MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

The Unthanks - Diversions Vol. 3: Songs from the Shipyards (2012)

poster
4,0
MuMe rangschikt Songs from the Shipyards terecht onder filmmuziek, maar denk niet aan gezwollen filmscores. De groep nam elf ingetogen liedjes op over de Britse scheepsbouw, een enkele keer geïllustreerd met geluiden uit die wereld.

Het is het derde deel in hun reeks Diversions, waar de groep in opdracht werkt. Over ingetogen folkklanken met hoofdrollen voor piano en viool zweven de stemmen van Rachel en Becky Unthanks, een enkele keer met zang ondersteund door de mannen in de groep. Een enkele keer klinkt ook een harmonium, zoals in The Romantic Tees.
Hierbij de nodige liedjes van anderen, waaronder een fraaie cover van Shipbuilding van Elvis Costello, dat een geheel eigen jasje krijgt. Door de muziek en teksten proef je de zoute smaak van grote oceaanstomers, zij het verstild en vol nostalgie.
Mijn favorieten zijn A Great Northern River van liedschrijver Graeme Miles; Big Steamers, geschreven rond een gedicht van Rudyard Kipling uit 1911 en Monkey Dung Man van folkzanger Jez Lowe. In de handen van The Unthanks worden ze geheel naar hun hand gezet, waarbij de folk me soms doet denken aan modern-klassieke muziek, zoals die door Fransman Yann Tiersen of IJslander Jóhann Jóhannsson werd gecomponeerd.

Kwam de cd tegen in de winkel van Roots Mail Music in Breda, waar de klant bovendien prima koffie krijgt bij binnenkomst. Die gemoedelijkheid past bij de sfeer op dit album: warm en uitnodigend. Verstilder dan Last van het jaar ervoor, maar nog altijd sterk.

The Unthanks - Last (2011)

poster
4,5
Liep tegen Last aan toen ik de cd rond 2018 in een kringloopwinkel tegenkwam. Vond de hoes mooi, gokte dat het iets met new wave zou zijn. Voor een eurootje meegenomen.
Verrassing! Althans, voor mij. Het bleek om folk te gaan en wel van een bijna bovennatuurlijke schoonheid. Soms denk ik hierbij aan Nick Drake, soms aan Kate & Anna McGarrigle of Laïs. De eerste naam vanwege sommige melodielijnen, arrangementen (zoals de strijkers in Give Away your Heart) en ingetogenheid, de laatste twee namen omdat de stemmen van de zussen Rachel en Rebecca Unthank zo fraai samengaan.

De muziek met viool, piano, een enkele keer trompet (!) en meer akoestische instrumenten is vooral dromerig-feeëriek, door de bandleden zorgvuldig om de stemmen van de gezusters gedrapeerd. Nergens is het uitbundig, echter continu is de sfeer warm en creatief.
Hierboven noemden anderen de covers van Tom Waits (No One Knowns I'm Gone) en King Crimson (Starless). De originelen ken ik niet, maar nergens viel mij op dat er een cover klonk: deze liedjes zijn volstrekt vervlochten met de eigen nummers. Gan to the Kye en Queen of Hearts bijvoorbeeld, wat een pareltjes!

Rondom mijn huis regeren lichte vorst en ijzel; terwijl mijn voeten op de bank onder een dekentje schuilen, waan ik mij tweehonderd jaar geleden in een cottage in Northumbria, de thuisgrond van deze groep. Ouderwets en toch fris, traditioneel en toch eigentijds. Of kan ik het tijdloos noemen?
28 februari spelen ze in Tivoli/Vredenburg, boven in zaal Cloud 9. Moet ik maar eens heen, meemaken of de muziek daar net zo goed landt als deze avond thuis.

The Vapors - Magnets (1981)

poster
4,0
De tweede van The Vapors. Op het debuut staan een top 3- en een top 50-hit, op dit een jaar later (maart '81) verschenen Magnets staat slechts de bescheiden hitsingle Jimmie Jones. De single over sekteleider Jim Jones kwam in juli '81 tot een Britse #44. Het was hun laatste hit, de elpee flopte en de groep zou niet veel later de stekker eruit trekken.

Dat nummer en het daarop volgende Spiders zijn weliswaar aangenaam, pas écht leuk wordt het met Isolated Case, waar gitarist Edward Bazalgette plotseling met gitaarakkoorden en -lijntjes komt die doen denken aan hetgeen John McGeoch in diezelfde periode bij Magazine, Visage en Siouxsie & The Banshees deed. Bazalgette doet dat vaker op dit album: op kant 1 bij Live at the Marquee en op kant 2 bij Daylight Titans, Johnny's in Love (Again).
En ook op kant 2 bij Lenina, gejaagd én melodieus als waren dit de Buzzcocks, het weemoedig stemmende Silver Machines en het dik zes minuten durende Magnets, dat met akoestische gitaar begint en fraai is opgebouwd.

Ze maken dat de sfeer op dit album donkerder is dan op het debuut; niet dat ik dat meteen in de gaten had maar vaker draaien wordt beloond, zeker omdat de aangename nervositeit in de stem van David Fenton daardoor opbloeit.
Dan zijn er buitenissigheden: in Civic Hall zit prominent een blokfluit en in Live at the Marquee een xylofoon - het werkt! Overigens duurt Spiders op streaming een dikke minuut korter dan Discogs vermeldt en dat is prima; liever de postpunk van die andere nummers.

Gebrek aan steun van de platenmaatschappij leidde ertoe dat The Vapors uit elkaar vielen. Bazalgette werd tv-regisseur, Fenton muziekjurist. Bassist Howard Smith en drummer Steve Smith gingen ook door: de eerste begon een platenzaak, de tweede de groep Shoot! Dispute. Die kreeg in 1984 steun van radio-dj John Peel, maar kwam verder niet tot grote verrichtingen.
Vanaf 2016 worden The Vapors echter weer actief, waarna en 2020 en '25 twee albums met nieuw werk verschijnen. Inmiddels ben ik nieuwsgierig genoeg om ook daar binnenkort aandacht aan te besteden. Ze staan op MuMe maar er is tot dusver zelfs nog niet op gestemd: Together en Wasp in a Jar.

Bovendien vervolg ik mijn reis door de new wave van 1981. Ik kwam vanaf het debuut van The Producers en omdat ik het (over)bekende Ghost in the Machine van The Police al besprak (single Every Little Thing She Does Is Magic staat op mijn afspeellijst), vervolg ik bij de postpunks van Gang of Four en hun tweede album Solid Gold.

The Vapors - New Clear Days (1980)

poster
4,0
Powerpop met ietwat onderkoelde zang, zo zou ik The Vapors en hun debuutplaat New Clear Days willen omschrijven. Destijds helemaal langs mij heen gegaan - welk een neusje had gaucho kennelijk destijds al... Dat terwijl single Turning Japanese op 9 februari 1980 de Britse hitlijst betrad, om eind maart op #3 te pieken. De nummer 1 die week: The Jam met Going Underground en zoals hierboven door Tramps like us gemeld is er muzikale verwantschap tussen die twee. Na vaker draaien hoor ik bovendien overeenkomsten met Sparks, maar dan zonder de falsettozang van die groep.

Het grote verschil zit 'm in de zang van Vapors' David Fenton, die een bepaalde gereserveerdheid bevat. Aan grote, luide uithalen doet hij niet, maar de uptempo muziek en lenige melodielijnen zorgen ervoor dat New Clear Days heerlijk energiek is.
Favorieten zijn opener Spring Collection, de al genoemde single met zijn oosterse knipogen in de muziek, het felle America en soortgelijke Bunkers, de tweede single News at Ten die in juli tot #44 reikte, het wat onheilspellende Somehow, de ode aan vrije tijd Waiting for the Weekend dat zowaar koortjes bevat én slotlied Letter from Hiro. Grommende baslijntjes, strak gedrumd plus dansende gitaren van Edward Bazalgette, ondersteund door Fenton. In een strakke, droge productie. In de teksten kruipt wat door van de beklemmende sfeer van het Groot-Brittannië in depressie, de jaren Thatcher.

In 1981 verscheen de opvolger Magnets, waar ik later aan toe kom: nu bevind ik me nog in februari 1980. De vorige halte was het debuut van Orchestral Manoeuvres in the Dark en het volgende album bevat meer powerpop: ...But the Little Girls Understand van The Knack.

The Vibrators - Pure Mania (1977)

poster
3,5
Londense punkpioniers die in 1976 begonnen als livebegeleiders van Chris Spedding en ook te horen op zijn geflopte single Pogo Dancing uit november '76, hier bij Musikladen in playbackversie.
In juni 1977 debuteerden The Vibrators met Pure Mania. In mei dat jaar ging single Baby Baby vooruit, een liedje van frontman Knox oftewel Ian Carnochan. Heel meezingbaar én romantisch, bepaald niet wat je associeert met punk, maar geen hit.

Die meezingbaarheid geldt voor het gehele album. Tegenwoordig zouden we het punkpop noemen: herkenbare melodieën, liedjes met kop en staart in energieke uitvoeringen met bescheiden scheurende gitaartjes. Veel nummers duren zo'n 2 minuut 17 en dan valt op dat je in die korte tijd veel kunt doen.

Het debuut brengt vijftien nummers, uitgebracht via Epic in Europa en Columbia in Noord-Amerika. Te beginnen met de zeven van kant 1: van hakkende riffjes in Into the Future... (op de Nederlandse persing Sex Kick (Into The Future) getiteld, hier kon kennelijk meer) tot uptempo klaagzang She's Bringing You Down. Op kant 2 acht nummers, van fysieke brandstofproblemen in Petrol tot het nog geen twee minuten durende rock en rollertje Bad Time. Daartussen zit ook Stiff Little Fingers, het nummer waar een bekende Noord-Ierse groep zijn naam aan ontleende.
The Vibrators zijn hier niet de groep die uit is op een politieke revolutie. Wat dat betreft is het echt pop: verhalen over jongen, meisje, verliefdheid en gebroken harten. Met twee gitaristen aan boord, te weten Knox en John Ellis die ieder hun eigen kanaal hebben in de stereomix, is dit een aangenaam album. Een gefrustreerde tekst klinkt in I Need a Slave, in 1977 kon een punkband dit zingen; niet te serieus nemen en dankzij de akoestische gitaar nét anders dan de rest.
In 2004 verscheen via Captain OI! een cd-versie met vier bonusnummers. MuMe vermeldt een uitgave met maar liefst 27 tracks, maar ik heb niet kunnen vinden waar en wanneer die fysiek is verschenen.

Op reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave kwam ik vanaf het debuut van Ultravox! en vervolg met meer punk bij het debuut van de Nederlandse The Flyin' Spiderz uit eveneens 1977.

The Vibrators - V2 (1978)

poster
3,5
De tweede elpee van The Vibrators. Melodieuze punk die tegenwoordig bijna lief klinkt, al komen sommige teksten van V2 nog altijd provocerend over. Die van Nazi Baby bijvoorbeeld, waarop de groep tegelijkertijd zijn muzikale spectrum verbreedt door de inzet van strijkers. Ze werken verrassend goed.
Het is uptempo en scheurend. Of springerig, zoals in Flying Duck Theory en het staccato Public Enemy No. 1. In 24 Hour People een akoestische gitaarsolo, eveneens een aangename noviteit.

