Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
The Babys - The Babys (1976)

2,0
0
geplaatst: 25 augustus 2022, 18:13 uur
Met hun debuut had The Babys nog niet ontdekt hoe belangrijk pakkende melodielijnen zijn. Het levert een saaie plaat op, met twee uitzonderingen.
De plaat start veelbelovend met dansende percussie, maar na een aardig couplet blijkt het lied zowel brug- als refreinloos te zijn. Dat couplet dan een paar keer herhalen leert me alleen dat John Waite stem in echo baadt en in optima forma verkeerde. Qua compositie is het veel te mager, een rode draad op deze schijf.
De eerste uitzondering op de saaiheid is het uptempo If You've Got the Time, de tweede is de langzame afsluiter Dying Man met zijn Fender Rhodespiano-intro, warme geluid, verrassende opbouw en een pakkende melodie in het tweede deel. Hier veer ik op. Dat Tony Brock Over and Over zingt, doet het gaapgevoel alleen maar groeien.
Maar goed, ik ben ook maar een mannetje met een meninkje: hierboven meldt matthijs dat hij tevens ballade I Believe in Love eruit vindt springen. Zit wat in.
Bepaald geen wereldalbum, wie echter een playlist van The Babys / Waite wil maken, moet deze drie nummers maar eens beluisteren. Als album kabbelt het teveel.
De plaat start veelbelovend met dansende percussie, maar na een aardig couplet blijkt het lied zowel brug- als refreinloos te zijn. Dat couplet dan een paar keer herhalen leert me alleen dat John Waite stem in echo baadt en in optima forma verkeerde. Qua compositie is het veel te mager, een rode draad op deze schijf.
De eerste uitzondering op de saaiheid is het uptempo If You've Got the Time, de tweede is de langzame afsluiter Dying Man met zijn Fender Rhodespiano-intro, warme geluid, verrassende opbouw en een pakkende melodie in het tweede deel. Hier veer ik op. Dat Tony Brock Over and Over zingt, doet het gaapgevoel alleen maar groeien.
Maar goed, ik ben ook maar een mannetje met een meninkje: hierboven meldt matthijs dat hij tevens ballade I Believe in Love eruit vindt springen. Zit wat in.
Bepaald geen wereldalbum, wie echter een playlist van The Babys / Waite wil maken, moet deze drie nummers maar eens beluisteren. Als album kabbelt het teveel.
The Babys - Union Jacks (1980)

4,0
1
geplaatst: 23 maart 2022, 20:14 uur
Het eerste poptijdschrift dat ik frequent las was Popfoto, waarin veel aandacht voor hitparademuziek met daarbij mijn favorieten Smokie en Boney M. Na 1977 veranderde de smaak van deze beginnende tiener en toen ik in 1980 na ijverig sparen een eigen platenspeler aanschafte én oud genoeg was om lid te worden van de fonotheek in het dorp, kon ik de “archieven” van talloze artiesten gaan ontdekken. Hitparades waren minder belangrijk geworden.
Een band die een brug sloeg van mijn eerste hitparadeliefde naar latere rockvoorkeur was The Babys, met uiteraard als startpunt de drie hits die de band in 1977 en 1978 scoorde.
De eerste plaat die ik in z’n geheel van de band hoorde was Union Jacks uit 1980. Op de hoes zijn de heren, een vijftal inmiddels, getooid in zwart leer. Ook de muziek is steviger dan voorheen, minder orkestraal bovendien. Als jonge fan van scheurende gitaren vond ik dat juist fijn. In Nederland was het echter gedaan met hits voor de band, ondanks de heerlijke productie van de in 2020 overleden Keith Olsen, een naam die ik sindsdien regelmatig zou tegenkomen.
Wat The Babys van de concurrentie onderscheidde was de stem van John Waite, die kristalhelder en lenig is, met waar nodig een rauw randje. Perfect voor de romantische teksten van de groep. Ja, de teksten gingen over mij, een vaak intens verliefde puber, verlegen met soms een gebroken hartje.
Op cassettebandje belandden Back on my Feet Again (hun laatste hit in Britannië), True Love True Confession en Union Jack van de A-kant. Van de B-zijde In Your Eyes, Anytime en het poëtische Love is just a Mystery. De opener en afsluiter van de plaat zijn tegenwoordig mijn absolute hoogtepunten.
Sindsdien volg ik de carrières van vooral John Waite maar ook de band, alweer enige jaren bij elkaar zonder Waite. Het werd niet altijd zo goed als op deze plaat, maar de stem van de rossige zanger blijft een klasse apart.
Union Jacks is een mijlpaaltje: Adult Oriented Rock op z’n best, een genre waarvoor mijn liefde sinds een jaar weer groeiende is. In september is Waite in Nederland, ik denk dat ik maar eens ga kijken.
Een band die een brug sloeg van mijn eerste hitparadeliefde naar latere rockvoorkeur was The Babys, met uiteraard als startpunt de drie hits die de band in 1977 en 1978 scoorde.
De eerste plaat die ik in z’n geheel van de band hoorde was Union Jacks uit 1980. Op de hoes zijn de heren, een vijftal inmiddels, getooid in zwart leer. Ook de muziek is steviger dan voorheen, minder orkestraal bovendien. Als jonge fan van scheurende gitaren vond ik dat juist fijn. In Nederland was het echter gedaan met hits voor de band, ondanks de heerlijke productie van de in 2020 overleden Keith Olsen, een naam die ik sindsdien regelmatig zou tegenkomen.
Wat The Babys van de concurrentie onderscheidde was de stem van John Waite, die kristalhelder en lenig is, met waar nodig een rauw randje. Perfect voor de romantische teksten van de groep. Ja, de teksten gingen over mij, een vaak intens verliefde puber, verlegen met soms een gebroken hartje.
Op cassettebandje belandden Back on my Feet Again (hun laatste hit in Britannië), True Love True Confession en Union Jack van de A-kant. Van de B-zijde In Your Eyes, Anytime en het poëtische Love is just a Mystery. De opener en afsluiter van de plaat zijn tegenwoordig mijn absolute hoogtepunten.
Sindsdien volg ik de carrières van vooral John Waite maar ook de band, alweer enige jaren bij elkaar zonder Waite. Het werd niet altijd zo goed als op deze plaat, maar de stem van de rossige zanger blijft een klasse apart.
Union Jacks is een mijlpaaltje: Adult Oriented Rock op z’n best, een genre waarvoor mijn liefde sinds een jaar weer groeiende is. In september is Waite in Nederland, ik denk dat ik maar eens ga kijken.
The Beat - I Just Can't Stop It (1980)

4,0
3
geplaatst: 10 februari 2025, 22:21 uur
In april 1980 maakte ik kennis met The Beat via Hands off... She's Mine, dat gedurende vier weken in de onderste regionen van de Nationale Hitparade van de NOS bivakkeerde met #41 als hoogtepunt.
In hun eigen Verenigd Koninkrijk was er meer succes met de singles van debuutelpee I Just Can't Stop It. Hun eerste hit Tears of a Clown staat er niet op (pas in 1983 voor het eerst op een verzamelaar van de groep verschenen), maar Hands Off werd er in maart #9, het heerlijke Mirror in the Bathroom in mei twee weken #4 en de dubbele A-kant Best Friend / Stand Now Margaret haalde er in augustus #22.
Sterke nummers in de hoek van ska en soms wat reggae en dub, met als sprankelende buitenbeentjes Click Click en Noise in This World waar new wave / postpunk zijn geïntegreerd. De composities mogen er stuk voor stuk zijn en bovendien vol geproduceerd, anders dan bij The Specials en The Selecter, waar het wat meer hol klinkt. Met centraal in het geluid de zang van Ranking Roger en de saxofoon van Saxa. 1980 was een goed jaar voor ska, zo bewijst ook The Beat.
Mijn reis door new wave kwam van het debuut van The Feelies en omdat ik ontdek dat ik de punks van U.K. Subs heb overgeslagen, ga ik terug naar juni 1979 als die groep hun eerste hit scoort met Stranglehold van de elpee Another Kind of Blues.
In hun eigen Verenigd Koninkrijk was er meer succes met de singles van debuutelpee I Just Can't Stop It. Hun eerste hit Tears of a Clown staat er niet op (pas in 1983 voor het eerst op een verzamelaar van de groep verschenen), maar Hands Off werd er in maart #9, het heerlijke Mirror in the Bathroom in mei twee weken #4 en de dubbele A-kant Best Friend / Stand Now Margaret haalde er in augustus #22.
Sterke nummers in de hoek van ska en soms wat reggae en dub, met als sprankelende buitenbeentjes Click Click en Noise in This World waar new wave / postpunk zijn geïntegreerd. De composities mogen er stuk voor stuk zijn en bovendien vol geproduceerd, anders dan bij The Specials en The Selecter, waar het wat meer hol klinkt. Met centraal in het geluid de zang van Ranking Roger en de saxofoon van Saxa. 1980 was een goed jaar voor ska, zo bewijst ook The Beat.
Mijn reis door new wave kwam van het debuut van The Feelies en omdat ik ontdek dat ik de punks van U.K. Subs heb overgeslagen, ga ik terug naar juni 1979 als die groep hun eerste hit scoort met Stranglehold van de elpee Another Kind of Blues.
The Beat - The Beat (1979)

3,5
0
geplaatst: 28 augustus 2024, 07:32 uur
In Europa heetten ze Paul Collins’ Beat, omdat er in Europa al een The Beat was. Een vrolijk skabandje dat ik echter pas later zou horen. Eerst was er dus deze Amerikaanse. Hier echter vriendelijk scheurende gitaren en een knallende groove: het was single Don’t Wait up for Me die indruk op me maakte, al hoorde ik hem slechts twee of drie keer op de radio. En toch nestelde het zich in mijn puberbrein. Het is de groep van het ex-lid van The Nerves, dat met Hanging on the Telephone ook al zo’n lekker uptempo krakertje had gemaakt, via Blondie mijn zolderkamer bereikend.
Het album verscheen in juni 1979, de single rond diezelfde tijd. Hier de Nederlandse persing, waarvan de achterzijde van de hoes toont dat de groep op de elpee wél onder de vlag van The Beat voer.
Don’t Wait Up (de titelvermelding is niet op alle uitgaven even lang) is met You Won’t Be Happy het beste nummer van de plaat. In beide nummers schemeren jaren ’60-invloeden door, zoals het drumwerk en koortjes in het laatste nummer. Hetzelfde gebeurt sterk in Walking Out on Love, waar U.S.A. een rockender aanpak heeft.
Haalde de single de Nederlandse hitlijsten? Noch bij de Top 40, noch bij de Nationale Hitparade (dutchcharts.nl) kan ik hem vinden, wel vermeldingen bij hitlijsten op MuMe's forum (dat ik als zo onoverzichtelijk beleef dat die nu even "zoek" zijn). Bovendien waren ze bij TopPop, lees ik hierboven, helaas niet op YouTube geplaatst.
Niet een briljant plaatje, wél knallend, meezingbaar en zomers. Collins is nog altijd actief, getuige zijn website paulcollinsbeat.com.
Mijn reis door new wave kwam van het debuut van Lio en vervolgt bij de tweede van The Cars.
Het album verscheen in juni 1979, de single rond diezelfde tijd. Hier de Nederlandse persing, waarvan de achterzijde van de hoes toont dat de groep op de elpee wél onder de vlag van The Beat voer.
Don’t Wait Up (de titelvermelding is niet op alle uitgaven even lang) is met You Won’t Be Happy het beste nummer van de plaat. In beide nummers schemeren jaren ’60-invloeden door, zoals het drumwerk en koortjes in het laatste nummer. Hetzelfde gebeurt sterk in Walking Out on Love, waar U.S.A. een rockender aanpak heeft.
Haalde de single de Nederlandse hitlijsten? Noch bij de Top 40, noch bij de Nationale Hitparade (dutchcharts.nl) kan ik hem vinden, wel vermeldingen bij hitlijsten op MuMe's forum (dat ik als zo onoverzichtelijk beleef dat die nu even "zoek" zijn). Bovendien waren ze bij TopPop, lees ik hierboven, helaas niet op YouTube geplaatst.
Niet een briljant plaatje, wél knallend, meezingbaar en zomers. Collins is nog altijd actief, getuige zijn website paulcollinsbeat.com.
Mijn reis door new wave kwam van het debuut van Lio en vervolgt bij de tweede van The Cars.
The Beat - Wha'ppen? (1981)

4,0
3
geplaatst: 24 november 2025, 06:49 uur
Op reis door new wave bevind ik me in april 1981. Nadat The Beat in december 1980 de Britse hitlijst betrad met non-albumsingle Too Nice to Talk to (in januari '81 twee weken #7), volgde in april hun zesde singlehit. Drowning kwam in april bescheiden tot #22, waarna Doors of Your Heart in juni-juli drie weken #33 haalde en non-albumsingle Hit It in december tot #70 komt. De hits werden dus geleidelijk kleiner, het album haalde desondanks in het Verenigd Koninkrijk net als de voorganger #3 (mei) en stond achttien weken, tot en met september, in de albumlijst.
The Beat had dus nog altijd een sterke achterban, waarbij de nummers vaker wat langzamer van tempo zijn en er Afrikaanse invloeden in de muziek binnensijpelen. Het duidelijkst is dat te horen op French Toast (Soleil Trop Chaud) in het gitaarspel, maar ook elders duikt dat hier en daar op. Aan de berichten hierboven valt te zien dat menigeen hier minder mee uit de voeten kan, toch vind ik deze niet minder dan het debuut.
Een iets lomere sfeer voor het geheel, met de tweede plaatkant als favoriete. Zoals de reggae van Dream Home in NZ die kant 2 aftrapt, het midtempo Walk Away en de vlotte ska van afsluiter Get-a-Job. Afwisseling genoeg.
Op Discogs zie ik dat de Britse persing een ansichtkaart bevatte, leuke gadget! Of die ook bij de Nederlandse persing zat, vermeldt de site niet.
In 1999 verscheen deze cd-editie met gewijzigde hoes, waarop Too Nice to Talk to als opener is toegevoegd. In 2012 was daar deze 2cd+dvd waarop onder meer Hit It en een sessie bij BBC-dj John Peel als bonussen staan.
Ik blijf nog even in april 1981; gelijktijdig met Drowning betreedt een single van U.K. Subs de singlelijst: op naar Keep on Running, later te vinden op diverse compilaties van de groep, zoals The Punk Singles Collection 1978-1982.
The Beat had dus nog altijd een sterke achterban, waarbij de nummers vaker wat langzamer van tempo zijn en er Afrikaanse invloeden in de muziek binnensijpelen. Het duidelijkst is dat te horen op French Toast (Soleil Trop Chaud) in het gitaarspel, maar ook elders duikt dat hier en daar op. Aan de berichten hierboven valt te zien dat menigeen hier minder mee uit de voeten kan, toch vind ik deze niet minder dan het debuut.
Een iets lomere sfeer voor het geheel, met de tweede plaatkant als favoriete. Zoals de reggae van Dream Home in NZ die kant 2 aftrapt, het midtempo Walk Away en de vlotte ska van afsluiter Get-a-Job. Afwisseling genoeg.
Op Discogs zie ik dat de Britse persing een ansichtkaart bevatte, leuke gadget! Of die ook bij de Nederlandse persing zat, vermeldt de site niet.
In 1999 verscheen deze cd-editie met gewijzigde hoes, waarop Too Nice to Talk to als opener is toegevoegd. In 2012 was daar deze 2cd+dvd waarop onder meer Hit It en een sessie bij BBC-dj John Peel als bonussen staan.
Ik blijf nog even in april 1981; gelijktijdig met Drowning betreedt een single van U.K. Subs de singlelijst: op naar Keep on Running, later te vinden op diverse compilaties van de groep, zoals The Punk Singles Collection 1978-1982.
The Beat - What Is Beat? (1983)
Alternatieve titel: The Best Of

