MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten BoyOnHeavenHill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Daft Punk - Discovery (2001)

poster
5,0
Krankzinnige mengeling van disco, house, seventies en synthpop. Het enige wat deze plaat gemeen heeft met Homework is het grenzeloze plezier dat bij beide platen uit alle groeven spat, het plezier van de makers met (en om) al hun hilarische invallen èn het plezier van de luisteraar die een uur lang de meest wonderbaarlijke muzikale salto's mee mag maken. Digital love bijvoorbeeld: dat infaden van het intro, dan het neptrompetje op 1:28 na het tweede "Oh, I don't know what to do", dan op 2:45 een pianootje à la Dreamer van Supertramp, en dan die overspannen talkbox-solo – doordat de ideeën zo over elkaar heen stuiteren wordt elke seconde spannender. En natuurlijk duurt Too long te lang, maar er is een eenvoudige remedie: druk op full repeat. Onbeperkt draaibaar.

Daft Punk - Homework (1997)

poster
4,5
Mijn eerste herinnering aan Homework : ik sta in een CD-winkel om deze plaat naar aanleiding van een lyrische recensie te beluisteren, en bij het doorskippen kom ik uit bij Rock 'n roll, en ik schiet spontaan in de lach bij het horen van die stupide begin-"drums" : zo grappig om een nummer op die manier te beginnen, en dat je het aandurft om zoiets meligs als intro te gebruiken duidt dat er al op dat op deze plaat alles kan (en mag). Homework is voor mij altijd de ultieme feestplaat gebleven, ook 23 jaar later, net zoals de herinnering aan hoe grappig ik de twee geweldige videoclips bij Da funk en Around the world vond nog vers is. Net niet de volle 5* omdat na de geweldige eerste helft van de CD de tweede helft tegen het einde een beetje gaat slepen (ook al is Alive dan een geweldige en verrassend donkere bijna-afsluiter), maar het blijft een ontzettend leuke, levendige en frisse plaat die ik eigenlijk stiekem wel in de top-250 zou verwachten.

Daft Punk - Human After All (2005)

poster
4,0
Vroeger hè, in die goeie ouwe tijd, toen was het nog makkelijk, toen werd een nummer gewoon vernoemd naar de belangrijkste refreinregel, dus als je dan de titel zag herkende je het nummer meteen en kon je het gelijk meezingen. Maar toen kwamen dus al die psychedelici met hun lange haren en hun rare sigaretjes, en prompt kregen nummers titels die in het refrein of soms zelfs in het hele nummer niet meer voorkwamen. Ik bedoel maar, Space oddity, Immigrant song, Firth of fifth, Unfinished sweet, Bohemian rhapsody, Sketches of Spain, Suedehead, Smells like teen spirit, dat is toch wel wat anders dan I can't get no satisfaction en Smoke on the water en Blitzkrieg bop, toch? En dan heb ik het nog niet eens gehad over Elderly woman behind a counter in a small town ! Dus voor een mens op leeftijd zoals ik is het soms knap lastig om me te herinneren welk liedje ook al weer bij een bepaalde obscure titel hoort ("Mooi nummer is dat hè?" "Wacht even, hoe gaat dat ook al weer? Ik moet het eerst even horen").
        Om de een of andere onverklaarbare reden heb ik daar bij dit album totaal geen last van.
        Los van die "teksten" bestaat elk nummer van dit album in mijn ervaring uit precies één riff, en bijna elk nummer klinkt alsof de mannen van Daft Punk die ene riff tot aan de grens van de verveling wilden gebruiken, om dan vervolgens óver die grens heen te gaan en de riff tot voorbij het aanvaardbare uit te melken. En waar mij dat de eerste keren al halverwege het album ontzettend ging tegenstaan, kan ik er inmiddels niet alleen de lol wel van inzien maar heeft het ook een zeker verslavend effect op mij, alsof ik in slaap word gewiegd zonder dat ik doorheb dat het hier eigenlijk om hypnose gaat. Merkwaardig hoe een plaat die niet uitblinkt in variatie toch nergens gaat vervelen. De kracht van een ultieme riff, of het meesterschap van Thomas Bangalter en Guy-Manuel de Homem-Christo?

Daft Punk - Random Access Memories (2013)

poster
3,5
Tegelijkertijd een stap terug en een stap voorwaarts: na de robotica van Human after all een terugkeer naar de feestelijke pop-disco-synthi-futuro-toverbal die Discovery heette, maar nu alles nóg groter opgezet en met het heerlijke organische geluid van grotendeels echte instrumenten (funky gitaartjes, slissende drums, warme bas en af en toe zelfs een prachtige steelgitaar!).
        Minpuntje is dat er wat mij betreft wat te veel softpop-achtige ballades op te staan, waardoor de te vaak op niets trekkende teksten (The game of love, Lose yourself to dance, Beyond, Doin' it right) te vaak in het oog vallen; wat meer Harder better faster stronger of Contact of desnoods Lose yourself to dance was wat mij betreft welkom geweest. Maar ik heb dan ook totaal geen affiniteit met jaren-70-disco en –funk, zodat het eigenlijk überhaupt al een wonder is dat ik deze band zo'n warm hart toedraag.

Dan Fogelberg - Captured Angel (1975)

poster
4,5
Voor mij het beste album van Dan Fogelberg: geen sentimentele of overdadige uitschieters, kort en krachtig, een mooi vol geluid met vele gitaarpartijen, en sterke composities. Enige probleem is dat ik niet weet wat nu zijn all-time favoriete nummer is voor mij: Old Tennessee of The last nail. Mooie plaat om zijn oeuvre mee te beginnen.

