MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten henrie9 als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Taj Mahal & Ry Cooder - Get on Board (2022)

Alternatieve titel: The Songs of Sonny Terry & Brownie McGhee

poster
4,0
Die legendarische oude krakers van de Buena Vista Social Club bracht hij in 1996 ten overstaan van de hele wereld weer springlevend. Op zijn discografie staan zo nog van die tour de forces rond wederkomst van stilaan vergeten helden of onder het stof verdwenen muziekstijlen wereldwijd. En nu, hier, doet Ry Cooder met 'Get On Board' zelfs overleden legendes weer helemaal stralend uit het graf verrijzen. Samen dit met z'n allereerste compagnon de route Taj Mahal, zanger-multi-instrumentalist, met wie hij als tiener al The Rising Sons vormde, brengen ze hier samen die muziek én grotendeels het gelijknamige album uit 1952 dat hun toenmalige idolen maakten, de mondharmonica- en gitaarspelende Sonny Terry en Brownie McGhee. Blinde Sonny en spierverlamde Brownie waren folk- en bluesmannen die hun succes oogsten tot in de vroege seventies en die bij Cooder en Mahal al heel pril het heilige muzikale vuur voor blues en soul ontstaken. Zelf zijn ze nu vrijwel even oud als zij toen zijn geworden, Cooder 75 en Mahal 80. Even grote blueshelden bovendien. Ze doen hun eerbetoon elk op hun manier, maar eerst en vooral met de relaxete gezelligheid van een vrienden-muzikantenduo dat heerlijk opleeft in de recreatie van de aloude fantastische sound van Terry en McGhee. En waarlijk, dit klinkt zo aantrekkelijk levend, zo ongekunsteld retro. Zelfs zonder de blues- en folkoriginals vooraf te kennen, voel je de muziek zijn goede werk doen, tot in je hoofd, hart en ingewanden. Het goede humeur welt op, zowel het verstand als het buikgevoel zeggen: wat is dit goed.

De zanderig knisperende stem van Mahal, z'n mondharmonica, gitaar en piano, ze slepen je mee in de oude songs en Cooder, die blijft, naast medevocalist, op gitaar, banjo en mandoline gebijteld de even meesterlijke snarenplukker die hij al die jaren al was. Cooder's zoon Joachim vult aan met bas en percussie. Zo geeft, prachtig, het verleden zijn nostalgische vibes nog eens door aan nieuwe generaties, aan al wie er wil voor openstaan. Alles wordt hier ten hore gebracht, direct en spontaan, intiem en ongedwongen, als ware het live in een te kleine Labadoux-clubtent ergens in Ingelmunster, met nodige vrolijkheid en handclaps van de enkele tientallen. Heel uiteenlopend, de folkieshits 'The Midnight Special', 'Hooray Hooray', 'Pick a Bale of Cotton', 'I Shall Not Be Moved'. Of de fraaie blues 'Drinkin' Wine Spo-Dee-O-Dee', 'Pawn Shop Blues'... Is het materiaal niet altijd met de juiste muzikale precizie, wat zou dit de pret drukken. Niet bij deze twee enthousiaste oude rotten-muzikanten, evenmin bij fervente toehoorders van schitterende folkbluesalbums als dit. Een tribute aan Sonnie en Brownie is het, maar evengoed een spetterende viering op plaat - na 56 jaar! - van de hereniging van Ry en Taj.

Tamino - Every Dawn's a Mountain (2025)

poster
4,0
Daar is Tamino terug met zijn derdeling ‘Every dawn’s a mountain’. Ooit ontdekt in een Radio 1-sessie van Het Zesde Metaal in 2016, Tamino, de Belgische singer-songwriter met Egyptische roots. Voorstellen hoeft negen jaar later ook bijna niet meer, hij wordt door al zijn collega's geprezen en waar hij ook, steeds meer internationaal, met zijn intense performance langskomt doet hij monden van bewondering openvallen.

Tamino is immers de adonis met het uniek mistroostige stemgeluid ergens verwant aan dat van Thom Yorke of Zach Condon van Beirut, maar dan nog wat uitzonderlijker. Een vaak vrouwelijk aandoende falset die probleemloos fladdert overheen vier octaven, maar die op ‘Every dawn’s a mountain’ des te meer beheerst ook zijn mannelijke, trotse, lage stem ontmoet.

Net als zijn Egyptische grootvader leerde hij zichzelf bovendien de oed, arabische luit te bespelen. Dit geluid borduurt nu als nooit tevoren, als bijna zijn handelsmerk, doorheen het nieuwe album. In tien songs, nauw samen met dit introverte instrument geboren en op het schitterende 'Sanpaku', eenzaam dansend als een Radiohead-mijmering, zelfs het meest prominent aanwezig.

Het is verstilde, teruggetrokken muziek in de grootste intimiteit ontloken in, zoals hij het zelf noemt, het levend organisme van zijn muzestad New York, zijn nieuwe boostlocatie. De aanleiding, relationele gebeurtenissen als de stopzetting van zijn relatie met Pitou, de ontsnapping uit het kabbelende Antwerpen, een jong componist steeds buiten zijn comfortzone zoekend naar zijn eigen normaal. Het mondt vol trillende emotie uit in de wondermooie harmonie van deze in essentie melancholische songs.

Veelzeggend is daarbij de plaattitel 'Every Dawn's a Mountain', hintend naar de bij iedere nieuwe levensstap steeds weer opduikende uitdagingen. Tamino doet om daarmee in het reine te komen een terugblik vanaf zijn 'tegenwoordige stand van zaken'. Al zijn innerlijke roerselen schraapt hij samen in zijn nieuwste creatie als legde hij ze nu in dit momentum op een metafysch altaar met daarop alleen verdriet, verdringing en niet losgelaten verleden.

Die poëtische kwesties van het hart lichten dan ook constant roodgloeiend op tussen de prachtige intimistisch opgetrokken klankensluiers. Neem de vertwijfeling over wat een relatie is in de monumentsong 'Babylon', het woordenspel tussen liefde als heldin (heroine) of eerder verslaving in de ontroerende séancesong 'My Heroine', het sublieme scheidingsduet 'Sanctuary' met tourmaatje/klassebak Mitski of het meer abstracte 'Willow'. Met zijn openhartige teksten over liefde die blakerend uitbarsten, woordenstromen die eruitgulpen en benedenwaarts zoeken naar nieuwe bloei. Hoe breekbaar en teruggetrokken ook de man, des te meer wil hij groeien, herrijzen uit de as van elke voorbije brand.

'Every Dawn's a Mountain' verloopt als Tamino's persoonlijk filmtraject, vertrekt met 'My Heroine' als Antwerpse proloog, vervolgt aansluitend zijn magische zielsreis helemaal tot aan 'Dissolve'. Vanaf de single 'Babylon', waar hij alles uit de kast haalt, tussenin langs het intense 'Raven', zijn hartverscheurende sirenesong.

Landen dan bij 'Dissolve', een en al fragiliteit, waar hij na het proces van afbraak uiteindelijk al de heropbouw wil zien gloren. Daarbij is song tien, 'Amsterdam', een onverwacht sluitstuk, een epiloog en als ultiem afscheid Tamino's terugkeer naar de bron van al die thema's van het album. Het Amsterdam waar hij als kind woonde, waar hij als conservatoriumstudent schoolliep en waar deze teruggetrokken engel ook zijn nood aan ontsnapping ontdekte.

'Every Dawn's a Mountain' levert de intiemst denkbare folk voor je huiskamer. Met subtiele snaren die rustgevend zijn, elk agitatiegevoel vertragen. Sterk zonder meer om mundiaal te kunnen charmeren met een authentieke crossover met klassiek en Arabische erfgoedmuziek met al zijn sierlijke, fragiele arrangementen.

Want daarmee wordt Tamino straks dus heel groot. Overigens - guilty pleasure - ligt zijn Amerika vol 'rocky mountains' als in de albumtitel. Als de volgende van zijn spirituele klimtochten telkens zo'n prachtige verzameling songs opleveren, heeft Tamino nog heel wat moois voor de wereld in petto.

Tamino - Sahar (2022)

poster
4,0
'Sahar' is een Arabische en een Hebreeuwse naam voor jongens en meisjes. Maar 'Sahar' betekent tegelijk: morgenstond, licht, madrugada. Voorochtendlijke gedachten leiden tot dit album... 'Sahar'.

Al direct vanaf het verschijnen van de eerste nummers van Tamino's eerste album 'Amir' oogstte de Belgische singer-songwriter met Egyptische roots fantastische lauweren en kreeg hij al vlug de bijnaam 'de Belgische Jeff Buckley' opgeplakt. Op zijn albums en singles komt hij telkens fraai als adonis in beeld. Maar bovenal zijn eigen muzikale persoonlijkheid is het die van zijn melancholische songs classics maken en van zijn concerten, zoals laatst nog dat op Pukkelpop 2022, absolute toppers.

Tamino's muziek bevat die teneergeslagen grondtoon die kunstig verbond zoekt met de luisteraar. Zijn stemgeluid fladdert probleemloos overheen vier octaven. Hij geniet van zijn vaak vrouwelijk aandoende tedere falsetstem die mistroostig doet zweven. Maar evenzeer - hier nog meer dan op 'Amir' - injecteert hij zijn mannelijke, trotse, lage stem. Zo horen we met het nieuwe album 'Sahar' weer een plaat die sterk is omgeven met Thom Yorke'- en Radiohead-vibes. Geen wonder bovendien, want, naast het verwante weemoedige stemgeluid, zat voor tal van songs de Radiohead-bassist Colin Greenwood mee in de studio.
Je hoort dat allemaal zo mooi in opener 'The Longing', eerste getuigenis over levenslang streven naar liefde. De kracht van Tamino's bezieling, een album vol charme en emotionaliteit, wordt op 'Sahar' en surplus versterkt door een internationale sound, in het biezonder ook uit het Midden-Oosten, die heel natuurlijk uit zijn writerspen binnenstroomt. Tamino leerde voor 'Sahar' net als Muharram Fouad, zijn grootvader, even begenadigd zanger ook, de oed, arabische luit te bespelen en borduurde dit geluid al vanaf de eerste song 'The Longing' als een ruggengraat prachtig doorheen het album.

Tamino is geen tranentrekker, zijn muziek is sereniteit. 'Sahar' is een en al bedachte, persoonlijke, kwetsbare zelfreflectie, maar hij houdt die binnen de contouren van zijn rol als performer. Daarom ook geeft Tamino in interviews rigoureus geen extra diepgaande intieme toelichtingen over de individuele zieleroerselen die in de poëzie van het album bedekt en omfloerst worden prijsgegeven. Het is precies aan de toehoorder zelf om aan alles eigen invulling te geven.

In het door Arabisch snarengepluk snel aangedreven 'The Flame', met zijn stemmenkoor in de achtergrond, heeft Tamino het nostalgisch croonend over zijn gevoel van verlies. Geagiteerde blazers, dreigende stemmen en onheilspellende piano starten single 'You Don't Own Me', waar hij, droef, zijn muzikantenbestaan van op afstand bekijkt. Schitterende zang daar, van diep somber, met aanzwellende strijkers en koor, tot op een mooi hoogtepunt. 'Fascination' neemt vrolijk over, melodische midtempo-popsingle op repeterende gitaar vol zwoele zomerse flair.

'Sunflower' is een duetsong met Angèle, over onbeantwoorde liefde aan de hand van de fatalistische mythe van een zonnebloem. Het nummer krijgt met de passende klankkleur van Angèle's stem een nieuw sensueel karakter. Wellicht te verwachten als volgende, vierde single. Eerste single 'The First Disciple' is Tamino's zelfkritische mijmering over de rol van de muzikant wiens handel en wandel hier vanuit het standpunt van een bekritiserende fan gefileerd wordt. 'Cinnamon' is lekker loungy, met zijn parlando er heerlijk jazzy overheen. 'Only Our Love' een nieuwe ode aan de liefde. Vredige akoestische gitaar begeleidt Tamino's floerse zang.

Op het Arabisch galmende, transcenderende 'A Drop of Blood' bespeelt Tamino heel eenzaam de aloude oed, zijn prachtig oosters meeverbuigende stem zweeft vredig over onbenoemde woestijnlandschappen: "May we find harmony like wind and tree". 'My Dearest Friend and Enemy' gaat over het einde van een relatie, de pijn bij het loslaten en de angst voor het onbekende. Tamino zingt ingetogen, gaat afsluitend, in gedachten verzonken, de hoogte in als naar Orbison's 'In Dreams'.

De figuur van Tamino bespeelde in Mozart's gelijknamige opera 'de Toverfluit'. Net zo is de zanger, die daarop geïnspireerd zijn naam van zijn moeder meekreeg, nu toepasselijk de wereld aan het betoveren en veroveren. Als internationale act in wording verkoopt hij dezer dagen zalen uit in Chicago, Minneapolis, Seattle, Portland, San Francisco, Los Angeles, Phoenix, Austin, Atlanta, Washington, Brooklyn, Parijs, Londen, Keulen, Berlijn, vooraleer de Lage Lagen en de rest van Europa worden aangedaan.
Verbazend weer voor een kleine Belg, maar volkomen terecht. Zeker na dit uitstekende 'Sahar'.

Taylor Swift - Midnights (2022)

poster
4,5
Taylor Swift, 2022. - Staat ze ineens op een ijl hoogtepunt, breekt ze zelfverzekerd het ene record na het andere, verandert alles wat ze aanraakt in puur goud. Op dit eigenste culminatiemoment zo ziet Taylor Swift bij de release van haar laatste album 'Midnights' haast verwacht een immense, voorheen ongekende streamingsstormloop losbarsten.

Ja, zelfs met een eerlijke, open conceptplaat als dit 'Midnights'. Want misschien had je het ook, na haar vorige albums 'Folklore' en 'Evermore' van verleden jaar, na het inladen van al die sfeervolle ingetogenheid van twintig verse, subtiele synthpopsongs, perfect gezongen en verre van goedkoop, dat er toch wel echt weinig was dat zich al onmiddellijk nestelde. En voor wie 't betreuren zou, niks, helemaal geen direct inslaande hits hier of oorwurmen. Stapje achteruit dan maar misschien, zoals ook Swift zelf blijkbaar heel welbewust deed en al die ragfijne melodieën gewoon rustig laten indalen. Dan, na een paar draaibeurten van die toch wel geheel 'anders dan andere' zachte nachtplaat, voel je met de opkomende schittering en glans ook je eigen invulling zijn weg vinden. Tegen die tijd heeft 'Midnights' je gegarandeerd al goed te pakken.

Er wordt heel wat afgezongen op dit deemsterige album van Taylor Swift, haar authentiek relaas van een resem slapeloze nachten in onzekerheid. "Een reis door verschrikkingen en zoete dromen", beweerde ze met enig gevoel voor drama. Afgeslankt in een concept van dertien songs. Een middernachtelijk samengaan van koortsige, broeierige soundscapes en cryptische, vaak ongezouten, van krachttermen voorziene schrijfsels die zich meesterlijk voor je ontvouwen. Rechtstreeks uit een dagboek vol intieme zieleroerselen en tranen. Heeft ze het daar over liefde in velerlei gedaanten, natuurlijk, én frustraties, kwelgeesten, woede, angst en lik op stuk. Voor Swift lyrische voortzetting van haar vurige, tegelijk schemerige odyssee van zelfreflectie en bekentenissen. Dertien etapjes hier, over waar ze zichzelf als serene volwassen vrouw van vlees en bloed tegenkwam en over waarheen ze straks ook wel naartoe wil. Maar warempel, drie uur na de 'Midnights'-release verrast Swift alweer: met een 'heruitgave' van het gloednieuwe album. Werden er losjes (en voor velen wellicht frustrerend) nóg eens zeven '3am Tracks' toegevoegd, liefelijk toegelicht als "de zeven songs geschreven om die magische dertien te vinden". Wat die bonusreeks van drie uur later betreft stond Aaron Dessner als producer aan het roer en schiet het galopperende, heel directe 'Would've, Could've, Should've', over de complexe relatie van een tienermeisje met een dominante oudere man, er bovenuit.

Vriend-producer Jack Antonoff zat voor het hoofdgerecht 'Midnights' (weer) aan de knoppen én aan de schrijftafel. Hij leverde Taylor's intimiteiten uiteindelijk telkens af in het meest passend elektronisch bad aan synth-tonen, al of niet voorzien van stemvervormingen, house- en trapbeats en veel ander moois.

