MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten kemm als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Taana Gardner - Taana Gardner (1979)

poster
4,5
Gracieus geile uiteenzettingen binnendringend in de verleidelijke percussie, eerst bedrieglijk liefelijk, al snel bedreigend lijfelijk, haar lichaam kronkelend over, door, rond elke noot:

“I got a body spasm,
I got a oh, oh, oooooh”


Badend, blazend, tussen druipende synthesizers, uitgeput in en uit duwend tegen een ruwe gitaar, naar meerdere climaxen exploderend.

Het voorspel is voor achteraf; de rozenblaadjes, aardbeitjes, een symfonietje in de living, lekt er nog wat, laat het lopen. Over romantiek, over vriendschap, over movement, terwijl ze blijft binnendringen, blazen, druipen en duwen, steeds liefelijk, dan bedreigend. Over een partijtje..

“Got me jerking,
got me working”


Afgerukt door een gemene nagelklemmende synthesizer, met drum en bass in een strakke wurggreep, bedrieglijk, de meisjesachtige onschuld, lijfelijk, de femme fatale zonde.
In de macht van Taana Gardner,

“You can’t afford,
not to get on board”

The 24-Carat Black - Ghetto: Misfortune's Wealth (1973)

poster
5,0
Funk Phenomenon: 24-Carat Black - Synopsis One

Dale O. Warren had een droom. Als klassiek geschoolde violist, cellist en pianist en als 18-jarige arranger bij Motown wou hij de ultieme fusionplaat maken tussen klassieke muziek en R&B. Doorheen de jaren 60 werkte hij hard aan deze weg, proberende zijn strepen te verdienen met producties voor een aantal nietszeggende bandjes op obscure labels. Een definitieve doorbraak in het realiseren van zijn ideeën was Warrens werk als string arranger op Isaac Hayes' meesterwerk Hot Buttered Soul uit 1969. Vanwege het immense succes kreeg hij van het Stax-label carte blanche en aardig wat budget. Een droom stond op het punt uit te komen.

Na jaren van rijpen had zijn concept steeds meer vorm gekregen: het moest de zwarte cultuur voorstellen als een onbegrepen schatkamer, vormgegeven met rijk georchestreerde instrumentatie en beklijvende vocalen, oftewel 24-Carat Black. Deze nieuwe groep richtte Warren op met muzikanten waar hij in de jaren 60 mee had gewerkt, aangevuld met nieuw jong geweld (velen onder hen waren minderjarig). De uiteindelijke band telde 13 leden (onder hen de 16-jarige zangeres Princess Hearn, waarvoor Warren zijn derde vrouw verliet). Met compleet nieuwe songs begonnen ze in 1972 te touren, maar hun funky materiaal werd pretentieus en te underground bevonden. Het hield ze gelukkig niet tegen om in 1973 de studio in te duiken en hun muziek op band vast te leggen, uiteraard aangevuld met een volledig orkest.

Het concept werd door Dale Warren verder uitgewerkt tot een uiteenzetting over het leven in de Amerikaanse (zwarte) ghetto's. Van het oorspronkelijke idee over een fusie van klassieke muziek en soulmuziek blijft nog maar weinig over. In de plaats krijgen we obscure deep funk in dreigend opgebouwde composities, aangevuld met treurige orgeltjes en dansende blazers, maar ook net zo goed zwevende violen of een hobo. Wat we nu juist In The Ghetto kunnen verwachten (als Belgen en Nederlanders hebben we daar geen idee van; ik vraag me zelfs af of de huidige generatie Amerikanen het nog echt kennen) wordt duidelijk in Synopsis One, gevolgd door huilende smeekbeden van de 3 zangeressen aan God himself. Door merg en been gaat het, net als het schreeuwen van Poverty's Paradise. De mannelijke zanger behoudt zijn cool, de situatie bezingende, terwijl de vrouw in dit nummer het hoorbaar niet meer ziet zitten. Tijd om de zorgen af te funken dus in Brown-Baggin', een term die verwijst naar het meebrengen van je eigen spul (eten, drinken, ...), al dan niet in 'brown bags', in plaats van ter plaatste alles duurder te moeten kopen. Hier kan de ritmesectie zich nog eens van zijn beste kant laten zien, waar gezien de eerdere composities minder gelegenheid voor was.
Synopsis Two begint met Mothers' Day ook weer heel sterk, met subtiel toetsengepingel, een stevige zanglijn en heerlijke blazers. Deze lijn wordt instrumentaal verder gezet op Foodstamps, waar volledig op los wordt getoeterd. Wat volgt is de breakbeat van de titeltrack Ghetto: Misfortune's Wealth. Gedaan met jammeren, hier maakt de zangeres zich gewoon boos, kotsbeu te moeten overleven in zulke erbarmelijke omstandigheden. Een gemeen trompetje zet dit alles nog eens extra in de verf. Nog meer breaks zijn te vinden in de theme-song, tevens slotnummer van deze belevenis. De ultieme fusionplaat tussen klassiek en soul is dit uiteindelijk niet geworden. Misschien gelukkig maar, want niet overal op dit album is er plaats voor strijkers en dat heeft Warren goed begrepen. Hij heeft ervoor gezorgd dat dit toch wel beladen concept nooit beladen klinkt.

Bijna alle songs gaan vlotjes over de 6 minuten, maar Warren weigerde iets in te korten om het op de radio te kunnen spelen. Daardoor kon Stax de LP niet naar behoren promoten. Warren had een ander publiek voor ogen. Een dat toen nog niet bestond blijkbaar, want het album werd een commerciële flop en een financiële ramp voor zowel Stax (dat in 1975 failliet ging) als de composer zelf. De band viel uiteen, slechts drie leden bleven Warren trouw: de percussionist, een saxofonist en zijn zwangere liefje Princess Hearn.

Klik hier voor Synopsis Two

The Child of Lov - The Child of Lov (2013)

poster
3,5
Dat je geen gans ensemble in een recording booth moet duwen om een fijne streep funk te bekomen, dat bewijst deze Nederlander wel. Met zijn homemade laptoplike geluid bekomt hij een eigen kenmerkend stijltje. Groezelig in opname, maar broeierig van sfeer. De steeds alomtegenwoordige Damon Albarn wist hij al te overtuigen. En binnenkort zijn wellicht ook de nieuwe paus, de ouwe paus en koning Willem-Alexander zelve fan. Zelf geniet ik mee, tot op zekere hoogte.

Geen strakke ritmesectie dus, voor The Child of Lov, rake, meeslepende vocalen evenmin. Instrumentatie en zang worden aan flarden gescheurd tot er een soort van doffe samplestijl overblijft. Het organische karakter van zijn muziek gaat nooit verloren en dat creëert die typerende sfeer van hem: heerlijk zorgeloos, want het komt niet aan op een scheve noot, en vormelijk rijk, de sleur van deze stijl omzeilend. Voor de soul mist hij af en toe net dat juiste gevoel, maar met een dansplaatje weet hij zeker raad.

