MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten BoyOnHeavenHill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Yardbirds - Roger the Engineer (1966)

poster
4,0
De muziek van deze band blijft toch een bizarre ervaring. De meeste nummers hiervan (acht van de twaalf) kende ik al via mijn Yardbirds-compilatie Shapes of things, een dubbel-CD die op mij door de achronologische volgorde een nogal chaotische indruk maakte zonder dat dat eigenlijk mijn waardering beïnvloedde. Ik hoopte nu dat deze nummers in hun oorspronkelijke context meer op hun plek zouden vallen, immers "This album, despite a couple of weaker cuts, represents the best concentration of material, and has the advantage of being conceived as an album" zoals het boekje vermeldt. Die hoop is echter ijdel, want ook deze echt als eenheid bedoelde elpee is "all over the place", met niet alleen nummers uit verschillende stijlen (blues, pop, psychedelica), maar ook met soms al die elementen binnen nummers zèlf vermengd.
        Het openingsnummer is daar al een aardig voorbeeld van, met dat rollende basloopje en die melige tekst waarin de ideale vrouw verloren blijkt te zijn gegaan, en dan komt er opeens een raar maar ijzersterk tussenstuk met mondharmonica en gitaarimprovisatie, heel spannend... en plotseling is ook dát afgelopen en heeft die infantiele bas weer het woord genomen. En op het slotnummer gaat het precies andersom: donkere muziek, onheilspellende percussie, "Ever since the world began / Satan's followed every man" (toe maar!), en halverwege schakelt het nummer over op een Bo Diddley-beat en komt de opgewekte moraal: "You don't need money, no no no no, it'll never bring you love, no more than the sun above" – en dan is het ook in één klap afgelopen.
        Die twee nummers zijn misschien extreme voorbeelden, want He's always there is veel gestructeerder, het daaropvolgende Turn into earth houdt z'n mysterieuze sfeer juist wèl vol, en The Nazz are blue en Jeff's boogie zijn vrij traditionele blues-workouts, maar toch blijft de algemene indruk voor mij dat dit een plaat is waarop de bandleden zoveel mogelijk niet noodzakelijkerwijs bij elkaar passende elementen in de mix hebben gegooid om eens te kijken wat daaruit tevoorschijn zou komen – of misschien vonden ze ook wel ál die elementen leuk, hielden ze van zowel blues als pop als psychedelica, en wilden ze dat allemaal zo feestelijk mogelijk combineren.
        Soms levert dat ook een wel héél raar geheel op, zoals bij I can't make your way, met de hele tijd dezelfde akkoorden, een niet opzienbarend gitaarloopje dat achter de evenmin spectaculaire zangmelodie doordreutelt, een mondharmonica die achter de zang van de refreinregel wordt geplakt – plotseling een geweldig een tussenstuk met woordloos koor en de snerpende gitaar van Beck – en dan zijn we weer terug bij dat loopje met die kwakende mondharmonica en de onsterfelijke regel "Is that me I hear you calling?" die ik zelfs terwijl ik hem opschrijf nog even twee keer moet controleren. Misschien is niet alles op dit album helemaal geslaagd, maar door die rare en bepaald schurende "juxtaposition" (ik kan geen lekkere vertaling met die karakteristieke x erin vinden) en de daaruit voortvloeiende afwisseling kan ik hem toch bijna onbeperkt draaien.
        Beluisterd via de hierboven al meermaals genoemde Demon Records-CD uit 1998, met daarop eerst beide kanten van de Happenings ten years time ago / Psycho daisies-single, daarna het hele album eerst in mono en daarna in stereo, en tenslotte nog vijf solonummers van Keith Relf (twee singles en de B-kantjes daarvan), een keurige compilatie met prima geluid en een interessant essay (dat ook nog even expliciet vermeldt: "unknown is why the mono version differs significantly fom the stereo", kijk, daar heb je wat aan).

Yellow Magic Orchestra - Technodelic (1981)

poster
5,0
jellorum schreef:
Ik laat het mij gewoon overkomen en wacht telkens vol spanning af waar mijn grijze massa me die keer zal voeren.

Vind ik eigenlijk wel een erg goede omschrijving – hoe vaak ik deze bizarre plaat ook al heb gedraaid en hoe goed ik hem ook ken, het is toch elke keer weer een verrassing waar hij me heen gaat brengen.
 

Yes - Drama (1980)

poster
3,5
Deze heb ik indertijd helemaal gemist, om de eenvoudige reden dat de vriend van wie ik al het Yes-vinyl had overgenomen bij Tormato was opgehouden, dus ik wist niet eens dat dit de eerste Anderson-loze Yes-plaat is. De zang van Trevor Horn hoorde ik zelf kortgeleden voor het eerst via de Return trip-versie van Fly from here uit 2018, en daar beviel zijn stem me eigenlijk onverwachts goed, met name op de prachtige titelnummer-suite. Drama begint eveneens uitstekend met het knallende Machine Messiah, maar daarmee zeg ik weinig controversieels aangezien dat bij de Favorieten afgetekend bovenaan staat. Daarna wordt het eigenlijk alleen maar minder, met composities van nogal doorsnee-kwaliteit en zang die eigenlijk verrassend vlak is, en met de ongelooflijk irritante zanglijn van Run through the night (“I ask my love to give me she-he-he-he-helter”) als dieptepunt. Het laatste nummer is dan een tweede hoogtepunt met die lekkere baspartij, en sowieso doen Squire en Howe hun stinkende best om de muziek die ouderwetseYes-vibe mee te geven, maar zoals gezegd doen een paar vrij matige composities hen te vaak de das om. (Overigens mooi dat dit album ook in de Rhino-reissue-serie zit: boekje en geluid zijn weer piekfijn in orde, en de hoeveelheid bonustracks is gul [met langere speelduur dan het album zelf!], inclusief de drie nummers van de "Paris sessions" met Anderson en Wakeman.)

