Hier kun je zien welke berichten erwinz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Treetop Flyers - Old Habits (2021)

4,0
2
geplaatst: 4 december 2021, 11:18 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Treetop Flyers - Old Habits - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Treetop Flyers - Old Habits
De Britse band Treetop Flyers viel me al eerder op, maar maakte nog niet eerder zo’n onuitwisbare indruk als met het soulvolle Old Habits, dat zo lijkt weggelopen uit de roemruchte jaren 70
Laat Old Habits van de Britse band Treetop Flyers uit de speakers komen en de ruimte wordt gevuld met warmte. De band uit Londen vindt haar inspiratie vooral in de jaren 70 en zoekt deze zowel aan de Amerikaanse westkust als in het Verenigd Koninkrijk. Het geluid van de band is aangenaam en tijdloos, maar ook broeierig en warm. De band speelt de pannen van het dak, waarna zanger Reid Morrison ook nog eens de veters uit je schoenen zingt met zijn soulvolle strot. Standaard retro klinkt vaak wat zouteloos, maar de door de jaren 70 geïnspireerde muziek van Treetop Flyers klinkt van de eerste tot en met de laatste noot opwindend en urgent. Wat een heerlijk album.
Ruim vijf jaar geleden recenseerde ik al eens een album van de Britse band Treetop Flyers. Palomino, het tweede album van de band uit Londen, klonk als de spreekwoordelijke omgevallen platenkast en het was een platenkast die was gevuld met flink wat klassiekers uit de jaren 70. Drie jaar geleden verscheen het titelloze derde album van Treetop Flyers, dat ik echt compleet heb gemist, maar het deze week verschenen Old Habits viel direct op tussen het beperkte aantal nieuwe releases van deze week.
Ook op Old Habits maakt de Britse band geen geheim van haar liefde voor muziek uit de jaren 70 en ook dit keer klinkt de muziek van Treetop Flyers als een omgevallen platenkast vol moois uit dit decennium. Waar de band uit Londen zich op haar vorige albums vooral liet beïnvloeden door de muziek die in de jaren 70 aan de Amerikaanse westkust werd gemaakt, zoekt Treetop Flyers de inspiratie dit keer ook dichter bij huis.
Old Habits wordt gepresenteerd als een album waarop de Britse band Los Angeles weer heeft verruild voor de eigen thuisbasis Londen, maar ik hoor op het album ook nog steeds voldoende invloeden die herinneren aan de muziek die in de jaren 70 in Los Angeles en omstreken werd gemaakt. Hiernaast klinkt het vierde album van Treetop Flyers inderdaad ontegenzeggelijk Brits.
Het is knap hoe de band uit Londen er in slaagt om de muziek en de sfeer van de jaren 70 akelig precies te reproduceren, maar het is nog knapper dat Old Habits niet klinkt als een portie aangename retro, maar als een album dat ondanks alle invloeden uit het verleden eigentijds klinkt.
Net als Palomino vijf jaar geleden klinkt de muziek van Treetop Flyers vol en warm. Het eerste dat opvalt bij beluistering van Old Habits is echter de heerlijk soulvolle strot van zanger Reid Morrison, die tien songs lang imponeert met geweldige zang. Wanneer de muziek van Treetop Flyers wat tegen die van The Faces aan schuurt, hoor je iets van een jonge Rod Stewart, maar meestal hoor ik toch vooral een geweldige soulzanger.
Bij een soulzanger hoort een warm en broeierig geluid en dat krijg je op Old Habits, dat de ruimte verwarmt met klanken die het hart onmiddellijk verwarmen. Het is een geluid waarin in eerste instantie vooral de wonderschone gitaarlijnen en het prachtige pianospel opvallen, maar ook de bijdragen van blazers en die van de subtiel spelende ritmesectie zijn prachtig.
