MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten BoyOnHeavenHill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Caligula's Horse - Bloom (2015)

poster
3,0
Mooie plaat, maar het feit dat vele eerdere schrijvers hier vergelijkingen met andere bands trekken duidt er al op dat hier gevist wordt in een overvolle vijver waar alle vissen gebruiken maken van dubbele bassdrums, zware metalgitaren en composities met veel dynamiek en afwisseling tussen harde en zachte gedeeltes. Geen probleem wanneer de nummers zo degelijk in elkaar zitten zoals hier en er genoeg "lucht" in de opnames zit, en de ongewone stem en de enigszins romantische inslag van de teksten (en het verzorgde boekje) maken hier een mooi en redelijk apart album van, maar het biedt mij verder toch niet voldoende om te blijven draaien.

Caligula's Horse - Moments from Ephemeral City (2011)

poster
3,5
Een zeer ambitieuze plaat met elementen van metal, prog, akoestisch en nu-metal, met bespiegelende en vaak sombere teksten, en de algemene uitstraling van een uiterst gefocuste band, of moet ik zeggen band-leider, want het boekje vermeldt trots dat Sam Vallen verantwoordelijk is voor gitaar, diverse andere instrumenten, productie, engineering, mixing, mastering en songwriting (waarvan drie nummers in samenweking). Allemaal niets op aan te merken, en met name de gitaar komt overal goed doorheen, maar zelf word ik bij het luisteren ernstig gehinderd door Jim Grey die in de zachte passages een krachteloos stemgeluid hanteert en in de hardere stukken bepaald niet met de rest van de sound meekan, en bovendien wil de sologitaar (Vallen zelf, of tweede gitarist Zac Greensill?) bij tijd en wijlen zodanig gaan freaken dat hij zo'n beetje alle beschikbare octaven doorkruist zonder dat dat ook maar enige functie heeft. Qua overdaad doet deze plaat me soms denken aan Thrice, en zoals gezed zit hier veel ambitie en compositorisch venuft achter, maar door de heel matige zang, de af en toe opduikende clichématige metal-cirkelzaag-gitaar en de manier waarop de solo's soms ontsporen kan ik hier niet met veel plezier naar luisteren. (De hoes verdient overigens ook geen schoonheidsprijs, maar dit terzijde.)

Camel - A Live Record (1978)

poster
4,5
Een feestje: een geweldige verzameling hoogtepunten uit de eerste vijf Camel-albums op gedreven wijze gebracht en dankzij de expanded & remastered edition van 2002 ook nog eens in perfecte geluidskwaliteit (getuige bijvoorbeeld de prachtige ruimtelijkheid wanneer Andy Latimer in The white rider na ongeveer 5 minuten begint te zingen). Het belang van de toegevoegde waarde van Mel Collins en zijn sublieme blaaswerk kan niet overschat worden.
        Toch nog wel wat aan te merken: net als een paar anderen hier vind ik dat het orkest op de (verder uitstekende) uitvoering van The snow goose net wat minder toevoegt dan verwacht (en gehoopt), en af en toe krijg ik wel eens de indruk dat Andy Ward soms net iets te hard in de mix staat (bijvoorbeeld op het titelstuk van The snow goose), maar daar stoor ik me verder niet zo aan omdat zijn drumpartijen hier tegelijkertijd complex, spannend en functioneel zijn. En wie dit album al langer kent en liefheeft zal misschien ook aan de hoes gewend zijn en hem vanwege de aangename associatie met de muziek niet anders willen hebben, maar ik vind zelf dat de nietszeggende afbeelding wel wat passender en sfeervoller had gemogen.
        Maar goed, dat zijn slechts een paar zoute slakken, en uiteindelijk doen ze weinig af aan het plezier dat ik beleef aan deze prachtige twee-en-een-kwart uur lange reis. Ze zeggen wel eens dat de ziel te paard reist, maar voor deze band geldt dat de ziel...

Camel - Breathless (1978)

poster
3,5
Dat ik uiteindelijk in de het kamp der aanhangers van dit album zou belanden zou mij in het begin ook wel hebben verrast, want toen ik deze plaat voor het eerst draaide, hoorde ik enigszins belegen poppy liedjes met een incidenteel spetterend instrumentaal sausje maar vooral een voor mij veel te grote versimpeling van de composities. Na een aantal (en niet eens zo héél veel) malen draaien begon deze plaat toch te groeien; wanneer ik wil kijken wat mijn als favoriet aan te vinken tracks zijn geef ik nummers altijd een symbolische waardering (+++ = geweldig, ++ = goed, + = aardig, o = kwalitatief neutraal en – = belazerd), en bij Breathless kwam ik op het einde uit op vier maal ++ en vijf maal +, oftewel geen absolute hoogvliegers maar zeker ook geen slechte of zelfs maar onbenullige nummers. Over het algemeen zijn de songs wat minder bespiegelend en wat lichter qua toon dan eerder werk, maar dankzij de prachtige gitaar- en vooral blazerspartijen en de ruimschoots aanwezige jazzy en prog-elementen houden ze overal hun gloed en worden ze zelden oppervlakkig. Zelfs Down on the farm kan ik wel waarderen, ietwat melig maar zeer good-natured and catchy (en met een grappig op één akkoord doorzeurend gitaartje dat me steeds aan Getting better van Sgt Pepper doet denken). Een vriendelijk en aangenaam album vol warne popmuziek, met als enige dissonant die hoes met dat rare wiskunde-examen-papier, die lelijke geel-bruine kleurstelling en die daar nóg lelijker mee contrasterende vijf kleuren van de bandnaam erboven (een – als niet meetellende waardering).

