MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

The Cars - Panorama (1980)

poster
3,0
Panorama is de derde van The Cars uit Boston, verschenen in augustus 1980. Na de succesvolle voorgangers The Cars (1978) en Candy-O ('79) was er alleen in de VS succes: single Touch and Go haalde half oktober 1980 #37 in de Billboard Hot 100 en het album stond vanaf 19 september enkele weken #5 in de Billboard 200.

Al vanaf het debuut was de vernieuwende productie opvallend en op Panorama wordt dat verengd tot iets als een koele, witte koelkast op een zomerse dag, het duidelijkst te horen in het strakke drumgeluid.
Dat is lekker, maar teveel composities blijven achter door een gebrek aan pakkende melodieën. Het titelnummer dat de plaat opent is prima, nog iets beter is Gimme Some Slack dankzij de riff in combinatie met de zanglijn.
Don't Tell Me No is mager, ondanks de opvallende bariton in het refrein; moet daar aan 10 CC's Dreadlock Holiday denken. In het snelle Getting Through vallen vooral de Star Warsgeluidjes uit de synths van Greg Hawkes op.

Kant 2 opent met Misfit Kid dat eindelijk zo'n pakkend refrein als voorheen bevat, maar wat zijn die coupletten lang en saai, zeker als het nummer 4'32" duurt... In het ingetogenYou Wear Those Eyes een bescheiden drumcomputer met wederom coupletten die te lang doorgaan zonder memorabele melodie. Running to You heeft met de synths iets weg van het Engelse Tubeway Army / Gary Numan. Een goed refrein, alweer zijn de coupletten te mager.
Als Elliot Easton en zanger Ric Ocasek in slotlied Up and Down hun gitaren opeens laten scheuren, blijkt dat noodzakelijk venijn wordt toegevoegd. Mijn tweede favoriet van de plaat.

Hierboven beschrijven MuMensen het als "ongepolijst". In mijn oren juist zó strak, mede door de zakelijke coupletten, dat ik opwinding mis. In 2017 verscheen deze cd met vier bonustracks. Voor het originele album geef ik een mager zesje.

Mijn reis door new wave van 1980 kwam van het Nederlandse The Press en vervolgt bij het Schotse Skids, dat ongeveer tegelijkertijd met The Cars hun derde album The Absolute Game uitbracht.

The Cars - The Cars (1978)

poster
3,5
New wave in de VS was aanvankelijk vooral een New Yorkse aangelegenheid. Enige uitzondering in mijn reis door het genre was Devo uit Akron, Ohio. Maar in mei 1978 debuteren The Cars uit Boston.

Hun demo's maakten indruk op platenbazen, die in de gaten kregen dat new wave wel eens meer en meer succesvol zou kunnen worden. De vier groepsleden kozen slim voor het label Elektra, omdat die geen genregenoten onder contract hadden en zich dus zouden inzetten om op deze trein te springen.
De groep zet melodieuze gitaarrock neer, enerzijds fris in de sfeer van new wave, anderzijds vrij gepolijst met sterke melodieën en koortjes. Die groepsvocalen zitten zó goed in elkaar dat je zou kunnen denken dat de heren van Queen ze zongen, zoals in het refrein van de hitsingle My Best Friend's Girl. Een nummer dat ruim een jaar na verschijnen in Nederland in juli 1979 #40 haalde in de Nationale Hitparade. Verder handklapjes, een sobere toetsenlijn en vooral veel melodie. Alternatief en toch geschikt voor een groot publiek.

Hierboven hele enthousiaste verhalen, ik ben minder euforisch en houd het op een keurige 7 als schoolcijfer. Kant 2 vind ik minder, al is All Mixed Up een sterk slot. Maar laat u niet door mij afleiden, dadelijk nog wat cijfers die mij keihard weerspreken. Bovendien is hoorbaar hoe helder producer Roy Thomas Baker de groep liet klinken; niet warm-knus zoals de jaren '70 voordien nogal eens klonken, maar helder en strak.

Just What I Needed werd in de Amerikaanse Billboard 100 in september '78 #27, My Best Friend's Girl #36 in december, Good Times Roll in mei '79 nog eens #41. Drie hitsingles van één elpee, een sterke start. Elpee The Cars stond dan ook 139 weken in de Billboard 200, in maart '79 piekend op #18. In Nederland overigens geen albumnotering. Vreemd!

Mijn reis door new wave en co kwam vanaf de vierde Ramones en vervolgt bij het Australische The Saints, inmiddels vanuit Engeland opererend.

The Chords - So Far Away (1980)

poster
4,5
... of anders geformuleerd: het beste album dat The Jam nooit maakte. Ik geef het een negen.

Waren de Londenaren van The Chords inderdaad sterk onder invloed van The Jam? Dit was mod: new wave rock in de geest van The Who in hun jaren '60. Onmiddellijk wordt duidelijk dat de heren konden spelen en bovendien sterke liedjes schreven. Daarbij lijkt het of drummer Brett Ascott acht armen heeft en de energie van een roedel jonge wolven. Niet normaal!
Andere kwaliteiten en verschillen: de stem van slaggitarist Bill Hassett is wat ronder en lichter dan die van Paul Weller bij The Jam, maar net zo krachtig. Zeer geschikt voor de wervelende liedjes. The Chords zijn daarbij een kwartet, met leadgitarist Chris Pope en bassist Martin Mason. De laatste twee zingen bovendien pakkende koortjes, waarmee de modrock soms naar powerpop neigt.

De groep scoorde in het VK vanaf september 1979 zijn eerste hitje met Now It's Gone (bescheiden #63), in oktober 1980 was daar hun vijfde en laatste hit met In My Street (#50). Drie van hun hits staan niet op dit album, maar Maybe Tomorrow en Something's Missing wel, ieder een plaatkant openend. Het complete hitsingleoverzicht staat hier, terwijl dit So Far Away in mei 1980 #30 haalde.

Veel variatie maar steeds uptempo en stevig. Wie daarvan houdt, krijgt keuzestress als hij een favoriet moet kiezen. Mij lukt het niet!
Het Byrdsachtige getokkel in het intro van Happy Families bijvoorbeeld, waarna een pakkende melodie volgt. In What Are We Gonna Do Now? speelt Pope een lickje waarvan het geluid lijkt op dat van The Status Quo in 1968. De piano die hier en daar opduikt is van gastmuzikant Mick Talbot, later met Paul Weller oprichter van The Style Council.

So Far Away verscheen in het VK in bescheiden oplage met een gratis bonussingle. De Duitse persing gaf de plaat een andere hoes. In 1999 kreeg het een uitgebreide cd-heruitgave. De groep heeft daarbij een interessant verhaal, te lezen bij A fan site on mod punk. Zo viel de groep al in 1981 uit elkaar, om in 2010 terug te keren.

Allerliefste MuMe-bazen, mag ik voor één keer twaalf favorieten aanwijzen? In afwachting van uw ongetwijfeld positieve antwoord de vermelding dat mijn reis door het land van new wave kwam van oktober 1980, The Black Album van The Damned. Ik keer terug naar die maand: op naar het debuut van Killing Joke.

The Church - The Blurred Crusade (1982)

poster
4,5
De melancholische new wave van The Church heeft mij altijd kunnen bekoren. Nooit kocht ik een volledig album van ze, maar toen ik laatst op tweedehands elpee The Blurred Crusade tegenkwam, besloot ik om het daar niet meer bij te laten. Daar heb ik bepaald géén spijt van.

Slechts één hit scoorden ze in Nederland en dat Under the Milky Way staat niet op dit album maar op het zes jaar later verschenen Starfish. Dit is hun tweede, maar toch kende ik opener Almost with You, wat betekent dat ik ze indertijd op de radio moet hebben gehoord. Vast bij VARA en KRO, gezien dat dit uit 1982 stamt.
Prachtig galmende gitaren golven mijn oren in, net als op When You Were Mine, dat eveneens erg sterk is. Hier klinkt een kalme weemoed, enigszins vergelijkbaar met Echo and The Bunnymen. Kristalhelder geproduceerd door Bob Clearmountain.
Het album bevalt mij het beste als de nummers uptempo zijn. Dat gebeurt wederom op kant 2 met Just for You. De manier waarop zanger Steve Kilbey zijn stem gebruikt, lijkt op die van Steve Harley van Cockney Rebel van zeven jaar eerder. Het gitaarwerk doet af en toe denken aan de hardrock van enkele jaren eerder, zoals de solo in Just for You dat kant 2 opent. Daarbij klinken ook prachtige mandolinegeluiden.
A Fire Burns is vervolgens bijna snel, waarna gas wordt teruggenomen met To Be in Your Eyes, waar de stem van Kilbey heerlijk verkouden klinkt - schijn bedriegt. You Took duurt bijna acht minuten maar is gevarieerd opgebouwd, waarna de 120 seconden van Don't Look Back de plaat afsluiten. Heerlijk bandje, heerlijk plaatje. Een sfeer om aangenaam in weg te dromen.

Teksten op de binnenhoes, waarop ook vier fraaie blauw-witfoto's van de vier heren. New wave op z'n mooist.

The Clash - Give 'em Enough Rope (1978)

poster
3,0
Hm, potpourri bij The Clash? Met de stevige gitaren en de kenmerkende zang van Joe Strummer hoor ik wel degelijk een homogeen geluid. Ik ben momenteel op reis door de new wave van 1978 en twee stations geleden was ik bij het debuut van The Shirts, waar een grotere verscheidenheid aan stijlen klinkt - maar nog altijd The Shirts!

Op Give 'em Enough Rope met zijn westernhoes klinken de Londenaren opgewekt en strijdvaardig. Het verschil met hun titelloze debuut van het jaar ervoor is wat dat betreft niet groot. Het was hun eerste langspeler in de VS, in eigen land was het de tweede, in november 1978 verschenen, zeventien maanden na het debuut.
In eigen land twee bescheiden hits: Tommy Gun haalde in februari '79 #19, English Civil War in maart #25. Het album haalde er bij verschijning meteen #2, wat mogelijk de reden is dat de singles er minder verkochten. In de VS geen hitsingles maar wél #128 in april '79.

