MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Thin Lizzy - Vagabonds of the Western World (1973)

poster
4,5
In de fonotheek van mijn dorp had ik als tiener diverse platen van Thin Lizzy opgeduikeld, waaronder een verzamelaar twee-punt-nul die me nieuwsgierig maakte naar de periode vóórdat de band met twingitaren op de proppen kwam en uitgroeide tot een kwartet. Maar er was zóveel nieuwe muziek, dat ik hier pas zo’n dikke vijftien jaar later aan zou toekomen.

Ergens in de jaren rond 2000, toen er steeds meer klassieke albums op cd verschenen, schafte ik Vagabonds of the Western World aan mét de bonussen die bovenaan staan vermeld.
Zoals genoemd bij mijn recensie van de genoemde verzamelaar moest ik soms wennen aan de originele, kalere sound van enkele tracks. Maar daar stond veel tegenover. Met name het fenomenale soleerwerk van Eric Bell, gedrenkt in de blues en tegelijkertijd vrij in expressie. Het deed en doet me denken aan hetgeen Rory Gallagher deed. Met name The Hero and the Madman, The Rocker en Vagabond of the Western World moet een gitaarliefhebber hebben gehoord. Op opener Mama Nature Said hanteert hij veel wahwah en slide, wat een sterke song oplevert. Het schijnt bovendien één van de eerste milieusongs te zijn. Leuk om te weten dat de bescheiden toetsenpartij wordt gespeeld door de Engelse toetsenist met Nederlandse vader Jan Schelhaas.

Behalve de natuur is er meer te genieten qua teksten. In het melancholische A Song for While I’m Away laat Lynott zijn poëtische kant horen; het strijkarrangement van Fiachra Trench is daarbij meer dan fraai. The Hero and the Madman bevat de intrigerende vertelstem van dj Kid Jensen, die daarmee het boeiende verhaal van een falende held naar een hoger niveau tilt.
De cd bevat enkele single-extra’s: zoals Randolph’s Tango met een schitterende akoestische solo van Bell en Broken Dreams idem, maar dan elektrisch.

Tegenwoordig heb ik de 2cd-versie in huis. Hierop staat de originele hoestekst vermeld, die uitlegt waar de albumtitel vandaan komt: een oud Keltisch verhaal over een vaderloze zoon. Net als op track 6, Little Girl in Bloom over een ongehuwde moeder, verwijst Philip Lynott hier naar zichzelf, zijn eigen geschiedenis romantiserend.
Sommige bonussen (oorspronkelijk non-albumtracks) kende ik vanuit de fonotheek van een andere verzamelaar, Remembering Part One met opnieuw een fraaie hoes van Jim Fitzpatrick. Op MuMe hier te vinden.
In Here I Go Again (nee, een andere compositie dan de hit van Whitesnake) vertelt Lynott dichterlijk hoe de band Dublin verliet om zich in London te vestigen.
Ook klinken tracks uit de (korte) eerste periode dat Gary Moore in de band speelde. Little Darling is rockend met blazers, Sitamoia klinkt als folkpunk voordat dit genre was uitgevonden, melodieus en woest tegelijk (de drumpartij van Brian Downey!) met bovendien knallend vioolspel.
Op de tweede cd staat één en ander aan live-opnamen, toch wel weer leuk met alle improvisaties van met name Bell die nogal eens op dreef is...

Lezersvraag: op bonus Cruising in the Lizzy Mobile zingt Lynott met een ander; wie deze man is, heb ik niet kunnen vinden. Iemand die dit weet?
Terug naar de originele elpee: de beste die Lizzy in triobezetting maakte. Wat dat betreft zijn de MuMensen het een keertje roerend met elkaar eens.

Throbbing Gristle - 20 Jazz Funk Greats (1979)

poster
3,0
De vier van Throbbing Gristle zijn degenen die eigenhandig het genre industrial uitvonden en in 1977 op vinyl debuteerden met het grauwe, zware The Second Annual Report, een jaar later gevolgd door het al even avant-gardistische D.o.A. The Third and Final Report , waarop werd begonnen met de mogelijkheden van elektronica te verkennen.
De soundscapes / composities / experimenten zijn ernstig van aard en meestal een aardige aanslag op de trommelvliezen dankzij de nodige zware geluiden. Industrial! Dat het viertal niet van humor is gespeend, bewijst het met de hoes en titel van 20 Funk Jazz Greats, waarop ze misleidend staan afgebeeld als was dit een folk-/zanggroep á la The (New) Seekers.

Desondanks is dit album uit december 1979 hun meest toegankelijke tot dan toe. Deze keer richten ze zich volop op digitale, elektronische geluiden, als was dit het laboratorium van namen als Brian Eno, Giorgio Moroder, Gary Numan, The Human League en Orchestral Manoeuvres in the Dark. Bovendien houden ze de nummers kort, met Persuasion als lange uitschieter.
Soms is het tot dromerig toe zoals in Exotica en Walkabout; op Hot on Heels of Love is het dankzij een sequencer zelfs dansbaar, zij het vrij monotoon. Op What a Day en Six Six Sixties wint de rauwheid het dan weer, dankzij geschreeuwde vocalen of vervormde synths.

De live-opvolger Heathen Earth uit 1980 bevat meer zwaardere kost. Maar aan dat album van het kloppende kraakbeen ben ik nog niet toe tijdens mijn reis door new wave en aanverwanten: Ik was bij het debuut van Adam and the Ants en vervolg bij de debuutsingle van Mo-dettes, later als bonustrack verschenen op hun enige album.

Throbbing Gristle - D.o.A. The Third and Final Report (1978)

poster
2,5
Alsof je de soundtrack bij een expositie hoort. Waar het op voorganger The Second Annual Report was alsof die expositie in een hoogoven plaatsvond, krijg ik in opener I.B.M. het idee dat ik een modem word ingezogen.
Welkom in het digitale tijdperk van 1978, waar geluidscollages klinken met gitaar, elektronica en vervormde stemmen, soms gesproken en soms geschreeuwd. Daarbij is ook een heel gesprek mogelijk, zoals Valley of the Shadow of Death bewijst.

Ik kom hier omdat ik afspeellijsten maak met new wave en deze industrial ook daartoe reken. Maar hier geen liedjes en al helemaal niet met coupletten en refreinen. Het dichtst in de buurt daarvan komt het instrumentale AB/7A met zijn synthesizerloop en kristallen sterrenregen. Plus United, dat zó is versneld dat het nog maar zestien seconden duurt én afsluiter Blood on the Floor, dat klinkt alsof het uit de oefenruimte van Joy Division komt en 66 seconden lang is.
Interessant overigens wat ik aan audioapparatuur in de kast op de hoes zie staan. Het mag soms digitaal klinken, in 1978 was de wereld nog vooral analoog...

Ik bevind me op een inhaalmissie van newwavealbums van vóór 1980, muziek voor mijn afspeellijsten met het beste daarvan. De vorige was On the Other Hand There's a Fist van Jona Lewie, de volgende is van Graham Parker & The Rumour: Squeezing Out Sparks uit 1979.

Throbbing Gristle - Heathen Earth (1980)

poster
Op voorganger 20 Jazz Funk Greats uit 1979 deed Throbbing Gristle met een vriendelijke titel en hoes een misleidende poging tot toegankelijkheid. Het bleef echter industrial met de nodige geluiden uit de elektronica.
Met het live opgenomen Heathen Earth, uitgebracht in juni 1980, wordt het alweer ontoegankelijker. Wat we horen is monotoon, zwaar en donker. Eén nummer op kant 1, één op twee. In het streamingtijdperk zijn deze echter in losse tracks geknipt, de artiesten worden daar immers per track betaald en met twee lange nummers verminderen je inkomsten.
Live maar verwacht geen publieksgeluiden. De hoes is gedetailleerd omtrent het opnameproces: "This album was recorded on Saturday the 16th of February 1980 between 8.10pm and 9.00pm in front of an invited audience at the studios of Industrial Records Limited. The object was to make a record of T.G. performing live without the often unpredictable influence of adverse playing conditions on the music and on the technical quality. In the days following this session a minimum of re-recording was done and the 8-Track master tapes were mixed-down into stereo." Vervolgens wordt verteld welke kanalen werden gebruikt op de mastertape én welke vierentwintig gelukkigen aanwezig waren bij de opnamen.

Eerst de onbestemde geluiden in Cornet, dan de spreekstem met drumcomputer en ontregelende geluiden in The Old Man Smiled. In beide nummers wordt een elektrische gitaar vervormd als wordt deze door de mangel gehaald. In Still Talking voeren vervormde stemmen een gesprek en het ruim zeven minuten durende Don't Do As You're Told, Do As You Think is het alsof ik house-avant-le-lettre hoor. Het afsluitende Painless Child Birth is met zijn rustige stem wellicht nuttig voor de hoogzwangere vrouw en haar kind. Soundscapes voor een select publiek, muziek in de periferie van popmuziek.

Ben op reis door de new wave van voorjaar 1980. Vorige halte was single Going Nowhere Fast van Girls at Our Best!, volgende is album Freedom of Choice van het Amerikaanse Devo.