Grootste aandachtspunt voor deze man in de toekomst wordt de songwriting. Op dit debuut steken vooral nummers als Give Me of Warrior eruit, songs die leunen op scherpe loops en pakkende verzen. Andere tracks ogen soms nogal vrijblijvend en worden daardoor haast onderling inwisselbaar. Zou het refrein van track 1 bij wijze van spreken niet evengoed op track 6 kunnen gebruikt worden en de drums van track 4 op track 3, enzovoort. Een nummer als Owl is wat mij betreft zelfs helemaal overbodig. Een blijvende indruk weet zijn debuut dus niet te maken, daarvoor mist het een kritische blik en iets meer diepgang. Zijn aanpak maakt het wel genietbaar en de vele referenties naar funk, soul, hiphop en electronic zorgen voor een gezellige hutsepot. Genoeg ingrediënten dus om op verder te bouwen!

The Crusaders - Free as the Wind (1977)

poster
4,5
Ik schilder. De eerste zomerdag van het jaar, warm genoeg om de mantel thuis te laten, koel genoeg om niet te zwemmen in okselvijvers, de autorit naar een water, dicht genoeg voor een daguitstap, ver genoeg om naar uit te kijken, lichte drukte, onderweg en ter plekke, maar ultiem zondags vertier! Dat is Free as the Wind.

The Crusaders brengen een nette mix van jazz, R&B en funk, maar niet zonder de randjes. Dat blijkt meteen uit de eerste tonen van het album, waar de drummer gelijk een stevige breakbeat lijkt in te zetten. Het zijn ook vooral de drums van Stix Hooper en de gitaren die zorgen voor karakter in de muziek, terwijl Joe Sample’s piano en de saxen voor het gladdere gehalte zorgen. Deze combinatie zorgt voor een eigen geluid, in geen geval gelikt. Niet vanzelfsprekend voor deze soort in die tijd.
De rollen worden ook wel eens omgekeerd: zo zijn het in de negen minuten van Sweet n’ Sour net de keys en blazers die voor een smeriger funkgehalte zorgen terwijl drum en gitaar de smoothness behouden. In alle gevallen blijft alles in harmonie en zit de instrumentatie gewoon waar het moet zitten. Ieder krijgt z’n glorieus moment zonder dat het een beurtrol wordt, het volgt allemaal de gang van de natuur.

Dat de enige vorm van zang in wat background talking zit vervat is niet echt een gemis. Daarvoor zijn de melodieën te sterk. Zowat elk nummer heeft een hoog herkenbaarheidsgehalte, alsof je de songs
al jaren luistert. Het hadden evengoed interpretaties van grote klassiekers kunnen zijn, het zijn nochtans stuk voor stuk originele composities. Een nummer als hun eigen klassieker Street Life mag dan ontbreken, het niveau van deze instrumentale plaat is zo constant zo hoog dat het niet eens een gemis is.

Als alles meezit en in de juiste plooien valt, geen vuiltje aan de lucht. Free as the Wind.

The Family Stand - Moon in Scorpio (1991)

poster
5,0
Het muzikaal Afro-Amerika van 1990 had twee mogelijkheden: meegaan in de alsmaar populairder wordende zoete R&B-aftrek of je nestelen achter de kassa van je plaatselijke supermarkt. The Family Stand besloot dat het anders moest kunnen. Helaas: hun tweede album flopte. Maar gelukkig: het bleek een pareltje vol lef en bol van originaliteit!

Met hun debuut scoorde het drietal een aardig hitje met het geweldige Ghetto Heaven, maar los van wat bescheiden nummertjes kon het album weinig stof doen opwaaien. Moon in Scorpio moest verpletteren! En dat deed het, zo meldden beide luisteraars...

Inhoud te gewaagd, marketing stonk, tijd niet rijp,... Ook zonder zijn publiek verlegde deze muziek grenzen en bouwde het bruggen. “Was I too funky? Did I go pop? Mind if I rock?” Ze deden het allemaal en meer!

Met z’n drieën deden ze zo goed als alles: Peter Lord, V. Jeffrey Smith en Sandra St. Victor schreven, produceerden en speelden een gevarieerd aanbod bijeen. Bijzonder is dat ze tevens allemaal aan het woord komen, soms in een enkel nummer, waarbij het opvalt hoe sterk hun stemmen op elkaar zijn afgestemd. Twee zangers en zelfs de zangeres zijn weleens moeilijk te onderscheiden, wat de combinatie en gelaagdheid bizar maar bijzonder geslaagd maakt!
Dat hun uithalen meer weg hebben van Robert Plant dan Aretha Franklin is niet toevallig. Teksten handelen vaak over identiteit, stereotiepen en allerlei hokjes die daarmee gepaard gaan. Je hebt het extreem funky Plantation Radio, waar de eerder gequote lyrics vandaan komen. The Family Stand geeft blijk te weten hoe die hits te moeten scoren, maar weigeren te buigen, hence: Moon in Scorpio en zijn ontvangst. Prijsbeest rond deze thematiek is echter het epos The Education of Jamie over een zwarte jongedame en haar plaats in deze maatschappij. Van ingetogen uiteenzettingen gaat het tot voedend krachtige climaxen, schreeuwend met de onderste lucht uit hun longen: “1. Get black, it’s your resurrection, 2. The white lies hold no protection, 3. Know this, it’s your one salvation, The education of Jamie”. Maal 7 minuten: The Family Stand was toch helemaal niet bezig met charthits.

Zo mogelijk nog ‘gewaagder’ is de solo van Peter Lord op Quiet Desperation. Soms weet je niet of je nu moet lachen of huilen om de lyrics, koude rillingen lopen alleszins over de rug. Bevreemdend, maar wat het vooral erg krachtig maakt is de manier waarop hij het brengt. Zelden zo’n rauwe brok emotie gehoord op plaat: de stille wanhoop barst compleet los, om vervolgens weer gelijk ineen te krimpen. Begeleidende gitaar, piano en strijkers hoeven niets te ondersteunen, vocalen staan als een huis. Het kon vast mooier, misschien zuiverder of juister, maar niet echter! Misschien zit daar wel de essentie in van The Family Stand van deze plaat. Hoewel dit een zwarte band is die stevige rock durft te spelen, heb je niet het gevoel dat ze wanhopig een punt proberen te bewijzen. Hun muziek komt van een echte plaats! Ze slagen er dan ook in om alles op een natuurlijk manier te mixen met alle andere aspecten van hun bestaan. Van de Native Tongues-achtige hiphopproductie van Winter in My Heart tot de krachtig soulvolle ballad Shelter, Moon in Scorpio bevat instrumentale jazzfunk en acapella gospelrock en alles wat daartussen kan zitten: een trip zonder grenzen! Ik daag iedereen uit zijn favoriete genre uit de vorige zin te halen en vervolgens dit album een kans te geven. Ze blinken namelijk in alles uit!

The Foreign Exchange - Leave It All Behind (2008)

poster
4,5
Sinds Daykeeper in het najaar als gratis download werd aangeboden stond het al snel op de koppositie van de Top 25 Most Played in m’n iTunes-bibliotheek, en daar staat hij nog steeds. De betoverede vocalen van Phonte en Muhsinah gaan wonderwel samen en de productie van Nicolay zet al deze pracht nog geens extra in de verf. Zoveel schoonheid, het is niet meer van deze planeet.