De gitaren zitten in de mix van Sandy Pearlman ronkend in de mix en ook het drumgeluid is lekker vet. Met de oren van nu zou je, zoals bij zovele punkpioniers, verbaasd zijn dat dit punk werd genoemd. Maar de wereld moest veranderen, zoveel is duidelijk voor een fan van The Clash.
Andere sterke nummers: de uiteraard felle opener Safe European Home, het even pittige Drug-Stabbing Time en slotnummer All the Young Punks (New Boots and Contracts) dat een mooie melodie en uiteraard kritische tekst heeft. De overige nummers zijn wat kalmer en willen niet beklijven, door het ontbreken van pakkende riffs of melodieën. Neemt niet weg dat het spelplezier uit de groef springt...

Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave van 1978 kwam van de New Yorkse punkpioniers Pure Hell en vervolgt bij de tweede van het Nederlandse Gruppo Sportivo.

The Clash - Hits Back (2013)

poster
3,5
Non-albumsingles, dat was wel een dingetje in de tijd dat ik als prille tiener in de popmuziek rolde. Kende je van de radio een leuk liedje en vond je singletjes te duur (7 á 8 gulden voor slechts twee liedjes), dan wilde je de elpee. Kopen of liever nog lenen uit de bieb, want mijn beurs was klein. Soms gebeurde het dat nét dat éne liedje daarop ontbrak. Balen.

Misschien verging dat ook menig Britse tiener zo met de reggaerock van Bankrobber van The Clash. Het haalde eind augustus 1980 #12 in de hitlijst daar, een #14 in Ierland en Nieuw-Zeeland (oktober). Geproduceerd door Jamaicaan Mikey Dread, kreeg de single extra aandacht omdat de politie had ingegrepen bij de opnamen van de videoclip, in de veronderstelling dat het echt was.

De eerste verzamelaar van The Clash met Bankrobber erop was de elpee Black Market Cash uit datzelfde jaar, maar daarvoor moest je naar de VS/Canada: de groep was bezig daar door te breken en men had behoefte aan meer muziek dan de tot dan toe verschenen albums. Pas acht jaar later was daar The Story Of, Volume 1 en kon men elders het liedje aan zijn collectie toevoegen.
Op streaming kom ik hem inmiddels tegen op deze compilatie Hits Back uit 2013. Daar valt nogmaals op dat dub/reggae één van de regelmatig gekozen zijpaadjes was waarop The Clash zich waagde, waarbij het viertal hun liedjes nogal eens voorzag van geëngageerde teksten. Politiek bewust en daarmee voortbordurend op de sociaal bewogen punk waarmee de groep enkele jaren eerder begon. Door de muzikale variatie en de gepassioneerde zang van voornamelijk Joe Strummer en Mick Jones, vormt deze compilatie een fijne samenvatting van de carrière van The Clash.

Bankrobber is één van de nummers op mijn afspeellijsten met new wave en aanverwanten, waarbij ik de albums erachter beschrijf. Ik kwam vanaf de vaak sombere synthwave van The Passage op hun album Pindrop en vervolg bij een regulier album van The Clash dat eveneens (bijna) als een verzamelaar klinkt, opnieuw vanwege de zijweggetjes: Sandinista!

The Clash - London Calling (1979)

poster
4,0
Met hun derde album schudde The Clash het punkdons van zich af om voor een bredere aanpak te kiezen. Half december 1979 verscheen London Calling, te kort voor Kerst om dat jaar nog een grote BOEM te brengen, maar van 1980 herinner ik me de lovende recensies en artikelen over de groep. Dat ze met een dubbelaar kwamen van dit niveau, vergrootte de bewondering in Oor neergepend, mét de constatering dat punk zich naar andere stijlen had doorontwikkeld. Negentien nummers, uitgezonderd kant 4 vijf per plaatkant zonder zwakke broeders? Knap gedaan.

Eigenlijk verschilt de aanpak niet sterk van de voorgangers, maar een scheurende gitaar is minder prominent. De nieuwe wind wordt snel duidelijk: het staccato titelnummer dat tot een klassieker uitgroeide, de cover van de Amerikaanse Brit Vince Taylor Brand New Cadillac (oorspronkelijk uit 1958) en het met blazers versierde Jimmy Jazz tonen meteen dat The Clash toegankelijker was geworden, interessanter voor een breder publiek.
Andere hoogtepunten van de eerste plaat: op kant 2 Rudie Can't Fail met z'n opgewekte blazers, meer vrolijke muziek maar een ernstige tekst in Spanish Bombs en rockreggae in The Guns of Brixton, het tweede grote hoogtepunt van de plaat.

Kant 3 trapt af met ska inclusief blazers via Wrong 'em Boyo maar verderop leunt The Card Cheat op piano in een alweer energiek nummer. Achterover leunen is er niet bij.
Op kant 4 geniet ik van het rockende The Four Horsemen, swingende reggae in Revolution Rock waar drummer Topper Headon weer eens bewijst veelzijdiger te zijn dan de punkrock die hij voorheen speelde; het alweer swingende slotlied Train in Vain lijkt wel een vooruitwijzing naar later werk.

De dubbelaar deed de nodige deuren opengaan. In het eigen VK werd single London Calling half januari #11, de hoogst genoteerde single van The Clash tot dan. Het album haalde er in de weken rond Kerst en half januari #9.
Met de voorganger was de groep in de VS gedebuteerd met een 128e plek in de Billboard 200 albumlijst, London Calling haalde er zonder hitsingle in maart 1980 #27, terwijl de piepjonge The Pretenders hen daar diezelfde week op de hielen zaten. Een album dat ik binnenkort hoop te bespreken.

Afgelopen zomer kwam ik in de Poolse stad Szczecin een platenzaak tegen met de naam Jimmy Jazz - toch bijzonder voor een Brits album van 45 jaar geleden. Het is in die stad dat ik dit album op (enkele!) cd kocht, met een hoes die dezelfde sfeer heeft als de oorspronkelijke uitgave.
Is alles op London Calling even spannend? Nee, maar er is geen matig nummer te vinden en daarom is dit een dikke 8 waard. Fris, energiek, creatief en (vooral zichzelf) innoverend met het pakkende titelnummer als monumentje in de popgeschiedenis.

Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave kwam van de Nederlandse film en soundtrack Cha Cha. Laatste album uit 1979 is tevens een voorbode van de Neue Deutsche Welle: het titelloze debuut van Mittagspause.

The Clash - Sandinista! (1980)

poster
3,0
Net als een jaar eerder met London Calling verscheen Sandinista! aan het einde van het jaar. De voorganger was een dubbelelpee en de opvolger bevat zelfs drie schijven, waarvoor de band bereid was om iets minder inkomsten te krijgen zodat ie niet voor de drievoudige prijs in de winkel verkrijgbaar zou zijn.
In januari 1981 stond in Oor de recensie van Martijn Stoffer, die meldde: "Heel veel en van alles wat dus, en dat is geenszins een garantie voor kwaliteit," maar ook "ik kan echter niets anders zeggen dan dat de eerste twee plagen van Sandinista! bol staan van de kwaliteit" en "op plaat no. drie zakt de kwaliteit beduidend: hier zijn, enkele uitzonderingen daargelaten de restjes terechtgekomen, waaronder een aantal dubversies van al op plaat no één en en twee voorkomende songs". "De eindconclusie is echter onverdeeld positief [...] en dat voor nog geen f. 30,-".

Opgenomen in Manchester en New York hoor je de invloeden van respectievelijk het VK, de VS en Jamaica. Het eerste land brengt de van de groep bekende scheurende gitaren, het tweede funk en het derde dub met veel bas en echo-effecten. Reggae hing sowieso al in de Britse lucht met naast de talrijke zwarte namen ook de nodige witte, zoals in 1978 The Police, in '79 Fischer-Z en The Ruts en in '80 UB40. Maar met alle dub is The Clash in hun crossover toch een stuk radicaler.
Je zou Sandinista! ook kunnen zien als een voorloper van hetgeen U2 in 1988 met Rattle and Hum zou doen: Amerikaanse cultuur integreren in de eigen muziek. Het opvallendst gebeurt dat in The Sound of Sinners, dat kant 3 met black gospel afsluit.

Qua verkoopsucces valt het in eigen land wat tegen. Sandinista! piekte in de eerste week (december '80) meteen op #19 en verdween in februari alweer uit de Britse albumlijst.
De singlehits waren nog kleiner. Eerst was daar The Call Up, dat bij entree op 30 november 1980 meteen z'n hoogste plek sprong: #42. Hitsville U.K. kwam in januari '81 tot een bescheiden #56 en The Magnificent Seven in april tot #34.
De site van het Amerikaanse Billboard is inmiddels moeilijker toegankelijk - eerst inloggen is nu het devies, maar ik wil er geen account. Zeker is dat hitsingles ontbraken en dat Sandinista! er in maart 1981 #20 haalde, wat dan wél heel behoorlijk is.

Andere opvallende zaken in de muziek? Allereerst zijn er vele gastbijdragen. Zoals toetsenist Mickey Gallagher en bassist Norman Watt-Roy, beiden van Ian Dury & The Blockheads. De mondharmonica van Lew Lewis van Eddie & The Hot Rods klinkt op maar liefst vijf nummers.
Meer bezoekers bij Hitsville UK, een duet met zangeres Ellen Foley, dezelfde als van Paradise by the Dashboard Light (1978) van Meatloaf, soloalbum Nightout van het jaar erna en het duet We Gotta Get outta Here met Ian Hunter uit 1980. Ze was erbij vanwege haar relatie met zanger-gitarist Mick Jones. In Lose That Skin werkt de groep met violist Tymon Dogg, een oud maatje van zanger-gitarist Joe Strummer, wat een vrolijk fiddlenummer oplevert.
Jongste gast is Maria Gallagher, dochtertje van Mickey, die ná Broadway op een verborgen track zingt. Ze doet klassieker Guns of Brixton van The Clash nog eens dunnetjes over. Geinig, net als wanneer haar broers Luke en Ben een andere Clashklassieker doen terugkeren, leidend tot het vrolijke en charmant-valse Career Opportunities.