Throbbing Gristle - The Second Annual Report (1977)

poster
3,0
En dit is dus het begin van industrial? In ieder geval geen muziek die je des morgens opzet om lekker op mee te zingen bij het douchen. Dystopische soundscapes, als zijn we op een plek waar metaal, hoogovens, fijnstof, zwart roet en grijs beton overheersen.

Ik kom hier op reis door new wave, waarbij ik mijn afspeellijsten met muziek in die stroming in de breedste zin des woords volg. Hiertoe reken ik ook industrial, waardoor de queste mij leidt vanaf het debuut van de Pretenders naar dit The Second Annual Report. Op streaming te vinden in de heruitgave uit 2008 genaamd Thirty-Second Annual Report.
Muziek waar maatje JeKo waarschijnlijk meer mee kan dan ik. En dat weten we van elkaar, daarom is het leuk om bij onze bezoeken aan musea en platenzaken binnen die interesses grote verschillen te hebben. Ik beleef dit album als één groot experiment, een bijzondere, zij het verre van gemakkelijke kunstexpressie. Ongelooflijk dat dit uit 1977 komt.
Zoals Ataloona hierboven treffend verwoordde: "Een bijeenraapsel van vage electronics, geluiden die ze zomaar zijn tegen gekomen, vervormde gitaren en fragmenten van live-optredens". Bovendien zijn daar de vervormde spreekstemmen, zoals in Slug Bait.

Tsja, dan wil ik hier een waardering aan hangen... Voor durf, originaliteit ende lef vijf sterren, voor de pakkendheid één en gemiddeld is dat drie sterren. Hartstikke arbitrair, ik weet het, schiet mij maar lek. JeKo, hoeveel sterren van jouw kant?

De volgende halte op mijn queste is van geheel andere koek: On the Other Hand There's a Fist (1978) van een eveneens eigenwijze kunstenaar genaamd Jona Lewie.

Tim Knol & The Blue Grass Boogiemen - Music from Creek Country (2020)

Alternatieve titel: Welcome to Greek Country

poster
4,0
Ik kocht dit boek-met-cd (andere cover dan op MuMe afgebeeld) in een platenzaak. Niet omdat ik de muziek per se wilde hebben, maar omdat ik de tekeningen van Erik Kriek zo mooi vind. Heb bijvoorbeeld ook zijn boek De balling staan en daar zit sowieso geen muziek bij.

Voor mij waren deze 51 portretten van country-artiesten dus als boek al helemaal prima, maar de cd erbij maakt het wel áf. Die heb ik in de speler gegooid en afgespeeld, zonder me af te vragen wie dit spelen. En was achteraf verrast toen ik las dat het de Nederlandse The Blue Grass Boogiemen zijn met Tim Knol.

De portretten zijn fraai in zowel in tekst als beeld en hetzelfde geldt voor de muziek, die als een kennismaking met de authentieke country van weleer kan gelden.
Dat niet de originelen maar covers klinken, vind ik geen enkel bezwaar. Moderne geluidskwaliteit met een homogene bandstijl? Helemaal prima, ook voor oude krakers.
Qua getekende portretten is de selectie overigens eigentijdser met namen uit het heden als Lucinda Williams, Gillian Welch en Steve Earle. Meer een leerzaam tekstboek met fraaie tekeningen dan een muziekalbum, een combinatie die voor mij prima werkt.

Tin Machine - Tin Machine (1989)

poster
3,0
Kort voor Kerst kreeg ik zin in David Bowie. Schafte her en der werk van hem aan dat ik nog niet had, waarbij dit debuut van Tin Machine.

Daarvan herinner ik me de verbazing in de pers: Bowie in een band? We kenden hem immers alleen maar solo, op het enigszins obscure werk van vóór zijn debuut in 1967 na.
Bovendien hadden we enkele jaren van popgerichte, minder vernieuwende Bowies achter ons: Let's Dance, Tonight en Never Let Me Down. Verder was hij druk met de nodige filmrollen en succesvolle tournees. In de ogen en oren van velen was hij veranderd van trendsetter in een trendvolger; plotseling klonk hij... ruig?!
Bovendien met teksten waarin hij "fel van leer trekt tegen crackdealers en oprukkend fascisme", zo noteerde Oor's Popencyclopedie later.
Gitarist Reeves Gabrels was in '89 voor mij een nieuwe naam en dat de ritmesectie van Iggy Pops loonlijst kwam, was bij voorbaat interessant. Bovendien assisteert ene Kevin Armstrong op slaggitaar en Hammondorgel.

De eerste indruk is dat ik het album lang vond duren maar ik ben dan ook niet zo van garage rock 'n' roll, compleet met galmend drumgeluid; 14 tracks op cd is wat veel.
Bij vaker draaien valt uiteraard meer op. Zovele jaren later wordt gesteld dat Bowie toch weer trendsetter was geworden, omdat hij vooruitliep op grunge. Al denk ik niet dat de namen uit die stroming daadwerkelijk Tin Machine als invloed noemen, er zit met deze garage rock 'n' roll een kern van waarheid in.

Decibellen gaan de strijd aan met melodie. Dit met wisselend resultaat. Verbazingwekkend is dat met een bluesshuffle wordt gestart via Heaven's in Here en met Tin Machine wordt de boel eens extra opgejaagd. Stevig is het zeker, pakkend nog niet.
De melodie wint het voor het eerst in Prisoner of Love en twee nummers verder in I Can't Read. Melodie en vuige gitaren komen raak samen in het rockende Under the God, waar Gabrels' bijzondere gitaarlijnen klinken.

Opvallende zaken in de tweede helft. John Lennons Working Class Hero is ongewoon in het jasje van Tin Machine, ik heb er opnieuw weinig mee. Bus Stop een aangenaam miniatuurtje met zijn 102 seconden, in Video Crimes zijn rock 'n' roll en melodie aardig in evenwicht; in de periode Let's Dance had dit een funkstamper kunnen zijn geweest en hetzelfde geldt voor bonus Run, op cd track 12.

De nummers die ik niet noem zijn me te garage: melodie of gitaarwerk willen niet beklijven, zoals die andere bonus Sacrifice Yourself op 13. Hetzelfde geldt voor het melodieuzere slotnummer Baby Can Dance, ondanks de tempowisselingen. Kan me voorstellen dat dat destijds live (onder andere in Paradiso, hier beelden) werkte.
Ik ben wel even klaar met holle drumklanken en scheurgitaartjes... Kennelijk ben ik meer van melodie dan van garage, wat mij betreft lukt dat zesmaal.

To Cry You a Song (1996)

Alternatieve titel: A Collection of Tull Tales

poster
4,5
Voor één keertje kan ik me niet vinden in hoogleraar Jethro Tull Mssr Renard. Door zijn verhaal hierboven was ik heel sceptisch, maar word toch echt heel vrolijk van dit plaatje!

Ik kom hier trouwens omdat dit het eerste audioteken van voormalig Kansasviolist Robby Steinhardt was sinds Vinyl Confessions (1982). Ik vreesde dat de man aan lager wal was geraakt, maar daar was ie dan toch: op track 10 op precies te zijn.

Een goede cover speelt meestal niet het origineel klakkeloos na, maar maakt er iets eigens van. Dat hoor ik vaak terug, zoals in To Cry You a Song met zanger Glenn Hughes, die het in zijn rocksoulstijl naar andere oorden trekt.
Of je hoort een toetsenlijn (bijvoorbeeld Magellan in Aqualung), een akoestische inkleuring met een warme stem (Roy Harper in Life at the 'Pool), even dacht ik dat Gerry Rafferty zo mooi zong maar het bleek John Wetton (Nothing is Easy), een woeste bluesjam met mondharmonica (Cat's Squirrel), een vioolpartij (New Year Yesterday en Locomotive Breath).

Helaas noemt Scott Allen Nollen dit album niet in zijn biografie 'Jethro Tull: A History of the Band, 1968 - 2001', maar gezien de medewerking van voormalige Jethro Tullers zie ik het respect voor de originelen alleen maar groeien. Was desondanks benieuwd naar zijn opinie.
Zoals altijd met covers is het soms anders qua productie en geluid. Wellicht is dat hetgeen bovenstaande recensie zo negatief doet uitvallen - al snap ik dat de productie van de jaren '90 afwijkt van die van de originelen, veelal uit de jaren '70. Kennelijk ben ik minder gehecht aan de originelen.

Smaken verschillen en gelukkig kan een ieder snel zelf oordelen: hij staat op streaming.

Tom Pintens - De Oogst (2011)

poster
3,0
Voorganger Winter maakt ons vrolijk beviel indertijd goed en dus schafte ik in 2011 ook opvolger De Oogst aan. Die bleek aanmerkelijk meer gitaargeörienteerd te zijn, wat de eerste twee nummers heel goed beviel, daarna niet meer.
Het felle Flatscreen dendert immers heerlijk de auto (gisteren) en kamer (vandaag) binnen en het net iets ingetogener titelnummer (alhoewel...) met bescheiden warme koperblazers borduurt daar vrolijk op voort. De teksten zijn ook zonder muziek interessant: portretjes van anderen of een ik-persoon, waarbij de gitaren kunnen ronken als bij een grungeband.