Daniel Lanois - Acadie (1989)

poster
5,0
Meerdere malen ben ik begonnen om hier een bericht over op te stellen, maar de ene keer probeerde ik te beschrijven hoe de instrumenten in elkaar grepen zodat ik steeds verder afdwaalde van de atmosferische indruk die dit album op mij maakt, de andere keer probeerde ik juist die sfeer te vangen maar verloor ik me in sensitivistische impressies alsof ik een verdwaalde Tachtiger was, en wanneer ik vergelijkingen ging trekken met andere platen of bands waarvan de muziek of de sound op een bepaalde manier appelleert aan diepliggende maar niet te duiden gevoelens (Underworld, New Musik, Astral weeks) kom ik terecht bij veronderstellingen die ik eerder bij Carl Gustav Jung dan bij MusicMeter zou moeten deponeren.
        Laat ik volstaan met te zeggen dat deze plaat het gelukkig niet alleen van de produktionele vaardigheden van Lanois, Eno en Malcolm Burn moet hebben, omdat de composities, de teksten, de instrumenten, de arrangementen en de zang evenzeer bijdragen aan de totaalindruk, maar dat aan de andere kant juist die produktie de muziek een absolute meerwaarde geeft. In feite kun je de produktie ook niet eens loszien van de muziek, want hoe zouden bijvoorbeeld de intro's van Fisherman's daughter en White mustang II klinken als er iemand anders achter de knoppen had gezeten?
        Er staat hierop voor mij geen enkel nummer waarop de aandacht wegvalt, maar de hoogtepunten zijn The maker en Ice. Van dat laatste nummer koester ik nog altijd een zeven-en-een-halve-minuut lange versie van het concert dat Lanois op 1 februari 1990 in Paradiso gaf en waarvan een deel door de radio werd uitgezonden.

Daniel Lanois - Belladonna (2005)

poster
3,5
Ongelooflijk, ruim dertien jaar niets geschreven bij dit album – maar dat laatste bericht is dan ook meteen het zinnigste van de maar liefst 13 die aan het mijne voorafgaan. Bij instrumentale sfeermuziek ligt altijd het gevaar van vrijblijvendheid op de loer, en heel soms lijken sommige stukjes van dit album daar ook in te verzanden, maar de zorgvuldigheid waarmee de arrangementen, de sound en de vervormingen zijn opgebouwd zorgt er toch voor dat ik bij de les blijf, en bovendien zijn de meeste nummers wel zó kort dat de verveling (althans bij mij) geen kans krijgt om toe te slaan (behalve misschien bij het laatste nummer, dat teveel op soundscape leunt en te weinig op de minimale melodie). Namen die af en toe door mijn hoofd schieten zijn die van Calexico en (de filmsoundtracks van) Ry Cooder, maar dan raakt Belladonna me toch dieper, en zoals ik in mijn bericht van Shine al zei, mijn "probleem" is dat I'm just a sucker for that sound. Geen vijf-sterren-plaat zoals Lanois' eerste drie albums, maar zeker ook geen muzikaal behang, en waar hoor je nou ooit een steelgitaar bovenop een reggae-ritmesectie?

Daniel Lanois - For the Beauty of Wynona (1993)

poster
5,0
Sommige nummers hiervan hadden zó op Acadie kunnen staan (The collection of Marie Claire, The unbreakable chain, Sleeping in the Devil's bed), maar aan dingen als Brother L.A., Death of a train, Indian red en het titelnummer merk je daarentegen dat dit een wezenlijk andere plaat is, duisterder, harder, minder vreedzaam en met meer explosiviteit en scherpte. Er komt regelmatig een lekker harde sologitaar doorheen (echo's van Neil Young op Death of a train en Lotta love to give), Lanois is krachtiger en met meer zelfvertrouwen gaan zingen (met dank aan Darryl Johnson die "taught me to bring my vocals to another level" volgens het boekje), er zit regelmatig een heel effectieve tweede stem achter (met name op de prachtige opener), en de wandelende bas en de donkere percussie geven de muziek soms een onheilspellende ambiance (o, dat titelnummer...). En bij dat alles blijft de sound ongewoon rijk en gedetailleerd zonder dat de composities daardoor "overwhelmed" worden, zodat ik regelmatig zit te rillen onder mijn koptelefoon, soms vanwege de spanning (The messenger, Death of a train), soms vanwege de "uplifting" gevoelswaarde van bijvoorbeeld Lotta love to give en het slotnummer. Het is, kortom, een bijna totaal andere plaat uit dezelfde koker, en even indrukwekkend.

Daniel Lanois - Shine (2003)

poster
5,0
Mijn "probleem" : I'm just a sucker for that sound. In het kader van de MusicMeter-top-40 van de 00's heb ik deze plaat weer eens een keer beluisterd, en bij seconde 1 begin ik al weer te smelten. Dat typische Lanois-geluid vind ik niet bij al zijn produkties (of bij die van zijn rechterhand Malcolm Burn) even geslaagd, maar àls het dan bij de muziek past is het bij mij meteen ook wel héél erg raak, zoals bij zijn eerste twee soloplaten, en nu dus ook bij deze derde. Ik moet wel zeggen dat het album na een sublieme eerste helft wat stuurlozer en vrijblijvender wordt waardoor mijn aandacht enigszins verslapt (tracks 8 t/m 11), maar gelukkig halen de laatste twee nummers het niveau van het begin weer, zodat Shine uiteindelijk toch ook weer in mijn top-30 voor bovenstaande lijst mag. En net als jellorum hierboven ben ik zeer onder de indruk van Sometimes.

Dave Berry - The Very Best Of (1999)

poster
4,0
Deze prima verzamelaar werd in Nederland door Universal uitgegeven, en omdat Berry hier natuurlijk vooral bekend is van die ene megahit werd de CD herdoopt als… ja, als wat eigenlijk? Voorop het boekje (met overigens praktisch hetzelfde hoesontwerp en met identieke foto) staat This strange effect, maar binnenin het boekje, op de achterkant, op beide ruggetjes èn op het schijfje zelf werd het consequent This stange effect. Het zal wel een kwestie van een zetdruiveltje zijn, maar waarom dan één keer goed en vijf keer fout in plaats van zès keer fout?

Maar goed, de tracklisting. Deze compilatie bevat één EP-single plus 11 van de 12 singles die Berry tussen oktober 1963 (zijn debuut, een cover van Chuck Berry's Memphis Tennessee) en maart 1967 opnam, in min of meer chronologische volgorde, aangevuld met nog één single uit 1970 (Change our minds) en zeven elpeetracks van tussen 1964 en 1968 (helaas niet Don't gimme no lip child, de B-kant van The crying game dat een decennium later opeens op het repertoire van de Sex Pistols verscheen). Berry's grootste hits in Engeland waren:
The crying game (#5 in 1964, in 1992 gecoverd door Boy George naar aanleiding van de gelijknamige film van Neil Jordan uit dat jaar),
Little things (een compositie van Bobby Goldsboro, #6 in 1965), en
• het afschuwelijke Mama (#5 in 1966).

In Nederland scoorden vooral
I'm gonna take you there (een compositie van Graham Gouldman, #4 in 1965),
If you wait for love (ook van Bobby Goldsboro, #9 in 1966)… en natuurlijk
This strange effect, een compositie van Ray Davies, 3 weken lang #1 in 1965 (ingeklemd tussen Satisfaction en Yesterday, er zijn slechtere buren denkbaar), 35 weken in de top-40 en als ik het goed heb nog altijd nummer 3 in de lijst van meest succesvolle singles ooit hier.

