MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten henrie9 als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Damien Jurado - The Monster Who Hated Pennsylvania (2021)

poster
4,0
Ieder zijn lockdownalbum, hier nu dus ook dat van DJ? 10 uitgeklede, raadselachtige, intimistische songs van eigen hand die wel aan de haard lijken gemaakt. Rustig weemoedige zang, acoustische gitaar, bas, eenvoudige percussie en toch zo direct, zo verfrissend dat het onvoorwaardelijk je volle aandacht houdt. 10 songs, 10 personages, 10 pechvogels, uit films? of van tv? En wat te denken van het hartverscheurende prachtige laatste nummer, 'Male Customer #1', in ik-vorm, waarin Damien het heeft over 'the loneliest place I've ever been is in your arms'... DJ, een fenomenale singer-songwriter, pur sang!

Dans Dans - Zink (2021)

poster
4,5
Na 5 jaar afwezigheid is Dans Dans terug. Voor wie ze al kent, een gebeurtenis. Het talentrijke trio, dat o.m. ook bij Flying Horseman, Dez Mona en Lanegan de dienst uitmaakt, heeft een fantastische instrumentale soundtrack bij elkaar gejamd. Dromerige gitaar overheerst heel organische klinkende lange nummers. Eén grote psychedelische reis langs onbestemde landschappen. Relaxerend genieten zonder meer. Daarom ook ging het internationale onlinepubliek verleden week uit de bol na de voorstelling van Zink in de AB. Geen wonder.

DARKSIDE - Spiral (2021)

poster
4,5
'Spiral' van DARKSIDE, het duurt misschien even voor je dit uniek schemerig universum z'n plaats zult weten te geven. Zo gaat dat bij groeiers, want sterk is deze nieuwe van het duo Nicolas Jaar en Dave Harrington zeker. Spiral, 't luistert als een lange, kronkelende, creatieve jam, een ondeelbare kunstige trip, 't is gevoel, 't is muziek waar je hele zelf wordt bijgetrokken. Onder snarengepingel valt de plaat verrassend slenterend bij je binnen. 'Narrow Road', onder een darkside-kosmische Floyd-hemel start percussie, stapvoets rustig, resolute tred, ijle gregoriaanse vocals. Neemt dan 't elektrisch gejank van gitarist Harrington het over, domineren oriëntaalse atmosferen. Die wat donkere, treurende sfeer vloeit overheen de hele plaat. Ook de Pink Floyd-sound komt nog weer opduiken, niet geheel toevallig toch, met zo'n groepsnaam. Gelijkaardig pulserende ritmes drijven verder 'The Limit' in, nog meer ingetogen instrumenten van Harrington erbij, 't psychedelische blijft, 't oosters tribale. In een lange outro zweeft intussen boven warrige Kid-A-electronics van Jaar zijn iele Sigur Rós-falsetto, nu in cryptisch Spaans! Meerdere songs schurken dicht bij Tibetaans meditatief chanten aan, zo ook 'The Question Is To See It All', de lyrics ervan desoriënterend, vaak als een mantra herhaald. Het sterke 'Lawmaker' begint al helemaal met 't sacrale instrumentarium van 't verre klooster. 't Gaat er theatraal over 'n onheilspellende allesoplosser-lawmaker, die z'n volgelingen massaal de dood lijkt in te drijven. 'I'm The Echo' is een welbehaaglijke lap progrock. 'Spiral' een akoestische folksong vol mystiek en belletjes, met tegelijk ingewikkelde gitaarstructuren.
'Spiral', waarvoor dat dan staat? In deze song, maar ook voor de plaat in z'n geheel? Vreemde vertelling. Jaar zelf had het filosofisch over cycli van rouwen én het vermogen om enerzijds vanuit het nu geestelijke stroom als een spiraal aan te voelen en anderzijds veelgelaagdheid binnenin dingen te zien en te omarmen. 'Spiral' noemde ie daarbij de sleutelsong die al de andere overspant. Maar goed, in 'Spiral' heeft men het over raadselachtige brieven, gericht aan een intussen overledene en over fakekandelaars...
Daarna, op het drafje van een leuke cowboyriff rijd je verder 'Liberty Bell' binnen, de meest catchy song, leuke groovy beat, waarop zich in de verte, tussen plukjes flamenco door, de slotbells al opdringen. Prijsnummer 'Inside Is Out There' is zo funky, jazzy, rocky en psychedelisch als wat. 'Only Young', weer een heerlijke progrocksong, met Jaar orgelend en tegelijk croonend als een Bon Ivertje. Finaal mag evenwel vooral Harrington er nog eens helemaal elektrisch in loos, de laatste noten zijn voor z'n dromerige reverbgitaar.
Nicolas Jaar, met z'n arsenaal aan elektronisch vernuft én multi-instrumentalist Dave Harrington presteerden 't dus weer.  Telkens opgebouwd vanaf gitaar, stem en percussie-elementen, met verrukkelijke grooves en repititieve ritmes, een plaat leveren vol toegankelijke, vriendelijke maar toch duistere soundscapes, subtiele tonen en timbres. Het duo creëerde met zijn rijk klankenpalet intussen z'n eigen DARKSIDE-sound en ook op 'Spiral' hoor je alle stukjes Jaar en Harrington naadloos in de juiste plooi vallen. Helemaal spek voor de bek van chillers en sfeerliefhebbers dus. Helaas dan weer voor de Jaar-technofans : 't is inderdaad niet meer echt dansbaar dit. Maar de grote troost, ravet het dan minder op de dansvloer, des te fantastisch komt het binnen in je koptelefoon!

David Bowie - Look at the Moon! (2021)

Alternatieve titel: Live Phoenix Festival 97

poster
4,5
Postuum passeerden in de reeks Brilliant Live Adventures al een aantal live-performances van de man, maar zoals soms komt de beste wijn op 't einde. Zoals nu deze onberispelijke registratie op het Phoenix Festival 1997 vol highlights. Bowie, goed bij stem en perfect omringd door een stomende band, grasduint door zijn oeuvre zoals alleen de groten het doen. Met verrassende herbewerkingen. Ambiance! Nu nog wachten op het bejubelde Live At The Kit Kat Club 1999.

David Crosby - For Free (2021)

poster
4,0
Juli 2021. Leeftijdsgenote Joan Baez schilderde 't coverportret van ene David Van Cortlandt Crosby. Is 't niet bijna ongelooflijk?... Na een niet onbesproken en ronduit ongezond leven als het zijne en na 'n even turbulente carrière, gestart diep in de sixties, met legendarische uitschieters bij The Byrds en Crosby, Stills, Nash (& Young), staat gitarist-zanger Croz er op z'n (net geen) 80-ste nog altijd, en hoe. Allesbehalve afboller, zeg maar! Integendeel, zagen we hem solo ooit al zo consistent sterk bezig? Sinds 2014 al komt ie met de regelmaat van de klok met fors nieuw materiaal op de proppen. Waardoor elke Croz-release, zoals afgetekend ook deze 'For Free', telkens weer uitloopt op 'n gebeurtenis . Al die tijd is ie muzikaal zichzelf gebleven. Uitmuntend in vaak complexe CSN&Y-harmoniën waar hij dan met z'n kopstem steevast de bovenstem voor z'n rekening neemt. Z'n gracieuze golden voice heeft alles wonderwel overleeft, schittert zelfs op 'For Free' als vanouds, innemend, warm, ingetogen, jeugdig.
Z'n plaat, die is bovendien een kostbaar juweeltje van samenwerking. (Letterlijk) verloren zoon James Raymond is hier z'n producer en songschrijver  geworden. Er is bovendien niet in het minst de perfecte inbreng, ook als songleveranciers, van lang door Croz gesolliciteerden Michael McDonald en Donald Fagen. Zij allen bepalen nu in hoge mate de klankkleur van 'For Free'. Aangename verrassing, 't heropleven daardoor van fraaie Doobie Brothers- en Steely Dan-arrangementen. Die passend nostalgische sound, fris en harmonieus, consolideert mee de sterkte van de plaat, 't zet Crosby des te pakkender centraal in het zonnetje. 'Rodriguez For A Night', getekend Fagen, een hoogtepunt. Evenzo 'Shot At Me'. Evengoed zijn geliefde titelnummer 'For Free', van vriendin Joni Mitchell, dat hier een strelende duetuitvoering krijgt, met Sarah Jarosz. 'For Free' sluit af met nog 'n klepper, 'I Won't Stay For Long' van zoon James. In de mond van vader David wordt het 'n bloedstollend gezongen testament. Een heel leven vervat in die ene song, maar deels ook al in alle vorige. Filosofisch legt Croz zelf uit 'z'n resterende tijd goed te besteden'.  Leuk. Met het spelplezier en een omkadering als hier, mag 'For Free' inderdaad niét, allerliefst dus niét, z'n zwanezang worden. En vanaf een loopbaan van 60 jaren... mag 't toch altijd nog wat meer zijn?

David Gilmour - Luck and Strange (2024)

poster
4,5
'Vreemde' titel toch voor dat vijfde soloalbum van Pink Floyd-man David Gilmour. Na negen jaar hier een man die volop terugkijkt op zijn geluk en heel die behoorlijk vreemde tijd die hij zegt samen met alle babyboomers te hebben meegemaakt in de naoorlogse periode. Over zijn bevoorrecht momentum dat hij heeft mogen ervaren in een tijdspanne van zoveel positieve ideeën, in het vredige gouden tijdperk waarvan iedereen dacht dat ze het mensdom vooruitstuwden...

'Luck and Strange'. Het is sowieso een fraai album en je hoort ook dat het met grootste spelplezier is gemaakt. Gegroeid uit de lockdown is het bovendien een ontroerend familiewerkstuk geworden, van Gilmour samen met zijn vrouw-tekstschrijfster Polly Samson en de kinderen Gabriel, Charlie en Romany die zich her en der met de zang, instrumenten of lyrics inlieten.
De familiale euforie over het resultaat zit hem evenwel vooral in de dynamiek die werd geïnjecteerd door het extern aantrekken van een jonge producer als Charlie Andrew van Alt-J. Waarmee met dit album Gilmour ineens een sparring-partner tegenover zich kreeg die een van de grootste nog levende rockiconen onbevangen en onverschrokken durfde uit te dagen met hem zels onbekende speeltechnieken.
In zijn making-of-video ontboezemde Gilmour in se altijd al - ook solo - een teamspeler en een deel van een groep te hebben willen zijn, zelfs zonder enige leidersambities. Hij ziet zijn nieuwste 'soloprestatie' nu het dichtst bij zijn ideaalproject van met volle overgave positief samenwerken eindigen en het voelt voor hem persoonlijk daarom ook aan als het beste werk dat hij heeft geleverd sinds 'The Dark Side Of The Moon' in 1973, meer dan een halve eeuw geleden geleden. In alle geval is het minstens de allerbeste van al zijn soloplaten. De vertrouwde Gilmour die, naar eigen zeggen, enerzijds er alles probeert uit te rocken, maar anderzijds, gepusht door Charlie Andrew, er dan toch zijn melodieën uitgooit op een lichtjes andere manier.

Van vertrouwd gesproken. Het album bijt af met het ongedwongen 'Black Cat'. Al bij al een mooie toonzetter, maar toch een al te korte piano-prelude, vooral omdat er al onmiddellijk een van die heerlijk nevelige Floydiaanse gitaarsolo's in wordt losgelaten waarop alleen Gilmour het patent heeft.