Camel - Camel (1973)

poster
4,0
In zekere zin staat het openingsnummer voor mij symbool voor de hele plaat : bij de aardige maar niet fantastische eerste coupletten van Slow yourself down moet je nog maar afwachten waar het allemaal heen gaat, maar halverwege toont het nummer in een hogere versnelling z'n ware gezicht. Zo vond ik zelf ook de hele plaat bij de eerste paar luisterbeurten aardig maar niet heel bijzonder, maar een draaibeurt of tien later blijkt er onder de oppervlakte toch heel veel moois verscholen te liggen en heeft eigenlijk elk nummer wel iets aparts. De zang blijft een ondergeschoven kindje, en tekstueel laten ze ook wel eens wat steekjes vallen ("Have you seen the Mystic Queen / Riding in her limousine?"), maar muzikaal klinkt het allemaal warm en fris, misschien nog niet zo ambitieus als op de hiernavolgende albums maar voor mij eigenlijk van praktisch hetzelfde niveau, op sommige momenten (Six ate, Curiosity) wat minder hectisch en wat meer op sound en sfeer gericht, maar daarom nog zeker niet minder (want o, dat orgeltje...).
        En als ik mezelf mag citeren uit mijn bericht bij Moonmadness : "Overigens stoort het me altijd wanneer van albums van favoriete artiesten een single verschijnt die ofwel het enige slechte nummer van de plaat is ofwel absoluut niet representatief voor de rest van het album, maar ja, bij typische "elpee-artiesten" kan dat natuurlijk vaak niet anders. Another night als single is echter een zeer gelukkige greep: complex maar toch toegankelijk, donker en toch poppy, en ge-edit op een acceptabele manier die nog steeds recht doet aan de compositie (hoewel er nog best wat meer gitaarsolo in het middenstuk had mogen zitten)." En in feite gaat dat ook op voor Never let go, en dat zelfs in nog sterkere mate aangezien dat een nóg sterker nummer is (hoewel er nog best wat meer mellotronsolo in het middenstuk van de singleversie had mogen zitten – maar ja, dat geldt eigenlijk ook voor de albumversie).
        Vraag : met de remaster uit 2002 (dus met als bonustracks de singleversie van Never let go en de liveversie van Homage to the god of light) ben ik heel tevreden, alleen klinkt het geluid bij het begin van het openingsnummer een beetje mat – was dat op de oorspronkelijke plaat ook al zo, of is de zang nu een beetje naar achteren gemixt, of bedriegen mijn oren mij?

Camel - Dust and Dreams (1991)

poster
4,5
Superbe conceptalbum dat herinneringen oproept aan Nude en daar kwalitatief eigenlijk niet voor onder doet: vrijwel steeds geweldige melodieën, fantastische gitaarpartijen, fraaie atmosferische toetsenpartijen die de muziek de gewenste kleur en ambiance geven, en bovenal een prachtige lyrische flow. Enige minpuntjes zijn de associaties die ik bij gitaar en zang soms met Pink Floyd krijg, en de echt verschrikkelijke zang op End of the line. Puur op z'n kwaliteiten van verhalend muziekstuk beoordeeld is deze plaat echter moeilijk te overtreffen.

Camel - Mirage (1974)

poster
4,5
Ik ben kennelijk niet de enige hier voor wie dit zijn eerste kennismaking met Camel was, maar voor mij vond die een stuk later plaats, zo omstreeks 2000 toen mijn tienerjaren al lang en breed voorbij waren. Toch was het voor mij een grote ontdekking, want hoewel dit altijd al een bekende naam was had ik er nog nooit enige noot van gehoord. Na Mirage is dat wel veranderd, maar deze plaat blijft toch altijd een speciaal plekje in mijn hart houden. Ook ik vind de vrij vlakke en daardoor enigszins karakterloze zang een minpunt, maar dat bezwaar valt vrijwel geheel weg tegen de fraaie melodieën en het prachtige gitaar- en toetsenwerk (inclusief de heerlijke "toon" van Andy Latimer). Een over de gehele linie zeer consistent en ook nog eens uitstekend klinkend album, in mijn rijtje met Camel-favorieten stevig op de gedeelde tweede plaats (ex aequo met Nude en achter The snow goose).
        Overigens bleek ik één fragment van dit album al eerder te kennen : toen mijn vrouw (toen nog een mij onbekend meisje) samen met haar broers en zusters een nepdocumentaire op 8-mm-film maakte over de veronderstelde romantische ontmoeting van hun ouders, gebruikten ze als achtergrondmuziek de gitaarsolo met mellotronbegeleiding uit Nimrodel (vanaf 1:52). Uiteraard kan ik die passage nog altijd niet horen zonder meteen aan dat filmpje te denken (gelukkig zonder vervelende associaties); het is natuurlijk ook wel een héél mooi romantisch stukje...

Camel - Moonmadness (1976)

poster
4,5
Misschien is het omdat deze plaat op het eerste gehoor het kleurrijke spektakel van Mirage en de enorme rijkheid aan melodieën van The snow goose mist dat het me zo lang heeft gekost om hem op waarde te schatten. Inmiddels is hij wel "doorgekomen" en staat hij naast of vlak onder eerdergenoemde titels. Voornaamste minpunt vind ik zelf het slotnummer, dat hier nochtans bij het lijstje van favoriete tracks bovenaan staat: het klinkt teveel alsof het bedacht is als een majesteuze afsluiter, maar in de praktijk krijg je na het lekker stuiterende intro eerst die enigszins melige synthesizersolo tegen een uitgesproken saaie begeleiding (badoemba-doemba), dan een wèl sterke gitaarsolo, en daarna – een fade-out?! Teleurstellend, het enige echt zwakke nummer van het album, dat verder vooral een heerlijk dromerige indruk op me maakt, mede vanwege de prachtige sfeervolle hoes.
        Overigens stoort het me altijd wanneer van albums van favoriete artiesten een single verschijnt die ofwel het enige slechte nummer van de plaat is ofwel absoluut niet representatief voor de rest van het album, maar ja, bij typische "elpee-artiesten" kan dat natuurlijk vaak niet anders. Another night als single is echter een zeer gelukkige greep: complex maar toch toegankelijk, donker en toch poppy, en ge-edit op een acceptabele manier die nog steeds recht doet aan de compositie (hoewel er nog best wat meer gitaarsolo in het middenstuk had mogen zitten).