Yes - Fly from Here - Return Trip (2018)

poster
3,5
Nou had ik me net neergelegd bij het feit dat ik een plaat van Yes-minus-Jon-Anderson-dus-eigenlijk-geen-Yes-maar-vooruit-dan-maar ging beluisteren, en dan word ik geconfronteerd met een zanger wiens timbre dat van Anderson zódanig benadert dat ik af en toe gewoon vergeet dat ik naar Trevor Horn zit te luisteren. Prachtig hoe Horn zo in zijn voordracht de sfeer van vroeger tijden weet te benaderen zonder gekunsteld of geforceerd over te komen, en met de titelhelft van dit album is ook helemaal niets mis, met een paar mooie thema's, zorgvuldige keyboard-omlijstingen en lekker opvulwerk van Howe's gitaar, dus voor de tweede helft waren de verwachtingen eigenlijk hooggespannen.
        Helaas worden die niet ingelost, want het gemiddelde niveau van de nummers op die tweede helft ligt gewoon te laag, met een melig nummer van Squire, een instrumentaaltje van Howe waarvan ik allang niet meer rechtop ga zitten, en een nummer waarop Howe bijna alle goodwill van zijn gitaarspel op dit album verspeelt door zijn afschuwelijke – nee, ik kan het niet eens meer zang noemen. Gelukkig is Life on a film set nog redelijk apart en wordt het album met Into the storm uitstekend afgesloten (prachtig tussenstuk ook: "Armies of angels..."), maar door het geheel van dat tweede halve dozijn zit de maximale score er echt niet meer in. Desalniettemin een met redelijk veel plezier beluisterd album, en die eerste suite zal hier nog wel vaak langskomen.
        Zoals overigens duidelijk moge zijn was ik vooraf niet bekend met de versie van Benoît David. Na het leren kennen van deze "make-over" heb ik wel een paar nummers met Davids zang beluisterd, maar de stem van Horn vind ik aanzienlijk aangenamer en bovendien beter bij de muziek passen.

Yes - Fragile (1971)

poster
5,0
Ik vind zelf die solostukjes ook variëren van melig tot matig, met uitzondering van het prachtige Mood for a day. Zo zou je kunnen zeggen dat vier van de negen nummers op dit album ondermaats zijn, hetgeen toch nauwelijks een goede plaat kan opleveren. Zelf zie ik het echter eerder zo dat dit album zeven heel onbeduidende minuten bevat, terwijl de overige 34 minuten zonder uitzondering behoren tot het beste dat Yes ooit opnam, hetgeen hier in z'n totaliteit een prima album van maakt (en mijn persoonlijke favoriet ná de opvolger hiervan). En die reprise van We have Heaven is trouwens wel èrg effectief...

Yes - Going for the One (1977)

poster
5,0
Wat mij betreft een plaat die op hetzelfde erepodium als Fragile en Close to the edge mag staan – weliswaar met "slechts" een bronzen medaille, maar voor mij toch van praktisch hetzelfde niveau.
        Hoogtepunten zijn voor mij de plaatopener en de afsluiter. Van het titelnummer heb ik jaren gedacht dat Howe daar een slide-gitaar bespeelt en dat de vermelding van een steel-gitaar in het boekje een typo betreft, en een YouTube-filmpje van een live-optreden maakte me pas duidelijk dat Howe die heerlijke herrie toch echt uit dat oorspronkelijk uit de country stammende instrument perst. Over Awaken is hier al veel geschreven; als ik ooit een top-tien van Yes-nummers zou maken (maar hoe de 18 minuten van Close to the edge vergelijken met de 7 van Roundabout of de 3 van Long distance runaround ?) zou dit misschien wel bovenaan staan, vanwege die centrale gitaarriff op het eerste gedeelte (vanaf 1:30) en vooral vanwege het middengedeelte, dat voor mij altijd aanvoelt als de muziek geworden stilte (Howe's gitaar vanaf 9:55...). Jammer dat het nummer daarna met iets te veel bombast hervat wordt, maar de laatste twee minuten zijn dan weer opnieuw hemels.
        Een ander minpuntje van het album vind ik dat het kerkorgel op Parallels wel héél erg aanwezig is en op sommige momenten opeens zó sterk in volume lijkt toe te nemen dat het bijna dwars door het nummer heen komt zetten, maar ja, als ík zo'n monster tot m'n beschikking had zou ik er misschien ook wel een beetje mee pronken. Hoe dan ook, die twee kleine schoonheidsfoutjes kunnen voor mij nauwelijks iets afdoen aan de fantastische muziek die er verder op dit album staat (de melodieën van Turn of the century...). Zoals gezegd een vijf-sterren-album dat in mijn beleving fier naast de twee andere absolute hoogtepunten uit de Yes-catalogus staat.