Met het meditatief langzame titelnummer 'Luck and Strange' komt dan de eerste grote, perfecte song op gang en hé, je waant je onwillekeurig weer in 'Wish You Were Here'-sferen. 'Luck and Strange' was oorspronkelijk een jam uit 2007 waarop zijn het jaar erop overleden Pink Floyd-vriend Rick Wright nog meespeelde. In de nu volledig herwerkte song hoor je toch nog de nog steeds gemiste toetsenist op zijn eigen individuele manier zacht aan elektrische piano en Hammondorgel. Op cd is die originele bijna een kwartier durende zeer interessante jazzy Barn Jam van 2007 trouwens bijgevoegd. Voor de uiteindelijke versie bracht producer Charlie Andrew keyboardspeler ook Rob Gentry aan. Gilmour schrijdt gepassioneerd door de song met zijn typisch gitaargecreëerde bluesy ruimtelijke sound en, verbazend, nog steeds met die karakteristiek hooguitdeinende klare stem van hem die voortdurend met de eigen gitaar in duel gaat. Alles wordt vermengd met lekkere, etherische orgeltonen en hemelse achtergrondzang van dochter Romany Gilmour. De toon is somber, met de Gilmours die hopen dat hun 'donkere gedachten in het duister' niet bewaarheid worden en dat het dus niet bij die ene tijdspanne van 'luck en strange' blijft, bij die 'eenmalige, vredige gouden eeuw'.

Single 'The Piper's Call' opent sierlijk met folky ukelele, reverb-percussie en vibrafoon. Een song die ook hier weer de geest van Syd Barrett ademt, vermits de titel lijkt te verwijzen naar zijn 'The Piper At The Gates Of Dawn', terwijl Gilmour in de lyrics waarschuwt om niet in een faustiaans pact te trappen om de 'eeuwige jeugd' te kunnen houden. Een sublieme song, traag akoestisch inzettend, die getrokken door Gilmour's bloedend slidewerk ritmisch opklimt naar zijn adembenemde elektrische finale.

In het deemsterende 'A Single Spark' kijkt het echtpaar Gilmour filosofisch neer op hun levens als nietige vonk tussen twee eeuwigheden van duisternis. Een veelkoppig orkest met koor wiegt waardig mee met het emotionele verhaal dat haast start als een nachtelijke slowsong van Richard Hawley. Maar de stermusicus Gilmour breidt er uiteindelijk uiteraard weer een weldadige gitaarsolo aan.

'Vita Brevis' is net als 'Black Cat' opnieuw zo'n kort, transcenderend interludium met synths, Gilmour op slidegitaar en dochterlief Romany op harp.

Tweede single, het zeer eigentijds klinkende 'Between Two Points' dan. Een vrijwel onbekende lievelingsong van de Gilmours uit de nineties, van Britse The Montgolfier Brothers. De kwetsbare tekst wordt nu zacht en relaxed gebracht door een excellente Romany Gilmour op harp en zang. Pa Gilmour zou pa Gilmour niet zijn als hij ook hier niet nog een fraaie, bedwelmende gitaarsolo uit de mouw zou weten te schudden.

Dan springen er ineens tonnen enthousiasme en vuurwerk op uit de kronkelende op-en-neer-rocker 'Dark and Velvet Nights', de derde single, ruig voortstuwend, met opvallende percussie.van Steve Gadd.

Verder ontspannen mijmeren over sterfelijkheid en het onmogelijke verlangen om de loop der tijden te vertragen vervolgens in het emotionele 'Sings', song die 25 jaar geleden al in de steigers stond. Schitterende zang van de kwetsbaar croonende Gilmour, sereen ondersteund door sfeervol orkest. Met halverwege in de verte een vaag stemfragment met de toen 2-jarige zoon Joe die zijn gitaarspelende pa ontwapenend "sing daddy sing daddy" toeroept.

Langste song, het epische 'Scattered' zwermt het sterkst met Pink Floyd weer helemaal de ruimte in. De aanhoudende hartslag à la 'The Dark Side Of The Moon' trekt je stapsgewijs de song binnen. Met opvallend virtuoos pianospel van Roger Eno en Rob Gentry, naast het orkest, in een uitmuntende wisselwerking met een grootse Gilmour op zijn vurige gitaren.

De schitterende, pakkende folkwals met zijn eclatante melodie 'Yes, I Have Ghosts' als bonus, is een puur geschenk. Met een akoestische Gilmour en dochter Roma in een stijlvol duet. Past zeker 'in de geest' van het album.

'Luck and Strange' is een ongrijpbare najaarssoundtrack geworden die, samen met de enkele blues- en folkrockpassages, groots voorbijschuift in prachtig gelaagde Floydiaanse texturen en anthems. Daarbinnen de zwevende zang, de weergaloze zuivere gitaartechniek en de solo's en slidings die emoties, schoonheid of dreiging oproepen. Wars van enige misplaatste nostalgie of oubolligheid, vloeit alles eruit met de elegantie die we van de als steeds aimabele Gilmour verwachten. Een hoogst expressieve klassebak van 78 met pretoogjes die ondanks zijn jaren zijn scherpe focus en zijn onverminderd temperament heeft behouden en alleen nog bezig blijft uit gedrevenheid voor de muziek.

Een Gilmour ook die op die manier in het geluk van de loutering zijn vrede vindt. Zijn donkere dagen, als hij ze heeft, vloeien zacht als honing. Dankzij zijn familiale verbondenheid kan hij zijn existentiële onderwerpen als veroudering en sterfelijkheid nog allemaal zo prachtig uiten en muzikaal etaleren in dit nieuwe eclectische kunstwerk. Een artistieke verbondenheid die hij in het mythische Pink Floyd wel helaas voor eeuwig zal moeten missen. Neen, als we ons het laatste hoogoplopend conflict met ex-bandgenoot Roger Waters van 2022 herinneren, waar naar aanleiding van standpunten over Oekraine en Israel alle etterende wonden weer aan de orde waren, vinden we in lichtjaren wel geen deur waar ze nog samen doorheen kunnen.

Vóór het echt helemaal donker wordt moet Gilmour tot plezier van heel velen evenwel perfect in staat worden geacht om met zijn huidig team verder te gaan op zijn élan van hervonden frisheid.
Intussen is 'Luck and Strange' een parel van een plaat om als vanouds heerlijk in te verdwalen en blijft David Gilmour de zessnarige meester onder een uitdijend heelal.

Werkten mee:
-David Gilmour - zang, gitaar en andere
-Romany Gilmour - Zang, harp
-Gabriel Gilmour - zang, lyrics
-Rick Wright, Robb Gentry, Roger Eno, Rob
Adel en Guy Pratt - toetsen.
-Guy Pratt en Tom Herbert -bas
-Steve Gadd, Adam Betts, Steve DiStanislao - drums
-Will Gardner - Orkestrale en koorarrangementen

De Beren Gieren - Less Is Endless (2021)

poster
4,5
De Beren Gieren is een fijn Gents trio dat instrumentale muziek maakt, waarmee ze nu al enkele jaren in het jazz-hoekje furore maken. Internationaal succes is intussen hun deel en dit kan met deze nieuweling enkel groter worden. Nochtans, ze maken overwegend, vrij minimalistisch, niet te technisch, zeer goed in het gehoor liggende nummers die nooit zullen voldoen aan het klassieke jazz-idioom.

Een ontspannende reis met Less is Endless van De Beren Gieren is dus hoe dan ook zelfs voor de niet jazz-fan meer dan de moeite waard....

Hun bandnaam, die is fake. Alhoewel, de muziek van het trio heeft wel iets dierlijks. De groep is ook anti-kitch, leuk, want kitch is ook iets wat bij dieren niet bestaat.

De nummers van De Beren Gieren worden embryonaal vooral door Fulco Ottervanger geschreven, maar eens aangebracht in de groep, met Simon Segers en Lieven Van Pée erbij, worden ze uitgewerkt en groeien ze organisch tot een groepsnummer.

De songtitels op de plaat zijn in het Engels en het Nederlands. Tussen die songnaam en de muziek is er altijd wel ergens een link. Zo doet de muziek van 'Animalcules', kleine diertjes, wat krioelerig aan. Er zijn verwijzingen naar natuur. In 'Tuin' hoor je het psychedelisch wapperen van een boom. 'Gugenheim House' ontstond na het fluiten van een melodie aldaar in Japan. Die melodie werd meegenomen en uitgewerkt. Je hoort ook Japanse trommels.

Less Is Endless, de plaattitel. Dit kan je op verschillende manieren zien. Als met minder vulling, maar met meer focus. Soms gebruiken ze minder instrumenten en vertellen ze toch een langer verhaal. 't Kan evengoed ook zijn : muzikaal zoeken naar een kleine opening, die dan een schat aan potentieel blijkt te bevatten...

Zoals het gelaagde 'A Funny Discovery', gefocust op een dronende bas die eenzelfde motiefje blijft herhalen, met afgelijnde improvisatie rond enkele akkoorden. Of 'Gentse Leugentjes' : een melodie met maar één noot!

De Beren Gieren maakten weer een aantrekkelijke plaat met karakter. Virtuositeit, bij hen is het niet de essentie. Ze leveren wel pakkende songs met onderling duidelijke kleurverschillen, met suggestieve  melodieën, maar die vormen toch een coherent organisch geheel.

Rode draad op deze plaat, de synths. Van daaruit vertrekt dan telkens één lang klankexperiment. Mooi voorbeeld daarvan: het indrukwekkende monsternummer 'A Random Walk' waarmee ze Less Is Endless magisch afsluiten.

Ondanks de synths zijn de mannen van De Beren Gieren toch een op en top klassiek trio, in hun geval dus een met een elektroakoestische vermenging. Die van De Beren Gieren hebben intussen wel al een duidelijk eigen smoel. Met welke instrumenten ze er ook tegenaan gaan, altijd achterhaal je het wel dat De Beren Gieren-geluid.

Gebeten om nog meer te vernemen over hen, er is dat recente interview met hen op Luminousdash.be.

Intussen draait hun plaat hier rondjes. Endless!

De Toegift - Kleine Auto, Grote Hot Wheel (2025)

Alternatieve titel: Small Car, Big Hot Wheel

poster
4,0
De laatste tijd ook al die single 'Alsof' van De Toegift gespot op de Vlaamse Radio? Je ook ineens geconcentreerd op dat stemgeluid afsof je ergens een vertrouwde Boudewijn De Groot ontwaarde en bovendien iets dat zo etherisch luisterde alsof zelfs 'Lucky Man' van Emerson, Lake and Palmer opdook? Inderdaad en bovendien een sterk nummer is dit 'Alsof', een aandachtstrekker. Maar dan toch altijd maar een fractie in het grotere betoverende geheel van 'kleine auto, grote hot wheel', het tweede bevallige, excentrieke album van het Nederlandse... De Toegift.

Dat De Toegift bestaat pas sinds 2022. In Vlissingen beslisten hoofdman Maxim Ventulé en zijn vrienden toen al gauw, onder invloed van die prachtige Broeder Dieleman trouwens, om maar beter over te schakelen naar een Nederlandstalig repertoire. Bleek ook een gouden keuze. Hun erg bejubelde titelloze debuut uit 2023 sloeg direct aan, incluis hun begeleidende live-performance-act vol subtiele zacht sferische pop en met toetsen van jazz en folk.

Op dat nieuwe album staat dit 'Alsof' overigens nog stijlvol vastgeklikt aan het superkorte 'II' dat die song meteen sierlijk laat uitdoven in transcenderend meeuwengekwetter van ergens aan het winderig Zeeuwse zandstrand.

Blijken er eerder zelfs nog twee singletjes van 'kleine auto, grote hot wheel' onopgemerkt je recencent te zijn gepasseerd. 'Odysseus', een aardig futuristisch walsje en een poging van Maxim Ventulé om van het verleden los te komen, over een Odysseus die even zijn odyssee vergeet en zich met de vlinders in zijn buik liever bij zijn liefdes in het nu wil ophouden. Daarna ook nog het passende 'Liefde Is Lang', schitterend nummer, een Nederlands The War On Drugs doortikkend op drumcomputer en een met violen en dwarsfluitjes heerlijk fladderend poplied dat zich gezwind op het ritme van een vrolijke kindertrein aantrekt.

