitution. Kortom, wat mij betreft is deze plaat van Al Stewart eigenlijk net zo sterk als Year of the cat, en de romantische insteek van zijn teksten (romantisch niet in de zin van amoureus maar eerder Sturm und Drang, de weemoed van het verleden, het zoeken van je eigen plaats in de wereld, je identiteit als queeste) kan ook een oudere luisteraar nog aanspreken en ontroeren.

Al Stewart - Year of the Cat (1976)

5,0
Op de studentenvereniging waar ik indertijd lid van was stond het cassettebandje met dit album zo ongeveer in een eeuwige loop (inderdaad, for infinity), samen met Hotel California, Wish you were here en City to city – als iemand langer dan twee seconden twijfelde wat er nu weer eens op moest schalde bijna automatisch één van die vier platen door de bar. Year of the cat heb ik daarna jarenlang niet meer gehoord, maar toen ik hem dan eindelijk weer eens draaide merkte ik tot mijn verbazing dat hij frisser dan ooit klonk en dat ik hem ondanks die tientallen luisterbeurten eigenlijk nog altijd niet zat was.
        En dat is feitelijk geen wonder. Negen nummers die stuk voor stuk compositorisch uitgekiend in elkaar zitten met ijzer-ijzersterke melodieën, zeer afwisselende arrangementen met slimme pianootjes, scherpe gitaarsolo's en bedwelmende orgels, teksten waarin Stewart zijn meesterlijke mix van geschiedenis, romantiek en mysterie perfect tot uiting kan laten komen, geproduceerd met een vol en warm geluid en verpakt in een kleurrijke en direct aansprekende hoes waarmee je alle kanten uit kan. Na Modern times heb ik ook dít album weer voor de zoveelste maal ontdekt, en ook nu ben ik hem nog steeds niet zat – dit moet toch wel één van de meest afwisselende en van levendigheid doorstroomde platen zijn die ik ken.
        Mijn twee favoriete nummers zitten helemaal op het einde : natuurlijk het zwoele titelnummer met die drie solo's op rij, maar daarvoor nog het sfeervolle One stage before met dat mysterieuze orgeltje. Toch ook nog even aandacht voor het nummer dáár weer voor, Broadway Hotel met dat instrumentale slot waarin de viool een solo in ¾ speelt terwijl de drums een 4/4-tempo aanhouden. En dáár weer voor... maar nu houd ik op, want elk nummer van dit album zou op bijna elke andere plaat een kandidaat voor een vinkje zijn, ook na honderd keer luisteren.

Alan Parsons - Eye 2 Eye (2010)

Alternatieve titel: Live in Madrid

3,5
Net als de andere twee liveplaten die ik van APP ken (The very best – live en de prima klinkende bootleg opgenomen in het Riverbend Music Theatre in Cincinnati, Ohio op 24 augustus 1995) voegt dit materiaal weinig toe aan de studioplaten zonder daarmee echter meteen overbodig te zijn. Het grote minpunt van dit album vind ik de zangpartijen, want de zangers halen hier vrijwel nergens het niveau van hun studiovoorbeelden, en daarmee halen ze soms echt de angel uit het nummer (bijvoorbeeld op Can't take it with you, Time en (The system of) Doctor Tarr and professor Fether). Grappig genoeg kan ik de door Parsons zelf gezongen versie van Don't answer me wèl goed smaken, hoewel ik het origineel (met zang van Woolfson) juist één van de mooiste nummers van het APP vind : kennelijk is de compositie zó sterk dat Parsons' toch niet bepaald spectaculaire zang daar niet wezenlijk afbreuk aan kan doen. (Komisch einde aan dat nummer trouwens, dat akkoordenreeksje van Let it be, net zoals ik aan het begin van Sirius na de introductie van alle muzikanten even de vier gitaarnootjes van Shine on you crazy diamond denk te horen.) En tegenover de matige zang staat de muziek die bij tijd en wijlen behoorlijk spettert : drummer Steve Murphy houdt er goed de wind onder en gitarist Godfrey Townsend legt veel vuur in zijn spel, hetgeen ervoor zorgt dat ik zelfs waardering op kan brengen voor nummers waarvan ik de studio-versie maar zo-zo of zelfs vervelend vond (Psychobabble, Damned if I do). Daardoor is dit al met al toch wel een degelijke liveplaat.