Daarna echter pakt het me niet meer zo: muziekjes die simpelweg niet beklijven. Ik mis de pakkende melodietjes die op het vorige album zo frequent opdoken. Uitzondering is Al wie kan minnen op de tweede helft, dat lekker open klinkt en afwisselend is gearrangeerd. In de duinen begint daarna spannend, maar het vervolg met een arrangement met stevige gitaar had van mij subtieler gemogen. Qua teksten valt wederom de dichterlijke kwaliteit op, het kan de matige composities niet volledig redden.

Nou klink ik alsof De oogst onder de maat is en dat klopt niet. Wel hoor ik veel "zesjesliedjes" of net daaronder. Ik mis de subtiliteit van de vorige plaat; daar herkende ik gisteren veel liedjes van, na het tien (?) jaar in de kast te hebben laten staan. Van deze laatste soloplaat van Pintens waren slechts de eerste twee nummers blijven hangen, waar inmiddels track 8 aan kan worden toegevoegd. Te weinig. De cd verhuist naar vriend JeKo, hopelijk kan hij er meer mee.

Pintens richtte zich tijdens en na zijn soloactiviteiten op Roosbeef, Het Zesde Metaal en andere muziekzaken, om dit jaar te overlijden. Wie weet verschijnt er nog een album met onuitgegeven materiaal; er zal toch her en der wat interessants in de kluizen zijn opgeslagen?

Tom Pintens - Winter Maakt Ons Vrolijk (2009)

poster
3,5
De muziekgenres waarnaar ik luister worden bepaald door mijn intuïtie. Als prille tiener begonnen met de hits van eind jaren '70, kwamen spoedig new wave en hardrock/metal als favoriete genres bovendrijven.
Vanaf de jaren '90 was ik veel aan het luisteren naar muziek met een akoestische basis, folk en alt. country zoals The Pogues en Sixteen Horsepower en hun voorgangers.
Een decennium later kwamen eerst Moby en triphop en daarna de Belpopwereld bovendrijven, vooral het Nederlandstalige deel daarvan: Gorki, Noordkaap en Tom Pintens bijvoorbeeld. En vervolgens begonnen de scheurende gitaren weer te trekken, terwijl jaren '70 en '80 new wave dankzij streaming makkelijk binnen handbereik kwam.

Zoals het vaak gaat, koop ik die muziek dan om het in een volgende muziekfase in de kast te laten. Dit Winter maakt ons vrolijk is er zo één. Nu is één van mijn vrienden opeens bezig met Nederlandstalige kwaliteitspop en begon enthousiast te vertellen over zijn nieuwe ontdekking: Tom Pintens. Net in het jaar dat de kunstenaar overleed. Hij mag mijn cd hebben, maar niet nadat ik ter afscheid het album nog eens draaide.

Jarenlang niet gehoord. Hoe beluister ik het op deze zonnige herfstdag? Een vrij lichte stem en mooie beschouwingen vormen voor mij nog altijd de kracht van zijn muziek en teksten, zo valt meteen op.
Favoriete liedjes zijn De nacht van Spanje over een onbereikbare liefde die hem laat wachten, In Charleroi bezingt het verval van die stad (ik herinner me opeens dat ik de stad vanwege zijn tekst eens met eigen ogen wil zien, ondanks de nare associatie met Marc Dutroux), het breekbare Niemand en het pianokleinood Interlude.
Op de tweede helft is Terwijl de melk overkookt een sterk popliedje met poëtische tekst en fraaie pianolijntjes, de sikkeneurigheid van Het najaar wordt ellende (als ik het nieuws volg klopt dat helaas wel...) is charmant en het afsluitende coda (met kleine letters op de hoes vermeld ) is een prachtige instrumentale piano-etude.

En dan is de kartonnen klaphoes van mijn cd-exemplaar eveneens fraai. Oei, dat is al met al heel veel positiefs om weg te geven. Net nu ik JeKo heb laten weten dat hij hem mag hebben. Welja, een goede oefening in ontspullen... En anders koop ik hem opnieuw, niet voor het eerst qua verdwenen geluidsdragers.

Het eerste bericht bij dit album in veertien jaar, maar Winter maakt ons vrolijk mag niet vergeten worden. Ik beveel dit album van harte aan, hoe tegenstrijdig dat wellicht ook klinkt met mijn verhaal.

Tom Robinson - Sector 27 (1980)

poster
3,5
Op reis door new wave kom ik van het debuut van The Psychedelic Furs bij het solodebuut van Tom Robinson. Nou ja, solo... Gezien de hoes lijkt dat logisch, maar al lezende ontdek ik wat anders. Eigenlijk werd hij onderdeel van de groep Sector 27.

De tweede van de Tom Robinson Band was geflopt, terwijl het niet onderdeed voor het debuut. Vermoedelijk liep zijn platencontract af, vandaar de doorstart bij Sector 27, waarbij zijn naam wél op de hoes kwam. Die was immers al bekend, goed voor de publiciteit.
Wat ik tevens ontdekte: in augustus 1980 scoorde hij als co-schrijver van Elton Johns Sartorial Eloquence een #44-hit in het Verenigd Koninkrijk.

Overeenkomst tussen The Psychedelic Furs en deze Sector 27 is producer Steve Lillywhite, in diezelfde dagen furore makend met het debuut van U2. En ja, dat is te horen. Het gitaargeluid van Stevie B (Blanchard) doet denken aan dat van de groepen Skids en U2.
Dat al meteen op bij de lekkere opener Invitation, dat inderdaad klinkt alsof Robinson zanger werd bij één van die twee groepen. Die sfeer van energieke gitaarwave zet zich voort met Not Ready, waarna Mary Lynne wat grimmiger rockt.
Met het vriendelijke en energieke Looking at You en het net zo felle maar ernstiger Five Two Five loopt kant 1 vloeiend voort. Die laatste heeft een pakkende riff, waar de bas van Jo Burton met een flangereffect melodieus tegenwicht biedt. Drummer Derek Quinton gaat aan het einde heerlijk lós.

Kant 2 opent met Total Recall, dat zomaar een fijn liedje van Fischer-Z had kunnen zijn. Het vlotte Where Can We Go laat ruimte in het arrangement, Take It or Leave It is rechttoe rechtaan en de teleurstelling van een vader in diens zoon wordt bezongen in Bitterly Disappointed, met daarin een vleugje ska. Kale, scheurende gitaar in afsluiter One Fine Day.
Op streaming vind ik drie bonussen, die blijkens Discogs niet van een cd-editie van dit album stammen - die zou nooit zijn verschenen. Komen ze van Sector 27 Complete uit 2001? Hoe dan ook, in Dungannon met reggaerock, in Now Martin's Gone synthrock en Love Comes is een zang-met-elektronisch-orgel-kleinood.

Toch is het originele album voldoende. Net als reptile71 heb ik een lichte voorkeur voor kant 1. Sector 27 verscheen in november 1980 en haalde niet de albumlijsten, mede omdat hitsingles ontbraken. Robinson verliet hierop de groep, die evenwel nog enkele jaren doorging, daarbij zonder succes enkele singles uitbrengend. Die staan dus op Sector 27 Complete.

Mijn reis door de new wave van 1980 vervolgt. Het is opnieuw de biografie 'Surrender' van Bono die me erop wijst dat ik behalve de Psychedelic Furs nóg een album was vergeten. Het komt van een lijstje met albums die U2 afspeelde tijdens de lange busreizen gedurende een Britse tournee dat jaar. Op naar het debuut van The Associates.

Tom Robinson Band - Power in the Darkness (1978)

poster
4,0
Tom Robinson bracht zijn eerste album uit in 1975 als gitarist van de groep Café Society. Een album met lieflijke pop die soms aan Gilbert O’Sullivan doet denken. Daarin invloeden van folk en vooroorlogse jazz-met-banjo, soms een vleugje rock. Robinson zingt er één nummer.
Met de komst van punk verandert in 1976 het muzikale klimaat en in zijn eigen Tom Robinson Band zoekt hij als zanger-bassist stap voor stap zijn weg. Mijn eerste kennismaking is in november 1977 als 2-4-6-8 Motorway de Tip 30 van de NCRV haalt en ik het op cassette opneem met een kalme, zakelijke introductie van NCRV-man Peter Blom. Een energiek nummer met staccato gitaarspel en bevlogen zang. Een hit wordt het niet in Nederland, maar mijn puberbrein heeft het nummer stevig op de harde schijf opgeslagen. In het Verenigd Koninkrijk haalt het diezelfde maand #5.

Daarna wordt het stil, al las ik in tijdschrift Muziek Expres (?) over de EP Rising Free en vooral het nummer Glad to Be Gay, met een voor die tijd ongewone boodschap. In juni 1978 haalt de elpee Power in the Darkness #4 in zijn thuisland, in Nederland doet het niets. Zijn eerste hit staat daar niet op, tot in 1993 een heruitgave op cd verschijnt met zowel de single als de EP.