Een heel album maken vol schoonheid is natuurlijk nog een ander paar mouwen. Vanaf de eerste noten van de tweede track, Take Off the Blues, besef je al dat het weleens zou kunnen lukken met deze Leave It All Behind. Wanneer Phonte op I Wanna Know invalt met de zin “Okay you can blame it all on me tonight” houdt hij je aandacht vast tot en met het laatste moment als hij eindigt met dezelfde zin. Phonte mag dan niet de allerbeste zanger zijn, hij is wel de allerbeste voor dit album. Hij op de lyrics en vocalen en Nicolay op de muziek en productie en er onstaat chemie, want hoewel ze elk hun domein hebben klinkt het als één geheel.

De gastartiesten zijn eveneens zorgvuldig uitgekozen om het geheel nog te versterken. Zo verlenen Darien Brockington en de eerder genoemde Muhsinah hun vocale steun op een aantal nummers, wat op Something to Behold voor een stevige dosis vuurwerk zorgt. Dat The Foreign Exchange niet zomaar iemand voor een nummer vragen bewijst de Stevie-Wonder-cover If She Breaks Your Heart. In plaats van ook hier Muhsinah op te trommelen hebben ze gekozen om YahZarah, ook te horen op Connected, het nummer laten zingen, wat inderdaad beter bij haar stem past. Ondanks een cover past deze song ook perfect op Leave It All Behind. Iets minder binnen het geheel vind ik If This Is Love. Vooral muzikaal valt het een beetje buiten de boot, maar er is genoeg moois om dat te compenseren.

Deze plaat bewijst vooral dat er nog hedendaagse soul kan gemaakt worden zonder daarvoor te moeten teruggrijpen naar de sixties-sound. Niet dat dat verkeerd zou zijn, maar het is de dag van vandaag wel eens een aangename afwisseling.

Op de gelimiteerde vinyl-editie (slechts 1000 copies, en ik heb n° 0464 ) staan overigens nog 2 remixes, een van If This Is Love en een van Sweeter Than You. Leuk, maar ze dragen in wezen niets bij tot de rest van de plaat.

Leave It All Behind zit dicht tegen de 5 sterren aan en misschien dat het in de toekomst nog zover komt. Van mij krijgt hij alvast de 3 belangrijkste prijzen van 2008 (yep, belangrijker dan de Nobelprijs voor de Vrede):

Cover van het Jaar

Song van het Jaar (voor Daykeeper)

en

Plaat van het Jaar

Hiep hiep hoera voor The Foreign Exchange!

The Impellers - This Is Not a Drill (2012)

poster
2,5
De funkgroepen met bijbehorende soulzangeres zijn de laatste jaren als paddestoelen uit de grond geschoten. Het onkruid lijkt nog steeds niet gewied want The Impellers hebben een tweede cd! Wat hen doet opvallen in het grote veld? Eigenlijk helemaal niets. Of het moest de ondermaatse zangeres zijn... Ze probeert wel de rol te vervullen, die van een James Brown waardige diva, maar heeft er simpelweg de kwaliteiten niet voor. Elke song klinkt dan ook bijzonder geforceerd en schreeuwerig. Weinig verrassend dat ze op de ballade Signs of Hope and Happiness het meest sereen klinkt. En waarom zou je niet een toontje lager, minder of serener mogen zingen over zulke funkgrooves? Het was misschien een weg geweest naar eigen smoel voor deze Britse band. Want al weten ze met hun spel en songmateriaal wel een aanvaardbaar niveau te halen, het blijft te clichématig om het een en ander te compenseren of een rol van betekenis te spelen in het huidige muzieklandschap. Van een titel als Politiks Kill People krijg je in dit soort context ook al spontane huiduitslag, en -uiteraard- wordt er nog Edwin Starrs befaamde quote “War, what is it good for?” over gestrooid om het voltallige lijstje cliché’s te kunnen aanvinken. Nog zo’n vaakvoorkomend fenomeen met dit soort groepjes is het ‘funkify-en’ van recente pophitjes. Arctic Monkeys, Kaiser Chiefs, ... allemaal werden ze wel eens door de funkmolen gehaald. Geinig om het zo eens te horen, maar verder gaat het zelden. Deze keer is die eer weggelegd voor The Ting Tings met hun schreeuwerig luide That’s Not My Name, op het lijf van de zangeres geschreven, helaas. Schreeuwerig en luid, dat hadden we ook nog niet gehad... Ach, met het verstand op nul valt uit dit album best wel een feestje te halen; het moet al een aardig ruikend funkalbum zijn mocht dat niet lukken. This Is Not a Drill zit dan ook ‘prima’ ineen en The Impellers spelen overwegend ‘goed’ en met de meeste liedjes is helemaal ‘niks mis’. Het zal dus verder wel gewoon aan mij liggen, maar het is genoeg geweest. Genoeg!

The Internet - Purple Naked Ladies (2011)

poster
3,5
Syd tha Kyd, het lid van Odd Future dat het meest kans maakt om als vrouwelijk bestempeld te worden, heeft nu ook een eigen album uit. Samen met partner in crime producer Matt Martians situeert The Internet zich ergens tussen de rauwe hiphopsound van Tyler, the Creator en de gedurfde R&B van Frank Ocean. Met een goeie dosis electronica en funk eroverheen zoeken ze hun eigen weg op planeet OFWGKTA.

Dat dit niet je gemiddelde R&B-plaat wordt mag daarmee al duidelijk zijn, maar het gaat nog verder. Met teksten over diepe liefde, grote vraagtekens en onzekerheden, alles met een gezellig potje vuilbekken, kent de muziek een eigenzinnige, interessante inhoud. Cocaine moet toch wel een paar neuzen doen ophalen met lyrics als “Do you wanna do some cocaine, Baby just ignore the consequence, You look like you could use a little confidence, So follow me into a better dream in paradise”. Niet zozeer een verheerlijking, als wel het in de verf zetten van de onzekerheid en labiliteit van de makers. Een shockeffect dat zijn effect niet mist. Niet elk nummer wordt zo expliciet, maar een worsteling gaat wel als een rode draad doorheen de plaat. Lang niet alle nummer zijn even sterk en soms wordt het zowel muzikaal als vocaal te wazig. Toch valt er voldoende uit de plaat te halen. Niet in het minst een bijzondere sfeer, maar ook gewoon nummers die prima overeind staan. Fastlane bijvoorbeeld, waarin gefrustreerd gezocht wordt naar en gezucht wordt voor -eindelijk- wat antwoorden. Op zulke momenten is Syd op haar best. Niet dat er antwoorden komen...