Alan Parsons - The Very Best Live (1995)

3,5
Raar, opeens een liveplaat van een band die was opgezet als studioproject, en dan ook nog eens met andere zangers op het leeuwendeel van de nummers (logistiek vermoedelijk niet anders te doen vanwege de financiën). Het lijkt ook wel alsof Parsons wilde benadrukken hoezeer deze muziek in de studio is geperfectioneerd, want het publiek laat zich misschien wel gelden maar lijkt grotendeels weggemixt te zijn, zodat ik als luisteraar weinig merk van de live-ambiance. Dat gezegd hebbende is dit verder absoluut geen slechte plaat, met een mooi gevarieerde setlist en stevige vertolkingen van de verschillende muzikanten, waarbij Chris Thompson ook bepaald niet de slechtste zanger is die Parsons uit zijn "stal" had kunnen meenemen (de rafel in zijn stem doet op Limelight zelfs Gary Brooker vergeten). Van Gary Howard ben ik helaas minder gecharmeerd, maar ook hij maakt het beste ervan, en zelfs Old and wise kan hij acceptabel over het voetlight brengen. Opmerkelijk is ook You're gonna get your fingers burned, hier een stevig hoogtepunt met een ijzersterke gitaarsolo, terwijl ik de studioversie op Eye in the sky toch uitermate vervelend vond. Zo is dit al met al een aardige en aparte live-registratie die dankzij de andere zangstemmen toch wel iets toevoegt.
        Wat de drie studionummers betreft, When heeft een mooi melancholisch couplet maar een beetje grof refrein, Take the money and run is niet slecht maar doet me niet veel (hoewel die gitaarsolo er wel lekker invliegt), en omdat ik vandaag in een grootmoedige bui ben zal ik voor You're the voice voor déze keer geen puntenaftrek in rekening brengen.

Albert King - Born Under a Bad Sign (1967)

3,5
Tja, dit is natuurlijk een goede plaat met prima solo's, sterke composities en een ideale begeleidingsband, maar op de een of andere manier hoor ik hier de "klassiekheid" toch niet aan af. Ik vind het vooral een lekkere plaat, soepel bewegend en met een warm en ademend geluid, maar de kwalificatie van "one of the very greatest electric blues albums of all time" (All Music Guide, 5*) zou ik hierop toch niet van toepassing achten, daarvoor is het voor mij meer ambachtelijk dan gedreven en knallen er voor mij te weinig nummers uit (om nog maar te zwijgen van dat desastreuze slotnummer inclusief oubollige saxsolo waar King doorheen gaat lopen mummelen). De Stax-remaster uit 2013 is zeker de moeite waard vanwege het zoals gezegd warme en ademende geluid (hoewel Crosscut saw een enigszins rare mix met de zang vèr naar achteren heeft, maar misschien was dat oorspronkelijk ook al zo), maar de bonustracks voegen voor mij niet zoveel toe (met uitzondering van de alternate take van Personal manager vanwege het afwijkende arrangement). En natuurlijk leuk om de originelen te horen van de nummers die in andermans versies bekender werden. Ik blijf dit album nog wel even proberen, maar vooralsnog is de echte vonk nog niet overgesprongen.