Behalve funk, rock, reggae en gospel is er rockabilly in The Leader en het met marimba versierde Look Here, drummer Topper Headon zingt de sterke spacegunpop van Ivan Meets G.I. Joe, psychedelische pop in Rebel Waltz, wave/powerpop in Somebody Got Murdered en Up in Heaven, in Police on my Back klinkt The Clash stevig als op hun eerste twee albums, Midnight Log is als gothic rockabilly, calypso via Washington Bullets waarin tevens de albumtitel klinkt en in Mensforth Hill wordt geëxperimenteerd met geluidscollages, backward opgenomen geluiden en synthesizer. Ik vermoed dat davevr hier verdrinkt in de chaos. Dominante synthesizers in Sillicone on Sapphire.

Drie plaatkanten die de nodige kanten opgaan. Het is bij vlagen intens, maar voor degenen die van dub-reggae en funk houden, valt er het nodige te genieten. Bij die groep hoor ik niet, vandaar mijn bescheiden waardering. De funk van The Magnificent Seven en de popsoul van Hitsville U.K. bijvoorbeeld duren me te lang.
Tot slot nog een vraag: hoor ik in het intro van Lightning Strikes dj Habte Selassie van het New Yorkse radiostation WBAI zeggen: "Okay, okay, dankjewel"?

Mijn reis door new wave kwam van single Bankrobber van The Clash en de compilatie Hits Back; ik vervolg bij een album waar ik drie jaar geleden ook was: Trust van Elvis Costello & The Attractions.

The Clash - The Clash (1977)

poster
3,5
Toen ik vanaf 1980 Muziekkrant Oor ging lezen en de Popencyclopedie las (letterlijk van A tot Z, nerd die ik ben) kwam ik vanzelfsprekend ook The Clash tegen. Over hun titelloze debuut leerde ik dat dit (links-)politiek geëngageerde punkgroep was. Sommigen popjournalisten maakten in dat opzicht vergelijkingen met de protestgeneratie van de jaren '60.

Medio juni/juli 1976 verscheen de debuutsingle van Joe Strummers vorige groep The 101'ers. Hij is dan al overgestapt naar The Clash, gevraagd door gitarist Mick Jones en bassist Paul Simonon, zo vertelt de officiële website.
Wikipedia echter vertelt dat manager Bernard Rhodes en de toenmalige gitarist Keith Levene degenen waren die Strummer losweekten. Op 4 juli 1976 volgt het eerste optreden. Duidelijk is dat Rhodes van meet af aan een heldere koers helpt uitzetten. Strummer verwoordde het in oktober '76 in punkmagazine Sniffin' Glue zo: "I don't believe in all that anarchy bollocks!", in december '76 door hem in NME verduidelijkt met “We’re anti-Fascist, we’re anti-violence, we’re anti-racist and we’re pro-creative".

Na bezettingswijzigingen verschijnt in maart '77 single White Riot die in april op #38 piekt in de Britse hitlijst, diezelfde maand gevolgd door deze debuutelpee. Dit bij het majorlabel CBS: niet alles in punkland was volgens het credo 'Do It Yourself' .
Acht nummers op kant 1, zes op kant 2. Muzikaal gezien klinkt stevige rock, die met zijn melodieën toch toegankelijk klinkt. Althans, met de oren van nu. Toen kwam dit een stuk rauwer binnen. In de cover van Police & Thieves van de Jamaicanen Lee Perry en Junior Murvin is hun reggae fraai verpunkt.
Persoonlijke hoogtepunten naast de single zijn I'm So Bored with the U.S.A., het met een kleine gitaarsolo beginnende What's My Name en het felle Career Opportunities.

The Clash behaalde bij verschijnen meteen zijn hoogste positie: #12 op 24 april 1977. Punk bereikte een groter publiek.
New wave is een containerbegrip en eigenlijk is punk dat ook. The Clash klinkt beduidend anders dan collega-punkpioniers als Ramones, The Stranglers, Buzzcocks en Sex Pistols: ieder had zijn eigen stijl. En dit is muzikaal héél andere koek dan mijn vorige album tijdens mijn reis door new wave en de randen daarvan, Get It van Dave Edmunds. Ik ga verder van Londen naar Dublin en de The Radiators from Space.

The Company of Snakes - Burst the Bubble (2002)

poster
4,0
Studioalbum als opvolger van livedebuut. Opgenomen voor het label SPV bracht The Company of Snakes een volgende lading hardrock in de traditie van Whitesnake. Dit met Stefan Berggren als inmiddels vaste zanger, op drums John Lingwood en vooral drie ex-leden van de witte slang: gitaristen Micky Moody en Bernie Marsden en bassist Neil Murray.
Je kunt je daarbij afvragen waarom niet de groepsnaam The Snakes werd aangehouden, die van hun vorige studioplaat. De hoes van Company of Snakes verwijst immers ondubbelzinnig naar Whitesnakes Lovehunter en de muziek doet dat ook. Kortom, Burst the Bubble is het logische vervolg op die groepen, zij het dat Berggrens stem wat lichter is dan die van Jørn Lande. Hij doet me soms aan die van John Sloman denken, zanger van onder meer Uriah Heep. Hees-rauw maar niet zwaar.

Maar liefst zes nummers van het vorige studioalbum staan ook op deze opvolger: All Dressed Up, Can’t Go Back, Labour of Love, Little Miss Happiness, Sacrificial Feelings en What Love Can Do. Voldoende gelegenheid om de nummers te vergelijken; ik vind ze in beide edities prettig.
Het album opent én sluit prachtig met het instrumentale en akoestische Ayresome Park. Daartussen wordt blues in een denim hardrockjas geserveerd.
Lekker is de boogiepiano in Labour of Love. De hoes vermeldt geen toetsenisten, maar de bedankjes aan Adam Wakeman en Don Airey wijzen de verdachten aan. In Burst the Bubble wordt teruggeblikt op 1984, het slepende Sacrificial Feelings bevat herkenbaar en spetterend gitaarwerk, het uptempo en vrij lichte What Love Can Do had zo op Whitesnakes Slide It In of 1987 kunnen staan en was dan een wereldhit geworden en Back to the Blues is geen bluesnummer maar een regelrechte en stevige aor-kraker, met als klapstuk een práchtig refrein.

Na verschijning volgt een tournee door Duitsland, Frankrijk, Spanje en het Verenigd Koninkrijk. Alhoewel Marsden en Moody het muzikaal goed kunnen vinden, hebben de twee daarbuiten niet zo’n klik, schrijft Marsden in zijn biografie. Hij raakt volgens zijn bio “somewhat disinterested” en keert solo terug naar zijn oude liefde: blues. In dit geval akoestische country blues, leidend tot opnamen met de Amerikaan Larry Johnson, op wiens album hij orgel (!) speelt in Hear the Angels Singing.
Ook Moody keert terug naar de blues, al dan niet solo, om vanaf 2010 met de groep Snakecharmer nogmaals hard te rocken.

Burst the Bubble is een enigszins voorspelbaar album, maar tevens zonder zwakke nummers. Geknipt voor iemand die vindt dat het Whitesnake van de eerste jaren wel meer albums had mogen maken. Tot dusver alleen op cd verschenen.

The Company of Snakes - Here They Go Again (2001)

poster
4,0
Dat aan livealbums wordt gesleuteld is geen verrassing voor mij. Maar dat je de originele zanger van een concert wegpoetst en diens partijen in de studio compleet vervangt... Nee, dat kende ik nog niet.

The Snakes vielen vrij snel uit elkaar: het klikte niet met zanger Jørn Lande, vertelt gitarist Bernie Marsden in zijn biografie. De terugkeer naar materiaal van Whitesnake was echter te goed bevallen. Marsden legt contact met zanger Robert Hart (ex-Bad Company) én weet voormalig Whitesnakebassist Neil Murray binnen te hengelen. John Lingwood is bevriend met Marsden en wordt drummer.

Duitser Rainer Hansel, ooit werkend voor UFO, heeft in 2001 een platenlabel en ziet wel iets in Company of Snakes, zoals Marsden de groep heeft genoemd. Hij boekt een optreden op het festival Wacken. Dan echter moet Hart zich afmelden wegens contractuele verplichtingen elders.
Terwijl toetsenist Don Airey erbij wordt gehaald, wordt hard naar een oplossing gezocht. In Gary Barden, ex-Michael Schenker Group, dient zich een eenmalige vervanger aan en zo wordt een succesvol optreden gedaan voor vijftigduizend fans.
De muziek staat er perfect op, zo blijkt in de studio. Alleen jammer dat Bardens partijen onbruikbaar blijken: "Gary hadn't learnt the songs well enough." Welkom Stefan Berggren uit Stockholm, die in de studio de zang overdoet en na een week is daar een 2cd, die "rather predictable" de titel Here They Go Again meekreeg.

Berggrens stem is rauw-hees, maar minder laag dan die van Jørn Lande of David Coverdale. Toch slaat hij zich met verve door de reeks klassiekers heen, die met negentien nummers een fraaie dwarsdoorsnede vormt van de eerste jaren van Whitesnake.
Een enkele keer doet Marsden of Moody de leadzang. De eerste op het nieuwe Kinda Wish You Would op cd 1 en op cd 2 zingt hij bij een drumloze versie van Ain't Gonna Cry No More Today. Moody is degene die het nieuwe Silver on Her Person zingt. Om Aireys dagen bij Rainbow te eren wordt Since You Been Gone niet onverdienstelijk gecoverd.
Opvallend is dat ook werk wordt gespeeld uit de dagen dat na Marsden ook Moody was vertrokken uit Whitesnake. Verrassend klinkt Is This Love, een compositie van David Coverdale met John Sykes. Een nummer dat ik leerde kennen met het verschijnen van 1987. Berggren vult die zangpartij wederom prima in.

Een heerlijke dwarsdoorsnede van Whitesnakes eerste jaren, met als verrassingen de nummers die ik zojuist noemde. Ze verhogen de feestvreugde door méér dan alleen werk van Whitesnake te doen. Wat alleen gek is: na Is This Love stelt Marsden de band voor aan Wacken; Berggren was daar dus niet bij, maar wordt wel genoemd! Een grappig stukje geschiedsvervalsing.