Tenslotte werd ook het vreemde eendje in de bijt, 'Ýparxi', vooruitgeschoven. 'Ýparxi', met weer bevallige dwarsfluit, wolken van in het heelal uitdijende electronicanevels en fluitiste Carmela Michailidis die in haar fluisterdroom, jawel, terug bij het prille begin van haar bestaan in Griekenland belandt en daar vervolgens, net als in Ventulé's song 'Odysseus', weet los te laten. Zalig en schemerachtig als een Air-song, maar dan helemaal atypisch in 't Grieks aanschurkend bij het hart van de plaat. De lyrics dus desnoods maar even opzoeken en google-translaten, het helpt.

Maar daarmee zijn de mooie stukjes van de taart nóg verre van uitverdeeld. Het nostalgische 'Saponaria', een volpoëtisch hartsnummer, waarbij op zachte gitaartokkels Ventulé's gedachten Spinvisgewijs van bij het saponaria-bloemetjesdekbed van zijn lief teruggaan naar de dekbedstof met toevallig dezelfde dessin waarvan zijn mama de gordijnen maakte. Of 'Samen Zacht', vol breekbare poëzie, een lange zachte slowsong op een tapijtje van strijkers. Een heel ander, ook welkom kleurtje dan op het palet, het lekker catchy op punkparlando swingende 'Á': áaa, alle hens aan dek daar en spetterende actie!

Mooi, tijd voor een filmisch interludium nu: 'I' komt ertussen met een idyllische dwarsfluitsoundscape en wel een die net zo mooi klassiek gearrangeerd klinkt als in Morricone's 'The Mission'. 'Nieuweweg', een ander juweeltje van synthsgedreven, dromerige artpop, vanzelfsprekend ook over het bestaan. Onmiddellijk daarna 'Dichtbij, Veraf', in zijn fluwelen lounge-sound beladen zang en aangenaam fluit- en gedempt slagwerk.

De trage pracht van ', even', een vlakbij de grond zwevende pianosong sluit af. Opnieuw wordt het als een moderne Boudewijn De Groot filosoferen tot de morgen opkomt. Ook Melanie De Biasio's nevelige succesplaat 'Il Viaggio' is weer even hartverwarmend dichtbij.

Het album 'kleine auto, grote hot wheel' is op die wijze een fris feeëriek project opgevuld met alle gevoeligheden van een bende hevig door art en performance gegrepen kunstacademici (Ventulé) en conservatoriumstudenten (Michailidis en Vervuurt). Zes perfectionistische jongelui bijna die als een hechte vriendengroep coöpereren, elkaar de ruimte geven en hun muzikaal opzet doen uitmonden in een samenhangend geheel waarin de songs de kapstokken zijn waaraan hun individuele levens zijn opgehangen.

Het fraaie, zachte tot iel opgaande stemgeluid van Ventulé drijft boven de fantasierijke, dromerige, intimistische sound. Het is bij wijlen allesbehalve hapklaar, vol als het zit van avontuurlijke contrasten. Maar eenmaal ingedaald ervaar je van die complex fonkelende gevoelsmuziek zoals ook Damien Rice of Patrick Watson die maakten, met de weerhaakjes van Bon Iver, Bonny Prince Billy, Spinvis of Melanie De Biasio.

Een aantrekkelijk album kortom dat baadt in welige klanken vol fluiten en violen maar evengoed drumcomputers, blije bliepjes en andere vreemde electronics. Geluid dat net als het timbre van de titel als een clair-obscuur een evenwichtsoefening maakt tussen hoop en liefde enerzijds en meer zwaarmoedigheid anderzijds. Een waar genot voor de fijnproever dus en een hoogtepunt om helemaal te ontdekken.


Band:
Maxim Ventulé - zang, gitaar, piano e.a.
Tom Gudde - gitaar, piano e.a.
Jorie Slagmolen - bas, gitaar, zang
Hester Julia Voddé - viool, samples
Carmela Michailidis - dwarsfluit, zang
August Vervuurt - drums

Deep Purple - =1 (2024)

poster
4,5
Een Deep Purple in zo'n goeie doen, voorwaar, daarover zal geschreven worden. Terwijl Black Sabbath en Led Zeppelin hun inmiddels vergelende discografieën toch nog en zelfs slapend vanuit het museum blijven uitverkopen legt die andere bepalende grondlegger van de hardrock/heavy metal zich vrolijk fluitend toe op alweer een 23ste album. Bijna onverwacht eigenlijk en zo wordt hun laatste ook al zeer genietbaar corona-coveralbum 'Turning to Crime' gelukkig dan toch niet hun zwanenzang. Integendeel, ook deze keer blijven ze een heel organisch tot heus kunstwerk gegroeid album afleveren, voor de vijfde keer eminent geleid en medegeschreven door ooit Pink Floyd-producer Bob Ezrin. Wonderlijk om ze hier met een dergelijk energiek zelfs agressief geluid te zien opdagen. Een Deep Purple dat er anno 2024 in slaagt om zelfs nog een versnelling hoger te schakelen. Dit met de sinds jaren nog altijd dezelfde stabiele kern die hen in de jaren zeventig mee groot- en meest succesvol maakte en die toen in het midden van hun jamsessies de grootste klassiekers zag geboren worden: Ian Gillan (78), frontman-zang, Ian Paice (76), drums en Roger Glover (78), bas. Toetsenist Don Airey (76) toont zich intussen al jaren meer dan waardig opvolger van Jon Lord. Maar vooral de recenste vervanger van snarenwizards Ritchie Blackmore en Steve Morse, de debuterende Simon Mc Bride (45) blijkt op '=1' het noodzakelijke energieleverende 'shot of blood', het schot ook recht in de roos. Hij buigt zich veelbelovend over de Deep Purple-erfenis. Meer, hij laat zich al meer dan behoorlijk gelden en blijkt in staat om zich in de meest ingewikkelde interacties met zijn kompanen op en top purpleïaans te uiten, er iets aan toe te voegen en mee op te bouwen.

Hmm, vooreerst toch iets over die hoes. Zelfs na hun karige witte 'Now What?!' van 2013 kon het dus blijkbaar nóg simpeler. Let wel, er zit gelukkig een heuse filosofie achter die kale, door Gillan slordig handgeschreven '=1' op een wit veld : 'in een wereld die almaar complexer wordt vereenvoudigt alles sowieso tot de essentie en wordt alles uiteindelijk dus toch één.' Concreet vertaald naar de band betekent zoiets dat ondanks alle complexiteiten en wissels uit het verleden Deep Purple er op het einde dan toch nog wel steeds staat, als één hechte groep. '=1'. Heb j'em? Mooie gedachte.

Over naar de inhoud, what about the music? Dat topgitarist Steve Morse door familiale omstandigheden is weggevallen zorgt hier hoe dan ook meteen al voor een hele hap minder progrock in het Purple-aanbod. Maar het altijd als uit de duizenden herkenbare geluid van Deep Purple blijft bovendrijven, hoewel: hier weer anders gekleurd. Ze gaan op '=1' wel duidelijk meer dan hun recente voorgangers - en dit heeft dus zeker met de nieuwe gitarist te maken - terug naar de sterk riffgeoriënteerde seventies-grandeur van weleer. Uiteraard landen ze daarom ook deze keer nog niet weer bij de woeste metalfurie van hun meesterwerk 'Deep Purple In Rock', maar van dit '=1' straalt vooral veel heftigheid en intensiteit die de familie Hardrock alle eer aandoet. Veel rond de vier minuten zwemende songs op het bord, maar alles met toch minder progressief en complex opgebouwde zanglijnen en melodieën.

Natuurlijk staat ook Don Airey's fantastisch, zwaar vervormd keyboards- en Hammond-orgelspel erbij als een van Purple's onmisbare pijlers, samen met die gerenommeerde oersectie met de fantastische Paice/Glover die met hun ritmische statements nog op hetzelfde hoge niveau acteren als toen. And last but not least, Gillan. Ja, dat charmant jankende keelgeluid van hem, dat koloriet in zijn stem blijft voor een bijna tachtiger toch wel verbluffend op peil. Tenminste als je van de man (al decennia) niet meer verwacht dat hij nog de hoge toppen à la 'Child in Time' scheren zou. Gillan is ook op '=1' de man van de lyrics. Het tekstschrijven verloopt bij Deep Purple al van sedert 'Child in Time' via hem en volgens hetzelfde stramien. Eerst de louter instrumentale muziekscore met de nog in te vullen ruimtes voor de coupletten en de middenrefreinen en dan de constant meelopende Gillan die er gewoon zonder tegenspraak van de anderen zijn fantasie op loslaat en er waar je bijzit in slaagt om zijn weinig boodschapperige blik op de wereld in de meest gekke lyrics om te zetten.

Maar hulde, hier dus van bij de aftrap een album vol nieuwe Purple-klassiekers. Als een verdacht tikkende tijdbom komt een duizelend 'Show Me' '=1' binnen. Gillan aan zet. Het eerste kenmerkend spetterend duel tussen bovenaardse keyboards van Airey en de vingerzettingen van nieuwkomer McBride die al zonder blozen een honderdmetersprintje richting Ritchie Blackmore aandurft. Wat een explosieve entrée! Duidelijk, zoals die twee hier supersonisch zomaar gelijke tred houden, die zijn al veel langer op elkaar ingespeeld. Inderdaad, McBride beroerde al de snaren in Airey's Don Airey Orchestra.

Vergeet op het zware, sinister klinkende 'A Bit on the Side' - monsterrocker van een song - rond minuut 3:00 vooral weer je bewonderend applausje voor McBride niet. Een man, gewoon vol vertrouwen helemaal zichzelf in het verzinnen van dergelijke opmerkelijk gierende solo. En het orgel en de keyboards en niet in het minst de strakke ritmesectie van Paice en Glover, ze zitten allemaal perfect in de mix.

Hetzelfde van het vurig swingende 'Sharp Shooter', sterk muzikaal staaltje van het collectief. Hier schudt little Simon andermaal op grootse wijze zomaar die maffe riff uit zijn mouwen en daartussen heerst met de glimlach ook Don Airey alomtegenwoordig.

Nog meer onmiskenbare oldskool-Purple-flair spat er af in de opzwepende single 'Portable Door'. Je voelt muzikaal een 'Black Night'-deining door de aderen stuwen, vocaal zit Gillan helemaal in 'Mary Long'-modus. Glansrol ook voor de meesterlijk zijn toetsen geselende Airey, naast de immer intens solerende McBride.

In de knetterende uptempo-rock-'n-roller 'Old-Fangled Thing' herinnert Gillan zowaar aan oersong 'Living Wreck' en zoeken zijn stembanden op het einde eerbaar de hoogste regionen. Bovendien krijgen we weer een prachtig robbertje duelleren tussen Airey en McBride, waarin de instrumenten telkens in een verschroeiend tempo de stok wisselen.

In de classic Purple-ballade 'If I Were You' dan is na de openende gitaarsolo nu de klasse van crooner Gillan aan de beurt. Uitmuntend soulvol gezongen en door de hele band sereen begeleid en met een gezamenlijk a cappella afgerond. En wat moois voegt ook snaak McBride er nu toch weer aan toe.

Volgt de schitterende single 'Pictures of You'. Neen, geen doublure van 'Pictures of Home', maar een heus melodieus exploot dat aantoont hoe je als verenigde band vol maestro's tot pure Classic Rock van wereldklasse komt. Na de groove en de hooks dimt Bob Ezrin alles dan episch met een aangename, lichte Pink Floyd/Mike Oldfieldtoets in de outro.

'I'm Saying Nothin' ', nog een groovy song hier geënt op die gekende dooddoener van Peter Sellers. Prima gezongen en opgesmukt met de nodige helse, licht fantastische toetsen- en gitaarsolo's.