Camel - Nude (1981)

poster
5,0
Na deze plaat een paar jaar niet meer gehoord te hebben wilde ik hier eigenlijk onge"zien" 4½* voor geven, maar concept, melodieën, arrangementen, solo's (niet alleen van Andy Latimer maar ook die van Mel Collins, die altijd feilloos voor elk nummer het juiste geluid uit zijn blaasinstrument weet te toveren, diepe bewondering daarvoor) en flow blijken bij herbeluistering eigenlijk zó goed te zijn dat ik toch tot de volle vijf sterren moet overgaan. Drums en toetsen klinken niet overal even ideaal maar nergens ondermaats genoeg om irritatie op te wekken, en de focus is maximaal. Prachtige plaat, ik weet niet genoeg over de geschiedenis van Camel om te weten waarom Andy Latimer toch weer tot de symfonische richting is teruggekeerd, maar ik ben er zéér blij mee, een hoogtepunt uit hun oeuvre.
        Overigens, één van de producers heet Tony Clark (zonder e op het einde). Internet geeft nergens definitief uitsluitsel, maar is dat dezelfde Tony Clarke (mèt e, dus dan op deze hoes met verkeerd gespelde naam) die ook de platen uit de klassieke periode van de Moody Blues (1967-1978) heeft geproduceerd?

Camel - Rain Dances (1977)

poster
4,5
Een superbe manier om wat toegankelijker en "poppier" muziek te maken zonder de rijke arrangementen uit het oog te verliezen èn zonder aan kwaliteit in te boeten. Jazzy invloeden, zeer effectieve saxpartijen en mooi vloeiend basspel van Richard Sinclair leiden tot een bijzonder geslaagde verjongingskuur in de vorm van een album dat van a tot z kwaliteits-symfo-pop bevat. Voor mij misschien net niet op het niveau van hun allerbeste werk, maar zonder zwakke momenten en met een enorm hoge draaibaarheidsfactor die hier toch een over de hele linie zeer bevredigende plaat van maakt.
        Ik heb nog altijd de versie met één bonustrack (dus de overbodige single-edit van Highways of the sun); met het geluid daarvan ben ik zeer tevreden, maar het is wel storend dat ik over de medewerking van Eno (en anderen) op deze site moet lezen in plaats van in het summiere boekje.

Camel - Rajaz (1999)

poster
3,0
Voor de èchte fans ongetwijfeld een droomplaat waarin gitarist Latimer van producer, componist en bandleider Latimer alle gelegenheid krijgt om te schitteren. En schitteren doet hij, want hij is natuurlijk een uitstekend gitarist, maar persoonlijk vind ik zijn spel niet zó sterk en zó afwisselend dat het in staat is om de hele plaat te dragen. De composities zijn melodieus genoeg, maar wanneer ik bij bijna elk nummer kan gaan zitten wachten tot de gitaar het weer overneemt verlies ik na verloop van tijd mijn aandacht. Uiteindelijk hoor ik Latimer liever tegenover een toetsenist die z'n eigen gang kan gaan, want als hij in z'n eentje de kar moet trekken wordt het toch een beetje te saai, ook al omdat zijn gitaarsolo's voor mij gewoon net niet bijzonder genoeg zijn om een statig nummer als Lawrence de bedoelde majestueuze allure mee te geven. Mooie plaat, maar voor mij wat te veel van het goede.

Camel - Stationary Traveller (1984)

poster
3,0
Zeker een heel behoorlijke plaat, met een ambitieuze (en zeer geslaagde) invalshoek qua teksten en een algemene sfeer van wantrouwen en paranoia die goed doorkomt. Toch reken ik het niet tot Camels beste werk, want zoals wel meer gebruikers hier vind ik de sound net wat te steriel; bovendien vind ik het drumwerk van Paul Burgess niet om over naar huis te schrijven, en ik geloof dat ik de monotone stem van Andy Latimer nog liever hoor dan die onpersoonlijke Chris Rainbow. De hoogtepunten zijn echter prachtig: de gierende gitaar van het openingsnummer, het sfeervolle West Berlin en het werkelijk sublieme Fingertips – als ik een fretloze bas hoor zit ik qua beleving vaak meteen weer in de gedateerde eighties, maar bij dit nummer past dat instrument werkelijk perfect, en daardoor kan ik zelfs door de vingers zien dat het begin van het refrein van het melige slotnummer me steeds doet denken aan Run to me (excuus voor die associatie).

Camel - The Snow Goose (1975)

Alternatieve titel: Music Inspired by the Snow Goose

poster
5,0
Mijn favoriete Camelplaat. Het zwakke punt van deze band –zeker in de eerste jaren– heb ik altijd de matige zang gevonden, maar het zou flauw zijn om het succes van dit album alleen daaraan toe te schrijven, want van a tot z staat The snow goose vol met ijzersterke melodieën en superbe arrangementen (het eerste waar ik zelf voor viel waren die spook- en sprookjesachtige passages van elektrische piano met klarinet [?] op Friendship). De oorspronkelijke novelle heb ik wel ooit gelezen, maar de details daarvan zijn grotendeels weggezakt, en sowieso vind ik het album net zo mooi zónder de plotlijn precies te kunnen volgen (en bij de titel van het eerste nummer zie ik altijd de moerassen uit Peter Jacksons verfilming van The two towers voor me). Een plaat aan of vlak onder de top van de seventies-symfo-eredivisie wat mij betreft. Ik heb dit album trouwens net als diverse anderen hier op de vroege CD-versie uit 1983 (met de soms hilarisch-bloemrijke liner notes van John Tracy uit 1988) en ben nog steeds bijzonder tevreden met het zeer warme geluid daarvan.

Camel - The Snow Goose (2013)

poster
3,0
Dit album klinkt als een klok, de nieuwe passages vallen nergens uit de toon, en het is prachtig dat Andy Latimer na deze muziek honderden (zo niet duizenden) malen te hebben gespeeld er nog altijd inspiratie voor deze make-over in kon vinden. Dat gezegd hebbende is dit voor mij ten opzichte van het origineel (*****) verder een overbodige plaat.

