MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten henrie9 als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Wannes Cappelle & Nicolas Callot - Kom, Benevelt Mie! (2020)

Alternatieve titel: Schubert in het West-Vlaams

poster
4,0
Wannes Cappelle, onze sympatieke voorman van Het Zesde Metaal is een behoorlijk bezige bij en bovendien is ie van heel vele markten thuis. Laatst hoorde ik hem nog met veel genoegen terug met z'n even onvolprezen als onbekende 'Dit Is De Bedoeling'-samenwerking, juweeltje met Broeder Dieleman en Frans Grapperhaus uit 2019. De duo-samenwerking nu met de gerenommeerde Vlaamse pianist Nicolas Callot gaat dan weer een heel andere richting uit en dateert uit dezelfde periode. Het project 'Kom Benevelt Mie' zag het eerste levenslicht als afsluiter van het Festival van Vlaanderen in Kortrijk. Er kwam een opname van in het voorjaar 2020 in De Singel Antwerpen, de cd verscheen iets later in november, maar dan kon door de lockdown het gezelschap pas in 2022 volop de zalen in. 'Kom Benevelt Mie', met z'n alternatieve titel 'Schubert In Het West-Vlaams', het is een omzetting dus van het Hoogduits 'Komm, Beglücke Mich'. Op vraag van vriend-pianist Callot vertaalde Wannes uit het dikke songbook van wel zeshonderd door Schubert nagelaten liederen er twaalf in eenvoudig begrijpbare West-Vlaamse poëzie. Krijg je dus - ook de radio Klara-fan - een Schubert zoals je hem nog nooit eerder hoorde. Een Schubert blijkbaar ook wonderwel bekkend in dat sappige West-Vlaams van Wannes en Vermandere. Teksten met een vergelijkbare eenvoud, want ook Schubert was man van weinig woorden die tegelijk zoveel mogelijk moesten zeggen. Het werden vrije interpretaties in de vertaling dat wel, maar zowel inhoudelijk als muzikaal probeerde Wannes toch zoveel mogelijk tred te houden met het origineel. 't Werd daarbij puzzelen vanuit dat Hoogduits van Goethe en zelfs een klus om de trouw aan het liedje vol te houden als het niet echt strookte met Wannes' eerder beperkte, want intimistische stembereik. Je hoort nu eenmaal een zanger, weliswaar met een kleinkunstopleiding aan Herman Teirlinck, met een hoge mannenstem en een toch bij Schubert passend stemtimbre, maar toch ook iemand die met zijn onperfecties gewoon helemaal zichzelf staat te wezen in een voor hem totaal ongewoon strikt klassiek kader.

Nu, Schubert als singersongwriter was zelf óók niet de beste zanger, maar hij maakte en zong waar het hem uitkwam toch ook even graag zelf en zonder schaamte. Zijn liedjes waren er voor iedereen. Schubert, man met vele honderden songs op zijn conto, de meesten binnen de drieminutengrens en met goede refreinen, dan kan je hem zelfs zowat de vader van de folk- en popsong noemen. Dan lijkt de afstand Wannes-Schubert plots toch helemaal niet meer zo onwaarschijnlijk, laat staan onoverbrugbaar.

Net als tweehonderd jaar geleden werden zang en piano in dezelfde ruimte opgenomen. Een Wannes die zo in zijn West-Vlaams en met Schubert's rauwe, naakte songs, zonder opsmuk van zijn groep, voor het voetlicht komt, dat maakt tegelijk ook kwetsbaar. De performance met Callot is echte voorgrondmuziek en alles komt heel ontwapenend binnen. Ja, als in de tijd van Schubert dus, piano, zanger en gehoor, alles samen in een gezellige kamer. Wannes beweert voor dit origineel project evenwel enkel positieve reacties te hebben binnengekregen. Geen verrassing. Aanraders om dit te fijnproeven: 'Ständchen', 'Heidenröslein', 'An Silvia'.

Vraag is intussen of zijn toch zeer brede aanhang in de appreciatie van 'Kom Benevelt Mie' ook even veelzijdig zal zijn als hijzelf. Deze unieke plaat verdient bijval! Dus, in Wannes' eigen woorden herhaald, zoals hij laatst tijdens een signeersessie voor een wegens hartoperatie afwezige fan zo mooi in sierlijke, bijna Hoogduitse lettertekens neerpende: "Laat Schubert U Het Erte Raken." Geen betere aanbeveling mogelijk voor dit fraaie 'Kom Benevelt Mie'.

Wannes Cappelle & Nicolas Callot - Verslegen Nevest Gie (2022)

poster
4,0
Een speels surrealistisch beeld, kamerlamp schijnt neer op pianist Mozart, hij in gezelschap van een vogeltje in een kooi en een gretige kat, het hele tafereel ergens drijvend op een Oostenrijks meer, net als die op het water meeglijdende cello...

Er bestaat daarmee al twee jaar een link tussen Leonard Cohen, Wannes Cappelle van Het Zesde Metaal en pianist Nicolas Callot. Na eerst de befaamde 'You Want It Darker'-hoes van Leonard's laatste album maakte de Belgische kunstenaar Sammy Slabbinck intussen ook dit even schitterende, geestige artwork voor hun nieuwe samenwerking 'Verslegen Nevest Gie', volledig in de trant trouwens van, nog daarvóór, hun rijmende eerste album 'Kom, Benevelt Mie'. Na Schubert nu dus ook Mozart in 't West-Vlaams.

Met het succesvolle 'Kom, Benevelt Mie' nam het duo voor het eerst een dozijn liederen van Schubert (1797 - 1828) onder handen en nu, twee jaar later, is Mozart (1756 - 1791) met een volgende twaalf aan de beurt. De aparte Schuberthommage had blijkbaar verrassend toch zijn publiek gevonden, was zelfs even naar de top van de klassieke platenverkoop geschoten, het had dus duidelijk de juiste snaar geraakt. Het bleek een uniek, verrijkend én vernieuwend project dat dan ook, in de luwteperiodes van Wannes Cappelle's drukke agenda, alleen maar om meer kon vragen.

Woordenlefgozer Wannes Cappelle verdiepte zich, na zijn eerste geslaagde 'klassieke zangervaring', dus intussen zo vrij als een vogeltje in de omturning van Nicolas Callot's aangereikte Mozartsongs. Mozart heeft er daar slechts een dertigtal van geschreven, samen met de aria's uit zijn toen geweldig populaire opera's als 'Don Giovanni' en 'Die Zauberflöte'. Hier dus alleen nog even kwestie om te kiezen welke daarvan best bij het stembereik van Wannes zouden passen. Mits nóg meer stemoefeningen dan bij Schubert natuurlijk. Of hoe onze ervaren singer-songwriter op zijn beurt op zijn 43ste zelfs een betere zanger werd.

Schubert had al meer aangeleund bij Wannes' stembereik, maar ook bij zijn eigen, soms donkere repertoire. Dan krijg je ineens de uitgesproken frivoliteit van een humorist als Mozart, hetgeen we nog zo voor ogen zien vanuit de film 'Amadeus'. Nu, humor en fratserij is Wannes Cappelle toch ook net zo min vreemd, zeker voor wie de man kent van het podium of van de successerie 'Bevergem'.

De Mozartmuziek, hoe eenzaam ook, enkel op pianoforte, blijft boven alles subliem. Maar die originele lyrics, neen, die zijn geen grote dichtkunst. Je leest er eerder zelfs bedenkelijke teksten zonder veel inhoud, door een guitige Mozart hoogstens gekozen omwille van de ironie of de dubbele bodems. Hoe plechtig ze toen dan toch werden gezongen in het mondain Duits of Italiaans, ze bleven vluchtig en ondergeschikt aan de muziek.

