Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Trouble - Trouble (1990)

5,0
0
geplaatst: afgelopen dinsdag om 22:31 uur
Slechts over één ding kan ik zeuren bij deze vierde Trouble: waarom heet hij Trouble als het debuut ook al zo heette? En die dan als nieuwe titel Psalm 9 geven? Ik vond het onnodig, in 1990 al en in 2026 nog steeds.
Maarrrr... de lijn van voorganger Run to the Light wordt voortgezet: dat betekent dat de tempo's hoger liggen en de doominvloeden opnieuw iets kleiner zijn geworden, al is in alle nummers minimaal íets dat aan deze langzame en loodzware metalvorm herinnert.
Verder snijdt de stem van Eric Wagner nog altijd door stalen deuren en vergeet hij niet ter variatie zijn lage stem in te zetten; zijn de tempowisselingen talrijk wat maakt dat ik het album keer na keer kan opzetten zonder dat het me gaat vervelen; zijn de gitaren van Bruce Franklin en Rick Wartell nog altijd loodzwaar (riffs en gitaargeluid) en zingend (solo's, licks) waarbij je hun liefde terughoort voor het werk van Tony Iommi en de twingitaren van Judas Priest én dat van Michael Schenker (Wartell is groot liefhebber van de Duitser); bassist Ron Holzner bast zijn soms melodieuze lijnen voor de tweede keer op een Trouble, nieuw is drummer Barry Stern die de groep strak door alle tempowisselingen leidt.
Na drie undergroundalbums promoveerde de groep naar een hogere divisie. Productie door Rick Rubin voor diens Def American Recordings, waarbij het zware geluid van de eerste drie albums behouden blijft met iets meer oor voor detail. Daarbij gaan de teksten nog altijd over eenzaamheid en hoop, verlangen en pijn. Minder expliciet dan voorheen verwoordt Wagner zijn katholieke spiritualiteit, maar wie oren heeft om te horen...
Bijzonder is dat drummer van de eerste twee langspelers Jeff Olson, hij was filmmuziek gaan studeren, net als op de voorganger terugkeert voor enkele sobere toetsenpartijen. Ze doen de warme sfeer - inderdaad Edwynn! - extra goed.
Er zijn geen mindere nummers, dus kortweg: de shuffle van opener At the End of My Daze groovet heavy, het snelle The Wolf, de stoempende single Psychotic Reaction, het onbekendere maar sluwe A Sinner's Fame en het ingetogener The Misery Shows (Act II) overtuigen ten volle, waarna ik de tweede helft nóg beter vindt.
Het felle en rouwende R.I.P, het denderende Black Shapes of Doom, de versnelling via Heaven on My Mind met die heerlijk vette slaggitaren, de gekke riffs en breaks van E.N.D. en het übersterke slot All Is Forgiven. Talloze tempowisselingen, gitaarlicks als wervelwinden, het gáát maar door...
Drie weken geleden verscheen het album met een maand vertraging via Hammerheart in 2cd-editie (een fout gedrukt boekje was de oorzaak informeerde men mij, ik wachtte ongeduldig op mijn bestelling), met als bonus een radioconcert genaamd Live Dallas Texas. Het was het wachten dik waard.
Hier klinken elf nummers, een mix van de eerste twee albums en vanzelfsprekend dit album. Een sterk optreden in eerlijke en prima livemix, een groep in topvorm en Stern die de groep vanaf de drumkruk strak houdt. Verder een uitgebreid boekje met teksten en fraaie live-zwartwitfoto's. Alweer vijf sterren voor deze groep.
Maarrrr... de lijn van voorganger Run to the Light wordt voortgezet: dat betekent dat de tempo's hoger liggen en de doominvloeden opnieuw iets kleiner zijn geworden, al is in alle nummers minimaal íets dat aan deze langzame en loodzware metalvorm herinnert.
Verder snijdt de stem van Eric Wagner nog altijd door stalen deuren en vergeet hij niet ter variatie zijn lage stem in te zetten; zijn de tempowisselingen talrijk wat maakt dat ik het album keer na keer kan opzetten zonder dat het me gaat vervelen; zijn de gitaren van Bruce Franklin en Rick Wartell nog altijd loodzwaar (riffs en gitaargeluid) en zingend (solo's, licks) waarbij je hun liefde terughoort voor het werk van Tony Iommi en de twingitaren van Judas Priest én dat van Michael Schenker (Wartell is groot liefhebber van de Duitser); bassist Ron Holzner bast zijn soms melodieuze lijnen voor de tweede keer op een Trouble, nieuw is drummer Barry Stern die de groep strak door alle tempowisselingen leidt.
Na drie undergroundalbums promoveerde de groep naar een hogere divisie. Productie door Rick Rubin voor diens Def American Recordings, waarbij het zware geluid van de eerste drie albums behouden blijft met iets meer oor voor detail. Daarbij gaan de teksten nog altijd over eenzaamheid en hoop, verlangen en pijn. Minder expliciet dan voorheen verwoordt Wagner zijn katholieke spiritualiteit, maar wie oren heeft om te horen...
Bijzonder is dat drummer van de eerste twee langspelers Jeff Olson, hij was filmmuziek gaan studeren, net als op de voorganger terugkeert voor enkele sobere toetsenpartijen. Ze doen de warme sfeer - inderdaad Edwynn! - extra goed.
Er zijn geen mindere nummers, dus kortweg: de shuffle van opener At the End of My Daze groovet heavy, het snelle The Wolf, de stoempende single Psychotic Reaction, het onbekendere maar sluwe A Sinner's Fame en het ingetogener The Misery Shows (Act II) overtuigen ten volle, waarna ik de tweede helft nóg beter vindt.
Het felle en rouwende R.I.P, het denderende Black Shapes of Doom, de versnelling via Heaven on My Mind met die heerlijk vette slaggitaren, de gekke riffs en breaks van E.N.D. en het übersterke slot All Is Forgiven. Talloze tempowisselingen, gitaarlicks als wervelwinden, het gáát maar door...
Drie weken geleden verscheen het album met een maand vertraging via Hammerheart in 2cd-editie (een fout gedrukt boekje was de oorzaak informeerde men mij, ik wachtte ongeduldig op mijn bestelling), met als bonus een radioconcert genaamd Live Dallas Texas. Het was het wachten dik waard.