De groep ging vervolgens de studio in, een plaat waar ik eveneens benieuwd naar ben.

The Count Bishops - Good Gear (1977)

poster
2,5
Good Gear van The Count Bishops verscheen in 1977, evenals hun titelloze elpee. Ik probeer te achterhalen welke eerder verscheen, maar krijg op internet geen duidelijkheid.

Wat mogelijk is gebeurd, is het volgende: in het Verenigd Koninkrijk zat de Britse pubrockgroep bij het jonge, onafhankelijke label Chiswick. Good Gear verscheen echter bij de Nederlandse platenmaatschappij Dynamite. Wellicht sloot Chiswick een licentieovereenkomst met Dynamite.
Daarbij is opvallend dat de tracklisten van beide albums sterk verschillen: alleen Shake Your Moneymaker is ook op Good Gear is te vinden.
Wat de boel nog ingewikkelder maakt: hier worden de vocalen gedeeld door gitaristen Zenon De Fleur en Johnny Guitar, waar op debuut-EP Mike Skolnick zingt en op The Count Bishops de strot van Dave Tice is te horen. Dat geeft mij het idee dat Good Gear tussen de albums met de twee frontmannen door verscheen. Wie weet is er een MuMens die kan helpen?

Het is alsof we terug zijn in circa 1965, toen r&b-groepen als Rolling Stones en Pretty Things Amerikaanse rhythm and blues vertaalden in Britse rauwheid. Opgenomen met de Exalto Mobile door Jan Pieter Exalto, kun je ook het label 'garage sound' hierop plakken.
Bij de dertien nummers kom je Carol tegen, het origineel de klassieker van Chuck Berry. Eveneens van die pionier is Bye Bye Johnny. Ik leerde het indertijd kennen in de versie van Status Quo, hier in een iets minder hardrockend jasje - maar nog altijd stevig!

Nadere bestudering leert dat dit eigenlijk één groot coveralbum is met stevige versies van blues-en soulklassiekers, bekend gemaakt door bijvoorbeeld Willie Dixon of Sam Cooke.
Zo is daar Candy. Het stamt uit 1965 en werd als I Want Candy geschreven en uitgebracht door de Amerikaanse groep the Strangeloves. De groep zou het heropnemen voor hun album Cross Cuts (1979).

Waar het lijkt alsof dit album live in de studio werd opgenomen, is een concert dé habitat voor een groep als deze. In 1978 brachten The Count Bishops dan ook een liveplaat uit.
Good Gear staat op YouTube. Als coveralbum aardig, tegelijkertijd niet meer dan dat. Al kan ik me voorstellen dat liefhebbers van Britse blues en r&b uit de jaren '60 daar anders over denken...

The Count Bishops - Speedball Plus 11 (1995)

poster
3,5
1975. Als in Londen gitarist Zenon DeFleur de handen ineenslaat met de Amerikaanse zanger Mike "Spenser" Skolnick en de eveneens Amerikaanse gitarist Johnny Guitar, ontstaat The Count Bishops. In datzelfde 1975 wordt de EP Speedball uitgebracht. Hij duurt een kleine tien minuten, waarin de groep vier intense covers van r&b-klassiekers brengt.
Het 7"-plaatje op 45 toeren was de allereerste uitgave van het splinternieuwe label Chiswick, opgericht door Ted Carroll. Deze had zijn sporen verdiend als manager van Thin Lizzy en wordt door die groep genoemd in de tekst van The Rocker: "I buy my records at the Rock On store, Teddy boy, you got them all!"

The Count Bishops namen eigenlijk dertien nummers op. Net als bij Thin Lizzy wordt hier geróckt: de groep had toentertijd makkelijk in het voorprogramma van Rolling Stones of Status Quo kunnen staan. Sterker nog, ze waren een ideale opwarmer geweest. Was dit tien, twaalf jaar eerder uitgebracht, dan waren ze wellicht naast Stones en Pretty Things één van van de grote namen geworden.
De mondharmonica van Spenser draagt bij aan meer rootsgevoel, waarin niet zozeer originaliteit maar wel energie voorop staat. Tegelijkertijd kun je horen dat het 1975 is. Niet alleen de productie die voller is dan in de eerste helft van de jaren '60 mogelijk was, maar op de B-kant klinkt op Beautiful Delilah de hakkende slaggitaar, net als op Teenage Letter. Smerige gitaren die doen denken aan wat Wilko Johnson gelijktijdig bij Dr. Feelgood speelde. Kort daarna zouden deze energie en korte nummers bij punk gemeengoed zijn.

In 1995 verschijnen de vier nummers met elf andere uit diezelfde sessies als Speedball Plus 11, die een prima indruk geeft van een liveset. Meer covers van vooral Amerikaanse origine, waarbij viermaal werk van Chuck Berry. Luid en smerig gespeeld alsof het 1964 is, het jaar dat de Stones debuteerden. Hierbij ook I Want Candy, oorspronkelijk (1965) van de New Yorkse groep the Strangeloves, in 1982 in mijn wereldje bekend geworden dankzij Londenaren Bow Wow Wow.
Denk er een café met een klein podium met de geur van sigaretten en ale bij en je hebt een indruk van de Londense pubrockscene van 1975, welke voedingsbodem zou blijken voor punk- en new wave die in het najaar van '76 zouden opduiken.

Gemiddeld vind ik de oorspronkelijke EP net wat feller dan de overige elf. Als waardering een 3,5 als compromis. The Count Bishops brachten vervolgens twee singles uit bij het Nederlandse Dynamite-/Dynamolabel en twee jaar later volgde bij Chiswick hun eerste volledige album, dat ik in het vervolg van mijn reis door punk en wave zal beschrijven.
Mijn reis door (de invloeden op en voorlopers van) deze genres kwam vanaf Ziggy Stardust, ik vervolg met de tweede elpee van Dr. Feelgood.

The Count Bishops - The Count Bishops (1977)

poster
3,0
Na 10 Mistakes van Gruppo Sportivo gaat de reis naar Londen, waar The Count Bishops in 1977 hun eerste langspeler uitbrachten. Dit na de EP Speedball (1975).

Wat is nu hun debuutelpee? Op internet kan ik niet vinden of dat deze is of het datzelfde jaar uitgebrachte Good Gear. Logischerwijs is een titelloze plaat de eerste, maar dat is geen wet. Qua stijl lijken de twee albums sterk op elkaar, wat dat betreft maakt het niet uit. Hij staat op mijn streamingplatform én op YouTube.

Pubrock plaveide de weg voor punk en new wave. Dit met zijn aanpak van korte, niet te gecompliceerde maar energiek gespeelde nummers, optredens in kleine zalen (dezelfde waar vanaf 1976 punk opdook) en veelal verschenen op onafhankelijke platenlabels. Zoals deze bij Chiswick.
Muzikaal gezien is het traditioneler, hier betekent dat r&b in ruige rockverpakking. Waar Graham Parker & The Rumour geleidelijk newwave-invloeden integreerden, bleven The Count Bishops hun wortels trouw. Daarmee waren deze wegbereiders in 1977 niet meer de nieuwste trend. Maar dat hoeft ook niet. De hoes toont vijf heren die duidelijk niet zijn gekomen om zich aan iemand aan te passen. In het vinyl werden maar liefst twaalf nummers geperst, die meestal onder de 3 minuten blijven.

Vertrokken is de Amerikaanse zanger Mike Skolnick, die is vervangen door een Brit met schuurpapieren strot, de in Australië opgegroeide Dave Tice. Liefhebbers van elektrische blues zullen hiervan genieten. Alsof je op een conservatief bluesfestival bent en plotseling hoor je één van de stevigste en smerigste groepen in het genre.
In opener I Need You is het gitaarspel messcherp, vergelijkbaar aan hetgeen de nieuwe lichting deed. Het is een cover van The Kinks, welke het in 1965 als B-kant uitbrachten. Bevestigt nog maar eens hoe belangrijk het rifftalent van die groep was voor latere hardrock, metal en punk. Bij The Count Bishops is het uiteraard wél een paar tandjes steviger dan destijds. Sterkste nummer van deze plaat.
Ook afwijkend van de ruige r&b-koers is Baby You’re Wrong, waar men melodieuzer voor de dag komt: een fraai popliedje in rockend jasje.

Dat zijn meteen mijn favorieten van deze plaat, die veel inspiratie put uit de Britse rhythm and blues van de jaren '60. Daarmee zijn The Count Bishops niet heel relevant meer bij mijn reis door new wave en punk en geestverwanten. In dat verband zal ik ze links laten liggen. Wel zal ik de komende dagen hun ontbrekende albums op MuMe toevoegen en daarbij wat zinnigs proberen te melden. Alleen al de blikken op de hoesfoto van dit The Count Bishops verdienen dat…

Ik vervolg mijn reis door new wave met de Tom Robinson Band, hun single 2-4-6-8 Motorway en hun elpeedebuut Power in the Darkness .

The Cramps - Psychedelic Jungle (1981)

poster
3,0
Op reis door new wave in de breedste zin van het woord, kan ik niet om The Cramps heen. Tegelijkertijd kun je je met de enorme retrohang van de groep richting jaren '50 en '60 rockabilly afvragen of de "new" 'm eigenlijk niet vooral in de kleding en het imago zat. Ik krijg het gevoel van mijn vroege puberjaren, toen op de maandagavond op Hilversum 3 Jan Steeman bij de AVRO 'Het steenen tijdperk' presenteerde met daarin precies die periode. In muzikaal opzicht hoor ik The Cramps geen vernieuwende zaken in rockabilly injecteren, of het moet het Beautiful Gardens zijn dat op 2/3 "ontspoort".

Net als het eerste bericht bij dit album van dudehere constateer ik dat de groep voor "een iets langzamere aanpak" kiest. Verder is Psychedelic Jungle goed geproduceerd en de fraaie groepsfoto op de achterzijde is herkenbaar van Anton Corbijn. Van Discogs leer ik dat Don't Eat Stuff Off the Sidewalk een bewerking is van The Fourth Dimension (1964) van The Ventures.
Goed voor te stellen is dat muziek als deze werkt in een serie, zoals de berichten hierboven vertellen. Om als heel album te beluisteren echter, is dit voor mij een te lange retrozit.
In '81 was Herman van der Horst in Oor positief, zie daarvoor het fragment in het MuMe-forum OORdelen. Het jaar daarvoor stonden The Cramps op de coverfoto van het #8-nummer van Oor, daar had men dus wel wat met de groep.