Canarios - Ciclos (1974)

poster
2,5
Fantasierijk en veelgelaagd – voor mij echter té rijk en veelgelaagd, want zelfs na meerdere malen draaien hoor ik hier niet veel meer in dan een verzameling korte fragmenten die achter elkaar zijn geplaatst zonder dat ik bepaalde melodieën hoor terugkomen en ook zonder dat ik inmiddels weet wat er ongeveer gaat komen, en die onvoorspelbaarheid maakt op mij de indruk van los zand. Het is naar mijn smaak allemaal té hectisch en eclectisch, ongeveer alsof de Residents een plaat in de stijl van Yes hebben willen maken maar daarbij hun achtergrond niet wilden verloochenen. Het enthousiasme van spaceman hierboven is begrijpelijk, en als ik het "origineel" (of moet ik zeggen het "voorbeeld" of de "inspiratie"?) van Vivaldi zou kennen zou dit me misschien beter smaken, maar aangezien dat niet het geval is moet ik dit album op z'n eigen merites beoordelen, en dan moet ik zeggen: interessant, smaakvol en goed gespeeld, maar door de bomen kan ik helaas geen bos meer ontwaren.

Canned Heat - Boogie with Canned Heat (1968)

poster
4,5
Toen wijlen mijn zwager door Amerika toerde (klinkt ruig hè? maar dat was met het Residentie Orkest) nam hij wat muziek voor mij mee, en naast Eric Clapton's Rainbow Concert (de enige andere plaat die ik me van hem nog herinner) zat daar ook Boogie with Canned Heat bij, maar dan niet op elpee maar op musicassette, het ouderwetse maar nu voorbespeelde cassettebandje. Ik heb daar heel veel plezier van gehad, en later nog een paar nummers ervan via een verzamel-CD in huis gehad, maar nu ik hem dan eindelijk op CD heb gekocht kom ik er achter dat die musicassette-versie toch niet zo ideaal was. Ik ontdek nú namelijk pas dat de plaat zelf tien nummers telt terwijl er maar acht op die musicassette stonden: Turpentine moan en Whisky headed woman no 2 waren gewoon weggelaten (alsof het album zo extreem lang duurde?!), en daarnaast was de volgorde van de nummers ook nog eens grotendeels omgegooid, zodat ik het album ken met op kant A Evil woman, World in a jug, An owl song, My crime en On the road again, en op kant B Amphetamine Annie, Marie Laveau en Fried hockey boogie. (Zie discogs.) Gelukkig heb ik nu de "twofer" van Beat Goes On Records met daarop het titelloze debuut samen met Boogie with Canned Heat in prima geluidskwaliteit en met een aardig essay in het CD-boekje, en hoewel ik elke keer nog steeds een beetje teleurgesteld ben wanneer op World in a jug niet An owl song volgt (toch zeker een logisch één-tweetje?) vind ik het toch leuker om het album te horen zoals bedoeld. (Overigens krijg ik zelf naast "And don't... forget... to boogie..." ook vaak ongevraagd de regel "This is a song with a message!" in mijn hoofd.)
        En ik weet niet of het komt door de heerlijke sound (met een voller geluidsbeeld en veel meer "bottom" dan op de debuutplaat), of door het grillige en zeer afwisselende materiaal (het jazzy An owl song naast de knetterende blues My crime, het psychedelische On the road again naast het even trieste als grappige Amphetamine Annie, het Spartaanse Marie Laveau naast het uitbundige Fried hockey boogie), of door jeugdsentiment (maar dat geloof ik toch niet), maar ik vind dit nog altijd een geweldige plaat, met bijna alleen maar hoogtepunten in een perfecte mix van blues en feest.
        Overigens is er op mijn BGO-uitgave toch wel wat aan te merken, want het slotnummer Fried hockey boogie is ingekort van ruim 11 minuten tot 6:45, waardoor Adolfo de la Parra's drumdemo en vooral Henry Vestine's gitaarsolo flink wat hebben moeten inleveren. Wellicht is dit gedaan om de twee platen (verder) integraal op één CD te kunnen zetten? Het is natuurlijk niet zoals het hoort, ook al omdat BGO er noch op de hoes noch in het boekje ook maar íéts over zegt, maar persoonlijk heb ik er geen moeite mee, want de oorspronkelijke "uitgerekte" versies van genoemde solo's behoren wat mij betreft niet tot de hoogtepunten van de plaat, en deze ingekorte versie is zo al smakelijk genoeg.

Canned Heat - Canned Heat (1967)

poster
2,5
Na de ronkende loftuitingen van mijn voorganger moet ik bekennen dat ik hier toch echt niet warm voor kan lopen. Aan het materiaal ligt het natuurlijk niet, maar ik vind de gitaarsolo's nergens echt spannend, het geluid is dun en braaf met de ritmesectie vaak in één oor en de ingetogen slaggitaar in het andere, en de vergelijking met de debuutplaat van CCR dringt zich steeds op omdat daarop wèl een spannend en broeierig geluid hand in hand met een gedreven performance gaat. Wat overblijft zijn de sterke stemmen van Bob Hite en op Help me Al Wilson, en die geven de muziek z'n karakter waardoor ik Canned Heat kan beschouwen als "an electric R&B band, whose records were fast, loud and exciting when Bob Hite was singing, yet strange and other-worldly when Al Wilson sang lead", zoals het boekje bij mijn boekje bij Beat Goes On Records-2-on-1-CD vermeldt, maar aan dit debuut hoor ik dat eigenlijk niet af. Te pijnloos.