Hier klinken elf nummers, een mix van de eerste twee albums en vanzelfsprekend dit album. Een sterk optreden in eerlijke en prima livemix, een groep in topvorm en Stern die de groep vanaf de drumkruk strak houdt. Verder een uitgebreid boekje met teksten en fraaie live-zwartwitfoto's. Alweer vijf sterren voor deze groep.
Tubeway Army - Replicas (1979)

3,5
2
geplaatst: 30 maart 2023, 23:17 uur
Wie fanatiek via krakende middengolf John Peel op BBC Radio One luisterde, was in 1978 al bekend met het debuut van Tubeway Army; maar voor de meesten was de kennismaking er pas met de opvolger. Ik leerde hen kennen toen de groep rond Gary Numan in juli dat jaar de Nationale Hitparade betrad met Are ‘Friends’ Electric? De groep verscheen die maand in TopPop en ik was onder de indruk: de hypnotiserende synthesizerriff die me terugbracht bij het thema van Eve of the War van Jeff Wayne het jaar ervoor; de verschijning van de man met Bowieaanse trekken; en zijn wat ijzige stem, perfect passend bij de gelijksoortige sfeer van de muziek.
Enigszins lijkend op de geluiden waarmee ik alweer anderhalf jaar eerder had kennisgemaakt via de twee hits van de Nederlandse groep Mistral, die ook experimenteerde met synthesizers en hits had gescoord met Jamie en Spaceship 109. Science-fiction in muziek, heerlijk!
Op de hoes van Replicas was Numan plotseling blond, ogend als een androïde in een verre toekomst. Wat het extra apart maakte was diens afspiegeling in het raam, die niet klopt met hoe hij in de kamer staat. De sfeer van toekomstige vervreemding en eenzaamheid straalt nog altijd van muziek en teksten af. Zoals ik bij TopPop zag, klinken hier nog echte drums: Numan was niet content met de beschikbare drumcomputers, wat met de oren van nu even wennen is. Desalniettemin klinken sterke liedjes en frisse geluiden die ook in 2023 overtuigen.
Mijn hoogtepunten: Me, I Disconnect from You met zijn ongewone titel en synthese van synthesizers en phasergitaren. Ik heb eens extra gelet op de tekst van Are ‘Friends’ Electric? dat leest als een literair gedicht met als thema verwijdering en het verlies van een vriendschap. Zoals het goede poëzie betaamt, zijn de woorden voor een ieder anders te interpreteren.
In het intro van Down in the Park heeft Numan, die ook produceerde, een apart drumgeluid gecreëerd. Sterker nog, dit doet denken aan de sferen die het jaar erop bij het debuut van Joy Division (Unknown Pleasures) en The Cure (Seventeen Seconds) zouden komen. Zou het kunnen zijn dat hij de producers van die klassiekers heeft beïnvloed, te weten Martin Hannett en Mike Hedges met Robert Smith?
Het titellied is het hoogtepunt van het album. Replicas is niet alleen dystopisch-kil, het geluid lijkt op een vervolg van Low van David Bowie met een geperfectioneerde, vreemde drumsound.
Qua productie zou je deze vroege synthesizernewwave kunnen zien als een brug van Low naar Unknown Pleasures en Seventeen Seconds. Tegelijkertijd verwijderde het Tubeway Army van Numan zich snel van het geluid van het debuut, nog maar een jaar eerder verschenen. Hier wordt een nieuw genre gecreëerd, waarbij tijdgenoten als The Human League en O.M.D. een parallel pad bewandelden.
In 2015 vertelde Numan over zijn eerste hit bij Top 2000 A Gogo en eigenlijk vind ik het jammer dat hij daarin zo’n duidelijke verklaring voor de tekst geeft. Had het maar onduidelijk gelaten. Tegelijkertijd een prachtig miniportretje over de eerste schreden van Numan in popland.
Rainmachine heeft helemaal gelijk met de opmerking dat dit een klassieker is, al verscheen het een jaartje (april '79) te vroeg om een 80’s-album te zijn; september ’79 piekend op #44, nadat die ene single in augustus zelfs tot #9 was gekomen.
Laat ik ook de fraaie cover van Are ‘Friends’ Electric? door dame-op-skippybal An Pierlé noemen, hier te horen. Een heel andere uitvoering dan het origineel, is het op een andere wijze weer mooi. Te vinden op dit album, dat ik nodig eens uit de kast moet plukken.
Toch prefereer ik het origineel met die machtige synth en snijdende stem. Toen een nieuw geluid, nu nog altijd pakkend.
Enigszins lijkend op de geluiden waarmee ik alweer anderhalf jaar eerder had kennisgemaakt via de twee hits van de Nederlandse groep Mistral, die ook experimenteerde met synthesizers en hits had gescoord met Jamie en Spaceship 109. Science-fiction in muziek, heerlijk!
Op de hoes van Replicas was Numan plotseling blond, ogend als een androïde in een verre toekomst. Wat het extra apart maakte was diens afspiegeling in het raam, die niet klopt met hoe hij in de kamer staat. De sfeer van toekomstige vervreemding en eenzaamheid straalt nog altijd van muziek en teksten af. Zoals ik bij TopPop zag, klinken hier nog echte drums: Numan was niet content met de beschikbare drumcomputers, wat met de oren van nu even wennen is. Desalniettemin klinken sterke liedjes en frisse geluiden die ook in 2023 overtuigen.
Mijn hoogtepunten: Me, I Disconnect from You met zijn ongewone titel en synthese van synthesizers en phasergitaren. Ik heb eens extra gelet op de tekst van Are ‘Friends’ Electric? dat leest als een literair gedicht met als thema verwijdering en het verlies van een vriendschap. Zoals het goede poëzie betaamt, zijn de woorden voor een ieder anders te interpreteren.
In het intro van Down in the Park heeft Numan, die ook produceerde, een apart drumgeluid gecreëerd. Sterker nog, dit doet denken aan de sferen die het jaar erop bij het debuut van Joy Division (Unknown Pleasures) en The Cure (Seventeen Seconds) zouden komen. Zou het kunnen zijn dat hij de producers van die klassiekers heeft beïnvloed, te weten Martin Hannett en Mike Hedges met Robert Smith?
Het titellied is het hoogtepunt van het album. Replicas is niet alleen dystopisch-kil, het geluid lijkt op een vervolg van Low van David Bowie met een geperfectioneerde, vreemde drumsound.