De muziek is strijdvaardig, optimistisch, stevig en resoluut, ver verwijderd van die plaat uit 1975. Scheurend gitaartje van Danny Kustow, stuwend drumwerk van Brian ‘Dolphin’ Taylor en af en toe de toetsen van Mark Ambler. Je hoort de punkenergie, maar het is melodieuzer en toegankelijker met af en toe een kalmer nummer. Robinson is daarbij een liedjessmid van niveau, zodat een album met lekkere liedjes het gevolg is, waarbij hij zijn mening niet onder stoelen of banken steekt. Met name het titelnummer, een verklaring van waar hij voor staat.
Het meest ingetogen is Too Good to Be True, dat wordt gevolgd door het tegen punk aanschurende Ain’t Gonna Take It, waarbij ik aan The Clash moet denken. De rest combineert het beste van beide werelden, waarbij seizoensliedjes Long Hot Summer en (de dan nog toekomstige) Winter of ‘79 mijn favorieten zijn.

Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijst met new wave en gelijkgestemden kwam van de titelloze elpee van The Count Bishops en vervolgt met de single Orgasm Addict van de Buzzcocks, pas twee jaar later verschenen op Singles Going Steady.

Tom Robinson Band - TRB Two (1979)

poster
3,5
Activistisch én creatief. Tom Robinson met de tweede van de naar hemzelf genoemde groep, welke in maart 1979 verscheen. Voorganger Power in the Darkness waardeerde ik met vier sterren en ook deze tweede mag er zijn.

Heerlijke rock 'n' roll in de punkgeest in opener All Right All Night, waarna met Why Should I Mind de gitaren even venijnig scheuren en de toetsen van nieuwe toetsenist Ian Parker eveneens prominent in de mix zitten. Geproduceerd door Todd Rundgren die de groep fris uit de boxen laat klateren. Een black gospelkoor versiert Black Angel, waarbij hij flirt met geloof maar de voorkeur geeft aan zijn grote liefde. Denk ik.
Meer gospelinvloeden sijpelen door in het eveneens stevige Let My People Be, dat net als het vorige nummer een verbinding naar de terminologie van zwarte kerken lijkt te slaan met een tekst over bevrijding. Met het rustiger Blue Murder sluit kant 1 af met meer maatschappijkritiek, de vuist op de hoes staat er niet voor niets. Met oprechte compassie en een open oog voor misstanden, die Robinson dan ook benoemt.

Kant 2 is muzikaal minder rockend. Bully for You haalde als single in maart #68. Parodie is te horen middels jaren 1930-boogie woogie in Law and Order; het is Parker die hier zingt. Op Days of Rage wordt het toch weer stevig en afsluiter Hold Out is eigenlijk een rockballade met opnieuw een pakkend dameskoor.

Een strijdbaar album dat vooral op de eerste helft pakkende muziek bevat. Met mijn voorkeur voor scheurende gitaren kan het echter zomaar zijn dat een ander juist de tweede helft prefereert. In 2004 verscheen een cd-editie met de nodige bonussen.

Mijn vorige station in de reis door new wave was A Different Kind of Tension van Buzzcocks. Ik spring terug naar september 1979 en omdat ik Fischer-Z's Word Salad al eerder besprak is New Picnic Time van Pere Ubu aan de beurt.

Tom Verlaine - Tom Verlaine (1979)

poster
3,0
Ik ben op reis door new wave. Dit aan de hand van mijn afspeellijst met liedjes uit dit genre, waarbij ik de albums daarachter beluister. Dan is het soms schakelen, in dit geval van de pret van het debuut van Madness naar aanmerkelijk serieuzere sferen van Tom Verlaine. Zijn solodebuut verscheen begin september 1979.
Muziek voor fijnproevers en ik ben bang dat ik die gevoeligheid ontbeer. Ik heb niet veel met de "dunne" stem van Verlaine en op dit solodebuut mis ik node de gitaarpartijen van Richard Lloyd, de belangrijkste snarenman bij Television. Vaker draaien wordt echter beloond en gaandeweg komen, ondanks mijn aanvankelijke reserve, enkele fraaie licks en melodielijnen bovendrijven, waar ik elders mijn reserve behoud.

Dat laatste bijvoorbeeld in opener The Grip of Love, waar de gitaarlick sowieso niet interessant voor mij is en bovendien continu wordt herhaald. Souvenir from a Dream werkt echter wél dankzij het pianothema in het intro en het lichte gitaarspel. Kingdom Come bevalt me ook beter met z'n riff en ietwat mysterieuze sfeer. Zoals hierboven reeds herhaaldelijk aangehaald: gecoverd door David Bowie, te vinden op diens Scary Monsters van een jaar later.
Mr. Bingo is uptempo maar beklijft niet, (het jolig bedoelde?) Yonki Time maakt zelfs chagrijnig.

Kant 2 begint daarentegen sterk met mijn favoriet van Tom Verlaine (de plaat): Flash Lightning is kalmer, een sfeer die mij beter bevalt bij Verlaines gitaarspel. Het vlotte Red Leaves bevalt me niet in de coupletten maar wel in het refrein, mede dankzij de zang van Deerfrance, wier stem ik wel vaker had willen horen: zij geeft de muziek een extra melodieus duwtje in de rug.
Ingetogen met fraaie toetsenpartij is Last Night, mijn vierde favoriet van de plaat, waarna het gitaarspel van het pittiger Breakin' My Heart me niet pakt, met zes minuten bovendien te lang.

Kortom, dit is een smaakdingetje. Qua sfeer proef ik overeenkomsten met de nervositeit die ook bij de New Yorkse stadsgenoten van Talking Heads kan doorsijpelen, waar ik een haat-liefderelatie mee heb. Wie meer heeft met Verlaines stem en gitaarspel, zal mijn bezwaren maar raar vinden.
Wat ik wél hoor: een talent met gevoelige, soms wat nerveuze liedjes. Dat hij in 2023 overleed, kwam onverwacht bij deze liedjessmid die ik altijd jong vond klinken.
Ondertussen reis ik naar de eerste maal dat op een hit in Nederland werd gerapt: Reasons to Be Cheerful, Pt. 3 van Ian Dury. Daarom keer ik kort terug naar diens Do It Yourself.

Tommy Funderburk - Anything for You (2005)

poster
3,5
Bijvangst van een online aankoop in Portugal. Zanger Tommy Funderburk ken ik van The Front, een groep die in 1984 een gelijknamig album uitbracht, niet te verwarren met de gelijknamige groep die in 1989 eveneens een titelloos album maakte.
In het The Front van '84 werkte de zanger samen met drummer Bob Wilson en gitarist Dan Huff. De laatste maakte enige furore met de groepen White Heart en Giant en is net als Funderburk een sessiemuzikant die "overal" opduikt.

Ik houd van aor, maar dan wel de steviger kant. Bij Tommy Funderburk, afkomstig uit South Carolina en later naar Californië verhuisd, blijft het echter rustiger. Je zou kunnen betogen dat Anything for You wel heel erg gladgestreken en keurig is, maar dat is echt een kwestie van smaak. Zeer melodieuze rock waar je moeder niet verontrust van zal raken, zolang je de muziek maar niet te hard zet.

De composities zitten goed in elkaar, zijn lekker vol geproduceerd, goed gespeeld en de rauw-hese stem van Funderburk maakt het af. Bij uptempo opener Learning How to Love luister ik als vanzelf vol aandacht en het eveneens vlotte Remember How to Love bereikt hetzelfde.
Dan echter raakt mijn spanningsboog op, omdat het allemaal zo ontzettend op elkaar lijkt. Als je me op de man af vraagt waarom ik dat hier wél heb en bij andere aor-plaatjes niet, kan ik geen zinnig antwoord geven. Is het omdat de melodieën me niet zo pakken? Mis ik de opbouw naar een climax? Is het te keurig binnen de lijntjes en wil ik het meeslepender? Iets dergelijks had ik indertijd ook bij het bewierrookte Giant: het was me te saai.

Maar kijk eens naar de artiesten voor wie Funderburk achtergrondzang verzorgde. De (incomplete!) lijst zoals vermeld op zijn website is indrukwekkend en gaat qua popgenres alle kanten op: "Boston, Celine Dion, Jimmy Page, Andrae Crouch, Earth Wind and Fire, David Foster, Whitesnake, Michael Jackson, Rod Stewart, Steve Lukather, David Lee Roth, Steve Vai, Poison, Dwight Yoakam, Yes, T Bone Burnette, Tom Jones, Toto, Bon Jovi, Henry Mancini, Rick Springfield, Julio Iglesias, Oliva Newton John, Juice Newton, Chris Hillman, Barry Manilow, Lee Ritenour, Timothy B Schmidt, Heart, Rodney Crowell, Cher, Melissa Manchester, Spinal Tap, Elton John, Sammy Hagar, Eddie Money, Sheena Easton, Twisted Sister, Clint Black, Cheap Trick, Tracy Chapman, Steven Bishop, Nancy Griffith, Bad Company, Mary Chapin Carpenter, Paul Young, Larry Carlton, Burt Bacharach, Bad Company, Manhattan Transfer, Pat Benatar, REO Speed Wagon, Motley Crue, Jefferson Starship, Al Jarreau, Chicago and many others."