Midnight 1 - Gelaagde opener 'Lavender Haze', op een spannende beat samengezongen met Zoë Kravitz, draagt op hoogst zwoele wijze passionele liefdesgloed uit en leert tegelijk hoe de verheven liefdesdeugd te behoeden voor externe stoorzenders. Tegelijk schopt ze hevig tegen oubollige genderverwachtingspatronen aan.

Midnight 2 - Nog meer liefde in het wondermooie vol ambient ronkende 'Maroon'. Liefde in variaties van rood. Een volwassen, donkerder versie van romantische lovestory, waar de tinten van Taylor's blind gepassioneerd 'rood' - herinner 'Red' - nu uitgedeemsterd zijn naar het complexere, rijpere 'kastanjebruin-karmijnrood'.

Midnight 3 - Volgt dan als wat vreemde eend in de bijt, leuke single 'Anti-Hero'. Sowieso weer een pareltje van compositie én haar eigen duivelse favoriete nummer. Waarin ze vol zelfspot in zichzelf duikt en zich daar in vernietigende zelfhaat omschrijft als probleem van haar eigen story en 'het monster op de heuvel'.

Midnight 4 - In het licht dromerige, donzige sfeertje van volgend hoogtepunt 'Snow on the Beach' krijg je hemelse samenzang met haar idool Lana Del Rey. Hartverwarmende melodische song over simultaan op elkaar verliefd worden.

Midnight 5 - In het fragiele 'You're on Your Own, Kid', met zacht pulserende, opbloeiende beat en mooie verweven gitaren, zingt Taylor in de derde persoon over zichzelf als jong 'kid'. Een indringende song over gemiste kansen en het zoeken om als individu toch onafhankelijk jezelf te worden. Intrigerend vooral de passage "I looked around in a blood-soaked gown", verwijzend naar de met bloed overgoten horror-Carrie uit de film en meteen duidelijk makend hoe ze terugkijkt op haar publieke vernedering door Kanye West in 2009.

Midnight 6 - In 'Midnight Rain', druppelen op een popritme en een mix van synthgeluiden middernachtelijke herinneringen binnen aan een ooit omwille van de zangcarrière door haar afgebroken trieste liefde.

Midnight 7 - 'Question...?', andermaal mijmeringen over een voorbije relatie en vooral over het daarbij onuitgesprokene. Net zoals in die andere relatiesong 'Lukt Het Met Hem' van De Mens.

Midnight 8 - Het stoere 'Vigilante Shit', minimale beat overheen zwaargalmende synths, is zwoel opbouwend. Vlijmscherpe, weliswaar niet exploderende weerwraaksong naar luitjes als, opnieuw Kanye West en onfrisse ex-zakenpartner Scooter Braun.

Midnight 9 - Gefrustreerd in een relatie waar je niet op je waarde geschat wordt? Het sprankelende 'Bejeweled' glittert en stuitert van zelfvertrouwen en leert ook jou, waar nodig, hoe in een mum van tijd weer 'bejewelled' te zijn.

Midnight 10 - 'Labyrinth' is een tragere dancepopsong die afrekent met falikant verlopen liefde en tegelijk met de niet evidente verwachtingen om dan ook zomaar weer op te veren.

Midnight 11 - Op de onzekere hartslag van het sprankelende 'Karma', door elkaar vloeiende drums, gitaar en synths, kom je precies waar Swift je wil hebben. Laat haar rechtuite reflecties over wie haar ooit onrecht aandeed maar melodieus zijn gangetje gaan, op de maat van haar stokpaardje, karma, krijgt iedereen vroeg of laat wat hij verdient.

Midnight 12 - Nog een tedere, zorgeloze lovesong is die ballade 'Sweet Nothing', roept met zijn sobere pianobegeleiding en blazers een sfeertje van de seventies op.

Midnight 13 - In het afsluitende 'Mastermind', song waarop ze zich opnieuw biezonder trots voelt, maakt ze nochtans weer een weinig flatterend zelfportret. Haar opzet was aldus de lyrics - beetje inbeelding wel graag - tussen de romantiek door vooral te klinken 'alsof een schurk net de kamer is binnengekomen'.

Terugkijkend, een stralende 'the morning after'. Taylor Swift heeft zichzelf in het hele productieproces van dit 'Midnights' niet opnieuw moeten uitvinden. Zat ze voorheen al in de country, de pop of de folk, lijkt het er nu op dat ze hier grotendeels naar haar vroegere luchtiger platen als '1989', 'Reputation' en 'Lover' is gaan terugkijken, waarboven ook al nevelige synthpopwolkjes dreven. Maar als de vrouw die ze nu is, die trouwens in 2021 als assertieve weerwraak ook al 'Fearless' en 'Red' een volwassen remake gaf, gaat ze daarmee nu wel veel verder dan toen. Ze brengt haar twintig vriendelijke popsongs met een unieke, heel nieuwsoortige coole flair en ingetogenheid. En het natuurtalent dat ze al had vanaf dag één bevestigt ze met iedere nieuwe productie. En ja, natuurlijk was die hele middernachtreeks voor haar niet écht fatale verschrikking of nachtmerrie. Want van Taylor Swift, weten we het al lang, ze was en blijft in alles altijd al een survivor pur sang en zo zijn ook deze songs. Laat de kritikasters dus maar komen.
Zoveelste topplaat van La Swift.

Taylor Swift - Red (Taylor's Version) (2021)

poster
4,0
Taylor Swift's verhaal is gekend sedert haar eerder dit jaar verschenen 'eersteling' 'Fearless (Taylor's Version)'. Ze zet een revenge-koers tegen de geldwolven die de opbrengsten van haar vroege discografie wegkaapten onverdroten verder. Is ze de rechten op de mastertapes van zes albums aan hen kwijtgeraakt, goed, dan neemt ze nu alles gewoon, nog beter herop. Zo komt ze nu aan 'Red' en krijgen we in plaats van de 16 originele songs daar nu zelfs een tot 30 songs uitgebreide tracklist. 2 uur en 11 minuten, met toevoeging van al gekende b-sides én 'ongekende' nieuwe nummers, verbonden aan de toenmalige opnames van 'Red'.

'Red' schreef ze op haar 22ste en die was toen al een klassieker. Hét Swift-album bij uitstek, omdat het muzikaal en stilistisch alles in zich had wat Swift zo goed maakt. Een totale mix van ballads en popkleppers, van pop, dubstep, country en indiefolk. Indirect is de plaat verbonden met het iconische 'Blue' van Joni Mitchell. 'Red' was even creatief, met een krachtige emotionaliteit, een verbluffend gedetailleerde manier van directe songwriting. Ze wist er zich onmiddellijk mee in de harten van de fans te nestelen.

Die songs uit 2012 krijgen nu een betere, strakkere productie. Instrumenten, gitaren in alle vormen, piano, alles klinkt degelijker, met meer finesse. Intussen is Swift ook vocaal een rijpere, meer assertieve zangeres geworden. De vroegere nummers, nu gezongen door een door de jaren geëvolueerde persoonlijkheid komen nóg een stuk beter, verfrissender over. Ogenschijnlijk banale dingen des levens, maar nóg meer opengebloeid. Het blijft natuurlijk ook hier dezelfde mare, liefde, liefdesverdriet, boosheid, teleurstellingen, hartstocht en geluk. Vooral de breuk met acteur Jake Gyllengaal hakte er toen heel diep in. Maar nu, als in een doortastende flashback terugblikkend, lijkt alles doordrenkt met scheuten loutering en nostalgie.

Wat de nieuwe 'Red' bovendien dubbel zo interessant maakt en de gekaapte eerste uitgave daardoor gelijk als definitief overbodig wegzet, zijn de nieuw toegevoegde nummers. Dat ze allesbehalve verbleken naast de originele tracklist is nog een understatement.

'Better Man' bijvoorbeeld, komt hier voor het eerst in zijn oorspronkelijke vorm, na eerst te zijn uitbesteed aan Grammy-winner Little Big Town. Swift zingt er met overtuiging over haar ontsnapping uit een giftige relatie. Pareltje weer van schrijfkunst. 'Nothing New', geproduceerd door Aaron Dessner, grootse, droevige ballade over de twijfels van een jongvolwassene in de muziekindustrie, met uitmuntende Phoebe Bridgers. 'Message In A Bottle', geen The Police-cover, niet enkel energieke popsong, vooral topsong. 'I Bet You Think About Me', ironische afrekening verpakt als countryballad, met Chris Stapleton en z'n warme Dylan-harmonica. 'Forever Winter', nog een ballade, Swift als Suzanne Vega zelfverzekerd in haar romantische bespiegelingen. 'Run', verleidelijke, harmonische verstrengeling met Ed Sheeran. 'The Very First Night', upbeat popliedje, klein maar toch aanstekelijk.

Maar het origineel al impressionante 'All Too Well', break-upsong met bikkelharde filering van haar ex, acteur Jake Gyllenhaal, wordt als uitsmijter van Swift een extra 10 minutenlange 'director's cut' en het koninginnenstuk van dit album. Na toevoeging van de vroegere, schitterende extra-strofen staat daar een briljante slotsong die het origineel overtreft in verwoestende perfectie. Het nummer zette Swift in 2021 ook voor het eerst aan het filmen. Ze transformeert de dramatische zanglijnen van 'All Too Well' in een onthutsende kortfilm waar de liefde tussen de charmant arrogante Him en de naïef ogende schrijfster Her, in coltrui en  in dieprode liplook, op de klippen loopt. Ook Her verheft finaal de achtbaan van diepe emoties in een nieuwe roman, die door de boekenwereld omarmd wordt.

Tailor Swift - AllToo Well: The Short Film

Hoe volwassen kan men zijn op 22, hoe matuur was toen haar kijk op de wereld!
Maar ook nu, zingen over jezelf als 22-jarige, terwijl je intussen al 31 bent? Nee, toch klinkt het hier verre van nep. 'Red (Taylor's Version)' is zoveel meer dan remake, het is Swift's emotionele zuiveringsplaat. 'Rood', misschien gegroeid als symbool van in woede terugslaan. Ze heeft het voor de fans omgeturnd in dé ultieme versie van 'Red'. Wie er zich weer voor openstelt ondervindt dat de verhalen in 'Red' hier op schitterende wijze een tweede leven krijgen. Waarmee 'Red' dus, eerder dan als represaille, veeleer als empatisch kloppend en warmstromend over je heen valt.

The Anchoress - The Art of Losing (2021)

poster
4,0
Al die diepe persoonlijke crises van de Welshe Catherine Anne Davies op een rijtje gezet leiden tot een schitterend helend album met talrijke kwetsbare hoogtepunten. Beklijvend gedreven van prelude tot einde. Lyrics essentieel dus.

The Antlers - Green to Gold (2021)

poster
4,0
Typeerden we The Antlers al eens als zo zwaarmoedig als eels, dan hebben ook zij hier blijkbaar hun opgewekte opstoot. Zanger/gitarist omschrijft het als zijn perfecte zondagochtenplaat. Betoverend en fraai!

The Black Keys - Delta Kream (2021)

poster
4,5
Al bij Jools Holland laatst zagen we dit bekende rockduo live in Nashville deze diepe duik nemen in hun Mississippi country-bluesverleden. Ongekuist, rauw en groovy, als in het ijltempo van één lange repetitie, blikten ze 11 bluesoriginals van hun leermeesters in. Zijn ze de armoede van die voorbeelden intussen dan al wel voorbij, voortgaande op het geëtaleerde spelplezier zitten de bluessoul en -vibes hen toch nog voldoende in de aderen. 'Crawling Kingsnake' klinkt zo dus een stuk rootsier dan de rockversie van The Doors ooit op L.A.Woman. Rockers die terugbliÄ·ken, hoe tof! Zagen we eerder ook al bij The Rolling Stones, op hun even onvolprezen Blue & Lonesome.

The Black Keys - Dropout Boogie (2022)

poster
4,0
Patrick Carney en Dan Auerbach, die twee jonge veertigers die samen The Black Keys uitmaken een veelzijdig duo noemen is haast een understatement. Tegenwoordig gaat zelfs veel van hun aandacht naar ontluikende artiesten, naar een Yola of The Velveteers. Maar zoals hun discografie het ons sinds 2002 zo mooi leert gaan ze met hun eigen werk nu eens perfect aan de haal met door velen aanbeden mainstreamrock, neem 'El Camino' of een 'Turn Blue', of zijn ze dan weer in een nostalgische bui, zoals de laatste jaren, dan laten ze met volle geestdrift het oog vallen op de muziek waarvoor ze 'in hun tijd' zelf vielen. Hun laatste exploot, de back-to-basics-bluesklassiekersplaat 'Delta Kream', was daar de schitterende illustratie van. En gerust evenveel geuren en kleuren van vroegere tijden ontsnappen nu weer uit deze supergevarieerde elfde, het in Nashville gemaakte album 'Dropout Boogie'. De titel leenden ze van Captain Beefheart's psychedelische 'Safe as Milk'-plaat, al kan je deze tien songs hier bezwaarlijk dezelfde transcendentie toedichten. Hoe retro ook, het materiaal is deze keer wel nagelnieuw of hun schrijvershand was er minstens mooi bij betrokken. Eenzaam als ze zich intussen misschien soms voelen met hun kleine bezetting, wat wil je, laten ze zich hier, althans al in de studio, voor het eerst ook met een aantal getalenteerde vrienden omringen. Daar is dan vooral de illustere Billy F. Gibbons van het door hen geadoreerde ZZ-Top bij, wiens vette sound hier uit de duizend valt te onderkennen. Verder zijn ook Greg Cartwright, frontman van Reigning Sound, Angelo Petraglia van Kings of Leon en bluegrass-americana-zanger Sierra Farrell van de partij.

De opwindende southern boogie- en bluesrocksferen à la ZZ-Top grijpen je al gelijk vast bij de energieke opener-klapper 'Wild Child', met bijdrage ook van Cartwright en Petraglia. Een aanstekelijk startende dansgroove, onmiddellijk overweldigd door kenmerkend mokerende Black Keys-drums en een doorploegende riff als geen ander, die van het nummer tegelijk een unieke oorwurm maakt. Auerbach's altijd opmerkelijke expressieve stem gaat er vurig rockend mee op en neer en de gitaren bewijzen meteen weer waarom de Keys zoveel gitaarfans hebben. Vergeet dus zeker de meesterlijke solo niet. Het daaropvolgende 'It Ain't Over' is dan weer geheel andere koek, maar toch, van even superbe makelij. Zo zuiders funky groovend, bijna als ook een Calexico zou doen, tambourijntje, sambaschudden, overheersende drumloop, bijgewerkte vocals en, jaja, weer een ereplaats voor Auerbach's relaxte gitaar.

Ook het heerlijk rammelend, scheurend 'For the Love of Money' krijgt van Carney die lekker opzwepende bluesy schwung mee. Hoog kelende achtergrondvocalen begeleiden Auerbach's zanglijnen en onderliggend is er die voortdurend fraai doorstampende bluesriff die de zaak samenhoudt.
Nog meer hitgeluid komt er van 'Your Team Is Looking Good'. Het bijt af als een flashy 'Boogie with Stu'. Eens noot één letterlijk op gang gefloten, vertrekt de gitarentrein aanstekelijk riffend weer op weg. Zweterig hoogtepunt 'Good Love' krijgt dan wat orgelondersteuning en een zware baslijn. Hoofdrol evenwel voor de stotend riffende, dan weer meesterlijk solerende gitaren vol Gibbons-energie. Auerbach's stem weet er zich handig en vakkundig doorheen te weven. Het cool soulintermezzo komt van het traag, snaarpingelend zwevend 'How Long', met z'n door de percussie opgedrongen groove, weer fraai en helder hunkerend gezang dat zich geheel natuurlijk beweegt tussen eerst vredige en dan zich geleidelijk vervormende gitaren.