4,0
1
geplaatst: 9 november 2024, 12:11 uur
Op reis door new wave kom ik langs allerlei stijlen. Hiervoor was ik bij het weerbarstige debuut van Essential Logic, nu stop ik bij The Beat. De vierde naam binnen de ska die in 1979 opdook, nadat in oktober The Selecter en Specials en in november Madness dat deden.
Met single Tears of a Clown trok The Beat nog niet de aandacht van Nederland, maar in het eigen Verenigd Koninkrijk betrad deze de hitlijst op 8 december, om in de week van 6 januari 1980 op #6 te pieken. Het is een skaversie van de soulklassieker van Smokey Robinson & The Miracles. Op de B-kant - of eigenlijk dubbele A-kant - staat Ranking Full Stop, waarmee blijkt dat de groep zelf óók goede muziek kon schrijven.
Deze Britse groep moet niet worden verward met de gelijknamige uit de Verenigde Staten die kort daarvoor debuteerde, eveneens leuke muziek makend. Vandaar dat die in Europa Paul Collins' Beat ging heten en de Britten zich in Amerika The English Beat noemden.
Heerlijke ska dus. Aanvankelijk alleen op single verkrijgbaar tot het in 1983 op deze verzamelaar What Is Beat? kwam. Op de eerste elpee die The Beat uitbracht staan weer andere pareltjes, een album op mijn planning.
Later verschenen singles als deze vanzelfsprekend op andere verzamelaars van de groep, waarvan The Complete Beat uit 2012 ook op streaming is te vinden. Mijn volgende halte door new wave is een buitenbeentje: een film en soundtrack van Nederlandse makelij met onder meer Lene Lovich, Nina Hagen en vooral Herman Brood, die half december 1979 in première ging. Op naar Cha Cha.
Met single Tears of a Clown trok The Beat nog niet de aandacht van Nederland, maar in het eigen Verenigd Koninkrijk betrad deze de hitlijst op 8 december, om in de week van 6 januari 1980 op #6 te pieken. Het is een skaversie van de soulklassieker van Smokey Robinson & The Miracles. Op de B-kant - of eigenlijk dubbele A-kant - staat Ranking Full Stop, waarmee blijkt dat de groep zelf óók goede muziek kon schrijven.
Deze Britse groep moet niet worden verward met de gelijknamige uit de Verenigde Staten die kort daarvoor debuteerde, eveneens leuke muziek makend. Vandaar dat die in Europa Paul Collins' Beat ging heten en de Britten zich in Amerika The English Beat noemden.
Heerlijke ska dus. Aanvankelijk alleen op single verkrijgbaar tot het in 1983 op deze verzamelaar What Is Beat? kwam. Op de eerste elpee die The Beat uitbracht staan weer andere pareltjes, een album op mijn planning.
Later verschenen singles als deze vanzelfsprekend op andere verzamelaars van de groep, waarvan The Complete Beat uit 2012 ook op streaming is te vinden. Mijn volgende halte door new wave is een buitenbeentje: een film en soundtrack van Nederlandse makelij met onder meer Lene Lovich, Nina Hagen en vooral Herman Brood, die half december 1979 in première ging. Op naar Cha Cha.
The Birthday Party - Prayers on Fire (1981)

3,0
1
geplaatst: 18 november 2025, 21:30 uur
Officieel gezien de eerste echte van The Birthday Party, nadat de groep op de voorganger nog onder de naam The Boys Next Door opereerde, maar die slim The Birthday Party doopte. De opvolger heet Prayers on Fire - toen al religieuze verwijzingen in het werk van Nick Cave - en in vuur staat de muziek zeker.
Inmiddels vanuit Londen opererend brachten ze in april 1981 een bonte verzameling stevige liedjes uit. Soms postpunk, soms postblues, soms postrockabilly en zo zijn er meer stickertjes op te plakken. Tegelijkertijd dekken die nooit de lading: je moet het horen om te begrijpen hoe deze eigenwijze Australiërs hun Londense omgeving absorbeerden.
Energiek, waarbij opvalt dat Cave zingt als een acteur: hij gebruikt zijn stembanden steeds anders, passend bij de sfeer van het specifieke nummer, zoals een acteur zijn emoties en mimiek aanpast aan een scène. Vergelijk de eerste twee nummers bijvoorbeeld eens met het kermisachtige Capers.
Destijds was dit muziek die op de Nederlandse radio in de avond bij de VPRO klonk; net als later dat jaar bij de muziek van The Gun Club, waar een soortgelijke aanpak werd gekozen, is het alsof muziekgenres zijn gedemonteerd en vervolgens op een alternatieve, soms bijna chaotische wijze weer in elkaar zijn gezet.
Verder valt op dat de hoes niet vermeldt wie er deel uitmaakten van The Birthday Party en dat ze af en toe gebruik maken van blazers. Het is op de nummers waar de echo's van blues klinken, dat ik moet denken aan het werk van Captain Beefheart, die enigszins vergelijkbaar muziek ontleedde en vervolgens op eigen wijze weer in elkaar zette.
The Birthday Party was dus in ontwikkeling en alleen daarom al proef je dat dit voor de new wave een spannende tijd was. Mijn reis door die stroming kwam vanaf Gruppo Sportivo en vervolgt bij een ander eigenwijs Londens muziekgezelschap, dat hun album vier dagen na de Australiërs uitbracht: Public Image Ltd. en Flowers of Romance.
Inmiddels vanuit Londen opererend brachten ze in april 1981 een bonte verzameling stevige liedjes uit. Soms postpunk, soms postblues, soms postrockabilly en zo zijn er meer stickertjes op te plakken. Tegelijkertijd dekken die nooit de lading: je moet het horen om te begrijpen hoe deze eigenwijze Australiërs hun Londense omgeving absorbeerden.
Energiek, waarbij opvalt dat Cave zingt als een acteur: hij gebruikt zijn stembanden steeds anders, passend bij de sfeer van het specifieke nummer, zoals een acteur zijn emoties en mimiek aanpast aan een scène. Vergelijk de eerste twee nummers bijvoorbeeld eens met het kermisachtige Capers.
Destijds was dit muziek die op de Nederlandse radio in de avond bij de VPRO klonk; net als later dat jaar bij de muziek van The Gun Club, waar een soortgelijke aanpak werd gekozen, is het alsof muziekgenres zijn gedemonteerd en vervolgens op een alternatieve, soms bijna chaotische wijze weer in elkaar zijn gezet.
Verder valt op dat de hoes niet vermeldt wie er deel uitmaakten van The Birthday Party en dat ze af en toe gebruik maken van blazers. Het is op de nummers waar de echo's van blues klinken, dat ik moet denken aan het werk van Captain Beefheart, die enigszins vergelijkbaar muziek ontleedde en vervolgens op eigen wijze weer in elkaar zette.
The Birthday Party was dus in ontwikkeling en alleen daarom al proef je dat dit voor de new wave een spannende tijd was. Mijn reis door die stroming kwam vanaf Gruppo Sportivo en vervolgt bij een ander eigenwijs Londens muziekgezelschap, dat hun album vier dagen na de Australiërs uitbracht: Public Image Ltd. en Flowers of Romance.
The Bishops - Live! (1978)

4,0
0
geplaatst: 5 mei 2024, 08:41 uur
1978. We hebben er ruim één jaar punk opzitten, een trend die alweer over zijn hoogtepunt heen lijkt. De Britse muziekpers wordt wederom gevraagd om aandacht te geven aan een conservatievere band: de pubrockers van The Count Bishops. Die hebben inmiddels hun groepsnaam ingekort tot The Bishops en brengen Live! uit: een 10"-album, qua formaat tussen single en elpee in met de duur van een dikke 25 minuten. Het staat op YouTube.
Deze The Bishops moeten overigens niet worden verward met de eveneens Londense indieband die in de jaren 2002 - 2013 actief was.
Live! werd uitgebracht op het Chiswicklabel van Ted Carroll. De ex-manager van Thin Lizzy maakte eveneens in 1978 mee hoe zijn maatjes Live and Dangerous uitbrachten, een fameuze plaat waaromheen de nodige reuring ontstond, omdat deze niet echt live zou zijn.
Bij The Count Bishops kan daarover geen twijfel bestaan: opgenomen in The Roundhouse in Londen op 18 februari 1978 op de Manor Mobile. Hart-stik-ke levend, in één take opgenomen: podium op, knallen en geen maandenlange naproductie in de studio. Of zoals de introductie in beleefd-Engels luidt: "Hey, brothers and sisters... The Count Bishops now!" Nieuw is bassist Pat McMullan, die Steve Lewins vervangt.
Als altijd in hun set de nodige jaren '60-covers zoals Till the End of the Day van The Kinks, I Want Candy van the Strangeloves en Route 66 van Bobby Troup maar bekender in de versie van de Rolling Stones. Rauw en energiek, waarbij de meeste nummers worden gezongen door de Britse Australiër Dave Tice. Deze zong voorheen in Australië bij de groep Buffalo, met in de gelederen gitarist Pete Wells. Die debuteerde eveneens in 1978 met de groep Rose Tattoo, het "kleine broertje" van AC/DC.
Diezelfde rauwheid heeft Tice in zijn stem. De vechtpartij van de hoes wordt voorzien van het bijpassende nummer Someone's Gonna Get Their Head Kicked in Tonight, dat nog net iets meer dampend rockt dan de rest van de plaat. Speciale aandacht in dit nummer voor drummer Paul Balbi, die gedurende de set onvermoeibaar zijn pannen en deksels teistert.
Een andere opvallende liedtitel is Sometimes Good Guys Don't Wear White, dat kant 2 aftrapt, waarop we meer r&b op volle kracht horen. De groep is muzikaal gezien in de jaren '60 blijven steken, qua energie is het vergelijkbaar met punk. Zie daar de zwakte én charme van The Count Bishops. Het podium was duidelijk dé plek voor deze Londense groep, die met alle covers te weinig plek wist te veroveren ten opzichte van de enorme concurrentie.
Dit Live! laat The (Count) Bishops in topvorm horen met een fanatiek publiek als steun. Het jaar erop verscheen Cross Cuts. In 1995 verscheen het in zijn geheel op cd op verzamelaar The Best of The Count Bishops.
Deze The Bishops moeten overigens niet worden verward met de eveneens Londense indieband die in de jaren 2002 - 2013 actief was.
Live! werd uitgebracht op het Chiswicklabel van Ted Carroll. De ex-manager van Thin Lizzy maakte eveneens in 1978 mee hoe zijn maatjes Live and Dangerous uitbrachten, een fameuze plaat waaromheen de nodige reuring ontstond, omdat deze niet echt live zou zijn.
Bij The Count Bishops kan daarover geen twijfel bestaan: opgenomen in The Roundhouse in Londen op 18 februari 1978 op de Manor Mobile. Hart-stik-ke levend, in één take opgenomen: podium op, knallen en geen maandenlange naproductie in de studio. Of zoals de introductie in beleefd-Engels luidt: "Hey, brothers and sisters... The Count Bishops now!" Nieuw is bassist Pat McMullan, die Steve Lewins vervangt.
Als altijd in hun set de nodige jaren '60-covers zoals Till the End of the Day van The Kinks, I Want Candy van the Strangeloves en Route 66 van Bobby Troup maar bekender in de versie van de Rolling Stones. Rauw en energiek, waarbij de meeste nummers worden gezongen door de Britse Australiër Dave Tice. Deze zong voorheen in Australië bij de groep Buffalo, met in de gelederen gitarist Pete Wells. Die debuteerde eveneens in 1978 met de groep Rose Tattoo, het "kleine broertje" van AC/DC.
Diezelfde rauwheid heeft Tice in zijn stem. De vechtpartij van de hoes wordt voorzien van het bijpassende nummer Someone's Gonna Get Their Head Kicked in Tonight, dat nog net iets meer dampend rockt dan de rest van de plaat. Speciale aandacht in dit nummer voor drummer Paul Balbi, die gedurende de set onvermoeibaar zijn pannen en deksels teistert.
Een andere opvallende liedtitel is Sometimes Good Guys Don't Wear White, dat kant 2 aftrapt, waarop we meer r&b op volle kracht horen. De groep is muzikaal gezien in de jaren '60 blijven steken, qua energie is het vergelijkbaar met punk. Zie daar de zwakte én charme van The Count Bishops. Het podium was duidelijk dé plek voor deze Londense groep, die met alle covers te weinig plek wist te veroveren ten opzichte van de enorme concurrentie.
Dit Live! laat The (Count) Bishops in topvorm horen met een fanatiek publiek als steun. Het jaar erop verscheen Cross Cuts. In 1995 verscheen het in zijn geheel op cd op verzamelaar The Best of The Count Bishops.
The Blinders - Beholder (2024)

4,0
2
geplaatst: 19 september 2024, 21:20 uur
Postpunk is een hypeje. Dat mag. Sinds Joy Division in 1980 op mijn pad kwam ben ik altijd weer blij als die sfeer terugkeert en toen Editors dit vanaf 2005 plotseling terughaalden was ik blij als een kind.
Ik loop bepaald niet voorop met het ontdekken van nieuwe namen: er is te veel oud werk dat ik aan het (her)ontdekken ben. Ruwweg vanaf 1970. Of onbekende groepen van nu, zoals de doommetal van Spillage, ouderwetsch goed.
Daarom ben ik zo blij met MuMe en de bijdragen van MuMensen die erin slagen om nieuwe muziek in mijn bubbeltje te krijgen. Jullie meningen en discussies kunnen zó inspirerend zijn! Zo ontdekte ik The Tubs die ik later live zag en tipte blur8 de groepen Egyptian Blue, Bandit en King Nun.
Welkom The Blinders, voor mij een nieuwe groep. Een album dat ik sinds half augustus regelmatig via streaming draai, vaak op de koptelefoon op de fiets. Zon, wind en soms regen zijn dan rondom mij, met de voortdenderende muziek willen de benen wel draaien.
Vette gitaarlijnen in een wolk echo, een zanger wiens stem bij vaker draaien steeds pakkender wordt, aangename riffs en binnen de grenzen van postpunk lekker gevarieerd. Vaak is het vlot en stevig met grommende bas, meteen in het begin met de dondernummers Ceremony en Brakelights.
Soms is er verrukkelijke melancholie: Iggy Got Camaro is een heerlijk buitenbeentje, Nocturnal Skies met een basis op akoestische gitaar, in All I Need weer een kleine piano.
Het is vast allemaal eens eerder gedaan, maar de liedjes zijn simpelweg té lekker.
Ik loop bepaald niet voorop met het ontdekken van nieuwe namen: er is te veel oud werk dat ik aan het (her)ontdekken ben. Ruwweg vanaf 1970. Of onbekende groepen van nu, zoals de doommetal van Spillage, ouderwetsch goed.
Daarom ben ik zo blij met MuMe en de bijdragen van MuMensen die erin slagen om nieuwe muziek in mijn bubbeltje te krijgen. Jullie meningen en discussies kunnen zó inspirerend zijn! Zo ontdekte ik The Tubs die ik later live zag en tipte blur8 de groepen Egyptian Blue, Bandit en King Nun.
Welkom The Blinders, voor mij een nieuwe groep. Een album dat ik sinds half augustus regelmatig via streaming draai, vaak op de koptelefoon op de fiets. Zon, wind en soms regen zijn dan rondom mij, met de voortdenderende muziek willen de benen wel draaien.
Vette gitaarlijnen in een wolk echo, een zanger wiens stem bij vaker draaien steeds pakkender wordt, aangename riffs en binnen de grenzen van postpunk lekker gevarieerd. Vaak is het vlot en stevig met grommende bas, meteen in het begin met de dondernummers Ceremony en Brakelights.
Soms is er verrukkelijke melancholie: Iggy Got Camaro is een heerlijk buitenbeentje, Nocturnal Skies met een basis op akoestische gitaar, in All I Need weer een kleine piano.
Het is vast allemaal eens eerder gedaan, maar de liedjes zijn simpelweg té lekker.
The Boomtown Rats - A Tonic for the Troops (1978)