Een indrukwekkende carrière met dit Anything for You als enige soloalbum; liefhebbers van Giant of Toto kunnen hier wel wat mee. Ingespeeld met deels Italiaanse muzikanten, want verschenen bij het Italiaanse Frontiers, is dit een album waar de liefhebber van de genres adult oriented rock / soft rock / L.A. rock / pomp rock plezier aan zal beleven.
Mijn smaak is gewoon anders, vandaar dat ik het bij een veilige 7 houd, uitgedrukt in 3,5 ster. Want dat de kwaliteit eraf druipt, is zeker.

Tony Carey - Blue Highway (1985)

poster
4,0
Met het ontdekken van Ronnie James Dio in mei 1980 als zanger op Neon Knights, volgde spoedig de ontdekking van Rising van Rainbow van vier jaar daarvoor. Die plaat begint met een fe-no-me-naal toetsenintro van de hand van Tony Carey, die elders op de klassieker zijn klasse herhaalt.

De Californiër hield het niet lang uit bij de groep, doordat zijn joviale, extraverte persoonlijkheid niet in goede aarde viel bij bandleider Ritchie Blackmore. Met spijt zag Dio hem vertrekken na de Britse tour, zo schrijft hij in diens bio ‘Rainbow in the Dark’. In latere jaren dook Careys naam incidenteel op en toen ik onlangs deze elpee tegenkwam in Den Bosch bij Doogan, kon ik hem niet laten staan.
Daarbij was ik benieuwd naar het muzikale genre dat Carey op Blue Highway koos. Het blijkt een onvervalste rockplaat, soms neigend naar toegankelijke progrock in jaren '80-stijl of adult oriented rock. Geen donderende hardrock dus, maar Carey (naast toetsen, (slag)gitaar, bas ook leadzang) heeft een prima hese stem, passend bij zijn eigen composities.

Minder toetsenextravaganza dan ik had gehoopt: het draait om de liedjes. Favorieten op de eerste plaatkant zijn de scheurende opener We Wanna Live met een heerlijke gitaarsolo, geknipt voor Amerikaanse FM-rockradio, de melancholie van 10,000 Times en het optimisme van het vlotte Tear Down the Walls
Op kant 2: het uptempo Love Don't Bother Me en het romantische en vlotte Like a Rock. Slechts éénmaal haak ik af: de tweede helft begint namelijk wel erg ingetogen met het titellied.

Het album werd opgenomen in de Hotline Studios in Frankfurt en verscheen najaar 1985. Naast Carey zijn onder andere enkele onbekende maar capabele Duitse muzikanten te horen, waarbij gitarist Carl Carlton (Karl Buschkohl) en de 'support vocals' van bekende Australiër Jimmy Barnes. De productie is niet kil als soms in de jaren '80, maar warm dankzij producer Peter Hauke.
Hoe leuk zou het zijn geweest als Carey in de de latere Diojaren in die groep was ingelijfd; de progressieve en melodieuze inbreng van Carey had het geluid kunnen verrijken…

Tony Wilson - Catch One (1979)

poster
2,5
Tony Wilson, voormalig bassist en liedschrijver van Hot Chocolate, bracht in 1979 zijn tweede soloalbum uit. Stond hij op het debuut met een kind op de voorzijde, nu wordt hij afgebeeld met de moeder (?). Net als op de voorganger klinkt op Catch One ten opzichte van zijn oude bandje meer soul. De Londenaar blijft daarmee dichter bij zijn oorspronkelijke stijl, een mengsel van soul, funk en toegankelijke disco. Een vergeten album, maar nu ik toch door de catalogus van Hot Chocolate reis, kan deze ook mee. Hoera, op streaming te vinden!

Wilson is geen wereldzanger maar wel een sterk liedschrijver. Het levert een album op vol zomeravondsoul met soms een vleugje funk of pop. Verdwenen zijn de teksten met een maatschappelijk verhaal of een boodschap: hier prevaleert de romantiek.
Meestal is het vrij kalmpjes, zoals de rustige funk van Lay Next to You en de ballade Africa (nee, heeft niets met het gelijknamige liedje van Toto te maken). maar op Fool Around klinkt een bescheiden scheurende gitaar, wat het tot een heerlijk popliedje maakt. Love, I Thought I would never Find brengt dan weer zonnige disco met violen, vrolijk en vriendelijk waar zelfs de grootste kniesoor de mondhoeken omhoog laat krullen.
Soulliefhebbers zullen vallen voor het swingende New Orleans Music en de ballades I Really Love You en Forever Young, de laatste met lekkere blaaspartijen. Enige echte minpuntje is coverballade Just When I Needed you Most, dat in datzelfde 1979 een hit werd in de versie van Randy Vanwarmer; kleffe liefdespop.

Teveel ballades naar mijn smaak en ik mis zijn kritische teksten. Wat resteert is een zorgeloos soulplaatje met soms Britse popinvloeden; wel érg rustig en zwoel, voor mij minder dan de voorganger. Fanatiekere liefhebbers van soul zullen dit hoger waarderen dan mijn tweeëneenhalve ster.

Tony Wilson - I Like Your Style (1976)

poster
3,5
Na ettelijke hitsingles, twee albums en groeiend succes verliet Tony Wilson Hot Chocolate om solo te gaan, deelde gaucho bij album Hot Chocolate. Die carrière stond qua succes in de schaduw van zijn oude bandje, maar leverde wel fijn solowerk op. MuMe vermeldt als land van herkomst terecht Trinidad en Tobago, maar de man woonde al sinds de jaren ’60 in Brixton, Londen. Vandaar dat hier Britse soul is te horen.

Hij klinkt vooral als een ingetogener versie van Hot Chocolate en scoorde met I Like your Style in januari 1977 #11 in de hitlijst van de NOS. Alhoewel ik toen fanatiek radio luisterde, heb ik hier geen ‘actieve herinnering’ aan. Het blijkt een vrolijk, dansbaar liedje, waar niets mee mis is. Het album kreeg dezelfde naam als de hit, die de plaat aftrapt.
Daarna gaat het tempo van de muziek omlaag. De sfeer is geschikt voor de late avond of zondagochtend. Wilson brengt vooral rustige soul, slechts met afsluiter Legal Paper wordt het weer uptempo.

Bij Hot Chocolate schreef Wilson de teksten die aan het geweten van de mens appelleerden en dat doet hij hier ook. Luister maar eens naar New York City Life, dat onmiddellijk na het titellied komt. Idem voor The Politician (A Man of Many Words). Maar ook wordt onbezorgd over de liefde gezongen, liedjes met een zorgeloos en zomers gevoel.

Lekker plaatje, niet baanbrekend maar beter dan sommig werk van zijn voormalige groep. Een dikke 7.

Toyah - Anthem (1981)

poster
3,5
Mei 1981 haalt voor de tweede maal dat jaar een single van Toyah de Britse hitlijst, nadat EP Four from Toyah in februari voorging. Daarop stond It's a Mystery en het staat als enige nummer ervan ook op Anthem.
Ik beluister de albums achter mijn afspeellijsten met new wave. Dit op chronologische volgorde. Zo kom ik van Concrete van poppunks 999 bij single I Want to Be Free van Toyah. Die kwam op 10 mei '81 de Britse hitsinglelijst binnen, om op de laatste van die maand op #8 te pieken.

Bij het afspelen van dit album kreeg ik een raar plaatje: alsof Pipi Langkous op volwassen leeftijd was gaan zingen bij Marillion. De punkachtige kleuren zijn namelijk symfonischer geworden met gitaarspel dat me aan dat van Steve Rothery doet denken. Toch is het nog altijd dezelfde Joel Bogen die gitaar speelt. Het gevoel overkomt me bij Pop Star en vooral Marionette.
De hoes toont de zangeres als elf met piramides in het landschap, de achterzijde en binnenhoes zijn in antiek-Egyptische stijl. Een bonte combinatie van stijlen.

Toyah Wilcox' stem is helder, soms heel hoog. Ze kan piepen, schreeuwen, spreken en grommen; de emoties gaan alle kanten op, wat in contrast staat met de harmonieuze symfowave (om een indruk te geven) van Anthem. Nog ongewoner wordt het als ik me realiseer dat op de drumkruk ene Nigel Glockler zit, die nog datzelfde jaar zou overstappen naar metalgroep Saxon.
Afwisseling genoeg, naast dat Wilcox' stem alle kanten opgaat. Rustig is Pop Star waarin de groep als geheel klinkt, Masai Boy leunt volledig op zang met de synthesizers van Adrian Lee. Diens Roland Jupiter 8, Roland Sh7 en Roland CSQ 600 Sequencer domineren eveneens in Marionette. Zit het 'm in diens geluiden dat ik de, overigens aangename associatie met Marillion krijg? Het afsluitende, uptempo We Are is een volgend favorietje van me.