In de potige single 'Lazy Sod' - hinten ze hier nu naar 'Lazy'? - steekt McBride dan van wal met een knoert van een openingsriff en gaat het met de twee gitaar- en keyboardsolo's regelrecht vooruit. Rock dus om weer duimen en vingers bij af te likken. Wat zijn de heren heerlijk op dreef.

'Now You're Talkin' ', een krachtige, krijsend rockende Gillan in een memorabele compositie vintage Deep Purple die je helemaal terugkatapulteert naar de wilde jaren van 'Machinehead'. Perfecte song.

Zonder er schatplichtig aan te zijn start ook het rollende powernummer 'No Money to Burn' helemaal in de sfeer van het meer dan een halve eeuw oudere 'Demons Eye'. Keihard en om van te smullen.

Het lieflijke 'I'll Catch You' is dan de briljante rock-'n-rollballad als eerbetoon aan Bron, Gillan's overleden vrouw. Podium vol emotie tijdens dit hoogtepunt met Gillan's hartverscheurende zang en McBride's aanleunende, hemels inlevende gitaarsolo. "I'll catch you in my arms...". Kippenvel.

Uiteindelijk landt finaal, met dank aan Bob Ezrin voor de fijnzinnge afwerking, de rocktrein van Deep Purple dan toch nog in de complexiteit van de progrock met het grootse en langste 'Bleeding Obvious'. Een glorieuze epische afsluiter zonder meer, laverend tussen woest opspelende Purple-rocklandschappen en rustbrengende oasen.

Zoals al hun platen in de nieuwe eeuw is ook dit dus weer een zeer aantrekkelijk, fris, verjongd Deep Purple geworden. Maar... '=1' overtreft. Onwaarschijnlijk, zonder snufjes en in stormruntempo rocken hier deze oudjes als de beesten, jawel, ze rock-'n-rollen op '=1' rechttoe-rechtaan als de besten. Met een al lang niet meer gehoorde zware groove en de om de oren vliegende riffs die nu wel komen van een 'jongeling' van 45. Een uitmuntende plaat kortom die, verre van gedateerd of oubollig te zijn, getuigt van de tijdloze klasse van het rockmonument Deep Purple dat nog steeds de magie heeft, dat muzikaal nieuwsgierig is en hier helemaal onwaarschijnlijk virtuoos op dreef.

Afschrijven zullen we die mannen na '=1' dus zeker nog niet. In tegenstelling tot de inspiratiearmoede in lang vervlogen decennia is dit Deep Purple alive and kicking. De verstandhouding, de humor en het spelplezier zijn er, het élan is er en de muzikale ideeën borrelen weer op als in hun beste dagen. De echte fans wisten het evenwel al langer. Deep Purple is veel meer dan een ellenlang gescandeerd 'Smoke on the Water'. Het einde van deze rockiconen nu na 56 jaar, niemand die daarop zit te wachten. Let this show go on forever.

Deep Purple - Turning to Crime (2021)

poster
4,0
De 'heavy crime' van Deep Purple, founding fathers van de hardrock,  bestaat erin, zeggen ze vol zelfspot, dat ze zich in 2021 zomaar even 16 songs van anderen toeëigenen. In de royaal op Tarantino's 'Reservoir's Dogs' geïnspireerde video van single 'Oh Well' is goed te zien op welke snode wijze de Deep Purple-bunch het jatwerk van Fleetwood Mac, Ray Charles, Bob Dylan e.a. heeft gepland en uitgevoerd. Het verdict voor dergelijk cover-stealing, aldus verder de video, blijkt niet min. Steve Morse (67), 15 jaar; Don Airey (73) 15 jaar; Ian Paice (73), 20 jaar; Roger Glover (75), 20 jaar; Ian Gillan (76), 30 jaar tralies. Gold ook niet eens als verzwarend element de duidelijke vaststelling van recidive, want ook in de Purple Mark I bezetting had met 'Hush', 'Hey Joe' en ander moois al duchtig gecoverd, maar van die tijd bleek enkel Ian Paice van de huidige bandleden betrokken.

Gewoon het zoveelste lockdown-afstandsproject dus dit, Deep Purple's coronaplaat, een begeesterd tussendoortje. Deden het dus niet uit luiheid, omwille van writersblock of contractuele verplichting. Nee, alles is integendeel, wat zouden ze de wereld overigens nog moeten bewijzen. In Deep Purple's nieuwste wordt bovendien geen enkele original verkracht. Ondanks de afstand spat het spelplezier er meters van af. Ieder nummer krijgt onvermijdelijk organisch het eigen Purple-watermerk. Alle ingrediënten zitten erin. De Morse-gitaarbliksems, het versplinterend klassiek Aerey-orgelwerk en ongelooflijke pianotoetsen als eeuwig tribuut aan Jon Lord, de altijd solide bassende Glover, verbluffende Paice, dartel jonglerend doorheen z'n zeer uiteenlopende percussiestijlen. De intussen nog belegener zang van Gillan, maar toch even flexibel en messcherp als vanouds, inclusief, gedoseerd in z'n enkele stevig gepassioneerde uithalen.

Deep Purple-knipoogjes naar eigen werk zijn niet van de lucht , zo de 'Smoke On The Water'-riedel in  'Rockin' Pneumonia...' . Maar verrassendst blijkt de voorliefde voor de oude rock and roll uit hun eigen jonge jaren, de fifties, sixties, seventies, zelfs de forties. Gillan was daar eerder al goed in.
'7 And 7 Is' rockt en wervelt. Anders dan in het origineel van Love, maar Morse en Airey gaan met hun solo's schitterend in duel en Aerey's synthesizer jankt als bij The Stranglers op dreef. En dit alles genepen in slechts een goeie twee minuten. 'Rockin' Pneumonia And The Boogie Woogie Flu' is dan weer een regelrechte oude dansvloerswinger.

Klapper 'Oh Well' van de vroege Fleedwood Mac krijgt, met dank vooral aan Morse' geweldige gitaarwerk, een machtige versie, ook de karakteristieke Purple-outro klinkt 'oh so well'.
'Jenny Take A Ride!', prachtig swingend rock and rollnummer, kordaat zoals alleen Purple dit hier kan coveren en met uitmuntende 'speed king' Gillan - z'n schreeuwtje zit op minuut 2:16. Dylan's 'Watching The River Flow' transformeren ze tot een vlugge honky-tonk pianoshuffle en het nummer krijgt als outro de klassieke pianoreprise die wellicht alleen Don Airey had kunnen bedenken. Met 'Let The Good Times Roll', oudste song uit the forties van Louis Jordan, hengelt Deep Purple, met nachtclubcroonende Gillan, ongetwijfeld naar een full big band-uitvoering in 'Later... with Jools Holland' op de BBC. Sterk. Het verrassende 'Dixie Chicken' volgt dan getrouw in de sporen van Little Feat.

'Shapes Of Things' is geheel paars gekleurd,  heavier en beter nog dan de Yardbirds zelf, met een glansrol van Ian Paice, of nee, toch maar weer...   de hele band.
Bij 'The Battle Of New Orleans' ontschiet even een onthutsend 'Zijn dit echt de hardrockers Deep Purple?'. Maar toch compleet verbazend wat ze met het ouwe folk- countrynummer doen. 't Is zelfs Roger Glover die de zangpartij voor zijn rekening neemt. Maar maakte die zelf ooit ook al niet zo'n atypisch nummer, 'Butterfly Ball'? Ook 'Lucifer' van Bob Seger krijgt een excellente Purple-pimp en Gillan soleert en feest er als de be(e)sten. Ook 'White Room', zeer Cream-getrouw, zit Deep Purple als gegoten.

Afsluiter op dit Deep Purple pop-up-coronapodium 'Caught In The Act'  is een medley. Freddie King ('Going Down'), Booker T. & The M.G.'s ('Green Onions'), Led Zeppelin ('Dazed And Confused'), The Allman Brothers Band en Spencer Davis Group worden samengekneed tot één geïnspireerde geluidsband/rocksong. Het drijft met stevig honky-tonk de medley in en behoudt zijn volledige schwung tot finaal de hele band, enthousiast meezingend, met Gimme Some Lovin' landt.

Zo, Deep Purple covert Led Zeppelin. Robert Plant van zijn kant, hij covert zich in dit eigenste 2021 in duet met Alison Krauss weer de charts in. Dit 'Turning To Crime' van Deep Purple is een gevarieerd, op en top geloofwaardig collectief project van een instituut. Het komt tussendoor, omdat ze 't gewoon niet konden laten, met een verfrissende make-over van twaalf songs in de unieke sound van z'n sedert 1968 gegroeide legende. Hoe bar ook de tijden altijd zal dit Deep Purple, als waren het nog de jonge snaken van toen, gespierd, gedreven en vol humor blijven verder musiceren. De cohesie is zelfs, sedert de 'Morse, Airey, producer Bob Ezrin-periode', hechter dan ooit tevoren. Krijgt de rol van Ezrin als zesde man zo intussen niet stilaan George Martin-allures?

Soit, de Deep Purple-gang ziet er, aldus opnieuw de video van 'Oh Well', vandaag bovendien ook còòler uit dan ooit. Kijk naar de grijnzende Gillan, met juwelen, ha ha, en piekfijn in het pak. Nee, begrepen, dat cynische gevangenisplunje van de plaathoes was nergens anders voor nodig dan voor de grap.
...Gaan ze daar bij jullie ook weer naar lockdown?
 

Del Amitri - Fatal Mistakes (2021)

poster
4,0
Welja, uitstekende nieuwe van DA, niets wereldschokkends toch? Inderdaad, net zo min als die van die andere briljante oudgedienden, Counting Crows of van Crowded House laatst, die evengoed in gradaties van jaren terugkwamen. Maar toch heeft DA je net als die anderen van bij 't blije wederhoren bij 't nekvel vanaf song één. Die Schotten weten onderhand al als geen ander hoe je een perfecte, goed in het gehoor liggende rocksong maakt en frontman Currie, met z'n mooie belegen rauwe stem intussen, weet ook perfect hoe ie ze voor jou zal brengen. Met hernieuwde energie brachten ze er hier dus weer heel wat steengoeie samen, eigenlijk zit je zeg maar constant gekluisterd te luisteren naar die sublieme poezie, naar al die sprokkeling van stemmingen verpakt in verschillende opzwepende stijlen. Plaattitel en lyrics klinken hier wel wat piekerender en somber, ondanks hier en daar de kwinkslag, en ook de songtitels verraden zieleroersels, 'I'm So Scared Of Dying', 'Lonely', 'Losing The Will To Die'. Maar hoe kwetsbaar en hartverscheurend ook, keer op keer charmeert je met de opwindende melodie ook hun positieve vibe. Sterke melodieën, zonder franjes, soms beatlelesk, altijd goed in de arrangementen, folky acoustisch, een ballad, soms luider groovend rockend of met minder verwachte instrumenten als piano, orgel of accordeon. Mooi dat! 'Is dit een heropstanding of enkel maar de laatste ademstoot net vóór 't einde?', zingt Currie aan 't begin van song twee... Zonde is het hoe dan ook als een gerijpte klasseband als DA met een prachtplaat als deze onder de radar blijft. Blijkt hier loud and clear dat deze oude vossen nog net zo min hun haren verloren, als hun allesbehalve fatale muzikale kundigheden.

Destroyer - LABYRINTHITIS (2022)

poster
4,0
Destroyer', band van Dan Bejar, heeft intussen een toch wat verwarrende naam. Nee, sla vooral niet het straatje van de metal of de progrock in, maar keer om, neem deze keer het steegje van The Slow Show, Lamp Chop, The Divine Comedy, Dez Mona en zo, ga daar dan toch nog even een stukje rechtdoor tot aan het kruispunt van de grote discoavenue... Daar ergens situeert zich nu deze warme, sfeervolle, zomerse dertiende van Destroyer, etaleert zich een stijlvolle, etherische band die je ook hier wel eens zomaar zou kunnen vastgrijpen. Let wel, hun muziek doortrek je al tastend door een labyrint op een bepaalde manier. En labyrinthitis, vervelende binnenoorsontsteking van de vele kleine tunneltjes daarbinnen behoort tot de mogelijkheden.