Yes - House of Yes (2000)

Alternatieve titel: Live from House of Blues

poster
4,0
De beste nummers van The ladder plus een hoop oud werk zeer geïnspireerd gebracht (zelfs Owner of a lonely heart klinkt fris), en met een fantastisch Awaken (toch al één van mijn all-time-favoriete Yesnummers). Prima concert, uitstekend geluid, heerlijk.

Yes - Keys to Ascension (1996)

poster
3,0
Tja, dit klinkt natuurlijk wel beter dan Yessongs (zeker zolang Rhino dat album maar niet onder handen wil nemen), maar wat mij betreft voegen de uitvoeringen van de drie nummers die ook op die plaat uit 1973 stonden (Siberian khatru, Roundabout en Starship trooper) niet veel toe. Om Tales from topographic oceans heb ik nooit veel gegeven, America blijf ik een vreemde eend in de bijt vinden, en alleen over de twee overgebleven livenummers kan ik echt enthousiast zijn: Onward wordt nog een stukje mooier door het prachtige gitaarspel van Steve Howe, en de versie van Awaken slaagt erin om de breekbaarheid en de intensiteit van de studioversie integraal over het voetlicht te brengen and then some. (Ik ben sowieso niet iemand die om de zoveel tijd een live-release of een optreden wil of moet horen/zien om te kijken hoe ze verschillen – zelfs van mijn favoriete artiesten vind ik twee liveplaten of bijgewoonde concerten al veel, en van Yes heb ik al Yessongs en Live from House of Blues uit 2000.)
        Wat de twee nieuwe nummers betreft, Be the one is wel aardig maar heeft wat te lijden onder die constant herhaalde "Giving in, giving in to love"-regel, maar That, that is daarentegen vind ik van begin tot einde boeiend en zit wat mij betreft kwalitatief ergens nèt onder de Yes-klassiekers uit de eerste helft van de jaren 70 (waarbij ik dan maar voorbij ga aan de lelijke en nietszeggende titel). De eerste helft ervan heeft zelfs een duidelijke maatschappelijk geëngageerde tekst over verslaafde moeders, maar daarna gaat Anderson weer terug naar de vertrouwde concepten van love heaven & light, want een vos verliest wel z'n haren maar niet z'n streken. "like a ship you come safe to the shores of love eternal", mooi dat de heren onder zulke afgezaagde regels nog zulke meeslepende muziek kunnen schrijven. Al met al wat mij betreft een goede maar grotendeels overbodige live-registratie plus twee vrij sterke nieuwe composities, met de CD-afsluiters als de twee duidelijke hoogtepunten.

Yes - Keys to Ascension 2 (1997)

poster
3,5
Ik prefereer dieze tweede Keys to ascension eigenlijk boven het eerste deel: het live-gedeelte bevat meer persoonlijke favorieten (inclusief het hier werkelijk sublieme Turn of the century), en het interessantere studio-gedeelte is uitgebreider en bevat bovendien het hoogtepunt van heel Keystudio, te weten Mind drive. Op de live-CD vallen mij vooral het heftige wah-wah-baswerk van Chris Squire op het einde van Close to the edge en het prachtige pianowerk van Rick Wakeman op Going for the one, Time and a word en Turn of the century op, op de studio-CD mag Steve Howe zoals altijd weer alle facetten van zijn sublieme gitaartechniek op zowel akoestisch als elektrisch vlak tonen, en Jon Anderson is nog altijd prima bij stem. Alleen het soms wat teveel rechttoe-rechtaan-4/4-drumwerk van Alan White is af en toe een storende factor, zoals bikkel2 ook al opmerkt op 10-10-10 (wat lang geleden alweer). Moeilijk in te schatten op welke plaats ik deze studio-opnames zou zetten in een top-zoveel van de mij bekende Yes-platen, maar ik gok toch wel ergens in de subtop.

Yes - Magnification (2001)

poster
3,0
Bizar idee, Yes zonder toetsenist (behalve dan Alan White incidenteel op piano), maar ik moet zeggen dat het orkest de band goed aanvult en soms domineert maar soms ook goed op de achtergrond blijft. De muziek zelf is een mooie mix van klassieke gecompliceerde structuren en stevige rock waardoor Yes op een waardige manier de 21ste eeuw binnen kan stappen zonder concessies te hoeven doen aan de eigen muzikale identiteit. Spijtig dan dat de echt sterke muzikale structuren en composities van The ladder hier grotendeels ontbreken, waardoor bijvoorbeeld de twee lange epics op het einde van de plaat een beetje doelloos voortkabbelen zonder dat er veel punch in zit en ook zonder een echte climax – het is allemaal zeker niet slecht, maar mijn enthousiasme na de eerste twee keer draaien heeft inmiddels plaats gemaakt voor een zekere ontnuchtering omdat veel nummers eigenlijk daarna niet meer groeien. Het openingsnummer is voor mij meteen het hoogtepunt, met een paar typische Yes-melodiebuigingen, een klassieke Howe-break en een lekker zware bas, en ook Give love each day blijft het hele nummer door interessant, maar bij de rest van de plaat blijft de echte opwinding toch uit. En ja, die teksten van Jon Anderson, "If we were flowers / We would worship the sun / So why not now?" (nou, bijvoorbeeld omdat we géén bloemen zijn?) en "To justify, to magnify, to realize that everything is love", ik heb daar af en toe toch wel enige moeite mee. Zeer onaantrekkelijke hoes ook.