Wat een contrast dus met de eropvolgende catchy kraker 'Burn the Damn Thing Down'. Verhit sneren hard rockende Neil Young-gitaren je om de oren. Zalig. Klassieker hoorde en zag je je blues en heavy rock zich de laatste tijd nog niet versmelten. Het aansluitende, als recht uit de garage opstartend 'Happiness', zompig jammend, is dan weer zo'n midtempo oudstompende Black Keys-blues, grommend, culminerend in subliem rootsy gesoleer. 'Baby I'm Coming Home', da's als een Led Zeppelin even bevlogen bluesrocken en verdertrekken, nu eens in een spannende versnelling hoger, dan weer versnellinkje lager. De magische afsluitende blues 'Didn't I Love You' start eerst op als pure, rauwe Tony Joe White. Van dan af gaan de Keys vooral zelfverzekerd rockend de hele weg terug, naar hun eigen stomende garageroots.

Het 20-jarig jubileum van het debuut 'The Big Come Up' van deze gretige Grammy-verzamelaars The Black Keys kan dus echt niet stijlvoller worden gevierd dan met een dergelijk fantastisch oldskool rock 'n roll-feestje, vol frisse feel-good-meezingers en -springers. Alles is oerdegelijk gepresenteerd in een bedwelmende, kinetische sfeer en met gitaren om van te smullen. Alles klinkt zo spontaan als komend van een amicaal samenspelend vriendenkliekje dat alles in de haast van één take heeft opgenomen.

Maar dat ze hierbij toch weer helemaal niks vernieuwen? Echt hoor, het zal je allerminst frusteren. Want The Black Keys zijn hier gewoon - en met groot gelijk - op een spetterend élan van 'Delta Kream' aan het doorgaan. These guys, they got the blues! Waar spelen jullie dit straks allemaal live, jongens?

The Breath - Land of My Other (2023)

poster
4,0
Gisteren kwam The Breath de nieuwe plaat waarmee ze uit de pandemie zijn gekomen, 'The Land Of My Other', voorstellen in De Spil in Roeselare. The Breath, dat is een onwaarschijnlijk folkduo uit Manchester, bestaande uit de zachtaardige gitarist Stuart McCallum van The Cinematic Orchestra en de onstuimige zangeres/fluitiste Ríoghnach Connolly van Afro Celt Soundsystem, arafatsjaal, volslank, krols en met een enorme presence. Met z'n tweeën in een gestripte, fantastische show. McCallum is vlakaf een briljante muzikant die uit zijn akoestische gitaar zomaar in zijn eentje een hele wereld van geluid, riffs en arrangementen opdelft. Connolly, die deed laatst zelfs nog mee op Peter Gabriels bejubelde i/o. Want niet voor niets is zij momenteel BBC Folk Singer Of The Year. Haha, op het podium verrast ze je enerzijds als een grappend en grollende, schunnig grommende duivelin. Maar van zodra ze zich vanaf haar stevige stoeltje met haar kaleidoscopische stem aan het zingen zet wordt ze een en al freel poëtische pracht, de nieuwe koningin-moeder van de folk. Ze vertedert je terwijl ze met haar houten dwarsfluit in haar zij haar eerlijke, tijdloze liedjes zingt of liefdevol neuriënd aan haar minuscuul pomporgeltje trekt. Terug naar haar trauma's, haar niet zo rooskleurige kindertijd. Ze zingt ook in het Donegal-Iers, waarmee ze haar verknochtheid aan de taal van haar Ierse voorouders uitademt. Met de ogen dicht zweef je mee het water over, naar 'the land of my mother', 'the land of my other'. Evengoed ga je op in het blaffende en bijtende van haar lyrics, de epische songs waarin het duo dan ook evengoed wat energie weet te ontwikkelen. Ze zegt het zelf, ontwapenend, Ríoghnach, "I'm enthousiastic about my rage".
Overrompelende plaat, indrukwekkend optreden, met zo weinig brengt dit zelfverzekerde The Breath, alleen maar meer. Meer opwinding, onbelemmerde diepte en schoonheid. 'The Land Of My Other' daardoor. Een ontdekking.

The Bronx - Bronx VI (2021)

poster
4,0
Nee, de originaliteitsprijs voor titelkeuzes zal je die L.A.-punkers van The Bronx vooreerst al nooit geven. Maar wat een prettig gestoord gezelschap toch dit vijftal onder leiding van frontman Matt Caughthran. Vermaard als The Bronx, houden ze naast hun ruige The Bronx-imago toch maar - al drie bejubelde platen extra lang!- ook een totaal tegengestelde feestelijke tex-mexgroep Mariachi El Bronx in leven. In het macabere 'Mexican Summer', over de lotgevallen van een Scarface-drugbaron, sluipen straks - best een zeldzame gebeurtenis dit in het The Bronx-oeuvre- de latin vibes van hun alter-egogroep voor het eerst naar de punk toe. 't Wordt een unieke, schizofrene fusie van beider stijlen, The Bronx meets M. El Bronx. Schitterend!

Leg deze Bronx VI dus maar zeker niet achteloos opzij, des te meer dit omwille van de gerijpte muzikale klasse van het hele werkstuk. Of je mist een vol elektrische plaat op speed, 36 pure minuten fucking badass-sound, melodieus, met meesterlijk snelle riffs, solo's en drumroffels, bovendien vakkundig in lijn gebracht door Tool-producer Joe Baressi.

Zo gaan ze al sinds 2002 furieus tekeer met hun catchy hardrockpunk. En hoe zit het dan deze keer? Met die Bronx-erfenis schieten ze ook hier weer leuk en geweldig uit de startblokken. Zoals het een punkgroep past, gunnen ze de moshpitter eigenlijk geen momentje rust. Vooraan op de plaat staan de vier geweldige singles, 'White Shadow', 'Superbloom', 'Watering The Well' en 'Curb Feelers'. Punkfuries als eerste en laatstgenoemde kunnen uiteraard niet ontbreken, maar het echt onbeschaamd bijtende, anti-autoritaire punkpamflet, hoogtepunt 'Breaking News', komt pas verder op de plaat, daar gaat de punkgroezeligheid nog een zetje verder.

Maar op VI omarm je een en ander van al dit moois tegelijk als onstuimige rock 'n' roll, als classic rock zelfs, met de feel van KISS of Thin Lizzy. Ook een The Bronx in evolutie dus. Het feelgood 'Watering The Well' krijgt zomaar de zalige energie mee van... The Rolling Stones. 'Participation Trophy', over, jawel, ruimte-invasie door aliens, is een song met heavy rockgrooves, duidelijk geschreven buiten hun vroegere comfortzone.

Om hun 3- minutensongs in te kleuren, in Bronx VI niet zomaar wat verplicht slappe geeuwverhaaltjes, maar integendeel duidelijk veel zorg voor de lyrics. 'Curb Feelers' is hun kwetsbare, introspectieve ankertrack, over de veteranenpunkband die na jaren in angstzweet een nieuwe richting uit moet. 'I write the songs that no one sings. You got no idea what kind of pressure that brings'.

Verder gaat het in de songs o.m. ook over zelfrealisatie in een wereld vol verwachtingen (in een ander prijsbeestje 'White Shadow'), over maatschappelijke betrokkenheid, onverschilligheid voor wat om je heen gebeurt, risico's nemen tegen alle sleur in (in het minder agressieve  'Peace Pipe'), over intermenselijk uiteengroeien (in nog een zuivere punkknaller 'High Five'), over onmogelijke relaties en samenleven ('New Lows'), over existentiële angst ('Participation Trophy').

Nóg als opvallend  te vermelden : het nihilistisch buitenbeentje, de tegelijk raadselachtige en hilarische stamper 'Jack Of All Trades', gebaseerd op het Logjammin'- pornofragment uit de The Big Lebowski. En het 'Say la vie'-frans op repeat in het heerlijk fatalistische 'Mexican Summer'.

The Bronx is en blijft dus, echt, ongenadig en rauw The Bronx! Net als de coole punkers van Iceage eerder dit jaar heeft deze authentieke vriendengroep uit L.A. met Bronx VI zijn houdbaarheidsdatum verlengd in stijl. Angstig, hongerig en niet zonder risico zochten ze hun muze en hun relevantie. In 11 vinnige, warme songs etaleren ze het je ruimschoots : ze zijn zelfs nóg beter geworden. Wat een songs! Zijn de tandjes weliswaar iets afgescherpt, deze liveband weet zich als hechte, creatieve groep op te krikken naar, welja... level VI. The Bronx, het team dat zo alweer scoort en wint. Don't you ever change that!

The Calicos - The Soft Landing (2021)

poster
4,0
Indertijd, drie jaar geleden, over ze gelezen, Humo's Rock Rally gewonnen. Verleden jaar, opgevallen met single 'Nova', terecht helemaal bovenaan Vlaamse Radio 1's Voxtop beland. Nu hun eersteling, zo te zien is sinds 2018 't ijzer bewust zo geduldig gesmeed tot het kunstwerk helemaal af was. Dat is het dan ook nu, volwassen plaat, tot in de kleine puntjes professioneel. Topnummer 'Nova' schittert nu mooi middenin. Wat direct in 't hoofd schiet bij beluistering van 't geheel : de recente van Lord Huron, een The War On Drugs-rocksound soms, ingetogen Wilco  - allemaal americana dit, het etiket is hen blijkbaar al opgekleefd- maar ook een mix Bony King Of Nowhere/Chris Isaak-stemgeluid en... die smachtende pedal steel gitaar! Naast de country-americana is ook pop hun eigen gemaakt, maar alles even rijk en perfect ingekleed en  afgeborsteld. Opener 'How Was I To Know', episch, evenwichtig en rustig opgebouwd tot finaal ook de rockgitaarremmen los mogen. Applausnummer! Songschrijven kunnen die mannen dus, rock of pop, sterk materiaal tot en met het 'landingsnummer'. Nog een aan te bevelen zomerplaat erbij.

The Clockworks - Exit Strategy (2023)

poster
4,5
Met de Ieren van The Clockworks staat er een nieuwe energieke band op waar je tegenwoordig zeker iets móet over hebben geschreven, temeer nú met dat debuut 'Exit Strategy', waarover je dus, inderdaad, ook als muziekfan minstens iets moet hebben gelezen én dito gehoord.

Een zelfverklaarde punkrockversie van The Streets. De mannen hadden eerder slechts een paar singletjes in de aanbieding toen een enthousiaste Oasis-ontdekker Alan McGee hen in de smiezen kreeg en ze al vlug door tal van gerenommeerde collega's op toursleeptouw werden genomen. Tenslotte kwamen ze voor een eerste plaat onder de vleugels van vermaard producer Bernard Butler - de man van Suede naast Brett Anderson - die ze o.a. de legendarische studio's van The Beatles en Jimi Hendrix introonde. Waar ze oorspronkelijk vooral vrolijk en gedreven de boel opramden in pubs en achterzaaltjes, klinken ze nu na de opnamesessies met Butler veel meer uitvergroot met al die knappe, vaak grimmig aangemeten arrangementen.

The Clockworks anno 2023 krijgen zo ineens nog meer fundament. Een mélange van slimme en solide songs, pakkende melodieën, weinig parlando, strakke en rauwe gitaren, pit en vuur, alles sprankelend als met de wilde frisheid van limoenen. Daar is de overdonderende speed van 'Bills and Pills', het messcherpe 'Mayday Mayday' of het springen in de aardedonkerte van 'Enough Is Never Enough'.

Tegelijk is er nu ook dat evenwichtzoekend rustiger werk. Het blijft je alles samen vastgrijpen tot je helemaal vol kippenvel staat. Zoals het trieste 'Deaths and Entrances' dat eenzaam rondstruint in het vuige Galway 'waar de menigte in een donkerdere tint van luid verandert'. Song die al onmiddellijk voor de theatrale 'entrance' zorgt van frontman James McGregor, in een walm van fraaie Coldplay-piano notabene. Prachtsong met ingehouden begeleiding die sierlijk helemaal crescendo gaat. Verrassend dus toch voor wat voorheen nog unisono een gitaarband was. Net zo, 'Hall of Fame', een en al slepende introspectie met weer een glansrol voor de zanger. Neem dan ook de eerste single bij het album, de melancholische ballad 'Westway', nog zo'n sterk voorbeeld van hun muzikale transformatie, song waarmee even theatraal en statig croonend wordt afgesloten.

En met welk een fantastische stem bovendien komt die coole James McGregor telkens zijn eigen movie binnengerold. Man, wat kan die kerel hartverscheurend zingen. Je hoort van alles, ergens iets van het timbre van Tom Chaplin of Alex Kapranos tussen die intense postpunk à la Fontaines D.C. en poprock van bands als Kaizer Chiefs en jawel, Arctic Monkeys.

Boven alles etaleren die fulminerend gezongen puntige lyrics het poëtisch talent van woordenkunstenaar McGregor. Hij verkoopt je een uit hun leven gegrepen oplawaai met een op en top sociaal betrokken verhaal over een jong iemand die als zovelen verhuist van het Ierse Galway naar Londen. Met als 'exit strategy' van beneden de suburbs van de grauwe arbeidersklasse hogerop te raken tot in het beter leven in de grootstad. James McGregor is een bonk van een songwriter met een scherp observerend oog dat onvolmaakte jongelui voor de lens brengt voor zijn tijdskroniek. Voor de vinyllers onder ons, op kant A komt daarvan het aandeel 'Galway' en op kant B dat van 'Londen'. 'Exit Strategy' is als een samenhangende filmische metafoor en in dertien muzikale snapshots zoveel als een document van The Clockworks' eigen individueel najagen van ongerealiseerde dromen.

The Clockworks, da's samen vooral zang vol vuur en emotie die pas goed tot leven komt in het geheel van de groep. In de wisselwerking met de schitterende gitaar van compaan Sean Connelly of met de anthemisch groovende beats van Damian Greaney's en de bas van Tom Freeman.

We hadden eerder al twee fantastische bands als Fontaines D.C. of The Murder Capital. Nu begint het ook voor de gretige bende van The Clockworks flink te borrelen in de Lage Landen. Niks copycats van de garde rock'n'rollers die hun gemeenschappelijke helden zijn, The Smiths, The Strokes of Arctic Monkeys. Het is hun eigen ambitie, personality, assertiviteit en authenticiteit die ze al uitstralen, de opwinding die ze opwekken die velen reikhalzend doet uitkijken naar wat komen zal. Want een band kortom met dergelijke diepgang als The Clockworks kan er ook hier nog bij.

Ze komen op 11, 12, 13 en 14 april 2024 respectievelijk naar de AB Club Brussel, daarna naar Rotterdam, Amsterdam en Nijmegen. Tegen die data zijn ze zeker al groot, daar kan je nu al je 'clockworks' op gelijkzetten.

The Colorist Orchestra & Howe Gelb - Not on the Map (2021)

poster
4,0
Op zoek naar die ene hele mooie, prikkelende avondlijke plaat, misschien dan eens de nieuwe van The Colorist Orchestra met Howe Helb proberen. Met The Colorist Orchestra hangt bovendien altijd 'n schitterend Belgisch lintje omheen unieke samenwerkingsprojecten. Nu kwamen ze bij Howe Gelb aankloppen, beroemd Amerikaanse americana-singer-songwriter, stichter van Giant Sand. Zingt sterk erop mee, Pieta Brown, Gelb's vroegere medewerkster, die ook al haar klasse bewees naast Mark Knopfler, Calexico en Justin Vernon.

Die Belgen zijn dus helemaal niet aan hun proefstuk toe. Meer, als modern, achtkoppig kamerpopcollectief genieten ze al een stevige reputatie. Onder leiding van  Kobe Proefmans en Aarich Jespers, zelf percussionisten, weten ze popgeoriënteerde singer-songwriters te strikken voor even een frisse herschikking, re-arrangement van hun repertoire. Weet je wel, zoals de colorist van een strip of film doet, maar dan met de contouren van een song. Inspiratie halen ze hiervoor ondermeer bij Kronos Quartet, Talking Heads, Steve Reich, Harry Partch en Moondog.

Ze gaan niet bepaald orthodox met het muziekinstrumentarium om, maken de instrumenten waar nodig overigens ook zelf. Zo presteerden ze dus al heel wat fraais met mooie songs van o.a.  Emiliana Torrini, Lisa Hannigan en Gabriel Rios. Nu dus ook met... Howe Gelb, een klassebak van meer dan 50 albums.

Ze ontmoetten elkaar in 2017 tijdens een jazzfestival in Luik. Aangestoken door een gemeenschappelijke avontuurlijke passie om te musiceren evolueerde het verbond van creatievelingen evenwel (of, vanzelfsprekend) elders dan voorzien. Voor het eerst resulteerde het gezamenlijk project in volledig nieuwe muziek op deze 'Not On The Map'. Bijzonder daarbij : algeheel zonder Gelb's karakteristieke gitaargeluid!