Volgende halte in newwaveland is album Talk Talk Talk van The Psychedelic Furs.

Toyah - Four from Toyah (1980)

poster
4,5
Op reis door new wave kwam ik vanaf de eerste Londense plaat van The Boys Next Door / The Birthday Party en beland in februari 1981 als de EP Four from Toyah de Britse hitsingleslijst betreedt. De verbazing van Saldek dat een 7" op MuMe staat is begrijpelijk en toch staat ie hier helemaal terecht. Het schijfje duurt een dikke 18 minuten en is met zijn vier nummers een volwaardige EP; dit verscheen destijds vaker op het kleine vinyl.

Omdat EP's ook in de hitlijst mochten, kwam deze op 8 februari de Britse variant binnen op #59, om op 22 maart op #4 te pieken. Na deelname aan tv-serie Shoestring (twee jaar eerder, zie hier) en vooral veel opnemen en optreden werd hard werken beloond met een eerste notering in die lijst.
In mijn herinnering staat Toyah een beetje te boek als een soort tweede Siouxsie Sioux. Overeenkomsten in uiterlijk en stijl zijn er zeker, tegelijkertijd heeft Toyah (hier nog een band en niet "slechts" Toyah Willcox) een eigen smoel. Iets meer pop, maar wel degelijk energiek met soms wat excentrieke zang.
Gitarist Joel Bogen zorgt voor de stevige inbreng, Adrian Lee brengt met zijn toetsen en synthesizers digitale geluiden en vooral veel sfeer. Dankzij nieuwe ritmesectie Phil Spalding (bas) en Nigel Glockler (drums) ligt er een uiterst dynamische basis.

Nigel Glockler? Fans van metalgroep Saxon kennen die naam, omdat de man zich later in datzelfde 1981 aan hen verbond; ondanks periodes van absentie zit hij er anno 2025 nog altijd. Alleen daarom al is het leuk om hem hier aan het werk te horen. Ik geef een 9 voor de vier nummers die verschillen in tempo en sfeer, in 2005 tevens op dit Toyah-singleoverzicht verschenen.

Een week later betrad een elpee de Britse albumlijst die interessant is voor mijn queeste in het land van new wave en aanverwanten: op naar Diminished Responsibility van punkgroep U.K. Subs.

Toyah - Sheep Farming in Barnet (1979)

poster
3,5
Op reis door new wave kom ik vanaf de derde Talking Heads bij het debuut van Toyah, toen nog een groep en niet alleen de zangeres. Droombolus noemde dat ze in Shoestring zat en verrek, van die eigenwijze serie staat die aflevering op YouTube, van december 1979! Ga ik snel eens kijken.

Toyah Willcox krijgt met de steun van een hecht spelende groep (gitarist Joel Bogen, toetsenist Peter Bush, bassist Mark Henry en drummer Steve Bray) de kans om de grenzen van haar stem op te zoeken. Soms lijkt het alsof ze Lene Lovich of Siouxsie Sioux als voorbeeld heeft, in Our Movie hoor ik ook invloed van Nina Hagen. Maar doet dat ertoe? Nee toch? Geef je over aan haar stem, waarbij soms sax of strijkers bijvallen. Het is genieten van expressiviteit.
Album noch singles haalden de hitlijsten, desondanks wordt met een knappe combinatie van punkenergie, theatrale vocalen en goede composities een prima debuut neergezet.
In augustus 1979 verscheen het album als EP met zes nummers, in december werd het een vol album met Victims of the Riddle en Race Through Space toegevoegd.

Sterkste nummers: opener Neon Womb dat grotendeels op drie punkakkoorden en bijtende sax draait en fraai naar een lange climax opbouwt, nerveuze punk in Indecision, het midtempo Computer met onder meer akoestische gitaar, waarin ze verklaart dat ze er eentje wil, "the one that cannot lie"; het oorspronkelijke slotlied The Last Goodbye met sax en cello's en Victims of the Riddle (Vivisection) met Keith Hale op toetsen, dat bijna thrillermuziek bevat. Slotlied Race Through Space laat verrassend poppunk horen, zij het met die dartelende stem van Willcox.
Op haar website de nodige informatie over het album (zij houdt het er overigens op dat de elpeevariant van februari 1980 stamt) en de heruitgave. Achter de hoes zit een mooie anekdote (inbraak op RAF-terrein), waarover ze op YouTube vertelt. Ook bij Computer boeiende info.

Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave vervolgt bij het debuut van het eveneens eigenwijze Essential Logic.

Toyah - The Blue Meaning (1980)

poster
3,5
Het tweede album van Toyah was de eerste die de Britse verkooplijst haalde, ondanks het ontbreken van een hitsingle: in juni 1980 werd #40 gehaald.

Het is een aangenaam, degelijk album met als uitschieter opener Ieyah. Op de editie van 2021 is ook de singleversie van het nummer aanwezig. Toyah (de zangeres) gebruikt haar stem in dat nummer op uiteenlopende wijze, een beetje op de wijze van Nina Hagen maar dan zonder de operastem.
Toyah (de band) was in feite een duo, bestaande uit Toyah Willcox en gitarist/co-componist Joel Bogen. De overigen in de band maakten nogal eens plaats voor een ander. Ten opzichte van debuut Sheep Farming in Barnet bleef toetsenist Pete Barnet, maar nieuw zijn bassist Charlie Francis en drummer Steve Bray.

Voor de stijl maakt dat niks uit. New wave zoals je de naam met de muziek associeert, ook als je het stickertje postpunk erop plakt. Acht nummers, waarvan Spaced Walking opvalt omdat Willcox het zong na het inhaleren van helium (ja ja, al in 1980...), Ghosts is snel en scheurend, waarna Mummies iets van Bowie heeft en Blue Meanings bijna plechtig.

Kant 2 begint met het rollende Tiger! Tiger! dat wordt gevolgd door het langzame Vision en het onheilspellende Insects dat een intense tekst bevat: "If you, you won't love me - If you don't pursue me through your streets - Please abuse me, Throw my body to the floor, I don't wanna be alone no more". She sluit sferisch af, Barnet combineert zijn klavieren met trompet.


Die 2021-editie bevat trouwens véél extra's, waarbij Willcox haar stem verder uitprobeert; in Silence Won't Do alsof we Gollum uit Lord of the Rings horen. Expressieve zang is de kracht van dit album, een stijl halverwege Siouxsie Sioux en Nina Hagen.
Waar vaker draaien vaak een album doet groeien, gebeurt me dat hier niet. Daarom 3,5 ster voor een degelijk album. In 1981 volgde het eerste singlesucces: Toyahs ster was rijzende.

Maar eerst verder met de wave van juni 1980, waar mijn vorige station was bij Jona Lewie en ik vervolg bij de tweede van The Motels.

Toyah - The Safari Records Singles Collection Part 1: 1979-81 (2005)

poster
4,0
Stammend uit 2005 is dit singleoverzicht een boeiende samenvatting van de eerste jaren van de groep Toyah. Als je iemand moet uitleggen wat new wave is, dan is The Safari Records Singles Collection Part 1 1979-81 een prima uitleg. Een cd met 19 tracks. Hierboven wordt aangegeven dat er ook twee bonustracks bestaan; deze zijn echter slechts via streaming te vinden.

Het succes kwam de groep niet aanwaaien. Stap voor stap groeide de populariteit, dankzij hard werken én natuurlijk de pakkende muziek, geholpen door het opvallende uiterlijk van de frontvrouwe. De bezetting van de groep wisselde hier al enigszins, maar vaste waarden bleven Joel Bogen op gitaar en Adrian Lee op toetsen. Toegankelijk en toch alternatief. Het kan.

Verschenen bij het om zijn heruitgaven vermaarde label Cherry Red, dat in hetzelfde jaar al Part 2: 1981-83 uitbracht.

Toyah - Toyah! Toyah! Toyah! (1980)

poster
3,5
Al na twee studioalbums een livealbum uitbrengen is best raar. En toch: het debuut van Toyah haalde nog niet de Britse albumlijst, opvolger The Blue Meaning kwam tot #40 en dit Toyah! Toyah! Toyah! verscheen in november 1980 om na Kerstmis in januari 1981 in de albumlijst te komen, bescheiden piekend op #56. Dertien maanden later echter keert het daarin terug, maart - april '81 #22. Opgenomen met de Rolling Stones Mobile in Wolverhampton.

Zoals het vorige bericht van bijna twintig jaar geleden vermeldt, maakt het album niet echt indruk. In mijn beleving is het vrij vlak, zonder hoogtepunten en tegelijkertijd ook zonder door het ijs te zakken. Categorie 6,5 of krappe 7.
Een hecht spelende band, energieke new wave met een vleugje punk. Centraal staat de soms hoog uithalende stem van zangeres Toyah Wilcox, maar gum de huilende gitaarpartijen van Joel Bogen niet uit (opener Victims of the Riddle) of de toetsenpartijen van Peter Bush.
Qua songkeuze had het beter gekund, er was keuze genoeg: behalve de opener is op kant 1 alleen Tribal Look echt lekker, op kant 2 geldt dat voor Danced en in iets mindere mate voor Insects. Vormde dat laatste nummer enige inspiratie voor Lullaby (1989) van The Cure, dat over spinnen gaat?