Yes - Relayer (1974)

poster
4,0
Ik besteed redelijk veel tijd aan het schrijven van recensies voor MusicMeter, en het lijkt me leuk wanneer mensen bij het lezen daarvan op nieuwe inzichten zouden komen, zeker wanneer het favoriete platen betreft. Andersom hoop ik eveneens bij het lezen van andermans berichten geïnspireerd te worden tot nieuwe manieren om naar de muziek te luisteren, en laatstelijk gebeurde dat nog bij een bericht van Mssr Renard bij Fragile, toen hij het over het "flinterdunne gitaargeluid" van Steve Howe had: "Ik kan gewoon geen fan worden van zijn sound." Ik vind Howe binnen Yes zó geweldig dat ik er eigenlijk gewoon niet eens bij stil had gestaan dat een liefhebber van Yes níét van hem gecharmeerd zou kunnen zijn, zó mooi vind ik zijn melodieën en zijn accenten en zijn brok-in-de-keel-momenten.
        Nu ik naar Relayer luister begrijp ik het echter opeens, want als Howe's gitaargeluid èrgens pijn doet aan iemands oren, dan toch zeker híér. Het eerste deel van The gates of delirium wisselt al lyrische coupletten af met gemene gitaar-riffs met een scherpe sound, maar tijdens het lange instrumentale tussenstuk mag Howe pas ècht losgaan en laat hij zijn gitaar janken en jengelen dat het een aard heeft, met harde klanken met veel echo en effecten waardoor het soms lijkt of het gitaargeluid de luidsprekers doormidden snijdt. Ja, ik kan me voorstellen dat dit je teveel wordt en dat je zelfs de ijle noten waarmee Howe vanaf ongeveer 16:06 het prachtige Soon inzet niet mooi vindt. Ik kan het me hélemaal voorstellen, en ik kan alleen maar zeggen dat ik blij ben dat ik daar zelf geen last van heb; ook wanneer ik nu hoor wat je scherp of onaangenaam of flinterdun aan zijn geluid zou kunnen vinden blijf ik zijn gitaarspel wonderschoon vinden. Hoe mooi bijvoorbeeld de melodieën en de mellotron en de zang op Soon ook zijn, het is toch Howe die dat nummer met zijn gitaar van zijn etherische schoonheid voorziet.
        Tijdens de tweede helft van Relayer is het ook voor mijzelf even doorbijten geblazen, want ik ben nooit van de fusion geweest, dus van dat gepiel aan het begin van Sound chaser met die springerige elektrische piano en die nerveuze drums gevolgd door álle instrumenten die zoveel mogelijk drukke loopjes spelen word ik bepaald niet goed. Er wordt gelukkig gas teruggenomen wanneer Howe een lang podium voor zijn solo's krijgt, maar na Andersons zangpartij duiken we opnieuw de fusion in en krijgt Moraz de ruimte voor een enorm belegen synthesizersolo alvorens de zaak gedisciplineerd wordt afgerond.
        Dat het allemaal mijn smaak niet is neemt niet weg dat ik veel respect heb voor de manier waarop Yes hier nieuwe wegen inslaat en zich probeert te vernieuwen. Toch hoor ik Yes het liefste zoals op To be over, met passages die niet tegen de haren instrijken maar mij juist door middel van klassiek-mooie melodieën, warme toetsenarrangementen, lyrisch gitaarspel en bedwelmende zangpartijen meenemen naar hogere sferen. Ja, het middenstuk van The gates of delirium is af en toe behoorlijke herrie, en Sound chaser heeft momenten die mij serieus tegenstaan, maar dankzij het niveau van Soon en To be over is Relayer voor mij toch een essentieel en geliefd onderdeel van de Yes-discografie.

Yes - Tales from Topographic Oceans (1973)

poster
2,5
Dit album heb ik in de loop der decennia tientallen malen gedraaid, en nog altijd kan ik er niet warm voor lopen. Op de een of andere manier wil de muziek maar niet beklijven. Ik pak het boekje erbij en lees de teksten door, en bij de meeste tekstblokken kan ik echt geen melodie voor de geest halen, terwijl ik, wanneer ik de teksten van bijvoorbeeld Roundabout of Heart of the sunrise of Close to the edge lees, die nummers meteen weer in mijn "geestesoor" hoor. Zo hoor ik Tales from topographic oceans elke keer weer bijna als nieuw – heel soms hoor ik een stukje waarvan ik denk: "o ja, dit staat er óók nog op", maar meestentijds komt het mij voor alsof ik hem praktisch voor het eerst hoor. En dat is op zich geen verkeerde belevenis, want als enorme Yes-liefhebber ervaar ik het ondergedompeld worden in het warme bad van Chris Squire's bas, Rick Wakemans herkenbare synthesizers, Steve Howe's scherpe gitaargeluid en Jon Andersons uit duizenden herkenbare hoge stemgeluid als een soort thuiskomen, en dan besef ik weer hoezeer mijn muzikale smaak is verweven met en gevormd door hun albums uit deze "klassieke" periode. Maar na afloop weet ik eigenlijk al niet meer waar ik naar heb geluisterd en heb ik geen totaalindruk van de 80 minuten muziek die ik zojuist heb gehoord. De echt pakkende passages liggen voor mij te ver uit elkaar, de incidentele frasen die zomaar overdag af en toe bij mij bovenkomen ("And I do think very well", "Relayer!", "Nous sommes du soleil", "The source") blijven incidenten, en als geheel mis ik de "flow" die de voorgaande twee platen voor mij tot zulke mijlpalen maken.
        Toen ik mijn hardloopmaatje vertelde wat mijn bezwaren zijn tegen dit album (dat bij hem op nummer 1 van zijn top-10 staat) zei hij dat hij dat ook wel had, "maar ik laat het gewoon over me heen komen." Ook een manier om dit album te waarderen, en zeker een legitieme, maar voor mij is het niet genoeg. Dus geef ik maar mijn gebruikelijke score wanneer ik niet weet wat ik met een album aanmoet.