Qua productie zou je deze vroege synthesizernewwave kunnen zien als een brug van Low naar Unknown Pleasures en Seventeen Seconds. Tegelijkertijd verwijderde het Tubeway Army van Numan zich snel van het geluid van het debuut, nog maar een jaar eerder verschenen. Hier wordt een nieuw genre gecreëerd, waarbij tijdgenoten als The Human League en O.M.D. een parallel pad bewandelden.
In 2015 vertelde Numan over zijn eerste hit bij Top 2000 A Gogo en eigenlijk vind ik het jammer dat hij daarin zo’n duidelijke verklaring voor de tekst geeft. Had het maar onduidelijk gelaten. Tegelijkertijd een prachtig miniportretje over de eerste schreden van Numan in popland.
Rainmachine heeft helemaal gelijk met de opmerking dat dit een klassieker is, al verscheen het een jaartje (april '79) te vroeg om een 80’s-album te zijn; september ’79 piekend op #44, nadat die ene single in augustus zelfs tot #9 was gekomen.
Laat ik ook de fraaie cover van Are ‘Friends’ Electric? door dame-op-skippybal An Pierlé noemen, hier te horen. Een heel andere uitvoering dan het origineel, is het op een andere wijze weer mooi. Te vinden op dit album, dat ik nodig eens uit de kast moet plukken.
Toch prefereer ik het origineel met die machtige synth en snijdende stem. Toen een nieuw geluid, nu nog altijd pakkend.
Tubeway Army - Tubeway Army (1978)

3,0
0
geplaatst: 26 maart 2023, 18:06 uur
De eerste synthwavehit die ik hoorde was in 1979. Tubeway Army scoorde met Are Friends Electric? Maar voordat ik het bijbehorende album Replicas beluister, is eerst hun mij onbekende debuut aan de beurt.
Vooraf: ook indertijd wist ik dat vele newwavebands vanuit punk startten. Gezien het uiterlijk van frontman Gary Numan schatte ik in dat dit met hem ook het geval was. Dat is op het debuut te horen.
MuMe toont hierboven de tweede hoes, maar de eerste persing zag er zo uit. 5000 verkochte exemplaren, vertelt Wikipedia. Toen Replicas het jaar erop een succes werd, kwam het album wederom uit, nu met met de bekendere hoes, om in het Verenigd Koninkrijk #14 in de albumlijst te halen.
Op het debuut klinkt echter vooral new wave met synths in een bijrol. In plaats daarvan (scheurende) gitaren van de hand van Numan. Zijn spel blijkt verrassend afwisselend te zijn met soms gecompliceerde riffs en loopjes zoals ik pas jaren later in de progressive metal tegenkwam. Van het Queensrÿchesoort, zoiets. Ook op dat vlak was Numan zijn tijd ver vooruit.
Wel herkenbaar zijn diens bewust kille stem en bijbehorende monotone melodielijnen. Opener Listen to the Sirens begint digitaal, met “gewone” drums: drumcomputers bestonden nog nauwelijks; later komt daar een stevig gitaartje bij. Andere favorietjes: in Friends klinkt gecompliceerder gitaarspel, Every Day I Die bevat verrassend een akoestische gitaar; Steel and You heeft in het in- en uittro synthesizers maar verder klinkt gitaar en Jo the Waiter verraadt wat ik bij hun eerste hit al zag: Numan is een fan van David Bowie, getuige de sfeer van diens Space Oddity die hier doorklinkt. Numan produceerde de plaat zelf en deed dat prima.
Van de overige twee bandleden valt op dat Steve Lidyard een prima drummer was en Paul Gardiner een degelijke bassist. Tegelijkertijd is dit duidelijk het vehikel van Numan.
Een interessant debuut, opmaat naar de sterkere synthpop van de opvolger. In de bonustracks (heruitgave uit 1998) klinken liveopnamen en daar is het punk of stevige new wave die domineert. Het doet wel aan de eerste periode van Joy Division denken, de dagen van vóór hun debuut. Leuk om te horen, al is de audiokwaliteit van dit concert eigenlijk ondermaats.
Vooraf: ook indertijd wist ik dat vele newwavebands vanuit punk startten. Gezien het uiterlijk van frontman Gary Numan schatte ik in dat dit met hem ook het geval was. Dat is op het debuut te horen.
MuMe toont hierboven de tweede hoes, maar de eerste persing zag er zo uit. 5000 verkochte exemplaren, vertelt Wikipedia. Toen Replicas het jaar erop een succes werd, kwam het album wederom uit, nu met met de bekendere hoes, om in het Verenigd Koninkrijk #14 in de albumlijst te halen.
Op het debuut klinkt echter vooral new wave met synths in een bijrol. In plaats daarvan (scheurende) gitaren van de hand van Numan. Zijn spel blijkt verrassend afwisselend te zijn met soms gecompliceerde riffs en loopjes zoals ik pas jaren later in de progressive metal tegenkwam. Van het Queensrÿchesoort, zoiets. Ook op dat vlak was Numan zijn tijd ver vooruit.
Wel herkenbaar zijn diens bewust kille stem en bijbehorende monotone melodielijnen. Opener Listen to the Sirens begint digitaal, met “gewone” drums: drumcomputers bestonden nog nauwelijks; later komt daar een stevig gitaartje bij. Andere favorietjes: in Friends klinkt gecompliceerder gitaarspel, Every Day I Die bevat verrassend een akoestische gitaar; Steel and You heeft in het in- en uittro synthesizers maar verder klinkt gitaar en Jo the Waiter verraadt wat ik bij hun eerste hit al zag: Numan is een fan van David Bowie, getuige de sfeer van diens Space Oddity die hier doorklinkt. Numan produceerde de plaat zelf en deed dat prima.
Van de overige twee bandleden valt op dat Steve Lidyard een prima drummer was en Paul Gardiner een degelijke bassist. Tegelijkertijd is dit duidelijk het vehikel van Numan.
Een interessant debuut, opmaat naar de sterkere synthpop van de opvolger. In de bonustracks (heruitgave uit 1998) klinken liveopnamen en daar is het punk of stevige new wave die domineert. Het doet wel aan de eerste periode van Joy Division denken, de dagen van vóór hun debuut. Leuk om te horen, al is de audiokwaliteit van dit concert eigenlijk ondermaats.