En aangezien al deze nummers (plus dus nog een aantal andere, minder succesvolle singles) keurig op deze CD staan is dit een prima verzamelaar van een absoluut niet essentiële maar wel zeer leuke en eigenlijk nog altijd behoorlijk goed klinkende sixties-subtopper. The very best of Dave Berry is nog gewoon verkrijgbaar, This stange effect ligt volgens mij al lang niet meer in de winkel maar zal met een beetje geluk tweedehands nog wel voor een (zeer) zacht prijsje te vinden zijn.
 

Dave Dee, Dozy, Beaky, Mick & Tich - The Best Of (1995)

poster
4,0
Tja, goede wijn behoeft geen krans : een uitstekende compilatie met alle tien (Engelse) hits van deze band plus twee van hun Nederlandse hits, aangeschaft vanwege mijn goede herinneringen aan mijn vinyl-compilatie van vroeger (DDDBM&T : Greatest hits). En wat leuk dat Dave Dee's solonummer My woman's man hier ook op staat – dat zit al in mijn hoofd sinds ik het in de singles-verzameling van mijn oudere zus ontdekte. Zo is bijna elke hit hierop een oorwurm, met dank aan de heren Howard en Blaikley die, om er helemáál zeker van te zijn dat hun nummers hits werden, er vaak ook nog een even cheesy als effectieve gimmick aan toevoegden (een zweep op The legend of Xanadu, een Zorba de Griek-versnelling op Bend it, pseudo-Afrikaanse percussie op Zabadak, een pseudo-Spaans stierengevecht-sfeertje op Don Juan).
        Het enige minpuntje van deze band vind ik eigenlijk de onpersoonlijke zang : Dave Dee zingt nergens vals en heeft voldoende kracht en stembereik, maar als je zijn stem van de muziek zou isoleren zou ik hem werkelijk niet herkennen, in tegenstelling tot contemporaine collega's als Alan Clarke en Peter Noone. Als compensatie mag gelden dat de band (zeker in de lekkere remastering van deze CD) opmerkelijk hard en fel klinkt; drummer Mick Wilson houdt zich duidelijk nergens in, en op nummers als Bend it, Hideaway en Don Juan lijkt Trevor Davies wel een fuzz-bas te gebruiken, zó knetterend komt zijn instrument op mijn koptelefoon door. Niet erg gangbaar in die jaren, zeker niet op commerciële popsingles uit die jaren, en dat geeft de muziek een lekker rafelig randje.
        Absoluut hoogtepunt voor mij is het openingsnummer, maar bijna net zo goed vind ik eigenlijk het slotnummer, met die drone-gitaar, dat enge orgeltje, die "soaring" violen, de leuke tekst, het slimme koortje, de rijke produktie en, jawel, de uitstekende zangpartij van Dave Dee, die ook op My woman's man laat zien dat hij bij het juiste nummer eigenlijk best een karakteristieke stem heeft. Blij dat ik deze band weer in mijn kast heb staan.

Dave Mason - Alone Together (1970)

poster
2,5
Mooie plaat, maar niet echt héél bijzonder. Van tracks 4 en 6 staan fraaie live-uitvoeringen op Traffic live.
 

David Bowie - 'Hours...' (1999)

poster
4,0
Hoewel ik deze plaat indertijd toch best veel beluisterd heb, is hij in mijn beleving altijd een beetje in de schaduw blijven staan van z'n twee voorgangers 1. Outside en Earthling. Na hem misschien wel vijf jaar niet meer te hebben gedraaid bevalt ie me nu echter beter dan ik had durven hopen, met veel mooie nummers met folky aandoende melodieën en een prachtige melancholieke inslag. Thursday's child en If I'm dreaming my life (met effectieve tempowisselingen) zijn mijn favoriete nummers, maar het korte instrumentaaltje Brilliant adventure zit daar eigenlijk niet veel achter.
 

David Bowie - "Heroes" (1977)

poster
3,0
De eerste Bowie-plaat waarvan ik bij release dacht: o, een vervolg op de vorige. Op zich geen ramp aangezien dat zó'n aparte plaat was dat Bowie wat mij betreft best wat dieper in die stijl mocht duiken, maar waar Low een bliksemschicht bij heldere hemel was klinkt Heroes eerder ontspannen, het werk van een man die zich senang voelt en die nu precies de muziek kan maken die hij voor ogen heeft (en die door zijn meesterlijke begeleiders geperfectioneerd kan worden). Verder niets op tegen, maar helaas haalt zeker de helft van de composities niet het vereiste niveau: Sons of the silent age, Blackout en V2 Schneider ontberen een memorabele melodie, Bowie's saxwerk op Neuköln doet me niet veel, en Moss garden is edelkitsch van de ergste soort, zodat van de instrumentals eigenlijk alleen Sense of doubt van het niveau van de B-kant van Low is.
        De bijna vrolijke opener en het ruige Joe the Lion behoren wat mij betreft tot de echte hoogtepunten, en omdat dit album met z'n beste track afsluit ben ik wel geneigd het matige niveau van veel van het voorafgaande te vergeven, maar dat lukt me niet echt. De geweldige muzikanten en Tony Visconti zorgen samen voor een heerlijk volle sound die ook al die jaren later nog op briljante wijze rock en disco versmelt, maar ik mis de spanning en de urgentie van Bowie's eerdere platen, alsof het mysterie en de inspiratie plaats hebben gemaakt voor de behendigheid en het ambacht.
        Eén nummer heb ik nog niet genoemd. Iedereen is er lyrisch over, maar naar mijn smaak is dat maar een saai nummer met een stroperig ritme, een vervelende melodie en een veel te lange speelduur, zodat de indrukwekkende bijdrage van Fripp eigenlijk een vlag op een modderschuit is. Maar daarin sta ik duidelijk alleen, getuige het feit dat bij de Favorieten het titelnummer met 256 stemmen bijna vier keer zoveel vinkjes heeft als runner-up Sense of doubt met 68 stemmen. Het is niet anders.