De groep haalde met Automatic Lover eind maart 1978 #35 en is op tv bij Top of the Pops. Punk bracht weliswaar niet de gehoopte revolutie (die week staat Wuthering Heights van Kate Bush fier op #1), maar zorgt wel voor enkele pepers in de pizza. Het album haalt eind april #33.
De groep stopte datzelfde jaar, om in 1982 een doorstart te maken, zo vertelt een uitgebreide biografie op hun website.

In 2004 verscheen het album op cd met twee bonustracks, waarbij de bescheiden non-albumsingle Judy Says (juni '78 #70) met daarin bovendien een saxofoon; hier te zien bij tv-show Revolver.

Mijn reis door new wave kwam vanaf de tweede van Ultravox! en vervolgt bij het debuut van Siouxsie and the Banshees.

The Yobs - Christmas Album (1980)

poster
2,0
In de dagen naar Kerstmis toe kom je her en der artikelen tegen over nieuwe dan wel klassieke kerstalbums. Een plaat die ik daarin echter nooit tegenkwam was deze van The Yobs. De groepsnaam is een anagram van de eigenlijke groepsnaam The Boys, poppunkpioniers van het eerste uur. Generatiegenoten van de eerste golf Londense punk als Sex Pistols en Buzzcocks. Verschil is dat de heren van de The Boys hun wortels in glamrock hadden en naadloos waren ingevoegd in de muziekmode van 1976, '77.

Dat echter met de nodige speelvaardigheid én een dikke knipoog. Drie albums met The Boys verschenen tot en met 1979, waarvan To Hell with the Boys de laatste was tot dan. Rond Kerstmis echter werd er vanaf 1977 een kerstsingle uitgebracht en in december 1980 leidde dat tot dit Christmas Album.
Wat we krijgen is een typisch Britse parodie op die Britse wijze van kerstbeleving - voor wie niet weet wat dat inhoudt: komiek Rowan Atkinson nam als zijn typetje Mr. Bean de diverse tradities daaromheen in het ootje, zie hier.
Bij The Yobs klinkt een andere wijze van parodiëren, waarbij ik al luisterend soms moet denken aan de humoristen van Monty Python of The Young Ones. De muziek is meestal in punkjasje gestoken. Scheurende gitaren gaan samen met kerstklokken en arresleebelletjes, om de knusse sfeer te benadrukken. Alhoewel, knus? In Another Christmas klinkt de verzuchting "I don't think I can make it, I don't think I can take it - another Christmas Day with you".

Andere (anti-)kersthumor duikt onder meer op in de ode aan een hond Doggy van veertig seconden; de synthesizerpop van Jingle Bells, dat met zijn dikke vier minuten veel te lang duurt; in Silent Night klinkt een toespraak van Hitler waaroverheen puberaal-melig Stille Nacht wordt gezongen (al in 1978 op single verschenen); C-H-R-I-S-T-M-A-S is het lied van een gefrustreerd en hitsig manspersoon die zijn geliefde mist met een intro als knipoog naar Holidays in the Sun van Sex Pistols; als laatste voorbeeld van een overdosis flauwte de ska van We Wish You a Merry Christmas, dat met een dik Indiaas/Pakistaans accent wordt gezongen.

Hits leverde dit alles overigens niet op en ik kan uit ervaring vertellen dat je de plaat (ook op streaming te vinden) niet te vaak moet horen. Hoogstens leuk om eens in de twee jaar te beluisteren en dat niet vaker dan éénmaal; zoiets, liefst in beschonken toestand. Waarschijnlijk vooral geschikt voor Britse oren, in de kroeg of op de voetbaltribune.

Ik kwam hier op reis door new wave van 1979 vanaf het titelloze debuut van Mittagspause. Omdat ik niet in juli dit Christmas Album wilde bespreken, sprong ik alvast een jaar vooruit naar Kerst 1980, om nu terug te keren in de tijd. Dit naar een album dat eind 1979 of begin 1980 verscheen: het debuut van het aparte The Durutti Column.

Thin Lizzy - Bad Reputation (1977)

poster
3,0
Vanaf 1981 of '82 werd ik geleidelijk een grote fan van Thin Lizzy, vooral van hun albums vanaf 1979 (Black Rose). De eerste drie met Eric Bell, 1971 - 1973, hebben hun sterke momenten, vooral op hun debuut en derde album. Echter, wat betreft de gouden jaren '74 - '78: in tegenstelling tot de lovende verhalen die ik daarover las, had ik juist met die studioalbums moeite.

Laat ik niet opnieuw verkeerd tellen, zoals ik laatst bij Jailbreak deed. Bad Reputation is het vijfde studioalbum in deze bezetting. Al vanaf de voorzijde wordt duidelijk dat de wilde levensstijl tot onenigheid had geleid. Brian Robertson was de avond voordat de band op Amerikaanse tournee zou gaan in een vechtpartij beland. De band moest nu eindelijk gaan doorbreken in het beloofde land, maar de verwondingen van Robertson torpedeerden de tournee.
Band en management waren woest op de Schot, die uiteindelijk weer in genade werd aangenomen. Goed kwam het echter niet meer: zijn gezicht mocht niet op de voorzijde van Bad Reputation en in de studio voelde hij zich vervreemd van de anderen.

Ik kocht de plaat in de jaren ’90 op tweedehands vinyl bij de Grammophoonwinkel in Utrecht, toen nog in een lange werfkelder vol vinyl. Ondanks herhaaldelijk draaien wilde hij niet echt binnenkomen. De productie was dof en de muziek klinkt vooral vermoeid.
Natuurlijk zijn er lichtpuntjes, dit is het Lizzy van Lynott en Downey! Zoals bij That’s Woman’s Gonna Break Your Heart, waar pauken klinken en het swingt met een fraaie melodie; maar die droevig-fatalistische tekst vond ik er dan weer niet bij passen. Daarnaast sprong Southbound eruit, een aangenaam loom kampvuurliedje. Popsingle Dancing in the Moonlight was geinig met zijn beschrijvende tekst, ik kende het van verzamelaars. Een mooie tekst heeft Dear Lord, dat met zijn poëzie aan de Lynott van de eerste twee Lizzy-albums doet denken; bovendien een fraai engelenkoortje, gezongen door Mary Hopkin, de vrouw van producer Tony Visconti.
Maar nergens gaat het vlammen. Zelfs Opium Trail, waarmee ik eerder had kennisgemaakt in de versie van gitarist John Norum, viel tegen: die cover is veel energieker dan het origineel, waar de band klinkt als een tophardloper met de ziekte van Pfeiffer. Het idee is briljant, maar de mannen komen niet los.

Wat op streaming opvalt: de muziek klinkt hier zeker níet dof. Vinyl wordt nogal eens bewierrookt, maar dit klinkt stukken beter: bekkens, het engelenkoor van Mary, de hoge gitaartonen... Leve het remasteren! Desondanks weet ik nu zeker: geef mij maar de Lizzyalbums buiten hun gouden jaren; die pakken me op één na wél.

Thin Lizzy - BBC Radio One Live in Concert (1992)

poster
4,5
Via het bericht van Queebus bij Thin Lizzy's Life Live kwam ik bij mijn eigen bericht daarboven, om vervolgens te ontdekken dat ik nog niets had geschreven bij dit BBC Radio One Live in Concert uit 1992 met hierop een concert uit 1983.
Beloofd is beloofd en dus schalde de cd (bij mijn weten tot dusver niet op vinyl verschenen) even later door het huis. Het was alweer zwaar genieten. Anders dan mijn brein vertelde, is dit niet het allerlaatste concert dat de groep gaf (Neurenberg, Duitsland, 4 september), maar dat op het Engelse Reading Festival op 28 augustus.
Bekend zijn de heroïneproblemen waar Phil Lynott en Scott Gorham mee worstelden. De eerste overleefde ze niet, de tweede wel. Laat daarom de muziek het werk doen terwijl ik de bio van Mark Putterford 'Philip Lynott the Rocker' (1994) erbij houd.

Een wervelende setlist met een mix van de jaren '74-'78, toen Thin Lizzy naar de top klom waar mastodonten Zeppelin, Purple, Sabbath en Heep inmiddels gingen wankelen, en de jaren daarna toen de groep steviger en sneller ging musiceren. Die laatste periode is mijn favoriete en met vijf nummers vertegenwoordigd, die in het eerste deel van de set zitten. Geopend wordt echter met klassieker Jailbreak.
Track 6 is een nieuw nummer, het huiveringwekkend persoonlijke A Night in the Life of a Blues Singer, welke twee jaar later in studioversie op Lynotts solo-EP Nineteen zou komen. Alleen daarom al is deze cd de aanschaf waard: het lijkt erop dat we Lynott recht in de ziel kijken.
Bovendien is het enorm genieten van het drumwerk van Brian Downey, die zich in de carrière van de groep is blijven vernieuwen. Hoor maar eens zijn kunsten bij het nieuwere werk.

Opvallend genoeg geen enkele hint van de groep dat dit hun allerlaatste concert op Britse bodem is. Het publiek is daar desondanks van doordrongen en laat het weten. Leuk om te weten dat iggy heeft meegehuild bij de regel "The coyote call" - heeuwww" in The Cowboy Song. En als Lynott in Still in Love with You zingt "Is this the end?" krijgt die regel een nieuwe lading als het publiek luid "Noooooo!" brult. Het is het slotlied van de cd bij een concert dat zich volgens Putterford "in mud and mayhem" afspeelde.
Een afscheidstournee? Natúúrlijk zou Thin Lizzy na enkele jaren heropgericht zijn met Lynott in de gelederen, als hij niet in januari '86 was overleden; de reünie kwam er zelfs zonder hem. Dat altijd met groot respect voor de frontman. Desondanks blijft het dromen hoe de groep was verdergegaan mét hem. Wellicht dat de Black Star Riders nog het dichtst in de buurt komen, zeker weten zullen we het nooit.

Toeschouwer in Neurenberg is o.a. ex-Lizzygitarist Brian Robertson, inmiddels bij Motörhead, die daar met drummer Phil Taylor aanwezig is. "I watched the show from the side of the stage that night and there was a wee tear in my eye. In my opinion the Sykes line-up was the best Phil had had since I left, and it was so sad to think the band were breaking up. I was upset, me."
Na die allerlaatste show in Duitsland was het echt voorbij. Afscheid nemen is moeilijk en dus deden de heren daar niet aan. Zelfs niet onderling. Toetsenist Darren Wharton: "After Germany we simply said goodbye at the airport, and that was it."

Ook ik wil geen afscheid nemen en heb daarom deze 6cd-box (2023) van Grand Slam besteld, de groep waarmee Lynott een doorstart probeerde te maken. Hopelijk is die leverbaar en zo ja, dan plaats ik 'm op MuMe en volgt een beschrijving.

Thin Lizzy - Black Rose (1979)

Alternatieve titel: Black Rose: A Rock Legend

poster
5,0
Eind jaren ’70 was Thin Lizzy een grote band in Europa geworden, maar de Nederlandse radio draaide eigenlijk alleen oudje Whisky in the Jar, hun enige hit in ons land. Ik vond het wel een aardig liedje, maar uit hetgeen ik tijdens mijn ontdekkingsreis in het Land Der Scheurende Gitaren las, begreep ik dat de band veel meer in z’n mars had. Uit Oor’s Pop Encyclopedie had ik rond 1980 de bandhistorie in een notendop leren kennen en was zo o.a. bekend met de naam Gary Moore. In de fonotheek van het dorp trok de hoes van Black Rose mij onmiddellijk aan.