4,0
0
geplaatst: 17 juni 2024, 22:37 uur
Het debuut van The Boomtown Rats uit Dublin was al succesvol in het Verenigd Koninkrijk, van dit A Tonic for the Troops worden maar liefst drie hitsingles getrokken. Tot de Nederlandse hitlijsten dringt niet door dat She's So Modern in mei 1978 #12 haalt, gevolgd door Like Clockwork (drie weken #6 in juli) en Rat Trap (#1 in november). Het album haalt er in juli #8, waarmee de groep definitief een grote naam is.
Opgenomen voor Ensign/WEA in de Relight Studio in het Nederlandse Goirle, geproduceerd door Robert Mutt Lange. Wat klinkt is opgewekte en felle pop, met zwierige toetsenpartijen van Johnnie Fingers welke aan die bij Elvis Costello doen denken.
Op kant 1 is Like Clockwork een pittig gitaarnummer, waarna Blind Date met zijn stampende gitaarriff teruggrijpt op de Britse glamrock van vijf jaar eerder.
In het energieke en van tempowisselingen voorziene (I Never Loved) Eva Braun is Adolf Hitler aan het woord over zijn levensgezellin. Het heeft een zwart-komische tekst waarin hij zich probeert vrij te pleiten van zijn misdaden, waarop zijn luisteraars reageren: "I never heard all the screams - oh no? I never saw the blood and dirt and gore - oh yeah? That wasn't part of the dream - yes, we see! Of maps and generals and uniforms. I'd always like the big parade, I always wanted to be adored, In '33 I knew I had it made".
In Living in an Island klinkt ska door, met zijn dominante koortjes en orgellijntjes is het opnieuw genieten en Don't Believe what You Read is opnieuw uptempo en melodieus.
Op kant 2 zet die lijn zich voort met heerlijk scheurende gitaarpopliedjes, waarbij Me and Howard Hughes iets ingetogener is met opnieuw melodische kwaliteiten en (Watch Out for) The Normal People nog het meest weg heeft van punk. Een heerlijk album vol mild scheurende gitaar, frisse toetsen en energieke muziek.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave en verwante muziek kwam vanaf de eveneens tweede van Buzzcocks en vervolgt met pubrock van Dr. Feelgood.
Opgenomen voor Ensign/WEA in de Relight Studio in het Nederlandse Goirle, geproduceerd door Robert Mutt Lange. Wat klinkt is opgewekte en felle pop, met zwierige toetsenpartijen van Johnnie Fingers welke aan die bij Elvis Costello doen denken.
Op kant 1 is Like Clockwork een pittig gitaarnummer, waarna Blind Date met zijn stampende gitaarriff teruggrijpt op de Britse glamrock van vijf jaar eerder.
In het energieke en van tempowisselingen voorziene (I Never Loved) Eva Braun is Adolf Hitler aan het woord over zijn levensgezellin. Het heeft een zwart-komische tekst waarin hij zich probeert vrij te pleiten van zijn misdaden, waarop zijn luisteraars reageren: "I never heard all the screams - oh no? I never saw the blood and dirt and gore - oh yeah? That wasn't part of the dream - yes, we see! Of maps and generals and uniforms. I'd always like the big parade, I always wanted to be adored, In '33 I knew I had it made".
In Living in an Island klinkt ska door, met zijn dominante koortjes en orgellijntjes is het opnieuw genieten en Don't Believe what You Read is opnieuw uptempo en melodieus.
Op kant 2 zet die lijn zich voort met heerlijk scheurende gitaarpopliedjes, waarbij Me and Howard Hughes iets ingetogener is met opnieuw melodische kwaliteiten en (Watch Out for) The Normal People nog het meest weg heeft van punk. Een heerlijk album vol mild scheurende gitaar, frisse toetsen en energieke muziek.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave en verwante muziek kwam vanaf de eveneens tweede van Buzzcocks en vervolgt met pubrock van Dr. Feelgood.
The Boomtown Rats - Mondo Bongo (1980)

3,5
0
geplaatst: 5 september 2025, 21:57 uur
De vierde van The Boomtown Rats, waarbij na het internationale succes van het a-typische nummer I Don't Like Mondays (de Rats maakten new wave met popinvloeden en de pianoballade was een zijstapje) bij nieuwe platenmaatschappij Mercury moesten proberen dat kunstje te herhalen. Topproducer Tony Visconti werd binnengehaald om de boel op Ibiza op te nemen.
Met Caribische sfeer vol percussie en fluiten opent Mondo Bongo. Dit met het semi-titelnummer Mood Bongo, meteen a-typisch en in dit geval door alle vrolijkheid en de discobeat. Via Straight Up klinkt vinnige new wave en This Is My Room bevat galmende pop.
En dan.. kalme piano! De ballade heet Another Piece of Red en heeft een militair randje in de vorm van marsdrums. Aangenaam. In zo'n kalm nummer valt extra op dat zanger Bob Geldof de wereld voorziet van kritische aantekeningen. Na het aardige Go Man Go volgt een bewerking van (op zowel label als buiten- en binnenhoes kortweg getiteld) Under My Thumb van de Rolling Stones; met nieuwe tekst van Geldof heet de opgevoerde versie Under Their Thumb. Leuker dan het origineel.
Kant 2 opent via Please Don't Go met wederom veel percussie en discobeat plus een saxofoon, nu in wavejasje. Hoogtepunt van de plaat is The Elephants Graveyard, uptempo met de zeurzang van Geldof. Reggae in Banana Republic dat een eiland (Ierland of Groot-Brittannië?) bezingt. Het nummer haalde eind november 1980 #3 in het Verenigd Koninkrijk en #12 in Zuid-Afrika, in feite ook een bananenrepubliek waarbij ik vermoed dat de tekst anti-apartheidsaanhangers aansprak.
Dankzij Fall Down is er zowaar een tweede pianoballade. Het album sluit af met een hidden track, ook op de oorspronkelijke vinylversie: het zijn de 76 seconden van Cheerio. Het sterretje dat MuMe aangeeft om aan te geven dat een nummer niet op elke versie van dit album aanwezig is, is dus eigenlijk onterecht.
Al vanaf het debuut laveren The Boomtown Rats tussen new wave en pop. Dat gebeurt ook hier met iets wisselender resultaat dan op de twee voorgangers. In februari 1981 piekte de onjuist gespelde single the elephants graveyard op #26 in het VK. Op de site van de Official (British) charts is de spelling aangepast naar de correcte vorm...
Mijn reis door new wave kwam van het debuutalbum van het Canadese Pylon en omdat ik Kings of the Wild Frontier met onder meer de 1980-najaarshit Antmusic van Adam and the Ants al besprak, wordt vervolgd met de single Start!, te vinden op de elpee Sound Affects van The Jam.
Met Caribische sfeer vol percussie en fluiten opent Mondo Bongo. Dit met het semi-titelnummer Mood Bongo, meteen a-typisch en in dit geval door alle vrolijkheid en de discobeat. Via Straight Up klinkt vinnige new wave en This Is My Room bevat galmende pop.
En dan.. kalme piano! De ballade heet Another Piece of Red en heeft een militair randje in de vorm van marsdrums. Aangenaam. In zo'n kalm nummer valt extra op dat zanger Bob Geldof de wereld voorziet van kritische aantekeningen. Na het aardige Go Man Go volgt een bewerking van (op zowel label als buiten- en binnenhoes kortweg getiteld) Under My Thumb van de Rolling Stones; met nieuwe tekst van Geldof heet de opgevoerde versie Under Their Thumb. Leuker dan het origineel.
Kant 2 opent via Please Don't Go met wederom veel percussie en discobeat plus een saxofoon, nu in wavejasje. Hoogtepunt van de plaat is The Elephants Graveyard, uptempo met de zeurzang van Geldof. Reggae in Banana Republic dat een eiland (Ierland of Groot-Brittannië?) bezingt. Het nummer haalde eind november 1980 #3 in het Verenigd Koninkrijk en #12 in Zuid-Afrika, in feite ook een bananenrepubliek waarbij ik vermoed dat de tekst anti-apartheidsaanhangers aansprak.
Dankzij Fall Down is er zowaar een tweede pianoballade. Het album sluit af met een hidden track, ook op de oorspronkelijke vinylversie: het zijn de 76 seconden van Cheerio. Het sterretje dat MuMe aangeeft om aan te geven dat een nummer niet op elke versie van dit album aanwezig is, is dus eigenlijk onterecht.
Al vanaf het debuut laveren The Boomtown Rats tussen new wave en pop. Dat gebeurt ook hier met iets wisselender resultaat dan op de twee voorgangers. In februari 1981 piekte de onjuist gespelde single the elephants graveyard op #26 in het VK. Op de site van de Official (British) charts is de spelling aangepast naar de correcte vorm...
Mijn reis door new wave kwam van het debuutalbum van het Canadese Pylon en omdat ik Kings of the Wild Frontier met onder meer de 1980-najaarshit Antmusic van Adam and the Ants al besprak, wordt vervolgd met de single Start!, te vinden op de elpee Sound Affects van The Jam.
The Boomtown Rats - The Boomtown Rats (1977)

3,5
3
geplaatst: 24 april 2024, 17:25 uur
In september 1977 verscheen The Boomtown Rats van de groep uit Ierland met die naam. 'Ik hou niet van maandagen' moest nog geschreven worden en frontman Bob Geldof was nog niet initiator van Band Aid en 'Weten ze dat het Kersttijd is?' of Live Aid. Gewoon de zanger van een nieuw bandje.
Dit debuut volgde vijf maanden na het debuut van The Radiators from Space, de eerste Ierse punkband, eveneens uit Dublin. Zij debuteerden met TV Tube Heart bij Chiswick, de punks van The Boomtown Rats zaten bij het jonge label Ensign.
Nou ja, punk? Alles wat kort haar had en kortere nummers schreef werd zo gekwalificeerd. Hartstikke handig voor marketing, maar alhoewel de muziek energiek is en de gitaar regelmatig scheurt, is dit gewoon een stevige rockgroep met een alternatief geluid. Dat ze jong en fris en wild waren, wordt versterkt door de zwart-wit hoes waarin de leden zich onder plastic hullen. New wave noemde ik deze "lichtere punk". Daarover dadelijk meer.
De plaat bevatte negen nummers, in de volgorde zoals BoyOnHeavenHill tien jaar geleden meldde. MuMe houdt de cd-tracklist van 2005 aan. De opbouw van de oorspronkelijke elpee bevalt me veel beter.
Het uptempo Lookin' for No. 1 was de eerste hitsingle die door BBC's Top of the Pops als new wave werd gekwalificeerd, meldt Wikipedia met een bronvermelding die niet langer actief is. Maar ik geloof ze met dit heerlijk knallende nummer graag. In september #11 in Engeland en #2 in Ierland.
De beelden vanuit de Londense tv-studio tonen een zestal heren die met alle energie in hen een heerlijk melodieus liedje neerzetten, compleet met snelle roffels van Simon Crowe en puntig gitaarwerk van Gerry Cott en Garry Roberts, bassist Peter Briquette met prachtige Rickenbacker basgitaar, terwijl toetsenist Johnnie Fingers wel op het podium staat maar in dit nummer niet meespeelt. Leve playback!
Na deze opener volgt Neon Heart. Het is midtempo en heeft een stevige riff én de eerste bescheiden toetsenbijdrage. Heel anders is Joey's on the Streets Again, dat zowel qua muziek als verhaal klinkt als een nummer dat uit de studio van Bruce Springsteen is gewaaid, compleet met hammondorgel en saxofoonsolo van gastmuzikant Albie Donnelly.
Never Bite the Hand that Feeds heeft een nerveuze maar heerlijke gitaarlick, waarin pubrockgroep Dr. Feelgood terugklinkt. De A-kant sluit af met Mary of the 4th Form over de verboden aantrekking tussen een leraar en een leerlinge. Het nummer verscheen als tweede single, maar dan in een heropname. Deze haalde in december #15 in de Britse hitlijst. Het heeft een riff die doet denken aan de coupletten van Born to Be Wild van Steppenwolf.
Dan heb ik al drie namen genoemd die me al luisterend te binnen schieten. De vier nummers van de B-kant hebben dat ook. Het stampende (She's Gonna) Do You in heeft een lekkere mondharmonicasolo van Geldof, waarmee wederom de echo van pubrock klinkt; Close As You'll Ever Be is aangenaam loom en stevig, waarna met I Can Make It If You Can een... gevoelige ballade volgt?! Alsof je naar een Amerikaans FM-rockstation luistert. Met Kicks sluit de plaat stevig en uptempo af.
Alhoewel ik in 1977 fanatiek naar Hilversum 3 luisterde, ontgingen mij The Boomtown Rats. Indertijd deed het album in Nederland nagenoeg niets; we misten een aangename plaat. Een dikke 7,5 van mij als schoolcijfer, die ik in 3,5 ster vertaal.
Ik kwam hier op mijn reis door de albums achter mijn afspeellijst met new wave uit '77. Mijn vorige halte was (Jonathan Richman and) The Modern Lovers, ik vervolg met de Amerikanen van Richard Hell & The Voidoids.
Dit debuut volgde vijf maanden na het debuut van The Radiators from Space, de eerste Ierse punkband, eveneens uit Dublin. Zij debuteerden met TV Tube Heart bij Chiswick, de punks van The Boomtown Rats zaten bij het jonge label Ensign.
Nou ja, punk? Alles wat kort haar had en kortere nummers schreef werd zo gekwalificeerd. Hartstikke handig voor marketing, maar alhoewel de muziek energiek is en de gitaar regelmatig scheurt, is dit gewoon een stevige rockgroep met een alternatief geluid. Dat ze jong en fris en wild waren, wordt versterkt door de zwart-wit hoes waarin de leden zich onder plastic hullen. New wave noemde ik deze "lichtere punk". Daarover dadelijk meer.
De plaat bevatte negen nummers, in de volgorde zoals BoyOnHeavenHill tien jaar geleden meldde. MuMe houdt de cd-tracklist van 2005 aan. De opbouw van de oorspronkelijke elpee bevalt me veel beter.
Het uptempo Lookin' for No. 1 was de eerste hitsingle die door BBC's Top of the Pops als new wave werd gekwalificeerd, meldt Wikipedia met een bronvermelding die niet langer actief is. Maar ik geloof ze met dit heerlijk knallende nummer graag. In september #11 in Engeland en #2 in Ierland.
De beelden vanuit de Londense tv-studio tonen een zestal heren die met alle energie in hen een heerlijk melodieus liedje neerzetten, compleet met snelle roffels van Simon Crowe en puntig gitaarwerk van Gerry Cott en Garry Roberts, bassist Peter Briquette met prachtige Rickenbacker basgitaar, terwijl toetsenist Johnnie Fingers wel op het podium staat maar in dit nummer niet meespeelt. Leve playback!
Na deze opener volgt Neon Heart. Het is midtempo en heeft een stevige riff én de eerste bescheiden toetsenbijdrage. Heel anders is Joey's on the Streets Again, dat zowel qua muziek als verhaal klinkt als een nummer dat uit de studio van Bruce Springsteen is gewaaid, compleet met hammondorgel en saxofoonsolo van gastmuzikant Albie Donnelly.
Never Bite the Hand that Feeds heeft een nerveuze maar heerlijke gitaarlick, waarin pubrockgroep Dr. Feelgood terugklinkt. De A-kant sluit af met Mary of the 4th Form over de verboden aantrekking tussen een leraar en een leerlinge. Het nummer verscheen als tweede single, maar dan in een heropname. Deze haalde in december #15 in de Britse hitlijst. Het heeft een riff die doet denken aan de coupletten van Born to Be Wild van Steppenwolf.
Dan heb ik al drie namen genoemd die me al luisterend te binnen schieten. De vier nummers van de B-kant hebben dat ook. Het stampende (She's Gonna) Do You in heeft een lekkere mondharmonicasolo van Geldof, waarmee wederom de echo van pubrock klinkt; Close As You'll Ever Be is aangenaam loom en stevig, waarna met I Can Make It If You Can een... gevoelige ballade volgt?! Alsof je naar een Amerikaans FM-rockstation luistert. Met Kicks sluit de plaat stevig en uptempo af.
Alhoewel ik in 1977 fanatiek naar Hilversum 3 luisterde, ontgingen mij The Boomtown Rats. Indertijd deed het album in Nederland nagenoeg niets; we misten een aangename plaat. Een dikke 7,5 van mij als schoolcijfer, die ik in 3,5 ster vertaal.
Ik kwam hier op mijn reis door de albums achter mijn afspeellijst met new wave uit '77. Mijn vorige halte was (Jonathan Richman and) The Modern Lovers, ik vervolg met de Amerikanen van Richard Hell & The Voidoids.
The Boomtown Rats - The Fine Art of Surfacing (1979)