Daarmee ben ik klaar met de de new wave uit mei 1981 (zeventien albums maar liefst, mijn vorige was Animal Now van Ruts DC) en alvorens ik vervolg bij juni, moet ik weer eens een veegronde doen met gemiste albums. Om te beginnen terug naar april 1980, het album Michael & Miranda van The Passions.

The Cramps - Songs the Lord Taught Us (1980)

poster
3,5
In 1980 was ik met mijn ouders verhuisd naar een groter dorp en iets verder in de puberteit. Mijn smaak had zich ontwikkeld met als favoriete stijlen hardrock/metal én new wave, die laatste in de breedste zin van het woord. Want ook de hitparade bleef ik volgen, gewoon door Hilversum 3 te luisteren waar van alles langskwam van underground tot hitparadewerk. Én de Muzikale Fruitmand! , het genre van mijn (groot)ouders en oudoom en -tante.

Oor verscheen nog iedere twee weken op groot formaat en daarom was ik minimaal elke veertien dagen in de bieb te vinden waar ik oude nummers én de nieuwe spelde. Ik was dus een redelijke allesvreter wat popmuziek betrof, al hoorde ik minder namen dan ik las. Zoals The Cramps.
In het voorjaar van 1980 moet ik de recensie van Songs the Lord Taught Us zijn tegengekomen, een plaat die in mei uitkwam. Dankzij dazzler staat een fragment van die recensie uit Oor 6 van dat jaar hier op MuMe met als openingszin "De grootste rock and roll sensatie sinds de Ramones." Toe maar.
In de jaren daarna volgden meer albums en werd ik de bijbehorende psychobillyscene gewaar: een selecte groep liefhebbers met een retro kledingstijl die tegelijkertijd een eigentijds jasje had. Dat gold dus ook voor de muziek: klassieke rock 'n' roll was door een punkmolen gehaald, waarbij tevens ingrediënten uit horror en sm werden toegevoegd. Die laatste twee zijn bepaald niet mijn ding; alhoewel ik vanuit hardrock en metal wel gewend was aan het imago van doodskoppen en skeletten, was dit toch anders.

45 jaar later hoor ik dan eindelijk het gehele album. Ik herken onmiddelijk de psychobilly: zang en gitaren in echo en reverb gedrenkt, akkoordenschema's op z'n rock 'n' rolls. Overeenkomsten zijn er met L.A.M.F. van Johnny Thunders & The Heartbreakers en qua zang met Suicide, beide groepen eveneens uit New York en beide debuten uit 1977. Bij The Cramps is het echter véél meer retro. Sterker nog, op Discogs vind ik dat het album enkele covers en bewerkingen van r&r- en surfoudjes bevat, allemaal nummers die ik niet ken. Heb de jaartallen van de originele versies erbij gezocht.

TV Set is een bewerking van Sundown (1960) van Don And The Galaxies, Rock On The Moon is oorspronkelijk (1959) van Jimmy Stewart, Garbageman komt van Boss (1962) van The Rumblers, I Was A Teenage Werewolf van Strolling After Dark (1962) van The Shades, Sunglasses After Dark is oorspronkelijk (1958) van Dwight Pullen, What's Behind The Mask is een bewerking van Tornado (1958) van Dale Hawkins en I'm Cramped is geleend van Bust Out (1963) van The Busters.
Allemaal namen waar ik nooit eerder van had gehoord en dat zegt iets over The Cramps, die duidelijk studie van hun muzikale wortels hadden gemaakt en dat knap omzetten in eigen werk.

Het is niet mijn kopje thee, maar wél leuk om eens een keer in te duiken. Daarom petje af voor de groep en hun originele invalshoek, waarmee ze een nieuw genre creëerden. Op mijn afspeellijst zette ik echter Strychnine, een eigen compositie waar vooral postpunk klinkt.
De oorspronkelijke elpee sluit af met Fever, in 1956 uitgebracht door r&b-zanger Little Willie Johnson maar vooral bekend in de versie van Peggy Lee van twee jaar later. Bij The Cramps krijgt het een enigszins griezelig sfeertje op een plaat die verder vooral uptempo rockt en rollt. Het orgel wordt hier bespeeld door Booker C oftewel Alex Chilton van Big Star.

In 1998 verscheen de cd-editie met de nodige bonussen, inclusief een ruzie in de studio bij I Was a Teenage Werewolf (with false start). Plezant en gelukkig ook op streaming te vinden.

Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten vervolgt. In dit land van new wave kwam ik van de Duitse elektronica-avant garde van Der Plan, volgende station is The Correct Use of Soap van het Engelse Magazine.

The Cry - Quick Quick Slow (1984)

poster
3,5
John Watts leerde ik in 1979 kennen. Terwijl hij in 1981 met de felle new wave van Fischer-Z langzamerhand populairder werd in zijn eigen Engeland, trok hij de stekker eruit en ging verder onder zijn eigen naam. Niet slim getimed en om na twee soloplaten verder te gaan onder de vlag van The Cry was al helemaal niet logisch. Maar goed, daar had hij alleen zichzelf mee.

Ik zocht Quick Quick Slow al een tijdje op vinyl, wat laatst eindelijk lukte in Rotterdam. Als de plaat verschijnt, is het 1984 en heeft new wave een wat ronder geluid gekregen met meer popinvloeden. Dat geldt zeker voor The Cry, waar de klassieke bezetting van gitaar-bas-drums is aangevuld met trompet, saxofoon en diverse houten blaasinstrumenten. Oftewel, meer popgeluiden en een kalmer geluid.

Het levert een aangenaam popwaveplaatje op, waarop echte hoogtepunten ontbreken. Daartegenover staat dat hetzelfde geldt voor dieptepunten. Kortom, een heel gelijkmatig album dat je nergens steil achterover doet slaan en tegelijkertijd aangenaam is. Met het laatste nummer Need You stoort dat een soort van: alweer een aardig liedje en zonder enige climax is de plaat opeens voorbij.

Een kleine veertig jaar verder treedt john Watts nog steeds op. Eind september hoop ik hem live aan het werk te zien, als hij Red Skies Over Paradise integraal zal spelen onder de vlag van Fischer-Z. Alleen zitplaatsen, wat enige kalmte belooft. Tegenwoordig vind ik dat wel lekker op z'n tijd, een gelijkmatig concert zonder moshpits en bier in de lucht. Ben ik toch nog rijp geworden voor The Cry.

The Cure - 4:13 Dream (2008)

poster
3,0
Met 4:13 Dream maakte The Cure een gitaarplaat met een prominente rol voor Porl Thompson. Je zou het enigszins met het debuut van The Cure kunnen vergelijken. Daar klonk echter koele postpunk-new wave en hier scheurt Thompson vooral.
Gelukkig ontbreekt psychedelische muziek met schreeuwzang; Smith zingt vooral. Toch ben ik blij dat dit oorspronkelijk als 2-cd bedoelde schijfje een enkele is geworden. Dit omdat pakkende melodieën schaars zijn, net als de toetsenpartijen van voorheen. Deze maakten de muziek warmer en dieper, of zelfs heavy zoals op Pornography (1982). Het drumgeluid is evenmin iets wat me bevalt met zijn te prominente potten-en-pannenstijl in de stijl van de jaren ’90 en ’00. Een bewuste keuze van producer Keith Uddin met co-producer Smith.

Mijn hoogtepunten: het vrij ingetogen Sirensong, plus de refreinen van The Real Snow White en The Perfect Boy. Zijn expliciete liefdesverklaring in The Only One, Smith is dan inmiddels alweer twintig jaar getrouwd met zijn Mary, is sympathiek in zijn openhartigheid.
Vrijwel gelijktijdig met het album verscheen een remix-EP, die ik gezien mijn voorkeur en de reacties op MuMe liever oversla…

4:13 Dream blijft ondanks alle beloften tot op de dag van vandaag het laatste reguliere studioalbum dat The Cure uitbracht. Desalniettemin zat en zit de groep verre van stil. Begin 2011 keerde toetsenist Roger O'Donnell definitief terug, vanaf mei dat jaar tijdelijk vergezeld door verloren zoon Laurence “Lol” Tolhurst, de verzoening tussen Tolhurst enerzijds en Smith en de anderen anderzijds definitief makend. Bij de daaropvolgende Australische tournee, gefocust op de albums Seventeen Seconds-Faith-Pornography, fungeerde Tolhurst als tweede toetsenist, waarover hij een ontroerend hoofdstuk wijdt in zijn biografie 'Cured' (2017).
Reeds jarenlang woonachtig in Hollywood deed de terugkeer in Engeland, met name Brighton, veel met hem. De tournee in Australië werd gevolgd door concerten in Londen, New York en Los Angeles.
Hierna ging hij weer zijns weegs, met zijn band Levinhurst in de periode 1999 – 2014 drie albums en drie EP’s uitbrengend, deels op streaming te vinden. Ook die groep is nu dus al geruime tijd stil, waarbij ik de grijzende Tolhurst vermoedelijk niet zou herkennen als ik hem op straat zou tegenkomen.

In mei 2012 verliet Thompson opnieuw de groep. Zijn tijdelijke vervanger was Reeves Gabrels, die ik leerde kennen bij David Bowies Tin Machine. Al spoedig werd hij vast bandlid met een stijl die ik veel liever hoor dan die van zijn voorganger.
Afgelopen november speelde The Cure in Amsterdam een fantastische show. Hierin was niet één nummer vanaf 1996 opgenomen, dus niets van Wild Mood Swings, Bloodflowers, The Cure of 4:13 Dream.
Wél (als ik goed heb) vijf nieuwe nummers: Alone opende het concert, later achtereenvolgens And Nothing is Forever, A Fragile Thing en Endsong, waarna I Never Can Say Goodbye de eerste toegiftenset opende. Bovendien kwam Burn voorbij, in 2004 te vinden op cd3 van verzamelbox Join the Dots. Genoeg pareltjes voor een opvolger van dit matige 4:13 Dream !