Wát een plaat bleek dit! Vanaf de eerste tonen, met de diepe, paukenachtige drumsound, was ik overtuigd. De plaat denderde door met een fan-tas-ti-sche titelsong als besluit. Anders dan normaal in rockland zong Phil Lynott niet met een ronkend vibrato, maar wel degelijk krachtig en bovendien verstaanbaar, zeker voor iemand wiens Engels nog niet zo goed was.
De teksten vielen daardoor sneller op met o.a. observaties van gewone én tegelijkertijd bijzondere mensen, zoals in Toughest Street in Town of Waiting for an Alibi. De folky inbreng van Moore versterkte de twingitaarlijnen en de prachtige drumfills van Brian Downey maakten het áf.
Sarah had met zijn eenvoudige drumcomputer en lieve papatekst zó op een soloplaat van Lynott gekund, een prachtige ode aan zijn oudste dochter. Een kleinood van Moore en Lynott, Gorham heeft het zelfs nooit leren spelen, las ik jaren later. Uit die biografieën leerde ik ook dat Lynott inderdaad héél veel opnam, werk dat zowel op een Lizzy- als een soloplaat kon belanden. Dat leidde wel eens tot onduidelijkheid en daarmee onvrede, liet Gorham jaren later optekenen.
De akoestische gitaar die in With Love op de achtergrond klinkt, is een fraai detail; de opbouw in vier delen van de titelsong blijft tot op de dag van vandaag fascineren: al die traditionele melodieën, zó inventief vastgelegd!
Enige zwaktebod was S&M, dat me al snel ging vervelen, ondanks Downey’s uniek swingende stijl. Waar die letters naar verwezen en waar de tekst over ging, begreep ik overigens niet.

Sindsdien heb ik één en ander aan biografieën over Lynott gelezen. Tijdens de opnamen van de plaat in Parijs gingen hij en Gorham steeds verder in hun drugsgebruik, tot grote zorg van Moore die het jaar ervoor daarmee was gestopt. Brian Downey had mede hierom de band verlaten, niet wetend of hij wel terug wilde keren. Zijn haren had hij kort laten knippen. Thuis in Ierland ging hij vissen, de verdovende middelen achterlatend en het hoofd weer fris makend.

Achter de schermen zette vanaf de opnamen in Parijs in '78 het verval definitief in. Producer Tony Visconti, allesbehalve een groentje in het vak en de wereld van popmusici, besloot vanwege hun drugsgebruik dat dit zijn laatste plaat met de band zou zijn. En toch. Wát een monument van een plaat is dit, wat een rijkdom aan ideeën!
Zomer '79 las ik dat tijdens de hierop volgende tour Moore de band alweer verlaten had, om tijdens de resterende concerten te worden vervangen door Midge Ure van (later) Ultravox. Wat vond ik dát jammer, ik was namelijk zó benieuwd naar de volgende plaat van de band met Moore... Het zou er nooit meer van komen, al zouden Lynott en Moore onder solovlag nog samenwerken.

In de jaren ’90 kocht ik twee videobanden van de band. Eén met videoclips, waaronder die van Do Anything You Want To en Sarah met daarin een cameo van mevrouw Lynott; en een ander met een concert in Sydney, mét Moore en drummer Mark Nauseef, die tijdens die tour, dus vóór de plaatopnamen, Downey verving.

Het vinyl kocht ik ook, alleen al vanwege de hoes van Jim Fitzpatrick. Zijn werk was een uitnodiging naar het andere werk van de band, zodat ik vanaf 1981 snel meer platen van de groep uit de bieb zou lenen. De special edition van dit schijfje moet ik ook maar eens aanschaffen...

Thin Lizzy - Chinatown (1980)

poster
5,0
De tweede plaat van Thin Lizzy die ik leerde kennen was Chinatown en ik weet nog precies welke liedjes deze puber ergens rond 1981 op cassettebandje opnam: We Will Be Strong, Sweetheart, Sugar Blues, Killer on the Loose en Hey You.

Heb deze week de biografie The Rocker (1994) van Mark Putterford er weer eens bijgepakt. De totstandkoming van deze plaat was op z’n minst eigenaardig. Op tournee voor Black Rose had Gary Moore de band verlaten en was vervangen door de inderhaast ingevlogen Midge Ure. Die kon zich bij latere concerten concentreren op toetsen, want ene Terrence “Snowy” White werd als eerste Engelsman ooit toegelaten tot de Iers/Schots/Amerikaanse band, woonachtig in Londen. Hij kwam er begin 1980 achter dat werk dat hij met de band in de studio opnam, ook op Lynotts solodebuut Solo in Soho was beland, waarvoor hij liever als sessiemuzikant was betaald. Ure was inmiddels vertrokken naar Ultravox en vervangen door de piepjonge toetsenist Darren Wharton, wiens bijdragen op Chinatown uiterst bescheiden zijn.
Ook noteert Putterford dat Killer on the Loose ontbrak bij concerten na protesten; dit vanwege de Yorkshire Ripper die in die dagen frequent de kranten haalde; ook die in Nederland weet ik nog.

Omstreeks de tijd dat ik de biografie kocht, kocht ik ook de elpee, die ik ergens op mijn levensweg weer "verloor" . Maar inmiddels op cd in huis en met frisse oortjes beluisterd.
De muziek is als een vriend die ik te lang niet zag. Heerlijk is de heldere productie van de twee maanden geleden overleden Kit Woolven, die op voorganger Black Rose al technicus was. Ik vind Chinatown zelfs lekkerder klinken dan de voorganger. De composities zijn meer riffgeörienteerd, waardoor aansluiting kwam met de nieuwe lichting hardere bands die in datzelfde 1980 doorbrak. Daarmee ook met een nieuwe generatie fans, zoals dit jongetje van toen.

Putterford is kritisch in zijn zeer lezenswaardige boek: “…in general the new material lacked the punch…” Nou Mark, dat ben ik níet met je eens. De liedjes die ik toen goed vond, kregen zelfs in de loop der jaren gezelschap van alle andere songs: ben de één na de ander gaan waarderen, met als uitschieter pareltje Genocide. Maar bijvoorbeeld ook de titelsong en de enthousiaste aankondigingen door Lynott van Snowy White in Having a Good Time.
Prachtige twinriffs en gitaarschema’s zijn kenmerkend voor deze fase; ik kan er geen genoeg van krijgen, de plaat heeft mij de voorbije week dagelijks uit bed weten te sleuren! Hoe diep is de tekst in Sweetheart en in Didn’t I hoor ik zinnen die een half jaar eerder bijna letterlijk op Ode to a Black Man op Lynotts soloplaat verschenen; solo en band liepen hier inderdaad compleet door elkaar, zoals Putterford al uitlegde.

Zijn generatie was niet zo te spreken over het Lizzy van de jaren ’80, ik dus wél. Heerlijk, verslavend plaatje!

PS Mensen die klagen over de hoes van Jim FitzPatrick, moeten uitkijken: de Chinese triade (afgebeeld op de hoes) weet waar je huis woont...

Thin Lizzy - Dedication (1991)

Alternatieve titel: The Very Best Of

poster
4,0
Heerlijk verzamelaartje dat ik slechts als 1cd ken, zonder alle bonustracks. Er was één reden dat ik de cd met al het bekende werk boven andere Lizzyverzamelaars vond uitsteken. In 1991 was het namelijk doodstil rond de groep, nadat Phil Lynott in 1986 was overleden. Maar met het titelnummer was er plotseling nieuw werk.
De kater rond de neergang van de groep was groot geweest en bovendien moest gitarist Scott Gorham zich na een heroïneverslaving herpakken. Dit deed hij onder meer door een demo-opname van Dedication op te poetsen en een gitaarsolo toe te voegen. De tekst vond ik heel mooi, nog altijd trouwens. De coupletten bevatten mooie stukjes poëzie, bovendien fraai gezongen door Lynott:

"This is dedicated to the woman I love
Wherever she stands - my dedication
This is dedicated to the millions
That are starving from hunger - in dedication

This is dedicated to the front lines that are dying
For dedication
This is dedicated to child of mine wherever she stands
I give a dedication

This is dedicated for the children
That are starving
I dedicate this to the millions
I dedicate it to you"


En inderdaad, Dedication is eigenlijk post-Lizzy, als demo opgenomen voor het nooit verschenen studio-album van Grand Slam. Gitarist en co-componist Laurence Archer verdient het dus om genoemd te worden.

Sinds augustus dit jaar staat een concert van drummer Brian Downey's Alive and Dangerous online, uitgezonden door Rockpalast. Opgenomen op het Rock Hard Festival 2023 in mei. Leuk om terug te kijken. Downey mag dan ouder zijn geworden, hij is nog vitaal als een twintiger.

Thin Lizzy - Fighting (1975)

poster
3,0
Een dikke twee jaar voordat Thin Lizzy's Fighting in september 1975 uitkwam, bracht Deep Purple Who Do We Think We Are uit, een titel die verwees naar een identiteitscrisis. Die titel zou ook op de vorige plaat (Nightlife) van Lizzy kunnen slaan; maar waar Purple steeds verder wegzakte in het moeras, klom Lizzy daar uit. Moeizaam misschien, maar toch.

Fighting is hun tweede in viermansbezetting, dus met twee gitaristen. Daarbij is het de eerste waarop de befaamde dubbele gitaarlijnen klinken, de één een kwart of kwint hoger dan de ander. Ze kunnen zelfs zwakkere composities laten zingen als nachtegalen.
Frontman Phil Lynott wilde de plaat per se zélf produceren. In zijn biografie Thin Lizzy: The Boys are Back in Town meldt gitarist Scott Gorham dat dit geen verstandige keuze was: Lynott kwam erachter dat het moeilijker is dan het lijkt en de plaat had beter moeten klinken. Toch kon de band oogsten van hun onstilbare honger tot optreden: op deze plaat klinkt Thin Lizzy voor het eerst als de groep waarvoor ze was "bedoeld".
Vooral van de A-kant word ik vrolijk, met name van Wild One krijg ik nooit genoeg. Eén van de beste songs in hun catalogus: stevig en toch romantisch, gebouwd op akoestische gitaar en voorzien van een folkachtige melancholie, versterkt door de tekst over het gemis van een geliefde vriend(in).
De overige nummers zijn opvallend steviger dan hetgeen op de vorige plaat klonk, waar cocktailrock (de benaming van Gorham ervoor) de boventoon voerde. Op For Those Who Love to Live en Suicide (dat de band al in 1973 speelde, toen nog als trio waarbij gitarist Eric Bell) stuwen twingitaren de liedjes naar grotere hoogte dan de groep voorheen kon.

Op de B-kant echter (vanaf King's Vengeance) pakken de liedjes me minder. Bovendien steekt het euvel van Nightlife weer enigszins de kop op met het triestige Spirit Slips Away en het swingende Silver Dollar. Niet dat het altijd hard moet rocken, maar deze jongen heeft niet zoveel met deze composities.

Op streaming vinden we de Deluxe Edition uit 2012. Het meeste erop vind ik hoogstens matig interessant, maar Half Castle is leuk met z'n reggaesfeer, de Amerikaanse mix van Rosalie mag er ook zijn en het-semi-instrumentale-slaapliedje-voor-zoon-van-vriend-van-Brian-Robertson Song for Jesse vind ik vertederend. De laatste is overigens ook op de schitterende verzamelbox Rock Legends te vinden, daar als Jesse's Song.