4,0
0
geplaatst: 23 september 2024, 18:54 uur
Wie The Fine Art of Surfacing kocht vanwege I Don't Like Mondays zal mogelijk teleurgesteld zijn geweest, omdat de overige nummers nergens in die stijl van piano met orkest zijn. De Angelsaksiche wereld wist beter: The Boomtown Rats waren vanaf het debuut succesvol in het eigen Ierland en het Verenigd Koninkrijk, waar al de nodige hits waren gescoord met gevarieerde new wave.
Ik kende hen slechts van naam - denk ik - tot het liedje in augustus de Nationale Hitparade betreedt om in september twee weken op #2 te staan. Geproduceerd door Robert "Mutt" Lange, die in datzelfde jaar AC/DC deed, de meeste nummers op de elpee van de hand van frontman Bob Geldof.
Ook op hun derde langspeler hoor ik de sferen van kwaliteitsrock van voordien. Opener Someone's Looking at You en Diamond Smiles hebben iets weg van David Bowie en Cockney Rebel, in het jasje van The Boomtown Rats. Als eerste hoogtepunt hoor ik het vinnige Wind Chill Factor (Minus Zero) met pittige gitaarlicks en stuiterende synthesizer. Vrolijker is Having My Picture Taken en met Sleep (Fingers' Lullaby) klinkt weer de artrock van enkele jaren eerder.
Verrassend is dat I Don't Like Mondays kant 2 opent, waar je het als muzikaal buitenbeentje halverwege een plaatkant zou verwachten. Geschreven door Geldof kreeg het van Fiachra Trench zijn arrangement; diens naam kwam ik in soortgelijke rol tegen bij Thin Lizzy. De albumversie is nét iets langer dan die op single.
In de pittige rock die volgt moet ik soms aan de verhalende composities van Bruce Springsteen denken, net als op hun debuut. Dat geldt helemaal voor afsluiter afsluiter When the Night Comes, dankzij de pianopartij van Johnnie Fingers, met als kers op de taart prachtig akoestisch flamencospel van gitarist Gerry Cott.
Anders dan ik mij herinner was het maandagliedje niet hun enige Nederlandse hit. Twee opvolgers van dit album haalden bescheiden posities: Diamond Smiles kwam in december 1979 tot #42 en Someone's Looking at You in februari 1980 tot #48. The Fine Art of Surfacing was wel de enige langspeler van de Ieren die de Nederlandse albumlijst haalde: #33 in november '79.
In 2005 verscheen het album op cd met enkele aangename extra's, ook op streaming te vinden. De grote hit van deze plaat is nooit een favoriet van me geweest en wordt dat ook nu niet. Wind Chill Factor en When the Night Comes zijn dat wel.
Mijn reis achter de afspeellijsten met new wave vervolgt. Ik kwam van Dave Edmunds met diens Repeat When Necessary en omdat ik de synthpop op Replicas van Tubeway Army al besprak, vervolg ik bij de derde van The Kids uit Antwerpen.
Ik kende hen slechts van naam - denk ik - tot het liedje in augustus de Nationale Hitparade betreedt om in september twee weken op #2 te staan. Geproduceerd door Robert "Mutt" Lange, die in datzelfde jaar AC/DC deed, de meeste nummers op de elpee van de hand van frontman Bob Geldof.
Ook op hun derde langspeler hoor ik de sferen van kwaliteitsrock van voordien. Opener Someone's Looking at You en Diamond Smiles hebben iets weg van David Bowie en Cockney Rebel, in het jasje van The Boomtown Rats. Als eerste hoogtepunt hoor ik het vinnige Wind Chill Factor (Minus Zero) met pittige gitaarlicks en stuiterende synthesizer. Vrolijker is Having My Picture Taken en met Sleep (Fingers' Lullaby) klinkt weer de artrock van enkele jaren eerder.
Verrassend is dat I Don't Like Mondays kant 2 opent, waar je het als muzikaal buitenbeentje halverwege een plaatkant zou verwachten. Geschreven door Geldof kreeg het van Fiachra Trench zijn arrangement; diens naam kwam ik in soortgelijke rol tegen bij Thin Lizzy. De albumversie is nét iets langer dan die op single.
In de pittige rock die volgt moet ik soms aan de verhalende composities van Bruce Springsteen denken, net als op hun debuut. Dat geldt helemaal voor afsluiter afsluiter When the Night Comes, dankzij de pianopartij van Johnnie Fingers, met als kers op de taart prachtig akoestisch flamencospel van gitarist Gerry Cott.
Anders dan ik mij herinner was het maandagliedje niet hun enige Nederlandse hit. Twee opvolgers van dit album haalden bescheiden posities: Diamond Smiles kwam in december 1979 tot #42 en Someone's Looking at You in februari 1980 tot #48. The Fine Art of Surfacing was wel de enige langspeler van de Ieren die de Nederlandse albumlijst haalde: #33 in november '79.
In 2005 verscheen het album op cd met enkele aangename extra's, ook op streaming te vinden. De grote hit van deze plaat is nooit een favoriet van me geweest en wordt dat ook nu niet. Wind Chill Factor en When the Night Comes zijn dat wel.
Mijn reis achter de afspeellijsten met new wave vervolgt. Ik kwam van Dave Edmunds met diens Repeat When Necessary en omdat ik de synthpop op Replicas van Tubeway Army al besprak, vervolg ik bij de derde van The Kids uit Antwerpen.
The Boys - Alternative Chartbusters (1978)

3,5
0
geplaatst: 19 mei 2024, 06:28 uur
Met titel Alternative Chartbusters maakten The Boys in maart 1978 geen geheim van hun stijl en bedoelingen. Op de hoes zien we de vijf gekleed in zowel punk- als modmode: buttons en jasje-stropdasje. Ja, dat gaat prima samen.
Melodieuze poppunk die in vergelijking met het debuut iets meer pure pop bevat. Dit door in Sway (Quen Sera) (oorspronkelijk uit 1953 van Mexicaan Pablo Beltrán Ruiz) het scheurende gitaartje te temmen ten faveure van blazers, in Heroine een ballade neer te zetten en in Cast of Thousands wordt een voetballied ("We are the champions!") tot een gekruide meezinger.
Dan resteren nog altijd elf nummers waarin het wél beschaafd stevig is en immer meezingbaar met pakkende melodieën en koortjes. Plus soms glimlachteksten, zoals in het midtempo Backstage Pass: "When all the punk bands - All sound second hand - I will still be lovin' you. When Johnny Rotten - Has been forgotten - I will still be loving you."
Gebaseerd op het boek Alternative Rock: Third Ear: The Essential Listening Companion (2020) van de Amerikaan Dave Thompson vermeldt Wikipedia: "Boysmania swept Holland". Wel, zowel mijn geheugen als de sites van de Nationale Hitparade en Top 40 bieden daar geen enkel spoor van. In hun eigen Verenigd Koninkrijk gebeurde hetzelfde: niets...
Wel zeker is dat in 2013 op 2-cd een Deluxe Edition verscheen met in totaal 22 tracks, meer dus dan MuMe toont. Ook op streaming te vinden, biedt dit leuke extra's.
Aanbevolen voor liefhebbers van The Undertones, zeker waar het uptempo is. Mijn favorieten zijn het robuuste USI, Taking on the World met fraai gitaarlickje, het felle Not Ready, de pakkende gitaarlijnen van TCP, het springerige Talking en de supporterskoren in Cast of Thousands.
Op reis door new wave kwam ik vanaf Rich Kids en vervolg bij X-Ray Spex.
Melodieuze poppunk die in vergelijking met het debuut iets meer pure pop bevat. Dit door in Sway (Quen Sera) (oorspronkelijk uit 1953 van Mexicaan Pablo Beltrán Ruiz) het scheurende gitaartje te temmen ten faveure van blazers, in Heroine een ballade neer te zetten en in Cast of Thousands wordt een voetballied ("We are the champions!") tot een gekruide meezinger.
Dan resteren nog altijd elf nummers waarin het wél beschaafd stevig is en immer meezingbaar met pakkende melodieën en koortjes. Plus soms glimlachteksten, zoals in het midtempo Backstage Pass: "When all the punk bands - All sound second hand - I will still be lovin' you. When Johnny Rotten - Has been forgotten - I will still be loving you."
Gebaseerd op het boek Alternative Rock: Third Ear: The Essential Listening Companion (2020) van de Amerikaan Dave Thompson vermeldt Wikipedia: "Boysmania swept Holland". Wel, zowel mijn geheugen als de sites van de Nationale Hitparade en Top 40 bieden daar geen enkel spoor van. In hun eigen Verenigd Koninkrijk gebeurde hetzelfde: niets...
Wel zeker is dat in 2013 op 2-cd een Deluxe Edition verscheen met in totaal 22 tracks, meer dus dan MuMe toont. Ook op streaming te vinden, biedt dit leuke extra's.
Aanbevolen voor liefhebbers van The Undertones, zeker waar het uptempo is. Mijn favorieten zijn het robuuste USI, Taking on the World met fraai gitaarlickje, het felle Not Ready, de pakkende gitaarlijnen van TCP, het springerige Talking en de supporterskoren in Cast of Thousands.
Op reis door new wave kwam ik vanaf Rich Kids en vervolg bij X-Ray Spex.
The Boys - The Boys (1977)

4,5
0
geplaatst: 29 april 2024, 12:02 uur
September 1977 beleefden we voor het eerst een klein golfje aan nieuwe albums van groepen in de punk en new wave. Daarbij ook dit debuut van The Boys uit Londen. Waar je toentertijd bij groepsnamen als The Damned, The Stranglers en Sex Pistols bij voorbaat al wist dat sprake was van luide, tegendraadse muziek, is dat niet geval bij de naam The Boys. Wees er echter van verzekerd dat het hier luid is, verpakt in veertien nummers die nergens boven de drie minuten uitkomen en in vijf gevallen zelfs onder de twee blijven.
Oudgediende in de groep was toetsenist Casino Steel, alias van de Noor Stein Groven. Hij stond aan de wieg van twaalf nummers, in de meeste gevallen met zanger-gitarist Matt Dangerfield. De laatste verdeelde de vocalen met bassist Duncan "Kid" Reid.
Al in 1973 nam Steel voor het NEMS-label een elpee op met Hollywood Brats, dat het label vervolgens weigerde uit te brengen. Daarop is regelmatig de stijl van The Boys te horen. Het is vast door het bescheiden succes van The Boys dat de plaat van Steels vorige groep beter-laat-dan-nooit in 1980 alsnog uitkwam. NEMS bracht namelijk wél meteen dit debuut van The Boys uit, dat in oktober '77 één week #50 stond.
De muziek is consequent uptempo, stevig en melodieus, waarbij ik moet denken aan de Ramones. Producers: alweer Steel en Dangerfield. Tussen de gitaarmuurtjes zitten de nodige popkwaliteiten verscholen; wat dat betreft is veelzeggend dat het tweede nummer van de plaat, I Call Your Name, een Beatlescover is. Maar wees ervan verzekerd dat die geheel in de stijl van The Boys is getransformeerd.
Er is ook plek voor humor. Zo klinkt in Tumble een echo van The Everly Brothers: "Wake up little Suzie, stop pickin' your nose". Of in Kiss Like a Nun : "You look so bold, you act so cool. Tell me why, babe, when I'm kissing you - Kiss like a nun". Eigenlijk is deze punk gewoon scháttig, toch?
Vanaf 1999 verschenen cd-edities met 3 tot vijf bonustracks, in 2013 zelfs een 2cd-versie met maar liefst negen bonussen. Die staat ook op streaming, maar eigenlijk bevat de oorspronkelijke elpee precies genoeg, vragend om herhaald opgezet te worden.
Op reis door punk en wave kwam ik vanaf het Amerikaanse Devo, ik vervolg bij de Londense pubrock van Ian Dury and The Blockheads, dat op 30 september 1977 verscheen, een week na dit debuut van The Boys.
Oudgediende in de groep was toetsenist Casino Steel, alias van de Noor Stein Groven. Hij stond aan de wieg van twaalf nummers, in de meeste gevallen met zanger-gitarist Matt Dangerfield. De laatste verdeelde de vocalen met bassist Duncan "Kid" Reid.
Al in 1973 nam Steel voor het NEMS-label een elpee op met Hollywood Brats, dat het label vervolgens weigerde uit te brengen. Daarop is regelmatig de stijl van The Boys te horen. Het is vast door het bescheiden succes van The Boys dat de plaat van Steels vorige groep beter-laat-dan-nooit in 1980 alsnog uitkwam. NEMS bracht namelijk wél meteen dit debuut van The Boys uit, dat in oktober '77 één week #50 stond.
De muziek is consequent uptempo, stevig en melodieus, waarbij ik moet denken aan de Ramones. Producers: alweer Steel en Dangerfield. Tussen de gitaarmuurtjes zitten de nodige popkwaliteiten verscholen; wat dat betreft is veelzeggend dat het tweede nummer van de plaat, I Call Your Name, een Beatlescover is. Maar wees ervan verzekerd dat die geheel in de stijl van The Boys is getransformeerd.
Er is ook plek voor humor. Zo klinkt in Tumble een echo van The Everly Brothers: "Wake up little Suzie, stop pickin' your nose". Of in Kiss Like a Nun : "You look so bold, you act so cool. Tell me why, babe, when I'm kissing you - Kiss like a nun". Eigenlijk is deze punk gewoon scháttig, toch?
Vanaf 1999 verschenen cd-edities met 3 tot vijf bonustracks, in 2013 zelfs een 2cd-versie met maar liefst negen bonussen. Die staat ook op streaming, maar eigenlijk bevat de oorspronkelijke elpee precies genoeg, vragend om herhaald opgezet te worden.
Op reis door punk en wave kwam ik vanaf het Amerikaanse Devo, ik vervolg bij de Londense pubrock van Ian Dury and The Blockheads, dat op 30 september 1977 verscheen, een week na dit debuut van The Boys.
The Boys - To Hell with the Boys (1979)