Het herinnert aan alles tussen Van Morrison en Box Scaggs en tussen The Band en George Harrison, maar Treetop Flyers slaagt er wat mij betreft in om alle invloeden te combineren in een herkenbaar eigen geluid. Het is een geluid dat hier heel wat koude en donkere avonden gaat verwarmen, want zodra de eerste noten van Old Habits uit de speakers komen, stijgt de gevoelstemperatuur met flink wat graden en maakt deze toch wat treurige tijd plaats voor de zorgeloze tijden van weleer.
Muziekliefhebbers die niets hebben met muziek uit de jaren 70 kunnen waarschijnlijk niet uit de voeten met dit album, maar als je wel open staat voor wat muzikale invloeden uit vervlogen tijden, speelt Treetop Flyers op Old Habits keer op keer een gewonnen wedstrijd. Geweldige songs, een fantastische band en een zanger die keer op keer garant staat voor kippenvel. Ik was Palomino eerlijk gezegd al lang weer vergeten, maar de nieuwe van Treetop Flyers is een wereldplaat. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Treetop Flyers - Old Habits - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Treetop Flyers - Old Habits
De Britse band Treetop Flyers viel me al eerder op, maar maakte nog niet eerder zo’n onuitwisbare indruk als met het soulvolle Old Habits, dat zo lijkt weggelopen uit de roemruchte jaren 70
Laat Old Habits van de Britse band Treetop Flyers uit de speakers komen en de ruimte wordt gevuld met warmte. De band uit Londen vindt haar inspiratie vooral in de jaren 70 en zoekt deze zowel aan de Amerikaanse westkust als in het Verenigd Koninkrijk. Het geluid van de band is aangenaam en tijdloos, maar ook broeierig en warm. De band speelt de pannen van het dak, waarna zanger Reid Morrison ook nog eens de veters uit je schoenen zingt met zijn soulvolle strot. Standaard retro klinkt vaak wat zouteloos, maar de door de jaren 70 geïnspireerde muziek van Treetop Flyers klinkt van de eerste tot en met de laatste noot opwindend en urgent. Wat een heerlijk album.
Ruim vijf jaar geleden recenseerde ik al eens een album van de Britse band Treetop Flyers. Palomino, het tweede album van de band uit Londen, klonk als de spreekwoordelijke omgevallen platenkast en het was een platenkast die was gevuld met flink wat klassiekers uit de jaren 70. Drie jaar geleden verscheen het titelloze derde album van Treetop Flyers, dat ik echt compleet heb gemist, maar het deze week verschenen Old Habits viel direct op tussen het beperkte aantal nieuwe releases van deze week.
Ook op Old Habits maakt de Britse band geen geheim van haar liefde voor muziek uit de jaren 70 en ook dit keer klinkt de muziek van Treetop Flyers als een omgevallen platenkast vol moois uit dit decennium. Waar de band uit Londen zich op haar vorige albums vooral liet beïnvloeden door de muziek die in de jaren 70 aan de Amerikaanse westkust werd gemaakt, zoekt Treetop Flyers de inspiratie dit keer ook dichter bij huis.
Old Habits wordt gepresenteerd als een album waarop de Britse band Los Angeles weer heeft verruild voor de eigen thuisbasis Londen, maar ik hoor op het album ook nog steeds voldoende invloeden die herinneren aan de muziek die in de jaren 70 in Los Angeles en omstreken werd gemaakt. Hiernaast klinkt het vierde album van Treetop Flyers inderdaad ontegenzeggelijk Brits.
Het is knap hoe de band uit Londen er in slaagt om de muziek en de sfeer van de jaren 70 akelig precies te reproduceren, maar het is nog knapper dat Old Habits niet klinkt als een portie aangename retro, maar als een album dat ondanks alle invloeden uit het verleden eigentijds klinkt.
Net als Palomino vijf jaar geleden klinkt de muziek van Treetop Flyers vol en warm. Het eerste dat opvalt bij beluistering van Old Habits is echter de heerlijk soulvolle strot van zanger Reid Morrison, die tien songs lang imponeert met geweldige zang. Wanneer de muziek van Treetop Flyers wat tegen die van The Faces aan schuurt, hoor je iets van een jonge Rod Stewart, maar meestal hoor ik toch vooral een geweldige soulzanger.