Het album heeft onlangs ook nog een Bonus EP meegekregen met vier nummers die de plaat niet gehaald hebben vanwege “technische problemen”. Nu is Purple Naked Ladies eigenlijk uitstekend qua lengte, dus echt een groot gemis is het niet. Maar het moet gezegd, deze vier konden met gemak overeind blijven tussen de rest. De cd toont nog niet de top die The Internet kan zijn, maar komt toch al aardig in de buurt. Met de volgende zijn ze er vast helemaal!

The Invaders - Spacing Out (1970)

poster
5,0
De grootste funksensatie ooit op vinyl geperst. Spacing Out overstijgt de term Funk, de term muziek zelfs. Een trip, zo noem je het best. Voor mij dus geen acid, pot or pills, dankjewel. Als ik een dosis nodig heb leg ik dit zwarte goud op mijn platenspeler. Weg van de wereld, ergens outta space vertoef ik, latijnse saxen blazen rechts in m’n oor, terwijl de ritmische conga’s langs links komen binnensijpelen. Of is het andersom, ik kan niet meer helder denken. Ow shit, een baslijntje zet zich op mijn heupen, voeten kunnen de grond niet meer raken. Mijn hart bonst op het ritme van drums, terwijl handen lustig achter sterren grijpen. Omhoog, omlaag, mijn hoofd tolt proberende het tempo te volgen. Ach, men kan mij niks maken, de wetten van de zwaartekracht zijn allang verworpen. Ik moet nu de zon zijn genaderd, zweet maakt zich meester van mijn voorhoofd. Hitte kan mij niet weerhouden de trip te doorstaan. Het einde is nabij, maar dat deert niet. De roes zal nog een hele poos nazinderen.
Een plaat die onmogelijk door mensen kan gemaakt zijn. The Invaders zelf zouden afkomstig zijn van Bermuda, een reden te meer om te geloven dat het hier om aliens gaat (alsof ze muziek maken op Bermuda, yeah right!). De muzikanten mogen dan mensennamen hebben aangenomen, het is niet omdat ik de ‘bling’ om mijn nek als 24-karaats goud verkoop dat dat ook zo is. Van Mars komen ze dus.

The Knife - Shaking the Habitual (2013)

poster
4,5
De pretentie! Nee, ik hoor het niet. De pretentie, bedoel ik, niet de verrassend romantische protestplaat die The Knife met Shaking the Habitual heeft gemaakt. Ze gaan daar, met hun nek in de wind. Ze hebben het over dingen, en laten dingen horen, ongehoord en nodig te gebeuren. The Knife doet niet alsof, het deelt net indrukwekkend slim en doelgericht een toekomstvisie.

In Shaking the Habitual vangen ze wat we niet kennen/willen denken/menen te weten, over muziek en leven. Da’s dan mijn pretentie.

Shaking the Habitual is uitheems, waar het trotse en beschamende westers paden kruist met het spirituele en bedreigde oosters. Niets is onmaakbaar naar de klote, en een stel warmbloedig kille Scandinaviërs zoekt de knip- en plakmiddelen in de onguur hippe Berlijnse discotheken en het eens traditionele Afrikaanse leven. De kleuren geven af. Wereldse invloeden onder invloed van The Knife.

Shaking the Habitual gaat buitenaards, ware het niet dat er mogelijk geen andere planeet is met leven of muziek en al onmogelijk een die even hard naar de klote is, The Knife heeft iets ontdekt: [...]

En dan sijpelt het echte leven weer binnen in Old Dreams Waiting to Be Realized: hoe eng het ook weer was je eigen gedachten te lezen, met de boemelende trein langs de autostrade, of op het rinkelende fietsje onder de tsjirpende voorjaarsvogels, afhankelijk van jouw geluk in dit echte leven. Alles verdwijnt, en de rest komt weer terug. Al is je vrijheid nooit meer helemaal hetzelfde, Shaking the Habitual na de eerste rush. Het plotse besef dat je gewoon even volledig vergeet dat je, wat, Shaking the Habitual aan het luisteren bent? Als in het vagevuur in het ongewisse, tussennatuurlijk. The Knife, wat? O ja, daar komt weer wat synth piepen. O juist, de pretentie!

[...] met klote kan je spelen, en The Knife gaat een end. Waar alles vandaan komt, of waar alles naartoe gaat, weten mogelijk ook zij niet eens. Erachter komen zal nog niet half de lol zijn.

Shaking the Habitual wordt bovennatuurlijk, zoekt door het helse zijn plaats onder het hemelse, baadt in beide maar blijft vooral het vage. Vol vuur ontvlammen hun composities in tirades van goede intenties en kwade woorden, die de bitsige kant en een idealistische kijk verraden. Als hemel en hel op aarde zijn, is The Knife schepper van dit alles en niets.

Het hoeft niet volkomen vatbaar te zijn om begrip te voelen. Het is de overtuiging van The Knife die Shaking the Habitual nog verrassend recht door zee doet klinken, in al hun tarten van realiteit versus verbeelding. Het genadeloos bittere versus het hopeloos romantische. Wat nu, pretentie?

The Last Poets - This Is Madness (1971)

poster
4,5
"The Originators of Rap" worden ze weleens genoemd. En daarmee staan The Last Poets ook mee aan de wieg van wat we nu Hiphop noemen. Hun invloed is tot op de dag van vandaag enorm, getuige recente gastbijdrages op albums van Common en Nas. Zoiets hadden de Poets begin jaren '70 natuurlijk nooit kunnen voorspellen en daar waren ze ook helemaal niet mee bezig. Zwarten uit het destijdse East Harlem hadden andere dingen aan hun hoofd. Ze waren kwaad om wat hen werd aangedaan, over de erbarmelijke omstandigheden waarin ze moesten overleven, de prioriteiten die werden gesteld door de maatschappij, kortom: ze waren kwaad op het systeem (je mag er gerust van uitgaan dat Public Enemy al hun songs uit het hoofd kent)! Hun uitlaapklep vonden ze in poetry.
Op dit tweede album, This Is Madness, wordt er naar goede gewoonte geen blad voor de mond genomen. Alafia Pudim en Omar Ben Hassen, de twee dichters (de derde van hun debuutalbum zat achter de tralies), willen hierbij natuurlijk wat teweeg brengen en zo mogelijk wat shockeren, maar gemakkelijke scheenschopperij wordt het gelukkig niet. Van echt puur racisme is weinig te merken. Blanken krijgen (uiteraard) een veeg uit de pan, maar ook 'hun eigen volk' krijgt ervan langs, zoals in Black People What Y'All Gon' Do waarin ze de laksheid van de doorsnee zwarte man bekritiseren. Slikken is het wel even in Opposites met verzen als:

"Understand that black is love
and white is hate
Understand why our freedom cannot wait.
Understand that white is war
and black is peace.
Understand that black is beauty
and white the beast."