Tuxedomoon - Half-Mute (1980)

4,0
1
geplaatst: 15 februari 2025, 14:57 uur
Contrasten genoeg in de wereld van new wave en aanverwanten van 1980. Van de rechttoe punk van U.K. Subs kom ik bij de grensverleggers van Tuxedomoon.
In 1978 en 1979 had Tuxedomoon, dan nog uit San Francisco, al een EP uitgebracht. In maart 1980 verscheen de eerste langspeler genaamd Half-Mute. De groep klinkt hierop in mijn oren ontzettend Engels, waarbij diverse Europese stijlen samenkomen, van elektronica in de lijn van Kraftwerk tot postpunk. Op de hoes geen groepsfoto maar abstracte, zij het speelse kunst van Patrick Roques.
Veel nummers zijn instrumentaal, qua sfeer nogal eens iets lijkend op wat David Bowie en Brian Eno voorheen knutselden, zoals op hun gezamenlijke album Low (1977). Opener Nazca is er zo één. Een verstilde start van de plaat met onheilspellende klanken, passend bij een thrillerserie. Zanger Steven Brown speelt hier sopraansaxofoon, waardoor het cinematische effect nog groter is. 59 to 1 is vervolgens voorzien van zang en heeft een funkachtige baslijn, waarna met Fifth Column weer de synths domineren, deze keer met altsax en een bijna grommende baslijn van Peter Principle; qua sfeer moet ik denken aan Orchestral Manoeuvres In The Dark.
Met de drumcomputer, viool en meer is daar het derde instrumentale lied, wat de sfeer van een Joy Division ademt: somber en introvert. Deze keer is de hoofdrol voor violist Blaine L. Reininger. Die sfeer blijft in het gezongen Loneliness.
Verrassenderwijs deed dit album het goed onderweg in de auto, waar ik normaliter liever uptempo rock beluister. De grensverleggende geluiden van Tuxedomoon landden bovendien bij elke draaibeurt beter. Meer onheilspellende thrillermuziek in het instrumentale James Whale, postpunk in het vocale What Use, Volo Vivace is instrumentaal met een hoofdrol voor de viool, 7 Years ademt postpunk en de ruim 11 minuten van afsluiter Km/Seeding the Clouds zijn eerst instrumentaal en tegen het einde voorzien van spreekzang.
Op streaming volgen de vier tracks van voorganger EP Scream with a View (1979) die in dezelfde lijn liggen. Te vinden op deze cd.
Na een Europese tournee in het najaar van 1980 verkaste de groep naar New York, waar ze in de kringen van no wave belandden, zo vind ik in het archief van Athens News. In 1997 zouden ze iets dergelijks herhalen, maar dan in Tel Aviv. In 2016 verscheen een tribute aan dit Half-Mute, zie hier.
Zo ver ben ik bepaald niet: ik blijf in maart 1980 en reis naar het Engelse Bristol, waar The Pop Group op hun tweede langspeler aan nog pittiger experimenten doet.
In 1978 en 1979 had Tuxedomoon, dan nog uit San Francisco, al een EP uitgebracht. In maart 1980 verscheen de eerste langspeler genaamd Half-Mute. De groep klinkt hierop in mijn oren ontzettend Engels, waarbij diverse Europese stijlen samenkomen, van elektronica in de lijn van Kraftwerk tot postpunk. Op de hoes geen groepsfoto maar abstracte, zij het speelse kunst van Patrick Roques.
Veel nummers zijn instrumentaal, qua sfeer nogal eens iets lijkend op wat David Bowie en Brian Eno voorheen knutselden, zoals op hun gezamenlijke album Low (1977). Opener Nazca is er zo één. Een verstilde start van de plaat met onheilspellende klanken, passend bij een thrillerserie. Zanger Steven Brown speelt hier sopraansaxofoon, waardoor het cinematische effect nog groter is. 59 to 1 is vervolgens voorzien van zang en heeft een funkachtige baslijn, waarna met Fifth Column weer de synths domineren, deze keer met altsax en een bijna grommende baslijn van Peter Principle; qua sfeer moet ik denken aan Orchestral Manoeuvres In The Dark.
Met de drumcomputer, viool en meer is daar het derde instrumentale lied, wat de sfeer van een Joy Division ademt: somber en introvert. Deze keer is de hoofdrol voor violist Blaine L. Reininger. Die sfeer blijft in het gezongen Loneliness.
Verrassenderwijs deed dit album het goed onderweg in de auto, waar ik normaliter liever uptempo rock beluister. De grensverleggende geluiden van Tuxedomoon landden bovendien bij elke draaibeurt beter. Meer onheilspellende thrillermuziek in het instrumentale James Whale, postpunk in het vocale What Use, Volo Vivace is instrumentaal met een hoofdrol voor de viool, 7 Years ademt postpunk en de ruim 11 minuten van afsluiter Km/Seeding the Clouds zijn eerst instrumentaal en tegen het einde voorzien van spreekzang.
Op streaming volgen de vier tracks van voorganger EP Scream with a View (1979) die in dezelfde lijn liggen. Te vinden op deze cd.
Na een Europese tournee in het najaar van 1980 verkaste de groep naar New York, waar ze in de kringen van no wave belandden, zo vind ik in het archief van Athens News. In 1997 zouden ze iets dergelijks herhalen, maar dan in Tel Aviv. In 2016 verscheen een tribute aan dit Half-Mute, zie hier.
Zo ver ben ik bepaald niet: ik blijf in maart 1980 en reis naar het Engelse Bristol, waar The Pop Group op hun tweede langspeler aan nog pittiger experimenten doet.
Tuxedomoon - Scream with a View (1979)

3,5
0
geplaatst: 15 februari 2025, 15:15 uur
Bij het beluisteren van Tuxedomoons elpeedebuut Half-Mute uit 1980 bleken op streaming als bonus de vier nummers van voorganger Scream with a View te staan. In onbekend jaar op deze cd-editie verschenen.
Veertien jaar geleden noteerde Paalhaas een terechte constatering. Net als op de langspeler van het jaar erna klinken de Amerikanen sterk Europees / Engels: muziek in de voetsporen van Kraftwerk en Brian Eno met drumcomputers, spreekzang met vervormde stem, ijle synths en in het geval van Tuxedomoon ook een scheurend gitaartje (Nervous Guy), al dan niet vergezeld door viool en/of altsaxofoon (Where Interest Lie en Family Man).