Zijn bariton blijkt des te meer als gegoten te passen bij de sfeer vanaf de prachtige loungy opener 'Counting On'. Zijn gouden stem houdt steeds duidelijk zowat het midden tussen die van Leonard Cohen en Adrian Crowley, al kan de man ook probleemloos een hoger register aan. Of hij gaat in parlando. Mooi in contrast in alle geval met het klare stemgeluid van Pieta Brown. Zoals Gelb het zelf opmerkte : "Contrast zorgt voor een pendulum-effect. It gives motion. It gives e-motion." Sfeervol dus, filmisch, zuiders romantisch, vol onverwachte wendingen, verrassende ritmes, avontuurlijk. Uitgeklede muziek, maar toch vol met, soms surrealistische, klanken.

Die volle betovering van de Coloristen komt boven in het schijnbaar nonchalante, zacht jazzy golvend 'More Exes'. Weer roerende wisselwerking tussen Gelb en Brown, zuiders door violen ondersteund en op het einde weer helemaal terug naar het wiegende ritme.

Wat deden The Colorist Orchestra en Howe Gelb daar dus een goede zaak samen. Ze komen zomaar met een klapper die alleen maar draaibeurten verdient.  Ook al was dat wat ze deden totaal 'Not On The Map'...

The Coral - Coral Island (2021)

poster
4,0
Komt The Coral in deze barre tijden zowaar met een ambitieus 'the White Album' op de proppen, een dubbelplaat! Klinkt allemaal fantastisch, als merseybeat-greatest hits uit de sixties. Pop dus met echt veel muzikale hoogstandjes. 't Gaat over nostalgische herinneringen aan Engelse kustvertierplaatsen ('Coral Island') én de keerzijde van al die fake. Hun 85-jarige opa neemt je tussen de songs als gids mee op sleeptouw.

The Cure - Songs of a Lost World (2024)

poster
4,5
'Songs Of A Lost World', een hoge vlucht over leven en dood, getekend: Robert Smith, The Cure's heuse danse macabre. Als uit de nevelige somberte van de new wave-eighties klimt na jaren eindelijk dan toch die nieuwe, allerhoogst gehypete 'Songs Of A Lost World'. In al zijn meedogenloze zwartheid, droefenis moest dit album symbolisch welhaast de dag na Halloween, op 1 november de kop opsteken, dag waarop velen ook de geliefde doden herdenken. Van het resultaat spat de droeve sfeer van een Ensoriaans eindfeest met prominent vooraan aan de microfoon een eeuwig in het zwart uitgedoste, verwilderde Theodorakis, croonend in zijn gothic gemaquilleerd wit, oogzwart en uitlopend lippenrood. Deze charismatische hoofdman Robert Smith staat er als het manusje-van-alles helemaal aan het roer, alles zelf geschreven en gecomponeerd. Van dit veertiende album trok hij als een eigenwijze perfectionist alles tot en met de productie naar zich toe.

De titels en de lyrics ervan zijn opvallend en spreken voor zich: lost world, fragile, alone, war, drones, goodbye, nothing forever, the end... Zoals ze het ooit zelf aankondigden, dit moest The Cure's meest intense, verdrietigste, meest dramatische, meest emotionele score worden van alle. Een duistere gitaarband met songs niks minder dan requiems, het leven, de liefde, tederheid, broze gevoelens er fijn tussenin verweven, in majestatische, spirituele muzikale hoogmissen om liefst met de ogen dicht zalig op weg te dwalen.

Stuk voor stuk zitten ook de acht struise composities van 'Songs Of A Lost World' vol met die huizenhoge melancholie, grote emotie, doem, bevatten ze slechts een enkele sprankel euforie als remedie. Heel veel donker en een beetje licht. Met dit cement zijn ze evenwel hecht aan elkaar samengeklit en rollen ze overweldigend als een duistere pletwals over de na zestien jaar vergenoegde navolgers heen. Ogenschijnlijk weinig onmiddellijke catchiness ook in het nieuwe recept, maar wat zou het, wat je van The Cure binnenkrijgt het blijft steevast nagalmen en het nestelt zich in al zijn transcendentie sowieso.

Zo de weidse openingsong 'Alone', kletterend en beukend in zijn slependste mineur. Gebaseerd, bij uitbreiding zelfs het hele album, op dat superdroevig gedicht 'Dregs' van ene Ernest Dowson. 'Alone', wat doet het vooreerst hemels goed dat karakteristiek eigenzinnige stemgeluid van Robert Smith als vanouds zo zuiver, vitaal, krachtig te horen snerpen, jammeren. Hoor ook die allereerste verbijsterende, apocalyptische openingszin - "this is the end of every song that we sing" -, song over desolate eenzaamheid waarna Smith ook wist dat hij op zijn treurigste lijn zat, de juiste tristessetoets had gevonden, de juiste beelden had voor die hele rits 'Songs Of A Lost World'.

'And Nothing Is Forever' is in hetzelfde duister een sterfbednummer. Over de niet nagekomen belofte elkaar uiteindelijk die laatste keer ooit samen te komen omarmen. Het is sobere piano, gedistingeerd baswerk en vooral een karrevracht zwaarmoedig rondzwiepende strijkers als meest trieste introductie. De zaken daarmee minutenlang breed gearrangeerd uitzetten dat deed The Cure overigens vroeger ook al en zo zal ook hier Smith's klagende vocale schoonheid zich bijna drie minuten weten in te houden vooraleer alles in al zijn droefenis los te laten en als novemberbladeren te laten uitdwarrelen.

'A Fragile Thing' is een gelaten liefdesgedicht geheel romantisch op de wijze van The Cure. Diep gekwetst worden, verdrietig zijn en zich in eenzaamheid achtergelaten voelen met een gebroken hart. Weer, zoals zo vaak op dit album, eerst de solitaire pianotoetsen en dan door prachtige rockgitaar, schitterende percussie, de hele perfect musicerende band ingehaald worden.

Die hopeloos bittere doomer 'Warsong'. Is het mensdom niet geboren om oorlog te voeren? Van relatiebetrokken kleine tot grote emoties naar een wijde metafoor voor de barre stand van de wereld. Nog zo'n mistroostig hypnotiserend monster, het krijgt weer een instrumentale intrap. Diep aanhoudende orgelnoten, krachtige holle drumslagen in de verte, dissonant gierende gitaren en industriële chaos voor de dreigendste soundtrack, een hoge breedbeeldvlucht boven slachtvelden. 'Warsong', als vanaf blubberige loopgraven in de prent '1917' tot de horror van Oekraïne, anything changed. Een monoliet van een song.

Wordt dan ingeschoven de hoogst intense popsong 'Drone:Nodrone', levendigheid op aloude wijze, vintage The Cure. Het blijft eindeloos zoeken in het zwart naar wat geluk. 'Happiness is a warm gun!', gedachte aan John Lennon die een paar keer opduikt bij de lyrics. Hier wordt een nodig tussentijds energieshot toegediend, vol repetitieve industrial en funk: Cooper's percussie, korzelig doordenderend als op sissend te lassen staalplaten, Gallup's almaar diep doorjumpende basrif, die wolk van O'Donnell's synths, Gabrels snijdende gitaarsolo en Robert Smith, die zich er als een volleerde postpunker mooi noir-rappend doorheen jaagt.

Losbrekend onweer op 'I Can Never Say Goodbye'. Na 'And Nothing Is Forever' nog een hoogst persoonlijk, traag rouwlied voor een geliefde broer en bij uitbreiding voor zijn beide ouders die hem enige tijd ervoor eveneens ontvielen. Het zich welluidend herhalend citaat over het naderend onheil - "Something wickes this way comes" - diepte hij op uit Shakespeare's 'Macbeth'. Smith's poëtisch hoogstandje met muzikaal alle hens aan dek. Opnieuw een heel lange intro, fraaie baslijn met beklemmende synths, die steeds meer klimmende gitaarsolo en doorheen alles die steeds herhalende, allertreurigste piano.

Dan onderneemt Smith op 'All I Ever Am' een bevreemdende introspectieve reis naar zijn eigen identiteit. Rondom hem heel wat strijkers, maar toch een energiebooster met lagen synths, gitaren en niet aflatend aanjagende drumbeats. Onder een mooie spanningsboog en in een alles inpalmende The Cure-sfeer.

Eindigen doet 'Songs Of A Lost World' met het melancholisch orgelpunt voor de arena's, Smith's hoogst deprimerende 'Endsong'. Hij herinnert zich de sterrennacht de dag dat de mens landde op een bloedrode maan. In een vervlogen tijdsgewricht vol positiviteit en mogelijkheden. Tot Smith al vlug stilstand zag opdoemen en de wereld sindsdien alleen maar dieper afgleed. Een monumentaal synthesizerstuk, groots in al zijn wervelende uitgestrektheid, weer met machtige drums en prachtige gitaren en finaal Robert Smith's hypnotiserend stemgeluid. Meesterlijke song die zijn volle tien slotminuten evenredig in eindapplaus waard wordt.

The Cure kwam in 1979 met zijn eersteling 'Three Imaginary Boys' op de proppen en ze stonden en staan tot op heden voor velen als model, evolueerden en overleefden genres en stijlen. Vandaag zitten ze als band gegoten in hun prachtige herfst. Van desintegratie, somberte en vergankelijkheid maakten ze een bedwelmend handelsmerk. In dit 2024 schakelden ze daarmee zelfs naar de hoogste stand.

Hoe ze tristesse ook laten voorkomen, dit is voor de band toch nog niet het eindfeest, de 'Endsong', de zwanenzang. Zie hen puur bezig, zelf genietend van al hun doom en gloom, eerst tijdens die intieme studiosessie 31 oktober op BBC Radio 2 of daar in die Londense Troxy in London de releasedag zelf van hun 'Songs Of A Lost World', waar ze openden met het album, song na song. Deze band schittert en acteert als in zijn hoogdagen op indukwekkende hoogte. Ze hebben naar verluidt zelfs nog veel meer fantastisch materiaal in hun mars, zoniet al in de pipeline. Of en wanneer het er allemaal ook nog wordt uitgelaten hangt weer alleen van The Cure's grootmeester-bedenker Robert Smith af, wiens gemoed al zijn leven lang gefixeerd is op eindigheid. Stelde hij nu The Cure's nieuwe finale punt niet in op 2029, vijftig jaar na hun debuut, zijn zeventigste geboortejaar? Never mind, laten we zolang al minstens even intens met hem meevieren. Dan horen we het wel.

Line-up:
Zang, gitaar, bas - Robert Smith
Gitaar - Reeves Gabrels
Basgitaar - Simon Gallup
Keyboards - Roger O'Donnell
Drums - Jason Cooper
Keyboards, gitaar, bas - Perry Bamonte (live)

The Darkness - Motorheart (2021)

poster
4,0
Echt, crazy groep, dat The Darkness, nooit ernstig. Komen ze nu met de geilste hoes van 't jaar op de proppen. Wie dolle aangebrande  Engelse fun minder goed valt, kan zich dus best onthouden van dit The Darkness en alsnog ook van deze review. Zonder meligheid maken ze je positieve vergeet-je-zorgenplaatjes. Oppeppers. Zijn daarom nu des te meer de juiste band op het juiste moment, toch? Zeker met dit 'Motorheart'. Die plaattitel is samentrekking, eresaluut aan Mötörhead en Heart in wiens positieve energie en melodieus talent ze zich helemaal herkennen. Konden die titel zelfs nóg langer maken, door ook iets op Queen, Aerosmith, AC/DC, The Who of Guns N' Roses te verzinnen.

Het pittig hardrockglamkwartet gaat er hier voor de zevende keer vol tegenaan. Met de torenhoge glasbrekende falsetto van Justin Hawkins, killerriffs en bliksemflitsende snaren van broer Dan en bassist Frankie Poullain, de mokers van Rufus Tiger Taylor.

De liefde voor Schotland en ode aan Glasgow komt deze keer allereerst aan bod. In het doedelzakkend openend 'Welcome Tae Glasgae', "where the women are gorgeous and the food is okay", een ontwapenende open meezinger van The Darkness, optrekkend in galop in glitter en bombast. Kenmerkende Hawkins-vocals, superzware Lemmy-basriff, obligate 'The Darkness'-solo's, volledige band in goed humeur en iedereen direct op dreef.
Het furieuze 'It's Love' stuwt het volume nog hoger met weer Justin's hoge falsetto in de hoofdrol. Gasleveranciers van dienst de soliede drum- en gitaarwerksectie.

Het ferm gruizige 'Motorheart'-titelnummer, manisch uptempo, nostalgisch knipogend naar Mötörhead. Eén complexe melodieuze  brok, zelfs verfrissend proggy, volgestrooid met hoge kopstemnoten, spoken word en sneller-dan-gedachtengitaren. Trap onder de kont van het liederlijk machismo, op-en-neer-marslied over ersatzliefde met de enorme, welgeschapen sexrobot van de plaathoes. Vanzelfsprekend dat The Darkness daarrmee wegkomt. Meer dan een schaterlach, de coole ziel van een topnummer, het werkt!
Lovesong 'The Power and the Glory of Love', opstartend roept het 'Won't Get Fooled Again' van The Who op. Tragere blues, vintage The Darkness-song met de groove perfect op de juiste plaats. Harmonisch met uitmuntende gitaarsolo en Justin dansend in alle stemregisters. 'Jussy's Girl', gave hardrockklepper over onbeantwoorde liefde. Met hoogst dansbare groove, leuke hooks en refrein. Na de topbridge wordt het zelfs even poppy.

'Sticky Situations', een onvervalst Queeneske ballade, compleet met achtergrondzang, harp en strijkers. Volledig in contrast met de erop volgende song. Stukken heavier, 'Nobody Can See Me Cry', met razende riffs en rechttoe rechtaan drumwerk. Een echte The Darkness-topper. Uptempo kroegentochtnummer 'Eastbound' dan, onderweg in puur Brits parlando. Krachtig weerkerende Pete Towshend-riff en, gimmick, verkouden (?) roffelende Rufus. Bedwelmende afsluiter 'Speed of the Nite Time' is verrassend proggy, de rockaankleding wordt warempel zelfs gotic. Nachtelijke Justin in een andere, donkerder zangstijl, met ondersteuning van passend klagend achtergrondkoor. Nieuwe, zeer geslaagde inlijving van The Darkness-rockterritorium.

'Motorheart' het album dus. Prima strakke plaat die The Darkness bevestigt als getalenteerde omnivore rockvreters. Ze komen met de hardrock'n roll van dit 'Motorheart' zelfs aardig in de buurt van hun succesdebuut 'Permission To Land'. Het nieuwe album gaat verkennend de clichés voorbij, het is daarbij een regelrechte viering van het genre.  Met een opbeurend The Darkness heb je bovendien altijd even 'a good time', kan je totaal zorgeloos met de luchtgitaren aan de slag en brandt, wegens de altijd groteske Monty Python-humor, een big smile je diep in 't gezicht.

The Goon Sax - Mirror II (2021)

poster
4,0
Wat een capriolerend plaatje krijgen we hier nu van het jong Australisch trio The Goon Sax! De pa van zanger Louis, dat was Robert Forster van The Go-Betweens. Brandt er zo al onmiddellijk een lampje, want deden die ook al niet  zo'n mooie ontwapenende duetten, net als hier Louis en medezangeresje Riley Jones in opener 'In the Stone'? En ook bij The Go-Betweens kon alles toch al eens ogenschijnlijk vierkant klinken. Je hoort bovendien ook dat het trio, dat elkaar al kent van school, duidelijk de rollen afspreekt. Ze komen er finaal altijd samen uit zeggen ze, maar iedereen heeft zo zijn eigen inbreng. In 't songschrijven, met welke invloeden dan ook. Iedereen speelt de instrumenten en zingt om beurten. Bijt je dan zeker en gerust maar doorheen bijvoorbeeld 'Temples', een song kruising Pavement en The Velvet Underground en met opnieuw zó'n charmerend postpunky vals gekweeld parlando dat het wel echt opzettelijk moet zijn. En dan na hernieuwde luisterbeurten proef je 't telkens aan de hoogst prettige nasmaak, wat is dat alles toch creatief, intrigerend en catchy as hell! 't Lijkt een debuut wel, met al dat frisse, al dat simpele. Je verorbert het dus eerst met verbazing, 't ene na 't andere, postpunk, shoegaze, new wave, indiepop maar evengoed oude psychedelische poprock. Bathwather -met sax- leeft dan weer op door het The Strokes-rockinfuusje. Met allerhande pittige ingrediënten heeft The Goon Sax je dus, onder 't streng toeziend oog van producer John Parish, een unieke, maar voortreffelijke muzikale Gentse waterzooi voorgezet.
En waarover hebben ze het? Over dingen die jongelui bezig houden natuurlijk, over toekomstbeeld, relaties, gevoelens en onzekerheden. 't Lijkt allemaal donker en melancholisch. Zoals al direct in de opener : "Denk je dat het beter is helemaal niets te voelen?" Maar eigenlijk leggen ze je juist hoopvol uit dat voelen precies de grootste gave is, dat je gewoon groeien moet doorheen al dat hartzeer, die twijfels en verlangens. The Goon Sax houdt hun generatie simpelweg spiegels voor. Laat dit nu juist de bedoeling zijn van 'Mirrors II'. Hap dus maar toe, want de hele plaat is cool en zo aanstekelijk!