Dit onevenwicht is met dit 'Verslegen Nevest Gie' nu dus geheel rechtgezet! Wannes gooide al die al eeuwen gebetonneerde teksten gewoon overboord en met de poëzie die hij erin injecteerde werd het geheel er uiteindelijk een stuk verhevener door. Meer diepgang, meer lagen en tegelijk alles meer eigentijds verhalender en bevrijdender. De herhaalde optredens met Callot maken trouwens dat hij nu, alhoewel dichtbij zijn spreekstem gehouden, met veel meer zelfvertrouwen zingt. Absoluut nooit op de strikt klassieke manier, maar daardoor juist veel directer en toegankelijker, waardoor de aandacht, naast naar de muziek, evenveel naar Wannes' Mozartverhaal gaat. Die originele Mozartsongs waren basic speels en stonden zelfs niet veraf van de boertige leute van toen. Dit in hedendaagse woke-tijden aangepast brengen was dan ook een veel grotere klus dan bij de gelikte Schubert. Met heel wat dichterlijke vrijheid slaagde de operatie 'omzetting' dan toch feilloos. Als een virtuoos ging hij ook die stokoude teksten volledig naar zijn hand zetten en hij maakte ze, toch met respect voor het origineel, alleen maar aantrekkelijker.

Je moet hun 'klassieke optredens' dan ook minstens eens gezien hebben. Wij zagen hem in een knusse Foyer, een matinée vol ambiance, in de Handelsbeurs in Gent. Hij speelde er met het materiaal en maakte er live, met even frivole Vermanderiaanse bindteksten, evengoed een Mozartshowtje van. Alles fris en toch oorspronkelijk, mét de onperfecties die erbij horen. Een enkele stem en een uitstekende pianist met een superbe pianoforte uit eigen collectie, bijna een kopie van Mozart's exemplaar.

Over die Mozartliedjes dan. 'Komm, Liebe Zither', of hoe je in een simpel liedje meer kwijt kan dan in een gewone omfloerste conversatie van man tot man en het West-Vlaams dat daar vooral bij blijft hangen: "Oe da vur heur min erte brandt." Het aandoenlijke 'Das Veilchen', over het viooltje in de wei, dat door het mooiste meisje wil worden geplukt en even blij is als het enkel maar door die lieveling wordt platgetrapt. 'Der Vogelfänger Bin Ich Ja', Mozart's logelied uit 'Die Zauberflöte', zijn ingangsexamen voor nieuwe leden en dus vol verwijzingen naar rituelen en symboliek uit de vrijmetselarij. Uiteraard met het wereldberoemde fluitriedeltje en vogelvanger Papageno op zoek om nu West-Vlaamse 'meiskes per dozin te pakken'.

Uit het hilarische 'An Chloë' komt de grappige plaattitel 'Verslegen Nevest Gie', het gaat over het, alsjeblieft, over het na het orgasme, uitgeput naast jou liggen. Of houden we het liever bij Wannes' nederige verslagenheid, nu hij zich zo pal naast Mozart bevindt? In 'Das Lied der Trennung' maakt Wannes een passende selectie uit de originele strofes en kneed hij ze om tot een eigen verhaal met een boodschap en vooral meer punch. 'Das Lied der Trennung' blijft het pure liefdeslied der scheiding, de grote liefde voor Louise die op een sisser afgelopen is en toch nog de angst vergeten te worden. Het dramatische, donkere 'Adagio in B Minor Kv 540' is dan het instrumentale rustpunt middenin het album, waar Callot zijn fraaie pianoforte volledig solo loos laat gaan.

'Ein Mädchen Oder Weibchen' is dan nogmaals een luchtige Papageno op liefdespad. Een dolkomisch lied vol donzige West-Vlaamse 'wuvjes en duvjes'. 'Wiegenlied' is bijna een Wannes Cappelle-song, met weliswaar opnieuw die Mozart-kwinkslag over het wellustige gekreun in het nachtelijk stille kasteel, van de huismeid, 'de moarte die sukkelt met heure voet'. Het intimistische liefdeslied 'Deh, Vieni Alla Finestra' komt prachtig over met de bijna mandolineklank van Callot's pianoforte. Het is een schalkse verleidingssong in de mond gelegd van de bedenkelijke Don Giovanni. Wannes' omzetting is zo dicht mogelijk bij het Italiaans gebleven, waardoor nu bijna zangerig West-Vlaams Italiaans over ons heenkomt. 'Der Zauberer' gaat over bij nacht bij dames toeslaande tovenaars ('tovereirs'). Het slachtoffer getuigt en waarschuwt de mooiste vrouwen zich niet door mooipratende hufters te laten opnaaien. Gelukkig was in haar geval haar moeder in de buurt.

Het mooie 'Lied zur Gesellenreise' over de zoektocht naar bewustzijn en licht (in 't West-Vlaams 'lucht') en Wannes' kwinkslag live daarbij dat "West-Vlamingen de enige zijn die lucht in licht kunnen omzetten". Het muzikaal schitterende 'Abendempfindung' dan is eigenlijk een duister, dubbel liedje met een geweldige tekst over dood en verdriet. Maar het gaat over het zelfmedelijden van het personage die al het moois van zijn eigen begrafenis zou willen zien en horen. Zo over de top is het dat het - volledig los van de muziek - drijvend op zwarte humor toch een extreme grap wordt.

De West-Vlaamse ode aan Mozart in 'Geslegen Nevest Gie' is een album dat binstdien vaak de lach oproept en waarvan, net als bij de optredens, achteraf de glimlach bij iedere draaibeurt lang nablijft.
Schubert en Mozart in 't West-Vlaams. So, what's next? Er is bij de artiesten de stiekeme hoop om ooit ook Schubert's 'Winterreise' in die setting te vertalen. Maar evengoed worden het straks laatromantische orkestliederen van Brahms of Wannes Cappelle en Nicolas Callot in een carabeteske Kurt Weill-show. Feit is dat Wannes Cappelle bewijst dat hij eender welk al geschreven verhaal op een heel aantrekkelijke manier kan hervertellen, net als die andere, dit jaar helaas overleden taalmeester-muzikant, Jan Rot, die zelfs geheel Bach's 'Matthäus-Passion' aandurfde en schitterend hertaalde.

... En intussen neen, geen verwarring! Dat andere grote lied, 'Ploegsteert', het is nog steeds niet van Mozart.

Weezer - OK Human (2021)

poster
4,0
Weezer, of ze nu zo mooi orkestraal versterkt worden, zoals hier, of straks, als ze met Van Weezer Van Halen een eresaluut proberen te brengen, ze behouden voor mij steeds hun originaliteit, pit en power. Dit hier wordt bij iedere beluistering aangenamer om horen, soms klinkt me dit zelfs regelrecht Queenesk in de oren! Grote artiesten kunnen gerust eens een ander jasje aantrekken, ze komen er mee weg.

Weezer - Van Weezer (2021)

poster
4,0
Een fel half uurtje Weezerhardrock (!) voor de festivalweiden, met een atypische setlist regelrecht gedompeld in een Van Halen-bassin. Voor zover nodig, ze zeggen 't je tussen song 4 en 5 zelf full in the face, "So you're saying I can't do this?..." Het weze duidelijk, ook deze tweede zeldzame Weezer dit jaar (na het even goede orkestrale  'No Human' ) staat pal als een rots. Songs, catchy as hell, dragen trots het metaljasje, maar ondubbelzinnig ook het Weezerembleem. Hier geen Amenra natuurlijk, maar pakkende riffs en solo's uit de stal van Van Halen, Aerosmith, Metallica en Kiss. Zeg nu zelf, heerlijk toch?

Wet Leg - Wet Leg (2022)

poster
4,0
Brengen nietige plaatsjes als Isle of Wight dus ook wel eens hun speelse bandje voort. Wet Leg nu, twee wilde jongelui met het schijt aan janboel, sjassen alles gewoon door met muziek zo fit en catchy dat de hemel er terstond van opfleurt. Die dartele frisheid, authenticiteit jonge veulens eigen, werd zeker al onmiddellijk door de Tiktokkers wereldwijd én het hongerige muziekgild opgevangen, en ja dan, in een mum, zit je, zo kort na de lockdown, in een knaller van een hype.

Maar tof dan toch? Geef dit Wet Leg drie minuten of minder en de vriendinnetjes Hester Chambers en Rhian Teasdale maken je een heerlijk rommelige, krokante hitsong waarin al hun jeugdige mijmeringen, hun hele nog vertwijfelde zwemmen door het leven glorieus zit verpakt. Zelfverklaard dom gemaakte liedjes, waar ze binstdien wel massa's lol aan beleven. Aan klare muzikale ideetjes vol energie, aan postpunky aanstekeligheid ontbreekt het ze evenmin, wat een vreugde! Alle nummers luisteren als sketches, jokes, overgoten met zelfverzekerd gevoel voor humor en cassante oneliners. Nee, geen lieverdjes in witte communicantenjurkjes dus deze dames van Wet Leg.