Je kunt parallellen trekken met tijdgenoten als Tubeway Army / Gary Numan en The Human League, ook hoor ik er flarden sombere postpunk in. Tegelijkertijd maakt Tuxedomoon het de luisteraar moeilijker dan die namen: dit is duidelijk níet gericht op het grote publiek. Even wennen aan de soms bijna-filmmuziek, maar zeker aangenaam.
Veertien jaar geleden noteerde Paalhaas een terechte constatering. Net als op de langspeler van het jaar erna klinken de Amerikanen sterk Europees / Engels: muziek in de voetsporen van Kraftwerk en Brian Eno met drumcomputers, spreekzang met vervormde stem, ijle synths en in het geval van Tuxedomoon ook een scheurend gitaartje (Nervous Guy), al dan niet vergezeld door viool en/of altsaxofoon (Where Interest Lie en Family Man).
Je kunt parallellen trekken met tijdgenoten als Tubeway Army / Gary Numan en The Human League, ook hoor ik er flarden sombere postpunk in. Tegelijkertijd maakt Tuxedomoon het de luisteraar moeilijker dan die namen: dit is duidelijk níet gericht op het grote publiek. Even wennen aan de soms bijna-filmmuziek, maar zeker aangenaam.
Twister (1996)

3,5
0
geplaatst: 29 mei 2024, 23:12 uur
De dvd van Twister heb ik staan en eens in de paar jaar trek ik 'm weer eens uit de kast om op beamer te bekijken. Met het geluid hard, dan komen de tornado's beter binnen. Indertijd wist ik niet dat Van Halen in de soundtrack zat, dus toen Human Beings langskwam was ik blij verrast.
Zoals het bericht hierboven beschrijft, het laatste nummer dat de groep opnam met zanger Sammy Hagar. De gebroeders Alex en Edward namen in zijn absentie (Hagar was op Hawaii omdat zijn vrouw ging bevallen) bovendien het instrumentale slotnummer Respect the Wind op, een luid zij het drumloos nummer.
Maar vooral klinkt muziek die je in Amerikaanse wegrestaurants zou kunnen horen, niet al te opdringerig met de lucht van donuts-met-koffie-uit-een-kan. Virtual Reality van Rusted Root, Moments Like This van Alison Krauss, Darling Pretty van Mark Knopfler dat bovendien een leuk folkintro heeft, Love Affair van k.d. lang, How van Lisa Loeb, No One Needs to Know van Shania Twain en Twisted van een gehalveerd Fleetwood Mac (Nicks & Buckingham).
Om het niet al te rustig te laten worden - de film is bij vlagen spannend - is er alternatieve rock van Soul Asylum, Belly, Red Hot Chili Peppers en The Goo Goo Dolls. En laat ik de elfjes-pianorock van Tori Amos niet vergeten!
Met deze soundtrack is het weer helemaal 1996, tevens leuk voor in je truckerscafé. Het interview met de gebroeders Van Halen waarover hierboven werd geschreven is overigens hier te vinden.
Zoals het bericht hierboven beschrijft, het laatste nummer dat de groep opnam met zanger Sammy Hagar. De gebroeders Alex en Edward namen in zijn absentie (Hagar was op Hawaii omdat zijn vrouw ging bevallen) bovendien het instrumentale slotnummer Respect the Wind op, een luid zij het drumloos nummer.
Maar vooral klinkt muziek die je in Amerikaanse wegrestaurants zou kunnen horen, niet al te opdringerig met de lucht van donuts-met-koffie-uit-een-kan. Virtual Reality van Rusted Root, Moments Like This van Alison Krauss, Darling Pretty van Mark Knopfler dat bovendien een leuk folkintro heeft, Love Affair van k.d. lang, How van Lisa Loeb, No One Needs to Know van Shania Twain en Twisted van een gehalveerd Fleetwood Mac (Nicks & Buckingham).
Om het niet al te rustig te laten worden - de film is bij vlagen spannend - is er alternatieve rock van Soul Asylum, Belly, Red Hot Chili Peppers en The Goo Goo Dolls. En laat ik de elfjes-pianorock van Tori Amos niet vergeten!
Met deze soundtrack is het weer helemaal 1996, tevens leuk voor in je truckerscafé. Het interview met de gebroeders Van Halen waarover hierboven werd geschreven is overigens hier te vinden.
Ty Segall - Three Bells (2024)

3,5
0
geplaatst: 5 februari 2024, 17:33 uur
De naam Ty Segall kwam ik regelmatig tegen, wat geen wonder is met vijftien reguliere studioalbums sinds 2008 en dan is er nog meer wat hij uitbracht. Hetgeen ik las, wekte echter geen nieuwsgierigheid op en ik liet hem links liggen, zonder ooit iets van de man te hebben gehoord. Tot een vriend me aanspoorde eens naar Three Bells te luisteren.
Wat ik hoor is lichtelijk verwarrend als je zoals ik van van tiener-af-aan bent getraind in genrehokjes. Daar doet Segall duidelijk niet aan en juist dat avontuur blijkt leuk. Muziek uit het hart, waarbij hij vermoedelijk geen rekening wenst te houden met wat anderen wensen. Hij blijkt een begenadigd gitarist met originele ideeën.
In mijn beleving versmelten indie gitaar en protoprog af en toe met elkaar, waarbij ik aan progpioniers als King Crimson en Van Der Graaf Generator moet denken, maar ook aan de eerste albums van Radiohead. Vier nummers springen er voor mij uit.
Ten eerste Void, met akoestische gitaren en een vrij gecompliceerd ritme, dat halverwege slepend wordt met invloeden uit de Westcoast Rock van eind jaren '60, inclusief fuzzeffect op gitaar. De vrije, schijnbaar geïmproveersde drumpartij is tot mijn verbazing van Segalls hand, behalve op Move waar Charles Moothart de stokken hanteert. Gedurende het hele album geniet ik van het hoge niveau op dit instrument.
Move is vrij kort en heeft een vrij gecompliceerde riff, waarbij ik aan de genoemde proggroepen van weleer moet denken. Ten derde Watcher, wat op een akoestische basis drijft, waar lange, scheurende gitaarlijnen overheen vliegen. Op To You versmelten weer Westcoastrock (de akoestische gitaar en koortjes) met scheurende protoprog met indierock en alweer wordt hier met het ritme gespeeld.