Canned Heat - Let's Work Together (1989)

Alternatieve titel: The Best Of

poster
4,5
Bizar dat er bij dit album slechts één bericht is geschreven, en dát al meer dan 15 jaar geleden. Dit is inderdaad een prima compilatie, hoewel enigszins "scheef" samengesteld uit de zes albums van tussen 1967 en 1971, want terwijl vijf van die zes platen maximaal 3 nummers aanleveren, ziet Future blues (1970) hier maar liefst zes van zijn negen nummers verschijnen, terwijl dat toch bepaald niet de meest succesvolle plaat van Canned Heat is.
        Maar goed, het gaat uiteindelijk om de inhoud, en die is dik in orde, beginnend met de elementaire klassiekers van het debuut en daarna steeds meer experimenterend met andere geluiden en songstructuren binnen (en buiten) het zelfverkozen keurslijf van de blues. Wanneer de band echt los gaat hoor je pas hoe goed ze zijn, met twee krakende en piepende gitaristen en een zeer strakke ritmesectie, maar de voornaamste troeven zijn voor mij de twee zangers, allebei gezegend met een unieke stem – Bob Hite met zijn extreem krachtige zang die me soms doet denken aan David Clayton Thomas van Blood Sweat & Tears, altijd vol karakter en persoonlijkheid, en Al Wilson met zijn onwerkelijke falset die klinkt alsof hij niet aan een stoffelijk lichaam gebonden is. Allebei zeer individuele en sterke zangers, en ik hoor ze allebei even graag.
        Niet alles op dit album is even sterk; na de drie hits (want ook Let's work together was een succesvolle single, niet in Amerika of Nederland maar wel #2 in Engeland in 1970, zes jaar vóór Bryan Ferry's bewerking) zakt het album halverwege een beetje in met flauwe standaard-bluesjes als Boogie music, Sugar bee en het duet met Little Richard Rockin' with the King, maar... oorspronkelijk was dit een dubbelelpee met 16 nummers (een uitgebreide versie van de compilatie Cookbook uit 1969), maar voor de CD-versie werden hier nog vier nummers (17-20) aan toegevoegd, en daardoor krijgen we gelukkig op het einde nog het majesteuze So sad (the world's in a tangle), een ruige blues-workout met een riff die voor mij gerust nog een paar minuten langer had mogen duren, maar in de acht minuten die het nummer nú duurt persen de mannen toch ook al een hoop indrukwekkend instrumentaal geweld (en een mooie ecologische boodschap). Bizar dat dit nummer oorspronkelijk niet op de compilatie stond, terwijl de volledige albumversie van Fried hockey boogie (ruim 11 minuten) wèl is opgenomen.
        (Als één van de vier bonusnummers krijgen we ná So sad als extraatje nog The chipmunk song, een soort kerstsingle van de band die zogenaamd wordt verstoord door de Chipmunks die de studio binnen komen vallen. Wie niet weet wie de Chipmunks zijn en hoe ze klinken: houden zo, tel je zegeningen.)
        Conclusie: een niet over de hele linie gelijkmatige, maar als geheel toch sterke compilatie met genoeg hoogtepunten om hier een aanrader van te maken.

Caravan - Back on the Tracks (1998)

Alternatieve titel: Live on the Continent

poster
4,0
Een dubbel-CD met daarop het concert dat Caravan op 27 september 1997 in Tivoli gaf. Natuurlijk met Pye Hastings, Richard Coughlan en Geoffrey Richardson, en verder met Doug Boyle op sologitaar, Jim Leverton op bas en Simon Bentall op percussie (waar ik zelf amper iets van hoor), maar het leukste is dat Dave Sinclair op het oude nest is neergestreken en zijn karakteristieke orgeltje weer in het totaalgeluid kan mengen. Naast Sinclair zijn Richardson en Boyle hier het opvallendst aanwezig: de eerste omdat zijn viool de melodie altijd zo subliem vleugels kan geven, de tweede omdat hij aan veel nummers een behoorlijk stevig sologitaargeluid toevoegt, iets dat ik op voorhand voor deze muziek niet zo geschikt zou hebben gevonden maar dat uiteindelijk toch wonderwel past.
        Van de 15 nummers (eigenlijk 14, want in de studioversie op For girls... vormen Memory Lain, Hugh en Headloss één tracknummer) komen er 7 van de "klassieke" albums (1969-1973), 7 van het recente (en uitstekende) The battle of Hastings (1995) en één van Better by far uit 1977. Uiteraard zijn Nine feet underground en For Richard de showstoppers, maar de springerige plaatopener Memory Lain, Hugh en het spannende It's not real zijn eveneens hoogtepunten. Het geluid is aangenaam en warm maar niet erg fel of geprononceerd, en wanneer ik het op gematigd volume afspeel vind ik vooral de leadzang wat te weinig op de voorgrond treden (hetgeen met de dunne stem van Hastings toch al gauw het geval is). Desalniettemin zal de liefhebber hier toch wel de volle 100 minuten van genieten, want ook na bijna 30 jaar lijkt deze band er nog altijd evenveel plezier in te hebben, en aan het magnifieke repertoire zal het natuurlijk niet liggen.
        Hoewel volgens de hoes een Limited Edition is deze CD gewoon in de winkel verkrijgbaar, maar bij het concert van Caravan in de Boerderij in oktober 2012 werd hij gratis aan alle bezoekers uitgedeeld door Jasper A. Smit van CoCaCamp aka The Continental Caravan Campaign, de Caravan-fanclub. Waarvoor hulde.

Caravan - Back to Front (1982)

poster
3,0
Een leuke plaat van Caravan, allang niet meer in symfomodus maar warempel wel weer in de oorspronkelijke bezetting, dus met Pye Hastings op gitaar en zang, Richard Sinclair op bas en zang, Dave Sinclair op toetsen en zang, en Richard Coughlin op drums (en de "voice" op het eerste deel van slotnummer: "Why don't you get a proper job – something where you can earn some money for a change!"), met voor de blaasinstrumenten de medewerking van Mel Collins, die met bijvoorbeeld zijn saxsolo's op Videos of Hollywood Pye's broer Jimmy soms doet vergeten.
        Leuk is ook dat er eveneens verschillende componisten aan het werk zijn, met Hastings en Richard Sinclair elk goed voor twee composities, terwijl Dave Sinclair zelfs drie nummers aanlevert en het achtste nummer een samenwerking tussen hem en Pye Hastings is (met hulp van Sinclairs songschrijfpartner John Murphy). En de muziek weerspiegelt die diverse inbreng, want er zitten mooie up-tempo-popnummers in (zoals Richard Sinclairs leuke opener, één van de hoogtepunten van de plaat), fraaie ballades (Dave Sinclairs Sally don't change it) en het sterke slotnummer (ook van Dave Sinclair) met z'n verschillende solo's en lange instrumentale outro.
        De plaat heeft ook wel wat mindere momenten, zoals Bet you wanna take it all / Hold on hold on met z'n new-wave-achtig simpele drumwerk en irritante sax, het flauwe AA man en de redelijke maar niet opzienbarende ballade All aboard, en het album als geheel heeft helaas toch wel flink te lijden onder dat grote aandeel, zodat dit niet één van Caravans betere popplaten kan worden genoemd. Desalniettemin een leuk en innemend album.