Alexis Korner - The Roots of UK Rock 'N' Roll (2013)

4,5
Deze goedkope compilatie put eigenlijk alleen uit Korners vroegste (maar in historisch opzicht ook wel belangrijkste) werk. De eerste twaalf tracks vormen samen het integrale album R&B from the Marquee uit 1962, een mijlpaal (want het eerste Britse album) in de geschiedenis van de Engelse blues. Van de overige opnames stammen er drie uit de eerste helft van de jaren 50 toen Korner in de skifflegroepen van Beryl Bryden en Ken Colyer speelde, en de overige nummers komen uit 1957 en 1958, toen hij met eerst de Alexis Korner Breakdown Group en daarna de Alexis Korner Skiffle Group (steeds ook al met zanger en mondharmonicaspeler Cyril Davies aan boord) een aantal EP's maakte. Hoewel dat materiaal vaak meer in de folk- en skiffle-traditie zit (mede vanwege het "washboard" van Mike Collins) en er ook een aantal echte folktraditionals tussen zitten (met name Boll weevil en Skip to my Lou), begint de blues in de latere nummers toch al duidelijk door te schemeren, zoals aan "zwartgalliger" titels als County jail, Death letter en National defence blues af te lezen valt. Zo is deze verzameling tegelijkertijd een mooi stukje Britse muziekgeschiedenis èn een leuke opmaat naar R&B from the Marquee, met tussendoor nog een paar pareltjes zoals Ken Colyer's prachtige versie van K.C. moan (oorspronkelijk een "prisoner's worksong" van de Amerikaanse Memphis Jug Band uit 1929). Een prima compilatie met uitstekend geluid maar (helaas) minimale annotatie.

Alexis Korner's Blues Incorporated - R&B from the Marquee (1962)

4,0
Mooie inleiding van mijn enige voorganger. Wat daar nog aan toe te voegen? De All Music Guide beschrijft Alexis Korner en Cyril Davies als "maybe the first two Britons to play blues", en Discogs noemt deze band "undoubtedly the master UK root that helped form the family tree of today's British blues and rock music direction." Dit in één enkele dag (8 juni 1962) opgenomen album geldt als de eerste Britse bluesplaat; waar John Mayall (die andere voorouderlijke gigant van de Engelse blues, bluesrock en R&B) een paar jaar later met een elektrische gitaarsound zou komen, hanteert Korner hier zelf nog vooral een akoestische of semi-akoestische gitaar tegenover een ritmesectie met contrabas en jazzy drums, en legt hij het zwaartepunt vooral bij de solo's van de mondharmonica van Cyril Davies en de tenorsax van Dick Heckstall-Smith. De uitstekende muzikanten (inclusief Long John Baldry als zanger op drie nummers), het hoorbare enthousiasme en de aardige mix van covers (waaronder drie composities van Willie Dixon, één van Big Bill Broonzy en één van Preston Foster) en originals van Korner en Davies houden de plaat gedurende bijna de hele lengte spannend, en mede dankzij het heldere en aangename geluid kun je aan deze plaat lang niet altijd z'n leeftijd afhoren. Nog altijd leuk en fris.

Alice Cooper '80 - Flush the Fashion (1980)

3,0
Alice goes synthipop, maar tot mijn grote verbazing werkt het ook nog, met aardige nummers, puntige arrangementen en vooral bijzonder grappige teksten:

"Aspirin damage, aspirin damage
Kills the pain but destroys the brain
No one told me 'bout aspirin damage
Sometimes I find myself shakin' from the medication taken"
(uit Aspirin damage)

Jammer dat de tweede helft van het album in elkaar stort, alsof de goede nummers en de inspiratie op zijn.