The Haunted Youth - Dawn of the Freak (2022)

poster
4,0
'I Feel Like Shit and I Wanna Die', 'Dawn of the Freak', 'Stranger', 'Gone', 'Broken'... Afgaand op slechts enkele van de olijke songtitels van 'Dawn of the Freak' is er aan bizarre tristesse op deze plaat blijkbaar geen gebrek voor notoir warhoofd/treurwilg Joachim Liebens. Nog maar 29 en hij kijkt met zijn project The Haunted Youth al vol terug op zijn jonge bestaan. Toegegeven, hij weet de pijn van z'n zijn breed uit te smeren in grandioze, zelfs hitgevoelige muziek, op een album vol prima, catchy singles die zelfs aandacht tot ver buiten België weten op te wekken. We dachten allereerst aan een geluid à la The War on Drugs en The Cure. 'Dawn Of The Freak' is in alle geval een gevoelige, weidse debuutplaat met een massa eigenheid, waar al de shit uit zijn kindertijd, zwijmelend ijl of juist fors, therapeutisch van de man wordt afgezongen. Hij presteert dit bovendien even goed live op de gegeerde podia van Werchter, Pukkelpop of Best Kept Secret.

'Dawn of the Freak', het openend titelnummer, is qua sound, net als de afsluiter, ogenschijnlijk wat buitenbeentje, al loopt de toon hier juist wel synchroon met het verdere verhaal. Duister, treurig en in mineurakkoorden opstartend, een langzaam opcirkelend instrumentaal sfeerbeeld dat Joachim dan op het einde haast gedwongen doet afsterven. Spijtig voor Kubrick, maar te laat om er zijn 'The Shining' passend mee af te trappen.

Daarna trekt, proggy ingeleid, boven de kommertaal ineens schijnbaar feestelijk de hemel open en wordt spannende debuutsingle 'Teen Rebel' geserveerd, al ruim gekend van op de radio en song waarmee hij Studio Brussel's De Nieuwe Lichting won. De tekst van het nummer is superkort, duidelijk en vooral superzwart. Hymne van het getroebleerde, veeleisende kind, door ouders misbegrepen, vergleden 'into the dark' en ooit gedoemd om jong en freakend de psychiatrie in te lopen.

Al wat van dan af volgt zijn sterke hypnotiserende nummers onder hetzelfde motto: treurnis, met - contradictorisch toch - heel veel aangename schwung. Maar onze Kowlier zou het bevestigen, het werkt wel! 'Stranger' brengt zowaar zelfs de positieve vibes van The Police tot leven. Klassesingle 'Gone' zijn zomaar zeven essentieel sombere popminuten. Single 'Shadows' is prima ingehouden, met een subtiele The War On Drugs-feel. Single 'Broken', met zijn galmende U2-riff is nog zo'n regelrechte klepper. The Haunted Youth brengt kortom herfstige inhoud in lekker psychedelische droomsferen en songs die, met Joachim's etherisch popstemmetje erbij, steevast hoog aanslaan. Warme stadionwijde soundscapes, nostalgisch, vol aanstekelijke hooks, gecreëerd in een eigen fluwelen universum met mooi galmende gitaren en klare synthesizers. Afsluitende singer-songwritersong 'Fist in My Pocket' is muzikaal dan een tegenstelling, een rustpunt, een fragiel akoestische kleinood. Joachim kaal en folky in een louterende supportsong, croonend als een krassende Marianne Faithfull.

Het schitterende 'Coming Home' noemt Joachim zelf z'n meest essentiële song op de plaat. Al is hij overduidelijk loner en altijd naar een thuis op zoek, ambitieus als hij is wil hij tegelijk ook ondersteuner zijn. Die met 'Dawn of the Freak', onder die fantastische, soms bijna suikeren popdeuntjes voor andere 'gelijkgestemden' ook een verbindende soundtrack wilde schrijven over hoe ondanks alles te leren bestaan. 'Ik zal de engel en de visie zijn de nachten dat je zult proberen er een einde aan te maken. Ik beloof het je, op een dag is dit alles voorbij', sust hij dus opmonterend op 'Fist In My Pocket'. De muziek van The Haunted Youth vraagt om indringend ernaar te luisteren, om de boodschap ervan tot in z'n ziel te vatten. En zoals Joachim het zelf ook suggereert, best met de onbevangen oren van een kind.

Nu de schaduwen van de vroege jeugd goed en wel zijn overschouwd, is The Haunted Youth intussen alweer bezig de sequel van zijn retrospectieve op noten te zetten, zijn collegetijd. Hoe weinig rooskleurig het levenlicht daar ook weer moge zijn, coach Joachim maakt er gegarandeerd toch weer een popfestijn vol bemoediging van. En 'Fear of the Dawn' intussen: het is binnengekomen langs de grote poort, wat een grandeur.

The Hu - Rumble of Thunder (2022)

poster
Net zo met hun performance op Rock Werchter op vrijdag 30 juni : ☆☆☆☆. Een korte impressie...

The Who? Kom nou neen, het zijn de extravagante Hunnen van The Hu, hier tegenwoordig te lande al immens populair. Getuige het vroege vollopen van daarbij almaar wilde mongoolse kreten uitstotende, voetstampende, handklappende fans in Klub C. En die The Hu komen dus met z'n achten helemaal uit Mongolië en grossieren in hunnu-rock, wat tegenwoordig wel de meest exotische metal moet zijn, inclusief door die typisch diepe keelzang van hen en door het gebruik van dat primitief lokaal instrumentarium, zoals de paardenhaarviool, bij wijze van voorbeeld. Zeer leuke dingen dus allemaal voor verwende metallers na Metallica op zoek naar verse kicks. Die krijg je bij een zo indrukwekkend oermetal uitgedoste band geheid met bakken. Want The Hu is op en top teatraal en tribaal, komen dus op het eerste zicht regelrecht uit een nog te schrijven duistere prequel van, zeg maar, Game of Thrones. Maar nee, toch bespelen ze alleen maar magistraal de instrumenten uit hun Mongolië, ze dragen tegelijk als deel van de act trots de traditionele Mongoolse kostuums uit, ze zingen voortdurend pompend, in onverstaanbaar Mongools, catchy zanglijnen over hun eigen cultuur en geschiedenis.
En ze zijn zo pakkend opzwepend, mijnheer, en om te stelen daar met hun vieren, bij wijlen met hun zessen, daar aan hun microstaanders of aan hun twee drumstellen. Groot pluspunt van The Hu, ze hebben intussen een pak eigen songs, dé songs. De hele hardrock- en metalscene van Led Zeppelin, Metallica tot Sepultura is nu eenmaal ook tot bij die verre Mongoolse conservatoriumstudenten doorgedrongen en dat hoor je. Op intelligente en totaal Mongoolse wijze hebben die de metal- en rockstandaarden dan maar in een heel eigen, vernieuwend, aantrekkelijk jasje gestoken.
Helemaal voor wie er pap van lust. The Hu, een transcenderende mainstreamband gegarandeerd voor de vele miljoenen van oud tot jong. Maar je moet dan wel van The Hu's hoge volumes houden, op aardbevingskracht. Anders wend je je nog maar verder tot die eveneens ijverige, totaal onbekende, helaas onderbetaalde groepjes uit de Mongoolse folktraditie. Maar daar weten ze dan op Radio Klara nóg iets meer van.

Intussen, niet vergeten, speelde de tent, van voren tot helemaal van achteren, evengoed zijn rol Eén monumentaal, episch spektakel.

The Jesus Lizard - Rack (2024)

poster
4,0
Met ware doodsverachting gooit de nu 64-jarige David Yow zich nog altijd even graag laaiende menigtes in, ondanks zijn niet te tellen geheelde botten. Hij verloor intussen wel letterlijk veel van zijn wilde haren, zijn buikje glimt nu opvallend onder de schijnwerpers en de bizarre capriolen als die van toen in zijn blote pikkie, die blijven nu helemaal uit. Maar hij presteert zijn schuimbekkende act nog steeds met evenveel flair en regelmaat, nu drijvend op het zoveelste golfje van de 're-enactmentshows' die The Jesus Lizard sedert 2009 met zijn trouw publiek verbindt...

Laten zij die het geluk hebben hen al wat te kennen het deze keer evenwel maar gerust een gebeurtenis noemen. Jawel, het feit dat deze Amerikaanse noisemakers 26 jaar na datum plotseling als uit het niets uit hun underground weer op de podia opduiken met - groot verschil - nu dan toch een killer van een nieuw album voor hun setlists. Een legendarische adrenalinegroep die je daarmee zomaar ineens terugkatapulteert naar de tijd van hun rauwe, chaotische met Steve Albini zalig gemaakte platen, naar de tijd van hun onvoorspelbare dissonante rechtlijnigheid en de knettergekke zang, waarmee, na en met hen, collega-energievreters als Nirvana zelfs nog iets roder aanliepen.

Zo lijkt na een dracht van vijf jaar, met weer een vierletterwoord in de albumtitel, in elf tracks 'Rack' van The Jesus Lizard haast uit live-energie geboren. Beginnen doen ze onmiddellijk luidruchtig met een razend hoogtepunt propvol hooks, drums, weirde gitaren en manisch gestoord gejammer over een zich misdragende heks: dit explosieve 'Hide & Seek' wordt helemaal op hol gebracht in de kenmerkend stuwende repetitieve Lizard-dreunstijl. Prachtig zo'n opener.

De slepende doomblues van 'Armistice Day' lijken dan ineens zachter, een atypisch nummer, Denison's aangrijpend kronkelende gitaar gecombineerd met het desolaat wegzingend gelal van Yow. Terwijl die dan weer hevig scanderend tekeer gaat in 'Grind'. Het wordt - wat wil je? - pure opwinding, pure noise, vintage The Jesus Lizard. Wegscheurend op van die gloeiende gitaarsolo's van Denison en op bedjes van McNeilly's absoluut monsterlijk drumwerk.

Sinistere mistdampen stijgen op uit 'What If?', een ongemakkelijk parlando dat het zwartste van The Whispering Sons lijkt op te roepen. Het is vergezeld door de telkens in griezelig arpeggio gaande gitaren van Denison. Het refereert sterk aan zijn exploten in Mike Patton's Tomahawk.

In het uptempo 'Lord Godiva', een song over seriemoorden, is een bloeddorstige Yow weer helemaal maf aan zet. Met andermaal zo'n schitterend riffwerk en net zo soleert Sims op zijn bas.

De verslavend strakke baslijn zet dan het keiharde 'Alexis Feels Sick' in de steigers, een dreigend tikkende gitaar voegt sterk in en neemt over. Een gracieus ballet richting de nu over Amerikaans kapitalisme schreeuwende Yow, terwijl de opstijgende gitaren de spanning van de compositie almaar duizelingwekkender doen aanzwellen.

Ook in de brute hooks van rocker 'Falling Down' gaat weer alle eer en glorie naar het pak zich vrijelijk ontladend The Jesus Lizard-kabaal. Terwijl het hoogst energieke 'Dunning Kruger' op overdonderende wijze een staalkaart is van Denison's uitzonderlijk veelzijdige rockgitaarkunst. En nog zo'n met de vlam in de pijp hardrijdende rocker is Moto(R), een ongepolijst spuiende Yow mee in de regelrechte belegering van de chaos. 

Verpletterend melodieus viermansgroepswerk serveren ze in 'Is That Your Hand?', waarin Yow tijdens zijn profetische crooning de nieuwste mantra "I'm forecasting stupid" mag ophangen.

In de zowel punk als jazzy aandoende zware explosie 'Swan the Dog' kruisen tenslotte voor het laatst de loodzware gitaren de degens, een song vol leven en afwisseling en met ook hier een onwelluidende Yow als uitdagendste janker van dienst.

'Rack' is kortom, hoe verbazend ook, toch maar de roemrijke terugkeer op plaat van een geniaal The Jesus Lizard. Technisch scheren de vrienden alle vier de top, nergens wordt het belegen, versleten, niks verrafeld, helemaal niets is er ingeboet aan intensiteit en rauwheid. Ze trakteren met dit onverkort sterk materiaal met een overweldigende herbeleving van de pure drive en chaos die ze in hun hoogdagen etaleerden met hun 'vijfde beatle' Steve Albini. Ook in 2024 blijven ze de compromisloze band die resoluut weigert om volwassen te worden. 'Rack' staat daarmee gelijk met van die frisse, zelfs met van de strakste, dampendste rock die er momenteel te krijgen is. Een fascinerend overwinningsalbum dat veel jonge honden hen nog niet rap zullen nadoen. In het jaar van Albini's overlijden, wat wil een mens dus nog meer als eerbetoon?

Line-up:
David Yow - zang
Duane Denison - gitaar
David Wm. Sims - bas
Mac McNeilly - drums

The Last Dinner Party - Prelude to Ecstasy (2024)

poster
4,5
Zie ze daar zitten, liggen, staan. In volle renaissancestijl wulps en hedonistisch ingelijst in corsetten op de cover van hun debuutplaat. Hoogst expressieve groepsfoto van de vijf bevallige Londense dametjes van The Last Dinner Party. Het gezelschap ziet zich al bij voorbaat op een ferme marmeren piëdestal geplaatst, omgeven door een en al adoratie. Massa's kaarsen, bloemetjes, kransen. Want inderdaad, al voorprogramma van Nick Cave en The Rolling Stones, Glastonbury, Tiktok laaiend, critici lyrisch, al direct een lekkere BBC Award 'Sound of 2024' en een zich vermenigvuldigende hype per nieuw uitgebrachte single. Begin 2023 oorwurm 'Nothing Matters', dan 'Sinner', 'My Lady of Mercy', 'On Your Side', tenslotte 'Caesar on a TV Screen'. Allen pal inslaand, hoogst clevere pop, con brio.

Net zo sierlijk ingekaderd staan al die atypische deuntjes van hen nu eindelijk op hun album 'Prelude To Extacy' en evenzo met klassieke ornamenten gelardeerd. In hun genre zo éclatant groots openen met een klassiek trompettende en strijkende titelsong als deze tot extase leidende 'Prelude to Ecstasy', het lijkt wel geleden van die onvolprezen Hollywood-intro op 'Jesus Lives' van The Bollock Brothers.

Om The Last Dinner Party onmiddellijk na dit sfeerzettertje wervelend op hun pootjes te zien terechtkomen met de barokke pathos van 'Burn Alive', een geweldige naargeestige gitaar. Een wild gothic eerbetoon aan Jeanne d'Arc. Volslagen herkenbaar als ware het een voor de Chess-musical schitterend georkestreerd ABBA-dansje.

Op deze plaat is alles groots en net als op een massief schilderij is een en al diversiteit er troef. Hun singles vallen daarin netjes op hun plaats, méér, ze komen er nog beter mee tot hun recht. Zoals de indrukwekkend glinsterende glamrocker 'Caesar on a TV Screen'. Een rustige opstap en dan barstend van gitaarspektakel en andere swingende energie. Met prachtige hooks en bruggen en Abigail Morris die er theatraal en dramatisch doorheen laveert als een machtswellustige Caesar. Of een bezwerende Anna Calvi als een net zo heftig evenbeeld. Opgepast, ook het met assertieve percussie aftrappende 'The Feminine Urge' is hevig bijtend. Er wordt naast de band tussen moeders en hun dochters, vooral complexloos 'vrouwelijke woede' geëtaleerd als een krachtige boodschap aan de door mannen gedomineerde wereld.