Yes - The Ladder (1999)

poster
4,5
"Make the best YES album you can, the rest will follow." Zo gezegd zo gedaan, en het resultaat is een plaat waar wat mij betreft helemaal niets op valt aan te merken. Een mooie afwisseling van "ouderwetse" prog (met name het briljante titelnummer), ontroerende ballades (It will be a good day) en invloeden van wereldmuziek die nergens goedkoop of klef worden (Lightning strikes wordt bijvoorbeeld constant voortgedreven door een onstuimige Alan White, en de Indiase invloeden op de prachtige afsluiter klinken heel naturel), en bovenal kan ik niet zeggen hoe blij ik ben dat dit album gewoon strak en tijdloos klinkt en niet die lelijke overstuurde jaren-80-sound van bijvoorbeeld Anderson Bruford Wakeman Howe heeft. De plaat stort nergens in (die anderhalve minuut van Can I?, ach, nou ja), het geluid is helder en aangenaam, met name Steve Howe is in topvorm, en nergens maar dan ook echt nèrgens verlang ik terug naar de gouden periode van de eerste tien platen. Warmbloedig, geïnspireerd, enthousiasmerend, subliem zonder voorbehoud.

Yes - The Quest (2021)

poster
2,5
Ik vind het allemaal zeker niet slecht, maar de plaat begint met het beste nummer (zoals zo ongeveer iedereen hier vindt), vervolgt dan met het op-één-na-beste nummer, en verzandt daarna in een vriendelijk doch nietszeggend geheel waarin het ene nummer wat beter is dan het andere zonder dat er ook maar iets mij aanstoot om wakker te blijven. Het is allemaal te "mooi" en te weinig riskant, het kabbelt te veel voort en rockt te weinig, en het gitaarwerk van Steve Howe klinkt overal zó vertrouwd dat ik niet weet waarom ik hier naar zou moeten (of willen luisteren). Sowieso ben ik toch geneigd om veel van de gezapigheid van dit album op zíjn conto te schrijven – die nietszeggende lange gitaarsolo op het einde van het nog veel langere Leave well alone, zou een externe producer die geaccepteerd hebben? En dan heb ik het nog niet eens gehad over zijn zang, met de harmony-vocal nog netjes achter de stem van Jon Davison geplakt maar met solozang op Damaged world die echt gênant vormeloos is. Al met al een plaat die ik graag goed zou willen vinden (al was het maar om de stem van Jon Davison die mij op niet onaangename wijze aan die van Jon Anderson herinnert), maar er staan gewoon niet genoeg interessante of pakkende of goede nummers op om die kwalificatie zonder voorbehoud aan het album als geheel toe te kunnen kennen.

Yes - The Yes Album (1971)