All Traps on Earth - A Drop of Light (2018)

3,5
Ja, die vele beluisteringen, die zijn wel nodig, met al die tempowisselingen, onverwachte blazers, zware King Crimson-ritmes, boven alles uit stijgende woordloze stem en vele melodieën die niet altijd terug lijken te keren. Sommige passages klinken als prog, andere stukken doen eerder aan jazz of de Canterbury-scene denken, en het sterkste vind ik deze plaat wanneer die twee elementen een mooie nieuwe mix opleveren, zoals vanaf minuut 3 op Omen of tijdens de laatste minuten van het slotnummer. Als geheel is dit album echter wat te abstract voor mijn smaak, ik hou wat meer van iets duidelijker songstructuren, en waar die afwezig zijn worden vier nummers van tussen de 13 en de 18 minuten wat te lang om mijn aandacht steeds vast te kunnen houden. En die operateske stem van Miranda Brand trek ik ook niet goed : ze mag dan wel "a magical and unique voice and an authority that cuts through all layers of complexity on the album" hebben volgens haar vader, maar de hoeveelheid drama die ze aan de toch al topzware muziek toevoegt gaat mij wat te ver. Mooi boekje trouwens, maar jammer dat Brand wel een lange inleiding in het Engels heeft geschreven, inclusief een stukje over waar de tekst van Bortglömda gårdar over gaat, maar dat hij dan de tekst van dat nummer wel in het Zweeds maar niet ook in een Engelse vertaling in het boekje heeft opgenomen.

Alquin - Best Kept Secret (1976)

3,0
Een logisch vervolg op Nobody can wait forever met nu ook wat accentjes uit de funk, en dat is helaas niet mijn favoriete genre. Het lange instrumentale tussenstuk van Fool in the mirror waarin zo weinig gebeurt (behalve het opwekken van ergernis met die vervelende vervormd-sissende hi-hat) en het melige intro van One more night doen mij echt helemaal niets, en dat zijn toch zo flink wat minuten die van de speelduur kunnen worden afgetrokken. Bovendien wordt de Amerikaanse kaart wel erg vaak getrokken, met titels die ofwel Amerikaans aandoen (Central Station hustle, L.A. rendez-vous) ofwel gewoon stoer moeten overkomen (High rockin', One more night with the Deadcenter Boys), grotestadsteksten ("All those car, city lights, kept flashing their shadows on me", "Hang loose baby, wanna give it a spin, you know it's worth every minute", "You say you don't know my name, how come you got my number?", "I see you flashing through the city and you was speedin' like a silver flame") en stevige slidegitaren op One more night en Take any road.
        Feit is echter ook dat de nummers regelmatig een onverwachte musical left turn nemen: dat prachtige intro van Fool in the mirror, het wegstervende gitaar-outro van High rockin', het akoestische tussenstuk met fluit van One more night, het ijle tussenstuk van het prachtige slotnummer – zo houden ze de muziek toch weer spannend en apart. Gemengde gevoelens dus; de funk en die Amerikaanse toets hoeven voor mij niet, maar met de composities is niets mis en het muzikale vakmanschap is wederom boven elke twijfel verheven. Een slechte plaat kan ik het dus zeker niet noemen, maar het oorspronkelijke karakter van Marks en The mountain queen is enigszins verloren gegaan, en de Amerikaanse variant die ervoor in de plaats is gekomen doet mij niet zoveel.

Alquin - Marks (1972)

4,5
Het leuke van Alquin vind ik het vrije, speelse en ideeënrijke dat op dit debuut zo in hun muziek overheerst. De eerste drie nummers bijvoorbeeld bevatten samen wel vijftien verschillende passages en melodieën die toch allemaal bij elkaar horen, zodat voor mijn gevoel die eerste veertien minuten samen één lang maar enorm afwisselend nummer vormen. Gek genoeg kies ik hier de kortere nummers als favorieten, hoewel I wish I could de volle elf-en-een-halve minuut boeiend blijft en dus in feite veel meer muzikale schoonheid biedt, maar in dit geval volg ik meer mijn "gut feeling". De zang vind ik adekwaat en met de slechte Engelse uitspraak heb ik verder geen problemen, dus die leveren geen puntenaftrek op; op You always can change vind ik de ietwat hese en intieme zang zelfs een duidelijk pluspunt – als je in het begin van I wish I could Pink Floyd (Echoes) hoort, dan hoor ik in You always can change Graham Nash. Marc's occasional showers is na het openingsnummer voor mij een tweede hoogtepunt, eerst met dat stevige intro met slaggitaar en sax die om de aandacht strijden en daarna die ijle saxofoonsolo die mij altijd doet denken aan dat fantastische instrumentale gedeelte van Roxy Musics If there is something. Het enige mindere nummer van de plaat vind ik Mr. Barnum, dat een beetje flauw is en eigenlijk nergens heen gaat (en voor mij is het dus ook wel begrijpelijk dat dát het nummer was dat van de 2-on-1-CD uit 1990 werd weggelaten), maar dat is dan ook de enige smet op deze verder geweldig leuke en vrolijk stemmende plaat.