Het begon allemaal met het dubbelzinnige 'Chaise Longue', voor de wereld cool in beeld gebracht met een hupse selfmade £50-video. 'Chaise Longue', de hele dag door in je opa's luie lange ligstoel hangen en er broeden op je songs en lyrics, party- en festivalnummer én meezinger bij uitstek.
Ook 'Oh No', 'Too Late Now', 'Wet Dream', 'Angelica' of 'Ur Mum' zijn songs die in hun intensiteit zwiepen als zweepslagen. Glamour, kitsch, lekkere hooks, gewoon simpelweg gitaar, bas, drums en synths, eens gehoord, je blijft ze draaien.

Waarover ze het zoal hebben. Ze openen sterk en geschift met 'Being in Love', luid-stil nummer en Rhian, met altijd vlijmscherpe tong, over de chemische storm die in het jonge hoofdje opkomt bij romantische verliefdheid. Het soezerige 'Angelica', met wervelend vervormde gitaren, samen met zelfverzekerde Angelica boring afvalfeestjes afstruinen. 'I Don't Wanna Go Out', het nummer waarin David Bowie en Nirvana elkaar even riffend ontmoeten, opnieuw de sleur van party's tot diep in je twenties als loutere afleiding. En intussen toch maar je diepste verlangens oningevuld zien. Break-upnummer 'Wet Dream' fileert een zielige ex in een ultiem dansnummer met springerige gitaren en handklapjes. Het loungy startend 'Convincing', met voor een keer de dromerige vocals van Hester, wordt dan toch nog bijna een zonnige Beachboys-meezinger. 'Loving You', behoorlijk boze song over een giftige relatie. 'Ur Mum', het nummer met, grappig, de langste therapeutische schreeuw, frustratie na het mislopen van een relatie. 'Oh No', voor als je 'oh nee' wilt roepen naar leegheid en saaiheid van parallelle jongerenlevens in een smartphone-maatschappij. Kon wel een Deerhoof-nummer zijn. Het relaxte 'Piece of Shit', vermoeide schoffering van nog een ex.
Het charmante 'Supermarket', of hoe in tijden van lockdown supermarktbezoek haast smachtend de nieuwe nachtclub wordt. Het in crescendo stijgende 'Too Late Now' tenslotte, overweldigd, slaapwandelend op naar volwassenheid, niet alles is rozengeur, neem maar je tijd om alle shit te boven te komen.

Geen azijnzure afkaffering dus graag van dit bruisend tegendraadse Wet Leg, als waren het de zoveelste copycat-kutgroep. Wat zou het ook nog, ook de besten kopiëren als de beesten. Wet Leg had er even genoeg van om als ladies in hun twenties enkel mooi en cool te zijn, dan maar liever deze stoute muziek fabriceren en ermee uit de bol gaan. Beter je gewoon onweerstaanbaar laten verleiden dus door de bedrieglijke eenvoud van hun punk, disco of glamrock, hun triomf van het perfect onvolkomene. Het zijn een en al groeinummertjes hier, die van Wet Leg. Straks bij hun tweede krijg je dit potentieel wel bevestigd. We love it. We still enjoy!

Weyes Blood - And in the Darkness, Hearts Aglow (2022)

poster
4,0
Singer-songwriter Weyes Blood. Haar artiestennaam geïnspireerd op 'Wise Blood'. Op Lana Del Rey's 'Chemtrails' verleden jaar zong ze nog mee in de 'For Free'-cover van Joni Mitchell. Thuis is ze gewoon Natalie, Natalie Mering. Komt uit LA en heeft een van de prachtigste feeënstemmen van het moment. Daarmee schuift nu haar ster gracieus alsmaar hoger.

Begint je kennismaking met de Weyes Blood van nu, met haar vooruitgeschoven single en opener van de plaat, met 'It's Not Just Me, It's Everybody', dan gaan de gedachten spontaan wel weer, meer dan zes minuten lang, naar die sublieme Joni Mitchell. Maar andermaal en vooral: de stem van Weyes Blood, die is meer, die is altijd groots en kamervullend.

Ze maakt met dit 'And In The Darkness, Hearts Aglow' vooral een vervolg op haar vlekkeloze succesalbum 'Titanic Rising'. Opnieuw een majestatisch album vol esthetiek, onvergetelijke melodieën, fraaie akkoordenprogressies, elektronica en samples, weelderige arrangementen die met hun vorstelijke orkestrale rijkdom, Phil Spector achterna, terugvoeren naar de seventies. Hier straalt etherische elegantie honderduit. Laat je zeker verbluffen door het immense decor aan vogelpracht op 'God Turn Me Into A Flower', glij mee met de weldadige piano of de pakken strijkers in zeeën van galmende harmonieën.

Weyes Blood moest aan het werk in het overweldigende gemeenschappelijke isolement van de lockdown. In de onzekere tijden waarin de wereld bovenal in onrust en somberte wegdraaide, toen kwam tijdens de meditatie die tristesse à la Karen Carpenter naar boven en ze verwerkte alles in die overwegend zeer lange folkpopnummers. In teksten die zich ondanks tal van charmante gedachten voortdurend wentelden in hopeloze vervreemding. Alles absoluut niet hapklaar dus, maar het groeit naar wat voor een fraai album. Alleen op het einde komt ze de nacht uit, met een oplevende boodschap voor de mensheid. 'Love is everlasting'. Zoiets ligt ook voor de hand, in die grandioze magie van 'Weyes Blood's uit de duisternis opgloeiende hart' heerst nooit paniek. Integendeel, met serene vibes, eerlijke schoonheid en rust verbindt het album alleen maar en zorgt het van binnenuit voor licht en warmte.

Na de fataliteit van haar 'Titanic'-album en na dit 'The Darkness' is Natalie intussen alweer bezig. Even ambitieus komt ze straks ook met het derde deel van haar trilogie. Hoe ook de emoties daar zullen uitvallen, terugdenkend aan de sierlijke wijsheid van Weyes Blood hier, zonder voorbehoud, laat het maar komen.

Whispering Sons - Several Others (2021)

poster
4,0
De songs voor de 'moeilijke tweede' van WS, geschreven tussen het touren met de Editors door, moesten om te rijpen noodgedwongen maanden het lockdownbad in. De hoezen van hun nieuwe en die van de vooruitgeschoven singles verraden je al een desolate leegheid van rotslandschappen in diverse kleurschakeringen. Want een blend van somberte, eenzaamheid, onrust en rusteloze energie, angst en zelfs waanzin, dat zijn nu de ingrediënten bij deze WS. Getuigen daarover ook de schizofrene lyrics, want de 'Several Others' dat zijn wel die anderen in jezelf. Het plotselinge succes van de band werkte blijkbaar ook persoonlijk diep in, meer,  bedreigt je identiteit. Muzikaal kent hun onconventionele experimentele postpunk in verschillende songs nog steeds dezelfde straightforward-aanpak met de ritmisch  stuiterende gitaren. Afgetrapt wordt er zo met een op bas pulserend 'Dead End', gevolgd door een nog geweldiger 'Heat'. Ruimtescheppende electronics trekken nu wat meer aandacht dan op voorganger 'Image'. Verder ook (spaarzame) piano ('Screens', 'Aftermath')! Een solitair, bijna afgestorven toetsenakkoord begeleidt 'Aftermath', waar het gaat over de ongezonde perfectionistische drang meer te willen zijn dan draaglijk. De catchy gitaren en elektronica dan, ze kronkelen zich onderdanig en bezwerend rond het immer androgyne kelderparlando van frontvrouwe Fenne. Om tenslotte dan te belanden bij nog een hoogtepunt, het wanhopige 'Satantango/Surgery', een twee-eenheidsong.  'Satantango' als lange borrelende intro komt uiteindelijk met hectisch tekeer gaande gitaren open te barsten in een verschroeiend gestoord 'Surgery'. Om dus kort te gaan : WS bevestigt hier, het is gegroeid en het werkt zich op tot een unieke mundiale band. Op hun menu alleen maar verrassend interessante, zéér genietbare ellende. Wil je nog meer?