Dan wordt met de engelachtig tedere meisjesballade 'On Your Side' plots hypnotiserende indiepop geserveerd. Een wat langer nummer dat eenzaam als een bloem ineens ontluikt op een nevelige morgen. Een melancholische song die met de intrede van het hele The Last Dinner Party gaandeweg regelrecht de rockbasis in wordt getrokken. Strak spelend in de zowel zachte als hardere passages en dan mag het ook nog eens in diverse kosmische lagen mooi lang en episch uitdeinen. Vooral Morris in een absolute hoofdrol. Met een stem die, net als bij Florence and the Machine voortdurend in de hoogste regionen rondwaart.

Een sprookjeswereld daarmee vergeleken, 'Beautiful Boy', met die romantisch ingetogen startende fluit, wordt een prachtig ingehouden nummer vol geweldige samenzang.

'Gjuha', de tweede korte rustbrenger, is een sinister folknummer van toetseniste Aurora Nischevi, die onder meer ook de verbluffende klassieke prelude schreef. Hier in het Albanees gezongen, jawel, als zoenoffer voor het onvoldoende beheersen van haar moedertaal. Schoon. Met aanzwellend Bach-orgel vreugdevol uitmondend in hemelse Oost-Europese samenzang.

'Sinner', onvervalste rocktopper met talloze Sparks-pianostaccato's, zalige Queen-zangharmonieën. Verderop komen ook de verslavende riffs en de stijgende solo's van Emily Roberts erbij die er tot de laatste noot inhakken.

Opzwepend handgeklap bij 'My Lady of Mercy' leidt de switches in van fijne pop naar hardrock en terug, dolle rit door de pop- en rockgeschiedenis in amper drie minuten.

Repetitieve pianoakkoorden leiden vervolgens de complexiteit van 'Portrait of a Dead Girl' in. Met weer een hoofdrol voor de virtuoze Emily Roberts die haar kennis van de Brian May-gitaartechniek alle eer aandoet, daarbij bijgestaan door 'het zeer dure koor' dat het platenlabel hen toestond.

De vrolijk klinkende debuutsingle 'Nothing Matters' is het rechttoe rechtaan toegankelijkste popnummer. Hier mixt men schaamteloos weer ABBA met weer Sparks. Een stoer liefdeslied met een als Siouxie Sioux seksueel vuilbekkende Abigail Morris. In een impressionante video bovendien, geënt op The Virgin Suicides van Sofia Coppola.

Het op en top filmische 'Mirror' besluit het album. Een percussienummer met dramatische Morricone-pauken, rollende drums, strijkers en piano en een grootse herneming van de prelude. En niet in het minst een laatste sterke vocale performance van Morris.

Met 'Prelude To Ecstasy' komt daar dus ineens uit de lockdown, kant en klaar, een ambitieuze jonge showband die zich met veel stijl, elegantie en charisma opwerpt als een eigentijdse ABBA, als een handvol arty Spice Girls, selfmade en met een pak meer finesse. The Last Dinner Party grossiert in ideeën en een eclectisch geluid dat ze vrijelijk pikten daar waar ze het maar konden vinden. Bij ABBA dus, maar evengoed gaan ze ervoor overheen Pink Floyd, Nine Inch Nails en tot bij Moessorgski. In plaats van eenheidsworst maken ze met vanalles opwindende, hoogst melodieuze songs en ze verpakken ze in theatraliteit en heerlijk bombast. Klinken ze daardoor dan weelderig, decadent en grotesk, hun harmonieën, arrangementen en overgangen zijn telkens zonder meer perfect. Surreëel allemaal, waar ze tegenwoordig verschijnen wordt het telkens in plaats van een Last Dinner Party het begin van een heus spektakel. Straks dus ook in een euforische The Barn bijvoorbeeld, op zaterdag 6 juli op Rock Werchter.

Al is deze 'Prelude To Ecstasy' een traaggroeier, geef The Last Dinner Party maar de tijd om al zijn magie prijs te geven. Want dat ze heel goed zijn, da's een feit.

Abigail Morris - zang
Lizzie Mayland - zang, gitaar
Emily Roberts - leadgitaar, mandoline, fluit
Georgia Davies - bas
Aurora Nishevci - zang, toetsen
Geen permanente drummer, live Rebekah Reyner

The Limiñanas - Faded (2025)

poster
4,5
Sinds 'De Película', hun regelrechte meesterwerk van 2021 met een even uitmuntende Laurent Garnier, staan de Franse Catalanen van The Limiñanas bij al het nieuwe dat ze doen bij velen, zoals ook je resencent, onmiddellijk weer op de radar. Waren het in de voorbije tijd echter vooral filmsoundtracks voor derden waar ze zich mee inlieten, dan blijkt met hun nieuwe 'Faded' dan toch weer in alle stilte een eigen album te zijn klaargestoomd en opnieuw is het resultaat ervan de muzikale nagel op de kop.

The Limiñanas, dat is basic nog steeds dat iconische duo Marie en Lionel Limiñana, de roodharige drumster en de bebrilde wilde baardmans-gitarist die in het Engelse taalgebied, tot zelfs nog eerst in de VS, minstens even gekend zijn als in hun eigen Franse contreien. Samen sloegen ze daar in hun thuisbasis in de Pyrénées-Orientales, tussen drie filmsountracks door, weer aan het brouwen van een nieuwe, unieke Limiñanas-smeltkroes van donker Frans sixties-chanson, psychedelica, kraut- en garagerock met vooral sterke referenties aan Serge Gainsbourg en The Velvet Underground. Er worden daarbij zowel gedoseerde snuifjes Frans à la Molière als lappen grofgezongen Engels toegevoegd. Meer nog dan 'De Película', doet zeker dit 'Faded' daar dus niks voor onder. In hun albums wordt alles dan samengebracht in meeslepende, mystieke, op en top overweldigende retrotrips, in 'Faded' afgewerkt in voor het oor nu zo mogelijk nog meer filmisch hypnotiserende, repetitieve soundscapes.

Met hun intussen bijeengegaarde faam hebben ze zich voor deze gelegenheid zonder problemen kunnen versterken met een internationale schare rockmusici. Zoals Bobby Gillespie van Primal Scream en The Jesus and Mary Chain, Jon Spencer van The Blues Explosion, de Fransen Betrand Belin - een van de grote sterren al op 'De Película' -, Rover, Anna Jean en Pascal Comelade. Met de aldus bekomen veelheid aan stemgeluid kunnen ze op de plaat de inhoud van de songs des te beter aflijnen als afzonderlijke verhalen, net als met die harmonieuze mix van stijlen en los van de telkens eigen invulling die de medewerkende artiesten er zelf van op afstand aan gaven.

De thematiek van 'Faded' groeide uit in een periode van persoonlijk verlies en melancholie en werd doorgetrokken in de rode lijn van het album. Daarop verwijzen twaalf vervaagde filmgezichten op de cover naar de tragiek van vrouwen, ooit sterren, wiens faam uiteindelijk ook helemaal is weggeveegd, hunkeraars wiens betekenis volledig door de tijd is achterhaald. De oorspronkelijke idee ervoor vonden onze cinefielen terug in de song 'New Age' van The Velvet Underground, die dezelfde tragiek aansneed. Het album ademt aldus het verstrijken van de tijd, het wegvallen van de illusie en het opduiken van de kille realiteit die zich hoe dan ook als een mes doorheen schijnwerelden boort.

Een dubbelplaat. Op de eerste vinyl scharen zich grotendeels de songs met de gastbijdragen. De sfeervolle instrumental 'Spirale' bijt af. Met het tikken van de metronoom ga je regelrecht mee de dreigende spiraal in, de nagalm nog van de verwardheid en de chaos waarin onze protagonisten waren verzeild geraakt.

Dan is het aan Bobby Gillespie van Primal Scream. Met de splijtende door fuzz overstuurde riffsong 'Prisoner of Beauty' maakt hij ieders remmen los, niet in het minst de zijne. Het is zijn introductie op het theater van de wreedheid die beroemdheid is, zijn inleiding op de zieligheid van het verval.

Middenin de oneindige dreinerigheid van 'J'Adore le Monde' komt zalige huisvriend Bertrand Belin weer volop in actie. Trance in een Frans dat alleen maar bekt. Betoverende song met een geweldige groove, met repetitieve drums en synths in de hoofdrol. Helemaal terug de mist in dus van 'De Película', net als wat verder ook in 'Autour de chez Moi'.

Reverbgitaren brengen 'Shout' in het gelid, met een prachtige Rover die krachtige pop met een hoog Bowie/Iggy Pop-gehalte etaleert. Terwijl vervolgens in titelsong 'Faded' het zangeresje Penny rondwaart in pop met een zonnig georkestreerde retrosound met de close-harmony van keurige sixties-meidengroepjes.

Mag ook niet ontbreken, het charmante 'Catherine' dat intiem baadt in een zwoel Gainbourg-/Etienne Daho-sfeertje, hier met Anna Jean als de Jane Birkin van dienst. Sterk nummer en broertje van 'Saudade' wel.

Dan start de tweede meer nostalgische vinylplaat al, met het meer soundtrackgedeelte van het album, meer geestverruimend en melancholisch wegzwevend. Tussenin, naast nu voortdurend The Limiñanas zelf, enkel Jon Spencer aan de micro. Ook deel twee start eerst volledig instrumentaal met het boos ogend 'The Dancer'. Dit trapt af als met de meest krassend losbarstende psychedelica van Iron Butterfly ooit. Met schurende drones en basriffs evolueert de compositie in de donkerste elektriciteitsnevelen.

Dan 'Space Baby' met Jon Spencer zich in New Yorkse razernij op en neer gaand uitlevend in de The Limiñanas-kosmos. Verder zijn even intense 'Degenerate Star' met de uitzinnige cool van Spencer spelend in zijn eigen nostalgieke film. Telkens samen met de Limiñanas-getrouwe Pascal Comelade.

Nu aan de verleidelijke labyrintsong 'Tu Viens Marie?' om de geesten te verplaatsen. In de lyriek wordt het bijna ludiek een pingpongspel tussen 'Marie' en 'Chérie', tussen al die als bergen zo hoog transcenderende gitaren. Samen met 'Autour de chez Moi' opnieuw twee songs dichtbij de Gainsbourg in Lionel en de sensuele Birkin in Marie. 'Autour de chez Moi', ook het langste nummer, is vintage The Limiñanas, een zalige doorprater in een oneindig opklimmend duet.

Gelukkig was 'Louie Louie', de verzoeksong van hun Amerikaanse platenmannen, al Lionel's favoriete covernummer. Hier wordt het sterk slepend, fluisterend gebracht, puur op de wijze van The Limiñanas. Gaandeweg maken ze het in de finale net zo plechtstatig groots en knarsend als in de 'Messe pour le temps présent', soundtrack ooit van het beroemde Maurice Béjart-ballet.

De ontroerende tearjerker 'Où Va la Chance', sixtiescover van Fançoise Hardy, komt als een liefdesverklaring aan dit Franse icoon om 'Faded' af te ronden. In zijn schemerige verlatenheid is het een laatste roep naar de geesten van de vergeten actrices.

In het universum van The Limiñanas, tussen rock, kitsch en electro, wordt het alleen voor dummies nog even wennen. Het blijft een o zo coole band die ondanks onconventionaliteit en weirdness steeds weet vast te pakken. 'Faded' is als een verzameling muziekimpressies evenwichtig tuimelend in een caleidoscoop, steeds verrassend van kleur en structuur verschietend. Een band die daarbij tegelijk zijn Franse origine perfect weet in te schakelen en aan te houden. Even snuiven maar dus. Wat een verslavend plaatje.

Op 17 april in de AB.

Line-up voor de tour:

Lionel Limiñana - zang, gitaar
Marie Limiñana - drums
Keith Streng (Fleshtones) - gitaar
Tom Gorman (Killed The Young) - zang
Clemence Lasme - bas
Alban Barate - keyboards, mellotron, gitaar

The Lounge Society - Silk for the Starving (2021)

poster
4,0
De aan de gang zijnde postpunkgolf blijft ruime aandacht opeisen. Blijken in de stal van Squid, Black Country, New Road en black midi de beste leerlingen van de klas te zitten. Zou TLS daar ook bijhoren? Alleen al op basis van hun eerste single en deze ep met samen erop 5 sterke anthems, verdienen ze 't zeker. De hand van de ondersteunende The Strokes-producer zorgt al bij voorbaat voor pure afwerking. Voorganger-single 'Generation Game' was een voltreffer à la Fontaines D.C, een nummer met een psychedelische sneltreinvaart en een fulminerende zanger kronkelend als de bezwerende Jim Morrison. Het openend 'Burn The Heather' dan -wat een zalig nummer!- is een op bas dansende springer-rocker van jewelste, weer in typisch declamerend spoken-wordstijl, waar je ook de ritmiek van founding fathers Talking Heads in terughoort. 'Television', verwant, jawel, aan Television-de groep, stuitert op hetzelfde aanstekelijke élan verder 'Cain's Heresy', ontketende rocker van formaat, die, gehuld in psychedelische walm, weer uitmondt in een muzikale trip. 'Valley Bottom Fever', fris van de lever en even geagiteerd chaotisch als de vroege Black Lips geven hun geboortestad een woedende punkschop. TLS, giftig politieke punk vol frustratie over sociale mistoestanden en macht, vol jeugdig talent, levert zo zijn eigen hete bijdrage tot het postpunkgenre. Ze doen het met de borst vooruit en met verve. Kom erbij!

The Mars Volta - The Mars Volta (2022)

poster
4,0
Van een verrassing gesproken. 10 jaar na hun split is daar ineens toch opnieuw een The Mars Volta-album. Het ziet er met zijn vlakke gouden artwork al helemaal niet uit als een vroegere The Mars Volta. Maar het klinkt effenaf fantastisch. Er is nog een bijkomende maar: wat je krijgt is een qua toegankelijkheid ongelooflijk radicale stijlbreuk met alles wat ooit aan dit nu ook simpelweg titelloze album voorafging. "Dacht je, aldus Cedric Bixler-Zavala en Omar Rodriguez-López zelf, we zijn beiden zevenenveertig, dat we onze oude shit gewoon verder gingen meesleuren als een te klein geworden oud t-shirt uit onze jonge jaren?" Wat hier nu uit onze speakers komt is niet minder dan een totale heruitvinding. Plots staan ze in plaats van als punkers of proggers alsjeblieft als volleerde poprockers onweerstaanbaar te blinken met glanzend gestroomlijnde muziek vol soepele, echte melodieën en keurige arrangementen, met warme soul, met een sound die nu wel mijlenver afstaat van The Mars Volta of At the Drive-In. De vocals komen nu van een frontman, dezelfde Cedric Bixler-Zavala, die zich in plaats van als constante schreeuwboei van toen nu als een echte zanger etaleert, die kundig variatie legt in zijn stembereik, van de lagere tot in de vooral hoge registers. Helemaal weg alle extravagante proggy doolhoofconstructies van voorheen. Op de plaat staan zomaar even veertien hoogstens vierminutensongs, geschreven in het post-Trump-tijdperk, waardoorheen heel zelfbewust een Mexicaanse en vooral Puertoricaanse wind waait.

Dit was eerst en vooral een Bixler-Zavala-therapieplaat. Veel van de lyrics gaan over zijn eenzaamheid, bitterheid, paranoia en wrok en ze zijn voor een groot stuk geïnspireerd op zijn recente persoonlijke wedervaren in de Scientology Kerk, toetreding die in 2012 overigens ook leidde tot de breuk met jeugdvriend Omar Rodriguez-López. Een heus #Me Too-schandaal in die Kerk, waar Cedric's vrouw onmiddellijk bij betrokken was en dat nog steeds zijn juridisch beslag niet kent, maakt van Cedric nu integendeel een groot criticus van Scientology. Positieve kant van de story, de banden binnen The Mars Volta werden alweer aangehaald en Omar bood zijn vriend zelfs het muzikale klankbord aan voor zijn verwerkingsproces en zijn meest directe lyrics ooit.