3,5
0
geplaatst: 5 november 2024, 22:21 uur
De derde van The Boys, punkpioniers van het eerste uur. Wat hen anders maakt, is de ervaring van enkele ex-leden. Ze deden die op in oerpunkgroep London SS (ja, dat kon in 1975) en voegden daaraan de vaardigheden toe van toetsenist Casino Steel, enkele jaren eerder nog een heuse glamrocker op plateauzolen in Hollywood Brats.
Dat laatste maakt het neusje van The Boys voor popmelodieën en -arrangementen een stuk groter is dan bij genregenoten. Omgekeerd evenredig met de drang om de wereldorde omver te werpen middels anarchie en andere radicaliteiten. Op hun tweede album was het al minder punk geworden en dat geldt nog meer voor deze. De beste benaming is powerpunk of zelfs powerpop.
Dat leidt wederom tot charmante liedjes, zoals opener Sabre Dance, in 1942 geschreven door de Sovjet/Armeense componist Aram Khachaturian, in '69 opgerockt door pubrockgroep Love Sculpture en te vinden op dit album met Dave Edmunds. Maar bij The Boys is het nét iets heftiger.
De knipoog op het grimmig getitelde To Hell with The Boys is groot en het leidt tot een vermakelijk, feestelijk, rockend album, geschikt voor meezingen in de auto en onder de douche. Tegelijkertijd hoor ik niets waardoor ik echt wordt gepakt. Degelijk zonder een echte uitschieter.
Het is dan ook zoeken naar drie favorieten, om uit te komen bij de powerpop van Rue Morgue (twee jaar later beschreef Iron Maiden over diezelfde straat enkele moorden), See Ya Later met zijn valse synths en glamrockinvloeden en vooral Bad Day dat op z'n The Who's rockt.
Geen hitsingles, geen hitalbum, geen notering in de Britse verkooplijsten. De groep bracht daarnaast diverse kerstsingles uit onder het anagram The Yobs. In 1980 leidde dat zelfs tot deze kerstelpee. Die ga ik dus later tegenkomen! In datzelfde jaar verscheen alsnog die ene elpee van Hollywood Brats, dat jaren op een plank had liggen verstoffen.
Mijn reis door new wave kwam van de tweede Simple Minds. Voor de volgende halte betreden we december 1979. Op de eerste van die maand verscheen de derde van The Damned, dat enige tijd uit elkaar was geweest maar net op tijd voor Kerst terugkeerde met het lieflijk getitelde Machine Gun Etiquette.
Dat laatste maakt het neusje van The Boys voor popmelodieën en -arrangementen een stuk groter is dan bij genregenoten. Omgekeerd evenredig met de drang om de wereldorde omver te werpen middels anarchie en andere radicaliteiten. Op hun tweede album was het al minder punk geworden en dat geldt nog meer voor deze. De beste benaming is powerpunk of zelfs powerpop.
Dat leidt wederom tot charmante liedjes, zoals opener Sabre Dance, in 1942 geschreven door de Sovjet/Armeense componist Aram Khachaturian, in '69 opgerockt door pubrockgroep Love Sculpture en te vinden op dit album met Dave Edmunds. Maar bij The Boys is het nét iets heftiger.
De knipoog op het grimmig getitelde To Hell with The Boys is groot en het leidt tot een vermakelijk, feestelijk, rockend album, geschikt voor meezingen in de auto en onder de douche. Tegelijkertijd hoor ik niets waardoor ik echt wordt gepakt. Degelijk zonder een echte uitschieter.
Het is dan ook zoeken naar drie favorieten, om uit te komen bij de powerpop van Rue Morgue (twee jaar later beschreef Iron Maiden over diezelfde straat enkele moorden), See Ya Later met zijn valse synths en glamrockinvloeden en vooral Bad Day dat op z'n The Who's rockt.
Geen hitsingles, geen hitalbum, geen notering in de Britse verkooplijsten. De groep bracht daarnaast diverse kerstsingles uit onder het anagram The Yobs. In 1980 leidde dat zelfs tot deze kerstelpee. Die ga ik dus later tegenkomen! In datzelfde jaar verscheen alsnog die ene elpee van Hollywood Brats, dat jaren op een plank had liggen verstoffen.
Mijn reis door new wave kwam van de tweede Simple Minds. Voor de volgende halte betreden we december 1979. Op de eerste van die maand verscheen de derde van The Damned, dat enige tijd uit elkaar was geweest maar net op tijd voor Kerst terugkeerde met het lieflijk getitelde Machine Gun Etiquette.
The Boys Next Door - Door, Door (1979)

4,0
0
geplaatst: 18 augustus 2024, 19:56 uur
Schoolvrienden beginnen een bandje en schrijven eigen werk, geïnspireerd door hun muzikale helden. Een begin als dat van talloze andere groepen. Vervolgens is deze debuutplaat prima - al schijnt de zanger 'm terugblikkend strenger te beoordelen. Maar wie had kunnen voorspellen dat Nick Cave met The Birthday Party en later The Bad Seeds de vlucht zou nemen die hij nam?
Ik zeker niet. Hier doe ik alsof het 1 mei 1979 is en ik het vandaag verschenen Door, Door van The Boys Next Door uit Melbourne uit een platenbak vis en meeneem. Zes nummers op kant 1, vier op 2. In mei '79 worstelde ondergetekende met huiswerk en een gapende open toekomst. Vermoedelijk had deze plaat met de diverse stemmingen prima gepast bij mijn puberbrein, maar ik kende het niet.
De achterzijde van de hoes toont vijf heren met hun voornamen. Naald in de groef... Het gitaarintro van opener The Nightwatchman heeft weg van wat Sex Pistols' Steve Jones deed in Pretty Vacant en verderop klinkt een melodieus oe-hoeeee-hoe-koortje, terwijl de groep stevig speelt. Brave Exhibitions is eveneens zo'n lekker scheurend uptempo liedje, gelardeerd met saxofoon.
Daarna gaat met Friends of My World het tempo omlaag en hoor ik echo's van Roxy Music. De zanger heeft een aparte stem, relatief laag en krachtig, tevens capabel om hogere regionen te beklimmen.
The Voice is sneller en tegelijkertijd licht met een dansende saxofoon, het punkachtige Roman Roman (Bartjeking vermeldde vier berichten hierboven wie hier wordt bezongen) bevat weer een koortje en in Somebody's Watching fraaie en snelle new wave/postpunk met rollende drumfills, plus... aaaah-pap-pap-koortjes!
Kant 2 opent met After a Fashion. Swingend, dansbaar, een licht-neurotisch gitaarlijntje á la Roxy Music, zij het in een eigen jasje. Meer neurose én een onvervalste driekwartsmaat in Dive Position, waarna ik in I Mistake Myself dankzij de gitaarpartijen aan Siouxsie and the Banshees moet denken. Mijn grootste favoriet is het afsluitende Shivers. Eerst een stemmige piano, dan een tweetal gitaarlijnen door elkaar en de zanger die kalmer zingt dan op de vorige nummers. Bijna als een crooner en het werkt ook nog.
Terug naar 2024, waar ik op de routekaart kijk van mijn reis door new wave. Die kwam vanaf The Pop Group, de band die in 1980 in Engeland grote indruk zou maken op Cave & co.
Op mijn afspeellijsten ontbraken zowel een track van de eerste als van de tweede langspeler van het Amerikaanse (Wayne County and) The Electric Chairs. Dat wil ik inhalen. Terug naar februari 1978 als het debuut van The Electric Chairs verschijnt.
Ik zeker niet. Hier doe ik alsof het 1 mei 1979 is en ik het vandaag verschenen Door, Door van The Boys Next Door uit Melbourne uit een platenbak vis en meeneem. Zes nummers op kant 1, vier op 2. In mei '79 worstelde ondergetekende met huiswerk en een gapende open toekomst. Vermoedelijk had deze plaat met de diverse stemmingen prima gepast bij mijn puberbrein, maar ik kende het niet.
De achterzijde van de hoes toont vijf heren met hun voornamen. Naald in de groef... Het gitaarintro van opener The Nightwatchman heeft weg van wat Sex Pistols' Steve Jones deed in Pretty Vacant en verderop klinkt een melodieus oe-hoeeee-hoe-koortje, terwijl de groep stevig speelt. Brave Exhibitions is eveneens zo'n lekker scheurend uptempo liedje, gelardeerd met saxofoon.
Daarna gaat met Friends of My World het tempo omlaag en hoor ik echo's van Roxy Music. De zanger heeft een aparte stem, relatief laag en krachtig, tevens capabel om hogere regionen te beklimmen.
The Voice is sneller en tegelijkertijd licht met een dansende saxofoon, het punkachtige Roman Roman (Bartjeking vermeldde vier berichten hierboven wie hier wordt bezongen) bevat weer een koortje en in Somebody's Watching fraaie en snelle new wave/postpunk met rollende drumfills, plus... aaaah-pap-pap-koortjes!
Kant 2 opent met After a Fashion. Swingend, dansbaar, een licht-neurotisch gitaarlijntje á la Roxy Music, zij het in een eigen jasje. Meer neurose én een onvervalste driekwartsmaat in Dive Position, waarna ik in I Mistake Myself dankzij de gitaarpartijen aan Siouxsie and the Banshees moet denken. Mijn grootste favoriet is het afsluitende Shivers. Eerst een stemmige piano, dan een tweetal gitaarlijnen door elkaar en de zanger die kalmer zingt dan op de vorige nummers. Bijna als een crooner en het werkt ook nog.
Terug naar 2024, waar ik op de routekaart kijk van mijn reis door new wave. Die kwam vanaf The Pop Group, de band die in 1980 in Engeland grote indruk zou maken op Cave & co.
Op mijn afspeellijsten ontbraken zowel een track van de eerste als van de tweede langspeler van het Amerikaanse (Wayne County and) The Electric Chairs. Dat wil ik inhalen. Terug naar februari 1978 als het debuut van The Electric Chairs verschijnt.
The Boys Next Door - The Birthday Party (1980)

3,5
2
geplaatst: 5 november 2025, 17:58 uur
Dit is de tweede langspeler van The Boys Next Door, die in 1979 debuteerden met Door, Door. Én het is het debuut van The Birthday Party. Hoe zit dat?
In februari 1980 emigreren De Buurjongens van Melbourne naar Londen, waar men aan de tweede langspeler gaat werken én de stad opsnuift, zowel letterlijk als figuurlijk. Hoe het zit met de groepen waarin Nick Cave actief was en wat zijn thuisbases waren, begreep ik pas echt door het lezen van stripbio Mercy on Me van Reinhard Kleist.
De verwarring begint hier al, want alhoewel men overstapte op nieuwe groepsnaam The Birthday Party, deed men nog niet volledig afstand van de oude naam. Zie zelf hoe dat op het label van de elpee zichtbaar is met beide namen vermeld.
Het album staat niet direct op mijn streamingplatform, maar wél indirect doordat nummers van EP Hee-Haw uit december 1979 worden gecombineerd met die van deze elpee The Birthday Party uit november 1980. Ik heb er maar een aparte afspeellijst van gemaakt met de nummers op volgorde van de langspeler.
De muziek is heftiger en eigenzinniger dan op het debuut: een groep in ontwikkeling. Geen rustig nummer te bekennen met de herkenbare stem van Nick Cave als ijkpunt, waarbij de invloeden van jaren '70 artrock hebben plaatsgemaakt voor een eigenwijs en stevig geluid met veel ruimte voor de gitaren van Mick Harvey en Rowland Howard en de sax - is dat bassist Tracy Pew? Hij en drummer Phil Calvert hebben het druk met alle nerveuze ritmes, waar de energie vanaf barst.
Maar dit is geen punk en al helemaal niet zoals in diezelfde dagen een groep als Generation X deed. Geen koortjes, geen verlengde rock 'n' roll, geen liefdesliedjes. Dit gaat expressief en uitbundig verder dan dat. Bij Happy Birthday dat het album afsluit moet ik qua gitaarwerk denken aan hetgeen Jean-Marie Aerts niet veel later bij TC Matic zou doen. Er klinkt zowaar tegenzang en Cave blaft.
Het bovenstaande in terugblik, realiseer ik me hoe revolutionair dit in 1980 klonk. Vernieuwend en verre van makkelijk. Destijds op Hilversum 3 zelfs nauwelijks aan KRO en VARA besteed; dit was VPRO-materiaal, bedoeld voor de avonduren. Niet mijn ding eigenlijk, maar ik hoor hoe knap dit is. Vraag maar aan mijn maatje JeKo hoe lekker hij dit vindt!
Mijn reis door new wave kwam van de gitaarliedjes van The Rousers en vervolgt bij de EP Four from Toyah.
In februari 1980 emigreren De Buurjongens van Melbourne naar Londen, waar men aan de tweede langspeler gaat werken én de stad opsnuift, zowel letterlijk als figuurlijk. Hoe het zit met de groepen waarin Nick Cave actief was en wat zijn thuisbases waren, begreep ik pas echt door het lezen van stripbio Mercy on Me van Reinhard Kleist.
De verwarring begint hier al, want alhoewel men overstapte op nieuwe groepsnaam The Birthday Party, deed men nog niet volledig afstand van de oude naam. Zie zelf hoe dat op het label van de elpee zichtbaar is met beide namen vermeld.
Het album staat niet direct op mijn streamingplatform, maar wél indirect doordat nummers van EP Hee-Haw uit december 1979 worden gecombineerd met die van deze elpee The Birthday Party uit november 1980. Ik heb er maar een aparte afspeellijst van gemaakt met de nummers op volgorde van de langspeler.
De muziek is heftiger en eigenzinniger dan op het debuut: een groep in ontwikkeling. Geen rustig nummer te bekennen met de herkenbare stem van Nick Cave als ijkpunt, waarbij de invloeden van jaren '70 artrock hebben plaatsgemaakt voor een eigenwijs en stevig geluid met veel ruimte voor de gitaren van Mick Harvey en Rowland Howard en de sax - is dat bassist Tracy Pew? Hij en drummer Phil Calvert hebben het druk met alle nerveuze ritmes, waar de energie vanaf barst.
Maar dit is geen punk en al helemaal niet zoals in diezelfde dagen een groep als Generation X deed. Geen koortjes, geen verlengde rock 'n' roll, geen liefdesliedjes. Dit gaat expressief en uitbundig verder dan dat. Bij Happy Birthday dat het album afsluit moet ik qua gitaarwerk denken aan hetgeen Jean-Marie Aerts niet veel later bij TC Matic zou doen. Er klinkt zowaar tegenzang en Cave blaft.
Het bovenstaande in terugblik, realiseer ik me hoe revolutionair dit in 1980 klonk. Vernieuwend en verre van makkelijk. Destijds op Hilversum 3 zelfs nauwelijks aan KRO en VARA besteed; dit was VPRO-materiaal, bedoeld voor de avonduren. Niet mijn ding eigenlijk, maar ik hoor hoe knap dit is. Vraag maar aan mijn maatje JeKo hoe lekker hij dit vindt!
Mijn reis door new wave kwam van de gitaarliedjes van The Rousers en vervolgt bij de EP Four from Toyah.
The Brotherhood of Lizards - Lizardland (1989)

4,5
1
geplaatst: 22 september 2022, 23:09 uur
Als bijvoorbeeld Coldplay of Editors een nieuw plaatje uitbrengen, dan buitelen de reacties op MuMe over elkaar heen, vaak nog vóór er ook maar één klein scheetje is te horen. Hetzelfde als Beyoncé in een spannend turnpakje op een glazen paard gaat zitten. Tegelijkertijd zijn er plaatjes die nog nooit één reactie hebben opgeleverd. Zoals dit verweesde album.
Bij Velvet Ede kwam ik 'm in de bakken met tweedehands vinyl tegen. Zei me niks. Nooit iets over gelezen of gehoord. The Brotherhood of Lizards stond met dit Lizardland wel op MuMe vermeld, maar het aantal reacties drieëndertig jaar na verschijnen: nul. In 2008 werd de plaat door freddze op deze site geplaatst, die hem zijn enige stem gaf. Dat aantal ga ik vanavond verdubbelen.
Op de achterzijde van de hoes zag ik de twee mannen die kennelijk een duo vormden, waarbij ik qua kleding en kapsels inschatte dat het new wave zou kunnen zijn. Heb de plaat op de gok gekocht. Een maand later kan ik concluderen dat dit géén miskoop was en dat mijn intuïtie me niet in de steek had gelaten.
De muziek op Lizardland klinkt aanlokkelijk van oprechte puurheid; alsof het 1982 is, in plaats van 1989 toen new wave een stuk gladder was geworden. Mijn eerste associatie was met XTC, wat 'm zit in de stem van Martin Newell, die wel enigszins lijkt op die van Andy Partridge. Verder speelt Newell op dit zelf opgenomen juweeltje gitaren, piano, glockenspiel en meer. Nelson speelde de overige ritme- en percussie-instrumenten en mandoline.
De muziek is meestal uptempo, de zang licht-dromerig en de liedjes zijn aangenaam licht. Nergens verveelt het, de liedjes zijn fraai en altijd is het alsof vriendelijke melancholie mij toelacht.
Om de hoesteksten moest ik breed grijzen. Droge Engelse humor zoals alleen dat volk dat kan. Drie voorbeelden, wat nog lang niet alles is. Over de opnamen: “We took it in turns to make tea.” Over de hoes: “Nelson did the artwork and I wrote the sleevenotes because I can’t draw and he can’t write.” Of wat te denken van “The snapshot of us was by Robert Brown who is very reasonable and can be contacted at 0206-47410.”
De hoestekst vermeldt ook dat de twee een achtsporenrecorder leenden van Captain Sensible (The Damned). Even koeklen en ik vond een verhaal op lightintheattic.net, over onder andere een tournee van 600 mijlen die de twee per fiets aflegden, omdat ze weigerden op normale wijze hun plaatje onder de aandacht te brengen.
Hip hip hooray, hun enige album staat ook op streaming mét de nodige bonussen. Maar alleen al vanwege de hoes koester ik dit plaatje. Lang leve onverwachte bijvangst in een platenzaak!
Bij Velvet Ede kwam ik 'm in de bakken met tweedehands vinyl tegen. Zei me niks. Nooit iets over gelezen of gehoord. The Brotherhood of Lizards stond met dit Lizardland wel op MuMe vermeld, maar het aantal reacties drieëndertig jaar na verschijnen: nul. In 2008 werd de plaat door freddze op deze site geplaatst, die hem zijn enige stem gaf. Dat aantal ga ik vanavond verdubbelen.
Op de achterzijde van de hoes zag ik de twee mannen die kennelijk een duo vormden, waarbij ik qua kleding en kapsels inschatte dat het new wave zou kunnen zijn. Heb de plaat op de gok gekocht. Een maand later kan ik concluderen dat dit géén miskoop was en dat mijn intuïtie me niet in de steek had gelaten.
De muziek op Lizardland klinkt aanlokkelijk van oprechte puurheid; alsof het 1982 is, in plaats van 1989 toen new wave een stuk gladder was geworden. Mijn eerste associatie was met XTC, wat 'm zit in de stem van Martin Newell, die wel enigszins lijkt op die van Andy Partridge. Verder speelt Newell op dit zelf opgenomen juweeltje gitaren, piano, glockenspiel en meer. Nelson speelde de overige ritme- en percussie-instrumenten en mandoline.
De muziek is meestal uptempo, de zang licht-dromerig en de liedjes zijn aangenaam licht. Nergens verveelt het, de liedjes zijn fraai en altijd is het alsof vriendelijke melancholie mij toelacht.
Om de hoesteksten moest ik breed grijzen. Droge Engelse humor zoals alleen dat volk dat kan. Drie voorbeelden, wat nog lang niet alles is. Over de opnamen: “We took it in turns to make tea.” Over de hoes: “Nelson did the artwork and I wrote the sleevenotes because I can’t draw and he can’t write.” Of wat te denken van “The snapshot of us was by Robert Brown who is very reasonable and can be contacted at 0206-47410.”
De hoestekst vermeldt ook dat de twee een achtsporenrecorder leenden van Captain Sensible (The Damned). Even koeklen en ik vond een verhaal op lightintheattic.net, over onder andere een tournee van 600 mijlen die de twee per fiets aflegden, omdat ze weigerden op normale wijze hun plaatje onder de aandacht te brengen.
Hip hip hooray, hun enige album staat ook op streaming mét de nodige bonussen. Maar alleen al vanwege de hoes koester ik dit plaatje. Lang leve onverwachte bijvangst in een platenzaak!
The Buddy Odor Stop - Buddy Odor Is a Gas! (1979)