Whispering Sons - The Great Calm (2024)

poster
4,0
Fans van Whispering Sons weten het onderhand wel. Dit Belgische vijftal is verantwoordelijk voor een heerlijk intense mix van galmend zwart experiment, van ooit vanuit de The Cure-gotiek komende hectische somberte, verpakt in nerveus stuiterende postpunk. In hun rangen hebben ze daarbovenop een weemoedige, kelderdiep androgyn klinkende parlandozangeres Fenne Kuppens, die zich met evenveel zingbabbelende emotie presenteert als de Vlaamse Kae Tempest of beter nog, Dry Cleaning's Florence Shaw of zelfs als Tindersticks' eeuwige treurwilg Stuart Staples. Fans van Whispering Sons houden in het bijzonder van dat aparte, want intens, dwingend stemgeluid, hoe weinig divers en dansend de melodieën op haar notenbalk soms ook op en neer walsen. Kuppens klinkt er niettemin zo combattief mee, stevig, assertief en vooral met heel veel flair. Net als die prachtige collega's bewijst Whispering Sons met hun nieuwe 'The Great Calm' zonder meer tot het gild van die internationale blijvers te zijn doorgegroeid.

Fans van Whispering Sons vragen het vervolgens misschien zelf niet, maar ogenschijnlijk mag er tegenwoordig al eens meer dan een streepje zon doorheen de mistbanken van hun duistere mangrovebos priemen en duikt er tussen al die bedrukte stemmingen zowaar in de lyrics van 'Oceanic' zelfs liefde als thema op. Maar hoe dan ook, alles blijft doorgaans vooral heel diep, zwartgallig fluisterend, met heel eventjes maar dus die flard aan meer licht. Net voldoende wel om er de plaattitel dubbelzinnig mee te bevestigen: 'The Great Calm', de sereniteit van het loslaten, het vinden van je gemoedsrust, de vrede en jezelf. Want hoe broos en onbehaaglijk alles echt is, bleek vooral nà het afwerken van het album, toen frontvrouw Fenne Kuppens toch maar eventjes voor verschillende maanden het zwarte gat indook. Het hele komende business-slameur na het inblikken van het album was er voor haar net dàt iets teveel aan. Ontgoocheling, leegheid, zwart en as en het innerlijk rustzoekend voertuig op de cover lelijk gitzwart uitgebrand, tegenover die liefde en groeiende hoop. 'The Great Calm', dus evenzeer de kroniek van een tussen de plooien van het album duidelijk aangekondigde, zelfs door haar eigen bandleden onopgemerkte instorting van hun leadsinging lady. Zo werd het even bewust afstand nemen alsnog zelfs een must voor het voortbestaan van de groep. Eerst een 'standstill' en herevalueren om daarna weer klaar te zien. Kàn muziek echt wel die gegeerde eerste plaats innemen in de levens van Whispering Sons? Ja, die twijfel knaagde.

In alle geval laten ze met 'The Great Calm' toch weer horen hoeveel variaties van dreigend geluid ze op één aantrekkelijk palet wel kunnen uitsmeren. Pure songs waarvan het cryptische verhaal in het tekstenboek zich niet altijd onmiddellijk zal prijsgeven, maar dat net als de muziek even inherent is en dan sowieso aan de ribben kleeft. Met 'The Great Calm' komt er hier een Whispering Sons dat nu denkt én danst.

Ik laat het allemaal achter
bij de volgende stop.
Ik zal dan met mijn hoofd naar voren duiken, naar een toekomst die nog onbekend is."
- 'Standstill'

Baslijn, percussie en daar gaan ze door het door de synths onheilspellend grommende 'Standstill'. Een eenzame gitaar loopt als een tikkende tijdbom zijn lijn af, tot die dan ook snerpend uiteenspat tot ver tegen de intense keyboardsfinale. Kuppens' bangelijke autorit in haar hoofd, hier haar identiteitscrisis die er als een aneurisma explodeert. Heel vlug daarna, bij haar eerste stop, laat ze de groep dan ook effectief voor wat ie was. Een heel vergaande, heftige, hoogstpersoonlijke postpunker.

"Alle obstakels op mijn pad
duw ik naar het verleden,
voor het eerst sinds lange tijd.
Lopen, vliegen.
Alles is gewoon opgehelderd."
- 'Walking, Flying'

Ook 'Walking, Flying' gaat recht door zee. Wat een positief uptemponummer, frisse rock vol levendig opverende gitaren en weer die warm buitelende bas. Het is ook hoopvol, de uitzichtloosheid lijkt verdwenen en betere dagen wenken. Dit wordt gegarandeerd een concertfavoriet.

"Een verhard lichaam tussen bevroren lakens. Mijn eerste rilling in jaren. Koude stad. " - 'Cold City'

Trage keyboards samen op weg met de barre bespiegelingen van Kuppens. Ondanks ijskoude verkramptheid mag 'Cold City' zich toch in volmaakte sereniteit helemaal ontplooien.

"Deze handen blijven doorgaan. Duwen en trekken mij in en uit eindeloze dagen." - Dragging'

'Dragging' met Whispering Sons' vertrouwde klasse gespeeld. Kuppens' uitzichtloosheid als leidraad voor de hooggillende gitaren, de vette baslijnen en de naar overal wentelende drums.

"Sommige dingen blijven maar aanslepen. Ik rookte ze uit. Maar zal hier iets goed uit voortkomen?" - 'Something Good'

'Something Good', Kuppens vertwijfeld scanderend in wat een fraaie popsong is met stijgende beat. Mooie ijle gitaren, zwierige gitaarsolo incluis.

"Wat er in één oogopslag voorbijgaat is slechts de schaduw van deze vreemde tijden." - 'Still, Disappearing'

'Still, Disappearing', Kuppens' lievelingssong en eerste pure full band piano ballad. Met de schoonheid dus van treurige piano-akkoorden en horen we daar ook iets als strijkers en sax? Jawel, ze komen er heel overtuigend mee weg. 'Still, Disappearing', perfect op maat gesneden sfeersong toch voor Stuart Staples en Tindersticks? Kuppens etaleert er de grootsheid van een Nick Cave.
'
"Ik heb een stapel identiteiten. Maar ik vind degene die jij me gaf het leukst." - 'The Talker'

Een nieuw gedurfd geluid, de rauwe postpunkenergie van het ijzersterke 'The Talker'. Song met een cynische ondertoon. Een rollercoaster van bijna tien jaar Whispering Sons valt volledig samen met de aan Kuppens' opgedrongen identiteit. Van al die intrinsieke 'Several Others' daar wil ze nu resoluut af. Op en top speels en dansbaar leunt dit Whispering Sons sterk aan bij het jumpende Dry Cleaning.

"Ik sluit mijn ogen en laat los. Ik zweef, oh ik zweef. Ik word geabsorbeerd door de grote rust." - 'Balm (After Violence)'

De melodramatische song die de albumtitel levert. Traag opgebouwd bevat het etherisch meeslepende 'Balm (After Violence)' net als in 'Still, Disappearing' weer die zalig kabbelende piano tegen hier een achtergrond van ruis en distortion, tot de beukende drums het overnemen.

"Ook al lijkt er niks van mij over te zijn. Ik heb deze vlam beschermd. Sinds ik mijn ontsnapping plande."- 'Poor Girl'

'Poor Girl', op Kuppens' fluistering op proggy inpingelende gitaarakkoorden volgt een switch naar volle ruigheid, een storm van wervelende percussie en schreeuwerig uitsluierend gitaargeweld. Hard, zacht, again and again.

"Door al die jaren heen heb ik mij gevormd tot een zwak wezen met vele gezichten." - 'Loose Ends'

Het bijtende 'Loose Ends' in snelheid aangedreven door kribbige gitaar waar een frontvrouw Fenne ten aanval zich dan ook volop 'loose' laat gaan.

"En ik vertel haar dat ik van haar hou. Ik heb dit nog nooit gevoeld. Ik houd haar vast. Zij is het wonder en ik hou van haar." - 'Oceanic'

'Oceanic', is ook dit een nieuwe weg voor Whispering Sons? Parlando, heartbeat en weidse piano. Geen poespas, hier open en bloot een optimistische lovesong van Kuppens dagdromend over haar lief.