De naamloze plaat ademt tegelijk nog meer dan vroeger de Puertoricaanse roots van Omar Rodriguez-López en de Mexicaanse van Bixler-Zavala. Bekijk daarom zeker ook de schitterende video's in prachtig zwartwit van hoogtepunt 'Blacklight Shine', van de stuiterend ritmische synthsong 'Graveyard Love' en van het pakkende 'Vigil'. Ze leggen alle de Puertoricaanse ziel, de waardigheid en levensdrift van zijn bewoners bloot tegen een achtergrond vaak van verval en door kolonialisme veroorzaakte verpaupering. De essentiële elfminutenvideo met de wervelende energie van 'Blacklight Shine' is zelfs regelrechte ode aan Puerto Rico, met zijn tweederde aan toegevoegde beelden. Een krachtige performance van de bomba-dansers spat van het scherm als symbool van het gevecht voor behoud van culturele eigenheid. De er op latinpercussie doorgejaagde rocksong die er gewoon tussenin geplakt zit vertolkt dan met melodieuze zangerigheid de wraakfantasieën van Cedric-Zavala.

Toch is er weinig of niks schurends of provocerends aan deze plaat. 'Shore Story' is pure sensuele r&b en soul met verwijzing naar Cedric's rechtsprocedures en de sfeer van stalking en intimidatie. In de mooi gelaagde triphop van 'Blank Condolences' klinkt ook muzikaal vernuft à la Steely Dan door. De ballade 'Vigil' zweemt groots naar de eightiessound van Peter Gabriel's 'So'. 'Que Dios Te Maldiga Mi Corazon', met z'n spaanstalige vocals en z'n Caribische drukke percussie, is zo latin of tango als wat.

En ballades. De gelatenheid van ballade 'Cerulea' wordt slechts eenmaal doorbroken met een over de neerslachtigheid van Bixler-Zavala zwevende gitaarsolo op het einde. 'Palm Full of Crux' klinkt tragisch, een spookachtige folkballade inclusief met zwevende dwarsfluiten, piano en blazers. Bixler-Zavala's tribute aan zijn overleden compagnon de route Jerely Michael Ward.
Ook het pakkend klagend Tourmaline' is ingetogen akoestische folk op chilly jazzdrumritmes en met weer die magische dwarsfluiten. Het trauma binnenin 'Flash Burns from Flashbacks' resoneert sterk in zijn opwindend filmische verpakking.

Een stuk meer power legden ze in het catchy 'No Case Gain', een stuwende, hyperactieve poprocker. Evenzo in 'Equus 3', een kort hypnotiserend Volta-prognummer dat ook heel wat jazzpianonoten uitstrooit in het slot. 'Collapsable shoulders' is broeierige elektronica die uitmondt in Cedric's als in een mantra huilend herhalend "leave no man behind". Het finale 'The Requisition' is dan het meest elektrische nummer van de plaat met nog de meeste reminiscenties naar de oude The Mars Volta.

Maar dit moet dus toch zowat de transformatie van het jaar zijn. Al zijn ze natuurlijk niet aan hun proefstuk toe - er werd ooit al geswitcht weg van het oorspronkelijke At The Drive-In naar de prog van The Mars Volta - maar dit is toch echt heel andere koek, als wilden ze wel geavanceerd blijven klinken, maar toch heropstarten met een volledig schone lei. De wilde kapsels zijn met deze open plaat ook figuurlijk meteen uit het beeld verdwenen. Benieuwd hoe de fans dit poppy geluid zullen aannemen. Weerklinken er daar zelfs geen schelle falsetjes als zijn de Bee Gees mee op de afspraak? Zal de buitenwacht de nieuwe The Mars Volta vlakaf als verraad verguizen en daarmee zoals zo dikwijls bepalen waar een band ondanks zijn evolutie mag staan? Of zal ook dit nieuwe geluid en de schoonheid ervan worden omarmd, omdat hetzelfde grote talent en bevlogenheid van de band nog maar eens bevestigt dat hier een even pure The Mars Volta als voorheen staat? Een The Mars Volta nieuwe stijl die bovendien direct in staat blijkt om een prachtige niet voor de hand liggende rootsplaat af te leveren, tegelijk eentje met enorm veel diepgang. Om zoiets te ontdekken vallen mogelijks alle stukjes niet direct en dus maar helemaal op het einde volledig op hun plaats. Mijn meer dan goedkeurende zegen hebben ze in alle geval hier al.

The Mary Wallopers - The Mary Wallopers (2022)

poster
Corona had dus ook nog zo van die prettige gevolgen. Zoals we het toch konden lezen op de artiestenfiche van de website van Rock Werchter waar ze op dag één voor heel velen ongezien mochten optreden in The Slope. De folky balladeers van The Mary Wallopers zijn beroemd geworden door hun vanuit hun pub gestreamde thuisconcerten tijdens de lockdown. Mogelijks is het zevental intussen zelfs de aanstekelijkste Ierse feestband sinds The Dubliners en The Pogues en het moet gezegd, die stemraspen, die typisch Ierse vibrato's her en der en de in een hels dronken tempo doorslaande banjo's, dito violen en tinwhistle-fluitjes het klopt helemaal. Ze passen ook perfect binnen Ierland's decennialange traditie van schuine liedjes over seks, drank en de duivel. Een nest jonge oproerkraaiers, met frontmannen en broers Charles en Andrew Hendy en hun oude schoolvriend Seán McKenna voorop, die met louter herinterpretaties van Ierse traditionals en lang gerijpte Keltische folkmuziek een dikke vinger opsteken naar het establishment. Met muziek tegelijk die de maatschappelijk donkere, aan tristesse grenzende Ierse onderstromen in zich meedraagt.
Maar neen, natuurlijk zag ik ze dus zelf niet op RW, wel driemaal helaas. Ze grepen pas m'n volle aandacht - toch geluk! - nadien, tijdens de lange eenzame autorit richting home. Toen was daar ineens hun versie van gouwe ouwe 'Cod Liver Oil & The Orange Juice' op mijn rondjesdraaiende RW 2023-Spotify-playlist. En aldus bleek die hoogst olijke 'Cod Liver Oil' geplukt van het titelloze, in eigen beheer uitgebrachte debuut van oktober 2022 van de band met de naam The Mary Wallopers. Echt hoor, hoogst vermakelijke stuff is dit, een bijna nostalgisch album dat alleen maar meer van dat bevat, in een hele rits van geweldig heruitgevoerde (op één na) Ierse folknummers, alle regelrechte meezingers, fraai verpakt in nieuwe aantrekkelijke arrangementen, het ene nu eens energiek en ophitsend, het andere dan weer eerder beladen droef. Een heel charmante mix meteen van de hele Ierse way of life...

Zeker recht uit de kroeg komt die krachtig opzwepende opener 'Eileen Og', die gaat er, na zachte opstart, slaand en scanderend vandoor. Dan, mooi aansluitend, de oudste ballade op de plaat 'Love Will Never Conquer Me', anti-lovesong, schitterend gezongen door Seán McKenna. De Schotse uptempo drinksong 'Cod Liver Oil & the Orange Juice', drijvend op dat schitterend banjo-spel, benadert hier met uitmuntendheid het hoogst hilarische hitnummer van Schotse sixties-legende Hamish Imlach. 'Building Up and Tearing England Down' gaat over het weinig benijdenswaardige lot van de 19e eeuwse Ierse spoorwegbouwers-emigranten in dienst van de Engelse spoorwegen, het is een van die verschillende songs ooit groot gemaakt door The Dubliners. In het zachtere segment hoort dan weer 'John O'halloran' thuis, hier met enkel zangstem en bodhrán, de Ierse lijsttrommel. 'The Night the Gards Raided Owenys' is een van die traditionele vertelsongs, gepassioneerd gezongen door Charles Hendy en de anti-oorlogssong 'Lots of Little Soldiers' is vanzelfsprekend weer brandend actueel. Stamper 'Frost Is All Over' van The Chieftains krijg je hier met ondersteuning van Radie Peat van Lankum, er werd zelfs een strofe aan toegevoegd om alles nog meer van deze tijd te maken. Het trage 'The Butcher Boy' van The Clancy Brothers is The Mary Wallopers' zachtste klaagzang van het album. Tenslotte, eenzelfde schelmachtige, rommelige The Dubliners-pubsfeer walmt nog een laatste keer uit het luchtige 'All for Me Grog', massa's Guinness-pints of dan toch grogs zie je zo voor je ogen wegvloeien.

So, The Mary Wallopers do it their way. Ok, dit is dan wel niet het totaal vooruitstrevende, vernieuwende Ierse Lankum, maar toch, die positieve vibes, de humor, het vuur en de aanstekelijkheid die de The Mary Wallopers in zich hebben maken hen zo ouderwets puur en aantrekkelijk. Daarmee komen nu ook zij een dosis frisse wind te jagen doorheen de bestofte Ierse folktraditie. Een onstuimige opwindende bende is dus opgestaan, vol speelplezier en een playlist die, zoals steeds in het genre, altijd live nog veel meer rendeert... Ze hebben met hun debuut alvast een stevige acte de présence gegeven en met hun nieuwe single 'Holy Ground', aanloop naar het al aangekondigd nieuw album, stomen ze gewoon vol op ditzelfde élan door. Dit feestje op hun volgende passage dus niet meer laten voorbijgaan, henrie9.

Inmiddels trekken ze de wereld rond. Op 8 september in Rotown Rotterdam en op 21 september in de TRIX in Antwerpen.

The Murder Capital - Gigi's Recovery (2023)

poster
4,5
Met het tweede album van het Ierse vijftal van The Murder Capital krijg je een heuse conceptplaat in handen, mooi met kop en staart, waarvoor zij overigens alle nodige tijd namen en een eerste versie zelfs helemaal terug naar af verwezen. Vanaf hun eerste stappen op de scene is het gezelschap ingeschoven in het respectabele rijtje van de postpunk waar tegenwoordig ook groepen als Fontaines D.C., Idles of Gilla Band succesvol floreren. En goed, beschouwen ze die mannen inderdaad wel als hun bijna dagdagelijkse vrienden, infeite zijn ze even weinig 'postpunker' als Elvis Costello 'punker' was, toen ie in de seventies gemakshalve in dit hoekje gedrumd werd. Het liefst, waaieren ze bij The Murder Capital met hun songs in volle eigenzinnige vrijheid uit in nieuwe frisse windrichtingen. Een bloedhekel, zo frontman James McGovern, hebben ze dus aan herhaling, aan herkauwen van hun eersteling 'When I Have Fears'. Maken ze dan liever met enige durf en voorliefde voor diversiteit en voor regelrecht geduw tegen al het te voor de hand liggende, dit verbluffend organisch werkstuk vol verrassende texturen, weirde geluiden en dito gedachten. Weet daarmee, dit 'Gigi's Recovery' is bij al dit zeker geen makkelijke luisterervaring en allerminst iets gewoon voor de kabbelende achtergrond. Toch kwamen ze samen nog meer tot een plaat waarop alles klopt, die daarom, jaja, met veel respect al direct het predicaat 'jaarplaat' verdient.

Er wordt ook nu weer heel diep en bij wijlen deprimerend geïntrospecteerd, daarvoor moet je muziekhart dus allereerst kunnen openstaan. Maar - kijk al maar even naar die titel 'Gigi's Recovery' en naar die felgekleurde cover - desondanks gaat het hier vooral over een transformatieve, positieve zoektocht, over een recovery vanuit duisternis naar het licht, naar hervinden van kracht, zoiets. Een concept dat op de plaat mooi gesandwicht zit tussen de vervaging van het somber ogende 'Existence', de proloog, en de finale, bewust meer optimistische epiloog 'Exist'. Twee woorden wel die zich beide identiek als 'bestaan' laten vertalen, maar waartussen dan, groeiend overheen een pak existentiële hoogten en laagten, de handel en wandel van The Murder Capital de revue mag passeren.

Radiohead, Alex G, The Strokes en Scott Walker, het lijken de muzikale referenties. Na de cruë, emotionele trip die 'Crying' is, komt de korte heftige à la The Strokes-single 'Return My Head'. Die vat catchy en upbeat het hoopvolle concept van vooruitkijken vanaf de eerste lijn samen: begin van overleven is jezelf opnieuw 'uitlijnen', je getormenteerde geest verlaten en terugkeren naar een plaats ergens van peis, vree en stabiliteit. Het subtiel uit gitaren opstartend 'Ethel' wordt een emotionele topcrooner voor McGovern, die hier niet alleen de vocals, maar die in de lyrics ook de 'lust for life' van Iggy Pop aanneemt. Met McGovern trekt de hele band, niet voor het laatst, de song dan vaak op in een bruisend crescendo. Vervolgens overspant een meeslepende sample 'The Stars Will Leave Their Stage', nog zo'n song die, zich ontwikkelend naar een climax, bevestigt hoe knap alles altijd muzikaal bij The Murder Capital wel is opgebouwd.

En dan is er plots de contemplatieve rust van liefdeslied 'Belonging', misschien horen we daar tussen de elektronica en de dempende cimbalen ergens ook iets van McGovern's verre cello terug. 'The Lie Becomes the Self' is trager en jazzy. Weer die zelfreflectieve, kwetsbaar eerlijke teksten. Ze krijgen steevast een schitterende opsmuk van de collega's verantwoordelijk voor de instrumentatie. Positieve single 'A Thousand Lives' is McGovern's epische verhaal. Het wordt nog intenser door de weelderige triphop-percussie op dreef en let ook op dat opvallend gitaargesoleer. Sterk tot helemaal in de outro.

Single 'Only Good Things' heeft een opvallend opgewekte beat, perfect passend bij McGovern's nu in een rechtuit liefdeslied gegoten poëzie. Titelsong 'Gigi's Recovery' start dan op als met loeiende sirenes, de song leert hoe een mens wegkan met heel zijn 'existence' van voorheen. Tijd dan voor het opmonterende 'Exist', dat het album afsluit.

Dit The Murder Capital is tijdens de isolatie van de pandemie uitgegroeid tot een assertieve, volwassen band met een visie die pulseert, zeg maar, op het ritme van hun leven. Hun plaat is een beklijvende poging van inleven in breekbare evenwichten van bestaan en het weer controle nemen over de weinige dingen die er echt toe doen. Indrukwekkend daarbij is zeker de passie van de charismatische frontman James McGovern. Het schreeuwen heeft hij hier blijkbaar volledig afgezworen, zijn teksten zijn op het voorplan gekomen. Pakken pijnlijke poëzie brengt hij dramatisch, in alle laagste toonaarden van zingen en halfzingen. Het is een songwriting bovendien die schitterend ingekaderd zit in The Murder Capital's uitgebreider, meer genuanceerde geluid. Hier wordt intens geëxperimenteerd met meer verfijnde, bijna U2-gelijke gitaareffecten en er zijn ook veel meer synths, samples en bliepjes voorhanden dan op de voorganger.

Geef deze artistieke plaat dus, waar nodig, desnoods wat meer luisterbeurten om alle tinten ervan te laten doordringen en zie dan ineens de schoonheid ervan indrukwekkend openbloeien. Wensen The Murder Capital daarom hier al 'A Thousand Lives'. Zeker ook straks op het podium. Want lef en bravoure à la Fountaines D.C., ja, dat hebben ze ook al.

The Ocean - Holocene (2023)

poster
4,5
Het Duitse zestal The Ocean, sinds 2003 een van de polyvalentste bands met stevige reputatie binnen de postrock-, post-metal-, sludge-, blackmetal- en experimentele hardcorescene, hoort ook bij die weinigen die laatst in volle corona toch hun fans opzochten met - intussen al bijna legendarische - lockdown-optredens en dito -liveregistraties. Ze zorgden toen, 2021, met de herpresentatie van hun machtige opus 'Phanerozoic Live' voor een regelrechte topervaring en die dubbelplaat was voor de leek tegelijk de best mogelijke instap in hun vernuftige wereld. Lieten ze toen al langs hun neus weg weten dat er ondanks coronamalaise toch al voor twee albums nieuw materiaal voor opname klaar lag.