Niet erg aardig, maar gezien de tijdsgeest ook niet meer dan normaal. Zoiets nu nog schrijven, kan eigenlijk niet door de beugel. White Man's Got A God Complex is dan weer met de slavernij in het hoofd niet meer dan een (weliswaar uitvergrote) weergave van de feiten. Verder is het vooral in kleinere opmerkingen dat er al eens gestoken wordt, maar met enige relativering niet iets om over te struikelen. Interessanter om te bekijken is hoe The Last Poets hun eigen situatie beschrijven en van de maatschappij in het algemeen. Hoe ze in O.D. de intoxicatie laten voelen gewoon met hun woorden of je in de titeltrack vocaal helemaal gek maken is uniek! Waar ze het ook over hebben en of je het er nu mee eens bent of niet, hun wordplay is bewonderenswaardig, bewijst ook deze positieve noot op het album uit Black Is:

"Black is digging John Coltrane
John Coltrane as he blows
No, not as he blows
But as he tells you of his life
Which is his people's lives
Which is all our lives
Blow, Trane, blow!
Listen, black people, listen!
Listen to Trane as he blows away your life
the way white blow you away everyday."


Schaarse momenten, die positieve verzen, maar des te mooier! Niet enkel de woorden, ook muzikaal wordt het heel puur begeleidt door percussionist Nilija. Het geluid is veel rijker dan voordien, al blijft het een soort kaalheid over zich heen hebben, wat de poetry extra in de verf zet. Ook de Chants die voor enkele songs terug te vinden zijn, vormen een goeie aanvulling en laten enkele sterke melodieën horen. Ik zou trouwens zweren dat de percussie van Related to What de basis was van Massive Attack's Unfinished Sympathy en Black Is terug te vinden is bij Digable Planets. Om maar te zeggen: The Last Poets zijn grootheden met een invloed die niet meer valt in te schatten!

The New Rotary Connection - Hey, Love (1971)

poster
4,5
Net als de band zelf, liep psychedelica in 1971 eigenlijk al op z’n laatste benen. Hey, Love, de zwanenzang van Rotary Connection, bevat dan ook eerder subtiele invloeden van dit kleurrijke subgenre dan dat het, zoals hun beginplaten, vol maffe nummers staat voorzien van de meest geschifte wendingen en instrumenten. Het geluid klinkt nog steeds vol en gewaagd, maar zit het harmonieuzer in elkaar. Naar goede gewoonte neemt Charles Stepney de taak van producer voor zijn rekening. Voor de arrangementen op dit album heeft hij zich duidelijk laten inspireren door enkele van zijn zijprojecten, zoals het eerste soloalbum Come to My Garden van Minnie Riperton een jaar eerder en The Spice of Life van Marlena Shaw rond dezelfde periode. Strijkers krijgen een gelijkaardige, prominente rol in de nummers en zorgen voor het verheven karakter. Het rockgehalte is evenees een pak teruggeschroefd in navolging van de genoemde platen. De belangrijkste reden om zich op de hoes The New Rotary Connection te noemen is dat van de oorspronkelijke line-up, naast Stepney zelf, enkel de soprano van Minnie Riperton overbleef. Zij heeft zich over de Rotary-albums heen weten op te werken van achtergondzangeres (en daarvoor nog receptioniste zelfs) tot een sleutelfiguur binnen de band. Dat haar toekomstige man Richard Rudolph, net als op Come to My Garden, zowat al het materiaal (mee)schreef zal ook wel een belangrijke reden zijn waarom vele nummers op haar lijf geschreven zijn. Een van de meest herkenbare kernpunten van Rotary Connection, de meervoudige zang, werd wel behouden en daarvoor werden nieuwe stemmen gerecruteerd. Vooral de warme diepe tenor van Dave Scott steekt wondermooi af tegen de engelachtige vocalen van Riperton. Kitty Haywood en Shirley Wahls vervolledigen het vocale podium en met z’n vieren strijden ze tegen de strijkers voor het eerste plaatsje aan de poort van de hemel. De smerige toetsen die de muziek van Rotary Connection zijn unieke karakter geven komen vooral van de gitaren en drumwerk. Hun strakke aard werkt vaak tegendraads tegen de zweverige tonen van de dromerige composities. Uit de grote aanwezigheid van de piano, door Charles Stepney zelf bespeeld, merk je dat zijn nummers vaak op dit instrument begonnen zijn. Het is bijzonder indrukwekkend hoe dat weet uit te groeien tot deze verpletterende composities. Vooral met I Am the Blackgold of the Sun resulteert dat in een van de mooiste en meest vooruitstrevende soulnummers uit deze periode! Zowel de Spaanse gitaar in de “pre-intro” als de eigenlijke intro met piano en onderhuids schroeiende gitaar verraden gelijk een apart meesterwerk. De samenzang zoekt weer ongekende hoogten op en vervaagd met momenten heerlijk tussen de gitaren en conga’s. Alles wordt groots aangezet maar blijft door de broeierige ritmes ingetogen bubbelen, wat een bijzondere chemie oplevert. Het daaropvolgende nummer Hanging Round the Bee Tree is dan weer van heel andere aard. De solo van tenor Dave Scott is vrij van elke vorm van percussie en zweeft heerlijk over een subtiele, dan weer minder subtiele mix van strijkers, piano en dwarsfluit. Love Has Fallen on Me kent op zijn beurt zoveel leuke verschillende melodieën dat je er gemakkelijk vier sterke songs uit zou kunnen halen. Dat ze hier in één nummer zitten kenmerkt de groep en doet weer denken aan de tempowissels van eerder werk. Het vergt veel inspanning van de zangers, die ingetogen dan weer uit volle borst, hoog dan weer heel diep moet gaan om de melodie te volgen. Ze komen er alleszins zeer goed mee weg! Het enige nummer dat niet door Stepney/Rudolph werd geschreven is Song for Everyman. Die komt van de hand van Terry Callier, een minder vreemde naam om hier tegen te komen dan je initieel zou denken. Hij zou namelijk niet veel later zijn vaak bejubelde Cadet-reeks beginnen, met uitmuntende albums als What Color Is Love en Occasional Rain. De volle producties met een rijk gevulde begeleiding van die albums ligt ook niet zo ver af van de muzikale invulling op Hey, Love. Leadzangeres Shirley Wahls heeft zelfs wat van de warmte van Calliers stem in zich. Zijn muziek is uiteraard eerder gebaseerd op zijn folkachtergrond, dan de eigenaardige rocksoulsound van deze band. Met Hey, Love doet de groep zijn visie wel het duidelijkst uit de verf te komen. Je hebt niet de indruk dat de speelse invulling voortkomt van stimulerende middelen, maar wel van diep doordachte ideeën. Psychedelic Soul is hier geen geestestoestand, maar een vatbare muziekstijl. Dat het als benaming begin jaren ’70 haast tegelijkertijd verdween met Rotary Connection zelf maakt Hey, Love tot de ideale zwanenzang, met I Am the Blackgold of the Sun nog even als waar magnum opus van dit uitstervende genre!

The Pharaohs - Awakening (1972)

poster
5,0
Ergens tussen de afrocentrische jazzritmes van het collectief Artistic Heritage Ensemble en de soul/funk going on disco van supergroep Earth, Wind & Fire bevinden zich The Pharaohs. Deze overgangsgroep vol topmuzikanten combineert het beste van beide werelden en zorgt voor ongezien ritmische en warme jazz-funk straight from the pyramids. Walk, move, dance and get delirious like an Epytian!