David Bowie - ★ (2016)

Alternatieve titel: Blackstar

poster
4,0
Een mooie plaat en een waardige zwanezang. Twee fantastische nummers (uiteraard het titelnummer en het ontroerende Lazarus, hoewel me dat wel een beetje aan Slip away van Heathen doet denken) die helaas worden gevolgd door het vrij nietszeggende 'Tis a pity she was a whore respectievelijk de bass-&-drum van Sue waar je me geen plezier mee doet, maar gelukkig sluit de plaat in stijl af met drie "gewone" en gewoon-fraaie nummers. Uiteraard moeilijk (zo niet onmogelijk) om dit album los te zien van z'n context, maar wanneer te zijner tijd de re-evaluatie van dit album (en daarmee de bepaling van een iets definitievere plaats ervan binnen Bowie's oeuvre) zal plaatsvinden, betwijfel ik of de waardering ervan te lijden zal hebben gehad onder de grotere temporele en emotionele afstand, want ook los van de gitzwarte rand is dit een uitstekende plaat.

David Bowie - 1.Outside (1995)

Alternatieve titel: Outside

poster
4,0
Inderdaad deric raven, goed verhaal. Bowie zou overigens de eerste zijn om jouw conclusie te onderschrijven; zo zei hij over Ziggy Stardust ooit: "I wasn't at all surprised Ziggy Stardust made my career. I packaged a totally credible plastic rock star – much better than any sort of Monkees fabrication. [En nu komt het:] My plastic rocker was much more plastic than anybody's."
        Maar ik denk dat je één ding niet uit het oog moet verliezen: Bowie "ontdekte" en populariseerde niet alleen sneller dan wie ook de heersende trends, en hij deed dat niet alleen met een ongeëvenaard gevoel voor stijl (zoals devel-hunt ook al aangaf), maar hoewel hij dan misschien geen grondlegger was werd hij wel gezien als trendsetter doordat de muziek die hij (weliswaar geïnspireerd door anderen) maakte van een enorm hoog niveau was – tussen 1972 (voor mij eigenlijk al 1969) en 1980 maakte hij een reeks van albums waar nu nog steeds over gepraat wordt, en wat mij betreft (en met mijn uiteraard persoonlijke en dus beperkte kennis van de jaren 70) is er buiten Neil Young (en, nou vooruit, Pink Floyd) niemand die dat decennium er qua constante kwalitatief èn vernieuwing (van de eigen muziek) zo bovenuit stak.
        Kort gezegd: als Bowie's betekenis als trendsetter nu kleiner is (of lijkt) dan in de jaren 70 werd aangenomen, dan komt dat ook doordat we ons nu niet meer kunnen voorstellen met wat voor autoriteit hij toen de alternatieve muziekscène domineerde. En on a personal note heeft hij minstens één plaat gemaakt die ik ook veertig jaar later nog steeds nergens op vind lijken, Station to station.

David Bowie - 1966 (1987)

poster
3,5
De A- en B-kantjes van de drie singles die de toen nog praktisch onbekende David Bowie vanaf eind 1965 voor het Pye-label mocht opnemen. Zelf heb ik de CD met bovenstaande no-budget-hoes, maar wie deze nummers op Spotify zoekt vindt ze op de compilatie I dig everything: the 1966 Pye singles met een iets prestigieuzer uiterlijk, maar met dezelfde zes nummers in dezelfde rare ordening, want de A- en B-kantjes staan niet bij elkaar en de volgorde is ook niet bepaald chronologisch. Het gaat hier namelijk om:
        1 Can't help thinking about me / And I say to myself uit januari 1966 (begeleid door Bowie's toenmalige begeleidingsband The Lower Third),
        2 Do anything you say / Good morning girl uit april 1966 (met The Buzz, de band die later ook zou spelen op Bowie's eerste elpee uit 1967, de Laughing gnome-periode dus) en
        3 I dig everything / I'm not losing sleep uit augustus 1966 (met onbekende muzikanten), alle zes nummers geschreven door Bowie zelf en geproduceerd door Tony Hatch, een songschrijver en producer die toentertijd veel succes had met Petula Clark.
        Geen van deze singles kwam ook maar in de búúrt van de hitparade, op zich niet zo opmerkelijk gezien het feit dat we hier praten over de gouden jaren van de popsingles, met alleen al vanuit Engeland concurrentie van de Beatles, de Stones, de Kinks, de Hollies, de Who, de Small Faces, Manfred Mann, Dusty Spingfield en de Spencer Davis Group, en dan heb ik het nog niet eens gehad over wat er vanuit Amerika allemaal kwam overwaaien. Toch hadden deze singles best een klein beetje succes verdiend, want heel veel minder dan andere laagvliegers uit de hitparades van die tijd zijn ze ook weer niet, en hoewel alles stevig verankerd zit in de songstructuren en arrangementen van de popmuziek van die tijd zit er genoeg vaart en drive in de nummers om ze leuk te houden, zeker omdat Tony Hatch niet alleen de gitaar en het orgeltje maar ook de stevige bas genoeg ruimte in het geluidsbeeld geeft.
        Wie hier Bowie in wil horen moet bedenken dat dit nóg minder met Ziggy Stardust en Station to station te maken heeft dan het al eerder genoemde werk uit 1967, maar wat opvalt is dat hij hier al uitstekend bij stem is en dat hij zich in zijn voordracht al helemaal de persoonlijkheden van de vertellers van de liedjes eigen heeft gemaakt: de onzekere jongen die thuis niet meer past van Can't help thinking about me, de man die niet onder de indruk is van maatschappelijk succes en het bijbehorende geld in I'm not losing sleep, en de opgejaagde man van Good morning girl ("So go tell the man that collects the dues / That you saw a guy without any shoes / Who would do the job if he was built that way").
        En wat mij persoonlijk ook opvalt is dat ik alle drie de B-kantjes stuk voor stuk sterker en interessanter vind dan de drie A-kantjes, alsof Bowie hier al meer van zichzelf in zijn minder op de commercie gerichte nummers kwijt kon, maar dat is misschien te vergezocht. Uiteindelijk zijn dit gewoon prima sixties-popliedjes van een man die zijn eigen stem nog moest vinden, en als zodanig interessant voor liefhebbers zowel van sixties-pop als van David Bowie voordat hij David Bowie werd.