Hoe dan ook, de albumnoteringen bewijzen dat haar populariteit stap voor stap groeide. In 2006 kreeg het een heruitgave waarmee de lengte werd verdubbeld dankzij een concertregistratie uit 1982. Hier niet meer de ritmesectie van bassist Charlie Francis en drummer Steve Bray, maar Phil Spalding en de bekende sessiedrummer Simon Phillips. Bovendien is Bush vervangen door toetsenist Steve Hale. En er staat dan wél de kraker van het debuut op, te weten Neon Womb, die eigenlijk op het originele vinyl had gemoeten. Die uitgebreide versie staat eveneens op streaming.

Mijn reis door new wave kwam vanaf de powerpop van The A's, waar ik tips kreeg over genregenoten van die groep. Sta mij toe deze op te sparen en eerst de muziek van 1980 af te maken. Op naar de gothic van Bauhaus, wier album in dezelfde novembermaand van 1980 verscheen als deze Toyah.

Traiectvm Inferivs - MMXVIII (2018)

poster
4,0
Traiectvm Inferivs, oftewel lage plaats bij Traiectum, oftewel de doorwaadbare plaats bij Utrecht. De Latijnse naam van een vierkoppige band uit de Domstad die op deze EP thrash metal koppelt aan een blackmetalachtige zangstijl en ondertussen de historie induikt. Dat zowel in het Engels als in het Nederlands.

Het gitaarwerk van Freek is melodieus en zangerig, terwijl Yuri zijn vocalen spuwt en zijn slaggitaar laat hakken. Hoorbaar is dat de groepsleden bij het ontstaan van het thrashgenre nog niet eens in de luiers lagen: af en toe slaat Martijn (aan achternamen doen ze niet) enkele eigentijdse blastbeats. Daarbij is het grappig om Nederlandstalig gegrunt en gescream te horen, zo ga je er bij Kwade tocht (over een reis tussen Utrecht en Vianen) nét anders naar luisteren.
Dat geldt al helemaal voor Gesloten in steen, dat verhaalt over zuster Bertken, die in 1457 voor het leven van kluizenares koos en 57 lang in een cel in de Utrechtse Buurkerk leefde. In de straattegels van de Choorstraat, exact op de plek waar zij die jaren doorbracht, is tegenwoordig een herdenkingstegel te vinden.

Op deze EP de nodige variatie in tempo's, al is het meestal snel; maar ook langzame doom komt voorbij. Dit in een redelijke productie: even wennen, maar bij het derde nummer zit je erin en het mini-album is te vlug voorbij; een goed teken.
Op de binnenzijde van het cd-doosje wordt de groepsnaam overigens met een 'u' geschreven als 'Traiectum Inferius' in plaats van met een 'v'. Ook te vinden op streaming bij Apple en Amazon, gebruik dan de u-spelling.

Twee leden van de groep gingen door naar doommetalband Angmodnes.

Tricklebolt - Honey from the Sky (2024)

poster
4,5
Met de retro ogende hoescover lijkt dit een album te zijn van een groep die in de stijl van de jaren '70 rockt. Mis.

Niet dat je er dan helemaal naast zit, integendeel. Tegelijkertijd slaagt de groep erin om op Honey from the Sky classic rock te koppelen aan een eigentijds geluid. En dan kunt u vragen: wat maakt dan dat het eigentijds klinkt? Ik weet niet het antwoord op deze vraag, al hoort u aan de frisse en in-je-smoel-productie dat dit niet uit 1974 stamt.

Toch een schamele eerste poging tot een antwoord: Opener Energy bijvoorbeeld heeft iets van een 3FM-bandje van het soort dat daar (of bij Radio 2 bij 'Jan Willem Staat op!' of indertijd bij DWDD op tv) live in de studio speelt. Het is alternatief maar niet té. Ik hoor na mijn antwoord al uw doorvraagvraag, maar moet een concreet antwoord schuldig blijven.
Tweede poging: nummer 2 Paranoid Radio begint met een hiphopbeat maar dan op een drumstel. Een groove die door het hele nummer heen aanwezig blijft. Discutabel antwoord, dat geef ik onmiddellijk toe.
Derde poging en laatste poging: track 3 Little Bitty is uptempo, rockend en meezingbaar. Maar niet meezingbaar zoals popmuziek meezingbaar is. Nee, Bastian Pen is een zanger met een een eigen geluid en grote longen en het bovendien spelen de overige muzikanten eveneens als een malle.

Ik ga niet alle nummers langs, u zou gek worden van mijn mislukte pogingen. Maar neem van mij aan dat de heren op ieder nummer samenwerkten met andere muzikanten, waardoor het ook nog eens hartstikke afwisselend is. Eigenlijk zou dit album van de maand moeten worden bij een blad als Lust for Life of Classic Rock Magazine. Wellicht is het dat al geworden (ik lees die tijdschriften niet iedere maand)?

Eén ding is zeker: een heerlijke liveband zet een gevarieerd en rockend album neer. Of, in hun eigen woorden van de website: "In 2021 besloten we het roer om te gooien. We voelden ons vastgeroest in patronen, sound en aanpak en wisten geen richting te vinden voor een nieuw album. De band had dringend nieuwe prikkels, inspiratie en richting nodig om door te kunnen. Tricklebolt moest uit haar bubbel en op zoek. Wat kan Tricklebolt allemaal zijn?"

Mijn antwoord: héél veel en toch herkenbaar Tricklebolt. Dattuhetmaarweet!

Trouble - Manic Frustration (1992)

poster
4,0
Het tweede album dat Trouble met producer Rick Rubin opnam voor diens Def American en dat in ongewijzigde bezetting. Desalniettemin wijkt Manic Frustration af van voorganger Trouble van slechts twee jaar eerder.

De oorzaken? Ten eerste is de productie scheller. De warme gitaarmuren zijn nogal afgekoeld en Rubin zet vaak een blikkerig effect op de stem van Eric Wagner.
Ten tweede maakt de hoekige metal vol tempowisselingen plaats voor traditionele hardrock. De gitaren klinken weliswaar net zo heavy als voorheen, de structuren van de composities zijn eenvoudiger.

Misschien is het daarom dat dit in de Lage Landen hun bekendste album zou worden, mede door optredens op Dynamo Open Air. Eerst in 1993, hier beelden bij Fear, ook vond ik een filmpje met interview bij Headbanger's Ball plus een slecht klinkende bootleg van drie kwartier, maar leuk om als toegift Children of the Grave van Black Sabbath te horen.
In '95 stond Trouble er weer, beelden en interview hier, publieksbeelden met slechte audio daar met onder meer een cover van In-a-gadda-da-vida van Iron Butterfly. De groep werd tot hippiemetal gebombardeerd: de positieve boodschap van voorheen is nu in een Woodstockjasje gestoken. Aan de livecovers van werk uit '68 en '71 is inderdaad te zien dat nadrukkelijk inspiratie werd gezocht in dat tijdvak. Gitaristen Bruce Franklin en Rick Wartell doen dat met onder meer het gebruik van wahwaheffecten en zelfs slidegitaar.

De jaren '68 - '71 echoën meteen in de hard groovende opener Come Touch the Sky. Graag hoor ik de snellere nummers op dit album: 'Scuse Me, The Sleeper, Tragedy Man met z'n fraaie melodie en Hello Strawberry Skies. En dan zijn er het langzame Memory's Garden, menigmaal op tv met clip, het slepende Mr. White dat eigenlijk in Breaking Bad had moeten worden gebruikt gezien het hoofdkarakter in die tv-serie en de melancholie plus ingetogenheid van slotlied Breathe, waarvan het laatste deel is geleend van Atlantis van de Schotse protestzanger Donovan, te vinden op diens Barabajagal (1969).

Eenmaal zakt Trouble door het ijs en wel met de ballade Rain. Al realiseer ik me dat dit juist bij menigeen goed viel/valt, het is mede door de koortjes dat ik afhaak... In combinatie met Rubins te schelle productie ben ik ook over het totaal minder enthousiast; véél liever hoor ik diens aanpak op het vorige album. Voor mij een mindere Trouble en dan toch nog vier sterren? Het zegt iets over mijn waardering voor deze groep.

Trouble - Run to the Light (1987)

poster
5,0
Nadat ik eerst door The Skull en daarna door het (toen nog titelloze) debuut was omvérgeblazen, verscheen in juni 1987 Run to the Light. Nog altijd associeer ik het licht op de hoes niet alleen met de hemel maar ook met de beginnende zomer. Mooi weer, bijna vakantie maar eerst nog tentamens met deze elpee als soundtrack.
Enkele jaren geleden kocht ik de cd - de elpee was verdwenen in de woelige golven des levens... Inmiddels draait hij hier van nieuw vinyl: ik miste met dat kleine formaat het gevoel van de prachtige hoes.