poster
4,0
De eerste van het trio "klassieke" Yes-studioplaten, een periode die werd afgesloten met een spetterend live-album voordat de groep een stapje verder zette – volgens sommigen zelfs een grote stap té ver, maar dat is een ander verhaal. Vanaf het openingsnummer is duidelijk dat vrijwel alle essentiële elementen van een typische Yes-compositie hier aanwezig zijn, maar toch kan ik over dit album niet onverdeeld enthousiast zijn, om verschillende redenen. In een bericht bij Close to the edge schreef ik eerder dat ik bij The Yes album het gevoel heb "dat ze wel de formule hebben gevonden maar die nog niet "los" genoeg kunnen hanteren", zodat de versies van deze nummers op Yessongs voor mij eigenlijk veel opener en spontaner klinken. Ook de sound is nog niet helemaal wat hij zou moeten zijn, niet zozeer omdat het Hammond-orgel van Tony Kaye minder veelzijdig of explosief zou zijn dan de batterij toetseninstrumenten die Rick Wakeman zou inbrengen, maar vooral omdat ik het geluid van de slaggitaar van Steve Howe niet overal even aangenaam vind : op Yours is no disgrace en A venture bijvoorbeeld vind ik dat staccato en bijna kale geluid van zijn slaggitaar gewoon niet zo fraai (in tegenstelling tot zijn solo's en "plukwerk" die overal even mooi en warm klinken).
        Ook compositorisch vind ik niet alles geweldig, waarbij met name de korte nummers tekortschieten. Clap is wel leuk, maar I've seen all good people heeft een vervelende melodie en een hakkelend ritme dat het (op zich wel mooie) Your move omlaaghaalt, en A venture zegt me helemaal niets.
        Wat de langere nummers betreft... voor mij is één van de belangrijkste en aantrekkelijkste kenmerken van "symfonische rock" (en in ieder geval van Yes) dat de langere nummers bestaan uit verschillende thema's, sferen, ritmes, arrangementen en melodieën die vaak schijnbaar niets met elkaar te maken hebben, maar die verbonden worden door loopjes, bruggetjes, herhalingen en overgangen, en ook door het feit dat alle aparte delen één belangrijke kwaliteit gemeen hebben, namelijk dat ze mooi zijn – en als die samensmelting maar goed gebeurt gaan op een gegeven moment zelfs de meest disparate elementen naar elkaar toe groeien en krijg je uiteindelijk toch een nummer dat als één organisch geheel aanvoelt en dat door z'n veelzijdigheid en variatie bovendien bijna onbeperkt boeiend blijft. Klassiek voorbeeld : Heart of the sunrise, dat begint met een loeihard stuk gevolgd door een prachtig ontspannen semi-akoestisch stuk dat weer naar het loeiharde begin toewerkt... en toch hoort voor mijn gevoel alles bij elkaar en levert dat vreemde amalgaam zo ongeveer het ultieme Yes-nummer op.
        Dat hoor je hier ook bij bijvoorbeeld Starship trooper : eerst een deel gebaseerd op twee steeds "binnenvallende" akkoorden, dan een lyrische brug ("Speak to me of summer"), later een grappig up-tempo-gedeelte ("Loneliness is a power that we possess...") dat via een mooi uitgesponnen overgang met een prachtig woordeloos koor weer uitkomt bij de beginmelodie, allemaal schijnbaar aparte compositietjes die toch niet als een willekeurige collage maar als een geheel aanvoelen, gedragen door een sfeer, een overtuiging, een warmte in het arrangement... Waarom vertel ik dit hier? Omdat dit sublieme voorbeeld van symfonische songschrijverstechniek vervolgens overgaat in een derde deel dat voor mijn gevoel helemaal niets met de voorgaande minuten te maken heeft, een lang opbouwende drie-akkoorden-reeks die uitmondt in een knersende gitaarsolo, absoluut niet slecht maar zó weinig met het voorgaande te maken hebbend dat ik me nooit aan de indruk heb kunnen onttrekken dat de groep gewoon niet wist hoe verder te gaan en daarom maar een stukje gebruikte dat Steve Howe "nog had liggen" (hetgeen ook echt zo is), en dat ze maar gokten op het "anything goes"-kenmerk van het symfonische genre om dit lamme einde door de luisteraar te laten accepteren. En als het wel degelijk de opzet was, als Würm (die zonderlinge titel alleen al!) al vanaf het begin bedoeld was als grillig en contrastrijk outro, dan klinkt het in mijn oren nog altijd als een slotstuk dat als een tang op een varken slaat en dat helemaal niets met de sfeer van de rest van het nummer te maken heeft, en zelfs de tientallen malen dat ik het nummer inmiddels heb gehoord hebben de twee delen van het nummer in mijn beleving niet elkaar toe doen groeien. Kortom, voor mij een voorbeeld van het verkeerd inschatten van wat wèl en wat niet kan binnen de enorm "rekbare" grenzen van de symfonische rock.
        Zo is The Yes album een plaat die ik niet zonder een flinke dosis kritiek kan beluisteren, maar gelukkig is het geheel meer dan de som der delen : dit is immers het begin van de grote Yes-periode (hoewel ik het debuutalbum en Time and a word toch ook al geweldig vond en vind), met de juiste formule die in Yours is no disgrace opeens in z'n volle grandeur verschijnt (hoewel ik soms wel eens moe word van dat steeds herhaalde "Yesterday a morning came...") en die tot volledige wasdom komt in het perfecte en fantastische Perpetual change met z'n lyrische slot dat bijna net zo subliem is als de laatste minuten van Siberian khatru. Daarom verdient dit album wat mij betreft het predikaat "uitstekend maar met bedenkingen", als de ware voorbode voor de twee briljante studioplaten die hierop zouden volgen.

Yes - Time and a Word (1970)

poster
4,0
Een fractie minder dan het debuut, zonder dat ik nou heel precies de vinger op de zere plek kan leggen. Wellicht omdat er net wat meer matige nummers op staan (voor mij met name Sweet dreams en The prophet), maar ook wel omdat ik de orkestpartijen eigenlijk nergens echt met de muziek vind versmelten, alsof de band zelf al zúlke rijke muziek maakt dat de orkestrale arrangementen meer een "afterthought" of een overbodig extraatje dan een organisch geheel vormen. Droombolus hierboven vindt dat dat laatste bij de Rhino-remasters wel opgelost is, maar ook op die versie klinkt het orkest in mijn oren als een vreemde eend in de bijt, niet eens qua sound maar meer in het compositorische totaalplaatje.
        Verder natuurlijk zeker geen slechte plaat, met Squire's bas steeds meer op de voorgrond (bijvoorbeeld op het openingsnummer en op Sweet dreams), vrij spectaculaire work-outs op de covers, en twee magnifieke nummers op het einde, eerst Astral traveller dat qua sfeer al op de komende platen vooruit lijkt te lopen en daarna het titelnummer als de ultieme meeslepende ballade. Bovenstaande bezwaren nemen dan ook niet weg dat dit een mooie schakel is in de fraaie ketting van de eerste vijf Yes-studioplaten.
        Nog iets grappigs : een aantal jaren geleden heb ik de film The big country (1958) voor het eerst gezien, en wat me daarbij onder andere opviel was de weidse themamuziek van Jerome Meross, die ik sindsdien vele malen heb gedraaid. Ook Time and a word heb ik al vaak beluisterd (en ken ik overigens al veel langer), maar toch legde ik pas de link met het openingsnummer daarvan toen die mij aangeduid werd in een oude documentaire over Yes die ik een paar weken geleden zag. Het is de moeite waard: zoek op YouTube eens naar bijvoorbeeld the big country theme en vergelijk dat eens met de passages vanaf 0:15 en vooral vanaf 2:25 van No opportunity necessary, no experience needed. (En pas na het schrijven van voorgaande zinnen lees ik de review op allmusic.com waar ook naar Meross verwezen wordt.)