Caravan - Better by Far (1977)

poster
3,5
De progtijd was voorbij, en punk, funk en disco kondigden zich aan. En zoals zovele bands uit die tijd moest ook Caravan –naar ik aanneem onder druk van platenmaatschappij en/of tegenvallende verkoopresultaten– de muzikale koers enigszins verleggen richting kortere en meer poppy nummers. Tot zover het slechte nieuws, want het goede nieuws is dat deze band die omschakeling redelijk succesvol gemaakt heeft, misschien niet in commercieel opzicht maar wel kwalitatief. Nee, het niveau van de eerste vijf platen wordt niet gehaald, en wie hier de "oude" Caravan verwacht zal bedrogen uitkomen, maar de groep brengt hier smaakvolle, vriendelijke, melodieuze en interessante popmuziek met een sausje van folky prog, een beetje in de richting van Camel maar dan iets eigenzinniger.
 

Caravan - Blind Dog at St. Dunstans (1976)

poster
3,5
Een vanwege de tijdsgeest wellicht noodzakelijke muzikale koerswijziging op elegante wijze volbracht : van symfonische muziek met pop- en folkinvloeden naar zeer goed verzorgde popmuziek met symfonische invloeden. De bezetting : Pye Hastings (gitaar, zang en bijna alle composities), Mike Wedgwood (bas en zang), Geoffrey Richardson (viool en fluit), Jan Schelhaas (toetsen) en Richard Coughlan (drums), en met de gebruikelijke hulp van "Brother James" (Pye's broer Jimmy op diverse blaasinstrumenten).

Veel inventiviteit, aanstekelijk spelplezier dat zelfs mindere stukken in de vaart meesleept, en een kleurig geluid dat dankzij de bezetting ook veel mogelijkheden biedt qua solo-instrumenten : gitaar, diverse soorten toetsen, viool, sax, klarinet en –eh– een blaffende hond (ongetwijfeld die uit de albumtitel). En een moment dat de adem doet stokken : de overgang van het poppy A very smelly, grubby little oik naar de atmosferische instrumental Bobbing wide.

Prima uitgave van Repertoire Records met uitstekend geluid, helaas zonder bonustracks. Zoals Chris Welch in het aardige boekje stelt : "If ever a band could make you smile – it was Caravan."
 

Caravan - Caravan (1969)

poster
4,0
Zoals ChrisX al zegt, niet zo "sophisticated" als Sgt. Peppers en Piper at the gates of dawn (of bijvoorbeeld Traffics Mr Fantasy) -- noch als de hieropvolgende albums van Caravan zelf. Wel een zeer innemend album, want gemaakt met de beste bedoelingen, en met wat mij betreft ook hier al twee meesterwerkjes, de plaatopener en het prachtige Love song with flute. De vier platen die Caravan hierna maakte vind ik allemaal beter, maar ik zou deze toch absoluut niet willen missen.

Caravan - Cunning Stunts (1975)

poster
3,5
Mijn voorganger zet de zaken al aardig op een rijtje: het symfonische tijdperk was vrij acuut tot een einde gekomen, zeker voor een iets kleinere band als Caravan, maar aangezien hun muziek smaakvol, goed uitgebalanceerd en rijk gearrangeerd bleef, hadden (en hebben) ze nog zeker bestaansrecht.
        De eerste kant van deze plaat is een zeer gevarieerd geheel, van de prachtige en bijna filmische opener via de leuke poppy single Stuck in a hole en het romantische Lover (op en bijna óver het randje, maar met bijzonder fraai vioolspel van Geoff Richardson) tot Pye Hastings' meeslepende No backstage pass en het funky Welcome the day. Daarna blijkt de vos wel zijn haren maar nog niet zijn streken te hebben verloren, want bijna de hele tweede plaatkant wordt gevuld door een het lange Dabsong conshirtoe, net als de plaatopener een samenwerking tussen toetsenist Dave Sinclair en tekstschrijver John Murphy, met vanaf 7:30 een magnifiek instrumentaal gedeelte met solo's voor fluit, elektrische piano, gitaar, synthesizer en viool, maar daarna helaas ook een vijf minuten lange fade-out waarin fragmenten van de nummers van kant A terugkomen (bovenop een gitaarriff van Pye Hastings die wel lekker is maar niet vijf minuten lang lekker blijft), hetgeen het nummer een beetje als een nachtkaars laat uitgaan (ik neem aan dat Stijn daar ook op doelt als hij het over een niet echt geslaagde overgang heeft).
        Conclusie: een leuke en afwisselende plaat (met overigens veel en goede zang van de nieuwe bassist Mike Wedgwood), maar voor mij toch niet voor de volle honderd procent geslaagd, en niet zo sterk als bijvoorbeeld de opvolger Blind dog at St. Dunstans.
        Wat de bonustracks betreft, nummer 8 is dus de singlemix van nummer 2 (waarbij ik zelf weinig verschil hoor), nummer 9 zou twee jaar later als Behind you (en met een andere tekst) opduiken op Better by far, en nummer 10 is nu ook te vinden op het inmiddels eveneens op CD verschenen (en prachtige) Live at the Fairfield Halls 1974.