Bij een soulzanger hoort een warm en broeierig geluid en dat krijg je op Old Habits, dat de ruimte verwarmt met klanken die het hart onmiddellijk verwarmen. Het is een geluid waarin in eerste instantie vooral de wonderschone gitaarlijnen en het prachtige pianospel opvallen, maar ook de bijdragen van blazers en die van de subtiel spelende ritmesectie zijn prachtig.
Het herinnert aan alles tussen Van Morrison en Box Scaggs en tussen The Band en George Harrison, maar Treetop Flyers slaagt er wat mij betreft in om alle invloeden te combineren in een herkenbaar eigen geluid. Het is een geluid dat hier heel wat koude en donkere avonden gaat verwarmen, want zodra de eerste noten van Old Habits uit de speakers komen, stijgt de gevoelstemperatuur met flink wat graden en maakt deze toch wat treurige tijd plaats voor de zorgeloze tijden van weleer.
Muziekliefhebbers die niets hebben met muziek uit de jaren 70 kunnen waarschijnlijk niet uit de voeten met dit album, maar als je wel open staat voor wat muzikale invloeden uit vervlogen tijden, speelt Treetop Flyers op Old Habits keer op keer een gewonnen wedstrijd. Geweldige songs, een fantastische band en een zanger die keer op keer garant staat voor kippenvel. Ik was Palomino eerlijk gezegd al lang weer vergeten, maar de nieuwe van Treetop Flyers is een wereldplaat. Erwin Zijleman
Treetop Flyers - Palomino (2016)

4,0
0
geplaatst: 8 juli 2016, 15:45 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Treetop Flyers - Palomino - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Palomino van de Britse band Treetop Flyers lag hier al een hele tijd geduldig op de stapel te wachten en was er waarschijnlijk nooit van af gekomen als lezers van deze BLOG niet waren gaan roepen dat het wat hen betreft de plaat van de eerste helft van 2016 is.
Zo ver rijkt Palomino bij mij niet (en ik denk ook niet dat er nog een plaat komt die Bowie’s Blackstar gaat bedreigen), maar de band uit Londen heeft inderdaad een heerlijke plaat afgeleverd, die zeker goed genoeg is voor de halfjaarlijstjes of uiteindelijk de jaarlijstjes.
Palomino is de opvolger van het in 2013 verschenen The Mountain Moves en staat vol met rockmuziek die zo lijkt weggelopen uit de jaren 70.
Het is rockmuziek met invloeden uit de countryrock, de folkrock en de West-Coast pop, die je met enige regelmaat mee terug neemt naar de hoogtijdagen van The Byrds, Crosby, Stills & Nash, The Eagles, Neil Young en The Fairport Convention, al heb ik misschien nog wel de meeste associaties met de op alt-country georiënteerde platen van My Morning Jacket (dat zich natuurlijk ook flink liet inspireren door een groot deel van de bovengenoemde namen).
Treetop Flyers smeedt al deze invloeden aan elkaar tot muziek die eigenlijk alleen maar uit een heel ver verleden kan komen. Het is muziek die afwisselend raakt aan die van de bovengenoemde grote bands, al voegt Treetop Flyers ook eigen invloeden toe en geeft het de songs vaak een wat psychedelisch tintje en soms een bijna soulvol of funky karakter. Jonathan Wilson heeft de plaat verder voorzien van een productie die de sfeer van de Laurel Canyon uit de late jaren 60 en vroege jaren 70 ademt.
Palomino valt op door heerlijk melodieuze songs, vocalen vol overgave en een instrumentatie waarin constant een balans wordt gezocht tussen ingetogen passages en een geluid dat past bij de overgave waarmee wordt gezongen. Het is muziek die zo tijdloos is dat Palomino ook best verkocht kan worden als een obscure klassieker uit de jaren 70, maar het is wel een klassieker die de tand des tijd verrassend goed heeft doorstaan.