Vanaf de eerste noten brengt Awakening je in een trance. De blazers gaan recht voor de benen, zeker op deze achtergrond van Afrikaanse drums en funky gitaren. De ene trompetsolo volgt de andere saxsolo op, het werkt aanstekelijk. Lichaamsgewrichten die al jaren vastgeroest lijken, bewegen zich in ongeziene richtingen. 'Damballa', de oppergod van het Voodoo-religie, heeft ons betoverd voor de komende 40 minuten.
De losgeslagen percussie van 'Ibo' brengt je helemaal tot bij de gelijknamige stam in Nigeria. Alsof je oog in oog staat met en stel negers voor een strijd om de hand van de koningsdochter. Een strijd die mijn voeten niet kunnen winnen, wat is het heerlijk ten onder gaan.
Ook de twee covers op het album doen hun werk. Smokey Robinsons 'The Tracks of My Tears', een van de mooiste songs ooit geschreven, is misschien een plotse vreemde eend in de bijt, maar toch niet. De zanger begint tussen het geroezemoes van een aflopend feestje (wanneer enkel nog de beste vrienden overblijven) zijn verhaal uit de doeken te doen. Uiteraard wordt alles nog wat opgefunkt, maar gelukkig niet te veel. Daar vraagt deze song niet om. Ook op het album is dit een mooi geplaatst intiemer moment. Zulk een heerlijk rollende dwarsfluit doet het altijd.
De andere cover, 'Somebody's Been Sleeping' van 100 Proof (Aged in Soul), kent ook een volledige transformatie. De tekst wordt herleidt tot wat "somebody"-geshout, de rest wordt echter geniaal vertaald naar een extreem hoog gespeelde trompetsolo die meer verteld dan woorden ooit zullen kunnen. Door merg en been, in een letterlijke betekenis bijna!
Het is moeilijk te zeggen als alles zo klopt binnen een album, maar volgens mij moet het beste nog komen. 'Freedom Road' bijvoorbeeld, een verheffende brok inspiratie voor mind, body en soul. Je waant je op top van de piramide, top van de wereld. Zo plaveit deze song een weg naar het epische slotstuk: 'Great House'. Bijna onhoorbaar kickt de bass in en pingelt zich een weg naar de ritmesectie. Het wah-wah-geluid slaat je om de oren en klopt je van de top recht de piramide in. De blazersectie gaat snel en brengt er een stevig tempo in. In een labyrint van beheerste en losgeslagen kopersolo's ben je gedoemd een paar keer het hoofd te stoten. Een bluesy gitaar verzacht de zoete pijn. Wah wah loert om elke hoek van het doolhof. Oerkreten scatten brengt geen oplossing, maar biedt mogelijkheden. De top van de piramide schreeuwt terug. Blazers duwen langzaam in de rug, 'Great House' kent zijn ontknoping. "Go", roept het. "Go". Wah wah heeft zijn werk gedaan. Met de laatste voetstappen op de Afrikaanse trommels is een top weer bereikt. "Great" is een understatement, "thee best" komt dichter in de buurt.

Eens de toverspreuk is verbroken, is het nog lekker na-ijlen. Bestaat het echt, afro-jazz/funk als dit? Een knijp in mijn arm zegt van wel. Ik vraag het voor de zekerheid nog eens aan Damballa...

The Shangri-Las - Leader of the Pack (1965)

poster
5,0
"When I say I'm in luv, you best believe I'm in luv, L-U-V".
L-U-V? Bakvissenmeligheid ten top! Net als de krijsende meeuwen die te horen zijn als het gaat over romantische strandwandelingen of de stoere motosounds bij de stoere binken. Zestienjarige meisjes die jongens 'pretty' noemen en al veel te geëmancipeerd zijn dan gezond is voor een stel tieners. Trailer trash waarbij het elke vorm van tact ontbeert, omdat ze toch niks te verliezen hebben. Het soort kauwgomkauwende, haarlok draaiende bad ass chick dat zelf op de versiertoer trekt; de jeugd van tegenwoordig kent geen tradities meer. De meid van L-U-V is ook dezelfde onbevlekte maagd die een vraag als "How does he dance?" beantwoordt met "Close, very very close". Kinderlijke meligheid die wordt opgevolgd door je geilste sensualiteit: The Shangri-Las wijken net wat af van de doorsnee sixties girl group. Dat maakt van hen de boeiende cultgroep die ze eigenlijk al van meet af aan waren.
Liedjes die beginnen met een onschuldige 'Leader of the pack in de snoepwinkel' eindigen met 'Leader of the pack, now he's gone'. Met deze hit is het stoere imago van The Shangri-Las opgekomen. Songs over dood, eenzaamheid en vervreemding gezongen door vier meisjes wiens contracten nog door de ouders dienden getekend te worden, maar gezongen met overtuiging! Geen alledaags fenomeen. De soms wat schelle stemmen zetten het melodramatische effect dat Shadow Morton in zijn producties al bereikte, nog eens extra in de verf. Als die paden worden bewandelt, is het nodig ineens voluit te gaan. Onder de krijsende meeuwen en ronkende moto's klinken de harde drums, plingende bassnaren en ritmische handclaps ook telkens wat dreigender dan in de doorsnee pop-, rock- of r&b-plaat. Het nostalgische Remember (Walking in the Sand) is hier een mooi voorbeeld van. De eerste (hit)song van zowel Morton als The Shangri-Las begint hard, maar volgt de lyrics naar een subtieler refrein en weer terug. Het zorgt voor een van de mooiste songs van de plaat en deze hele movement. De orgel in It's Easier to Cry is opvallend opzwepend voor z'n trieste thema, maar ook hier klopt het eindresultaat.
De tweede helft van het album zijn live-opnamen van voornamelijk covers, wat niet wil zeggen dat het minder scherp of dramatisch wordt. Reggae-achtige baslijntjes en pianogepingel doen nog steeds hun werk. De twee Isley-Brothers-covers, Twist and Shout en Shout, zorgen voor het nodige vertier en de jongedames weten hier goed mee om te springen. Ze laten daar, zowel als in de gekweelde tragere songs, nog eens serieus hun ballen zien. Eindigen gebeurt zoals er begonnen is: met een gezonde portie high school corn. Heerlijk, die Shangri-Las!