Nu, dergelijke mysterieuze, metaforische plaattitel is alleen maar weer voorbode van de poëtische, raadselachtige, uitdagende gedachten die meesterverteller Bejar ook nu weer met krakkemikkige stem zal ten berde brengen. Bejar, die op de bijna ondoorgrondelijke manier hem eigen, nu in een fase van zelfdiagnose is beland én ook in boosheid verkeert over de onrust in zijn homeland Amerika.

Maar al stroken de lyrics van z'n bedenker Bejar weinig met de levendige opgewektheid die je overvloedig ten deel valt, de muziek is deze keer het fraaie groepswerk, het lockdown afstandsproject zelfs, van de hele band. Hoogst aantrekkelijk, hoogst verleidelijk in al z'n geweldige melodieën. Meesterlijk sfeerscheppende synthezisers naast piano, gitaar, bas en drums en een mandvol dansbare hooky discobeats en new wave-vibes.

Opener 'It's in Your Heart Now' heeft een lange, synthesizer- en gitaargedreven intro en dichte hypnotiserende instrumentatie. Een emotionele stem stelt zich cryptisch vragen over vage wegen die vertrekken vanuit het hart. 'Suffer' is het dansnummer over het verlangen naar of illusie van roem en grandeur en de pijn die ermee gepaard gaat.
'June', de disco-geinspireerde song over de onbeduidenheid en onoprechtheid van de society van weelde en rijkdom.  'All My Pretty Dresses', het nog mooiere poëtisch liefdesdansnummer. In het onheilspellend pianerende 'Tintoretto, It's for You', voert Dan Bejar dan zichzelf indrukwekkend op als obscure Venetiaanse schilder die macaber uitweidt over de dood. Maar dus, hoogst springerig en dansbaar. Het titelnummer 'Labyrinthitis' is dan weer instrumentale ambient, intermezzo met vogelgeluiden en het spelend kind.

Daarna gaat de dans gewoon verder, 'Eat the Wine, Drink the Bread', 'It Takes a Thief'. 'The States' klinkt zelfs even leuk als een Depeche Mode-nummer.
In het schitterende akoestische 'The Last Song' maakt Bejar dan ineens een 360 graden-bocht, een 'last song' als afsluiter van een album. Of van een levensperiode? Een recht-uit-het-hart-folksong die het voorbije verdriet frontaal aanpakt.

Labyrinthitis is een trippy plaat met een hart, met de altijd unieke stem van de zanger in het midden en met des te meer discogeladen groove. Eén en al boeiend en meeslepend als ervaring.
Maar, consumeer het album toch best niet àl te hard. Na labyrinthitis wacht mogelijks nog kwalijker tinnitus. Aldus Bejar, ervaringsdeskundige.

dEUS - How to Replace It (2023)

poster
4,5
Een nieuwe dEUS is nog altijd een gebeurtenis, daar kan je dus nooit te vroeg of... ook nooit te laat iets over schrijven.

dEUS - How To Replace It

Elf jaar na 'Following Sea' serveert dEUS je hier 'How To Replace It'. Dixit Tom Barman, omdat het kon en omdat het moest. Sierlijk twaalf nieuwe songs, zo breed in genres en stijlen en met uitputtend engelengeduld eerst liefdevol helemaal binnenstebuiten gekeerd totdat ze onmiskenbaar het dEUS-label mochten dragen. 'How To Replace It', moest samenvatting worden van alles wat al aan dEUS voorafging. Het simpele, minimale artwork op de hoes, van de hand van frontman-fotograaf Tom Barman zelf, is tekenend, de zwoegende, nettenstrekkende Portugese visser op een vlakgele achtergrond als metafoor voor het hele trekken en sleuren tijdens de making-of van dit 'How To Replace It'. Alles onder leiding van een Barman die zelf ook al vier maanden per jaar Portugese zeelucht zit op te snuiven en overigens ook nu weer in zijn lyrics zijn verbondenheid met het ruime sop niet kan wegsteken. De plaattitel wil, zoals ook de teksten van het album, enkel spiritueel prikkelen. Een dEUS dat wel stilstaat bij de grote en kleine levensvragen die in de loop der jaren het pad kruisten, bij liefde en sterven, bij bezigheden, levensstijlen, levensstandaarden tot en bij de zorg voor planeet aarde. Maar dat als altijd bescheiden blijft in het nooit willen geven van moraliserende antwoorden.

dEUS zat in juni 2022 op Live /s Live in Zeebrugge al hoog in zijn wolk met het komende album. Nog even wachten tot oktober 2023, debiteerde fiere Barman toen wat omfloerst. Sedert 2018 was alles inderdaad weer beginnen borrelen, de eerste ideeën staken de kop op en het jazz-album 'Artificial Horizon' van Barman's project TaxiWars uit 2019 werd uiteindelijk het uitgangspunt. Met de 'The Ideal Crash'-Anniversarytour van 2019 kwam de groep pas helemaal op scherp en tijdens de verlammende pandemie konden ze gelukkig op tijd de creatiebubbel in. Serieën van korte jams waaruit songs gedistilleerd werden, heel wat 'killing of your darlings' tot er enkel songs restten waaraan verder mocht worden geboetseerd, gepolijst en gefinetuned. Dan moest dEUS in 2021 onverwacht nieuweling Bruno De Groote, getroffen door een herseninfarct, al weer laten gaan. De kersverse muziekintellectueel had dan toch al bijna de hele plaat lang het nieuwe geluid mogen meebepalen en had alles met zwierige gitaarpartijen, dito verbeten jazz-akkoorden ook ingespeeld. Resteerden alleen 'Love Breaks Down' en de outro van 'How To Replace It', die in de eindfase aan een inderhaast bijgeroepen topper moesten worden overgelaten. Mauro Pawlovski dus, zanger-gitarist met de eeuwige cool, hij weer in het huidige dEUS, bij de van de oerbezetting enkel nog overblijvende leadzanger-gitarist Barman en violist-toetsenist Klaas Janzoons en verder drummer Stéphane Misseghers, bassist Alan Gevaert en de tegenwoordig altijd ergens in de verte aanwezige Barman-copain CJ Bolland. Hoe democratisch nu ook de dynamiek, Barman omschreef in een interview met Knack laatst de actuele constellatie binnen dEUS hilarisch als die van de familiale 'The Godfather's Corleone-clan: Klaas Janzoons, de onbewogen Brando, het oudste dEUS-lid Alan Gevaert in Fredo, Stéphane Missegeers, de fixer Sonny met het korte lontje, insider-outsider Mauro als de consigliere, en tenslotte zichzelf, de man van het laatste woord, de over alles heersende Michael Corleone. Dit dEUS en de afwezige Bruno De Groote vereeuwigden 'How to Replace It', twaalf gracieuze songs vol weloverwogen arrangementen, details en diepere lagen.

Het openende titelnummer 'How to Replace It', filmische topsong, was er allereerst, samen met 'Faux Bamboo' en 'Man of the House'. Het is dEUS' eigenste dwarse Carmina Burana in z'n minimalistische opstart, met Barman's parlando en fraaie nieuwe bombast van machtig doorslaande pauken. Episch is het woord, almaar aanzwellend en uitdeinend, Barman afwisselend fluisterend, zingend, eigenzinnig jazzy gitaargepingel, strijkers, schallende blazers. Opbouwend en helemaal afrondend kortom volgens een klassiek dEUS-stramien, maar in een nieuw jasje. Net als toen in 'Instant Street', tot in de luide dreiging, de gejaagde chaos. Grandioos.

Eerste single 'Must Have Been New' is dEUS dan karakteristiek midtempo. Wispelturige gitaren en piano met blazersgeluiden verenigd, Barman gedreven en fel, met in z'n kielzog een vreedzaam meedeinend vrouwenkoor.

Het sterke 'Man of the House' is clever opgebouwd. Spannende intro met diepdreunende synths van CJ Bolland en, recht opverend uit een of andere movie, een verrassende turning-point-sample "This was very disrepectfull", waarna zich tikkend tegen de klok dreigende gitaarrock doorspekt met heel wat dEUS-grilligheid ontspint. Heerlijk.

Rust dwarrelt onverwacht neer over '1989'. De warme retro van de song is niet onmiddellijk te linken aan dEUS' opstartjaar 1989. Hier kijkt een in zijn poëzie wel heel persoonlijke Barman vooral relaxt en nostalgisch terug op zijn 17-jarige zelf in het jaar van overlijden van zijn vader. Het bevat zowat het hele elektronisch klankenspectrum uit de eighties. Zalige bas. En de LinnDrum moest en zou, aldus Barman, gaan klinken als Bruce Springsteen's 'Streets of Philadelphia'. Bovendien is '1989' opgefleurd met de bevalligheid van Mintzkov's Lies Lorquet, wiens uitzonderlijke stemtimbre al eerder zo goed matchte met dat van Barman. Boven alles onderscheiden van vorige platen haalt Barman hier uit zijn verbazende kelderdiepten steeds perfecter the voice van zijn idool Leonard Cohen vanaf zijn zestigste naar boven. Een heel bewuste, helemaal geslaagde hommage.

'Faux Bamboo'. Hola, fraaie song en arrangementen volledig van de hand van Klaas Janzoons. Met variatie troef en gaandeweg zelfs letterlijk op hartslagritme. De samenzang Barman-Misseghers verloopt hier in een voor dEUS onuitgegeven, wel heel hoog register.

Valt dan 'Dream Is a Giver' in met elektronische beat en nachtelijk donkere synths. Een break-upsong met sterke hiphop-feel à la The Roots en Dr.Dre. Zoals Barman hier zijn haast voelbaar diepe smart brengt: kippenvel. Een soort 'Dream Sequence #2' als op 'The Ideal Crash' toen, weer, zoals in de titel aangegeven, een door de droomengel Barman's oor ingefluisterde song.

Gitaarsong 'Pirates', met een sereniteit in het eerste deel van een achtermiddernachtelijk Steely Dan. Ook Janzoons' viool duikt weer eens op en het geheel sleurt je behendig mee, ontplooit zich in fraai kamerbreed geluid.

Het dartele 'Simple Pleasures' is een knetterende jam met een heerlijk hartstochtelijke groove en Barman, hij croont klassiek dEUS. Weer een klepper, de schitterende Sylvie Kreusch in de achtergrond. Barman, Janzoons en Bolland, ze vullen elkaar met z'n drieën aan op de synths van 'Simple Pleasures' dat wegdeint als in een Morricone-thrillertrack.

Na het frivole 'Never Get You High', zeg maar een transcendent dEUS goes Santana, over naar het funky 'Why Think It Over (Cadillac)'. De Cadillac sjeest met ferm onderliggende groove recht de psychedelica in, evengoed vergezeld ook weer door mooie piano en warempel ook oosterse sitar.

Tweede, verpletterend schone break-upsong is dan het fragiele 'Love Breaks Down'. Een treurige pianoballade teruggrijpend op Barman's meest recente liefdestroubles. Geweldige song, haast met de allures van 'Nothing Really Ends'.

The final touch komt even overweldigend met 'Le Blues Polaire'. Als in een rockopera invallend met De Groote's breed, vuil aandraaiend gitaargeluid en met weer onverholen uitstalling van Barman's grote voorliefde voor Gainsbourg's franse praatzang, al roept het evenveel timbre en sfeer op van The Limiñanas' laatste, 'De Película' met Laurent Garnier.