3,5
0
geplaatst: 14 augustus 2023, 21:42 uur
Gruppo Sportivo was in juni '79 net z'n volgende hit aan het scoren met Sleeping Bag, toen bekend werd dat Hans Vandenburg de stekker uit de groep had getrokken. De droogkomische ode aan zijn geliefde slaapzak zag meteen zijn verkopen instorten en kwam niet verder dan #43 in de Nationale Hitparade.
Nog datzelfde jaar volgt een album van Vandenburgs The Buddy Odor Stop, genaamd Buddy Odor Is a Gas!. Ik las erover in Muziek Expres, maar volgens mij heb ik het indertijd niet op de radio horen voorbijkomen. De nieuwe naam was slecht getimed, net als John Watts in 1981 deed toen hij stopte met Fischer-Z, op het moment dat die groep eindelijk het succes in eigen Engeland zag stijgen.
Zakelijk dus niet slim, maar Buddy Odor is gewoon een leuk album, heel goed vergelijkbaar met de vorige twee van Gruppo Sportivo. Op dit album staan maar liefst veertien nummers.
Het begint met het felle titelnummer, bijna furieus met een hakkend rammelgitaartje á la The Who in hun beginjaren. De toetsen verraden vervolgens dat het 1979 is en een heerlijk knallend newwaveliedje doet mijn mondhoeken omhoog krullen.
Qua teksten ontstaat bij mij het beeld dat Vandenburg vroeger op school het jongetje was dat de clown uithing en dat vervolgens heeft weten te vertalen in vrolijke en absurdistische gitaarwave, met bovendien heerlijke toetsen van Peter Calicher en Robert Jan Stips.
Voor fans van Golden Earring is het misschien leuk om te weten dat Barry Hay meedoet op het album; op If I Were You gaat hij zelfs zingend in gesprek met de grote ster van dit album, ondanks diens onaangename luchtje.
Met het slepende Teardrops and Two Broken Hearts wordt het serieuzer. Het blijkt een popliedje zonder gekdoenerij en sluit de eerste kant sterk af.
Op kant 2 (Pop for Jazzholes genaamd) word ik verrast door de jazzpop van Cats Hiss, compleet met staande bas en brushes. Meer jazzpop in het korte en instrumentale For Pim, waarna we in de jazzclub blijven en dames de microfoon reserveren.
In de jaren '80 zou deze kruisbestuiving vaker klinken, zoals bij de destijds razend populaire Sade met de hit Sweetest Taboo uit 1985. Iets dergelijks gebeurt hier al als Meike Touw It Feels So Good zingt. Prachtig! Idem voor My Little Man and I, waarna met het vrolijk-gekke Jazz It Up! de plaat met springerige new wave eindigt.
Buddy Odor is a Gas! is een logisch vervolg in het verhaal van Gruppo Sportivo, met meer vrijheid en variatie wat betreft instrumentatie en stijlen. Ruwweg is kant 1 voor new wave en kant 2 voor jazzpop. Had hij dit onder de vlag van Gruppo Sportivo uitgebracht, dan was dit waarschijnlijk meer gehoord dan toen het geval was. Desalniettemin een vermakelijk stukje pophistorie met een aantal fijne liedjes.
Nog datzelfde jaar volgt een album van Vandenburgs The Buddy Odor Stop, genaamd Buddy Odor Is a Gas!. Ik las erover in Muziek Expres, maar volgens mij heb ik het indertijd niet op de radio horen voorbijkomen. De nieuwe naam was slecht getimed, net als John Watts in 1981 deed toen hij stopte met Fischer-Z, op het moment dat die groep eindelijk het succes in eigen Engeland zag stijgen.
Zakelijk dus niet slim, maar Buddy Odor is gewoon een leuk album, heel goed vergelijkbaar met de vorige twee van Gruppo Sportivo. Op dit album staan maar liefst veertien nummers.
Het begint met het felle titelnummer, bijna furieus met een hakkend rammelgitaartje á la The Who in hun beginjaren. De toetsen verraden vervolgens dat het 1979 is en een heerlijk knallend newwaveliedje doet mijn mondhoeken omhoog krullen.
Qua teksten ontstaat bij mij het beeld dat Vandenburg vroeger op school het jongetje was dat de clown uithing en dat vervolgens heeft weten te vertalen in vrolijke en absurdistische gitaarwave, met bovendien heerlijke toetsen van Peter Calicher en Robert Jan Stips.
Voor fans van Golden Earring is het misschien leuk om te weten dat Barry Hay meedoet op het album; op If I Were You gaat hij zelfs zingend in gesprek met de grote ster van dit album, ondanks diens onaangename luchtje.
Met het slepende Teardrops and Two Broken Hearts wordt het serieuzer. Het blijkt een popliedje zonder gekdoenerij en sluit de eerste kant sterk af.
Op kant 2 (Pop for Jazzholes genaamd) word ik verrast door de jazzpop van Cats Hiss, compleet met staande bas en brushes. Meer jazzpop in het korte en instrumentale For Pim, waarna we in de jazzclub blijven en dames de microfoon reserveren.
In de jaren '80 zou deze kruisbestuiving vaker klinken, zoals bij de destijds razend populaire Sade met de hit Sweetest Taboo uit 1985. Iets dergelijks gebeurt hier al als Meike Touw It Feels So Good zingt. Prachtig! Idem voor My Little Man and I, waarna met het vrolijk-gekke Jazz It Up! de plaat met springerige new wave eindigt.
Buddy Odor is a Gas! is een logisch vervolg in het verhaal van Gruppo Sportivo, met meer vrijheid en variatie wat betreft instrumentatie en stijlen. Ruwweg is kant 1 voor new wave en kant 2 voor jazzpop. Had hij dit onder de vlag van Gruppo Sportivo uitgebracht, dan was dit waarschijnlijk meer gehoord dan toen het geval was. Desalniettemin een vermakelijk stukje pophistorie met een aantal fijne liedjes.
The Call - Reconciled (1986)

4,0
2
geplaatst: 10 augustus 2023, 13:51 uur
Ook ik leerde The Call kennen bij de VARA, dat I Still Believe (Great Design) frequent draaide op hun dinsdagen op Hilversum 3. De band werd gepositioneerd als een Amerikaans antwoord op Ieren, Welshmen, Schotten en Engelsen als U2, The Alarm, Big Country en Silent Running. Verschil waren de toetsen, zo leerde ik toen ik Reconciled uit de fonotheek had gevist. Jim Goodwin speelt sferische partijen, wat in combinatie met de gitaar van Tom Ferrier een heerlijk geheel smeedt. De plaat heeft bovendien een prachtige hoes, zeker op elpeeformaat.
Dankzij Plaatboef Rotterdam staat ie nu hier. Opvallend is dat de nummers die destijds op cassette belandden, nog altijd mijn favorieten zijn. Bijzonder toch, hoe opgenomen liedjes in mijn geheugen staan gegrift, lang nadat die cassettes zijn weggegooid.
Op de A-kant zijn dat behalve de single: Everywhere I Go en The Morning. Op de B-kant Oklahoma, With or Without Reason, het magnifieke Sanctuary en het eveneens prachtige Even Now.
Chameleon Day beklaagde zich in 2011 over de simplistische drumpatronen; eenvoudig zijn ze zeker, ik vind ze juist bij deze new wave passen. Het stoort me dus zeker niet, ook al doet Scott Musick vooral met zijn basdrum erg weinig.
Wat verder opvalt zijn de teksten waarin hoop, angst en geborgenheid om voorrang streven, passend bij de passievolle stem van frontman Michael Been. Die in Sanctuary bijvoorbeeld: hier wordt een donkere toekomst beschreven maar uiteindelijk stemt het verhaal hoopvol.
Dat Jim Kerr en Peter Gabriel bescheiden gastrollen vervullen, was indertijd goed voor de publiciteit. Dat hielp kennelijk, want Reconciled bleek alweer hun vierde album en voor het eerst maakte Nederland (Europa?) kennis met de groep.
I Still Believe (met passend-fraaie singlehoes) vind ik van de hoogtepunten eigenlijk nog de minste, maar het is de enige die je nog weleens op (Nederlandse) radio hoort. In maart - april 1986 drie weken #2 in de Verrukkelijke 15, van de eerste plek afgehouden door Talk Talk met Living in Another World en Cliff Richard & The Young Ones met Living Doll.
De rest van mijn favorietjes op Reconciled is sneller dan de Verrukkelijke 15-hitsingle en al dat uptempo werk is dus bijzonder aangenaam aan dit album, mede dankzij de repetitieve drumpartijen. Nu eens zien of ik opvolger Into the Woods nog eens tegenkom in een platenbak: die vond ik nóg beter.
Dankzij Plaatboef Rotterdam staat ie nu hier. Opvallend is dat de nummers die destijds op cassette belandden, nog altijd mijn favorieten zijn. Bijzonder toch, hoe opgenomen liedjes in mijn geheugen staan gegrift, lang nadat die cassettes zijn weggegooid.
Op de A-kant zijn dat behalve de single: Everywhere I Go en The Morning. Op de B-kant Oklahoma, With or Without Reason, het magnifieke Sanctuary en het eveneens prachtige Even Now.
Chameleon Day beklaagde zich in 2011 over de simplistische drumpatronen; eenvoudig zijn ze zeker, ik vind ze juist bij deze new wave passen. Het stoort me dus zeker niet, ook al doet Scott Musick vooral met zijn basdrum erg weinig.
Wat verder opvalt zijn de teksten waarin hoop, angst en geborgenheid om voorrang streven, passend bij de passievolle stem van frontman Michael Been. Die in Sanctuary bijvoorbeeld: hier wordt een donkere toekomst beschreven maar uiteindelijk stemt het verhaal hoopvol.
Dat Jim Kerr en Peter Gabriel bescheiden gastrollen vervullen, was indertijd goed voor de publiciteit. Dat hielp kennelijk, want Reconciled bleek alweer hun vierde album en voor het eerst maakte Nederland (Europa?) kennis met de groep.
I Still Believe (met passend-fraaie singlehoes) vind ik van de hoogtepunten eigenlijk nog de minste, maar het is de enige die je nog weleens op (Nederlandse) radio hoort. In maart - april 1986 drie weken #2 in de Verrukkelijke 15, van de eerste plek afgehouden door Talk Talk met Living in Another World en Cliff Richard & The Young Ones met Living Doll.
De rest van mijn favorietjes op Reconciled is sneller dan de Verrukkelijke 15-hitsingle en al dat uptempo werk is dus bijzonder aangenaam aan dit album, mede dankzij de repetitieve drumpartijen. Nu eens zien of ik opvolger Into the Woods nog eens tegenkom in een platenbak: die vond ik nóg beter.
The Cards - Generation Jukebox (2023)

3,5
0
geplaatst: 19 januari 2024, 19:08 uur
Het tweede album van The Cards, een internationaal project met het zwaartepunt in Den Haag. Ik ontdekte de groep toen ik vorig jaar las dat gitarist Paul Quinn van Saxon met pensioen was gegaan. Hij is de Engelsman in de groep met verder de Amerikaanse Hagenaar Harrison Young op zang en bas en Nederlander Koen Herfst, bekend van het huidige Vandenberg. Samen vormen ze een powertrio met muzikale wortels in de jaren (pakweg) 1969 - 1974.
Generation Jukebox is geen herhaling van zetten van het prima debuut uit 2019, zo blijkt meteen uit het eerste nummer. Op het toepasselijke getitelde Moving on klinken namelijk blazers en dat nog lekker ook. De pakkende single King Kong volgt en is eveneens stevig.
Slepend en luid zijn de twee nummers die volgen, waarna In the Middle begint met een koortje plus orgel, beïnvloed door black gospel. Dat geluid is nieuw bij hen én aangenaam; al helemaal met het solootje op het Hammondorgel (van Young) en dat Herfst het nummer zingt is eveneens prima.
Verrassend is de pop in jaren '70 sfeer van Take Your Time, mede dankzij de heerlijke melodie. Iets steviger is Night Skipper, waarna robuust wordt gerockt in Way Back Home om akoestisch én fraai te eindigen met... The End.
Ik ben een fan van Saxon, maar bij deze tweede van The Cards vind ik juist de twee meest ingetogen nummers het beste. Transparant én stevig klinkend is dit een plaatje waarop Quinn zijn andere gitaristische kant toont, zich verre van metal houdend met dit vroege jaren '70 gitaargescheur.
Sophia den Breems is verantwoordelijk voor de fraaie hoes, het album is naast de grote streamingkanalen ook op Bandcamp mét bijzondere merchandise te vinden. The Cards tourden in november door het Verenigd Koninkrijk en in mei 2024 volgt een kleine Nederlandse tournee via Duivendrecht, Tilburg, Weert, Ede en Hilversum. Alleen al leuk om Quinn eens een keertje van nabij te zien, wat bij het grote Saxon een stuk lastiger is.
En dan is er sinds vandaag een nieuwe Saxon... Ga ik morgen eens naar luisteren én checken of Quinn daar nog enige invloed op had. Wie weet enkele concerten in het voorprogramma van zijn oude bandje? Zou leuk zijn!
Generation Jukebox is geen herhaling van zetten van het prima debuut uit 2019, zo blijkt meteen uit het eerste nummer. Op het toepasselijke getitelde Moving on klinken namelijk blazers en dat nog lekker ook. De pakkende single King Kong volgt en is eveneens stevig.
Slepend en luid zijn de twee nummers die volgen, waarna In the Middle begint met een koortje plus orgel, beïnvloed door black gospel. Dat geluid is nieuw bij hen én aangenaam; al helemaal met het solootje op het Hammondorgel (van Young) en dat Herfst het nummer zingt is eveneens prima.
Verrassend is de pop in jaren '70 sfeer van Take Your Time, mede dankzij de heerlijke melodie. Iets steviger is Night Skipper, waarna robuust wordt gerockt in Way Back Home om akoestisch én fraai te eindigen met... The End.
Ik ben een fan van Saxon, maar bij deze tweede van The Cards vind ik juist de twee meest ingetogen nummers het beste. Transparant én stevig klinkend is dit een plaatje waarop Quinn zijn andere gitaristische kant toont, zich verre van metal houdend met dit vroege jaren '70 gitaargescheur.
Sophia den Breems is verantwoordelijk voor de fraaie hoes, het album is naast de grote streamingkanalen ook op Bandcamp mét bijzondere merchandise te vinden. The Cards tourden in november door het Verenigd Koninkrijk en in mei 2024 volgt een kleine Nederlandse tournee via Duivendrecht, Tilburg, Weert, Ede en Hilversum. Alleen al leuk om Quinn eens een keertje van nabij te zien, wat bij het grote Saxon een stuk lastiger is.
En dan is er sinds vandaag een nieuwe Saxon... Ga ik morgen eens naar luisteren én checken of Quinn daar nog enige invloed op had. Wie weet enkele concerten in het voorprogramma van zijn oude bandje? Zou leuk zijn!
The Cards - The Cards (2019)