Alquin - Nobody Can Wait Forever (1975)

4,0
Kijk, zo doe je dat dus wanneer je meer de kant van de rock op wil maar je toch ook je oudere symfonische fans niet van je wilt vervreemden : je opent je plaat met een prachtig stukje symfo, dan schakel je halverwege om naar een stevig rocknummer, maar dat doe je zó goed en zó swingend (en toch ook zó apart, met breaks hier en daar plus een fraaie fluitsolo) dat je beide kampen meer dan voldaan achterlaat. Michel van Dijk brengt met zijn stem en zijn frasering dezelfde swagger als Herman Brood een paar jaar later (en wanneer ik hem in combinatie met de sax en dat dameskoortje hoor moet ik regelmatig ook echt aan de Wild Romance denken), en de band houdt de mix van stevige maar toch ook subtiele rock met symfonische oprispingen en blazers het hele album door vol. Geweldige muzikanten zijn dit toch ook; met name de gitaar en de sax vallen op, maar ik moet bekennen dat ik de viool van de vorige platen wel een beetje mis. En de Thunderthighs, ach, ik heb nooit zoveel met zulke dameskoortjes, maar ik vind ze hier niet storen (hoewel ik het ook best zònder hen had kunnen stellen – maar ja, tegen een koortje dat ook op Lou Reeds Transformer zong zeg je natuurlijk niet zo gauw nee).

Alquin - The Mountain Queen (1973)

4,5
Nog net zo fris als het debuut en met zonder uitzondering sterke composities. Uiteraard vragen de drie lange nummers om de meeste aandacht (de twee allerlangste staan bij de Statistieken dan ook met grote voorsprong op de eerste twee plaatsen van de Favoriete Tracks, en ik doe daar aan mee), maar de korte stukken mogen er ook zijn, met Soft-eyed woman dat me aan Focus doet denken (een gitaarnummer met fluitsolo, mooi idee) en Convicts of the air met dat hypnotiserende "vooruit-echoënde" gitaarnootje en dat einde met sax, fluit en (even later) elektrische gitaar in unisono. Sowieso voelt dit album als meer gitaar-georiënteerd aan, hoewel ik het moeilijk zou vinden om dat "cijfermatig" hard te maken – misschien hebben de toetsen en de blaasinstrumenten wel evenveel speeltijd, maar wat bij mij beklijft is de indruk van een iets belangrijker rol voor de gitaar, zowel ten opzichte van Marks als in verhouding tot de overige instrumenten op dit album. Hoe dan ook zorgen al die verschillende melodie-instrumenten (gitaar, piano, orgel, fluit, sax, viool) er voor dat ook deze tweede plaat weer enorm kleurrijk en afwisselend is, hetgeen ook een zeer hoge draaibaarheidsfactor in de hand werkt. Zoals gezegd een foutloze plaat, maar mijn favoriete passage wordt toch gevormd door de subtiele manier waarop het openingsnummer door de laatste wegstervende anderhalve minuut wordt afgebouwd, inclusief vanaf 12:30 die prachtige glissando-nootjes van de gitaar.