Wanneer je wat beter naar de teksten luistert hoor je dat deze zeer persoonlijk zijn en in een aantal gevallen zeer emotioneel. Palomino is in vocaal opzicht een imponerende plaat, maar ook de instrumentatie op de plaat springt van het ene naar het andere hoogtepunt, waarbij vooral het prima gitaarwerk opvalt.
Palomino krijgt vast het etiket retro opgeplakt, maar een plaat met de zeggingskracht van deze plaat is wat mij betreft veel meer dan dat. Dat de lezers van deze BLOG die me de plaat getipt hadden het bij het rechte eind hebben zal inmiddels meer dan duidelijk zijn. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Treetop Flyers - Palomino - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Palomino van de Britse band Treetop Flyers lag hier al een hele tijd geduldig op de stapel te wachten en was er waarschijnlijk nooit van af gekomen als lezers van deze BLOG niet waren gaan roepen dat het wat hen betreft de plaat van de eerste helft van 2016 is.
Zo ver rijkt Palomino bij mij niet (en ik denk ook niet dat er nog een plaat komt die Bowie’s Blackstar gaat bedreigen), maar de band uit Londen heeft inderdaad een heerlijke plaat afgeleverd, die zeker goed genoeg is voor de halfjaarlijstjes of uiteindelijk de jaarlijstjes.
Palomino is de opvolger van het in 2013 verschenen The Mountain Moves en staat vol met rockmuziek die zo lijkt weggelopen uit de jaren 70.
Het is rockmuziek met invloeden uit de countryrock, de folkrock en de West-Coast pop, die je met enige regelmaat mee terug neemt naar de hoogtijdagen van The Byrds, Crosby, Stills & Nash, The Eagles, Neil Young en The Fairport Convention, al heb ik misschien nog wel de meeste associaties met de op alt-country georiënteerde platen van My Morning Jacket (dat zich natuurlijk ook flink liet inspireren door een groot deel van de bovengenoemde namen).
Treetop Flyers smeedt al deze invloeden aan elkaar tot muziek die eigenlijk alleen maar uit een heel ver verleden kan komen. Het is muziek die afwisselend raakt aan die van de bovengenoemde grote bands, al voegt Treetop Flyers ook eigen invloeden toe en geeft het de songs vaak een wat psychedelisch tintje en soms een bijna soulvol of funky karakter. Jonathan Wilson heeft de plaat verder voorzien van een productie die de sfeer van de Laurel Canyon uit de late jaren 60 en vroege jaren 70 ademt.
Palomino valt op door heerlijk melodieuze songs, vocalen vol overgave en een instrumentatie waarin constant een balans wordt gezocht tussen ingetogen passages en een geluid dat past bij de overgave waarmee wordt gezongen. Het is muziek die zo tijdloos is dat Palomino ook best verkocht kan worden als een obscure klassieker uit de jaren 70, maar het is wel een klassieker die de tand des tijd verrassend goed heeft doorstaan.
Wanneer je wat beter naar de teksten luistert hoor je dat deze zeer persoonlijk zijn en in een aantal gevallen zeer emotioneel. Palomino is in vocaal opzicht een imponerende plaat, maar ook de instrumentatie op de plaat springt van het ene naar het andere hoogtepunt, waarbij vooral het prima gitaarwerk opvalt.
Palomino krijgt vast het etiket retro opgeplakt, maar een plaat met de zeggingskracht van deze plaat is wat mij betreft veel meer dan dat. Dat de lezers van deze BLOG die me de plaat getipt hadden het bij het rechte eind hebben zal inmiddels meer dan duidelijk zijn. Erwin Zijleman
Trentemøller - Fixion (2016)

4,0
2
geplaatst: 22 september 2016, 14:54 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Trentemøller - Fixion - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Een paar weken geleden ontving ik een promo exemplaar van Fixion van Trentemøller.
Omdat in het bijbehorende persbericht werd gesproken over de nieuwe plaat van de Deense techno producer heb ik de plaat onmiddellijk terzijde geschoven, want van techno word ik alleen maar heel nerveus.