3,5
0
geplaatst: 17 januari 2024, 07:56 uur
Debuut van een internationaal (hobby?)project dat lekker rockt, opgenomen in Den Haag. De groep put uit het geluid van de powertrio's rond 1970, waarbij het niet één van de grote namen uit die tijd imiteert maar onmiddelijk een eigen, herkenbaar geluid neerzet.
The Cards bestaat uit de Amerikaanse bassist-toetsenist-zanger en producer Harrison Young, blijkens zijn biografie woonachtig in de Hofstad; de Nederlandse drummer Koen Herfst, momenteel in Vandenberg spelend maar veel breder georiënteerd gezien zijn webstek; en de Engelse gitarist Paul Quinn, bekend van Saxon.
Die laat zijn metalen gitarengeluid achter zich en kiest voor andere ronkende geluidsmuurtjes. Weliswaar luid, maar even onvermijdelijk als lekker klinkt nogal eens blues in Quinns scheurende gitaren. Het titelloze debuut luistert lekker weg dankzij de nodige variatie in tempo's en sferen. Zo bevat de beukende opener No Soul harde shufflerock en klinken in Bandit on the Run de nodige tempowisselingen met een sober Hammondorgel.
In Sweet Lowdown Dirty Love domineert een akoestische gitaar het intro, waarna het stevig en stampend losbarst. Agent Orange is dan weer hard en rockend met fraai koortje. Op het rustige slot For You zijn spaarzame strijkers te horen. De stem van Young bevat een aangenaam hees randje, passend bij de stijl.
Het album is te streamen op diverse platforms én op Bandcamp bovendien te leveren met de speelkaarten van de hoes. Geinig hebbedingetje!
Een tweede album genaamd Generation Jukebox verscheen afgelopen najaar, heb het album zojuist ingediend bij MuMe. Want dit smaakte naar meer.
The Cards bestaat uit de Amerikaanse bassist-toetsenist-zanger en producer Harrison Young, blijkens zijn biografie woonachtig in de Hofstad; de Nederlandse drummer Koen Herfst, momenteel in Vandenberg spelend maar veel breder georiënteerd gezien zijn webstek; en de Engelse gitarist Paul Quinn, bekend van Saxon.
Die laat zijn metalen gitarengeluid achter zich en kiest voor andere ronkende geluidsmuurtjes. Weliswaar luid, maar even onvermijdelijk als lekker klinkt nogal eens blues in Quinns scheurende gitaren. Het titelloze debuut luistert lekker weg dankzij de nodige variatie in tempo's en sferen. Zo bevat de beukende opener No Soul harde shufflerock en klinken in Bandit on the Run de nodige tempowisselingen met een sober Hammondorgel.
In Sweet Lowdown Dirty Love domineert een akoestische gitaar het intro, waarna het stevig en stampend losbarst. Agent Orange is dan weer hard en rockend met fraai koortje. Op het rustige slot For You zijn spaarzame strijkers te horen. De stem van Young bevat een aangenaam hees randje, passend bij de stijl.
Het album is te streamen op diverse platforms én op Bandcamp bovendien te leveren met de speelkaarten van de hoes. Geinig hebbedingetje!
Een tweede album genaamd Generation Jukebox verscheen afgelopen najaar, heb het album zojuist ingediend bij MuMe. Want dit smaakte naar meer.
The Cars - Candy-O (1979)

3,5
1
geplaatst: 29 augustus 2024, 07:23 uur
Op reis door new wave kom ik vanaf de powerpop van The (Paul Collins') Beat, dat onstuimige gitaarrock met soms een vleugje jaren '60 maakte, bij geliktere rock van The Cars. Hun tweede album Candy-O behoeft enkele draaibeurten om te landen. Melodieuze popliedjes met licht alternatief randje, teksten over al dan niet gelukkige relaties. In Nederland geen hitsingles.
De start is sterk met Let's Go (september ’79 #14 in de Billboard Hot 100), dat wordt gevolgd door Since I Held You, vanaf het refrein openbloeiend. Dan twee wat brave, saaie popnummers, maar met Shoo Be Doo waait dankzij nerveuze synths en aparte zang een Britse sfeer. Titelnummer Candy-O klinkt alsof de heren de Berlijnse albums van David Bowie in eigen jasje goten. Daar slaagden ze goed in, inclusief heerlijk gitaarwerk.
Kant 2 is de beste helft. Zoals Night Spots en You Can't Hold on Too Long die de sfeer van het titellied ademen, mede door de Bowieaanse zangstijl. Meer Britse sfeer in Got a Lot on My Head, maar dankzij pittige gitaar en orgeltje á la Elvis Costello & The Attractions.
In slotlied Dangerous Type worden de gladdere Amerikaanse en onstuimiger Britse kant alsnog samengebracht, alweer een nummer dat moet groeien. In het slot ervan zelfs stemgeluiden die aan E.L.O. doen denken!
Muzikaal bepaald niet opzienbarend of trendsettend, wel een popgerichte vertolking van alternatieve Britse rock. De hoes alleen al is wat dat betreft verwarrend; je zou denken dat dit een classic (hard)rockgroep is. The Cars aten van diverse walletjes. En toch lekker!
Voor de volgende halte naar Parijs en het tweede album van Stinky Toys.
De start is sterk met Let's Go (september ’79 #14 in de Billboard Hot 100), dat wordt gevolgd door Since I Held You, vanaf het refrein openbloeiend. Dan twee wat brave, saaie popnummers, maar met Shoo Be Doo waait dankzij nerveuze synths en aparte zang een Britse sfeer. Titelnummer Candy-O klinkt alsof de heren de Berlijnse albums van David Bowie in eigen jasje goten. Daar slaagden ze goed in, inclusief heerlijk gitaarwerk.
Kant 2 is de beste helft. Zoals Night Spots en You Can't Hold on Too Long die de sfeer van het titellied ademen, mede door de Bowieaanse zangstijl. Meer Britse sfeer in Got a Lot on My Head, maar dankzij pittige gitaar en orgeltje á la Elvis Costello & The Attractions.
In slotlied Dangerous Type worden de gladdere Amerikaanse en onstuimiger Britse kant alsnog samengebracht, alweer een nummer dat moet groeien. In het slot ervan zelfs stemgeluiden die aan E.L.O. doen denken!
Muzikaal bepaald niet opzienbarend of trendsettend, wel een popgerichte vertolking van alternatieve Britse rock. De hoes alleen al is wat dat betreft verwarrend; je zou denken dat dit een classic (hard)rockgroep is. The Cars aten van diverse walletjes. En toch lekker!
Voor de volgende halte naar Parijs en het tweede album van Stinky Toys.
The Cars - Panorama (1980)

3,0
0
geplaatst: 2 mei 2025, 14:51 uur
Panorama is de derde van The Cars uit Boston, verschenen in augustus 1980. Na de succesvolle voorgangers The Cars (1978) en Candy-O ('79) was er alleen in de VS succes: single Touch and Go haalde half oktober 1980 #37 in de Billboard Hot 100 en het album stond vanaf 19 september enkele weken #5 in de Billboard 200.
Al vanaf het debuut was de vernieuwende productie opvallend en op Panorama wordt dat verengd tot iets als een koele, witte koelkast op een zomerse dag, het duidelijkst te horen in het strakke drumgeluid.
Dat is lekker, maar teveel composities blijven achter door een gebrek aan pakkende melodieën. Het titelnummer dat de plaat opent is prima, nog iets beter is Gimme Some Slack dankzij de riff in combinatie met de zanglijn.
Don't Tell Me No is mager, ondanks de opvallende bariton in het refrein; moet daar aan 10 CC's Dreadlock Holiday denken. In het snelle Getting Through vallen vooral de Star Warsgeluidjes uit de synths van Greg Hawkes op.
Kant 2 opent met Misfit Kid dat eindelijk zo'n pakkend refrein als voorheen bevat, maar wat zijn die coupletten lang en saai, zeker als het nummer 4'32" duurt... In het ingetogenYou Wear Those Eyes een bescheiden drumcomputer met wederom coupletten die te lang doorgaan zonder memorabele melodie. Running to You heeft met de synths iets weg van het Engelse Tubeway Army / Gary Numan. Een goed refrein, alweer zijn de coupletten te mager.
Als Elliot Easton en zanger Ric Ocasek in slotlied Up and Down hun gitaren opeens laten scheuren, blijkt dat noodzakelijk venijn wordt toegevoegd. Mijn tweede favoriet van de plaat.
Hierboven beschrijven MuMensen het als "ongepolijst". In mijn oren juist zó strak, mede door de zakelijke coupletten, dat ik opwinding mis. In 2017 verscheen deze cd met vier bonustracks. Voor het originele album geef ik een mager zesje.
Mijn reis door new wave van 1980 kwam van het Nederlandse The Press en vervolgt bij het Schotse Skids, dat ongeveer tegelijkertijd met The Cars hun derde album The Absolute Game uitbracht.
Al vanaf het debuut was de vernieuwende productie opvallend en op Panorama wordt dat verengd tot iets als een koele, witte koelkast op een zomerse dag, het duidelijkst te horen in het strakke drumgeluid.
Dat is lekker, maar teveel composities blijven achter door een gebrek aan pakkende melodieën. Het titelnummer dat de plaat opent is prima, nog iets beter is Gimme Some Slack dankzij de riff in combinatie met de zanglijn.
Don't Tell Me No is mager, ondanks de opvallende bariton in het refrein; moet daar aan 10 CC's Dreadlock Holiday denken. In het snelle Getting Through vallen vooral de Star Warsgeluidjes uit de synths van Greg Hawkes op.
Kant 2 opent met Misfit Kid dat eindelijk zo'n pakkend refrein als voorheen bevat, maar wat zijn die coupletten lang en saai, zeker als het nummer 4'32" duurt... In het ingetogenYou Wear Those Eyes een bescheiden drumcomputer met wederom coupletten die te lang doorgaan zonder memorabele melodie. Running to You heeft met de synths iets weg van het Engelse Tubeway Army / Gary Numan. Een goed refrein, alweer zijn de coupletten te mager.
Als Elliot Easton en zanger Ric Ocasek in slotlied Up and Down hun gitaren opeens laten scheuren, blijkt dat noodzakelijk venijn wordt toegevoegd. Mijn tweede favoriet van de plaat.
Hierboven beschrijven MuMensen het als "ongepolijst". In mijn oren juist zó strak, mede door de zakelijke coupletten, dat ik opwinding mis. In 2017 verscheen deze cd met vier bonustracks. Voor het originele album geef ik een mager zesje.
Mijn reis door new wave van 1980 kwam van het Nederlandse The Press en vervolgt bij het Schotse Skids, dat ongeveer tegelijkertijd met The Cars hun derde album The Absolute Game uitbracht.
The Cars - The Cars (1978)

3,5
2
geplaatst: 27 juni 2024, 23:32 uur
New wave in de VS was aanvankelijk vooral een New Yorkse aangelegenheid. Enige uitzondering in mijn reis door het genre was Devo uit Akron, Ohio. Maar in mei 1978 debuteren The Cars uit Boston.
Hun demo's maakten indruk op platenbazen, die in de gaten kregen dat new wave wel eens meer en meer succesvol zou kunnen worden. De vier groepsleden kozen slim voor het label Elektra, omdat die geen genregenoten onder contract hadden en zich dus zouden inzetten om op deze trein te springen.
De groep zet melodieuze gitaarrock neer, enerzijds fris in de sfeer van new wave, anderzijds vrij gepolijst met sterke melodieën en koortjes. Die groepsvocalen zitten zó goed in elkaar dat je zou kunnen denken dat de heren van Queen ze zongen, zoals in het refrein van de hitsingle My Best Friend's Girl. Een nummer dat ruim een jaar na verschijnen in Nederland in juli 1979 #40 haalde in de Nationale Hitparade. Verder handklapjes, een sobere toetsenlijn en vooral veel melodie. Alternatief en toch geschikt voor een groot publiek.
Hierboven hele enthousiaste verhalen, ik ben minder euforisch en houd het op een keurige 7 als schoolcijfer. Kant 2 vind ik minder, al is All Mixed Up een sterk slot. Maar laat u niet door mij afleiden, dadelijk nog wat cijfers die mij keihard weerspreken. Bovendien is hoorbaar hoe helder producer Roy Thomas Baker de groep liet klinken; niet warm-knus zoals de jaren '70 voordien nogal eens klonken, maar helder en strak.
Just What I Needed werd in de Amerikaanse Billboard 100 in september '78 #27, My Best Friend's Girl #36 in december, Good Times Roll in mei '79 nog eens #41. Drie hitsingles van één elpee, een sterke start. Elpee The Cars stond dan ook 139 weken in de Billboard 200, in maart '79 piekend op #18. In Nederland overigens geen albumnotering. Vreemd!
Mijn reis door new wave en co kwam vanaf de vierde Ramones en vervolgt bij het Australische The Saints, inmiddels vanuit Engeland opererend.
Hun demo's maakten indruk op platenbazen, die in de gaten kregen dat new wave wel eens meer en meer succesvol zou kunnen worden. De vier groepsleden kozen slim voor het label Elektra, omdat die geen genregenoten onder contract hadden en zich dus zouden inzetten om op deze trein te springen.
De groep zet melodieuze gitaarrock neer, enerzijds fris in de sfeer van new wave, anderzijds vrij gepolijst met sterke melodieën en koortjes. Die groepsvocalen zitten zó goed in elkaar dat je zou kunnen denken dat de heren van Queen ze zongen, zoals in het refrein van de hitsingle My Best Friend's Girl. Een nummer dat ruim een jaar na verschijnen in Nederland in juli 1979 #40 haalde in de Nationale Hitparade. Verder handklapjes, een sobere toetsenlijn en vooral veel melodie. Alternatief en toch geschikt voor een groot publiek.
Hierboven hele enthousiaste verhalen, ik ben minder euforisch en houd het op een keurige 7 als schoolcijfer. Kant 2 vind ik minder, al is All Mixed Up een sterk slot. Maar laat u niet door mij afleiden, dadelijk nog wat cijfers die mij keihard weerspreken. Bovendien is hoorbaar hoe helder producer Roy Thomas Baker de groep liet klinken; niet warm-knus zoals de jaren '70 voordien nogal eens klonken, maar helder en strak.
Just What I Needed werd in de Amerikaanse Billboard 100 in september '78 #27, My Best Friend's Girl #36 in december, Good Times Roll in mei '79 nog eens #41. Drie hitsingles van één elpee, een sterke start. Elpee The Cars stond dan ook 139 weken in de Billboard 200, in maart '79 piekend op #18. In Nederland overigens geen albumnotering. Vreemd!
Mijn reis door new wave en co kwam vanaf de vierde Ramones en vervolgt bij het Australische The Saints, inmiddels vanuit Engeland opererend.
The Chords - So Far Away (1980)