Caravan - For Girls Who Grow Plump in the Night (1973)

poster
5,0
Dit album kan worden beschouwd als de afsluiting van Caravan's symfonische periode, en voor mij (en volgens mij ook voor de meeste Caravan-fans – heeft er eigenlijk ooit iemand overwegen om hun fanclub de Carafanclub te dopen? je mag toch hopen van niet) is dit één van de (drie) hoogtepunten uit hun oeuvre. Toch duurt het altijd even tot ik daarvan doordrongen ben wanneer ik deze plaat opzet, want beide delen van het eerste nummer laten mij enigszins ademloos van het "overhaaste" tempo achter (hoewel het instrumentale deel dat beide stukken aan elkaar last, zo tussen 2:55 en 4:55, wel van een grote schoonheid is), en het daaropvolgende Hoedown vind ik zelfs een uitgesproken vervelend en boertig nummer.
        Gelukkig komt dan het mooi dromerige Surprise, surprise om het niveau op te krikken, en C'thulu thlu is zelfs een zeer spannend nummer met een prachtig onheilspellend instrumentaal tussenstuk. En dan kant 2... tja, daar kan ik weinig slechts over melden. The dog, the dog is zowel qua tekst als qua melodie heerlijk warmbloedig (inclusief een prachtige toetsensolo van Dave Sinclair – blij dat hij terug is), Be alright is een lekker up-tempo-nummer dat naadloos overgaat in het fraaie Chance of a lifetime (waarop de nieuwe aanwinst Geoff Richardson het definitieve bewijs levert dat zijn viool inderdaad een verrijking voor het Caravan-geluid is), en L'auberge du sanglier is een fantastische afsluiter met een werkelijk bedwelmend orkestraal arrangement.
        Kortom, ondanks het eerste kwart (waarvan de ritmes mij dus tegenstaan) is dit uiteindelijk een geweldige plaat en voor mij na If I could... en In the land of grey and pink inderdaad het derde meesterwerk van deze band. (Bovenstaande tracklisting is trouwens die van de uitstekende geremasterde uitgave van Decca uit 2001, met als bonustracks vier alternatieve en/of vroege versies van nummers van het reguliere album plus het elf minuten lange Derek's thing, een zeer interessant instrumentaal nummer vol fraaie solo's.)
        Overigens heeft dit natuurlijk niets met de muziek te maken, maar in het informatieboekje bij de geremasterde CD staat een passage die mij nog altijd verbaast. Daarin wordt gezegd dat er in het begin bij het Caravan-publiek nogal wat weerstand tegen nieuwkomer Richardson bestond, maar toen eenmaal duidelijk was hoe goed hij kon spelen werd hij al spoedig "one of the band's main focal points". Nu heeft (vrijwel) elke band natuurlijk zo'n blikvanger (bijvoorbeeld een opvallende leadzanger), maar Caravan (een band met op dit album vijf leden) heeft er volgens de schrijver dus meerdere, en binnen die groep van blikvangers kun je dan dus nog onderscheid maken tussen de gewone en de "main focal points", en binnen die laatste categorie is Richardson er dan nog maar één. Bizar hoe zo'n bescheiden band nog zoveel verschillende soorten en maten blikvangers kan herbergen...

Caravan - If I Could Do It All Over Again, I'd Do It All Over You (1970)

poster
5,0
Opvolger In the land of grey and pink geldt over het algemeen als hun beste plaat -- zo ook op MusicMeter (hoewel één ander Caravan-album hoger scoort, maar dan op basis van niet meer dan vier stemmen). If I could do it... doet daar echter naar mijn smaak eigenlijk niet voor onder, met name dankzij de vier langere nummers waarop de fraaie melodieën, de instrumentale passages en David Sinclairs orgelsolo's (For Richard!) een bijna extatisch effect bereiken. Prachtig.

In de post direct hierboven doelt Gert P. op de momenteel gangbare geremasterde uitgave uit 2001, met daarop als bonustracks demoversies van tracks 2, 3 en 5, plus een aardig nummer (opgedragen aan hun geluidstechnicus) dat nooit op de oorspronkelijke elpee is verschenen, met ook weer zo'n geweldige solo op dat karakteristieke orgeltje.
 

Caravan - It's None of Your Business (2021)

poster
3,5
Ik deel wel het algemene enthousiasme hier, maar niet helemaal de intensiteit ervan. Prachtig dat deze mannen (52 jaar na het elpeedebuut van Pye Hastings) nog enthousiaste en goede muziek maken, en de foto van de huidige line-up met door het leven getekende koppen aan de binnenkant van het CD-hoesje dwingt bewondering af, maar de tweede helft van het album bevat wel de nodige melige momenten, en hoewel de CD qua geluid zodanig is geproduceerd dat de sterke punten van de stem van Pye (timbre, intimiteit, warmte, toonhoogte) worden benadrukt, kan dat voor mij niet verhullen dat zijn stem nu toch wel de nodige kracht is gaan ontberen.
        Maar goed, er zitten geen echte skipmomenten tussen, de teksten snijden af en toe mooi hout, er zitten verrassend lekkere gitaarsolo's in, en Mark Walker houdt er flink het tempo in – ik kan me voorstellen dat ze indertijd bij zijn auditie zeiden: "Nou, we zijn dan misschien al wat op leeftijd, maar we hopen dat jij je als jonge hond niet gaat inhouden, geef ons maar lekker wat peper in de reet!" Hetgeen hij al sinds jaar en dag met verve doet.
        Overigens zou ik dit geen symfo of prog durven noemen: er zitten geen rare maat- of tempowisselingen in, er worden geen muzikale extremen opgezocht, het instrumentarium is rijk (gitaar, toetsen, viool, mandoline, blaasinstrumenten) maar wordt nergens ingezet voor onnodige virtuositeit of vingervlugheid, en van de twee lange tracks bestaat de ene eigenlijk gewoon uit twee losse nummers met een bruggetje en duurt de andere gewoon lang zonder dat er sprake is van een bijzondere opbouw of een plotselinge sfeerwisseling. Wat mij betreft is dit gewoon een mooie popplaat van een band die nog altijd wat speciaals kan brengen. (En Luna's tuna had nog wel een paar minuten langer mogen duren.)