Deel 2

Deel 3

The Shangri-Las - Shangri-Las 65! (1965)

Alternatieve titel: I Can Never Go Home Anymore

poster
4,0
Deel 1

Huwelijksklokken in een song over trouwplannen? Voor meligheid is er op dit tweede album nog steeds plaats genoeg, maar het zijn vooral de gebiedende berichten van de dames die de eerste drie songs overheersen. "Give us your blessings, please don't make us run away" klinkt het dreigend in de derde track: de Shangri-La is duidelijk het soort eigenwijze tienerdochter dat al eens een djoef op haar mulle verdient. De song eindigt door die eigenwijsheid, boem crash, in de dood van de twee geliefden. Waar hebben we dat nog gehoord?
Hetzelfde kunstje van het eerste album wordt een paar keer herhaald, aan de succesformule wordt nauwelijks gesleuteld. Waarom zou men, wat ze deden was vrijwel uniek. En deze meisjes zijn natuurlijk niet te beroerd om dat gewoon uit te spreken. Met een paradoxale titel als Sophisticated Boom Boom brengen zij het something new waar de wereld nood aan had. De verdomde teven zouden wel eens gelijk kunnen hebben gehad. Met een lekkere drum beat en een typisch dwingende tekst is dit een schoolvoorbeeld van een rock solid Shangri-La-song. Hoe stoer deze chicks zich ook voordoen, als ze de blues hebben of verliefd zijn, schamen ze zich niet om dat in zelfverzonnen onomatopeeën uit te drukken. Dan gaat het van doo-be-doo-be-doo-be-doo en dum dum ditty boom boom. Amerikaanse tienermeisjes uit de achterbuurten, het is een ras apart.
Marginaliteit is nooit ver weg bij The Shangri-Las. Hun sterkte is de juiste dosering ervan. Een zin als "I can never go home anymore" vervolgen met "and that's called sad" is bijna onaanvaardbaar fout, maar deze song wordt met zo'n oprechte emoties gebracht dat het weet te raken, meer nog dan de andere nummers. De eigenwijze meisjes geven hier blijk van groei, groei naar volwassenheid. De herdrukken van het album kregen met recht de nieuwe titel I Can Never Go Home Anymore mee, genoemd naar het topnummer van de plaat.
Nog een mooi voorbeeld waarin ze het bakvissenniveau ontstijgen is Out in the Streets, waarin men spijt betuigt voor het transformeren van hun vriendjes naar de voor hen perfecte man. Of althans de illusie daarvan, zo leren de jongedames. Met heuse strijkerarrangementen wordt dat overdreven dramatisch uitgdrukt, maar het geeft tegelijkertijd aan dat men het serieus meent.
Echte klassiekers zijn er op Shangri-Las-65! minder te vinden, maar als geheel heeft dit album wel een streepje voor op het debuut. Langs de andere kant is er ook wat van die heerlijke spontaniteit verdwenen, een charme die wel bij The Shangr-Las pastte. Hun cultstatus was met de eerste plaat al overduidelijk en wordt met deze tweede nogmaals bevestigd.

Deel 3

The Shangri-Las - Shangri-Las!!!! (2009)

poster
4,5
Deel 1

Deel 2

In 1968 hielden The Shangri-Las het, afgezien van wat reünies her en der, voor bekeken. Hun en producer Shadow Morton’s grensverleggende ideeën hadden meer bereikt dan ooit iemand verwacht had en maakten van hen de meest vooruitstrevende en originele girl group act uit de sixties. Kortom, ze hadden hun punt bewezen. Verder doorgaan had wellicht niets meer toegevoegd aan hun status.
Deze compilatie verzamelt de twee elpees (niet in volgorde) die ze in hun vijfjarige carrière hebben opgenomen, aangevuld met de nodige non-album singles. En tussen dat materiaal zitten meerdere pareltjes verborgen die de verschillende facetten van de meisjes nog meer naar buiten brengen. De eerste opnamen van de groep is het duo Simon Says / Simon Speaks, lekkere feelgoodnummertjes, maar waar toch al duidelijk een hoek af is. Aangekondigde marginaliteit, zeg maar. De eerste officiële single was de dubbele A-kant Wishing Well / Hate to Say I Told You So. "Hate to say I told you so" dat trouwens meteen wordt aangevuld met "but I told you so", de betweterige tutjes! Waar ze in hun wishing well om wensen is anders ook niet van de poes: “I get to wear your ring” is de zevende wens en “without my love you’ll die” gaat de negende. Elke gezonde jongeman neemt nu de benen.
Al deze songs, die enkel op verzamelaars te vinden zijn, halen moeiteloos het niveau van de albums. Soms zelfs meer dan dat. In Dressed in Black wordt vurige verliefdheid door omstaanders versleten als kalverliefde. Met een ingetogen begeleiding worden die frustraties bezongen en toegewerkt naar een vrij bombastisch refrein die liefde beschrijvend. Op een happy end hoef je niet al te vaak te rekenen bij The Shangri-Las, zo horen we hier ook in de fade-out “Alone once more, and no one can hear me cry”. De echte weg naar volwassenheid wordt bereikt in het prachtige Past, Present and Future, niet vreemd een van hun laatste releases. De evolutie die hun ervaring van liefde heeft doorgemaakt wordt op een treffende wijze gebracht. Een heftig moment is hoe na “Shall we dance” de strijkers in ware Shangri-La stijl zo’n 10 seconden voluit gaan. Ook hier eindigt het op wat als een duistere noot zou kunnen klinken, maar toch als poitieve boodschap valt op te vatten. Dit soort nummers is reden te meer om voor een compilatie te gaan in de platenwinkel, is het niet deze dan wel een andere.
De invloed van The Shangri-Las in de popmuziek valt ook niet te onderschatten, getuige de vele verwijzingen en hommages op vlak van zowel muziek, teksten als imago. Vele punkrockbands zijn schatplichtig aan de eigenwijze houding van deze meidengroep, en spreken dat ook vaak uit. De grootste hit van Joe Jackson was nooit geweest ware het niet voor hun Leader of the Pack. Amy Winehouse was nooit Amy Winehouse geworden zonder The Shangri-Las. En zo kan het nog wel een tijdje door. Noem hen dus nooit zomaar een Amerikaanse sixties girl group; zo zijn er veel geweest. The Shangri-Las is one of a kind!

The Weeknd - Trilogy (2012)

poster
4,0
Eigenlijk is deze Trilogy-uitgave een beetje als de 3D-filmversie verkiezen in de cinema, hoe je het ook draait of keert, welk meesterlijk excuus je ook kan verzinnen, uiteindelijk betaal je gewoon onnoodzakelijk extra. Nu is geld spenderen waar het niet per se nodig is zelfs in deze crisistijden allang geen hoofdzonde meer. Dus hou dan maar meteen nog wat extra euro’s uit de buurt van de spaarrekening om de remaster van The Weeknd’s werk te kapitaliseren. Want menig film mag dan amper gebaat zijn bij een extra dimensie, ’t doet de muziek van The Weeknd klaarblijkelijk wel goed! Plak er nog wat bonustracks achter, werk af met een mooie verpakking en je hebt van je geweten ook niet al te veel last meer... De muziek van de drie mixtapes behoudt gelukkig bijna exact dezelfde vorm, maar onderhuids is er stevig geschrobd en geboend om de reeds intense ervaringen nog te intensifiëren, de wereld van The Weeknd in te wandelen, met trillende benen doorheen bonzende elektronische tonen, atypische samples en zijn onheilspellende r&b-vocalen.