Yes - Tormato (1978)

poster
3,5
Twee kampen hier, het is al eerder gezegd, maar na mijn enthousiasme voor de meeste platen uit de klassiek-symfonische periode van Yes vind ik mijzelf enigszins tot mijn eigen verbazing ook hier terug bij de liefhebbers. Het klinkt allemaal behoorlijk anders dan de plaatkantlange suites uit het verleden, zowel qua composities als qua arrangementen als qua intentie, maar er zitten genoeg tempo-veranderingen en kleurrijke arrangementen en afwisseling in om er toch herkenbaar Yes van te maken, althans voor míjn oren. (Mijn ogen brengen mij daarentegen meteen in het kamp der mensen die dit een foeilelijke hoes vinden.)
        Veel van mijn waardering voor dit album hangt samen met de heerlijke sound ervan, met het drumwerk dat afwisselend rechttoe-rechtaan en swingend is, de gitaar die soms functioneel is en soms heerlijke "draaiende" riffs produceert (zoals op Don't kill the whale vlak voordat het "Cetacei"-stuk begint), bovenal die superbe bas van Chris Squire die overal omheen zoemt, en alleen Rick Wakemans toetsen zijn af en toe een beetje cheesy – het enige echt beroerde moment van het hele album is zijn laffe solo op keyboard (standje "Flügelhorn") op het verder zo mooie Onward. (Luister naar Longer van Dan Fogelberg voor de afschuwelijkste flügelhornsolo ooit.) Maar ook de composities vind ik niet slecht, met de twee openers als hoogtepunten en eigenlijk geen enkel skipnummer. Nee, dit is voor mij een intrigerende en spannende plaat, en ik vind het gewoon jammer dat ze niet op dit pad verder zijn gegaan, want met deze stevige muziek die toch nergens de makkelijkste weg kiest zouden ze misschien ook wel commercieel bestaansrecht hebben gehouden.
        Bij de bonustracks op de Rhino-re-release uit 2004 is er duidelijk niet beknibbeld op de kwantiteit; de kwaliteit varieert nogal, maar het is in ieder geval leuk om de vroege versies te horen van nummers die op latere platen van Yes, Anderson en Howe terecht zijn gekomen, en Picasso en Countryside zijn uitgesproken mooie aanvullingen op het reguliere album. De laatste bonustrack (de orkestrale versie van Onward ) wordt trouwens niet vermeld op de hoes of in het boekje van mijn uitgave, maar staat wel gewoon op de CD.

Yes - Union (1991)

poster
3,5
Als groot liefhebber van de klassieke Yes-jaren (tot en met Tormato uit 1978 heb ik ze compleet) heb ik hun latere werk slechts mondjesmaat kunnen waarderen. Union ken ik eigenlijk pas sinds kort, maar hij valt me eigenlijk best mee.

Het begin is in ieder geval prima, maar vanaf het vierde nummer (tevens het eerste van het "Rabin-kwartet") begint de verveling een beetje toe te slaan. Bovendien duren die vier Rabin-nummers samen inclusief overbodige opreksels en outro's bijna 24 minuten, zodat het verdorie wel lijkt alsof dit album vol staat met 12"-mixes.

Daarnaast wordt de plaat (net als het verder uitstekende Anderson Bruford Wakeman Howe van twee jaar eerder) ontsierd door een onaangenaam kil jaren-90 elektronisch geluid, zoals bijvoorbeeld goed te horen is aan de drumpartij van Silent talking of de vervelende gedateerde sound van de gitaar (en eigenlijk ook alle andere instrumenten) op Dangerous.

Gelukkig neemt het niveau tegen het einde van het album weer toe, zodat het uiteindelijk toch een redelijk waardevolle aanvulling van mijn Yes-collectie is. De bonustrack Give & take is niet te versmaden, met een jangle-achtige gitaarpartij, een break met een Ultravox-basje, een mooi opzwepend refrein en een subtiel slot – filter de stem van Jon Anderson eruit en je hebt een uitstekende backing-track voor een totaal andere band, maar ook mèt Anderson is dit een geweldig nummer.

Het wordt noch bij dít album noch bij ABWH vermeld, dus laat ik eens een balletje opgooien : is het nog aan andere mensen opgevallen dat de mij onbekende kreet van Anderson op 2'54 van Take the water to the mountain veel lijkt op wat hij doet op 5'46 van Birthright op ABWH ?