"Ik wed dat je me nog nooit zo hebt gezien. Dit ben ik. Ik ben nu meer wie ik ben. En minder wie ik wilde zijn." "Tekenen van een verandering van tijden. Wel, ik sta in brand nu. Hier gaan we, ik vang deze klap graag op. Adem het verleden uit. Scheur de hele huid van mijn vlees en verander het allemaal in as." - 'Try Me Again'

Atypische afsluiter voor 'The Great Calm': het ongezuiverde 'Try Me Again' waar een brandende Kuppens voor een laatste maal losbreekt en haar vurige wil om bij zichzelf thuis mogen te komen brutaal uitschreeuwt. Regelrecht om zich heen slaande shoegaze andermaal voor de festivals.

Dit 'The Great Calm' of hoe het neerschrijven van innerlijke roerselen als therapie omgesmeed wordt tot een zichzelf overtreffende, vernieuwende plaat. Prima zelf geproducet bovendien onder leiding van Bert Vliegen, die daarenboven als bassist bij de groep inschoof.

Whispering Sons is met 'The Great Calm' minder theatraal, minder groots, minder minimalistisch. Maar als vanouds drijven ze nog steeds heel intens op energie en emotie en op een overkoepelend verhaal waar niks op zichzelf zal staan. Ze blijken ontvankelijk voor een vernieuwde sound. Ze zijn gegroeid in het verzinnen van verrassend passende songsstructuren en in het spannend opbouwen van songs naar hun extatische climax. Omgeven zijn die met hun vintage diepsnijdende gitaarriffs, constant sinister dansende bas en verbazend verspringende percussie.
Maar het samengaan van Kuppens' duistere reflectie met dansen lijkt ook wel een nieuw pad voor de komende jaren. Rocken als The National wel, maar dan evengoed een stap kunnen terugzetten en ineens andere sferen creëren, tot intieme pianoballades toe.
Vooral het perfectionisme en het leiderschap van de breekbare blonde Kuppens heerst en is zelfs na burn-out onaangetast gebleven. Met haar cool blijft deze zwarte apocalyptische podiumverschijning onvervangbare charismatische spil van het vijftal.

Whispering Sons zit dus helemaal niet meer in een 'standstill'. Ze zijn helemaal bij zichzelf thuisgekomen en zijn gretig in de aanloop naar hun komende concerten. België, Nederland, Duitsland, Frankrijk, Engeland, Zwitserland, Oostenrijk, Tsjechië, Italië, Bulgarije, Roemenië, Griekenland, Estland... Europe, here they come (again).

De nieuwe bandsamenstelling:
Fenne Kuppens - zang
Kobe Lijnen - gitaar
Bert Vliegen - bas, producer
Sander Pelsmaekers - toetsen
Tuur Vandeborne - drums

Wilco - A Ghost Is Born (2004)

poster
4,5
Op 22 juni 2004 kwam de band Wilco met zijn vijfde plaat 'A Ghost Is Born' op de proppen, hun eerste plaat volledig op het Nonesuch-label. Het werd, hoewel diep doordrenkt met subversieve Neil Young-invloeden, na 'Yankee Hotel Foxtrot' opnieuw een in het donker zoekend artrockalbum vol originaliteit en experiment, nu eens gevoelig, teder en sereen, dan weer door de gitaren of de drones bijna ondraaglijk oorverdovend, maar hoe dan ook een album waarop echt alles zijn plaats heeft.

Het is geboren in een beladen periode waarin frontman Jeff Tweedy zich vooral emotioneel wankel voelde, hij angsten, depressie en migrainepijnen te verduren had die hij met een middelenverslaving probeerde toe te dekken. Hij zingt dit alles met zijn altijd droeve, nasale stem van zich af op 'A Ghost Is Born'. Hij zou zijn morbide ark van Noë maken. Oorspronkelijk zag hij het zelfs als de testamentplaat voor zijn geliefden, waarin voor hen alleen de belangrijke, geselecteerde stukjes van zijn persoonlijkheid mochten binnentreden. Vandaar ook de vele dierenbeelden die het album bevolken, dieren als 'Spiders', 'Hummingbirds' of 'Bees' die iets van Jeff Tweedy's zelf moesten voorstellen.

Om de twintigste verjaardag van het album te vieren is er nu zowel een Expanded als een Deluxe Edition. Hetzelfde gebeurde al met Wilco's eerdere albums. De Expanded Edition bevat twee cd'tjes en in de dure Deluxe Edition zitten met negen cd's het origineel studioalbum, met alternatieven, outtakes en demo's én een compleet concert van oktober 2004 in het Wang Center in Boston. Vier cd's ervan bevatten de complete zogenoemde 'Fundamentals', Wilco's voorafgaande magische muzikale jams en experimenten in zeven maal ongeveer een half uur. In zijn totaal bevat de box meer dan negen uur muziek, waaronder een schat aan niet eerder verschenen songs. Achterin zit bovendien een 48 pagina's tellend full-color hardcover boek met niet eerder gepubliceerde foto's en een nieuwe, diepgaande opnamegeschiedenis van het album van de hand van een Grammy-winnende schrijver, Bob Mehr.

Wilco bestond in die tijd, naast Jeff Tweedy als zanger-leadgitarist (na het vertrek van gitarist Jay Bennett), eerst nog uit bassist John Stirratt, multi-instrumentalist Leroy Bach, drummer Glenn Kotche en toetsenist Mikael Jorgensen. Jim O'Rourke, die de vorige release van de band Yankee Hotel Foxtrot al mixte, coproduceerde. Leroy Bach verliet Wilco dan evenwel vóór de voltooiing van de sessies en de band kondigde kort daarna de toevoeging van twee nieuwe leden aan: multi-instrumentalist Pat Sansone en jazzrockgitarist Nels Cline. Die twee tourden al mee met Wilco om het nieuwe album te promoten en het is ook die line-up die sindsdien, sinds 2004, geheel onveranderd op post is gebleven.

Want zoals Tweedy het terugkijkend in de linernotes zei was zowel het maken van 'A Ghost Is Born' als het vinden van deze line-up het begin van een periode, het opstaan van een band die daar alles leerde spelen en nooit meer weer gewoon als een barband zou klinken. Daarom uiteindelijk zijn ze er twintig jaar later nog steeds en gaan ze er nog steeds gezwind samen mee door.

De hier in woord en muziek haarfijn uit de doeken ontvouwde story van 'A Ghost Is Born' kende zijn start begin 2002 met een pak opnames in Soma E.M.S. in Chicago, op de plaats waar ze eerder ook 'Yankee Hotel Foxtrot' mixten. Een groot deel van het album werd daar toen al live opgenomen in de studio met Jim O'Rourke en technicus Chris Shaw. Ze herenigden er zich met technicus en aanstaand bandlid Mikael Jorgensen. Daar werd de plaat geschetst, geïnspireerd op Tweedy's notitieboeken met songteksten, poëzie en proza.

Daarvan komen nu ook de meerderheid van de in de jubileumversie als extra opgenomen outtakes. O.a. een innemende zacht akoestische versie van 'Improbable Germany' dat later het overbekende 'Impossible Germany' werd op 'Sky Blue Sky' of een wervelende song als 'Panthers'. Ook een voorheen nagenoeg ongekende popsong als ''Diamond Claw', die zich met zijn levendige hitgevoeligheid als een instant-klassieker onmiddellijk in je geheugen nestelt. Of het charmante folky kattebelletje dat dan ook toepasselijk de naam 'Bob Dylan's 49th Beard' mag dragen. Of nog ongepolijste songs als 'The High Heat' of ''More Like The Moon' die op het eerste gehoor evengoed een plaats op het album hadden verdiend.

Tussen de meer traditionele opnames door hield de groep zich daar bovendien ook bezig met een reeks conceptuele improvisaties. Dat werden de 'Fundamentals', het hogervernoemd onderdeel van wat Kotche omschreef als 'de poging om een ​​nieuwe groepsidentiteit te vinden', om te kijken wat ze van deze band konden maken.

In de herfst van 2003 verkasten ze tenslotte naar New York om de opnames bij Sear Sound af te ronden. Pas daar samenspelend in een hoekje van een grote studio, begon het 'A Ghost Is Born' zijn definitieve vorm te krijgen.

Na zijn verslavingsperiode en verblijf in een afkickkliniek, vertelde Jeff Tweedy aan schrijver Mehr hoe hij toen eerst twijfelend op 'A Ghost Is Born' terugkeek. Hij was bang dat het album, geschreven als het was in zijn meest labiele periode, als iets duisters zou aanvoelen en nu niet meer als van hemzelf. Maar integendeel, blijkbaar voordat hij daar emotioneel zelf toe in staat was, was wonderwel 'A Ghost Is Born' hem al voorbijgeschoten. Wat hij oorspronkelijk als zijn 'Ark van Noë'-album percipieerde, bevatte precies die persoonlijke deeltjes die hij erin wilde houden: zijn enthousiasme en woede over de wereld, maar ook zijn openheid en liefdevolle instelling.