4,5
1
geplaatst: 12 juni 2025, 23:42 uur
... of anders geformuleerd: het beste album dat The Jam nooit maakte. Ik geef het een negen.
Waren de Londenaren van The Chords inderdaad sterk onder invloed van The Jam? Dit was mod: new wave rock in de geest van The Who in hun jaren '60. Onmiddellijk wordt duidelijk dat de heren konden spelen en bovendien sterke liedjes schreven. Daarbij lijkt het of drummer Brett Ascott acht armen heeft en de energie van een roedel jonge wolven. Niet normaal!
Andere kwaliteiten en verschillen: de stem van slaggitarist Bill Hassett is wat ronder en lichter dan die van Paul Weller bij The Jam, maar net zo krachtig. Zeer geschikt voor de wervelende liedjes. The Chords zijn daarbij een kwartet, met leadgitarist Chris Pope en bassist Martin Mason. De laatste twee zingen bovendien pakkende koortjes, waarmee de modrock soms naar powerpop neigt.
De groep scoorde in het VK vanaf september 1979 zijn eerste hitje met Now It's Gone (bescheiden #63), in oktober 1980 was daar hun vijfde en laatste hit met In My Street (#50). Drie van hun hits staan niet op dit album, maar Maybe Tomorrow en Something's Missing wel, ieder een plaatkant openend. Het complete hitsingleoverzicht staat hier, terwijl dit So Far Away in mei 1980 #30 haalde.
Veel variatie maar steeds uptempo en stevig. Wie daarvan houdt, krijgt keuzestress als hij een favoriet moet kiezen. Mij lukt het niet!
Het Byrdsachtige getokkel in het intro van Happy Families bijvoorbeeld, waarna een pakkende melodie volgt. In What Are We Gonna Do Now? speelt Pope een lickje waarvan het geluid lijkt op dat van The Status Quo in 1968. De piano die hier en daar opduikt is van gastmuzikant Mick Talbot, later met Paul Weller oprichter van The Style Council.
So Far Away verscheen in het VK in bescheiden oplage met een gratis bonussingle. De Duitse persing gaf de plaat een andere hoes. In 1999 kreeg het een uitgebreide cd-heruitgave. De groep heeft daarbij een interessant verhaal, te lezen bij A fan site on mod punk. Zo viel de groep al in 1981 uit elkaar, om in 2010 terug te keren.
Allerliefste MuMe-bazen, mag ik voor één keer twaalf favorieten aanwijzen? In afwachting van uw ongetwijfeld positieve antwoord de vermelding dat mijn reis door het land van new wave kwam van oktober 1980, The Black Album van The Damned. Ik keer terug naar die maand: op naar het debuut van Killing Joke.
Waren de Londenaren van The Chords inderdaad sterk onder invloed van The Jam? Dit was mod: new wave rock in de geest van The Who in hun jaren '60. Onmiddellijk wordt duidelijk dat de heren konden spelen en bovendien sterke liedjes schreven. Daarbij lijkt het of drummer Brett Ascott acht armen heeft en de energie van een roedel jonge wolven. Niet normaal!
Andere kwaliteiten en verschillen: de stem van slaggitarist Bill Hassett is wat ronder en lichter dan die van Paul Weller bij The Jam, maar net zo krachtig. Zeer geschikt voor de wervelende liedjes. The Chords zijn daarbij een kwartet, met leadgitarist Chris Pope en bassist Martin Mason. De laatste twee zingen bovendien pakkende koortjes, waarmee de modrock soms naar powerpop neigt.
De groep scoorde in het VK vanaf september 1979 zijn eerste hitje met Now It's Gone (bescheiden #63), in oktober 1980 was daar hun vijfde en laatste hit met In My Street (#50). Drie van hun hits staan niet op dit album, maar Maybe Tomorrow en Something's Missing wel, ieder een plaatkant openend. Het complete hitsingleoverzicht staat hier, terwijl dit So Far Away in mei 1980 #30 haalde.
Veel variatie maar steeds uptempo en stevig. Wie daarvan houdt, krijgt keuzestress als hij een favoriet moet kiezen. Mij lukt het niet!
Het Byrdsachtige getokkel in het intro van Happy Families bijvoorbeeld, waarna een pakkende melodie volgt. In What Are We Gonna Do Now? speelt Pope een lickje waarvan het geluid lijkt op dat van The Status Quo in 1968. De piano die hier en daar opduikt is van gastmuzikant Mick Talbot, later met Paul Weller oprichter van The Style Council.
So Far Away verscheen in het VK in bescheiden oplage met een gratis bonussingle. De Duitse persing gaf de plaat een andere hoes. In 1999 kreeg het een uitgebreide cd-heruitgave. De groep heeft daarbij een interessant verhaal, te lezen bij A fan site on mod punk. Zo viel de groep al in 1981 uit elkaar, om in 2010 terug te keren.
Allerliefste MuMe-bazen, mag ik voor één keer twaalf favorieten aanwijzen? In afwachting van uw ongetwijfeld positieve antwoord de vermelding dat mijn reis door het land van new wave kwam van oktober 1980, The Black Album van The Damned. Ik keer terug naar die maand: op naar het debuut van Killing Joke.
The Church - The Blurred Crusade (1982)

4,5
0
geplaatst: 10 augustus 2023, 20:51 uur
De melancholische new wave van The Church heeft mij altijd kunnen bekoren. Nooit kocht ik een volledig album van ze, maar toen ik laatst op tweedehands elpee The Blurred Crusade tegenkwam, besloot ik om het daar niet meer bij te laten. Daar heb ik bepaald géén spijt van.
Slechts één hit scoorden ze in Nederland en dat Under the Milky Way staat niet op dit album maar op het zes jaar later verschenen Starfish. Dit is hun tweede, maar toch kende ik opener Almost with You, wat betekent dat ik ze indertijd op de radio moet hebben gehoord. Vast bij VARA en KRO, gezien dat dit uit 1982 stamt.
Prachtig galmende gitaren golven mijn oren in, net als op When You Were Mine, dat eveneens erg sterk is. Hier klinkt een kalme weemoed, enigszins vergelijkbaar met Echo and The Bunnymen. Kristalhelder geproduceerd door Bob Clearmountain.
Het album bevalt mij het beste als de nummers uptempo zijn. Dat gebeurt wederom op kant 2 met Just for You. De manier waarop zanger Steve Kilbey zijn stem gebruikt, lijkt op die van Steve Harley van Cockney Rebel van zeven jaar eerder. Het gitaarwerk doet af en toe denken aan de hardrock van enkele jaren eerder, zoals de solo in Just for You dat kant 2 opent. Daarbij klinken ook prachtige mandolinegeluiden.
A Fire Burns is vervolgens bijna snel, waarna gas wordt teruggenomen met To Be in Your Eyes, waar de stem van Kilbey heerlijk verkouden klinkt - schijn bedriegt. You Took duurt bijna acht minuten maar is gevarieerd opgebouwd, waarna de 120 seconden van Don't Look Back de plaat afsluiten. Heerlijk bandje, heerlijk plaatje. Een sfeer om aangenaam in weg te dromen.
Teksten op de binnenhoes, waarop ook vier fraaie blauw-witfoto's van de vier heren. New wave op z'n mooist.
Slechts één hit scoorden ze in Nederland en dat Under the Milky Way staat niet op dit album maar op het zes jaar later verschenen Starfish. Dit is hun tweede, maar toch kende ik opener Almost with You, wat betekent dat ik ze indertijd op de radio moet hebben gehoord. Vast bij VARA en KRO, gezien dat dit uit 1982 stamt.
Prachtig galmende gitaren golven mijn oren in, net als op When You Were Mine, dat eveneens erg sterk is. Hier klinkt een kalme weemoed, enigszins vergelijkbaar met Echo and The Bunnymen. Kristalhelder geproduceerd door Bob Clearmountain.
Het album bevalt mij het beste als de nummers uptempo zijn. Dat gebeurt wederom op kant 2 met Just for You. De manier waarop zanger Steve Kilbey zijn stem gebruikt, lijkt op die van Steve Harley van Cockney Rebel van zeven jaar eerder. Het gitaarwerk doet af en toe denken aan de hardrock van enkele jaren eerder, zoals de solo in Just for You dat kant 2 opent. Daarbij klinken ook prachtige mandolinegeluiden.
A Fire Burns is vervolgens bijna snel, waarna gas wordt teruggenomen met To Be in Your Eyes, waar de stem van Kilbey heerlijk verkouden klinkt - schijn bedriegt. You Took duurt bijna acht minuten maar is gevarieerd opgebouwd, waarna de 120 seconden van Don't Look Back de plaat afsluiten. Heerlijk bandje, heerlijk plaatje. Een sfeer om aangenaam in weg te dromen.
Teksten op de binnenhoes, waarop ook vier fraaie blauw-witfoto's van de vier heren. New wave op z'n mooist.
The Clash - Give 'em Enough Rope (1978)

3,0
3
geplaatst: 9 juli 2024, 14:20 uur
Hm, potpourri bij The Clash? Met de stevige gitaren en de kenmerkende zang van Joe Strummer hoor ik wel degelijk een homogeen geluid. Ik ben momenteel op reis door de new wave van 1978 en twee stations geleden was ik bij het debuut van The Shirts, waar een grotere verscheidenheid aan stijlen klinkt - maar nog altijd The Shirts!
Op Give 'em Enough Rope met zijn westernhoes klinken de Londenaren opgewekt en strijdvaardig. Het verschil met hun titelloze debuut van het jaar ervoor is wat dat betreft niet groot. Het was hun eerste langspeler in de VS, in eigen land was het de tweede, in november 1978 verschenen, zeventien maanden na het debuut.
In eigen land twee bescheiden hits: Tommy Gun haalde in februari '79 #19, English Civil War in maart #25. Het album haalde er bij verschijning meteen #2, wat mogelijk de reden is dat de singles er minder verkochten. In de VS geen hitsingles maar wél #128 in april '79.
De gitaren zitten in de mix van Sandy Pearlman ronkend in de mix en ook het drumgeluid is lekker vet. Met de oren van nu zou je, zoals bij zovele punkpioniers, verbaasd zijn dat dit punk werd genoemd. Maar de wereld moest veranderen, zoveel is duidelijk voor een fan van The Clash.
Andere sterke nummers: de uiteraard felle opener Safe European Home, het even pittige Drug-Stabbing Time en slotnummer All the Young Punks (New Boots and Contracts) dat een mooie melodie en uiteraard kritische tekst heeft. De overige nummers zijn wat kalmer en willen niet beklijven, door het ontbreken van pakkende riffs of melodieën. Neemt niet weg dat het spelplezier uit de groef springt...
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave van 1978 kwam van de New Yorkse punkpioniers Pure Hell en vervolgt bij de tweede van het Nederlandse Gruppo Sportivo.
Op Give 'em Enough Rope met zijn westernhoes klinken de Londenaren opgewekt en strijdvaardig. Het verschil met hun titelloze debuut van het jaar ervoor is wat dat betreft niet groot. Het was hun eerste langspeler in de VS, in eigen land was het de tweede, in november 1978 verschenen, zeventien maanden na het debuut.
In eigen land twee bescheiden hits: Tommy Gun haalde in februari '79 #19, English Civil War in maart #25. Het album haalde er bij verschijning meteen #2, wat mogelijk de reden is dat de singles er minder verkochten. In de VS geen hitsingles maar wél #128 in april '79.
De gitaren zitten in de mix van Sandy Pearlman ronkend in de mix en ook het drumgeluid is lekker vet. Met de oren van nu zou je, zoals bij zovele punkpioniers, verbaasd zijn dat dit punk werd genoemd. Maar de wereld moest veranderen, zoveel is duidelijk voor een fan van The Clash.
Andere sterke nummers: de uiteraard felle opener Safe European Home, het even pittige Drug-Stabbing Time en slotnummer All the Young Punks (New Boots and Contracts) dat een mooie melodie en uiteraard kritische tekst heeft. De overige nummers zijn wat kalmer en willen niet beklijven, door het ontbreken van pakkende riffs of melodieën. Neemt niet weg dat het spelplezier uit de groef springt...
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave van 1978 kwam van de New Yorkse punkpioniers Pure Hell en vervolgt bij de tweede van het Nederlandse Gruppo Sportivo.
The Clash - Hits Back (2013)

3,5
2
geplaatst: 3 november 2025, 12:43 uur
Non-albumsingles, dat was wel een dingetje in de tijd dat ik als prille tiener in de popmuziek rolde. Kende je van de radio een leuk liedje en vond je singletjes te duur (7 á 8 gulden voor slechts twee liedjes), dan wilde je de elpee. Kopen of liever nog lenen uit de bieb, want mijn beurs was klein. Soms gebeurde het dat nét dat éne liedje daarop ontbrak. Balen.
Misschien verging dat ook menig Britse tiener zo met de reggaerock van Bankrobber van The Clash. Het haalde eind augustus 1980 #12 in de hitlijst daar, een #14 in Ierland en Nieuw-Zeeland (oktober). Geproduceerd door Jamaicaan Mikey Dread, kreeg de single extra aandacht omdat de politie had ingegrepen bij de opnamen van de videoclip, in de veronderstelling dat het echt was.
De eerste verzamelaar van The Clash met Bankrobber erop was de elpee Black Market Cash uit datzelfde jaar, maar daarvoor moest je naar de VS/Canada: de groep was bezig daar door te breken en men had behoefte aan meer muziek dan de tot dan toe verschenen albums. Pas acht jaar later was daar The Story Of, Volume 1 en kon men elders het liedje aan zijn collectie toevoegen.
Op streaming kom ik hem inmiddels tegen op deze compilatie Hits Back uit 2013. Daar valt nogmaals op dat dub/reggae één van de regelmatig gekozen zijpaadjes was waarop The Clash zich waagde, waarbij het viertal hun liedjes nogal eens voorzag van geëngageerde teksten. Politiek bewust en daarmee voortbordurend op de sociaal bewogen punk waarmee de groep enkele jaren eerder begon. Door de muzikale variatie en de gepassioneerde zang van voornamelijk Joe Strummer en Mick Jones, vormt deze compilatie een fijne samenvatting van de carrière van The Clash.
Bankrobber is één van de nummers op mijn afspeellijsten met new wave en aanverwanten, waarbij ik de albums erachter beschrijf. Ik kwam vanaf de vaak sombere synthwave van The Passage op hun album Pindrop en vervolg bij een regulier album van The Clash dat eveneens (bijna) als een verzamelaar klinkt, opnieuw vanwege de zijweggetjes: Sandinista!
Misschien verging dat ook menig Britse tiener zo met de reggaerock van Bankrobber van The Clash. Het haalde eind augustus 1980 #12 in de hitlijst daar, een #14 in Ierland en Nieuw-Zeeland (oktober). Geproduceerd door Jamaicaan Mikey Dread, kreeg de single extra aandacht omdat de politie had ingegrepen bij de opnamen van de videoclip, in de veronderstelling dat het echt was.
De eerste verzamelaar van The Clash met Bankrobber erop was de elpee Black Market Cash uit datzelfde jaar, maar daarvoor moest je naar de VS/Canada: de groep was bezig daar door te breken en men had behoefte aan meer muziek dan de tot dan toe verschenen albums. Pas acht jaar later was daar The Story Of, Volume 1 en kon men elders het liedje aan zijn collectie toevoegen.
Op streaming kom ik hem inmiddels tegen op deze compilatie Hits Back uit 2013. Daar valt nogmaals op dat dub/reggae één van de regelmatig gekozen zijpaadjes was waarop The Clash zich waagde, waarbij het viertal hun liedjes nogal eens voorzag van geëngageerde teksten. Politiek bewust en daarmee voortbordurend op de sociaal bewogen punk waarmee de groep enkele jaren eerder begon. Door de muzikale variatie en de gepassioneerde zang van voornamelijk Joe Strummer en Mick Jones, vormt deze compilatie een fijne samenvatting van de carrière van The Clash.
Bankrobber is één van de nummers op mijn afspeellijsten met new wave en aanverwanten, waarbij ik de albums erachter beschrijf. Ik kwam vanaf de vaak sombere synthwave van The Passage op hun album Pindrop en vervolg bij een regulier album van The Clash dat eveneens (bijna) als een verzamelaar klinkt, opnieuw vanwege de zijweggetjes: Sandinista!