Caravan - Live at the Fairfield Halls, 1974 (2002)

poster
4,5
Wat jammer toch dat er nog steeds niet veel aandacht is voor deze leuke band in het algemeen en dit mooie live-album in het bijzonder. Ik ben het met Michael c hierboven eens dat The love in your eye en For Richard de hoogtepunten van dit concert zijn, maar ik wil toch ook even wijzen op de prachtige manier waarop toetsenist David Sinclair en violist Geoffrey Richardson op het einde van L'auberge du sanglier met hun instrumenten het hele orkest van op de studioversie vervangen zonder dat je dat orkest eigenlijk mist, hetgeen erop duidt hoe goed zij hun instrumenten beheersen (maar ook op hoe sterk de melodieën zijn: ook zonder orkestraal arrangement blijven die hier moeiteloos overeind).

Caravan - Paradise Filter (2013)

poster
3,5
Dit album borduurt min of meer voort op de stijl (en het niveau) van The battle of Hastings (1995) en de nakomelingen daarvan, dus we horen hier wederom verzorgde popmuziek met af en toe een folky inslag dankzij de smaakvolle viool- en fluitpartijen van Geoffrey Richardson, en met sinds enige tijd de nieuwe impuls van het energieke drumwerk van Mark Walker. De symfonische tijden van Richard en David Sinclair zullen niet meer terugkeren, maar met de kwaliteit van de composities op met name de eerste helft van dit album heeft Caravan nog meer dan genoeg bestaansrecht. Kenmerkend voor de huidige groepssound (naast de kortere nummers en de al genoemde inbreng van Richardson) is al jaren de inmiddels bijna fluisterende zang van Pye Hastings, soms té zacht en daardoor afbreuk doend aan de impact van nummers als Dead man walking en I'll be there for you, maar gelukkig regelmatig met tegenwicht in de vorm van bijvoorbeeld een gemeen hamerende piano en een knersende gitaarsolo op This is what we are of subliem vioolwerk op Farewell my old friend.
        De nummers op de tweede helft van de plaat zijn kwalitatief wat minder, gedeeltelijk melige up-tempo-luchtigheid (de titels van Pain in the arse en Trust me I'm a doctor zeggen al veel) en gedeeltelijk soft-pop, hoewel Farewell my old friend wel een ontroerende emotionele ondertoon heeft als in memoriam voor Caravan-drummer van het eerste uur Richard Coughlan (1947-2013), maar ook voor alle generatiegenoten die Hastings (1947-) de afgelopen jaren heeft moeten begraven. Grootste verrassing is daarna het slotnummer, de enige track die niet door Hastings werd geschreven maar door Richardson en toetsenist Jan Schelhaas (en door de eerste wordt gezongen), waar na een minuut of drie een orgelsolo is te horen met een sound die onmiddellijk herinneringen oproept aan David Sinclairs werk op If I could do it all over again I'd do it all over you (1970) en In the land of grey and pink (1971). Welke Caravan-fan zou daarvan geen grote grijns op z'n gezicht krijgen?
        Paradise filter voegt niets toe aan de geschiedenis van de popmuziek, en misschien zelfs ook niet veel aan het oeuvre van Caravan, maar wie deze band een warm hart toedraagt en ook van hun latere poppy werk houdt zal hier veel plezier aan beleven.

Caravan - The Battle of Hastings (1995)

poster
4,5
The battle of Hastings indeed – de officiële hoes staat weliswaar vol riddertaferelen naar aanleiding van de beroemde slag in 1066 tussen Normandisch-Franse en Angelsaksische legers, maar de titel van dit album is ook een knipoog naar de inbreng van drie verschillende twintigste-eeuwse Hastingsen, namelijk gitarist-zanger-componist-bandleider Pye, zijn zoon Julian (die het album produceerde) en zijn broer Jimmy (die zoals gewoonlijk weer op diverse nummers evenzovele blaasinstrumenten bespeelt).
        Caravan anno 1995: de artistiek succesvolle maar commercieel vrij magere tijden van In the land of grey and pink en For girls who grow plump in the night lijken bijna net zo lang geleden als de slag rondom Hastings, en inmiddels zijn de trefwoorden pop (het meeslepende It's a sad sad affair, het opzwepende Liar en het vrolijke If it wasn't for your ego), romantisch (Somewhere in your heart, Don't want love), humoristisch (het neuzelende Wendy wants another 6" mole, en moeten we daarbij ook het baslijntje van This time rekenen omdat dat zo doet denken aan Nothing at all van Waterloo Lily?) en folky (het verlangende Travelling ways, mooi gezongen door bassist Jim Leverton) met misschien af en toe nog een zweem van symfonische invloeden (zoals op het stevige outro van het slotnummer).
        Wie gewend is aan de symfonische platen van 1968-1973 zal zich misschien even stevig achter de oren krabben, en dan is het de vraag of deze recentere nummers goed genoeg zijn om die luisteraar van vroeger te overtuigen. En gelukkig (voor wie deze band een warm hart toedraagt) kan ik dat volmondig bevestigen: de melodieën zijn dikwijls ijzersterk, het musiceren is meestal volbloedig en stevig en de arrangementen zijn rijk en veelgelaagd. Naast de gebruikelijke basisbezetting van gitaar, viool, toetsen, bas en zang is er zoals gezegd dus ook weer ruimte voor de toeters van "brother James", en hoewel bij deze band de aandacht meestal uitgaat naar Pye Hastings en het toetsenwerk van de vroegere pianist/organist Dave Sinclair moet de bijdrage van Jimmy Hastings aan het oeuvre van Caravan (al vanaf het debuutalbum!) ook niet onderschat worden, getuige hier bijvoorbeeld eerst de saxsolo op It's not real die rechtstreeks de hemel in gaat en direct daar na de zeer aardse klarinet op Wendy wants another 6" mole – in al die jaren weet Hastings (de broer dus) steeds precies de juiste partijen met het juiste geluid te blazen, aldus een vaak over het hoofd gezien maar toch zeer belangrijk aandeel aan de Caravan-sound leverend.
        Conclusie: een warme, kwalitatief hoogstaande popplaat van een band die hier zijn tweede jeugd lijkt te beleven, en voor zover ik hun werk ken het beste album dat ze sinds For girls hebben afgeleverd. Commercieel succesvol zullen ze wel nooit worden, en de dunne stem van Pye Hastings zal misschien nog steeds veel mensen tegen de borst stuiten, maar ík ben er blij mee.