Hierboven lees ik de vergelijking met Jack White, maar wat ik van hem ken is bluesgeoriënteerd, in tegenstelling tot Segall. Een voor mij onbegrijpelijke vergelijking, maar ook van hem ben ik géén kenner.
Wat ik wel zeker weet: Segall creëert op Three Bells nadrukkelijk zijn eigen muzikale wereld en doet dat in die vier nummers voor mij heel verfrissend. Dan resteren er elf nummers waar ik minder mee heb, maar toch: leuk album met vier bijzondere uitschieters!
Wat ik hoor is lichtelijk verwarrend als je zoals ik van van tiener-af-aan bent getraind in genrehokjes. Daar doet Segall duidelijk niet aan en juist dat avontuur blijkt leuk. Muziek uit het hart, waarbij hij vermoedelijk geen rekening wenst te houden met wat anderen wensen. Hij blijkt een begenadigd gitarist met originele ideeën.
In mijn beleving versmelten indie gitaar en protoprog af en toe met elkaar, waarbij ik aan progpioniers als King Crimson en Van Der Graaf Generator moet denken, maar ook aan de eerste albums van Radiohead. Vier nummers springen er voor mij uit.
Ten eerste Void, met akoestische gitaren en een vrij gecompliceerd ritme, dat halverwege slepend wordt met invloeden uit de Westcoast Rock van eind jaren '60, inclusief fuzzeffect op gitaar. De vrije, schijnbaar geïmproveersde drumpartij is tot mijn verbazing van Segalls hand, behalve op Move waar Charles Moothart de stokken hanteert. Gedurende het hele album geniet ik van het hoge niveau op dit instrument.
Move is vrij kort en heeft een vrij gecompliceerde riff, waarbij ik aan de genoemde proggroepen van weleer moet denken. Ten derde Watcher, wat op een akoestische basis drijft, waar lange, scheurende gitaarlijnen overheen vliegen. Op To You versmelten weer Westcoastrock (de akoestische gitaar en koortjes) met scheurende protoprog met indierock en alweer wordt hier met het ritme gespeeld.
Hierboven lees ik de vergelijking met Jack White, maar wat ik van hem ken is bluesgeoriënteerd, in tegenstelling tot Segall. Een voor mij onbegrijpelijke vergelijking, maar ook van hem ben ik géén kenner.
Wat ik wel zeker weet: Segall creëert op Three Bells nadrukkelijk zijn eigen muzikale wereld en doet dat in die vier nummers voor mij heel verfrissend. Dan resteren er elf nummers waar ik minder mee heb, maar toch: leuk album met vier bijzondere uitschieters!
Tygers of Pan Tang - Bloodlines (2023)

4,0
1
geplaatst: 17 juli 2023, 20:06 uur
Mijn favoriete albums van Tygers of Pan Tang uit de jaren '80 zijn hun tweede en derde, waarop zowel zanger Jon Deverill als gitarist John Sykes zijn te horen: een ultiem sterke combinatie van New wave of British heavy metal en melodie met emotioneel geladen zang.
Sindsdien is veel gebeurd inclusief een twaalfjarige winterslaap, maar nadat oudgediende Robb Weirr de band in 1999 wakker kuste, hebben de liefhebbers van klassieke metal kunnen constateren dat de groep geleidelijk steeds beter werd om constante kwaliteitsmetal te bieden.
Begin jaren '80 waren flitsende sologitaristen en drummers met dubbele basdrum vrij schaars. Dat is al lang en breed veranderd en in de huidige bezetting met slagwerker Craig Ellis (sinds 2000 aan boord) en de Italiaanse snarenracer Francesco Marras (sinds 2020), plus de eveneens Italiaanse vocalist Jacopo "Jack" Meille staat er een band die niet onderdoet voor de bezetting uit mijn puberjaren. Helemaal nieuw is bassist Huw Holding (sinds 2021). In deze bezetting nam kapitein Robb Bloodlines op, samen met de Deense producer Tue Madsen.
Wat klinkt is zowel hard als melodieus, net als toen. Weirr is geen flitsende sologitarist, maar juist het contrast tussen zijn spel en dat van Marras maakt de diverse gitaarduels aangenaam.
Meestal hoor je uptempo metal, zoals de eerste twee nummers Edge of the World met aangename akoestische brug en In My Blood met het eerste gitaarduel.
Soms knalt het snel met dominante dubbele basdrum, vooral in Fire on the Horizon.
En dan zijn er twee powerballads, te weten Taste of Love en Making All the Rules.
Drie tandjes minder heftig dan de nieuwe Raven, tegelijkertijd onmiskenbaar NwoBhm. Niet spectaculair, wel degelijk en aangenaam.
Sindsdien is veel gebeurd inclusief een twaalfjarige winterslaap, maar nadat oudgediende Robb Weirr de band in 1999 wakker kuste, hebben de liefhebbers van klassieke metal kunnen constateren dat de groep geleidelijk steeds beter werd om constante kwaliteitsmetal te bieden.
Begin jaren '80 waren flitsende sologitaristen en drummers met dubbele basdrum vrij schaars. Dat is al lang en breed veranderd en in de huidige bezetting met slagwerker Craig Ellis (sinds 2000 aan boord) en de Italiaanse snarenracer Francesco Marras (sinds 2020), plus de eveneens Italiaanse vocalist Jacopo "Jack" Meille staat er een band die niet onderdoet voor de bezetting uit mijn puberjaren. Helemaal nieuw is bassist Huw Holding (sinds 2021). In deze bezetting nam kapitein Robb Bloodlines op, samen met de Deense producer Tue Madsen.
Wat klinkt is zowel hard als melodieus, net als toen. Weirr is geen flitsende sologitarist, maar juist het contrast tussen zijn spel en dat van Marras maakt de diverse gitaarduels aangenaam.
Meestal hoor je uptempo metal, zoals de eerste twee nummers Edge of the World met aangename akoestische brug en In My Blood met het eerste gitaarduel.
Soms knalt het snel met dominante dubbele basdrum, vooral in Fire on the Horizon.
En dan zijn er twee powerballads, te weten Taste of Love en Making All the Rules.