Wat is het prettig thuiskomen met dit dEUS. De mannen zijn nog verre van tot een nostalgie-act verworden. Het nieuwe album onderstreept dat Barman en Co. de fans niet uitmelkend op oude krakers zullen laten drijven, dat de groep integendeel nog boordevol adrenaline zit en ze daarmee altijd, uiteenlopend, authentiek en met nieuwe accenten, naar die nieuwe hoogten op zoek zijn. Het resultaat is een fantastisch werkstuk wat je eigenlijk in je stoutste dEUS-dromen nooit meer had verwacht. Bezig bijtje Barman op zijn persoonlijkst nu wel helemaal in het midden, maar kortom de beste dEUS die je sinds jaren hebt gehoord. We gaan zelfs helemaal terug tot bij 'The Ideal Crash'. Voilà. Laat ze dit dus vooral live goed en uitgebreid in de vingers krijgen op hun Europese clubtournée van straks en op die vier maal Ancienne Belgique in maart 2023. Gefeliciteerd!

Disturbed - Divisive (2022)

poster
4,0
Disturbed is duidelijk 'disturbed' over de gang van zaken in deze 'divisive' wereld. Divisive? Een 'divisive society' is per definitie onvriendelijk, want veroorzaakt grote onenigheid tussen mensengroepen, teert op politiek die uiteendrijft, die in het extreme met partijen komt te zitten die elkaar het liefst rauw lusten. Disturbed vindt veel hiervan terug in the f**ked-up state of things rondom hen heen, leefgemeenschappen waar hyperpolariteit massaal in het hele doen en laten wordt geïnjecteerd, waar het vol loopt met 'polarisatiejunks', hunkerend naar hun permanente steroïdenshot verontwaardiging. Wat vandaag om ons over op te winden? Om er vervolgens ontzet mee aan de haal te gaan op hun sociale media. Sjonge, schone missie...

Draiman, Donegan, Moyer en Wengren. Vanuit donderende diepten van sinister dreigende elektronica breekt dit krachtig Disturbed met de brute industrialmachinerie van 'Hey You' hun achtste album open. Voorbode, onder een potig nu metal-gesternte, van meer dan vier minuten bonkend doorslaande drums, krakende riffs, hels refrein om massaal mee te brullen en de boven alles grootse, stotterend uitgezongen 'Divisive'-wake-upboodschap: "Hey you, je zoekt vijanden die er niet zijn, zie je niet dat je je eigen vijand wordt."

Dreigend zware kleppers als oorwurm 'Bad Man' en catchy titelnummer 'Divisive' met hun direct melodieus aanslaande hooks, riff's, scherpsnijdende solo's en rollende drums scheuren vervolgens door je metalstraatje, met Draiman's kortblaffende vocals als wegwijzer. Dan weet je dat het oldskool harde Disturbed weer volop de zwarte lakens uitdeelt. Donegan's knalharde riff op 'Divisive', de song, was z'n allereerste voor het hele album. Draiman, meteen smoor erop, voelde terstond de wilde inspiratie voor hun hele nieuwe heavy-metalverhaal stromen. De perfecte muzikale chemie tussen de al 25 jaar in die bezetting samenspelende bandleden deed de rest.

Ook geen ontsnappen mogelijk aan de geweldige rockgroove van rechttoe rechtaan agressief strijdnummer 'Unstoppable', met krachtig mitraillerende gitaarriffs, zwaar ritmisch trommelvurende drums, aangejaagd hijgende staccatovocals en vooral het moord en brand roepend refrein opvliegend tot in de sterren. Kwestie van de songtitel even eer aan te doen. Ook de melodie van de retro-felle liefdeshandleiding 'Love to Hate' nestelt zich daarop onmiddellijk onder de hersenpan. Iets trager voeden de duellerende gitaar en drums het vuur van 'Feeding the Fire' en daar is dan drommels Draiman weer, met een gepeperd middel tegen hoogopflakkerende vlammen in jezelf.

In de krachtige mainsteamballad 'Don't Tell Me' brengt Draiman als een haantje netjes zijn emotioneelste rockoperastem in stelling, want er is hoog bezoek. Volgt het romantisch duet met klassebak Ann Wilson van Heart. De song trekt zich gestadig heavy in trance op tot ook de hele groep haar invalt en de als de bliksem solerende gitaar van Donegan versnipperend overneemt. Andermaal sterk, heavy en vol eclatante riffs volgt het emanciperende 'Take Back Your Life', openend met z'n hakkerig geslijp der messen. Op full speed-runner 'Part of Me' steelt, tussen de diverse keeloefeningen van brulboei Draiman, vooral de demonstratie sinister grijnslachen de show, als ultiem voorspel op het ontvlambare 'Won't Back Down'. Met zijn 'hey hey's', 'come on, come on's' en 'get up, get up's' wil Draiman voor alle uitzinnige ragers op het plein waarschijnlijk toch nog een laatste opmontering kwijt. Vurig opverende coupletjes, sappige refreintjes, onder riffregen schieten ze alle voorbij. Met wat een energie is dit Disturbed herboren, weet het zijn achtste hitsigste seance sinds jaren met waardige pittigheid af te sluiten.

Dit Disturbed klinkt fris, melodieus en is heavy as hell uit de pandemie gekomen. Ze gooien die twee jaar frustratie nu right in your face. Het viertal uit Chicago is een al tijden vertrouwd, verfijnd rockmerk van het zwaarste kaliber. Met altijd hoogst vriendelijke, meeslepende hitmetal, voorzien van dynamische anthems, daarmee volgen ze hun succesvol beproefde formule en daar is - let wel - helemaal niks mis mee. Slechts één enkel trager slepertje dus deze keer, voor de rest alleen maar adrenaline en verhoogde lockdownagressie. Alles tweemaal erdoor draaien en je zit als toen joelend weer in je eenmanskoor, headbangend, frettend aan je luchtgitaren.

En neen, uiteraard hint Disturbed met zijn 'Divisive'-message in de plaattitel wel allerminst op zichzelf. Maar toch, of ze 't nu willen of niet, onvermijdelijk zal een, net als een Metallica, Ghost en consoorten, al zolang aan de kassa triomferend Disturbed in het metalgild sowieso tegen wat 'divisive'-polarisatie aanlopen. Te gepolijst, te AC/DC-gewijs verrassingloos inwisselbaar, tegen zo van die oprispingen. Al doen mainstreambands als Disturbed er dan alles aan om zo weinig splijtzwam mogelijk voor de dag te komen, altijd zal het dédain wel een stuk hun deel blijven. En dan nog zal het metalgild hoe dan toch altijd het vriendelijkste publiek ter wereld blijven. F**k division! Uitstekende plaat.

Dordeduh - Har (2021)

poster
4,5
Jens Bogren, producer bij Devin Townsend, Opeth, Dimmu Borgir, deed zijn ding nu ook met... Met zo'n goede reden dus oor verleend aan 't nog illuster onbekende Roemeense Dordeduh. Maar, man man, met wat een epische opener komen ze daar zomaar uit de kelder naar je toegekropen. 'Tîmpul Întâilor', modern donker prachtstuk in opbouw en arrangementen, direct al twaalf machtig spannende minuten. Deze memorabele toon gezet, een uur en nog 7 magistrale songs verder is er zomaar een knoert van een avontuurlijke metalplaat afgeleverd, overwaard om dit jaar naast je grootste metalmasters te in te lijsten! Verschillende stijlen en sounds worden, clean, chanting en hard gezongen, op filmische wijze samengevoegd, naadloos, Dordeduh heeft lak aan vakjes. Elke song ademt anders. Fusion van black metal, subtiele folktoetsen met onbekende Roemeense instrumenten, pompende atmosferische Devin Townsend-electronics, progessieve rock. De vocals klinken vaak tribaal en erg Gojira. De loepzuivere afwerking van Bogren maken bovendien dat het hele instrumentarium, licht of hard, continu klaar je oor streelt. Betoverend melodische songs en soundscapes vol vuur en plechtstatige grandeur golven over je heen. 'Vraci de Nord', torenhoog uitdeinend in emoties en duisternis, kan zo een Game of Thrones-soundtrack in. Met 'De Neam Vergur', adembenemend muzikaal epos, sereen folky opstartend, word je de zee van wiegende electronics ingetrokken, beland je langs heroïsche vocalen, vurige gitaren en percussie, riffs en hooks, tot bij een zoveelste vlekkeloze orgelpunt. Roemenië, land van donkere legendes, heeft hier een perfecte, supercoole plaat voortgebracht die deze metalfan/progrocker verbluft achterlaat. Al begrijp je dan geen bal van de Roemeense lyrics, de latijnse tongval stoort je geen moment, integendeel, 't draagt bij aan de geladen atmosfeer. De bandsnaam betekent 'hunker naar spirit' ('dor de duh') en hun plaattitel is 't Roemeens voor 'talent' ('har'). Dat laatste hebben die mannen dus alvast zat. En onze eigen 'dor' naar Dordeduh is hier intussen onstilbaar hoog...

Dødheimsgard - Black Medium Current (2023)

poster
4,5
Het Noorse Dødheimsgard, ooit in de nineties waren het rauwe, grimmige black metallers van de tweede golf en de peetvaders van de metalavant-garde bovendien. In de lijn van hun impressionante 'A Umbra Negra' uit 2015 zijn ze nu nog eclectischer en monumentaler geworden. Hebben ze nu acht jaar na datum op hun zesde, 'Black Medium Current', weer niet in het minst muzikale vaandelvlucht moeten plegen terwijl ze hun black metal almaar tot op zijn verste laten doorevolueren.

Vooreerst is altijd ook hun boodschap essentiëel. Het immer scherpzinnige Dødheimsgard (DHG), dat op een zo gemoedelijke wijze sferen weet te creëren als muzikale voorwaarden voor menselijk nadenken, ja, het wil je introspectief bijna puur filosofische vragen laten stellen. Je stemmingen beheersen door zowel sombere, ingewikkelde duistermetalen texturen te vermengen met inpakkende passages van speelsheid, DHG kan het als geen ander. Binnen het zelfgeschapen Dødheimsgard-klankenuniversum doet het volwassen inzichten voortschrijden met krachtige, aangrijpende zeggingskracht. Als je hun lyrics bekijkt, die zijn dan ook een kluifje voor wie naast de muziek ook wezenlijk voor persoonlijk geesteswerk openstaat. Op dit vlak staat Dødheimsgard's grote denker Vicotnik deze keer o.m. stil bij authenticiteit en vrije wil tegenover beperktheden door erfelijkheid en milieu. Wat betekent dit allemaal voor ieders morele verantwoordelijkheid? Wat trouwens is verantwoordelijkheid zelf nog? Impasses, er moet toch ergens een bevrijdende escape uit mogelijk zijn, maar hoe ontsnappen uit menselijke wanhoop en existentiële levensangst zonder daarbij tegelijk ook je eigen vrijheid op te geven? Verwarring en neiging tot zelfbedrog vervuilen nu alom, op een bepaalde manier moeten we toch in staat zijn om onze intellectuele eerlijkheid in twijfel te trekken, diep de afgrond in te kijken en door middel van creatief omgaan met muzieknoten de verlossende hulpbronnen te vinden in jezelf. Aldus de filosoferende Vicotnik en dit verloopt dan precies volgens de idee van het koorddansen op de cover. Ɓukasz Jaszak's 'Dark Side Of The Moon'-achtige abstracte artwork, touw gespannen over het eeuwig zwart, het weerspiegelt, net zoals DHG een album lang over zijn ijle muzikale ruimte laveert, de tocht over leegte, tussen de bouwstenen van wat is en van wat zou kunnen zijn. Dødheimsgard's creaties cirkelen intussen ook los van deze bespiegelingen als dwaallichten en oplichtende hemellichamen doorheen de kosmos, mythisch, buiten alle menselijke proporties.