De kern van de groep uit Chicago bleef dezelfde met zanger Eric Wagner, wiens stem ik meteen in mijn hart sloot; plus gitaristen Bruce Franklin en Rick Wartell die een eigen stijl hebben, al is deze duidelijk geënt op die van Birmingham, te weten Black Sabbath (de riffs) en Judas Priest (de twingitaren).
Nieuw zijn bassist Ron Holzner en drummer Dennis Lesh, net als de antieke toetsen in vintage jaren '70-stijl. Ze worden bespeeld door ene Daniel Long plus eenmaal door ex-drummer Jeff Olson. Het geluid wordt daarmee iets verbreed, mede doordat de gitaristen hier en daar met andere geluiden spelen. Basis blijven echter doom en ouderwets vette metal met véle tempowisselingen.
De productie van Jim Faraci en Trouble is qua drumgeluid iets wolliger ten opzichte van de voorgangers; het was destijds even wennen, nu zou ik niet anders willen.

In opener The Misery Shows herinnert Wagner ons aan hetgeen hij ons op eerder werk onder de neus wreef, mét een oproep: "In these troubled times, you ask me, how can we be saved. Tell all the people, everyone you meet, the answer is love."
In Run to the Light waarschuwt Wagner zelfs: "Why do you love the darkness, how can you see where you are going?" In het zachtere middenstuk van het nummer horen we dat Wartell ook gecharmeerd is van het werk van Michael Schenker en Ulli Roth.
On Borrowed Time begint met de Dodenmars (Marche Funèbre, 1837) van Frédéric Chopin. Dat wisten wij niet, maar maatje JeKo's vader wél: hij vertelde me die bewuste zomer dat deze diens kamer kwam binnenmarcheren toen hij de elpee afspeelde. Een vrolijk moment en ook al was ik er niet bij, het maakte indruk, mede omdat ik dat van Chopin niet wist. Bij Trouble wordt het thema door de gitaristen gespeeld over een retro synthesizer.

Kant 2 dendert evenzo gevarieerd door. De plaat gaat geen moment vervelen, al helemaal niet met het magnum opus In the Beginning, waar het orgel van drummer Jeff Olson klinkt (welke inmiddels filmmuziek studeerde maar later bij de groep zou terugkeren). Het slot ervan laat de plaat versneld eindigen, voor mij menigmaal reden om de plaat van voren af aan te draaien. Verslavend mooi.

Wie de heruitgave op vinyl koopt, krijgt een downloadcode voor het album op Bandcamp. Daar staan ook bonustracks Come Together (oorspronkelijk van The Beatles, minder passend bij Troubles oeuvre) plus een drietal demoversies van nummers van dit Run to The Light. Daar valt op dat die op de elpee sneller worden gespeeld. De bonussen staan ook op de cd-editie van 2023.

In de catalogus van Trouble is dit een beetje een ondergeschoven kindje. Vol-le-dig ten onrechte.

Trouble - The Skull (1985)

poster
4,5
"Kijk eens wat ik tegenkwam: écht iets voor jou!". Met woorden van die strekking hield mijn muziekmaatje mij een elpee voor. De middelbare school was voorbij en dus zagen we elkaar niet meer dagelijks, maar toen ik hem op zekere dag in 1985 opzocht was de verrassing groot. Het was in de vroege of volle zomer. In zijn handen had hij The Skull, half april verschenen. Op de hoes iets als een kruisiging, op de achterzijde twee handen die een sterrenstelsel omvatten.

Trouble, ik had er nooit van gehoord. Ze zaten op Metal Blade, een label in opkomst. Geen flauw idee hoe en waar hij dit opduikelde, maar kennelijk schatte hij in dat dit iets voor mij zou zijn, met mijn afkomst uit een NCRV-gezin en mijn voorliefde voor de loodzware riffs van Black Sabbath. Een schot in de roos! Het was hun tweede langspeler, maar dat wist ik nog niet. Geproduceerd door Bill Metoyer, een naam die we nog maart kort kenden van onder meer het piepjonge Slayer.

Waar ik normaal gesproken niet houd van albums waar het geluid bij het openingsnummer wordt ingefaded, is The Skull de grote uitzondering. De tweetoon van Pray for the Dead dendert steeds zwaarder de speakers uit, herinnerend aan de drietoon van Black Sabbaths debuut. Zanger Eric Wagner bleek over zowel een lage, zware stem als een scheermeskrijs te beschikken; ik vond het schit-te-rend.
De tekst deed voor iemand van protestantse huize vreemd aan: er wordt opgeroepen om voor de doden te bidden, want "it is of faith that these poor souls can be saved". Wél had ik een soortgelijke misoproep in Brugge aan een kerkgevel zien hangen. Het was een ander geluid dan bij groepen binnen white metal, die tegelijkertijd opgang maakten.
Dan het snelle Fear No Evil met rollende basdrums van Jeff Olson, gevolgd door het lange The Wish, dat me te lang langzaam bleef. Wél een mooi verhaal: over een depressief persoon die geleidelijk verlichting vindt.

Kant 2 was en is mijn favoriete plaathelft met eerst het slepend-swingende swingende Truth Is, What Is met de voor mij herkenbare zinsnede “Everyone’s here but I’m all alone”, iets langzamer maar even verslavend is Wickedness of Man. Dan het snelle Gideon met de regels “Have you been discouraged, hard times bringing you down? Fight on, I know you can make it, prove it to yourself”.
Slot en climax. The Skull bezingt de kruisiging. Het nummer begint met tokkelende gitaren, roffelende trom en onderkoelde zanglijn, als bij een executie. Na enige tijd versnelt de muziek, Wagners grafstem stijgt en de plaat eindigt in heerlijke climax. Met net zulke onverwachte slotakkoorden als die van het titellied van Black Sabbaths debuut.

Lang verhaal kort? Heb de plaat geleend en later zelf gekocht, net als het debuut; beide eindeloos gedraaid. Vandaag speelt The Skull hier vanaf cd met in het boekje informatie over de achtergronden, geschreven door journalist Martin Popoff. Daarbij worden ook de invloeden van de gitaristen Bruce Franklin en Rick Wartell genoemd, namelijk de twingitaren van Downing en Tipton van Judas Priest en in het geval van Wartell ook Michael Schenker.
En inderdaad, Wagner groeide op in een katholiek nest en liet zich qua teksten daardoor inspireren. De combinatie met de doomriffs en talrijke tempowisselingen werkte wonderwel. Mijn meest favoriete nummers van het album: de laatste twee van kant 2.

Ben die vriend nog altijd dankbaar en als ik hem Boven tegenkom zal ik hem dat zeker zeggen. Hopelijk kunnen we er een hemels biertje bij drinken.

Trouble - Trouble (1984)

Alternatieve titel: Psalm 9

poster
5,0
Kort nadat mijn schoolmaatje mij in 1985 had laten kennismaken met The Skull, de tweede van Trouble, vond ik het titelloze debuut in de gespecialiseerde platenzaak in de Grote Stad. Wat was ik blij: alleen de hoes al!

Thuis werd ik omvergeblazen, ik vond dit nog beter dan de tweede en die was al zo goed. Hier geen ellenlang nummer (The Wish op de opvolger) maar nog meer variatie. Uiteraard loodzware metal, Black Sabbathiaanse doom met christelijke teksten en veel tempowisselingen. De dreigende eerste seconden van opener The Tempter en dan de bijzondere zang en beukende groove, de riff van Assassin die ik nog altijd vind klinken alsof Randy Rhoads ermee op de proppen kwam, het tráááge met subtiel orgel opgeluisterde Victim of the Insane, het midtempo rammende Revelation. Wat een plaatkant, ik hapte naar adem.
Op kant 2 het furieuze Bastards Will Pay, de tempowisselingen van The Fall of Lucifer die doorgaan met het instrumentale Endtime en slotlied Psalm 9 met z'n stoempende riffs.

Toen in 1990 hun vierde opnieuw Trouble werd gedoopt, vanwege de tweede fase met producer Rick Rubin, kreeg dit debuut een tweede doop met als titel Psalm 9. In het cd-tijdperk werd als bonus de cover van Cream Tales of Brave Ulysses toegevoegd, in maart '84 B-kant van single Assassin.
Met de zware en huilende gitaarpartijen van Rick Wartell en man-met-de-hoofdband Bruce Franklin, de massieve ritmesectie van bassist Sean McAllister en Jeff Olson, plus de met een bizar mooie cirkelzaagstem-die-ook-diep-kan Eric Wagner was dit vele jaren lang mijn favoriet, mede dankzij de productie van de bekende Brian Slagel.

Mijn oorspronkelijke elpee verloor ik ergens in een tumultueuze fase, later kocht ik de cd en sinds kort heb ik de heruitgave van het Nederlandse Hammerheart met de bonustrack in het vinyl geperst, dit alles geremasterd door Erwin Hermsen. "The Lord will be a refuge for the oppressed, a refuge in times of trouble", luidt het citaat op de achterzijde van de hoes. Met de iconische voorzijde erbij geef ik nog steeds een dikke vijf sterren.