Toen ik bij toeval toch een track van de plaat hoorde, raakte ik toch geïnteresseerd in de nieuwe plaat van Anders Trentemøller, want met techno (of het beeld dat ik heb van het genre) heeft Fixion niet zo gek veel te maken.
Op zijn nieuwe plaat eert de Deense muzikant en producer immers de muziek uit de jaren 80 en dat is muziek waar ik nog steeds een zwak voor heb.
Anders Trentemøller had in de jaren 80, net als ik, een voorkeur voor aardedonkere muziek. Op Fixion hoor je de zware baslijnen van bands als Joy Division en New Order, de duistere klanken van een band als The Cure, de dromerige synths tapijten van Gary Numan’s Tubeway Army, de industriële klanken van Depeche Mode, de lichtvoetigheid van Orchestral Manoeuvres In The Dark en vocalen die herinneren aan de hoogtijdagen van Siouxsie Sioux en haar band The Banshees.
Voor deze vocalen tekenen Savages zangeres Jehnny Beth en de Deense zangeres Marie Fisker, maar de rest van de plaat wordt volledig ingekleurd door Anders Trentemøller zelf.
In de meeste tracks bedwelmt Fixion met klanken die zo lijken weggelopen uit de jaren 80, maar Trentemøller doet meer dan het reproduceren van een geluid uit vervlogen tijden. In een aantal tracks combineert de Deense muzikant de klanken uit het verleden met meer eigentijdse elektronische muziek, waarbij het tempo gelukkig redelijk laag blijft. Fixion gaat hier en daar ook wat verder terug in de tijd, want ook de invloedrijke klanken van Kraftwerk hebben hun weg gevonden naar de muziek van Trentemøller.
Ik heb vaak wat moeite met instrumentale muziek, maar bij Trentemøller maakt het eigenlijk niet zoveel uit of hij zangeressen inzet of zelf zorgt voor inkleuring van de donkere en vaak wat overweldigende geluidstapijten.
Fixion is een plaat die vermaakt en intrigeert. Het is aan de ene kant een trip door het verleden, maar Fixion staat ook met één been in het heden. Trentemøller zal dit keer vooral muziekliefhebbers met een zwak voor de jaren 80 raken, maar ik ben inmiddels toch ook benieuwd naar zijn andere werk. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Trentemøller - Fixion - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Een paar weken geleden ontving ik een promo exemplaar van Fixion van Trentemøller.
Omdat in het bijbehorende persbericht werd gesproken over de nieuwe plaat van de Deense techno producer heb ik de plaat onmiddellijk terzijde geschoven, want van techno word ik alleen maar heel nerveus.
Toen ik bij toeval toch een track van de plaat hoorde, raakte ik toch geïnteresseerd in de nieuwe plaat van Anders Trentemøller, want met techno (of het beeld dat ik heb van het genre) heeft Fixion niet zo gek veel te maken.
Op zijn nieuwe plaat eert de Deense muzikant en producer immers de muziek uit de jaren 80 en dat is muziek waar ik nog steeds een zwak voor heb.
Anders Trentemøller had in de jaren 80, net als ik, een voorkeur voor aardedonkere muziek. Op Fixion hoor je de zware baslijnen van bands als Joy Division en New Order, de duistere klanken van een band als The Cure, de dromerige synths tapijten van Gary Numan’s Tubeway Army, de industriële klanken van Depeche Mode, de lichtvoetigheid van Orchestral Manoeuvres In The Dark en vocalen die herinneren aan de hoogtijdagen van Siouxsie Sioux en haar band The Banshees.
Voor deze vocalen tekenen Savages zangeres Jehnny Beth en de Deense zangeres Marie Fisker, maar de rest van de plaat wordt volledig ingekleurd door Anders Trentemøller zelf.