Want uiteraard is er ook en vooral het overweldigende muziekboek an sich. Van sferen en invloeden allerhande doortrokken opent 'Black Medium Current' met het zwelgend 'Et Smelter', een prachtige eb- en vloedcompositie en eerste tienminutenklepper, met tussen de schitterend fluisterende Noorse gezangen sereen uitdeemsterend gitaargepingel. Dan wordt het binnen de song vlug heftiger en door de blastbeats en tremolo's zwartgeblakerder. Vervloeit de compositie na z'n eerste verwilderde grunts vervolgens tot een echte 'smelter' ('smeltkroes') van aangrijpende melodieën, om uiteindelijk eervol te besluiten met de flitsende rockgitaren. Harmonisch in z'n diversiteit, mooi.

Tankespinnerens Smerte' ('de pijn van de hersenspinner') bijt af met één lange robuuste black-metalranseling, eens zacht gekookt in een bad van elektronica, verglijdt het blijmoediger in een sterke filmische symfonie, met weer een vreemd in het Noors gezongen middenstuk en eindigend met groots excellerende metalriffs.

In het bizar avant-gardistische 'Interstellar Nexus' slaat DHG naadloos aan het proggen. Vanaf een swingend industrialgeluid met donkere riffs worden almaar verrassender je gemoedswisselingen opgebouwd, met als hoofdverantwoordelijken Vicotnik's wild capriolerende stemmetjes die tussen de synths in muteren als waren ze nu eens van Robert 'The Cure' Smith of dan weer van een woeste Roger Waters.

Met het totaal schemaloze 'It Does Not Follow' gaat DHG nog verder de kleurrijke progruimte in. Een ongelooflijk spannend meesterstuk serveren ze, transcenderend gelaagde Pink Floyd-rocktoetsen omgeven door waanzinnige industrialritmes en de dissonantie van net zo extreem brutale black-metalerupties.

Staat dan ineens een romantisch klassiek interludium als 'Voyager' daar perfect op zijn plaats, rust gebracht door toetsenist Måløy in een kort intimistisch pianostuk, afgesloten met enkel een over de dood prevelend parlando.

In de daaropvolgende plechtstatige post-metaller 'Halow' doemen de ongeoliede geluidsmuren van akkoordendansende gitaren op. Op weg met Vicotnik's dramatische vocalen wordt het passiepalet steeds filmischer en indrukwekkender. De song slaat je finaal zowaar met een traag uitzwevende honkytonk-piano om de oren. Alles subliem ingepast, weer een vintage DHG-exploot.

Volgt een verse schep losgeslagen energie, chaos en hectiek in het nieuw hoogtepunt 'Det Tomme Kalde Morke' ('de lege koude duisternis'), één fantastische verwevenheid van uitzinnige metalexplosiviteit, andermaal de wonderlijke ritmesectie op drift, de blastbeats en tremolo's heerlijk verbroederend met elektronica en melodisch rockgeluid.

Volgt haast sacraal, hypnotiserend en vanuit de afgrond opborrelend het vernuftige 'Abyss Perihelion Transit'. In gedurfd slepend minimalisme, met dansende synths opgefleurd, in nauwe verbondenheid met een onontbeerlijke portie deprimerend logge black-metalcomplexiteit.

Ongeweten is er zo al meer dan een uur voorbij. Komt toch nog het afsluitende 'Requiem Aeternum', filmisch sfeervolle elegie vol griezelig eenzame pianoslagen en onheilspellend vervormde dodenzang. Met de verlaten celloklanken op het einde, jawel, leidt DHG zijn 'Black Medium Current' langzaam dolend naar de uitgang. Het doet qua grootsheid aan die andere grote sfeervanger Ramin Djawadi denken.

Na een bonte carrousel van muzikantenwisselingen heeft theatrale zanger-frontman-gitarist Yusaf 'Vicotnik' Parvez op 'Black Medium Current' een solied evenwicht gevonden voor de uitvoering van Dødheimsgard's nieuwe soundscores: een verbazingwekkende wisselwerking met zijn companen, bassist-pianist Lars Emil Måløy (van If Nothing Is), leadgitarist Tommy 'Guns' Thunberg (van Kirkebrann) en Øyvind Myrvoll op drums, alles staat er als een huis. Op 'Black Medium Current' bevindt er zich meer klassieke instrumentatie als piano, cello, fluit in de rekken, naast ook elektronica en drumcomputer, maar de black metal-uitstraling met her en der zijn lekkere retroriffs is nergens aan het verbleken.

Zie dit 'Black Medium Current' bovendien ook als een en ondeelbaar, ondanks zijn lengte van 69 minuten en ondanks de negen, vooral lange composities, waarvoor je best ook afzonderlijk goed je tijd neemt. Hier hoor je een gracieus meanderend opus dat in zijn eclecticisme als een kameleon voortdurend futuristisch van kleur verandert en toch met een geheel natuurlijke flow zijn logische muzikale lijn aanhoudt. Niet alleen in de overgangen tussen de nummers, maar dus even veelvuldig ook daarbinnen. Vicotnik zelf verbaast evenzeer door de constant transformerende emotionaliteit in zijn zang. Niet alleen met zijn kenmerkend grommen en huilen excelleert hij als defintieve leadzanger, net zo goed doet hij het nu allemaal met het nog grotere aandeel cleane zang, om het even of dit nu in het Engels is of in het sfeerbrengend Noors.

Al lijkt het onvoorspelbare Dødheimsgard altijd wat bizar in zijn avantgardische escapades, in 'Black Medium Current' ontlaadt zich een uniek expressieve band, die in al zijn muzikale en lyrische inventiviteit, diepgang en theatraliteit, toch maar weer eens een beest van een verslavend album afgeeft. Moeilijke plaat, zeker en vast, vol aparte progrocksoundscapes, maar sowieso beklijvend in zijn bijtende giftigheid en innemende sereniteit. De grote verscheidenheid in stijlen komt in Dødheimsgard's zwarte muzikale ruimte nergens mee in botsing, alles valt als in Kubrick's sierlijke Space Odyssey telkens in ultieme schoonheid perfect op zijn plaats. Laat die wilde frisheid ook de niet te onderschatten verdienste zijn van de uitmuntend zuivere productie van 'Black Medium Current'. Ook daarvoor tekent meesterbrein... Vicotnik. Jaarplaat, gewoon.

Dry Cleaning - New Long Leg (2021)

poster
4,0
Het regent debuten, hier een onderkoeld over vervreemding declamerende frontvrouw, met heftig stuiterende songs die zowel Pixies, Sonic Youth als Wire oproepen. En alweer die goeie gitaren. Super!

Dry Cleaning - Stumpwork (2022)

poster
4,5
Enkele maanden terug op Rock Werchter hoogst sensuele, charmante Florence Shaw nog persoonlijk kunnen proficiatteren met het fantastische 'New Long Leg', debuutplaat van haar groep Dry Cleaning. Nu, jaartje later, is ook hun moeilijke tweede, 'Stumpwork', uit en, geheel onder de indruk, wordt het weer echt tijd om Flo met de lange manen terug te zien. Want inderdaad, Dry Cleaning is niet bij de pakken blijven zitten, ze hebben integendeel de hele weg regelrecht vooruit genomen en ontdekten voor hun nieuweling nog meer onontgonnen terrein. Zodoende bloeide het topkwartet verder open: Florence Shaw en haar vrienden gitarist Tom Dowse, drummer Nick Buxton en bassist Lewis Maynard. Voor dit Dry Cleaning part two zijn ze bovendien weer meesterlijk herenigd met topproducer John Parish.

Met hun indrukwekkend gracieuze Sonic Youth-achtige geluid zijn deze coole uit de postpunk voortkomende rock 'n rollers intussen uit de duizend herkenbaar. Weinigen zullen je een dergelijk constant onderkoeld warmsloom parlando als dat van frele frontvrouw Shaw zo harmonisch, zo verslavend toefluisteren, zo perfect gekoppeld daarbij aan een onderliggende krachtige, nog weelderiger soundtrack van die drie ruig uitziende kompanen én zonder daarbij de minste graad van saaiheid op te wekken. Dry Cleaning zoekt in zijn songs immers altijd van meet af aan het experiment, het is gevarieerd en gelaagd, met rechttoe rechtaan-ritmes en -tempo's, alles voorzien van ongebruikelijke arrangementen, nieuwe spannende gitaargedreven texturen. Deze songs werden, behoudens uitzondering, bovendien ook bewust korter en poppiër.
Maar vooral horen we ontwapenende poëzie zich ontwikkelen op een perfecte klankband. Over die teksten van Flo valt heus een boompje op te zetten. Bassist Maynard liet het zich ontvallen: haar zang verankert de band zo mooi, dat het de instrumenten meer bewegingsruimte geeft. Die instrumenten laveren dan ook vrijelijk van het ene genre in het andere. Maar inhoudelijk levert Flo altijd amusante en tegelijk wrange teksten, in collages verknipte lyriek waarin ze, aldus haarzelf, 'haar brein gewoon 'binnenstebuiten keert' en waarna ze de stukjes-en-beetjes-woorden netjes stuiterend op het ritme van de band op hun plaats laat vallen. Optimisme, hoop en humor, dat is wat Dry Cleaning zo drijft . Dit alles mooi in de geest van de weirde cover overigens: een net gebruikt zeepje en daarop sierlijk, miniscule stukjes mensenhaar op zijn kunstigst tot die plaattitel samengelegd.
Net zo speelse frivoliteit dus in haar vreemde grappige monologen. Neem 'Kwenchy Kups'. Tussen aangename gitaren ontvouwt zich een verhaal over waterrupsen en otters. 'Gary Ashby', gaat over de vermiste familieschildpad. Maar daarbij fraaie muziek maken dat doen ze. Wat een vrolijke agitatie bijvoorbeeld in de superkorte gelaagde topsingle 'Don't Press Me', met blokfluitje warempel en pezig jengelende gitaren. Dry Cleaning brengt bij wijlen echt zowel The Cure als Joy Division in herinnering. Uitdagend van toon weidt Flo uit over de druk die toen in haar gefrustreerde hoofdje rondtolde. In 'Hot Penny Day' drijft een wilde funky baspartij boven en het klinkt griezelig oriëntaals. Dan is er ineens ook de delicate ingetogenheid van 'No Decent Shoes for Rain', met de vlotjes overheen waaierende gitaren. Of 'Conservative Hell', met zijn opzienbarende geïmproviseerd jazzy jam. En 'Liberty Log', het langste avondlijk nummer dat de elegantie van Dry Cleaning etaleert op zijn traagst, Shaw met een Lou Reed-parlando en dito basbegeleiding. Neem tenslotte zeker ook de prachtige opener 'Anna Calls from the Arctic' dat wulpse sax bevat en dat bevalligheid à la Grace Jones oproept. Grace Jones die het viertal dit jaar overigens al uitnodigde naar het door haar samengestelde Meltdown Festival.

We zien met 'Stumpwork' nu een zelfverzekerd, veerkrachtig Dry Cleaning aan het werk dat nog steeds net zo origineel is als Fontaines D.C., Black Country, New Road, Yard Act of IDLES en daarmee evengoed baanbrekend én koploper. Met 'Stumpwork' leverden ze een glorieuze, echt volwassen plaat af.
Zag ik ze toen ze dit jaar als een grootse live act het kleinste podium van Rock Werchter bezetten, geloof het, vanaf nu zal het iets meer zijn.

Durand Jones - Wait Til I Get Over (2023)

poster
4,0
"Als je de Mississippi-rivier volgt terwijl die strak draait en keert, door z'n oevers niet in staat om vrij te bewegen, dan zal je Hillaryville vinden, plaatsje in het Atchafalayabekken van Louisiana. Deze plek werd gesticht door acht slaven die het kregen als een vorm van herstelbetalingen na de Amerikaanse Burgeroorlog. Nog steeds worden de meeste bezoekers begroet door hoog Sprite-groen suikerriet, dat daar ligt te genieten in de zon. Toen ik mijn oma vroeg hoe het was toen ze voor het eerst naar Hillaryville verhuisde, was haar antwoord altijd hetzelfde: 'De plek waar je het liefst zou willen wonen' "
Durand Jones, Song 2 - Interlude.