The Cure - Acoustic Hits (2017)

poster
4,5
Hierboven las ik met een lichte grijns het gehakketak over het al dan niet zelfstandig plaatsen van dit album op MuMe en zo ja, onder welke categorie.

Ik hoor bij degenen die 'm als bonus-cd bij Greatest Hits uit 2001 heeft. In april 2017 verscheen Acoustic Hits zelfstandig als picture disc vanwege Record Store Day en in juni dat jaar op gewoon zwart vinyl, vermeldt Discogs.

En ja vielip, ook als je 'm op vinyl zou willen hebben (of misschien heb je 'm inmiddels al?), is dit zéker aan te raden. De liedjes krijgen in deze lichte aanpak een nieuwe, frisse glans die verbazingwekkend goed werkt. Omdat het singles van The Cure betreft, hebben we het over de popkant van de groep en dat past héél goed op akoestische gitaar, waarop wellicht veel van deze liedjes ooit zijn ontstaan. Behalve gitaren zijn ook toetsen te horen en op wederom deze donderdagochtend werkt het heel goed als kickstarter van de dag. Als een ontbijt met een zomers beschuitje met aardbeien.

Omdat het meeste werk uptempo is, doet ie het ook goed onderweg, bijvoorbeeld naar je vakantiebestemming. Ik mag vier favorietjes uitkiezen, maar dat is eigenlijk onmogelijk bij The Cure. Graag wil ik dat aantal minimaal verviervoudigen!

The Cure - Bloodflowers (2000)

poster
3,5
Robert Smith rekent Bloodflowers met Pornography (1982) en Disintegration (1989) tot The Cure's essentiële albums. De eerste vanwege de mentale staat waarin hij verkeerde, de tweede omdat hij dertig werd wat tot enkele overwegingen leidde, de laatste omdat... hij veertig werd. Opnieuw evalueerde hij de stand van zaken. Dit met dezelfde bezetting als op de voorganger, qua personele zaken bleef het voor de verandering rustig.

Omdat ieder nummer midtempo of langzamer is en omdat de eerste twee nummers mij niet pakken, vond ik Bloodflowers aanvankelijk een lange zit. Het is wél een muzikale en tekstuele eenheid, anders dan de vorige albums waarin hij steevast vrolijke pop afwisselde met introvertere muziek. Die laatste sferen domineren nu, maar als je bovendien met minder pakkende melodieën aan komt zetten... Tijdens fiets- of autoritten bijvoorbeeld ongeschikt; hij werkt beter bij stilstand in de (huis)kamer.

Het is een groeiplaat: vaker afspelen wordt beloond, zeker als je de teksten op je laat inwerken. Tegelijkertijd lijken de nummers me teveel op elkaar en is het dus de context die maakt dat het album me snel verveelt.
Met de twee eerste nummers heb ik niet veel. Alhoewel warm geproduceerd, pakken ze me niet qua muziek. Wel wordt duidelijk dat ik bijna in het dagboek van Smith lees, als hij in Out of this World over de eindigheid van het leven zingt en in het eveneens slepende Watching Me Fall zijn mentale kwetsbaarheid duidt.
Met de tekst van derde nummer Where the Birds Always Sing spits ik de oren, al doet de muziek me alweer niet veel. Ik hoor Smith bijna belerend: "The world is neither fair nor unfair" met uitleg. Maybe Someday is dan eindelijk wat vlotter met bovendien de pakkendste melodie.
The Last Days of Summer is weer zo'n typisch dromerig nummer met lang intro, dat we ook van vorige Cures kennen en in There Is No If... lijkt qua tekst een heel openhartige Smith aan het woord, een muzikaal kabbelend nummer waarin me plotseling opvalt dat hij zijn stem laag houdt; het hele album al. Geen opgetogenheid bij hem deze keer.
Bij The Loudest Sound met zijn drumcomputer gaat het langzame tempo met verstilde sfeer me tegenstaan, maar draai de plaat een paar uur later en begin hiermee, dan werkt ie wél. 39 (over de leeftijd) scheurt vrij stevig met even later pompeuze toetsen; melancholie overheerst. Ingetogener is het afsluitende titelnummer in dezelfde sferen, dat langzaam naar een climax opbouwt.

The Cure maakt niet de fout de plaat onnodig te rekken: maar zelfs het kleine uur dat de originele schijfje (of 2LP) duurt, is me te lang. Zet enkele nummers in een andere context (afspeellijst bijvoorbeeld) en ik vind ze plotseling mooier. In tegenstelling tot voorganger Wild Mood Swings geen vrolijke verhalen met oppervlakkige teksten. Persoonlijke introspecties staan op het het tekstuele menu. Die zijn het probleem niet, ik mis muzikale variatie. Voor het eerst in hun discografie dat dát me gebeurt.

The Cure - Boys Don't Cry (1980)

poster
4,5
Heb jarenlang gedacht dat dit hun debuut was, al snapte ik niet goed hoe het dan zat met albumThree Imaginary Boys waar grotendeels dezelfde liedjes op stonden. Later ontdekte ik dat dit een verzamelaar werd genoemd, wat ik niet snapte: na één plaat kun je toch geen compilatie-elpee uitbrengen?
Tegenwoordig zie ik het als een sportploeg die na de rust vier nieuwe spelers krijgt ingebracht en de spelers die bleven staan op andere posities opstelt.

Voor mij was dit de tweede plaat van de band die ik uit de fonotheek leende. Dit in '80 of '81. De sound is direct, in tegenstelling tot opvolger Seventeen Seconds waar de band mystiek galmt. Muziek uit de stad, in tegenstelling tot muziek uit het bos. Tegelijkertijd maken de stem van Smith en de sfeer van de liedjes duidelijk dat dit wel degelijk dezelfde band is.

Als mijn geheugen me niet bedriegt, zette ik maar liefst negen liedjes op een cassettebandje: Boys don't Cry, 10:15 Saturday Night, Jumping Someone Else's Train, Subway Song, Killing an Arab, Fire in Cairo, Another Day, Grinding Halt en Three Imaginary Boys.

Anno 2022 blijken de andere drie liedjes ook in orde. Compilatie of niet, het is een meer dan prima album van een unieke band met simpelweg hele goede liedjes, ook als de productie direct is.

The Cure - Concert (1984)

Alternatieve titel: The Cure Live

poster
3,5
In 2006 ontstond bij deze plaat op MuMe een gesprek waarin de diverse livealbums van The Cure werden vergeleken. Ik was niet zo'n fanatieke Cure-live-luisteraar. Toen dit album in najaar 1984 verscheen, meed ik het zonder een noot te hebben gehoord. Ik vond de sfeer op Seventeen Seconds, Faith en Pornography zo bijzonder, dat ik vreesde dat liveversies die perfectie zouden kapotmaken. Struisvogelpolitiek wellicht, maar ik zwoor bij de specifieke productie van de studio.
Zo’n vijf jaar geleden heb ik ‘m dan toch op cd aangeschaft, om te constateren dat die vrees onterecht was. Natuurlijk klinken de liveversies anders, maar deze beknopte samenvatting van de eerste vijf albums mag er zijn. Het geluid is weliswaar anders, maar verstoort niet de magie.

In zijn biografie Cured vertelt Lol Tolhurst hoe de band zich vernieuwde. Qua uiterlijk en imago: Smith met zijn lange, getoupeerde haar en overdreven lippenstift en de anderen in een lichte versie daarvan. MTV en de daarmee snel stijgende populariteit van de videoclip versterkten dit beeld.
Qua muziek: melancholie werd ingewisseld voor popliedjes nadat Smith hiertoe was uitgedaagd door producer Chris Parry. Een nieuwe generatie synthesizers werd omarmd door ex-drummer en nu toetsenist Tolhurst, waarna drie nieuwelingen toetraden.
Qua populariteit: in augustus 1983 merkten ze tijdens een concert in Los Angeles voor het eerst dat ze een hele grote band aan het worden waren: gillende meisjes. Een eerste voorbode van het ontstijgen van de status van 'band voor mannelijke newwavefans'.

Vervolgens werd met deze “mark 2” The Top opgenomen, waarbij de band in een pub logeerde, eigendom van één van de ex-leden van Ten Years After. Deze gunde hen veel ruimte, zoals een sleutel mét toegang tot de bar, ook buiten openingstijden. Na alle spanningen rond het vertrek van Simon Gallup was dit een verademing, al kijkt Tolhurst inmiddels anders naar zijn alcoholconsumptie.
Op Concert hoor je de vijfmansbezetting van The Top, waarbij Porl Thompson gitaar en toetsen op Give Me It combineert met piep-piep-knorsaxofoon, producer Phil Tornalley de bassist is (hij zou later onder meer bij Johnny Hates Jazz en Bryan Adams (!) opduiken) en op drums de niet-gothic Andy Adams. Hij speelt sterk, ook op de nummers van de eerste vier albums welke oorspronkelijk door Tolhurst werden ingespeeld; Adams blijft dicht bij diens sobere partijen.

Opgenomen tijdens de tournee voor The Top zijn daarvan twee van de mindere nummers op deze registratie beland, die met punkachtige psychedelica / psychedelische punk in het gitaargeluid. Liever had ik de melancholie gehoord die frontman Robert Smith met toetsenist Lol Tolhurst voor dat album schreef.
Tegelijkertijd: hoe vat je vijf sterke albums samen in slechts tien nummers? Hier had immers makkelijk een dubbelalbum van kunnen worden gemaakt; met zoveel keuze is elke selectie arbitrair. Bovendien komen Charlotte Sometimes, 10:15 Saturday Night en Killing an Arab juist verrassend sterk uit de verf.

Op YouTube staan inmiddels twee liveregistraties van deze tournee, eveneens uit 1984: München in januari en Glasgow in augustus. Ze verrijken mijn beeld bij dit album.
Overmorgen ga ik naar The Cure in de Ziggo, wat weer een heel andere live-ervaring zal worden. Eén voordeel zal ik daar niet tegenkomen: de charme van een club, zoals in ’84 nog wel mogelijk was en die op Concert klinkt.