Uiterst sfeervol maar met het hoofd vol gedachten legt The Weeknd een bijzondere aanpak aan de dag. Slechts accenten verschuivend krijgen de stijlvolle beats niet onregelmatig vadsig uitgezette samples en andere toetsen mee, tegen de productionele beheersing in, maar nooit de harmonie verstorend. Bijna even ongemerkt weet de man ook tekstueel en vocaal soms volledig te tuimelen tussen zelfreflectie en zelfbevrediging, niet zeker wetend of je dit moet luisteren met de koptelefoon op je psychiatrische divan of met de kop tussen tetten vanuit je striptentzeteltje. Dit hele spel tussen het najagen van onverklaarbare gedachten en seksuele driften loopt als een rode draad doorheen de trilogie. Dat de albums ook hier op drie afzonderlijke schijfjes staan toont de subtiel verschillende aanpak tussen de projecten. Met het duidelijk hoorbare verwantschap is de trilogie in één ruk uitzitten doorgaans niet het beste plan; het materiaal is met deze release geen driedubbelalbum geworden, maar nog steeds gewoon een verzameling van drie afzonderlijke releases.

House of Balloons kan doorgaans op de meeste aandacht rekenen, het was ook de eerste van de drie en bij de eersten in een toen vrij nieuwe beweging. Er is daarnaast ook gewoon de beste songwriting van The Weeknd te horen, met een levendige muzikale uitwerking, opeenvolgende reeksen straffe refreinen en inventieve tempowisselingen. Halverwege The Party & The After Party begint er wellicht wat sleur in het feestgedruis te komen, wat niet betekent dat het niveau daarmee per se daalt. Sleur klinkt misschien wat onbedoeld negatief, maar hoe je het ook wilt noemen, het zet zich wel verder in de twee volgende albums. Thursday en Echoes of Silence leunen namelijk meer op sfeer en melodie dan de songs op hun voorganger, wat meteen een andere ervaring oplevert. Hier is het meer zoeken naar de ideale setting om alles te laten binnensijpelen, met het ondertussen reeds vertrouwde Weeknd-geluid als een aangename gids. De laatste in de rij, Echoes of Silence, heeft het onopvallendste karakter, maar lijkt daarmee gemakkelijk ongemerkt onder de huid te kruipen, waarmee de spannende producties, gerichte inhoud en ingetogen beleving toch gehoor vinden. Een (re)release die nieuwe inzichten brengt, alle goede dingen bestaan dan toch in drieën!

THEESatisfaction - awE naturalE (2012)

poster
4,5
“...with my groove / Whatever you do, don’t funk with my groove / Whatever you do, don’t funk with my groove / Whatever you do, don’t funk...”

Oneliners worden net zolang door je strot gejaagd tot ze voor ‘catchy’ kunnen doorgaan. Als een toverspreuk die tot in den treure herhaald wordt tot je plots echt zo licht als een veertje, zo stijf als een plank bent. THEESatisfaction vraagt een open geest om te vormen. Het funkt je hoofd op door eigenzinnig soul te zingen en zinvol hiphop te rappen. Scherpe zinsnedes en melodieuze zanglijnen wisselen ongeregeld af met cryptische gedachtenspinsels in diep doordachte rapverzen, niet zelden persoonlijk en politiek beladen tegelijk. Geen wonder dat THEESatisfaction meedeed met Shabazz Palaces en Shabazz Palaces met THEESatisfaction. De twee groepen vormen een mooi paar. De vrouwelijke invalshoek maakt THEESatisfaction complementair en maakt ook hen uniek binnen deze nieuwe collectiviteit. Het is funk, maar niet met zoveel woorden. Het is soul die niet klinkt zoals soul was, misschien zoals soul zal zijn. Het is hiphop die herinnert aan de gouden jaren en vooruitkijkt naar jaren nog te komen. Met het drammen van deze woorden stelt THEESatisfaction waar het nu op staat. Beter funk je niet...

“...with my groove / Whatever you do, don’t funk with my groove / Whatever you do, don’t funk with my groove / Whatever you do, don’t funk...”

Loops gaan net zolang door tot er vanzelf een ‘groove’ komt bovendrijven. Als een langdurig tikkende metronoom die je in hypnose wiegt en je met één vingerknip eender wat kan laten doen. awE naturalE vraagt een vrij lichaam om te sturen. Het schudt je r&b-kont door ongedwongen jazz te spelen en dwangmatig electronic te bliepen. Pianoriedeltjes en synthloops banen zich zonder verpinken een weg doorheen de wazige bassen en doffe drums, niet zelden futuristisch en muziekhistorisch gelinkt tegelijk. Geen wonder dat awE naturalE de voetsporen volgt van Black Up en Black Up een visie deelt met awE naturalE. De twee platen vullen elkaar mooi aan. De directe, minder abstracte uitwerking geeft awE naturalE haar eigen geluid en maakt ook van dit album een uniek document binnen een compleet nieuwe beweging. Het is r&b die herinnert aan de negentiger jaren en vooruitkijkt naar jaren nog te komen. Het is jazz, maar niet met zoveel woorden. Het is electronic die niet klinkt zoals electronic was, misschien zoals electronica zal zijn. Met het drummen van deze noten laat awE naturalE zien waar het nu op staat. Repetitiviteit leerst snel: wat je ook van plan ben, beter funk je niet...

“...with my groove.”

Trixie Whitley - Fourth Corner (2013)

poster
4,5
Trixie Whitley draagt een geschiedenis in zich. Het muzikale verleden stroomt door haar aderen, woedt doorheen d’r hele lichaam om vervolgens het strot uit te komen. Met het grootste gemak verandert ze haar diep vibrerende soulstem in grauwe rockgrollen en slikt ze de hoge bluesnoten in om een oude gospel te huilen. En waarom geen streep spoken word ertussen. Een artieste die tegelijk Tom Waits in de bloemetjes zet, Donny Hathaway weer tot leven wekt en -recenter- James Blake een knipoog toewerpt. Zonder ook maar in iemands vaarwater te komen. Haar eigen leergierigheid heeft Trixies stem zijn unieke rekbaarheid gegeven. Van een ongelooflijke diepgang maar van een even ongedwongen speelsheid, die Trixie weer even tot de frisse twintiger maakt die ze werkelijk is.

Want ook muzikaal komen enkele muzikale catacomben weer tot leven: Waits, Hathaway, het is slechts het topje van de ijsberg. Gegrond met de traditionele gereedschappen, is het voornamelijk de sobere aanpak die Fourth Corner zijn kenmerkende karakter geeft. Vaak ligt de nadruk op één enkel instrument. Of ze nu voortgestuwd wordt door de drumcomputer, een krachtig gitaarspel de hoofdrol neemt of de strijkers meer naar voor schieten, het complementeert telkens haar plastische stemgeluid en de daarmee gepaard gaande interne stormen. Intiem of een dikke vuist makend, elk nummer overtuigt. Geen doekjes om winden, de sound van Fourth Corner staat gewoon als een huis.

Tussen de zoekende teksten door lijkt ze met dit debuut haar muzikale zoektocht eindelijk thuis te brengen: Trixie Whitley heeft haar plaats gevonden in de geschiedenis. Nu reeds. Ware het niet voor haar onmiskenbare talent, het zou een moeilijke tweede gaan geworden...