Drie tandjes minder heftig dan de nieuwe Raven, tegelijkertijd onmiskenbaar NwoBhm. Niet spectaculair, wel degelijk en aangenaam.
Tygers of Pan Tang - Crazy Nights (1982)

4,0
2
geplaatst: 21 december 2022, 18:27 uur
De eerste Tygers of Pan Tang die ik hoorde was Crazy Nights. Hij bereikte mijn platenspeler in het late voorjaar van 1982. Dit weer eens via de dorpsfonotheek.
Later zou ik opvolger Spellbound ook horen en het verschil was duidelijk: Crazy Nights klinkt "ronder". Alhoewel beide albums door Chris Tsangarides werden geproduceerd en in 1981 verschenen, is het verschil duidelijk: de gitaren zitten inmiddels iets lager in de mix, terwijl de basgitaar juist hoog zit, wat het geluid wellicht wat radiovriendelijker maakte. Bijkomend voordeel: goed is te horen hoe bassist Rocky Laws met zijn warme tonen (hij speelt met de vingers, niet met plectrum) lekkere partijen neerzette.
Meest opvallend is de drumsound: er zit een strakke gate op vooral de snaredrum, die daardoor wat afgeknepen klinkt. Normaliter zou ik dat niet leuk vinden, maar Tsangarides was geen prutser: het past goed in de balans.
De reden dat ik dit een heerlijk plaatje vond (en vind!) is dat gitarist John Sykes weer spetterende solo’s neerzet en Jon Deverill als een krachtige nachtegaal zingt. Een stem die eeuwige jeugd suggereert en op Never Satisfied bovendien een rauw randje krijgt. Daarmee hadden de Tygers een eigen geluid binnen de new wave of British heavy metal.
De snelle nummers zijn favoriet gebleven. Behalve het nummer dat ik zojuist noemde zijn dat Running Out of Time en vooral Raised on Rock. Ook het uptempo Love Don’t Stay hoort bij de sterkste composities met een pakkende gitaarlijn in het refrein.
In die periode hadden de ToPT een volle concertagenda en oogstten lovende recensies. Iets van die reputatie is op YouTube te vinden, zoals hier. Jammer genoeg sloeg de band vanaf opvolger The Cage een aor-weg in. Sykes had de band toen al verlaten. Het werd hun bestverkopende schijf volgens Wikipedia, maar ik haakte af: aor is een genre dat ik zeker kan waarderen, maar bij hen vond ik het niet passen.
De band viel sinds eind 1982 enkele malen uit elkaar om weer bij elkaar te komen; helaas voor mij na ’87 zonder Deverill. Die startte namelijk een carrière als theateracteur en acteert nog altijd, gekortwiekt en wel. Hier zijn pagina bij stage32.com. In 2018 maakte hij met Fred Purser, de opvolger van Sykes, een album onder de vlag van Purser Deverill.
Op de site gisterennogvandaag.com vind je een interview met de band uit het blad Joepie van 1982; zie hier, even scrollen. Van hun ‘We gaan de wereld veroveren’ wat daar wordt genoemd kwam weinig terecht, maar zo klonken ze wel degelijk ten tijde van Spellbound en Crazy Nights!
Sinds 2016 verschenen bovendien twee meer dan degelijke albums van de band, zij het in een bijna geheel andere bezetting dan toen. Desondanks goed genoeg voor mij om weer aan te haken.
Later zou ik opvolger Spellbound ook horen en het verschil was duidelijk: Crazy Nights klinkt "ronder". Alhoewel beide albums door Chris Tsangarides werden geproduceerd en in 1981 verschenen, is het verschil duidelijk: de gitaren zitten inmiddels iets lager in de mix, terwijl de basgitaar juist hoog zit, wat het geluid wellicht wat radiovriendelijker maakte. Bijkomend voordeel: goed is te horen hoe bassist Rocky Laws met zijn warme tonen (hij speelt met de vingers, niet met plectrum) lekkere partijen neerzette.
Meest opvallend is de drumsound: er zit een strakke gate op vooral de snaredrum, die daardoor wat afgeknepen klinkt. Normaliter zou ik dat niet leuk vinden, maar Tsangarides was geen prutser: het past goed in de balans.
De reden dat ik dit een heerlijk plaatje vond (en vind!) is dat gitarist John Sykes weer spetterende solo’s neerzet en Jon Deverill als een krachtige nachtegaal zingt. Een stem die eeuwige jeugd suggereert en op Never Satisfied bovendien een rauw randje krijgt. Daarmee hadden de Tygers een eigen geluid binnen de new wave of British heavy metal.
De snelle nummers zijn favoriet gebleven. Behalve het nummer dat ik zojuist noemde zijn dat Running Out of Time en vooral Raised on Rock. Ook het uptempo Love Don’t Stay hoort bij de sterkste composities met een pakkende gitaarlijn in het refrein.
In die periode hadden de ToPT een volle concertagenda en oogstten lovende recensies. Iets van die reputatie is op YouTube te vinden, zoals hier. Jammer genoeg sloeg de band vanaf opvolger The Cage een aor-weg in. Sykes had de band toen al verlaten. Het werd hun bestverkopende schijf volgens Wikipedia, maar ik haakte af: aor is een genre dat ik zeker kan waarderen, maar bij hen vond ik het niet passen.
De band viel sinds eind 1982 enkele malen uit elkaar om weer bij elkaar te komen; helaas voor mij na ’87 zonder Deverill. Die startte namelijk een carrière als theateracteur en acteert nog altijd, gekortwiekt en wel. Hier zijn pagina bij stage32.com. In 2018 maakte hij met Fred Purser, de opvolger van Sykes, een album onder de vlag van Purser Deverill.
Op de site gisterennogvandaag.com vind je een interview met de band uit het blad Joepie van 1982; zie hier, even scrollen. Van hun ‘We gaan de wereld veroveren’ wat daar wordt genoemd kwam weinig terecht, maar zo klonken ze wel degelijk ten tijde van Spellbound en Crazy Nights!
Sinds 2016 verschenen bovendien twee meer dan degelijke albums van de band, zij het in een bijna geheel andere bezetting dan toen. Desondanks goed genoeg voor mij om weer aan te haken.