The Cure - Disintegration (1989)

poster
4,5
Begin april 1989, een maand voordat Disintegration zou verschijnen, werd Robert Smith geïnterviewd door het Britse tijdschrift NME, wat in twee delen werd gepubliceerd. De band had inmiddels ook door Japan en Zuid-Amerika getourd en was al groot in Europa en de Verenigde Staten.
De interviewer noteerde: "The day before we spoke, he had told a Japanese Magazine that Laurence Tolhurst had died in a road accident." Een typische draai van Smith die weleens vaker een rookgordijn om de groep verspreidde. Tegen NME is hij wél duidelijk over zijn oude vriend, tevens groepslid van het eerste uur: "He was out of step with everything."

In zijn autobiografie 'Cured' (2016), misschien wel de beste ooit in het popbiogenre, is Tolhorst het helemaal met Smith eens. Zo ontwaakte de toetsenist korte tijd daarvoor in een politiecel, nadat ze hem stomdronken-bewusteloos op straat hadden aangetroffen.
Bij een bezoek aan een arts, deelt deze mee: "You are right inside the bottle and we need to get you out." Tolhursts reactie op dat moment: "Alcoholic? I knew I had a drinking problem, but I wasn't an alcoholic."
Een derde waarschuwing komt tijdens de opnamen van Disintegration van Smith zelf, als hij Tolhurst aantreft met een fles whisky. Tolhurst beschrijft het zo: "He looked at me sadly. (...) 'You don't even like whisky. Each time you take a shot you grimace!"
Hij droeg slechts één á twee ideeën bij voor dit album, maar bij het beluisteren van de eindmix staat Tolhurst plotseling op en roept dat dit niet een echte Cure is: "Half is good, but half is shit!" I roared. "I mean some songs sound like The Cure but some don't", om vervolgens weer op de bank te ploffen en te zwijgen.
Enkele weken later ontvangt hij een handgeschreven brief van Smith, beginnend met de woorden "This has been one of the hardest letters to write for me." Exit Tolhurst. Als deze terugblikt erkent hij zonder omwegen dat dit helemaal terecht was. De groep ging door als kwintet.

Qua geluid lijkt Disintegration op Pornography (1982), met grote drums en diepklinkende toetsenmuren, maar de muziek is langzaam, zonder alle percussieroffels van vier albums eerder. De weemoed overheerst, dertig worden was wel een dingetje, erkent Smith in het interview met NME. Het levert een album vol sfeer op, met als uitzonderingen de vrolijke singles Lullaby (in de Nationale Hitparade #8 in mei 1989) en Lovesong (#48 in september-oktober), die mede opvielen door de prettige gekte van de videoclips. Als een parodie op The Cure's gothicreputatie.
Daarnaast reken ik Pictures of You, Prayers of Rain (in 2011 nog niet nodig meldde wibro toen, inmiddels is dat helaas anders) en het met onweer overgoten The Same Deep Water as You tot mijn favorieten. Alweer een heerlijk album van de groep.

The Cure - Faith (1981)

poster
4,5
De derde Cure stond al snel in de fonotheek van ons dorp en belandde in de vroege zomer van 1981 op mijn draaitafel.
De hoes met zijn vage zwart-witfoto deed denken aan hetgeen ik bij biologie onder de microscoop ontwaarde. Grootste verrassing was de muziek: waar ik een stijlverandering had verwacht, bleek Faith juist géén grote verandering te brengen, een beetje tegen de tijdgeest in. Bands en artiesten in dit genre maakten kunst en konden zich dus geen herhaling veroorloven.
Dat leidde echter wél tot een heerlijk album, waarvan diverse nummers op één van mijn cassettebandjes belandden. Faith is geen kopie van de voorganger Seventeen Seconds, wel een soberder versie daarvan.
Hierna echter raakte de plaat min of meer in de vergetelheid in mijn muzikale wereldje, waarin mijn platenspeler miljoenen rondjes met talloze platen moet hebben gedraaid.

Totdat ik 'm tien jaar geleden op cd aanschafte en onmiddelijk weer helemaal blij werd. Voor de band lag dat anders, las ik later in de zeer boeiende biografie Cured (2016) van toenmalig drummer Lol Tolhurst.
De band was langere tijd in Sydney geweest, waar het niet goed klikte met de toetsenist. Na thuiskomst verliet deze de band, waarmee The Cure weer een trio werd.
Boven dit alles hingen twee donkere wolken: Smith was bezig het overlijden van zijn grootmoeder te verwerken terwijl Tolhursts moeder terminaal ziek was. De jongetjes werden mannen.
De band kreeg voor hun derde album ongekende vrijheid, maar eenmaal in de studio vlotten de opnamen niet en verliep het schrijven van nieuwe songs moeizaam. Totdat de komst van Billie Mackenzie van The Associates de drie een opkikker gaf, waarna de muziek vlot werd vastgelegd.

Hierna ging de band op tournee door Nederland. Dit in een circustent, dankzij promotor Fred Zijlstra, waarmee ze definitief vaste grond in de Lage Landen kregen. Tolhurst moest halverwege terug naar Crawley, Londen, om de begrafenis van zijn moeder bij te wonen. Weer terug in Nederland doet hij, rijdend op de Afsluitdijk, een bijzondere ervaring op, zo vertelt hij in het boek, dat soms meer weg heeft van een coming-of-ageroman dan een non-fictieboek.

"Less is more" vertelt Tolhurst over de sound op Faith, dat inderdaad sober en tegelijkertijd warm klinkt. De sferen zijn droevig, maar dankzij de variaties in tempo's, de fraaie melodieën en de sobere keyboards weent de stem van Smith heerlijk over en door mij heen, omgeven door die waaierende wavesound.
Vooral All Cats are Grey sprong er bij de hernieuwde kennismaking uit, maar ook de andere nummers zijn stuk voor stuk fraai.

Muziek die perfect de sfeer van begin jaren '80 reflecteert en desondanks ook bij 2022 past. In ieder geval voor mij.

The Cure - Fascination Street (1989)

poster
4,0
Een enkeling lacht weleens om mijn fascinatie voor kringloopwinkels, maar dan denk ik bijvoorbeeld aan deze Amerikaanse EP die ik ooit in zo'n winkel tegenkwam. Vriend JeKo trof in een kringloop een elpee aan voor één eurootje, die op Discogs €200 of zelfs meer opbrengt...

Het exemplaar dat ik heb, wijkt qua trackvolgorde iets af van hetgeen MuMe vermeldt, beginnend én eindigend met Fascination Street, respectievelijk de remix en de extended remix, een dansversie met drumcomputer. Een prima nummer, maar niet het beste van het kort hierna verschenen album Disintegration. Desondanks de Amerikaanse keuze als eerste single van het album, daarmee Lullaby passerend. 'Rare jongens die Amerikanen,' zou Obelix zeggen.
Tussen de twee remixen in staan twee sterke non-albumnummers, afgevallen van de tracklist van Disintegration maar daar niet voor onderdoend. Babble alleen al was de aanschaf waard: een boze, uptempo track waarop frontman Robert Smith iemand toeroept stil te zijn. Out of Mind is iets langzamer en doet denken aan hetgeen op Pornography (1982) is te vinden: toetsen en een dik drumgeluid brengen een muur van new wave, Smiths ijle stem daaroverheen zwevend.

The Cure - Galore (1997)

Alternatieve titel: The Singles 1987-1997

poster
4,0
Alternatieve titel: "Sitting on the Beach with an Icecream in My Hand". Gekocht aan het begin van mijn herontdekking van The Cure die rond 2010 begon, toen ik hun discografie op cd begon te verzamelen. Nu ik de reguliere albums bezit, zitten er op dit album alleen maar dubbelopjes. Alhoewel, veelal is hier sprake van speciale radio- of singlemixen.
Leuk om de singles van 1987 tot en met 1997 in een nieuwe context te horen. Op deze wijze klinken Robert Smiths popliedjes bij elkaar, in plaats van andersoortige liedjes erbij. Zijn lichte kant.

Nieuw is het afsluitende Wrong Number dat met alle digitale instrumenten en vervormde elektrische gitaar anders klinkt dan de rest. Bovendien duurt het zes minuten. Verrassend lekker. The Cure op het terrein van New Order, met wie ze qua historie sowieso al veel overeenkomsten hebben. Van Smith is bekend dat hij hun carrière altijd met veel belangstelling volgt, waarover hij in diverse interviews vertelt. Zelfs de drumcomputer blijkt effectief te zijn. Een knipoog naar de collega-band?
Op gitaar horen we op dit nummer Reeves Gabrels van David Bowie's Tin Machine en sinds 2012 vaste waarde bij The Cure.

Mooi fotowerk bovendien, waarbij het ijsje blijkt te kunnen vliegen... Arm kind, hopelijk heeft het een nieuw exemplaar gekregen.

The Cure - Greatest Hits (2001)

poster
4,5
Waarom zou ik nóg een verzamelaar van The Cure kopen als ik er al twee heb? In dit geval omdat ik de editie met bonus-cd heb, waarop de tracklist van de reguliere versie nogmaals voorbij komt, maar dan akoestisch. In 2017 verscheen de bonusschijf zelfstandig op vinyl.

De eerste cd bleek eveneens een hele leuke tijdreis door de singlehoogtepunten van de groep, beginnend in 1979 en eindigend in 2002 met Just Say Yes, dat dus pas een jaartje later verscheen als ik Discogs moet geloven. Greatest Hits blikte zelfs vooruit, maar dat had ik bij aanschaf niet in de gaten.

Wat zijn Robert Smith en zijn bandleden toch meesterlijk goed in popliedjes, zo valt hier op. Door de jaren heen veranderde de stijl diverse malen, maar dat Smith indertijd altijd een plastic zak met cassettebandjes bij zich had om onderweg tijdens tournees te draaien, laat zich horen. Op die bandjes stonden popliedjes, hitparademuziek die hij leuk vond, al kon menig fan zich dat niet voorstellen. Niet dat ik erbij was, duhuh, maar Smiths bandmaatje Lol Tolhurst vermeldt het diverse malen in zijn briljante biografie. Hiermee wordt verklaard hoe het komt dat The Cure zowel een "donkere" als een "lichte" kant heeft.