Geen wild enthousiasme van mij voor deze plaat, maar dat Thin Lizzy geleidelijk in vorm kwam, is duidelijk. Vooral live was dat hoorbaar: de volgende plaat van de band die ik eens goed ga beluisteren is UK Tour 75, opgenomen tijdens de promotietournee voor Fighting.

Thin Lizzy - Jailbreak (1976)

poster
4,0
De plaat waarmee het eindelijk ging lopen voor Thin Lizzy. Kan me herinneren rond 1985 te hebben gelezen dat de band met de release een prijsvraag organiseerde. De winnaar was een gedetineerde, die echter de prijs niet in ontvangst kon nemen omdat hij was ontsnapt. De band had het verhaal uit de duim gezogen, maar de media trapten er gretig in: gratis reclame. Of het verhaal van deze promotietruc werkelijk klopte, betwijfel ik; ben het sindsdien nooit tegengekomen.

Laat de muziek voor zichzelf spreken: eindelijk vallen de stukjes op hun plek. Sterke songs, goed geproduceerd, met een ietwat duistere maar spannende hoes van Jim Fitzpatrick. Hij bestaat ook als klaphoes, maar in Nederland ben ik die volgens mij nooit tegengekomen.
Naast de (over?)bekende nummers die twee jaar later op Live and Dangerous zouden belanden, heb ik tegenwoordig veel met de minder bekende liedjes. Na de titelsong en het eveneens rockende Angel from the Coast volgt Running Back, waarvan Graeme Thomson in 'Cowboy Song' (2016) vertelt dat het de breuk met Gale beschrijft, de vrouw met wie frontman Phil Lynott jarenlang een relatie had.
Op Romeo and the Lonely Girl klinkt net als op de eerste twee nummers Lynotts voorliefde voor de cinema door, terwijl drummer Brian Downey zich van zijn meest swingende kant laat horen. Op de B-kant staat het vrij onbekende Fight or Fall met een poëtische tekst over volwassen worden.

Geproduceerd door John Alcock, die zijn studio in een voormalig kerkgebouw had. Het vierde album alweer in de legendarische viermansbezetting en eindelijk was het succes daar. Vertigo had veel geduld gehad, maar Jailbreak "totally changed the band's life" vertelt gitarist Scott Gorham in zijn boek 'Thin Lizzy: The Boys are Back in Town.'
Een Amerikaanse tournee in het voorprogramma van Rainbow verliep op rolletjes, totdat Lynott geelzucht kreeg en de band in juni 1976 noodgedwongen huiswaarts keerde, vertelt Mark Putterford in 'Philip Lynott: The Rocker' (1994). De zanger moest naar het hospitaal en alcohol was verboden. Maar toen de band in juli in de Londense Hammersmith Odeon stond, wisten ze niet wat hen overkwam, zo enthousiast was een afgeladen zaal. Na afloop keerde een zieke Lynott terug naar het ziekenhuis in Manchester; alhoewel nog verre van genezen had hij deze thuiswedstrijd niet willen afzeggen. In het ziekenhuis schreef hij de muziek voor de volgende elpee, Johnny the Fox.

In 1990 was ik in de Verenigde Staten. Het waren de maanden van de Golfoorlog en in een supermarkt hing een fotobord met daarop de portretten van de lokale soldaten die in Irak waren geweest. Daarboven stond in koeienletters: 'The boys are back in town.' Ik vond het mooi.

Het album verscheen in 2011 in Deluxe Edition als 2cd, de versie die ook op streaming staat. Niet iedereen is even blij met deze uitgave, maar het onderstreepte weer eens dat op Jailbreak eindelijk alles klopte. Een wonder dat ze daar maar liefst vier elpees de tijd voor kregen, onderstreept een nog altijd verwonderde Gorham in zijn boek.

Thin Lizzy - Johnny the Fox (1976)

poster
3,0
Nadat ik ontzettend had genoten van Thin Lizzy’s Live and Dangerous en Black Rose, was Johnny the Fox hun derde album dat ik uit de bieb leende. Ergens in ’81 waarschijnlijk. Op de hoes uitgezocht, nadat ik her en der had gelezen dat dit uit de legendarische jaren met gitarist Brian Robertson kwam. Ook in de Lizzybiografieën die ik vanaf eind jaren ’90 las, kwam ik steevast tegen dat deze fase de allerbeste van de band was. Spoiler: oneens.

Als puber viel de plaat me tegen: ik wilde minimaal uptempo hardrock / metal, maar op deze plaat klinkt nogal eens softrock. Okay, hij is uit ’76 en voor de stevige rock en metal die ik wilde, was het toen nog niet de tijd, uitzonderingen als bij bijvoorbeeld Purple en Sabbath daargelaten. Maar de tempo’s zijn te vaak laag en de sfeer wel erg knus.
Alleen Johnny en Don’t Believe a Word vielen meteen goed, waarbij ik de bescheiden blazers in Johnny voor lief nam. Heerlijke riffs, ook al zijn de liedjes zeker niet hard. Midtempo liedjes als Fool’s Gold en Old Flame vond ik wel aardig, vooral dankzij de gitaarlijnen.
De ballades Borderline en vooral Sweet Marie bevielen op zich goed, maar omdat dit geen ruige plaat is, kakte de plaat daar wel erg in.

Mijn muzieksmaak veranderde door de jaren heen. Soms bevalt een album mij beter of juist slechter dan vroeger. Heb de plaat daarom gisteren en vandaag via streaming weer eens een paar keer gedraaid.

Wat opvalt is dat de liedjes hoorbaar een akoestische basis hebben. De weemoedige aard daarvan vond ik in 1981 mooi en dat geldt nog steeds. Ik herken van toen onmiddellijk diverse fraaie twin-leadgitaarmelodieën, die ik nog altijd kan meezingen. Goede composities.
Hetzelfde geldt voor enkele tekstfragmenten: zoals de verhalen over Johnny, of “But my home is where my heart is, and my heart is not at home” in Sweet Marie, waar de melancholie eraf druipt met op de achtergrond een sitar - perfect getimed. Lynotts fascinaties met geschiedenisverhalen en Amerika klinken in veel teksten, naadloos verweven met de Keltisch-Ierse wortels.

De ruige tracks doen me net als veertig jaar geleden weinig: bij Massacre en Boogiewoogie Dance mis ik nog steeds sterke riffs en de typisch knusse jaren ’70-productie helpt hier ook al niet.
In Sweet Marie werkt die productie juist wél, hoe heerlijk klinkt dat met zijn strijkersarrangement! Het zou zó door bijvoorbeeld Jonathan Jeremiah kunnen worden gecoverd, past goed bij diens hit Happiness.

De vergelijking met de Eagles, hierboven gemaakt door Kondoro0614, snap ik goed. Minder begrip heb ik voor Martin Popoff, wiens vlogs ik regelmatig op YouTube bekijk. Volgens de Engelstalige Wikipedia noemt hij het o.a. 'soft-edged metal'. Metal? Beter lijkt mij een kruising tussen westcoast- en Celtic rock, duidelijk gemaakt met het oog op de Verenigde Staten. Het resultaat heeft diverse mooie momenten, maar is als geheel wisselvallig.

Thin Lizzy - Life Live (1983)

poster
4,5
"We have heard that there are people here that have consumed large quantities of alcohol", deelt frontman Phil Lynott mee bij de aanloop naar Got to Give it Up. Het publiek reageert euforisch op deze en navolgende "mededelingen". De sfeer spát van dit afscheidsalbum dat verscheen in november 1983. Een dubbelaar die ik menig maal verlekkerd in platenzaken heb staan bekijken, maar mijn krappe budget deed mij toch tot aanschaf van andere platen besluiten. Inmiddels heb ik 'm op cd en hierboven wordt gemeld dat de vinylversie beter klinkt. Die moet ik dan toch maar gaan aanschaffen.

Thin Lizzy's Live and Dangerous is hun grote klassieker, maar ik vind Life Live beter. De reden is eenvoudig: betere setlist. Daarop de nodige muziek uit de jaren ná 1978 en juist daarvoor heb ik een voorkeur. Life Live vervulde tevens hun laatste verplichtingen voor hun platenmaatschappij.
De productie is wat "muddy" volgens de biografie 'The Rocker' (1994) van Mark Putterford. Zoals iggy in 2014 in een post aanhaalde omdat Lynott bij de mix werd gehinderd door zijn drugsgebruik. Maar dat de groep was aangehaakt bij de New wave of British heavy metal is duidelijk met een set die veel sneller en steviger is dan op dat andere monument. Het is van de eerste tot de laatste toon smullen, waar ik op die klassieker niet alles even pakkend vind.

Het leeuwendeel van de opnamen komt van de afscheidsshow in het Londense Hammersmith, met vanaf Black Rose gastbijdragen van ex-leden Gary Moore, Brian Robertson en Eric Bell. Maar er klinken ook opnamen uit Dublin, Glasgow en Renegade is een oudere opname (november 1981, Hammersmith) met Snowy White, die niet was uitgenodigd voor de afscheidsshows. De achtergrondzang is hier en daar opgepoetst volgens de biografie, het rommelige geluid is dus veroorzaakt door de mix/productie van de meester zelf, die niet meer in topvorm was.
Hammersmith was overigens niet de echte afscheidsshow. Die was in Duitsland. Voor mij is tegenwoordig het ware afscheidsconcert deze live-cd, verschenen in 1992, waarover binnenkort meer.

Van de week appte vriend JeKo mij de link naar een filmpje van de BBC Popquiz uit april 1984, omdat Morrissey daarin is te zien. Ik kijken en... Philip Lynott zat daar ook! Met bovendien Kim Wilde en meer namen uit die tijd. Aanbevolen.

Tenslotte een vraagje: iemand die weet wie de man op de foto links van Midge Ure (de laatste in geel pak) is? Google Lens zegt Peter Frampton, maar dat klopt niet.

Thin Lizzy - Live and Dangerous (1978)

poster
4,5
Wat was de eerste plaat van Thin Lizzy die op mijn draaitafel belandde? Waarschijnlijk Live and Dangerous. Ik heb ‘m tegenwoordig op cd, met als voordeel dat er liner notes van NME-journalist Stuart Bailie bij zitten.
Net als hierboven op MuMe vertelt ook hij over de kritiek die er indertijd was, dat dit “geen echte liveplaat” zou zijn. Ook hij is niet onder de indruk van de argumenten van de zuurpruimen: het zijn vooral foutjes op gitaar, bas en achtergrondzang die zijn gerepareerd. Producer Tony Visconti was er zeven weken mee bezig en moest daardoor opnamen met David Bowie uitstellen, lees ik in de biografie Cowboy Song (2016) van Graeme Thomson.
Omdat alleen de titel Live te onopvallend was in die hoogtijdagen van dit genre, werd …and Dangerous aan de titel toegevoegd. Manager Chris O'Donnell wilde zo de spannende, romantische bandietenkant van de band laten uitstralen, vertelt de biografie. Niet dat de bandleden hiervan wisten, maar de verkoopcijfers zouden spoedig hun onvrede stillen: de dubbelaar bracht Lizzy’s definitieve doorbraak. In sommige landen weerhield alleen de soundtrack van Grease deze furie van de #1-positie in de albumlijst.