David Bowie - Aladdin Sane (1973)

poster
5,0
Bowie's eerste plaat als media-magneet en superster, en in Engeland schoot dit album dan ook meteen door naar de eerste plaats om daar vervolgens vijf weken te blijven staan. De critici waren er minder over te spreken, en ik heb eigenlijk nooit begrepen waarom: een veel breder en volwassener geluid dan op Ziggy Stardust, qua insteek nu meer decadent dan glam, een scheurende gitaar die bijna de vullingen uit mijn gebit hamert (dat invallen na Bowie's gehijg op Time!), de briljante piano van Mike Garson waardoor het geluid nóg rijker wordt, en (het belangrijkste) een serie uitstekende songs met scherpe en fanasievolle teksten vol dystopische beelden en getroebleerde personages. Ook veel aandacht voor de details: het stiekeme On Broadway-citaat op het einde van het titelnummer, al die kleine geluidseffectjes op Drive-in Saturday en daarna het meezingen met de sax tegen het einde, de phasing op de conga's op Panic in Detroit, de héél zachte fluit op het einde van Time, de tamboerijn die vlak voor het refrein van The Jean Genie de spanning opvoert – allemaal perfect.
        Ook voor mij was dit Bowie's eerste plaat in de collectie, blind gekocht omdat ik wel eens wilde weten waar Jan en alleman (en de Muziek Expres) zo opgewonden over waren. Een uur na aankoop was ik er al in geslaagd om een druppel Velpon op het eerste nummer te laten vallen, zodat ik Watch that man pas weer kon beluisteren toen ik in 1990 de CD kocht. Raar hoe zulke herinneringen je bijblijven – ik heb sindsdien nog veel meer belangwekkends meegemaakt, maar de lijm op die groeven (ja, ik weet het, eigenlijk gewoon maar één groef) ben ik nooit vergeten. (En Watch that man blijft voor mij natuurlijk toch altijd "het onbekende nummer" van Aladdin sane.)
        Voor wat het waard is: een herinnering van een halve eeuw geleden aan iets dat ik vermoedelijk in de Muziek Expres heb gelezen. Er was sprake van dat The Jean genie een rip-off van Blockbuster van The Sweet zou zijn, of andersom. Bowie en Brian Connolly zaten op hetzelfde label, en toen ze elkaar een keer op de RCA-burelen tegen het lijf liepen konden ze er hartelijk om lachen. (Maar hoe vaak zouden Bowie en Connolly zich in hetzelfde gebouw hebben bevonden? Personeelsfeestje?)
        Mijn twee aangevinkte hoogtepunten: het titelnummer vanwege de hypnotiserendste pianosolo ooit (ik las ergens dat Mike Garson vertelde dat hij op letterlijk honderden nummers heeft meegespeeld, maar het enige waar mensen hem ooit naar vragen is deze solo), en Lady Grinning Soul als het meest erotische nummer ooit. Een donkere kamer, ik lig daar op dat bed, iemand glijdt op me af...

David Bowie - David Bowie (1967)

poster
4,0
Ik maak me sterk dat, als hier niet de naam van David Bowie op had gestaan, of als hij in 1968 van het podium zou zijn verdwenen, dit album zo ongeveer aan het begin van de 21ste eeuw zou zijn herontdekt en daarna een cultstatus zou hebben verworven (met op AllMusic een aanprijzing als "the best lost baroque pop album you've never heard"). Want dat is wat ik hier hoor: diverse perfecte popliedjes met steeds een apart randje, ofwel eerlijk verdriet (Sell me a coat) ofwel warme romantiek (When I live my dream) ofwel satirische SF (We are hungry men) ofwel een bizarre monoloog van een seriemoordenaar (Please Mr Gravedigger). Voor mezelf sprekend maakt het niet uit of ik dit nou wel of niet met de latere Bowie vergelijk, want ook op zichzelf staand is dit een ontzettend leuke plaat met kleurrijke arrangementen in de sixties-sfeer waar ik zo dol op ben, en met één nummer (There is a happy land) dat zo ontroerend is dat ik overweeg om het bij mijn begrafenis te draaien omdat het zo precies de weemoed van de kinderjaren weergeeft (althans de weemoed van míjn jeugd). En of Bowie het allemaal meende, en in hoeverre hij deze stijl echt waardeerde of dat hij hem alleen maar gebruikte omdat die op dat moment in zwang was... dat zijn vragen en overwegingen die sowieso de hele rest van zijn carrière relevant zouden blijven.

David Bowie - David Bowie (1969)

Alternatieve titel: Space Oddity

poster
4,5
Na de sixties-pop van het 1967-album zet Bowie een enorme stap voorwaarts en presenteert hij zichzelf hier als een soort psychedelische folkie, met een paar semi-persoonlijke ontboezemingen en op veel nummers zijn twaalfsnarige akoestische gitaar (in ieder geval tijdens de eerste coupletten) dominant, maar ook met knerpende elektrische gitaren, zware orkestrale arrangementen, dystopische teksten en afstandelijke beschouwingen over de wereld om hem heen èn over zichzelf: "if you take an axe to me you'll kill another man / Not me at all", die regels lijken al vooruit te wijzen naar de kameleontische persoonlijkheid die een paar jaar later één van de reuzen van het pop- en rocklandschap van de jaren 70 zou worden.
        Het is er allemaal al bijna, maar nog nèt niet: het epische The cygnet committee is nog net geen Bewley brothers of Quicksand, de gitaar wordt nog niet bespeeld door Mick Ronson maar heeft af en toe al diens sound (met name op Unwashed and somewhat slightly dazed, The cygnet committee en het B-kantje van de Memory of a free festival-single), en de enorme diversiteit op het album zou je kunnen interpreteren als facetten van een veelzijdige persoonlijkheid maar ook als de zoektocht van iemand die nog niet precies de juiste richting heeft gevonden. Wat het geheel voor mij uiteindelijk toch groter maakt dan de som der delen is de rusteloze persoonlijkheid die uit het totaalpakket spreekt, een zoeker die zijn hang naar oorspronkelijkheid en zijn behoefte aan avontuur bovendien koppelt aan een uitstekend oor voor sterke melodieën en een prachtige stem. Klasse.
        Over het openingsnummer kan ik verder niets méér zeggen dan al gedaan is, behalve dan dat het na al die jaren nog steeds een "otherwordly song" lijkt te zijn, en dat is het natuurlijk eigenlijk ook. Het arrangement levert bovendien een geluidsbeeld op dat werkelijk uniek is, met z'n combinatie van strijkers, mellotron, elektrische gitaar en "sloffende" drums en uiteraard het simpele maar o zo effectieve verhaal van de tekst. Het is en blijft in alle opzichten een adembenemende song, voor Major Tom ook lètterlijk.
        Ik prijs mezelf gelukkig dat ik deze plaat en de vier hieropvolgende in 1990 als Rykodisc heb gekocht (volgens mij was dat de tweede serie releases, na de oorspronkelijke RCA's van de jaren 80), want het geluid daarvan is prima, de boekjes netjes gepresenteerd (inclusief teksten, zij het minuscuul afgedrukt) en met meestal interessante bonustracks die op latere releases op andere labels weer zijn verdwenen. Op de Rykodisc-versie van Space oddity staan drie bonusnummers; twee daarvan zijn de twee delen van de (wezenlijk andere, want voor band en strijkers gearrangeerde) single-versie van Memory of a free festival. Het derde is Conversation piece, tegenwoordig wellicht voor veel mensen al bekend van een Bowie-boxset, maar voor mij indertijd een zeer ontroerende openbaring vanwege de subtiele en ingetogen vertolking en de directe emotionele impact, met dank aan de prachtige gitaarpartij waarvan het niet duidelijk is of hij van Tim Renwick of van Mick Wayne is.