Het album kwam in huis toen de Free Record Shop in mijn woonplaats opheffingsuitverkoop hield, mogelijk was dat rond 2009. Voor weinig geld veel luisterplezier, zeker met de akoestische bonussen op de tweede cd.

The Cure - Join the Dots (2004)

Alternatieve titel: B-Sides & Rarities 1978>2001 (The Fiction Years)

poster
4,0
Als kind kreeg ik van mijn ouders een zomervakantieboek op het moment dat zij begonnen met het opzetten van de bungalowtent, een ingewikkelde puzzel met stokken. Naast de stripverhalen was mijn favoriete onderdeel in zo’n boek het spelletje ‘verbind de puntjes’. Als je dat op goede volgorde deed, werd geleidelijk een tekening zichtbaar. Altijd weer een verrassing!

Kennelijk heeft Robert Smith ook zulke zomervakanties beleefd, want Join the Dots heeft dezelfde opzet. In vier cd’s wordt nummer na nummer de historie van The Cure zichtbaar middels vooral B-kanten van singles en EP’s/12"s. Je hoort hoe drie jongetjes uit Crawley in West-Sussex waarvan eentje langharig, hun eerste stappen zetten. Vervolgens veranderen zowel bezetting als uiterlijk diverse malen, waarbij lippenstift en getoupeerd haar voor het gothicimago zorgen. Later wordt het luchtiger en zomers, met witte t-shirts en kleurige hoezen. De lijnen tussen al deze stipjes: de stem van Robert Smith, uit duizenden herkenbaar en de steeds terugkerende melancholie.

De eerste cd telt maar liefst 22 nummers, de tweede kent langere nummers en 18 tracks, wat vervolgens eindigt met twee cd’s met “slechts” 15 nummers. In totaal zeventig nummers met B-kanten die niet tweederangs zijn en het verhaal van The Cure vertellen, temidden van nieuwe trends in popland. Tel daarbij het zeer informatieve en rijk geïllustreerde boekje in het midden van de box en de tekening is compleet.

Niks te mopperen? Niet veel. Mijn cd 1 wil niet in de daarvoor bestemde cirkel blijven zitten en dreigt telkens uit de box te vallen. De drievoudige cover van The Doors Hello I Love You op cd 3 sla ik liever over, net als de cover van Young Americans van David Bowie. Omdat ik niet zozeer van remixen ben, heb ik het op cd 4 soms zwaar. Desalniettemin bevalt het meeste mij goed. Mijn persoonlijke uitschieters naar boven:
Op cd 1 (1978 – 1987) zijn dat het instrumentale Another Journey by Train, oorspronkelijk de B-kant bij single A Forest, dat onmiddellijk die vervreemdende sfeer brengt; de twee versies van Lament met valse panfluit, de eerste was ooit een flexidisc en de tweede B-kant van single The Walk; The Upstairs Room, een extra B-kant van diezelfde single; popliedje Throw Your Foot was B-kant van de 12” van The Caterpillar; en The Exploding Boy, uptempo met saxofoon, B-kant van In Between Days.

Op cd 2 (1987 – 1992): het melancholieke A Chain of Flowers was B-kant van de Catch 12”; Hey You!!! is vrolijk en scheurend, hier de B-kant-versie van Hot Hot Hot!!!; de remix van producer Bob Clearmountain van How Beautiful You Are…, oorspronkelijk van een verzamelalbum voor radiostations, is wellicht The Cures mooiste vrolijke muziekje ooit met een tekst vol verwijten; Babble is boos, was B-kant van single Lullaby; het bombastische Out of Mind was B-kant van de Lullaby 12”.

Op cd 3 (1992 – 1996) zijn This Twilight Garden en Play (B-kanten van High), Halo (B-kant van Friday I’m in Love) en The Big Hand en A Foolish Arrangement (B-kanten van A Letter to Elise) lief, warm en sferisch ofwel vlot; de remix Doing the Unstuck was bedoeld als B-kant van een nooit verschenen gelijknamige single; aan de cover van Jimi Hendrix’ Purple Haze (radioversie) moest ik wennen, maar toen viel ik voor het alternatieve gitaarspel van Perry Bamonte; Ocean met strijkers en drumcomputer (?) was B-kant van The 13th.

Op cd 4 (1996 – 2001) nemen de digitale beats geleidelijk toe en haak ik vaker af: De eerste vier tracks zijn echter zeer warm en pakkend: Home, Waiting en A Pink Dream waren B-kanten van Mint Car, This Is a Lie in de ambientmix was B-kant van Gone!; nieuw was Out of this World in de mix van Paul Oakenfold, leuk maar te lang; van een promo-cd komt het slepende Maybe Someday, in de mix van Toby Hedges klinkt het als een band. Op de vierde cd ook enkele akoestische nummers, er is dus naast digiklanken ruimte voor ouderwetse analoge instrumenten.

Over smaak valt goed te twisten, fans van The Cure kunnen het zeer oneens met mij zijn. Ik houd van de melancholie en de popkant van The Cure, wat te zien is in mijn voorkeuren. Feit is dat er met zeventig tracks voor iedere liefhebber het nodige aangenaams valt te vinden.

The Cure - Kiss Me, Kiss Me, Kiss Me (1987)

poster
4,5
Nee, een sarcastische toon heb ik niet Grootfaas, slechts oprechte nieuwsgierigheid. Ik nam simpelweg aan dat er in zo'n lijst van de Billboard Hot 100 toch wel iets van je gading is te vinden.
In het bericht erna noem je "Sonic Youth, Hüsker Dü, the Smiths, Replacements", die inderdaad geen Amerikaans hitlijstmateriaal zijn (The Smiths in Britannië echter: hit na hit!)

Nu begrijp ik beter je invalshoek. Mijn maatje JeKo (niet op MuMe maar wel meelezend) zit helemaal op jouw lijn, die vindt het ook al snel te commercieel.
Wat dat betreft is The Cure extra uniek, denk ik. Enerzijds hitmateriaal, anderzijds moeilijker toegankelijk muziek voor de "serieuze muziekliefhebber". Ze deden het allebei, wat dan contrasten op hun albums brengt, zoals hier op Kiss Me, Kiss Me, Kiss Me.

The Cure - Mixed Up (1990)

poster
3,5
Remixen zijn als het opknappen van een huis. Dat slaagt alleen als het resultaat minimaal gelijkwaardig is aan de oorspronkelijke versie van het pand. En nog liever beter dan het origineel. Qua remixen gaat dit nogal eens mis, dan wordt het zo’n gevalletje ‘Help, mijn man is klusser’.
Net als vele andere MuMensen ben ik daarom niet van de remixen. Zo verschijnt er vaak van een regulier Moby-album enige tijd later een editie met remixen van anderen. U2 liet dat ook doen, in beide gevallen met desastreuze gevolgen.
Van deze Mixed Up heb ik de 3cd-versie op de plank staan, met daarop latere toevoegingen bij het oorspronkelijke album.

In The Cure is het Robert Smith zelf die zijn nummers onder handen nam, of minimaal daarbij actief betrokken was. Dat scheelt al iets. Na de uitputtende Prayer Tour ter promotie van Disintegration hadden de groepsleden en hij dringend rust nodig, schrijft hij in het boekje van de 3-cd-versie die ik van Mixed Up heb. Om toch nieuw werk uit te brengen, werd besloten om de losse 12”-versies op één album uit te brengen. Dit paste niet op één elpee en dus vulde Smith dit aan met nieuwe mixen, in november 1990 uitgebracht op één cd respectievelijk dubbelelpee. In de 3cd-versie is dit cd 1. Hiermee blikte hij tevens terug op zijn dertig levensjaren en ruim tien jaar The Cure.

Hiervan ben ik content met Fascination Street, Pictures of You en Inbetween Days, niet geheel toevallig liedjes die ik eveneens in de oorspronkelijke versies waardeer. Rondweg sterk is The Walk met een beat die aan New Order herinnert, een groep die door Smith vaak werd genoemd in die tijd, soms bewonderend, soms minder positief, zoals blijkt in een verzameling interviews die in 2018 verscheen in een speciale Cure-editie van het Britse tijdschrift Uncut.
Cd 2 bevat Mixed Up Extras 2018: Remixes 1982–1990, verschenen toen de groep veertig jaar bestond. Hier word ik vrolijk van Boys Don't Cry (New Voice Club Mix 1986) die in juni 1986 in Nederland #27 haalde (of was die versie toch weer nét anders?), Why Can't I Be You? (Extended Mix 1987) en A Japanese Dream (12" Remix 1987).
Tegelijkertijd word ik hier even vaak chagrijnig, iets wat mij niet op cd1 gebeurde. Dit bij de laatste drie nummers Just Like Heaven (Dizzy Mix 1990), Primary (Red Mix 1990) en in iets mindere mate van The Lovecats (TC & Benny Mix 1990). Ze bevatten mij nietszeggende dance.

Cd 3 van de boxversie verscheen oorspronkelijk zelfstandig in datzelfde 2018 ter gelegenheid van Record Store Day onder de titel Torn Down, die ik binnenkort hoop te bespreken.

Is Mixed Up geslaagd? Deels, waarbij zeker in dit geval de meningen zullen verschillen over welke mixen al dan niet zijn gelukt. Regelmatig haalde Smith verborgen details uit de oorspronkelijke mix naar boven, wat dus iets heel anders is dan het gemakzuchtig een beat onder een bestaand nummer zetten.
Of een mix daadwerkelijk geslaagd is, is misschien nog wel sterker dan anders een kwestie van persoonlijke smaak en hoe gehecht je bent aan de oorspronkelijke versie. Dat menigeen dit album schouderophalend overslaat, kan ik tegelijkertijd goed begrijpen, maar naast melancholieke wave en opgeruimde pop horen ook mixen bij die fascinerende muzikant Robert Smith, die met genoegen zijn liedjes verbouwt. Voor hem is het zeker niet nodig dat de tv-ploeg van ‘Help, mijn man is klusser’ wordt binnengehaald. Voor mij 3,5 ster.