Zojuist de plaat (op cd) weer eens gedraaid. Geen twijfel mogelijk: dit blijft de absolute top. De songs zijn krachtig en gevarieerd met die prachtige twingitaarharmonieën, om elkaar heen draaiend als de draden van een Keltisch-Iers wandkleed. De ene na de andere topsong komt langs, van stevig tot ingetogen. Mede dankzij de folkinvloeden is de variatie enorm.
Alleen al het openingsakkoord van Jailbreak en dan een tekst als een thrillerscript… Daarna Emerald, misschien het startpunt van folk- en vikingmetal met zijn wervelende gitaarlijnen en historische verhaal. In Cowgirl’s Song en later de Cowboy Song hoor je de romantiek van het witte doek. Massacre, nog zo’n beschrijving van een veldslag, is donker en dreigend met fenomenaal drumwerk. The Boys Are Back In Town zou in de V.S. iedere keer een radiohit worden als troepen terugkeerden van overzeese missies, zoals ik daar begin jaren ‘90 meemaakte. Don’t Believe A Word is alleen al vanwege de openhartige tekst een juweeltje.
Zelfs Dancing In The Moonlight past hierbij, met daarin een saxsolo van John Earle van pubrock- / waveband The Rumour. Een vrolijke popsong tussen alle ronkende gitaarrock, opnieuw over de bioscoop.
Laat ik niet vergeten de knetterende gitaarsolo’s te noemen, belangrijke ingrediënten in Lizzy’s recept: een delicatesse, op deze plaat voor het eerst moddervet vastgelegd.

Met kant D had en heb ik iets meer problemen, omdat ik de meeste composities daar wat minder vind. Toch valt ook hier één en ander te genieten: in Sha La La zit een heerlijke drumsolo van één van de meest onderschatte drummers ooit, Brian Downey: hij doet hier veel met dubbele basdrum. Motörheads Phil Taylor staat ten onrechte te boek als de uitvinder hiervan, er zijn vroegere voorbeelden. Bekijk ook eens dit filmpje, met een fan die tijdens de solo uit zijn dak gaat.
De mondharmonicasolo van Huey Lewis, toentertijd in het voorprogramma van Lizzy, is fijn, maar Baby Drives Me Crazy duurt me te lang. Het afsluitende oudje The Rocker, uit hun eerste jaren als trio, is dan weer helemaal top.

Wat me vandaag opvalt: een sterke kant van Lynott was dat hij “iedereen” die hij kende erbij betrok: net als Earle op kant B krijgt ook Lewis zijn spotlight. Hints naar de brede muzieksmaak van Lynott, later tot uiting komend in zijn solowerk. Dat Lynott behalve de bandleden ook de roadcrew in het zonnetje zet, is veelzeggend.
Bijzonder is dat je de sterke liefde van de fans proeft, vooral als Lynott hen op (alweer!) kant D uitdaagt en zo het publiek op positieve wijze opzweept. Visconti vond dit terecht relevant genoeg om op plaat te zetten.
Diens perfectionisme hoor ik terug in de cd-versie, die opnieuw is gemixt: het geluid aan het einde van de originele plaatkanten loopt nu naadloos door in dat van de volgende. Prettig.
Deze plaat, ergens in 1981 door mij ontdekt, smaakte naar veel meer. Wordt vervolgd.

Thin Lizzy - Live and Dangerous: Hammersmith 14/11/1976 (2023)

poster
4,5
Is dit leuk of gewoon geldklopperij? Hoeveel versies van dit album wil de fan van Thin Lizzy hebben?

Afgelopen januari verscheen een cd-boxset met daarop de oorspronkelijke opnamen die na een uitgebreide mix, enig reparatiewerk plus meer de basis van liveklassieker Live and Dangerous vormden. Het album verscheen oorspronkelijk in 1978.
Voor wie dit niet kent: ultiem sterke, eigenwijze hardrock met zingende gitaren en de kenmerkende zangstijl van Phil Lynott. Blijft een tijdloos mooi album.

Speciaal voor Record Store Day verscheen cd 2 van deze box als dubbelelpee. Geen verrassingen in de setlist, maar wie verkikkerd is op vinyl en deze sterke set daarvandaan zijn kamer in wil blazen, moet dat vooral doen. Met enkele leuke details, zoals enthousiast meezingende fans in het intro van Suicide. Bovendien in een fraaie klaphoes en dicht bij het originele livegeluid, waarbij ik vooral het publiek levendiger vind klinken.

Thin Lizzy - Nightlife (1974)

poster
2,0
Nightlife is eerste plaat van Thin Lizzy met twee gitaristen in de bezetting, maar vergeleken met voorganger Vagabonds of the Western World of de single-met-Moore Little Darling is dit flets.

Gitarist Gary Moore was zo'n vijftien maanden de vervanger van Eric Bell geweest, echter te onrustig om zich in te voegen in Lizzy, zo lees ik in biografie Cowboy Song (2016) van Graeme Thomson. Wel nam hij nog Still in Love with You op, een liedje van frontman Phil Lynott over diens instortende relatie met Gal, het meisje van Look What the Wind Blew In op hun debuut.
De band tourde vervolgens met twee tijdelijke gitaristen door Europa. Als één gitarist je verlaat, kun je altijd nog met z'n drieën verder, redeneerden Lynott en drummer Brian Downey. De sfeer was echter zo slecht, dat de tour werd afgebroken en Downey bijna de band verliet. Manager Ted Carroll haalde hem over te blijven.
Via audities werden Brian Robertson en Scott Gorham gevonden. Ondertussen maakte Lynott tijd om zijn eerste poëziebundel Songs for While I'm Away uit te brengen. Dit op zijn vijfentwintigste verjaardag, 20 augustus 1974.

Bij het beluisteren van Night Life schiet de term 'soft rock' door mij heen. Dat genre kan pareltjes opleveren, hier is dat nauwelijks het geval. Opgenomen in Los Angeles, hun eerste album in de Verenigde Staten ingeblikt, lijkt het erop dat Lynott te veel onder de indruk was van de Amerikaanse cultuur. Gladgestreken voor de Amerikaanse FM-stations, waar producer Ron Nevison op mikte. Deze mocht dan bekend zijn dankzij zijn werk voor Eric Clapton, hij nam de drie weken met Thin Lizzy niet serieus, vertelt Gorham in zijn biografie Thin Lizzy: The Boys are Back in Town (2012). Zo deed hij geen enkele moeite om de onervaren gitaristen te helpen in de wereld van de opnamestudio.

Op Nightlife ontbreken opwinding en avontuur. Het enige wat daar wél aan voldoet is de fraaie hoes, wederom getekend door Jim Fitzpatrick. Was dit de band die tijdens de tour met Slade had geleerd dat er meer moest worden geknald? De gitaargeluiden lijken nogal eens op die van The Allman Brothers, een groep in Nederland bekend van Jessica, de tune van autoshow Top Gear. Fijn kabbelend in het beste geval, te tam voor Lizzy.
Twee nummers zijn steviger. It's Only Money is voor even aardig, Sha La La zou uitgroeien tot een liveklassieker maar is hier veel te ingetogen. In de titelsong wordt loungeblues ondersteund door een vioolorkestje. De fraaie zang van blue-eyed r&b-zanger Frankie Miller op Still in Love with You en de solo daarin van Moore slagen er maar even in de gezapigheid weg te nemen. Banshee is niet meer dan een instrumentale schets, een compositie waar Nevison de band had moeten forceren er meer uit te halen. Op afsluiter Dear Heart is de elektronische piano echt teveel, al is het teruggekeerde vioolorkestje nog wel aardig.

Inmiddels heb ik het meest met twee buitenbeentjes. Ballade Frankie Carroll heeft een fraaie melodie, ingebed in piano en strijkers. Het weemoedig folkrockende Philomena, een eerbetoon van Lynott aan zijn moeder, slaat een brug tussen Whisky in the Jar (1973) en latere nummers als Emerald of Black Rose.

Ten opzichte van voorganger Vagabonds is Nightlife een forse stap terug. Nieuwe platenmaatschappij Phonogram wilde zelfs geen single uitbrengen, uitgezonderd in Duitsland waar Philomena jammerlijk flopte. Wat had ook hun tweede platenbaas een geduld met Lizzy!

De energie en eigenheid die Thin Lizzy zouden onderscheiden van de rest ontbreken hier nog. Nightlife is 'Calm and Cocktailish' en nog lang niet Live and Dangerous. Wél geschikt als laatavondplaat, maar dan ken ik betere alternatieven.

Thin Lizzy - Renegade (1981)

poster
4,5
Thin Lizzy. Ik vond het eerst een stomme naam en daarom schatte ik in dat de muziek niet zo goed kon zijn. Domme puber. Slechts één liedje van hen hoorde je op de Nederlandse radio: Whisky in the Jar, waar ik niet steil van achterover viel. Gelukkig nam ik met Black Rose toch de gok, mogelijk vanwege Gary Moore. Fijn dat de fonotheek deze plaat én Live and Dangerous had: die bevielen zó goed, dat de groep geleidelijk tot mijn überfavorieten ging behoren.
Daar kwam bij dat Thin Lizzy begin jaren ’80 frequent werd genoemd als bron van invloed op de nodige nieuwe bands. Dat had vrijwel altijd te maken met de twingitaren, een stijl die de band met een vleugje Keltische folkhardrock tot stijleigenschap had verheven.

Vanaf 1980 moest de trendbewuste bandleider Phil Lynott zijn romantische stadionhardrock van extra peper voorzien. Dit om gelijke tred te kunnen houden met een nieuwe lichting hardspelende bandjes. Terwijl de groep aan Renegade werkte, werden tevens songs voor Lynotts tweede soloalbum opgenomen. De bandleden wisten meestal niet op welk album een opname zou belanden, maar logischerwijs werden de steviger liedjes voor Thin Lizzy gereserveerd. Kit Woolven zou als producer van zijn tweede soloplaat worden genoteerd, Chris Tsangarides voor Renegade.
Die hardere stijl hoorde ik terug op dit album en veel nummers kopieerde ik op cassettebandje. Kees Baars' recensie in Oor was terecht. Mijn favorieten waren de titelsong, waar de invloed van Snowy White doorklinkt met een meeslepend akkoordenschema; de snelle shuffle in Leave this Town, waarin Lynott zijn voorliefde voor ZZ Top verwerkte; er klonk zowaar metal in Hollywood, dankzij de felle riff en de snelheid; het breekbaardere No One Told Him vond ik bijzonder vanwege de tekst over een verbroken relatie en kameraadschap: “When I’m down my friends they always come around. And when I’m upset my friends they help me to forget. But how can he forget? He hasn’t got a friend.” Mijn slechte Engels werd langzamerhand beter en deze boodschap begreep ik. Tenslotte belandde de cowboyromantiek van Mexican Blood op een bandje, omdat Lynott mij op het puntje van mijn stoel kreeg met dit indringende westernverhaal, geschreven als een filmscript.