David Bowie - Diamond Dogs (1974)

poster
5,0
"As they pulled you out of the oxygen tent, you asked for the latest party..." De decadentie van de haves versus het geweld van de have-nots, dat is voor mij een beetje de sfeer die uit deze plaat spreekt. (Gek genoeg moet ik er nu opeens aan denken dat dat conflict ook een motief is in H.G. Wells' The time machine uit 1895, ruim een halve eeuw vóór Orwells roman die een inspiratie voor dit album was). En de muziek op deze plaat vormt daar de perfecte soundtrack van, met aan de ene kant Stones-achtige gitaarriffs op het titelnummer en Rebel rebel en disco en funk op 1984, maar aan de andere kant een unieke duistere soundscape, vooral te bewonderen in het drieluik Sweet thing / Candidate / Sweet thing (reprise). Dat begint rustig maar creepy met backward-tape en een eng gitaarloopje, en als de vervormde stem van Bowie dan invalt met "It's safe in the city / To love in a doorway" is meteen de onheilspellende toon gezet. "I'm glad that you're older than me / Makes me feel important and free" met pseudo-Chinees pianoriedeltje brengt een glimlach, het is allemaal niet zo erg als het lijkt, maar de wanhoop groeit en groeit, met de hele tijd die dansende piano van Mike Garson tegenover die vervormde gitaar en die incidentele sax. Het nummer lijkt bijna jubelend te eindigen, of is dat eerder het geluid van een samengeperste mensenmassa?
        Dan opent Canidate met die nare sax die klinkt alsof hij teennagels wil gaan uittrekken, en plotseling is daar de arrogante contactpersoon, of is het een ondervrager bij een marteling? "I'll make you a deal..." Het tempo gaat omhoog en de wanhoop neemt toe, en zelfs Mike Garson dreigt ondergesneeuwd te worden. Bowie zet hier een sfeer neer die ik moeilijk kan duiden maar waar de dreiging aan alle kanten uit de poriën druipt. En tegen de tijd dat de reprise van Sweet thing begint (weer met zo'n onbetrouwbare sax) zit de wanhoop er al goed in ("Hope is a cheap thing"), en wanneer de zanger zegt dat "it's all I ever wanted" lijkt hijzelf de enige te zijn die nog in een goede afloop gelooft. Volgt een proto-industrial-slot dat de adem afsnijdt... Nogmaals, wat Bowie hier muzikaal doet kan ik bijna niet duiden, maar voor mij is dit het hart van deze plaat, en het beste bewijs dat Bowie ook zonder Ronson en de andere Spiders uitstekend in staat blijkt om zijn unieke visie in pakkende muziek te vertalen. (Rebel rebel is na dit drieluik toch een lichte teleurstelling. Ieder z'n eigen voorkeuren, maar ik vind het echt een domper dat het bij de Favorieten bovenaan staat.)
        Op kant 2 heeft We are the dead dezelfde sfeer, met die prachtige elektrische piano en die sombere drums, en vanaf het refrein (als je dat zo mag noemen: "We feel that we are paper, choking on you nightly") worden de beelden van desillusie en decadentie steeds sterker: "We're breaking in the new boys", "defecating ecstasy", "We're today's scrambled creatures, locked in tomorrow's diouble feature", "my hands have all but withered..." En dat alles gebracht met die expressieve stem die aan elke lettergreep de juiste emotionele waarde geeft, ver verwijderd van de ademloze hit-and-run van Ziggy Stardust. De personages van Winston en Julia uit 1984 mocht Bowie dan misschien niet gebruiken, maar het treffende citaat dat hij als titel van dit nummer gebruikt spreekt boekdelen.
        Om de een of andere reden herinner ik me nog dat ik op de dag dat ik mijn eerste CD-speler kocht (1988?) meteen ook vier CD's kocht: twee voor mijn toenmalige vriendin, en voor mezelf Unknown pleasures en dít album, nog in de allereerste versie (RCA, copyright 1981, met zo'n wit ruggetje met bovenaan vier blauwe balkjes en als titel daarop BOWIE – DIAMOND DOGS), en daarop geen 11 maar slechts 8 tracks, want Sweet thing / Candidate / Sweet thing (reprise) staat daar als één track op, en de laatste twee nummers eveneens. Sindsdien door diverse nieuwe versies ingehaald, maar mijn ouwetje doet het nog best, en de muziek erop is wat mij betreft onsterfelijk.

David Bowie - Earthling (1997)

Alternatieve titel: EART HL I NG

poster
4,5
Ik ben nooit een liefhebber van drum & bass geweest, al dat overdreven snelle gepiel maakt mij alleen maar nerveus, dus toen ik hoorde dat Bowie zich daar ook aan zou wagen vreesde ik het ergste. Gelukkig maakt hij er dikwijls heel functioneel gebruik van, en is het soms zelfs bijzonder effectief (bijvoorbeeld in het openingsnummer wanneer dat in het refrein opeens overgaat in het meeslepende "Sending me so far away…").

Niet alle nummers zijn even pakkend, maar dankzij kleurrijke arrangementen, interessante tekstuele invalshoeken en stilistische overtuiging vind ik dit toch een waardige opvolger voor (en stiekem een leukere plaat dan) 1. Outside.