Wilco was toen een band nog volop in beweging. Met een frontman, Jeff Tweedy, die al zijn creativiteit moest aanboren in tijden van ongeluk en crisis en die er uiteindelijk, geholpen door zijn geweldige band toch in slaagde een gevreesd definitief einde om te buigen naar een keerpunt, zelfs naar een glorieuze nieuwe start en de ontdekking van een nieuwe, avontuurlijke muzikale wereld. Het album won er intussen een Grammy mee. Het is en blijft dan ook niet voor niets een fascinerend meesterwerk.

Wilco - Cousin (2023)

poster
4,0
“I’m cousin to the world. I don’t feel like I’m a blood relation, but maybe I’m a cousin by marriage.” - Jeff Tweedy

Wilco, het vlaggenschip van de alt-country en de indierock, is straks bijna 30 en, jongens, op wat een unieke discografie kan dit zestal inderdaad al terugkijken. Toch zijn Jeff Tweedy en zijn companen nog lang geen herkauwers, nog altijd is ook hun dertiende geen zwanenzang van opdrogende creativiteit of het slaafs volgen van modetrends. Geheel integendeel, want Wilco is een stel fijnbesnaarde lui die door en door muziek ademen en ook met 'Cousin', de nieuwste, weer een authentieke Wilco afleveren.

De uitgesproken country-hints van hun laatste onvolprezen inspiriratieboost 'Cruel Country' zijn hier ineens resoluut afwezig. Jeff Tweedy is immers een eigenzinnig man die zichzelf altijd wil uitdagen, die dus ook altijd nieuwe horizonten wil zien. Gaat het daarom op 'Cousin' nu de richting uit van art-pop en gaan daarmee her en der ook vlot de hoekjes eraf. Dit hoor je al direct het meest bij verrassende opener 'Infinite Surprise', de opvolger wel van het toen even onvoorziene 'At Least That's What You Said' van 'A Ghost Is Born'. Geflankeerd als met een op hol geslagen metronoom start het album galmend, warempel dan een wispelturig wervelende saxofoonpartij erbij en wat maffe fuzz van Nels Cline's gitaar tot tal van frivole en dissonante synthetische bijgeluidjes de hele mix mogen overweldigen.

Nja, baas Jeff Tweedy wilde duidelijk uit zijn comfortzone treden en heeft zich voor 'Cousin' zo te zien even op de achterbank gezet. De ervaren rotten van Wilco zagen zich daardoor voor het eerst voor het geheel van het 'Cousin'-project aan een externe producer toevertrouwd. Dit werd dan heel bewust een dame, jawel, de jonge onberispelijke Welshe singer-songwriter Cate Le Bon. Die mocht van Jeff met 'Cousin' ook helemaal haar eigen ding doen. Wilco's muziek had ze gelukkig al met de paplepel binnengekregen en ooit zelfs 'coverde ze 'Company in My Back' van 'A Ghost Is Born'. Een van haar beslissingen was om niet live in de The Loft-studio op te nemen, maar alle instrumenten zoveel mogelijk individueel in te blikken. Je hoort dit manusje-van-alles hier overigens zelf ook duchtig meemusiceren op piano, synthesizer, bas en in de backing vocals.

Het merendeel van het materiaal voor 'Cousin' bestond prematuur nu wel al van vóór de opname van 'Cruel Country'. De songs die de immer productieve Jeff Tweedy toen als altijd in alle eenzaamheid schreef klinken nu evenwel zonder meer sterk en meeslepend. Aantrekkelijke melodieën met een als vanouds korrelig koel zingende frontman die in zijn soms ondoorgrondelijke lyrics zijn huidige emotionele overpeinzingen over zichzelf en de staat van zijn 'cruel world' deelt. Wat dat betreft is er bijvoorbeeld de louterende pianosong 'Ten Dead'. Jeff' spuit er zijn woede over de eindeloze reeks zinloze schietpartijen in zijn land. Met gitaren huilend in de achtergrond groeit de song langzaam uit zijn aanvankelijke americana-feel. Samen met de repetitief jagende drums van Glenn Kotche rondt Nels Cline's gitaar finaal alles grillig mechanisch af, als besluit ie een dodenmis. En ja, na bloederig nieuws als dit gaat ook Jeff Tweedy weer gewoon te bed. Zelfs lynchpartijen worden tegenwoordig achtergrondgebeurtenissen, lijkt hij hier te willen zeggen. Wellicht is dit ook de stille boodschap van het hele 'Cousin'-album: mensen, je leeft steeds meer losgekoppeld van je leefomgeving. Wie weet vernemen we er binnenkort wel meer over in Jeff's nieuwe boek, 'World Within A Song' dat in november uitkomt. Misschien daar dan ook wel iets over 'Pittsburgh', song die al uit de 'Ode to Joy'-sessies komt. Jeff zingt er verrassend: "Ben altijd bang geweest om te zingen. Op de een of andere manier is dit alles wat ik doe, hoe vreemd dat ook lijkt. Ik heb mijn dromen overleefd."

De dartele eerste single, het traditioneel klinkend 'Evicted', kennen we al, het blijft een feest van sprankelende gitaar-arpeggio's.
'A Bowl and a Pudding' met zijn breeduit gitaargepingel lijkt iets seventies à la Leo Kottke of Nick Drake. De song 'Cousin' daar in het midden wordt lekker pittig door die doorslaande drums en flitsende gitaren die  rond de zang schieten. 'Soldier Child' is dan weer een lange ritmisch akoestische gitaarstreling die eindigt in een afsluitend donkere gitaarsolo van een als altijd weer schitterende Nels Cline. Het album besluit vintage Wilco met een stuwend rockhoogtepunt in triomferende galop. 'Meant to Be' is volelektrisch aangedreven, met een opgewekte melodie en scherpzinnige riffs.

Wilco pleegt op dit 'Cousin' dan wel geen revolutie, maar het klinkt dus toch wel anders. Samen met Cate Le Bon, in wie melancholische Jeff Tweedy blijkbaar toch vlot een gelijkgestemde ingetogen ziel heeft gevonden, wordt er vernuftig en professioneel geëxperimenteerd met onvoorspelbare nieuwe vormen. Met haar perspectief en frisse ideeën over het materiaal werd een heel scala aan instrumentatie en geluidjes op aanvankelijk schijnbaar simpele liedjes losgelaten en dit maakt ze daardoor zeker een stuk gelaagder, kleurrijker. Neem zo 'Sunligh Ends', de intieme ballad waarin de dansende gitaren en percussie elektronisch bewerkt werden en zo een wazig echoënd synthtonenkleed aangemeten kreeg. Of een mineurtint in 'Levee' met zijn dromerige akkoordenprogressies. Het levert sowieso een aangenaam, interessant, zacht deinend, sfeervol herfstalbum op met heel veel ingetogenheid, ziel en muzikantschap. Benieuwd nu wel hoe onze Wilco-vrienden die Le Bon-aanpak straks ook op het podium zullen weten te stroomlijnen.

Met zijn bij vlagen weirde sound op 'Cousin' komt Wilco al bij al het best in de buurt van de baanbrekende klassieker 'Yankee Hotel Foxtrot'. Eigenlijk zegt dit op zich al genoeg over de klasse van het huidige Wilco anno 2023. Zelfs zovele jaren later worden ze bij iedere nieuwe release een grootsere band. Na dit 'Cousin' wordt het dus evengoed uitkijken naar het Deluxe-album, waar gegarandeerd al die even rigoureus afgewerkte songs die 'Cousin' niet haalden ook wel het levenslicht zullen mogen zien.

Wilco - Cruel Country (2022)

poster
4,5
"In het verleden was het altijd waardevol en bevrijdend voor ons om weg te blijven van de bijnaam 'country'. Het hielp ons om te groeien en onze geest open te houden voor inspiratie van heinde en verre." - Jeff Tweedy in de brief bij de release van het album...