De eerste nieuweling daarvan, 'Holocene', blijkt nu verrassend zelfs het sluitstuk te worden van die ferme quadrilogie waarmee ze in 2008 van wal staken. Na 'Precambrian', 'Phanerozoic I' en 'Phanerorozoic II' één lang concept dus van geologie en paleontologie, verbluffend op muziek gezet (samengevat nog na te lezen op 'The Ocean - Phanerozoic Live'). Het recentste 'Holocene' behandelt uiteraard het geologisch holoceentijdperk, het huidige en kortste hoofdstuk in de geschiedenis van de aarde. De mens is op de planeet verschenen en door snelle proliferatie, culturele evolutie en technologische ontwikkeling verandert alles op een voorheen nooit gekende manier. Het album is bovendien - aldus frontman Robin Staps in de van zijn eigen Pelagic Records ontvangen albumdocumentatie - in wezen een daad van verzet, een geladen beschouwing over angst, vervreemding, verlies van rede en kritisch denken, de morbide zoektocht naar de eeuwige jeugd, opkomst van complottheorieën tijdens de pandemie en deconstructie van waarden in de instagramsamenleving van vandaag, kortom, de mensheid is ergens onderweg grondig de weg kwijtgeraakt. Het wordt uiteindelijk het lichtend doel om op basis van verleden en heden samen het leven te heroverwegen.

Maar ha, eigenlijk sloot ook 'Phanerozoic II' al helemaal af met een donker, synth-gedreven 'Holocene'. Die laatste song was daar met zijn abrupte einde dus conceptueel en muzikaal al richtinggevend voor de omstandige herneming in de vorm van nóg een heel nieuw album. Zo zitten we nu van bij de onheilspellende opener 'Preboreal' al onmiddellijk terug bij dat indringend pakkend synthgeluid, wordt deze keer alles enerzijds intiemer dan ooit, zonder anderzijds ook maar even het metal en hardcore-dna van The Ocean te verloochenen.

De making-of van 'Holocene' - grootste verschil - vertrok nu eens niet bij het bedenken van een gitaarriff, drumbeat of vocaal idee, maar van de in pre-productie in lockdown naar Robin Staps toegestuurde synth-partijen van laatst (2018) toegevoegd bandlid, toetsenist Peter Voigtman. Elk nummer op 'Holocene' is zo wel zeker gebaseerd op diens oorspronkelijke, rauwe, nog onvoltooide ideeën, die in se wel al direct de 'The Ocean-vibe' uitademden. Dit leidde tot een nieuwsoortig proces van inspirerend creatieve, 'oceaniserende' uitwisselingen tussen de Voigtman-synths en de Staps-gitaren en zo weer tot de verkenning van een heel pak nieuwe, onvoorziene wegen.
Op het thuisfront liet Voigtman tegelijk in volle vrijheid zijn eigen ambient elektronische visie - zonder de gitaren - verder de vrije loop, hetgeen uiteindelijk verbazend leidde tot de creatie van het parallel soloalbum 'Limbus', onder zijn eigen alter ego SHRVL. Dit toegevoegd aan de release van het 'Holocene'-pakket biedt nu supplementair een intrigerende alternatieve kijk op de ontwikkeling van de muzikale ideeën binnen beide albums.

'Holocene' op zich staat voor oceaanweidse ingetogen ruimtelijkheid van in golven traag voortschrijdende melodieën, submelodieën en ritmes. Nu eens van het pad afdwalen en dan uiteindelijk altijd weer de hoofdweg terugvinden. Alles lijkt zich bijna wetmatig langzaam te ontplooien, met een score voorzien van het charismatisch kronkelend stemgeluid van zanger Rosetti dat met iedere nieuwe plaat van The Ocean cleaner wordt. Rozetti die overigens - neem bv. 'Sea of Reeds' - Staps' ingenieuze, altijd bezonnen lyrics bij wijlen haast zo dramatisch croont als een Tom Yorke of Trent Reznor. 'Holocene' valt zo, door zijn relaxerende synthesizers, weelderige vibrafoons en wenkende blazers in vrijwel iedere song, over je heen als een zachte deken. Want ja, de distortion op de gitaren werd een heel stuk teruggedraaid. Maar met een portie geweldige riffuitbarstingen en vernietigende breakdowns her en der blijven de metallers nu toch ook niet echt op hun honger zitten. Neem nu in 'Atlantic'. Daar wordt alles heel geduldig opgebouwd naar die ene grote exploderende gitaarclimax, naar die onvermijdelijk kolossale powerriff, waarna The Ocean's flitsende elektriciteit alles ineens in vol verwoestend wit licht zet.

Er zit ook coole triphop in 'Holocene'. In 'Atlantic' en evenzo in het afsluitend wat oosters klinkend 'Subatlantic' wordt The Ocean's voorliefde voor Massive Attack's 'Mezzanine' wel heel duidelijk.
In topper 'Unconformities' maakt dan de verschijning en de unieke dramatische gotic-stem van ene Noorse Karin Parkon de song tot wellicht een van de meest toegankelijke van The Ocean ooit, tenminste misschien, ware dat behoorlijk heavy einde er dan niet geweest.

Twintig jaar na hun opstart is The Ocean met dit 'Holocene' een doordachte, mature band geworden, die zich, getuige ook Staps' aanvullende bespiegelingen in het tekstboekje, ook intens en gedetailleerd denkend bezig houdt met de stand van de wereld.
Evenzeer muzikaal lijkt hun tiende op veel plaatsen op een nieuwe stap, elders is het dan weer terugkeer naar de roots. Hoe dan ook The Ocean excelleert in breed complex uitwaaierend geluid, hun subtiliteit werd schitterend organisch omgezet in een puntgave productie van Karl Daniel Lidén. Het ambient drumgeluid contrasteert zo kraakhelder met de elektronica, het eender warm of vet gitaargeluid klinkt harmonisch samen met heel die variatie aan strijkers, koperblazers of met de hele orkestrale grandeur.

Al bevinden we ons nu - even open deur intrappen - in dat bij wijlen heel deprimerend stuk holoceen, vooruit dus toch maar fans van ook Tool, Nine Inch Nails, Archive, Mastodon, Isis, Massive Attack of Portishead... vooral tijd om jullie eens goed te laten gaan op dit altijd vooruitstrevend The Ocean.

The Ocean - Phanerozoic Live (2021)

poster
4,5
'Phanerozoic Live', zomaar gewoon een live-album van The Ocean? ...
The Ocean. Heel apart Duits ensemble dat zich sedert 2003 een formidabele reputatie binnen de postrock-, post-metal-, sludge-, blackmetal- en experimentele hardcorescene heeft weten te verwerven. Dat z’n prestige uitdraagt in onstuimige liveshows tot in ‘s werelds verste uithoeken. Dat z’n eigen Pelagic Records uit de grond stampte en zich opwerkte tot een van de toonaangevendste labels voor post-rock en post-metal. Dat met z'n uitgesproken heavy sound, altijd cerebraal, het primaire der tijden, het onverklaarbare omarmt en het perfectionistisch en heftig als boodschap uitdraagt. Dat bijzondere sextet professionele ontsnappingskunstenaars uit de moderne wereld streeft, aldus Robin Staps, stichter-gitarist-songwriter, er altijd naar….

“om er zoveel mogelijk uit te halen en zo ver weg als we kunnen. Om [de muziek] naar de laatste grenzen te brengen die overblijven in een wereld waar bijna elke vierkante centimeter van elke resterende vrije ruimte is gegoogeld tot een angstaanjagende hoge resolutie en detailniveau."

Maar dan kwam, evenzeer voor The Ocean, de coronamalaise. Ze hebben het stilvallen van hun muzikale wereld bestreden met het schrijven van een hoop nieuw materiaal. Met als resultaat, op vandaag al 2 nieuwe albums klaar voor opname.

Maar eerder, tijdens de pandemie, in de moeilijke maand september 2020, was hun 'Phanerozoic II' uitgekomen, sluitstuk van de concepttrilogie die al 13 jaar eerder was begonnen met hun 'Precambrium' en met 'Phanerozoic I' uit 2018. Er was lange tijd geen einde van de lockdown in zicht, dus besloten de Berlijners maar om in 2021 in volle pre-vax-tijd een showcase van twee verschillende online-concerten op te nemen van het integrale, zojuist afgewerkte 'Phanerozoic'-epos, het ene met wat stadionrock-extravaganza, het andere gestripter. Deze 'Phanerozoic Live' is het album (en de DVD) van de samenvoeging van beide happenings. Het is indrukwekkend sterk door Jens Bogren geproduceerd, van alle onvolmaaktheden onderweg ontdaan en van keigoed geluid voorzien.

'Phanerozoic I' werd direct live gestreamd vanaf Pier 2, grote zaal in de haven van Bremen, op 25 maart 2021. De dag erna trok de band zich terug in een landelijke studio net buiten Bremen om Phanerozoic II in z’n geheel op te nemen in drie dagen. Samen met nieuwe animaties van het botsing’-motief van de Phanerozoic II-hoes, werd dit alles dan later, op 16 april 2021, uitgezonden tijdens de digitale editie van Roadburn Redux.

De beide opnames zonder toeschouwers presenteren zich schijnbaar als uitersten. 'Bremen' oogt nog het meest als de echte helse liveshow uit de betere tijden met pompeuze licht- en rookproductie, met een energieke tot woedende band op groot podium tegenover een alleen in streaming talrijk aanwezig publiek. 'Roadburn' is dan weer, met evenveel metalvoltage, filmischer, intiemer en door de cirkelopstelling van de band meer klemtoon leggend op het muzikaal vakmanschap i.p.v. op publiekgerichte performance. Opstelling bovendien in een koude, donkere schuur met minimale verlichting. Precies de afwezigheid van directe toehoorders maakt het hele album een biezonder tijdsdocument. Bij de stiltes tussen de nummers is dan onwillekeurig toch daar het afwezige festivalpubliek dat veraf evenzeer gekooid zit. Het geeft deze opnames extra intensiteit en kracht. Hier staat een band die ondanks het onalledaags format toch z'n tomeloze energie in zijn diepdenkende muziek neerzet en uitschreeuwt.

'Phanerozoic Live', wat stelde het grootse concept-epos 'Phanerozoic I en II' nu ook weer voor? Songwriter Robin Staps vertrekt al de hele discografie van The Ocean lang van geologie en paleontologie. Het ontzagwekkende album 'Phanerozoic I: Palaeozoic' is de eerste helft van het ‘huidige’ uitgestrekte tijdsdeel in de geschiedenis van de aarde. Het begon 541 miljoen jaar geleden, na het einde van het Precambrium.De tijd ook van de evolutie en diversificatie van het planten- en dierenleven en de vernietiging ervan tijdens vijf massale uitstervingsmomenten.

De apocalyps aan het einde van het Mesozoïcum, vernietiging door een asteroïde van het meeste leven op aarde, de dinosaurussen incluis, is de essentie van de song 'Jurassic/Cretaceous', waarin The Ocean ook weer z'n linken legt met filosofische levensvragen. Net zoals in 'The Great Dying' van 'Phanerozoic I', heeft het refrein van 'Cretacious' het over: “We zijn net reptielen, gigantische heersers van de wereld. In een oogwenk van de aardbodem geveegd." Robin Staps verduidelijkt nog: "Hoewel de mensheid slechts een zeer recent fenomeen is in 541 miljoen jaar geschiedenis van het Phanerozoïcum, zijn de teksten duidelijk geschreven vanuit een menselijk perspectief. Ze volgen de grotere thema's van eeuwige herhaling en onvermijdelijkheid van een denkbeeldige dreigende botsing op planetaire schaal, die als twee rode draden door zowel 'Phanerozoïcum I' als 'II' gaan.” En verder: "Als je de term 'massa-extinctie' hoort, denkt iedereen aan meteoren en stervende dinosaurussen... maar wat er aan het einde van het Perm gebeurde, had niets te maken met stukken rots die uit de lucht vielen", legt Robin Staps uit. “Het meest waarschijnlijke scenario is dat The Great Dying werd veroorzaakt door verhoogde vulkanische activiteit die een opwarming van de aarde van ongeveer 5° veroorzaakte, wat vervolgens leidde tot het vrijkomen van grote hoeveelheden methaangas uit ondiepe zeebodems in de atmosfeer. Methaan is een sterk broeikasgas en zorgde voor verdere opwarming in een luseffect. We kijken nu naar een temperatuurstijging van ongeveer 4° tegen het einde van de eeuw, en het vroegere worst case scenario is nu het aangekondigde doel geworden. Dezelfde stijging van de wereldwijde temperaturen die plaatsvond aan het einde van het Perm in de loop van enkele honderdduizenden jaren, zal nu zeer waarschijnlijk in iets meer dan 100-200 jaar gebeuren."

'Phanerozoic I' en 'II', één groot, diepzinnig, waarschuwend verhaal dus, dat nu samen met de fantasierijke, uitdagende muziek deel uitmaakt van een raadselachtige puzzle.

Was 'Phanerozoïcum I' muzikaal en compositorisch directer, dan is 'Phanerozoic II: Mesozoïcum/ Cenozoïcum' volgens The Ocean zelf progressiever, experimenteler, eclectischer, met meer gevarieerde tempi, beats, gitaarwerk en het gebruik van elektronica. 'II' is als een reis in vrije val van de ene plek naar de andere. Niettemin ben je als luisteraar/kijker na het muzikaal bad 'I' heel vlot in staat om het bad 'II' in te stappen en er even harmonisch te genieten van, zeg maar, een subliem 'Jurassic/ Cretaceous' in al zijn complexiteit of van het geluidsspektakel in 'Eocene'. De twee secties 'Mesozoïcum/Cenozoïcum' van 'Phanerozoic II' bevestigen overigens twee van The Ocean’s grootste handelsmerken: zin voor detail en diepte. Terwijl het thematisch schijnbaar over verafstaande realiteiten van veranderende aardegetijden gaat, kleurt de muziek alles in lange wazige parallellen in met emotionele ervaringen van nu. Een op en top spiritueel album dus over tijd, met menselijk zeer aangrijpende, puntige toespelingen op het hier en nu.

Bij binge-hearing van 'Phanerozoic Live' ondervind je dat The Ocean als luisterervaring helemaal niets afdoet in welke setting ook. Gekluisterd op een podium in een lege zaal of in een schemerige kelder, overal is het een evenement te goed en te zwaar voor woorden. Meer, zelfs zonder de meerwaarde van beeld of live-ervaring, komt binnen hoe professioneel dit The Ocean is geworden, hoe ze in staat blijken om een epos van die allure te brengen met de verbluffende perfectie van één grote symfonie.

Het huidige The Ocean is een band van indrukwekkende contrasten die ze als geen ander weten te doseren en te verdelen. En toch, zelfs met de weerkerende clair-obscurs van hard tegenover zacht, de grunts tegenover melodieuze zang, blijft binnen het geheel ieder nummer telkens weer een aparte metalminiatuur, nu eens ingenieus bestudeerd, dan weer de eenvoud zelve. Nog steeds ongelooflijk gewoon hoe The Ocean er met zijn geluidsexperimenten in slaagt, huppelend doorheen tijdperken van een Cambrium, Trias, Jura, Krijt tot een Pleistoceen of Holoceen, hun complexe ideeën over een vijandige wereld muzikaal zo ingrijpend te vertalen. Ze spuien gewoon schitterende muzikale ideeën voor elke song. Voor elk aards eon aangepaste riffs, solo’s, bas-, drum en keyboards, vocale nuances en arrangementen die hun constructie zo kleurrijk en atmosferisch maken, dat je het project vrijwel lijfelijk gaat ervaren. Vandaar dat het etiket post-metal intussen al effenaf te beperkt is geworden, omdat The Ocean gewoon zo vlot buiten conventies stapt.

The Ocean is dus de groep die in zijn geestverruimende composities de hoge waarden en normen tot in het detail hanteert..., mààr die, ook als je je er niet zou willen in verdiepen, ok, evengoed voor exclusieve metalhoogmis zorgt.

Dit opus 'Phanerozoic Live' is bijaldien een prima instapplaat voor wie nog voor het eerst met het bonte universum van The Ocean moet kennismaken, het is dan weer de zoveelste topbelevenis voor wie ze al een tijdje kent.

Benieuwd nu wat de volgende onverkende grens van The Ocean wordt. Uit de donkere diepten van hun oceaan vallen heus nog wel wat onstuitbaar gelaagde geluiden op te duikelen.

The Rumjacks - Hestia (2021)

poster
3,5
Gepatenteerde Keltische folk. (Normaal) om op feestjes stomend in rijen mee uit de bol te gaan. Denk aan : Flogging Molly en McBees Brewery.