Bij dit alles viel mij op dat toetsenist Darren Wharton een grotere rol kreeg dan op zijn debuut bij de band, Chinatown. Sterker nog, eigenlijk had hij als vijfde bandlid op de hoes moeten staan, zo weet ik inmiddels dankzij de biografieën. De platenmaatschappij echter vond vier portretten op de achterzijde genoeg. Op de inlay van de extended cd (2013) staat de ontbrekende foto.
De platenmaatschappij was niet zo tevreden als ik: men had in de gaten dat de heroïneverslavingen van zowel Lynott als gitarist Scott Gorham onbeheersbaar dreigden te worden en verminderde de steun. Die keuze werd bevestigd toen Gorham tijdens de hierop volgende tournee moest opgeven en buiten het zicht van het publiek werd vervangen door de mij onbekende gitarist van Lookalikes, ene Sean O'Connor; aldus de biografie Cowboy Song (2016) van Graeme Thomson.

De overige liedjes behoren inmiddels ook tot mijn favorieten. Zelfs Fats, een ode aan pianist Fats Waller met fraaie solo van Wharton bevalt me nu goed. Idem voor Angel of Death, wat eerst de albumtitel had moeten worden, tekenaar Jim Fitzpatrick had al een ontwerp voor de hoes klaar. Indertijd vond ik het te dreigend, te donker. Wat me nu juist extra bevalt is de expressiviteit van Lynotts stem, die acteert alsof hij opnieuw de rol van priester in War of the Worlds van Jeff Wayne doet.
De 2013-cd-editie bevat enkele interessante bonustracks, zoals het zo goed als geflopte Trouble Boys, wat alleen maar op single verscheen omdat Lynott dat per se wilde. Extra leuk voor de groep fans als ik, voor wie deze plaat een favoriet in de discografie van de band is geworden. Meer nog dan het werk van de hoogtijdagen 1976-1978.

Tenslotte graag uw aandacht voor de drumbreaks die Brian Downey in Renegade na 4'50" over ons loslaat: fantastisch! Wat een eigen stijl heeft deze man toch, deze rollers kan ik bijna eindeloos horen...

Thin Lizzy - Rocker (1971-1974) (1977)

poster
3,5
Nadat ik Thin Lizzy had ontdekt via de albums Live and Dangerous en Black Rose, was ik razend enthousiast geworden. Vanaf '81 was het dus de bakken van de platenbieb in mijn dorp doorspitten. Daar kwam ik o.a. deze verzamelaar tegen met vooral nummers van de eerste drie albums en non-albumsingles, oftewel de fase met gitarist Eric Bell.

Normaal gesproken zijn verzamelaars niet echt interessant voor de "gevorderde fan", maar bij deze plaat is dat wél zo. Nog altijd. De reden hiervoor is één van de nummers met Gary Moore in de gelederen, een moeilijk te vinden versie van Sitamoia. Dat is niet zómaar een track, nee, deze zou naadloos op Black Rose hebben gepast, de plaat die Moore in '78-'79 bij zijn terugkeer bij Lizzy opnam. Het zou daar tevens tot de absolute topsongs van die plaat hebben gehoord, terwijl het niveau er al zo hoog ligt.

De versie op deze verzamelaar is namelijk veel beter dan de take die je op streaming en compilatie-cd's tegenkomt. Dat is de liveversie bij de BBC voor John Peel opgenomen.
Hier echter betreft het de versie die in de Decca Studio in Londen werd vastgelegd met producer Nick Tauber. Behalve dat de drums er véél vetter opstaan (hoor die toms!), is er bovendien een violist aan het werk, wiens/wier naam niet wordt genoemd en die een hakkende partij neerzet. Ik werd indertijd omver geblazen en dat geldt nog steeds. Héél heftige folkhardrock, waarop het nummer knált, veel meer dan de BBC-versie.
Het liedje is een bewerking van traditional Si Do Mhaimeo, een Iers-Keltisch lied dat je snel online kunt vinden in uiteenlopende versies.

De overige tracks zijn dus wél op vele plaatsen terug te vinden. Met deze verzamelaar ontdekte ik o.a. hoe goed gitarist Eric Bell was. Ook vind je die andere track met Moore bij Decca opgenomen, Little Darling.

De hoes die MuMe hierboven toont wijkt enigszins af van de versie die je in Nederland tegenkwam en de titel daarvan is compleet anders. Zie deze plaat.

Kortom, aanbevolen voor de fanatieke Lizzyfan met een platenspeler. Mocht iemand deze versie toch van cd kennen, dan lees ik graag van welke!

Thin Lizzy - Shades of a Blue Orphanage (1972)

poster
2,5
Zelfs degenen die de beginjaren van Thin Lizzy met Eric Bell waarderen, zijn het erover eens dat hun tweede werpsel Shades of a Blue Orphanage de minste van de drie is. Zoals Sir Spamalot het hierboven zo fraai verwoordt: “Laatavondplaat”.

Hun debuutplaat was eind 1971 tot beste album van dat jaar verklaard door dj Kid Jensen van Radio Luxembourg. In januari 1972 ging de band de studio in voor de opvolger, die van platenmaatschappij Decca bovendien een klaphoes kreeg. Producer was Martin Birch, bekend van zijn werk met Deep Purple. De gitarist van die groep, Ritchie Blackmore, probeerde tijdens de opnamen of hij zanger/bassist Phil Lynott kon wegkapen voor een nieuw project. Diens basspel was in die dagen echter nog te pover, waardoor het de beroemdheid uiteindelijk toch geen goed idee leek.

Op de opener na schreef Lynott alle nummers in zijn eentje. Deze hebben vaak een akoestische basis en in dit geval komt dat de bandversies niet ten goede. Het kabbelt teveel.
Met het tomsintro van opener The Rise and Dear Demise of the Funky Nomadic Tribes (de titel…) verwacht je een stevig rockende track, maar nergens komt het liedje los. Niet onaardig, evenmin pakkend. Buffalo Gal bezingt Lynotts lief, of is het een cowboylied? Met zijn aparte ritme een lekkere song.
Energie ontbreekt al helemaal op de andere songs op de A-kant. Vooral op de Elvisode I Don’t Want to Forget how to Jive en de ballade Sarah. Die laatste track is opnieuw een ode, nu aan Lynotts grootmoeder, degene die hem opvoedde tijdens zijn jeugdjaren in Dublin. Op zich een bescheiden pareltje, maar eentje die had moeten profiteren van luide tracks rondom.

Op de B-kant wordt dan eindelijk stevig gerockt: Baby Face mag er zijn. Maar dan volgt Chatting Today, een vrolijk akoestisch liedje dat thuishoort in een folkclub. Lekker met je kopje groen thee (of glas wijn met kaas) naar een singer-songwriter luisteren? Dat is niet waar deze Lizzyfan voor kwam, al begint het niet onaardig. Call the Police is dan weer steviger, maar de dikke zeven mellotronminuten van de trage, poëtische titelsong doen de plaat definitief doodbloeden.

De vurig gehoopte doorbraak bleef dan ook uit. Als de band in november 1972 op tournee gaat als voorprogramma van de dan immens populaire glamrockband Slade, laait de hoop echter op. Zeker als non-albumsingle Whisky in the Jar vanaf januari '73 een internationale hit wordt.
In de biografieën Philip Lynott the Rocker (1994) en Cowboy Song (2016) wordt de tournee het keerpunt genoemd. Na slechts drie nummers te hebben gespeeld druipt men af naar de kleedkamer, geschrokken van de afkeurende reacties van het publiek tijdens die eerste show in Newcastle. Tourmanager Chas Chandler, van Hendrixfaam, stormde de kleedkamer binnen en gaf een verbale aframmeling: ‘Jullie zijn hier om het publiek wakker te maken, niet om het in slaap te brengen!’
Deze alarmbel zou de aanzet zijn voor de steviger muzikale koers die de band prompt ging varen, waarbij Lynott stapsgewijs zou leren hoe te groeien als frontman.

In 2010 verscheen een cd-editie met maar liefst negen bonustracks. Hierop is single Black Boys on the Corner / Whisky in the Jar te vinden; de B-kant werd de A-zijde, een kortstondige populariteit van de groep brengend.
Van Buffalo Gal, Sarah en Brought Down vinden we de bijgewerkte versies uit 1978, van een vers laagje gitaren en/of toetsen voorzien door Gary Moore en Midge Ure; oorspronkelijk te vinden op deze boeiende meer-dan-slechts-een-compilatie. Daar profiteert vooral Brought Down van, dat in de remix met de nieuwe gitaarpartijen van Moore lekker knalt.
Tenslotte horen we de vier tracks die in november ‘72 bij BBC’s John Peel werden opgenomen. De titelsong van Saga duurt ruim drie minuten, wat geschikter is voor dit rustige liedje. Ook komen we een vroege versie van Suicide tegen, hier met gitarist Eric Bell op slidegitaar. Voor mij net zo lekker als de latere versie met de gitaristen Gorham en Robertson! Op Whisky in the Jar klinkt Lynott heser dan ik hem ooit hoorde.

De dromer-dichter Philip Lynott zou de daaropvolgende jaren ruimte moeten laten aan de rocker Phil. Dankzij de extra’s kom ik nog op 2,5 ster, maar ook in mijn visie de minste plaat die Lizzy maakte.

Thin Lizzy - The Acoustic Sessions (2025)

poster
3,5
"In the land of Erin where sat the high king - Faced with a problem: the dreaded Viking. Gather all the manfolk speaking the Celtic tongue. The land is Erin, the land is young."
De jonge Phil Lynott verwerkte zijn voorliefde voor geschiedenis in zijn teksten en trad met Eric Bell op in kroegen, om zo wat bij te verdienen naast Thin Lizzy. Soms werden die liedjes het startpunt voor elektrische versies bij hun groep.
In dit geval horen we ongebruikte demo's, voor Acoustic Sessions fraai opgewerkt naar een volledig album. Originele gitarist Eric Bell leverde nieuwe akoestische bijdragen, opgenomen in zijn thuisstad Belfast. Dit alles gestoken in een fraaie hoes, in mijn geval cd met klaphoesje. De tekeningen zijn van ene Noel Panchal maar lijken op die van Jim Fitzpatrick destijds.

Het werk op dit album bevat andere versies van negen nummers, te vinden op de drie albums die Lizzy met Bell uitbracht in de jaren 1971-1973 en de EP New Day uit '71. Zonder elektrische gitaar is het soms wat kaaltjes, andere keren wint een nummer aan intensiteit. Dat kan zijn door een afwijkende zanglijn, fraai basspel en door Bells invullingen, oud én nieuw.
Anders dan de titel suggereert, duikt hier en daar een elektrische gitaar op, zij het in bescheiden rol, zoals in Slow Blues. Drummer Brian Downey horen we in Slow Blues, Whiskey in the Jar en in Remembering Part 2 (New Day), plus zeer summier in Here I Go Again.
Mijn favoriete nummers blijven dezelfde: A Song for While I'm Away dat zijn orkestrale arrangement behield, Eire (waaruit het citaat aan het begin) en Dublin dat ik zelfs als gesproken gedicht (hoor hier) zo mooi vind. Shades of a Blue Orphanage daarentegen blijft langdradig.

Op mijn cd ontbreekt bonus Slow Blues G.M. oftewel Gary Moore. Geeft niks, met negen nummers is deze folkkant van Thin Lizzy helemaal okay. Alsof je in een Ierse kroeg zit met een donkere stout in het glas. Sláinte!