Veel filmtitels trouwens: Seven years in Tibet, Dead man walking (voor mij het hoogtepunt van het album) en The letter (en bíjna Battle for Britain – alleen heet die oorlogsfilm The battle OF Britain). En iedereen noemt hier de invloed van Nine Inch Nails, maar bij het laatste nummer moet ik toch warempel aan Ultravox denken…
 

David Bowie - Heathen (2002)

poster
5,0
Het klinkt misschien pretentieus, maar de reden waarom ik Bowie eigenlijk altijd ben blijven volgen is omdat hij als één van de weinigen muziek maakt die me meeneemt naar emotionele gebieden die ik eigenlijk niet ken, plekken waar soms onbestemde gevoelens als melancholieke, verlangen, streven, omkijken naar het verleden, afscheid, onechtheid, energie, warmte achter het masker, afstandelijkheid en eenzaamheid samenvloeien in kleuren die ik nog niet ken, niets is eenvoudig, alles is samengesteld, genuanceerd, grillig, emotioneel enorm rijk, vreemde grensgebieden waar ik nog aan niemands hand ooit ben geweest.

Zoals gezegd, misschien pretentieus, maar Bowie gaat soms zó diep en zó scherp, hij boort dan gevoelens aan die niemand anders ooit heeft opgeroepen. Het openingsnummer, Slow burn, I would be your slave, 5.15 the angels have gone (die wanhoop in "We – never talk anymore…") en het titelnummer zijn op deze plaat zulke nummers.

Los van die nauwelijks uit te leggen aantrekkingskracht van die nummers is dit ook verder een album met vrijwel geen zwakke plekken, een paar uitstekend gekozen covers (vooral die van de Pixies), een mooi vol en warm geluid en (als dat mag meetellen) een bijzonder mooie hoesfoto. Naast de gastrollen van Pete Townshend en Dave Grohl als meest opvallende namen vond ik het als Dream Theater-fan zelf verrassend om te zien dat ook hun toetsenist Jordan Rudess zijn opwachting maakt. Een prachtige plaat waar ik ook na talloze luisterbeurten nog nieuwe dingen aan ontdek; mijn favoriete Bowieplaat sinds Low (en hij heeft sindsdien toch nog een aantal heel behoorlijke platen afgeleverd).
 

David Bowie - Hunky Dory (1971)

poster
5,0
Als iemand mij vraagt wat ik Bowie's beste plaat vind, kan hij of zij uit mijn antwoord eigenlijk niet afleiden wat ik Bowie's beste plaat vind, alleen maar wat mijn meest recènt beluisterde plaat van Bowie is, want in de jaren 70 maakte hij voor mijn gevoel zes platen die allemaal zó goed zijn dat ik daaruit onmogelijk die éne topper zou kunnen kiezen – tenzij ik één van die zes op de draaitafel heb liggen en na afloop constateer: ja, dít vind ik toch wel Bowie's beste plaat.
        Hunky dory is de eerste van die zes, en alles klopt er aan: songs, zang, arrangementen, gevarieerdheid, sfeer en produktie. De karakteristieke glamrock-gitaar van Mick Ronson die op het vorige album voor het eerst te horen was en die voor het volgende album zo bepalend zou zijn is hier eigenlijk alleen nog maar aanwezig op Song for Bob Dylan en vooral Queen bitch, schijnbaar omdat Ronson zich hier meer om de strijkersarrangementen bekommerde; in plaats daarvan heeft het album hier weer meer een folky feel, met veel akoestische gitaren en Rick Wakemans smaakvolle pianospel, maar de grillige composities en de fantasierijke teksten zorgen er wel voor dat dit album eerder avantgardistische rock dan moderne folk genoemd kan worden, en door de grote variatie krijgt het album ook een sterke emotionele lading, zodat bijvoorbeeld het psychologische portret van LIfe on Mars? gevolgd kan worden door het kwetsbare Kooks, en het Velvets-eerbetoon Queen bitch door het mysterieuze The Bewlay brothers. Zo heeft elk nummer zijn eigen sfeer en zijn eigen aparte insteek, maar doordat elk nummer zo sterk is èn door de overkoepelende visie van de artiest erachter doet het album toch nergens fragmentarisch of onsamenhangend aan.
        Sterker nog: ik vind Hunky dory Bowie's beste plaat.

David Bowie - Legacy (2016)

poster
4,0
Tja, als er dan toch een overbodig carrière-bestrijkend overzicht van Bowie moet komen, dan is deze compilatie niet slecht. deric raven vindt het jammer dat Blackstar er niet opstaat, ik mis zelf vooral Station to station, maar ja, die twee nummers zouden samen twintig minuten ingenomen hebben, en dat zou weer ten koste zijn gegaan van vier à zes andere (kortere) nummers. Leuk dat er veel aandacht is voor Hunky dory (drie nummers), maar niets van de periode vóór Space oddity (geen London boys) en ook geen Tin Machine. De annotatie is uiterst mager, zonder enige informatie over de muzikanten, en de 2016 mix van Life on Mars is een kale versie zonder gitaar en ritmesectie waarin Bowie dus alleen door een piano en strijkers wordt begeleid, ook op YouTube te beluisteren; zonde dat hier niet werd gekozen voor het origineel, maar ook hier gaat het natuurlijk om een single mix...

David Bowie - Let's Dance (1983)

poster
2,5
Een plaat waar je indertijd op feestjes niet omheen kon, net als Purple rain, Born in the USA, Thriller en Like a virgin, om ze maar even te noemen in de volgorde waarin ik ze kon (en kan) waarderen. En waar zou déze plaat in die opsomming ergens staan? Wel, tussen de eerste en de tweede, want hoewel ik Bowie in het algemeen hoger aansla dan Prince is Purple rain voor mij een *****-meesterwerk terwijl Let's dance een sluwe en knap gemaakte maar ook gevoelloze en oppervlakkige plaat is. Het drumgeluid is gelukkig niet zo gedateerd als bij veel tijdgenoten (ja, zéker ook bij Prince) maar wel vreselijk rechttoe-rechtaan, de composities zijn uitermate simpel (Without you, Shake it, jongens toch) en de teksten trekken grotendeels op niets. Nile Rodgers zorgt er voor dat alles klinkt als een klok, maar wat mij betreft maken alleen de furieuze riffs en solo's van de SRV-man en sommige baspartijen (China girl, Criminal world) de plaat de moeite waard, en pas bij het ingetogen swingende Criminal world en vooral de gemene remake van Cat people ga ik recht overeind zitten. De lelijke hoes maakt het geheel àf, maar op de verkeerde manier.