En die onstuitbare inspiratie blijft bij Wilco intussen maar stromen. Net zoals bij de huisman Jeff Tweedy, die ons tijdens de coronaopsluiting al eens verraste, gezellig samen familiaal musicerend bij hem aan de haard. Zo heeft hij zich voor zijn twaalfde studioalbum nu ook samen met zijn band ergens in een studio teruggetrokken. Hij heeft de 21 wonderlijke countrysongs die hij lockdownlang ongedwongen heeft kunnen laten rijpen zomaar even gretig in één take opgenomen.
Hallo, countrysongs? Inderdaad, rock of het zoeken naar experimentaliteit, het was dus tijdens de making-of ervan even volledig niet aan de orde, het zou eens volledig 'country' worden, van die ongebruikelijke dan wel, zoals zij het en niet het beladen Nashville het zouden bepalen. En daarmee staat Wilco ineens toch weer niet zo ver af van zijn eigen prequel-groep, het ook country-geïnspireerde Uncle Tupelo. Er kwam een krachtig dubbelalbum uit voort met een overzicht van een bij uitstek ingetogen en zachte 'Wilco-country'. Met een indrukwekkende reeks pakkende, smachtende, bij wijlen ontroerende songs, die dus avontuurlijk terugkeren naar de eigen roots. De meester terug bij zijn eigen eigenzinnige akoestische altcountry van weleer, inclusief met pedal steel, bij de warme sfeer van de allereerste albums.

Er is in 'Cruel Country' vooral ook het probleem met en de teleurstelling over Amerika, het onrustige land waar Tweedy zo van houdt, waar de democratie een tijdlang ernstig op spel stond en hij wil dit hier met geruststellende oprechtheid en wijsheid weerspiegelen. Geen geneuzel dus, klaar zingende Wilco en alles ook in regelrecht heldere poëzie. Tegelijk gaat het er over de liefde van volwassenen, angst en vergeving en nog meer gaat het over dood.

Wilco steekt van wal met 'I Am My Mother', aangename folkwals die al gelijk de migratieproblematiek aansnijdt. Het daaropvolgend rustig over slidegitaar galopperend 'Cruel Country' heeft het over zijn dubbelzinnig patriottisme: "I love my country, stupid and cruel". Maar ondanks die wreedheid, aldus Tweedy, toch nog altijd vergeving waard. In het vrolijke mid-tempo 'Hints' is het op en top Wilco-sereniteit, maar weer zit het er bats op waar hij uitweidt over de diepe verdeeldheid in de Amerikaanse maatschappij. Als een mantra laat hij waarschuwend steeds weer "there's no middle when the other side would rather kill than compromise" opduiken. Het teneergeslagen 'All Across the World' signaleert dan weer dat overal in de wereld er mensen ziek en verdrietig raken. "Wat heb ik er dan aan, als ik met een song je schouder wil aanraken"...

Wat creepy is 'Ambulance'. In die nochtans spaarzaam fragiele Dylan-folk horen we Tweedy filosoferend over een bijna-doodervaring, "I was half man, half broken glass". En zoals van dat duistere 'The Empty Condor' vinden we er nog een paar terug. De song zweeft als een westernanthem vol melancholie door de uitgestrekte ruimte. Sferen van weidsheid, over prachtige Amerikaanse plains of mountains. Maar daar niet alleen, evengoed tot in de uitgestrektheid van het universum. Neem zeker de bijna acht minuten lange compositie, het weelderige, majestueuze 'Many Worlds', piano en tot in de kosmos transcenderende synths. Jeff Tweedy is een man die huilt als hij naar de hemel kijkt en denkt aan de sterren die zijn gestorven. Maar tegelijk weet hij dat hij niet de enige is die leeft en die, zoals hij, hetzelfde doet. Sluit thematisch aan bij het eraan voorafgaande, sober akoestische 'The Universe', waar Tweedy bevestigde 'ten goede en ten kwade, dat het universum ook de enige plek is om te zijn'. Ook 'Mystery Binds' brengt je in een mysterieuze psychedelische roes. Of het magnetiserende tweeluik 'Bird Without a Tail / Base of My Skull', fraaie akoestische jammer die bescheiden wegebt. Even weids en verlaten klinkend zet Wilco het slotnummer in. 'The Plains', tegen de achtergrond van ingetogen, vrij over de vlakte wapperende windgeluiden. Geweldig sfeervol. Zijn vrijwel laatste ontboezeming daarbij is toepasselijk: "I like it here on the plains"...

Schitterend zonder meer verder, het kleine 'Darkness is Cheap', waar de zachte blazers zo mooi doorheen ademen. Of single 'Tired of Taking It Out on You' is een hemels mooi countrynummer puur Wilco-style met toch als sombere inhoud een problematische relatie. Het kleine 'Hearts Hard to Find', een heel fijn folkpop-liefdeslied. De blije uptempo 'fifties'-song dan, de andere single 'Falling Apart (Right Now)', andermaal met contrasterend weemoedige inhoud, het is een buitenbeentje. Het dolt met z'n pompende vaart en chicken-pickingsnaren met de 'echte' countryklassiekers. Er mag op het einde zelfs even lustig worden gesoleerd. In het zacht slepende relatielied 'Please Be Wrong' duikt dan behaaglijk een elektrisch orgel op én een schone wijsheid als "één misbegrepen woord kan de hele wijde wereld veranderen". 'Story to Tell' is bijna een John Lennon-nummer over 'het schrijven van liedjes van dood en onheil, voor al die stemmen binnenin jezelf'.
Countryklepper 'A Lifetime to Find' zet weer in als goede Crosby, Stills and Nash, maar het blijft toch gloedvolle country à la Wilco. 'Country Song Upside-Down', de countryballad, klinkt waardig teleurgesteld met zijn gracieuze strijkers. Gewoon een ondersteboven countrynummer over 'de zonder twijfel stervende hemel en het zonder twijfel stervende water'. Nog meer van dat fraais is 'Sad Kind of Way', mooi opgebouwd op een raam van vioolpizzicato's en banjo.

De plaattitel 'Cruel Country' heeft bewust een dubbele bodem. Wilco reflecteert over de wreedaardige kantjes van zijn Amerika, hetgeen ook 'cruel' afstraalt op zijn 'country' als muziekstijl '. De songs sieren evenwel door hun onmiddellijke eenvoud, een Wilco die gelijk staat met verstilling, schoonheid en elegantie. Weg glamour, gebeuk of splijtende solo's. Daarom nodigt deze plaat onmiddellijk uit, is ze zo aangenaam om op serene momenten te beluisteren. Wilco etaleert het weer eens, onbevangen, song na song, hoe een genre neer te zetten en het om te buigen naar de 'Wilco-country'. Met z'n zessen hebben ze daarvoor bakken ervaring. Om daarmee te kunnen uitpakken vergt het - om de titel van een van de songs te gebruiken - gewoon 'A Lifetime to Find'. De ruigere Wilco zal dus voor een volgende keer zijn, maar hier hebben we alvast weer een fantastische dubbelplaat!

Wilco - Yankee Hotel Foxtrot (2002)