Thin Lizzy - The Boys Are Back in Town (2001)

poster
4,0
Dit is een verzamelaar van Thin Lizzy zoals er wel meer zijn. Niet dus... De tweede cd (vanaf track 19) bevat namelijk zeldzamer werk. Het betreft de Swedish Collection en dat land heeft een bijzondere historie met Phil Lynott, met name vanaf 1980, toen de frontman solo ging optreden. We komen daardoor enkele zeldzame / moeilijk verkrijgbare tracks tegen. Nadat dit album verscheen, belandde één en ander op andere verzamelaars of extended albums. Echter niet alles, als ik het goed heb. En in bijna alle gevallen is het genieten.

Eerst klinken op die tweede cd B-kanten van Lynott solo. Beat on the Drum was B-kant van de single Old Town (1982), Somebody Else's Dream was de B-kant van single Together (1982), A Night in the Life of a Blues Singer de B-kant van EP Nineteen (1985).
Dan B-kanten van singles van Thin Lizzy. Don't Play Around was B-kant van single Killer on the Loose (1980), het wat simpele Trouble Boys en het juist lekkere Memory Pain waren respectievelijk de A- en de B-kant van een non-albumsingle (1981), Just the Two of Us was B-kant van single Do Anything You Want To (1979). De cd vermeldt overigens foutief dat dat liedje Do Anything You Wanna Do heette.
Tenslotte het muitende A Merry Jingle (1979), een kerstige non-albumsingle van The Greedies, oftewel Lynott-Gorham-Downey van Thin Lizzy met twee ex-leden van Sex Pistols, te weten Steve Jones en Paul Cook.

De dit jaar (2022) verschenen docu met dezelfde titel als deze cd begint met Somebody Else's Dream, wat ik nog niet kende. Wat me raakte is de openheid waarmee de doorgaans gesloten Lynott zich hier in zijn hart laat kijken. Oef, die kwam binnen!

Een heerlijk allegaartje, waarvoor ik de Zweedse fanclub heel dankbaar ben. Maar je moet wel een fanatieke fan zijn om dit aan te willen schaffen. Iemand als ik. De verhålen in het bøekje zijn bøvendien heel håndig, met nåme vøør hen die de Zweedse tåål måchtig zijn.

Wie 'm wil aanschaffen: let op. Er is ook een 1-cd verkrijgbaar, dan mis je één en ander. Øpletten dus!

Thin Lizzy - The Boys Are Back in Town (2022)

Alternatieve titel: Live at the Sydney Opera 1978

poster
4,0
Vanavond was het grijs en bewolkt, regen dreigde op deze lentedag, 29 oktober 1978. Ik was in Sydney. Daar zag ik het concert dat Thin Lizzy gaf. Voor het eerst compleet. Ooit had ik de videoband, waarvan dit de cd-versie is, op deze 2022-editie staan echter vijf tracks meer.
Ik trof drie schijfjes aan: de documentaire Songs for While I’m Away is de eerste, de dvd van het concert de tweede en de derde is de audio-cd van het optreden.

De docu is de reden dat ik deze box The Boys Are Back in Town kocht, verleid door deze recensie; hij is inderdaad voor iedere fan van Lizzy een ‘móet-je-hebben-gezien’.
Regiseusse Emer Reynolds heeft meer aandacht voor de mens Philip Lynott. Daarmee ook voor zijn zachte en onzekere kant. Het blijkt al uit de eerste tonen, de tekst van sololied Somebody Else’s Dream, waarin hij de verscheurdheid waarin hij terecht was gekomen laat doorschemeren.
Voor het eerst krijgen we zijn liefje Gale Claydon te zien, over wie hij Look What the Wind Blew In en (waarschijnlijk) Still In love With You schreef; ook voor het eerst werkten zijn dochters Sarah en Kathleen mee. Het is indrukwekkend wat deze drie vrouwen vertellen. Idem voor zijn vrouw Caroline en nicht Monica Lynott. Oom Peter Lynott, slechts een jaar ouder dan zijn neef, vertelt hoe deze zich op school met de vuisten moest handhaven.
Voeg daaraan toe de verhalen van muziek- en andere vrienden en betrokkenen, waarbij ook het racisme waarmee Lynott werd geconfronteerd ter sprake komt, en je komt dichter dan ooit bij Philip Lynott. Mooi gefilmd bovendien.

Het concert dan. Dit volgt grotendeels de setlist van Live and Dangerous met als toevoeging Waiting for an Alibi. Ten opzichte van dat album, eerder dat jaar verschenen, was de helft van de line-up vervangen.
Brian Downey was ziek, zijn tijdelijke vervanger is Amerikaan Mark Nauseef, die fanatiek en geïnspireerd speelt, geflankeerd door maar liefst drie floortoms. In opener Jailbreak en Don’t Believe a Word slaat hij de nodige extra fills; in Still in Love with You maakt hij zijn enige fout door het laatste deel te langzaam te spelen.
Gary Moore verving de definitief vertrokken gitarist Brian Robertson en man man, wát een energie spat eraf! Robertson was geen kleintje, maar dit slaat alles. Neem bijvoorbeeld Moores solo in Warriors, de beste uitvoering die ik ken.
Ondertussen zijn Lynott en gitarist Scott Gorham in topvorm. Ook al zijn de nummers zeer bekend, het was toch weer heerlijk deze groep aan het werk te zien. Camera's filmden het concert van vele zijden, zodat een dynamische registratie is ontstaan.

De audio is verbeterd door o.a. Gorham, helemaal fijn. Kennelijk is er met het publieksgeluid gesleuteld: de aftiteling vermeldt ‘Thanks to the massed voices of Kirkmichael Village and to Ashintully Castle’. Ik heb gekoekeld: beide liggen in Schotland. Wat dát met de audio van dit concert in Sydney heeft te maken?

Ook de beeldkwaliteit is veel beter geworden, zelfs als je het concert op beamer kijkt: verdwenen zijn de irritante tv-strepen die ik mij van de videoband herinner. De vijf toegevoegde tracks zijn minder qua beeldkwaliteit: ze zijn vager en bevatten een rode gloed, maar doen qua audio niet voor de rest onder.
Het volgepakte veld voor het Opera House had een prima tijd. Het staat zo vol, dat je je bijna afvraagt of er nog mensen in de stad waren. Leuk detail: uit de aftiteling blijkt dat één van de cameramannen naar de naam Gary Moore luisterde.

Een waardevolle aanvulling voor hen die Thin Lizzy een warm hart toedragen.

Thin Lizzy - The Continuing Saga of the Ageing Orphans (1978)

poster
4,0
Dit album staat te boek als een verzamelaar. Zelfs de hoestekst vermeldt “…a Thin Lizzy compilation album”. Dat blijkt onjuist.

Toen deze puber rond 1981 de discografie van de band ging verkennen, was dit hun enige plaat in de fonotheek met werk uit de eerste jaren, toen de band als trio met achtereenvolgens gitaristen Eric Bell en Gary Moore werkte.
Frontman Phil Lynott was vanaf 1978 druk met opnemen. Hij deed dit niet alleen voor het Lizzy van dat moment, maar ook voor zijn solo-albums en een opfrisbeurt van het oudere werk werd niet vergeten. Pas toen ik jaren later hun derde officiële studio-album hoorde, drong tot mij door dat de versies op de “verzamelaar” hier en daar sterk waren gewijzigd. Dat vermeldt de hoes ook, maar kennelijk had ik dat niet begrepen. Er is niet alleen sprake van remixen, er zijn zelfs nieuwe partijen ingespeeld, waarmee de muziek een vollere sound kreeg.

Meest opvallend zijn de toegevoegde gitaar- en toetsenpartijen. Op de hoes wordt vermeld dat Midge Ure (vervanger van Moore tijdens de tournee van 1979, later frontman bij Ultravox) gitaar speelt op Things Ain’t Working Out en Dublin, waarbij het laatste lied een steviger jasje heeft gekregen. Mooi, al werd het ingetogen origineel met glockenspiel later mijn favoriet en zelfs de gesproken versie kan ik aanbevelen, omdat het ook als gedicht fraai is.
De toetsen worden gespeeld door Lynott en Gary Moore; vooral in Slow Blues brengt dat een veel vollere sound, waardoor ik de oorspronkelijke versie tot de dag van vandaag kaal vind klinken.

Los van deze en meer nieuwe versies: vóórdat de bezetting met dubbele gitaren zijn intrede deed, maakte de triobezetting sterke muziek, bovendien vrijer qua expressie. Neem bijvoorbeeld de gitaarsolo van Bell in Honesty is no Excuse, briljant in melodie en timing. Dat het drumspel van de jonge Brian Downey hier al eigenzinnig goed is, hoor je op diverse momenten.
Wie geïnteresseerd is: de elpee zelf is nooit op één cd verschenen. Vanaf 2010 verschenen de eerste drie albums op cd in special editions, waarbij tracks van dit album zijn toegevoegd.

Thin Lizzy - Thin Lizzy (1971)

poster
4,5
Degenen die Thin Lizzy per se als de robuuste stadionrockers willen, zullen bij deze plaat afhaken. Als ze dat al niet bij de hoes deden, zoals ik indertijd. Ik vergiste me echter: dit zoekende debuut kent diverse hoogtepunten en in de superbonusversie (2010) wordt het een pareltje. Die laatste is ook op streaming te vinden.

Powertrio’s werden vanaf 1966 trendsettend. Hierin stond de gitarist centraal, denk aan Cream met Eric Clapton en The Jimi Hendrix Experience. Zij en vele anderen experimenteerden met gitaareffecten en songstructuren, wég van de klassieke popsong. Vrijheid, innovatie en peace man! Dit hoor je terug op Lizzy’s debuut, waarop Eric Bell alle vrijheid krijgt om zijn gitaar te laten zingen en frequent met zijn wahwahpedaal speelt.
Net als bij hun grote voorbeelden vechten psychedelische, blues- en hardrock om het hardst om de dominante plek. Welke stijl wint, varieert per song(deel). Soms werkt dat heel goed, soms niet. Een plaat aarzelend en pratend beginnen bijvoorbeeld, zoals hier gebeurt, werkt minder. Het duurt een dikke minuut voordat de groove begint en een aardig liedje verrijst. Pas in november 1972, tijdens de tour met Slade, leerden de drie dat je beter de luisteraar meteen kunt grijpen.
Hoe anders is tweede nummer Honesty is No Excuse. Een akoestisch en uptempo begin (met mellotronviolen en het werkt ook nog!), waarmee de groove staat. Al snel volgt de sterke melodie. Even verderop vallen de drums knap bij (wat is die Downey hier al goed!) en halverwege volgt een wonderschone gitaarsolo. Het bewijs dat dit trio veel meer kon dan een altaar voor de gitaar bouwen.

Ook vallen spoedig de prachtige stem van Phil Lynott en diens poëtische teksten op. Gevoelig over de liefde, verhalend-sentimenteel als de Keltische geschiedenis van Ierland wordt bezongen. Plus de folkinvloeden die her en der klinken, wat de band onderscheidt van de toenmalige genregenoten.
Hierboven beschrijft Lonesome Crow de liedjes afzonderlijk. Ik houd me dus in, al wil ik wel Eire voor het voetlicht brengen. Vorige week werd ik alweer gegrepen door dit akoestische kleinood. Een historisch verhaal, een melancholische sfeer, fraai versierd door Bell. Van een ontroerende schoonheid.