Een beetje soulfan kent minstens ergens de platen van Durand Jones & The Indications, groep van de twee fantastische soulzangers Durand Jones en Aaron Frazer en gitarist Blake Rhein. Nu laat, na Aaron Frazer, ook Durand Jones zijn The Indications even voor wat ze zijn en gaat ook hij voor het eerst solo, helemaal kwetsbaar in zijn eentje, als het ware blootvoets zoals toen, de weg terugzoekend naar de geluiden, geuren en kleuren van zijn roots, om er ook op te gaan in de vaststelling dat hij - als op de plaatcover - trotse afstammeling is van de vroegere 'Longshore-men', rijst- en suikerrietkwekers langs de Mississippi.

'Wait Til I Get Over' is er de ontbolstering van, Durand Jones anders, muzikaal rootsy en spiritueel, een merkwaardig, zomers southern black musicalbum. Een conceptplaat bovendien die zeker al een decennium door Durand Jones' geest spookt in een mix van gospel, folk, soul, r&b, jazz, hiphop en rock - en nee, hier nergens disco. Alles als eerbetoon aan zijn hometown, maar ook als zijn heel persoonlijke reflectie over vroegere hartsaangelegenheden, waarden als geloof en zelfrespect, verwerkt in wat je dus evengoed zijn muzikale memoires kan noemen. Het zijn evenveel rauwe en eerlijke verhalen van vroeger met eigen ogen waargenomen levensgeschiedenissen over ontberingen en het moeilijk maar creatief opgroeien in een gehucht in Louisiana. Hillaryville, plaats dus van waaruit hij als jongere enkel en alleen zo snel mogelijk wilde ontsnappen, dat hij dan in 2012 kon verlaten om in de Bloomington Indiana University klassieke saxofoon te gaan studeren, waar na nog een vier jaar het verhaal van The Indications kon beginnen. Het Hillaryville, waarop hij, zoveel ouder, intussen met pijn en veel heimwee terugziet. Zijn desolate geboortestad, ooit een bloeiende, geïsoleerde zwarte gemeenschap, waar nu de wegeltjes erheen enkel afbrokkelen, waar ooit ten gevolge van de miserie de crackepidemie des te harder toesloeg. Het kreeg voortdurend zijn hachelijke deel van de omringende wereld in onrust.

Het overrompeld openende 'Gerri Marie' grijpt direct bij de keel, ballade over liefdesverdriet en spijt, prachtig klinkend met statige piano en weidse strijkers en daarbij het immer schitterende soulvolle stemgeluid van Jones. Volgt even onweerstaanbaar 'Sadie', fluweelzachte countrysoulsleper die net zo goed van Alabama Shakes' Brittany Howard had kunnen zijn, Jones' soulhese falsetto netjes geflankeerd met dartel solerende gitaar.
Het onrustige 'I Want You' is dan een uitdagend rechttoe rechtaan soulgospelnummer over de strijd voor de onbereikbare dingen des levens, een stapvoetse processie van Echternach evenwel, met roffelend aanstekelijke offbeat-percussie helemaal de floerszingende Durand Jones achterna.

Het titelnummer, de bijna kerkelijk hymne 'Wait Til I Get Over' is het ei waarop Jones al vele jaren zat te broeden. Hier wordt het een indrukwekkende vintage gospel, met stemmig wervelende electronica op het einde, helemaal uitwaaierend tot in de hete southern gospelhemel. De hele song is een rigoureuze, honderd procent eenmans-reconstructie van het samenzingend kinderkerkkoor uit zijn jeugd. Nu binnenkamers geproduceerd, microfoon verzetten van links naar rechts, de verschillende koorgedeelten telkens gewoon solo inzingen, afzonderlijk opnemen tot ineens alles zowel in gevoel en kleur zo goed valt als toen. Zoveel imponerende titelsongversies door één man's oprijzende stem gecompacteerd in één song.

Even apart, na de zo poëtische introductie met kreekgeluiden, piano en strijkers bij 'The Place You'd Most Want to Live [Interlude]' (de lyrics hierboven), is de bewust primitief geproduceerde single 'Lord Have Mercy', een wildswingende, rauw maar krachtig gezongen rock&roller over zijn gecompliceerde omgang met het geloof. Alles met volle energie in één ruk uitdagend live op band gegooid, primitief, vervormd zelfs door een niet eens zo goed ingestelde microfoon. Terwijl zijn band (met gitarist Drake Ritter, drummer Ben Lumsdaine, bassist Ben Meyer en Matt Romy op keyboards) ongedwongen groovede en jamde sprong Jones met zijn vocalpartij op het hem passende moment als een Otis Redding mee in de dans.

Het pakkend kwetsbare, melancholische break-upnummer 'That Feeling' is een groeier. Een opzwepende soulsong die voor het eerst maskers af en boekje open doet over Jones' prilste ervaring met queerliefde met een getrouwde minnaar, met zijn biseksualiteit, een gedurfde terugblik van twee volwassen mannen op hun tienerverdriet bij beëindiging van een verborgen met schaamte gevulde romance.

Het met ruige rocksolo's opgevrolijkte 'See It Through' daarna is evenwel zo funky als zat een wiegende Stevie Wonder zelf aan de keyboards. In de cover en burgerrechtenlied 'Someday We'll All Be Free' werpt Durand Jones zich in de langzame, gestage groove op als op en top soulcrooner met Marvin Gaye-allures. Een krachtig sociaal pamflet over slachtoffers van politiegeweld dat met de inlassing van de spetterende solo van rapper Skypp middenin het stuk alleen maar explosiever en indrukwekkender wordt.

De openhartige 'Letter to My 17 Year Old Self' dan is episch openende jazzpiano vermengd met funky soul, waarbij zowel Jones' sax als weer zijn eigen eenmanskoor mee de jazzy nacht inmag. In het finale 'Secrets', begeleid door zacht opcirkelende pianoakkoorden, steekt het meerstemmige Durand Jones-koor de jongeren nog eenmaal een hart onder de riem: kop op jongens en, regels of geen regels, laat je nooit ofte nimmer je menselijkheid afnemen. 'Secrets' eindigt met een tweeminutenlange kabbelende soundtrack, wassend waterleven zoals het daar is voor een bevrijde Durand Jones, aan de oevers van de machtige Mississippi.

Deze verpletterend mooie songs van dit 'Wait Til I Get Over', ze riepen zichzelf naar hem toe, aldus Jones in zijn liner notes, bij truckstops, in tourbusjes, bij het lezen van James Baldwin's novels, bij eenzame etentjes. Ze zijn een backstage spiegel en als een willekeurige piano onderweg... Terwijl zijn bejubelde soulcarrière met zijn coole The Indications zich nog steeds aan het ontwikkelen is, krijgen we hier ineens de vintage, ruig geproduceerde, maar schitterende Durand Jones, die zich helemaal solo op zijn persoonlijkst en emotioneels ontpopt, in een samengaan van traditioneel en modern, serene piano met bruisende electriciteit en synths. Hier een muzikaal rijke plaat dus met een pakkend verhaal helemaal in het midden van Hilaryville, waarover een gerijpte, charismatische persoonlijkheid met de passionele kracht van zijn soulstem zijn hart uitzingt. Zoals hij het zichzelf ook had voorgesteld: dit 'Wait Til I Get Over' ruikt helemaal naar pittige magnolia's op een hete julidag in Louisiana. Wat een terugblik.

Durand Jones & The Indications - Flowers (2025)

poster
4,0
En dat met een soulgenre dat zogezegd al helemaal doorploegd was... Daarmee word je op 'Flowers', het zalige vierde plaatje van Durand Jones and The Indications, toch maar weer eens naar de vervlogen seventies teruggekatapulteerd. Naar de bruisende gouden tijden van Motown en de Philadelphia Soul. Want zo voorstelbaar wordt het intussen dat ook Jones en zijn verfijnde gezelschap daar ooit goed hadden kunnen figureren als een van die in keurig pak gesticulerende mannengroepjes. Inmiddels blijven die tot genoegen van velen mooi het behang uitmaken van leuke zenders als 192TV die non-stop hun nostalgische, bijna vergeelde zang- en dansclipjes in zwart-wit rondstrooien.

Ook bij Durand Jones and The Indications, de groep van de twee frontmannen, zanger Durand Jones en zanger-drummer Aaron Frazer en gitarist-kernproducer Blake Rhein, kan je je gulzig laven aan dergelijke helemaal smoothy r&b en warmhartige retrosoul à la The Stylistics of Earth, Wind & Fire, vol sierlijke en zonnige vibes en met hun harmonieuze zang altijd op de voorgrond.

'Flowers' glijdt daarmee toch o zo zoet voorbij, in een totale eenheid van begin tot einde. Hier worden dus nog de ambachtelijke soul-, funk- en discogrooves aangemaakt die je intussen nergens elders meer vindt. Een overweldigend pak geheel downtempo songs steevast over liefde met grote 'L' en waarin alleen de rust en traagheid mogen heersen. Elf relaxte, zweverige ochtendballads als net voor een bloedhete dag, als de elf pilletjes tegen de rusteloosheid die altijd wel ergens op je wacht.

De hoofdmoten van 'Flowers' zijn telkens in gradaties de hoge falsetjes van de twee frontmannen en de invallende bandleden in koor, waarbij ze allen samen zo hemels oudmodisch op elkaar inzingen. Alles wordt dan nog eens op gladde wijze klassiek romantisch ingeblikt met op kousenvoeten die overvloed aan sfeervolle strijkers, dwarsfluiten en blazers.

Enkele van de allerliefste songs zijn 'Flower Moon', 'Been So Long', 'Lovers' Holiday', het verzoenende 'I Need the Answer' en 'If Not for Love', die dus nergens een decibel boven je maaiveld zullen uitkomen. Of het ware 'Rust and Steel' dat misschien een toetsje, wat timbre heeft van het oude Pacific, Gas & Electric, maar dit maakt ook hier weer Durand Jones and The Indications absoluut nog geen rockband.

We krijgen deze keer dus geen strijdliederen voor op de barricaden van een gepolariseerde maatschappij, hier komt integendeel zalvend een bevallig boeketje zomerse bloemetjes voor fijnproevers en daarmee anno 2025 toch wel zeker een gedurfd nostalgische plaat.

Durand Jones and The Indications, zij zijn een sterke performancegroep. Maar toch benieuwd hoe ze het daar straks mee gaan bakken in de slotnacht van Rock Werchter.

Dvne - Etemen Ænka (2021)

poster
4,5
Een kluif overweldigende postmetal/progressive sludge dit hier voor fans van o.a. Mastodon, Gojira, Sarin, Cult Of Luna, Opeth, Psychonaut of Amenra. Dit monumentale opus van Dvne valt bij je binnen met de progressieve brutale kracht van een vroege Mastodon. Ruimtelijke, melodieuze, lang uitgesponnen composities komen meer dan een uur lang furieus golvend  aanrollen, groots, massief, bonkend en dan weer delicaat contrasterend met de drie korte interludia. De harmonie en de flow van de opzwepende ritmes, de uitzinnige riffs en akkoordenprogressies, de grunts of de cleane  vocalen worden in de rug versterkt door even imponerende keyboards. Dvne, perfect op elkaar ingespeelde band, creëert muzikaal spektakel als een flitsende lichtkolk wervelend boven hun Highlands-sterrenhemel. In het majestueuze slotnummer, optrekkend met elektronische doedelzakkensound, kom je in diminuendo dan toch weer tot de onderbroken stilte van de Schotse nacht. Geen kloon dit hier, maar een indrukwekkende band die verbaast. Zoveel geëtaleerde rijkdom vraagt om ontdekking tot in de kleinste geledingen.