poster
4,5
Op 18 september 2001 verscheen 'Yankee Hotel Foxtrot', het vierde album van de Amerikaanse rockband Wilco, met op de cover, dreigend gekanteld, de twee iconische torens van het Marina City-complex in hun geboorteplaats Chicago. Neen, deze hadden - gelukkig maar - echt niks te maken met de dramatische aanslagen van 11 september, enkele dagen ervóór. Alleen louter toevallig bevatten enkele songs aan die apocalyptische dag verwante sombere thema's, zoals 'War on War', 'Ashes of American Flags' en 'Jesus, Etc.' en hoorde je ergens tekstfragmenten als "hoge gebouwen schudden dooreen, droeve stemmen ontsnappen". De altijd al zelden euforische frontman met de vermoeide stem, Jeff Tweedy, had in het kader van zijn albumconcept besloten om zich voor zijn nieuwste project microscopisch te gaan concentreren op de 'state of things' in zijn land Amerika en zich hierbij vooral vragen te stellen. De briljante lyrics, voortgekomen uit zijn krabbels met losse verzen, oosterse filosofie en stukjes autobiografie, werden zowat z'n eigen onderzoek: 'Hoe komt het dat er in Amerika zoveel dingen zijn waar ik van hou en tegelijk ook zovele waarvoor ik me diep moet schamen?". Het is eenzelfde thematiek die wonderwel ook nu, in 2022 weer opduikt in Wilco's 'terugkeer'-album, de sterke dubbelaar 'Cruel Country'.
In tegenstelling tot 'Cruel Country' etaleerde Yankee Hotel Foxtrot toendertijd met zijn vernieuwende indie- en artrockrichting muzikaal ineens een veel sfeervoller en ook een à la Radiohead experimenteler Wilco, bewuste afzwering dus als het ware van het toen als te beperkt aangevoelde alt-country-geluid. Al was die voorzichtige afbouw ervan ook al op voorganger 'Summerteeth' ingezet. Maar o.a. omwille van de toch radicale afrekening met het verleden nu, ging plots de making-of ervan gepaard met tal van conflicten en meningsverschillen. Nare prikkels te over ongetwijfeld voor Tweedy voor een hele resem extra-migraineaanvallen. Bandleden ruzieden over zijn songs, waarvan hij de ongecompliceerde melodieën met nu over-het-oude-genre-springende grillige constructies begon in te kleden. Bandlid en multi-instrumentalist-songwriter Jay Bennett kreeg uiteindelijk, na een mislukte poging om de plaat alsnog toch te mixen, van Tweedy de bons en binstdien was er ook al een drummerswitch doorgevoerd ten voordele van de meer avontuurlijke, minder rockgerichte Glenn Kotche. Voorts was het ook de eerste release met multi-instrumentalist Leroy Bach. En vooral, de mixing gebeurde finaal door Wilco's 'vijfde Beatle', Jim O'Rourke, man die al die tijd met veel branie dicht bij realisatie van Tweedy's concept betrokken was. Op de koop toe was ook nog Wilco's voormalige platenlabel Reprise totaal ontevreden met het 'te oncommerciële' resultaat en weigerde het de plaat uit te brengen. Na heel wat heisa verwierf Wilco evenwel de rechten en ze brachten het album dan maar - revolutionair toen - op 18 september 2001 eerst als gratis te streamen uit op hun website. Nonesuch Records gaf de plaat vervolgens zijn officiële release op 23 april 2002. Maar de fans, die zongen tijdens het touren dus allang het hele album luidkeels mee. 'Yankee Hotel Foxtrot' werd Wilco's best verkochte album en het wordt algemeen beschouwd als een van de beste albums van de noughties.

Nu dan, 20 jaar na die officiële release, is er de heruitgave van het album in Super Deluxe Versie. Die bevat acht cd's of elf lp's met naast het originele geremasterde album, een reeks demo's, zeldzame live-opnamen in een radiostudio in Chicago en van een concert in St.Louis in juli 2002 en andere alternatieve versies van de songs. Kortom de geschiedenis van de vele levens van al die intussen klassieke songs op 'Yankee Hotel Foxtrot', een collectie die het hele beladen verhaal van de kronkelige totstandkoming van het album brengen. Of zoals Pitchfork het noemde: "het album zoals het had kunnen zijn, het album zoals het bijna was en het album zoals het bestaat op verschillende vlakken". De zeer interessante documentaire film, 'I'm Trying to Break Your Heart', van Sam Jones, die toendertijd de hele rommeling op de voet volgde en opnam, zit er evenwel niet bij, wel diverse interviews, een diepgravend essay van ene journalist Bob Mehr en een pak nieuwe foto's van tijdens het productieproces. Voor de diehard-Wilcofan zullen wellicht de 43 alternatieve versies en outtakes het meest aanspreken. Die werden gebundeld als 'Building Yankee Hotel Foxtrot' en ze illustreren heel duidelijk de evolutie van de songs naar hun definitieve vorm.
Er zit ook een verrassende opname bij 'waar Tweedy en O'Rourke 'Ashes of the American Flag' op een stuk van Stravinsky's 'Psalmensymfonie' samenlegden. Alleen - weer pech! - er kwam een licentieweigering van de erven van Stravinsky, hetgeen belette dat deze versie de ultieme werd op de plaat. Maar zover ging dus in alle geval hun experimenteerdrift.

Intussen heeft Wilco sinds 2011 zijn eigen platenlabel, 'dBpm' en de band bestaat nu al bijna twintig jaar uit zijn stichters Tweedy en John Stirratt en Glen Kotche, Mikael Jorgensen, Patrick Sansone en Nels Cline.

Wie Wilco nog niet hoog (genoeg) heeft staan, nu dus een perfecte gelegenheid om met deze uitgave de inhaalbeweging te doen. Leek de making-of misschien bijna een onmogelijke Hercules-opgave, het ondanks alle dwarsboming tegen de stroom in blijven varen naar vernieuwing en progressie als groter einddoel, het uiteindelijke wonderlijke resultaat was er dan ook naar. Het intieme, introspectieve, maar complexe 'Yankee Hotel Foxtrot', de plaat dus die er echt bijna niet was, werd alsnog de Sgt.Pepper van de indierock.

51 songs van de Super Deluxe Edition staan al een tijd op de streamingdiensten als Spotify.

William Doyle - Great Spans of Muddy Time (2021)

poster
4,0
Naast veel talent en een engelenstem heeft William ook tal van persoonlijke onzekerheden. Die gemoedstoestand wordt hier muzikaal meesterlijk overgebracht. Sta je er in zijn geheel voor open dan is de plaat zo prachtig als ze eruitziet. Keurige hemelse liedjes à la Mercury Rev, voortdurend experimenteel geflankeerd door en doorkruist met ruis, distortion en ander elektronisch moois. Het lijkt Radiohead's Amnesiac wel.

Witherfall - Curse of Autumn (2021)

poster
4,5
Komt daar met een derde cd Witherfall aanzetten, zelfverzekerd, theatraal en verbluffen ze je met een herfstig uurtje 'melodische heavy powermetal-/thrash-/ progmetalopera' van jewelste.Tijdens één technisch adembenemende performance bol van virtuositeiten, sleurt deze coming band je doorheen een veelvoud aan lagen vol muzikale agressie. Met een rijk scala aan vocalen, instrumenten en stijlwisselingen, met acoustische rustpunten ook tegen opkomende angsten, boetseren ze je een complex progressief kunstwerk dat kluistert tot het einde. Mis overigens zeker die finale niet, '...And They All Blew Away', monumentale compositie die al het voorgaande in al z'n metalschoonheid weer samenbrengt.
Voor metalfans veler gezindten. Podiumplaat dit, letterlijk én figuurlijk!

Wolf Alice - Blue Weekend (2021)

poster
4,5
Onthaalden we ze daar nog, Wechter, The Slope, kleinste podium, 35 minuten, laaiend!... Maar hoho, zal nu met deze nieuwe niet een heel klein beetje stof zijn opgewaaid daar in de fanclub? Zeer mogelijk, de wilde grungegitaar is op hun derde op zijn retour en vervangen door een weidsere, meer rustige, meer coherente, meer eigen synth-atmosferische sound. Waaronder al die tal van stijlen die ze gebruiken dan toch wonderwel op hun pootjes vallen. Hoe dan ook WA gaf eerder, op hun tweede, al aan zich van kritiek geen donder aan te trekken, consequent zijn eigen ambitieuze weg te gaan. Het legt ze alvast geen windeieren. Met deze keer enkel topnummers! Songs, melodie, harmonie, alles geduldig opgepoetst en bij deze klaar voor de nieuwe tijd en een nieuwe, veel grotere schare fans. Maar hoho, de assertiviteit, de bijtend agressieve rockinstelling en wees gerust, ook de gitaren, ze zijn allemaal gebleven, luister naar 'Smile' of 'Play The Greatest Hits'. Weliswaar gedoseerder nu. Het is vooral Ellie, coole frontvrouw, die zich meer uitgesproken openbaart als epische, verleidelijke popzangeres, ene van vlees en bloed gelukkig, zo gegroeid in diepgang en met eerlijke openheid over haar persoonlijk levensverhaal.
Valt te betwijfelen of met deze meesterlijk dynamische plaat, die muzikale vervoering van het ene intimistische tot het andere ruigere uiterste brengt, er van 't illustere Blue Weekend nog iets in huis komt. Namen ze alles wel op in België, het bos daar voor hun blauwe weekendje ooit behoort voortaan tot de legende. WA kent sindsdien zijn momentum en op het hoogtepunt lonken hen na corona alleen maar grote podia. Wolf Alice, Werchter 2022, we'll be there for you!