En eigenlijk bizar dat Tony Levin (die als bassist bij 10 van de 15 nummers wordt genoemd) niet op de hoes vermeld wordt en Chris Squire (4 van de 15 plus 3 vocale bijdragen) wèl. (Maar ja, op de hoes van AWBH schitterde deze meesterbassist ook al door afwezigheid.)
 

Yes - Yes (1969)

poster
4,5
Wanneer ik vroeger (en eigenlijk ook nú nog wel) zó enthousiast was over een nieuw ontdekte plaat van een mij onbekende band dat ik daarna per se ook het oudere werk wilde leren kennen, kon een afwijkende of primitieve debuutelpee mij nog wel eens (in het gunstigste geval) verbazen of (helaas soms ook) ernstig teleurstellen. Maar hoewel ik het debuut van Yes ná het sublieme repertoire van Yessongs leerde kennen, is de muziek hierop me nooit ook maar in het minst tegengevallen. Een iets andere sound vanwege een andere gitarist en toetsenist, kortere en compactere nummers, veelal een couplet-refrein-structuur met duidelijke kop en staart, iets minder ambitieus en aanzienlijk minder spacy dan de platen vanaf The Yes album, maar wel met zes ijzersterke eigen composities (variërend van het ijle Yesterday and today via het afwisselende Harold Land tot het stevige Looking around me) en twee zeer inventief uitgewerkte covers (die ik persoonlijk veel liever hoor dan de originelen), alles vol, helder en duidelijk gebracht door een band die weet wat hij wil, met een nu al evidente energie en hier reeds de openheid die hun latere platen karakteriseert, en met bovendien een gitarist en een toetsenist die uitstekend werk verrichten en die ik nergens ervaar als "die jongens die erbij zaten vóórdat de klassieke line-up ontstond". Kortom, ook op z'n eigen merites beoordeeld een geweldige plaat die ik ook zou koesteren als de naam van de band níét dezelfde was geweest als op de hoezen van de vijf-sterren-albums Fragile en Close to the edge.

Yes - Yessongs (1973)

poster
5,0
Niet het eerste dat ik een vriend mij van Yes liet horen, dat was het één-tweetje Fragile / Close to the edge, maar toen hij mij direct daarna Yessongs uitleende met de woorden “Dan moet je déze er zéker ook bij hebben” was de symfonische vlam definitief ontstoken. De liefde voor symfo in het algemeen en Yes in het bijzonder is nooit meer weggegaan, en toen de eerste CD-versies van voornoemde studioplaten uitkwamen was ik er dan ook als de kippen bij om ze te kopen. Dat waren echter wat mij betreft twee van de grootste teleurstellingen uit het digitale tijdperk, want die twee CD’s klonken zó dun dat ik ze na de eerste keer luisteren eigenlijk nooit meer heb gedraaid. De tweede Atlantic-versies waren zóveel beter dat ik tot op de dag van vandaag nog heel tevreden ben met die versies van de eerste drie albums (geremasterd door Joe Gastwirt) en Going for the one (George Marino), maar echt enthousiast kon ik pas worden over de geweldige Rhino-remasters (die dan ook de aanleiding vormden om Fragile en Close to the edge opnieuw aan te schaffen, ditmaal naar volle tevredenheid).
        Yessongs werd dus helaas niet in die serie opgenomen, maar omdat ik bleef hopen dat dat alsnog zou gebeuren heb ik hem nimmer op CD aangeschaft. Eigenlijk te gek voor woorden: omdat ik mijn vinylcollectie al zeker 20 jaar geleden heb weggedaan heb ik één van de beste liveplaten aller tijden (zo niet dé beste) dus al sinds de millenniumwende niet meer gehoord... Daarom nu toch maar de Joe Gastwirt-remaster uit 1994 aangeschaft. Nee, het geluid is nog steeds niet optimaal, wel lekker hard en direct maar soms ook bijna verzandend in een geluidsbrij (zoals op delen van And you and I en Close to the edge), maar de performances zijn energiek en enthousiast, de koortjes op Close to the edge klinken voor mij af en toe zelfs beter dan op de studioversie, de muziek is en blijft briljant, en hoewel 2 uur en 10 minuten een behoorlijk lange zit is is het repertoire zó afwisselend dat de set nergens inkakt (met uitzondering van de bassolo op The fish). Alleen al die eerste vinylkant met dat sfeervolle intro, de swingende versie van Siberian khatru en het dodelijke Heart of the sunrise dat daar nog eens overheen gaat, die plaatkant is in z’n eentje al vijf sterren waard. Dus ik ben blij dat ik toch maar tot deze aanschaf ben overgegaan, en ik sluit niet uit dat ik dat opnieuw doe, mocht hij alsnog stand-alone (dus niet als digitale download of in een SACD-box) in de Rhino-reeks verschijnen...

Young the Giant - Mind Over Matter (2014)

poster
3,0
Woeps! 20 berichten in de eerste twee maanden na de release, daarna radiostilte. En dat is best jammer, want ik vind dit toch wel een leuke plaat met wat meer een "soulful" benadering dan het debuut, net zoals Panic! At The Disco op hun tweede CD wat gas terugnam. Het songmateriaal is ook wat consistenter voor mijn gevoel, maar aan bovenstaande berichten te zien lopen de mening daarover behoorlijk uiteen. Al met al toch nog steeds geen band die mij een hele plaat lang echt in vervoering brengt.