Tygers of Pan Tang - Spellbound (1981)

4,5
0
geplaatst: 12 juli 2022, 15:40 uur
Zoals het weer plotseling kan omslaan, zo sloeg in 1980 het weer in Hardegitarenland om. Met de New wave of British heavy metal stapte een nieuwe generatie heavy bands naar voren met een stijl die beduidend heftiger was dan voorheen. Harder en sneller.
De invloed hiervan liet zich ook in Nederland volop gelden bij pubers zoals ik. Geboeid volgden we hetgeen er in het land van Margaret Thatcher gebeurde. In 1981 draaide Hanneke Kappen in haar programma Stampij een nieuwe band, die indruk maakte met hun tweede album.
Ten opzichte van hun debuut maakten Tygers of Pan Tang reuzestappen vooruit. De reden hiervan was de toetreding van twee nieuwe, onbekende leden. Jon Deverill verving de vorige, matige zanger. Met zijn heldere, emotionele stem klinkt iemand die uiterst geschikt was voor krachtige melodieën.
Gitarist John Sykes voorzag de band van flitsende solo’s, die op het debuut ontbraken. Hiermee had de band naast Robb Weir een tweede gitarist en daarmee een zwaarder geluid. De “oudgediende” gitarist concentreerde zich daarmee vooral op componeren en slaggitaar.
Spellbound bevat lentefrisse metal zoals dat in die dagen "moest": meestal uptempo of sneller dan dat, sterke riffs en een (voor die dagen) vette en tegelijkertijd heldere productie, dit laatste dankzij producer Chris Tsangarides.
Nog altijd verschijnt een grijns op mijn gezicht als ik dit album hoor. Het enthousiasme van de bandleden overspoelt je continu: jonge en getalenteerde honden die de wereld wilden veroveren. Hoge tempo’s, gitaarmuren, sterke composities en relatief korte songs bepalen de sfeer.
Enigszins gedateerd doet het drumwerk van Brian Dick aan, die nog niet dubbele basdrumpatronen laat horen, zoals in die dagen wel het geval was bij onder meer Motörhead en Saxon. Desdanks mept hij de boel energiek aan elkaar, terwijl heerlijke riffs worden afgewisseld met talrijke flitsende gitaarsolo's. Op Take It klinkt zelfs een fijn gitaarduel tussen Sykes en Weir.
De plaat bevat één semi-ballad: Mirror bevat zowel emotionele zang (wat ís die Deverill toch een natuurtalent!) als gepassioneerd spel en laat alweer de nodige energie uit het vinyl spatten. Tsangarides voorzag Mirror en het midtempo Don’t Stop By van spaarzame toetsen en in laatstgenoemd lied zijn bovendien pauken te horen, die de vette sound extra dik aanzetten.
Hoe groot de voorwaartse stappen waren die de band maakte tussen de bezetting van het debuut en die van Spellbound, liet Hanneke Kappen horen toen ze een liveversie van Slave to Freedom draaide, B-kant van single Don't Stop By. Hier de versie van Wild Cat (1980) en daar de live-singleversie (1981). Niet normaal hoeveel beter de versie met Deverill en Sykes is.
Op streaming is de trackvolgorde van het album gewijzigd. Op de (voormalige) B-kant zijn Tyger Bay en Black Jack met elkaar verwisseld. Hierdoor is het zwakste nummer het één na laatste geworden, maar zelfs deze is goed te doen. Wat word ik toch weer vrolijk van dit plaatje!
De invloed hiervan liet zich ook in Nederland volop gelden bij pubers zoals ik. Geboeid volgden we hetgeen er in het land van Margaret Thatcher gebeurde. In 1981 draaide Hanneke Kappen in haar programma Stampij een nieuwe band, die indruk maakte met hun tweede album.
Ten opzichte van hun debuut maakten Tygers of Pan Tang reuzestappen vooruit. De reden hiervan was de toetreding van twee nieuwe, onbekende leden. Jon Deverill verving de vorige, matige zanger. Met zijn heldere, emotionele stem klinkt iemand die uiterst geschikt was voor krachtige melodieën.
Gitarist John Sykes voorzag de band van flitsende solo’s, die op het debuut ontbraken. Hiermee had de band naast Robb Weir een tweede gitarist en daarmee een zwaarder geluid. De “oudgediende” gitarist concentreerde zich daarmee vooral op componeren en slaggitaar.
Spellbound bevat lentefrisse metal zoals dat in die dagen "moest": meestal uptempo of sneller dan dat, sterke riffs en een (voor die dagen) vette en tegelijkertijd heldere productie, dit laatste dankzij producer Chris Tsangarides.
Nog altijd verschijnt een grijns op mijn gezicht als ik dit album hoor. Het enthousiasme van de bandleden overspoelt je continu: jonge en getalenteerde honden die de wereld wilden veroveren. Hoge tempo’s, gitaarmuren, sterke composities en relatief korte songs bepalen de sfeer.
Enigszins gedateerd doet het drumwerk van Brian Dick aan, die nog niet dubbele basdrumpatronen laat horen, zoals in die dagen wel het geval was bij onder meer Motörhead en Saxon. Desdanks mept hij de boel energiek aan elkaar, terwijl heerlijke riffs worden afgewisseld met talrijke flitsende gitaarsolo's. Op Take It klinkt zelfs een fijn gitaarduel tussen Sykes en Weir.
De plaat bevat één semi-ballad: Mirror bevat zowel emotionele zang (wat ís die Deverill toch een natuurtalent!) als gepassioneerd spel en laat alweer de nodige energie uit het vinyl spatten. Tsangarides voorzag Mirror en het midtempo Don’t Stop By van spaarzame toetsen en in laatstgenoemd lied zijn bovendien pauken te horen, die de vette sound extra dik aanzetten.
Hoe groot de voorwaartse stappen waren die de band maakte tussen de bezetting van het debuut en die van Spellbound, liet Hanneke Kappen horen toen ze een liveversie van Slave to Freedom draaide, B-kant van single Don't Stop By. Hier de versie van Wild Cat (1980) en daar de live-singleversie (1981). Niet normaal hoeveel beter de versie met Deverill en Sykes is.
Op streaming is de trackvolgorde van het album gewijzigd. Op de (voormalige) B-kant zijn Tyger Bay en Black Jack met elkaar verwisseld. Hierdoor is het zwakste nummer het één na laatste geworden, maar zelfs deze is goed te doen. Wat word ik toch weer vrolijk van dit plaatje!