David Bowie - Lodger (1979)

poster
3,5
Toen Lodger uitkwam had ik het idee dat dit Bowie's eerste plaat was waar hij zelf niet "in" zat, waar ik niet zijn persoonlijkheid (of althans een afsplitsing daarvan) kon horen, waar ik niet bijvoorbeeld Ziggy Stardust of de observator van Diamond dogs of de Thin White Duke of de eenling in Berlijn in terug kon horen, alsof Bowie hier elke vorm van identiteit had afgelegd en een plaat had gemaakt zonder daar emotioneel in te investeren. Met de loop der jaren echter is mijn perspectief gekanteld, want het lijkt me nu dat Bowie hier bijna net zo zeer bezig is zichzelf te vernieuwen, maar dat hij dat nu heel verneukeratief doet door zijn rusteloze zoektocht te verbergen in kortere popsongs. Als ik goed ga luisteren hoor ik toch weer rare doorzagende gitaren, een prachtige maar ietwat unheimische viool, ontregelende percussie, Afrikaanse invloeden, orgeltjes die tegen het valse aanzitten, en bovenal de gitaarsolo's van Adrian Belew die zó goed in het nummer passen dat je bijna zou vergeten hoe atonaal ze zijn. Ik bedoel maar, je verwacht toch niet dat een single als Boys keep swinging eindigt met een schurende gitaarsolo van bijna anderhalve minuut, en het grappige is dat ik dat atonale nu niet eens meer als zodanig ervaar, want "het hoort er gewoon bij", net zoals ik de zang van Captain Beefheart na verloop van tijd niet meer als "apart" ervoer. En natuurlijk met dank aan Adrian Belew, die toch een aardig cv bij elkaar heeft gespeeld: Zappa, Bowie, Talking Heads, King Crimson en Nine Inch Nails – je kunt een slechtere carrière hebben, maar je kunt dan ook een hoop minder inventieve gitaristen dan Adrian Belew vinden, me dunkt dat alle genoemde namen flink hun voordeel met zijn karakteristieke gitaarwerk hebben gedaan. (Net als Pixar trouwens – in 2016 schreef hij de muziek voor hun korte film Piper, en hij won er nog een Oscar mee ook.)

David Bowie - Low (1977)

poster
4,5
Waar Bowie in voorgaande jaren bij elke plaat van stijl wisselt lijkt hij dat hier al te doen bij elke plaatkánt, want terwijl kant 1 een swing en een drive heeft die het geheel een bijna vrolijk karakter geven (en mij persoonlijk in ieder geval altijd in een opperbeste stemming brengen) is kant 2 stemmig en somber op een wijze die deprimerend zou kunnen werken als er niet zoveel inventiviteit en experimenteerdrift uit zou spreken. De grillige eerste kant blijft toch favoriet, met Bowie en Eno zó geïnspireerd dat het af en toe lijkt alsof ze háást hebben, want van Breaking glass had ik graag nog (veel) meer gehoord, en het intro van Sound and vision duurt zó lang (namelijk het halve nummer) dat er na het eerste couplet al een fade-out komt terwijl ik eigenlijk op een tweede couplet zit te wachten. En die grilligheid is tegelijk ook de charme van deze zeven nummers, want daardoor krijgt deze plaatkant een explosiviteit die gelinkt is aan het feit dat je gewoon nooit weet wat er in de volgende minuut allemaal kan gaan gebeuren.
        Het is nu misschien moeilijk om je voor te stellen hoe revolutionair dit in 1977 allemaal klonk, zeker omdat alle keyboard-texturen in talloze new-wave-bands zijn opgedoken (ik kan me in ieder geval niet voorstellen dat Japan, New Order en Duran Duran hier niet héél goed naar hebben geluisterd, en in het buitenland misschien ook het Yellow Magic Orchestra?), maar als die originaliteit nu niet meer zo vanzelf spreekt blijven de nummers toch makkelijk overeind dankzij de melodieën, de sound en de ritmesectie – ik las ergens dat Visconti ooit is gevraagd hoe hij dat drumgeluid toch zo heeft gekregen, maar daar schijnt hij nooit opheldering over te hebben gegeven, en na al die decennia klinkt het nog steeds fris en vooral swingend, als een soort "aarding" onder Eno's synthesizer-tapijten. En dat geeft deze plaat die vanwege het instrumentarium en de Berlijnse lokatie zo gedateerd zou kunnen aandoen toch een opmerkelijk tijdloze uitstraling.

David Bowie - Pinups (1973)

poster
2,0
Deze heb ik indertijd gemist, of liever gezegd heb ik altijd links laten liggen omdat ik me niet kon voorstellen dat dit iets anders dan een middelmatig tussendoortje zou kunnen zijn. Nu ik alles van Bowie van tussen 1966 en 1983 weer eens onder de loep heb genomen heb ik me dan ook maar eens aan dit buitenbeentje in zijn oeuvre gewaagd, maar eigenlijk het enige leuke hieraan is dat ik het kan beschouwen als een verzameling nooit uitgebrachte maar nu net ontdekte outtakes waarop we nog één keer de Spiders (minus Woody Woodmansey) in al hun glorie kunnen horen. En dat is leuk, maar voor de nummers zelf kan ik niet warmlopen. Eigenlijk springt alleen Sorrow er echt uit, en ook naar Here comes the night en Anyway anyhow anywhere kan ik goed luisteren, maar de overige covers voegen naar mijn smaak weinig tot niets toe en zijn dan ook praktisch overbodig. Ik denk dan ook dat de populariteit van dit album indertijd alles te maken had met Bowie's nieuwe status als superster-annex-trendsetter na de artistieke doorbraak van Ziggy Stardust en het commerciële succes van Aladdin sane, anders zou ik niet kunnen verklaren hoe dit album in 1973 maar liefst vijf weken lang bovenaan de Engelse albumlijsten kwam te bivakkeren terwijl de originelen indertijd bij veel (oudere) platenkopers toch nog vers in het geheugen zouden moeten liggen. Maar misschien vonden mensen dit ook wel ècht goed, zoals ook veel gebruikers hier.

David Bowie - Reality (2003)

poster
4,0
Mooie plaat, hoewel ik persoonlijk de eerste helft zóveel sterker dan de tweede vind dat dat toch wel iets van mijn waardering afhaalt. En wat Pablo Picasso betreft, als ik niet naar de tekst had geluisterd zou ik het misschien niet eens hebben herkend. Het origineel is fantastisch, deze cover is totaal anders, praktisch onherkenbaar dus (voor mij althans), en zo mogelijk nog beter. De tweede cover vind ik wat minder, daarbij prefereer ik ook George Harrisons origineel. Desalniettemin al met al toch een sterk album, en een waardige afsluiting van een grootse carrière... dachten we tien jaar lang.