Op cd beginnen vanaf track 11 de extra’s: eerst de geflopte single The Farmer, hun eerste uitgave met toen nog toetsenist Eric Wrixon in de gelederen. Daarna de EP New Day die ná Thin Lizzy verscheen. Ook een gevarieerd schijfje, waarvan het gitaarwerk in de titelsong klinkt als een voorloper van wat The Edge acht jaar later bij U2 zou doen.
Op Dublin klinkt een celesta, het gevoelige zusje van de piano; het bezingt de emigratie van de band, in januari 1971 naar Londen. Prachtig in zijn breekbaarheid.

Vanaf track 16 klinken vier tracks van deze bijzondere verzamelaar, waarbij Gary Moore en Midge Ure bij Look What the Wind Blew In, Dublin en Things Ain’t Working Out de gitaarpartijen opnieuw inspeelden. Hier hoor je de 1978-sound: de gitaren klinken veel zwaarder, passend bij de stadionstatus die de band inmiddels had bereikt.

Voor potentiële fans was het indertijd lastig: was dit een rockband met folkinvloeden, of een folkband die bovendien bijzonder heftig rockte? Omdat ze er niet in slaagden een hit te scoren, werd een doorbraak extra moeilijk.
En hoe luistert een rock- of metalfan anno 2022 naar deze vrije muziekopvattingen? Sterker nog, ook de huidige liefhebbers van singer-songwriters kunnen regelmatig genieten.
Voor mij geldt dat ik met alle extra’s op cd vooral blij word van alle variatie. Voor de oorspronkelijke plaat geef ik 3 sterren, met alle extra’s worden dat er anderhalf meer.

Thin Lizzy - Thunder and Lightning (1983)

poster
4,5
‘Hij is blond als Brigitte Bardot en wild als Brian Robertson,’ kondigde frontman Phil Lynott trots de komst van nieuwe gitarist John Sykes aan, zo las ik in Oor. Ik hoorde Cold Sweat op de radio en werd omvergeblazen. De energie die Sykes bij Tygers of Pan Tang had neergezet, was naar Thunder and Lightning verhuisd. Het werd het favoriete album van mijn examenjaar. Na twee plaatkanten bleef ik verbaasd zitten: wát een goede songs en daarbij niet één langzaam nummer! Zelfs het ingetogener The Sun Goes Down is nog vlotjes. En de gitaarsolo's... fan-tas-tisch! Vervolgens snel opstaan en de plaat nóg een keer opzetten. En nóg een keer. En... Daarbij is de productie van Chris Tsangarides ijzersterk, zo goed kende ik slechts de platen die Martin Birch produceerde.

Toen Sykes bij de band verscheen, waren bijna alle nummers al geschreven. Zijn eerste ontmoeting met Lynott leverde bovendien Cold Sweat op, met die ijzersterke riff van de gitarist.
De A-kant van de elpee was sterk, met This is The One en The Holy War als mijn grootste favorieten, maar geleidelijk werd de B-kant mijn favoriete. Behalve de single staat daar namelijk het van vreemde akkoorden voorziene Someday She is Going to Hit Back, het alleen door Lynott neergepende Baby Please Don’t Go en het met toetsenist Dennis Wharton en gitarist Scott Gorham geschreven Heart Attack op. Gaan die twee laatste nummers over Lynotts gestrande huwelijk?
De teksten vond ik ook indrukwekkend: The Holy War met zijn Bijbelse verwijzingen, Cold Sweat over een gokker en waar ging The Sun Goes Down over? Drugsgebruik, begreep ik op een gegeven moment.

Ik mocht dit een prachtalbum vinden, het was ook bekend dat de tour erbij hun laatste zou worden. Later zou ik lezen in ‘Philip Lynott: The Rocker’ (1994) van Mark Putterford wat de voorgeschiedenis was. Gorham en Lynott waren in toenemende mate verslaafd aan heroïne. Dit leidde er bij de eerste toe dat hij door uitputting de laatste drie shows van de Renegade Tour had gemist (de band speelde als kwartet) en de tweede leed aan verergerde astma.
De trouwe manager Chris O’Donnell kon dit verval niet meer aanzien en maakte zich los van de groep. Hetzelfde deed gitarist Snowy White, die in zijn laatste jaar bij de band nauwelijks meer met Lynott sprak, ook niet tijdens de tournee voor Renegade: als White uit bed naar de ontbijtzaal liep, kwam Lynott nogal eens het hotel binnenstommelen. Compleet verschillende instellingen.

Financieel ging het eveneens niet goed: de laatste twee albums hadden slecht verkocht en de livereputatie werd minder door de ingetogen presentaties van White en Gorham. Een wildeman als Brian Robertson werd node gemist, de verkoop van concertkaarten werd minder.
Lynott wilde Thin Lizzy beëindigen. Een plan werd gesmeed: nog één keer cashen, verkoop de tournee als afscheid, dat zal de inkomsten én de plaat goed doen.
De komst van John Sykes veranderde alles. De gitarist, die al een aanbod van Ozzy Osbourne had liggen, werd door Tsangarides aan Lynott gekoppeld. Het klikte enorm tussen de twee. De gitarist speelde nog vóór Thunder and Lightning mee in de soloband van Lynott en omgekeerd is Lynott te horen op Sykes’ solosingle, zoals dit tv-optreden laat zien. Op het podium barstte de snarenracer van de energie, daarmee band en publiek opzwepend.
Onzichtbaar voor mij was de invloed van Wharton: hij was met Lynott nummers gaan schrijven en deze behoren tot de beste van het album. De jazzakkoorden in Someday zijn dan ook van hem afkomstig. Het leidt tot een heel bijzonder gitaarduel, want ook Gorham spettert op de plaat, net als drummer Brian Downey die ook in deze zwaardere stijl excelleert.
De hoes was nogal cliché, al vond ik 'm mooi: vaste hoestekenaar Jim Fitzpatrick had al een tekening klaarliggen, maar de platenmaatschappij ging liever voor iets goedkopers.

Dit is nog altijd mijn favoriete Lizzy, al dacht menig oudere fan daar anders over. Zij vonden het te metal, ik was juist blij dat de band meeging met zijn tijd.
Onverwachte bonus was dat in datzelfde jaar Snowy White een sterk solodebuut uitbracht. Sterker nog, in maart 1984 werd single Bird of Paradise, #7 in Nederland en het bijbehorende album White Flames haalde in diezelfde maand dezelfde positie. De single klonk als een ingetogen lied van Thin Lizzy. Ondanks alle misère waren het goede tijden voor de fans van de groep.

Thin Lizzy - UK Tour 75 (2008)

poster
3,5
Wel eens meegemaakt? Een stel van wie je de trouwfoto ziet: dure kleding, gecoiffuurde haartjes, alles tiptop verzorgd. Het contrast met het gewone leven is dan groot: jeans, t-shirt, de haren aanmerkelijk minder volume. Als het haar er überhaupt nog groeit… Tegelijkertijd zijn het dezelfde mensen, die zonder alle extra tralala misschien wel leuker zijn dan indertijd op die grote dag.

Zoiets beleef ik als ik de officiële livealbums van artiesten vergelijk met liveplaten zoals deze. Dit soort extra livespul is vooral leuk voor de fanatiekere fan. En dat ben ik. Ik lachte dan ook de lach van herkenning toen ik de diverse reacties hierboven las van snarf349. Eerst op voorhand de cd afkeuren omdat dit inderdaad alwéér een livealbum van Thin Lizzy is, om ‘m dan slechts twee dagen later toch te kopen en er bovendien content mee te zijn.
In mijn geval kende ik het bestaan van de plaat niet eens, maar ik las er hier over, waarbij de bovenstaande reacties maakten dat ik UK Tour 75 vorige maand online heb gekocht. Leve Discogs.

Wat ‘m extra leuk maakt zijn de liner notes van drummer Brian Downey. Hij vertelt dat de bandleden voordat tournees begonnen afzonderlijk een lijstje maakten van songs die ze wilden spelen. Die werden vervolgens vergeleken om tot een gezamenlijke setlist te komen. Het was in dit geval de tournee om Fighting te promoten. Ze waren daarop voor een steviger stijl gegaan, reden om live van dat album en voorganger Nightlife de stevigste nummers te kiezen. Downey vertelt meer, interessant om te lezen; hopelijk brengt hij eens een biografie uit!

De opnamen zijn dus onopgesmukt, zo gaan de eerste gitaartonen van Wild One niet helemaal vlekkeloos. Lekker juist. Ook genieten: For those who Want to Live droeg Lynott als supporter van Manchester United op aan George Best, de iconische Noord-Ierse speler van die club en tevens Lynotts drinkmaatje.
Van de periode vóórdat Lizzy een kwartet was, horen we twee knallende nummers: The Rocker (oorspronkelijk met Eric Bell) en Little Darling (oorspronkelijk met Gary Moore). Een vooruitblik klinkt met Derby Blues, een oerversie van Cowboy Song. Hierover noteerde Downey dat ze gewoonlijk geen nummers speelden die nog moesten worden opgenomen, maar in dit geval wilde Lynott testen of het iets was. De bonustrack is Sound Check Jam, een uptempo warming-up waarin het waarschijnlijk Brian Robertson is die heerlijk soleert.

Een band in groeiende vorm, slechts "vier maanden voordat Jailbreak verscheen en de band in een ander tijdperk belandde", aldus Downey. Ook ik ben er blij mee.

Thin Lizzy - Vagabonds Kings Warriors Angels (2001)

poster
5,0
Als fan van Thin Lizzy en Phil Lynott was het een vreemde gewaarwording vanaf zijn overlijden, 4 januari 1986: niet meer wachten op nieuw materiaal. Voor mij een verdrietig zwart gat, zeker omdat het na alle overlijdensberichten sowieso stil bleef rond zijn muziek, al verscheen in '91 wel verzamelaar Dedication waarvan het prachtige titelnummer nieuw was. Maar één nummer in vijf jaar, dat was niet veel...
Als vanaf midden jaren negentig de eerste biografieën verschijnen, leer ik eindelijk het nodige over het hoe en waarom van de opkomst en ondergang van de eerste groep uit de Republiek Ierland die internationaal doorbrak.

Internet was in 2000 redelijk op stoom en daar las ik de aankondiging van deze Vagabonds Kings Warriors Angels. De chagrijnige eigenaar van de alternatieve platenzaak in de Grote Stad deed meewarig als ik vroeg wanneer de box zou arriveren. Maar wat was ik na enkele maanden blij met de vier cd's én de biografie van Ben Edmonds die in de fraai vormgegeven cassette zijn te vinden.
Een grootse carrière in vogelvlucht met de nodige variatie in stijlen. Lynott & co hebben een lange muzikale queeste afgelegd en hoe jammer blijft het dat deze zo voortijdig werd afgebroken...

Nadien verzamelde ik hun afzonderlijke albums, waarmee voor mij als meest interessante tracks op VKWA de non-albumnummers resteren. Zoals aan het begin single The Farmer, de EP's met Eric Bell en Gary Moore, flexdiscsingle Song for Jimi en aan het einde de tracks met Grand Slam en Paul Hardcastle.
Met de kennis van nu valt me in het hees gezongen Brought Down op dat hij onder meer de val van een andere band betreurt, te weten Dr. Strangely Strange.

Drie jaar geleden verscheen de box Rock Legends met nog veel meer non-albummateriaal. Daarmee werd VKWA vanwege zijn relatieve compactheid als een prima samenvatting daarvan. Aanbevolen!