In de meeste tracks bedwelmt Fixion met klanken die zo lijken weggelopen uit de jaren 80, maar Trentemøller doet meer dan het reproduceren van een geluid uit vervlogen tijden. In een aantal tracks combineert de Deense muzikant de klanken uit het verleden met meer eigentijdse elektronische muziek, waarbij het tempo gelukkig redelijk laag blijft. Fixion gaat hier en daar ook wat verder terug in de tijd, want ook de invloedrijke klanken van Kraftwerk hebben hun weg gevonden naar de muziek van Trentemøller.
Ik heb vaak wat moeite met instrumentale muziek, maar bij Trentemøller maakt het eigenlijk niet zoveel uit of hij zangeressen inzet of zelf zorgt voor inkleuring van de donkere en vaak wat overweldigende geluidstapijten.
Fixion is een plaat die vermaakt en intrigeert. Het is aan de ene kant een trip door het verleden, maar Fixion staat ook met één been in het heden. Trentemøller zal dit keer vooral muziekliefhebbers met een zwak voor de jaren 80 raken, maar ik ben inmiddels toch ook benieuwd naar zijn andere werk. Erwin Zijleman
Trevor Beld Jimenez - I Like It Here (2020)

4,0
0
geplaatst: 12 januari 2021, 19:42 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Trevor Beld Jimenez - I Like It Here - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Trevor Beld Jimenez - I Like It Here
Trevor Beld Jimenez is een van de best bewaarde geheimen van de Californische muziekscene en laat op zijn eerste soloalbum de zon uitbundig schijnen met onweerstaanbaar lekkere songs
De naam Trevor Beld Jimenez deed bij mij niet direct een belletje rinkelen, maar ik blijk toch aardig wat albums in mijn bezit te hebben waarop zijn songs zijn te vinden. Op zijn eerste soloalbum duikt de Amerikaanse muzikant diep in de archieven van de Californische popmuziek uit de jaren 70. Folkrock, countryrock en pop worden aan elkaar gesmeed in songs die de zon uitbundig laten schijnen. Het klinkt allemaal heerlijk harmonieus en melodieus, maar Trevor Beld Jimenez schrijft ook geweldige songs, die prachtig worden uitgevoerd door een flink aantal bevriende en gelouterde muzikanten. Echt een heerlijk album om de boel wat op te vrolijken de komende tijd.
De Amerikaanse muzikant Trevor Beld Jimenez ken je misschien van de bands Franklin For Short, Tall Tales & The Silver Lining en Parting Lines, die met zijn drieën goed zijn voor een fatsoenlijk stapeltje albums. Het zijn albums die zich naar verluidt vooral bewegen op het terrein van de countryrock en de folkrock en dat zijn genres die ik normaal gesproken redelijk goed volg.
Deze bands van Trevor Beld Jimenez ken ik echter geen van allen en het is alleen te danken aan het beperkte aantal releases van het moment dat zijn eerste soloalbum deze week op mijn stapel terecht kwam. Daar ben ik blij mee, want I Like It Here is een bijzonder aangenaam album.
Net als de bands van Trevor Beld Jimenez past ook zijn eerste soloalbum in de hokjes folkrock en countryrock. Het is folkrock en countryrock die ruimhartig is overgoten met invloeden uit California en dan met name uit het zuiden van The Golden State. Dat is ook niet zo gek want Trevor Beld Jimenez kreeg de Californische popmuziek met de paplepel ingegoten en woont momenteel in Los Angeles.
Op zijn eerste soloalbum eert de Amerikaanse muzikant de muziek waar hij mee opgroeide. I Like It Here is een album dat van de eerste tot de laatste noot de sfeer van de jaren 70 ademt. Het is een album dat nadrukkelijk put uit de archieven van de Amerikaanse folkrock en countryrock en die van de popmuziek zoals die in de jaren 70 in de Amerikaanse staat werd gemaakt.
De muzikant uit Los Angeles maakte zijn eerste soloalbum met flink wat bevriende muzikanten, onder wie leden van de geweldige band GospelbeacH. Dat is wel een band die ik goed ken, maar ik was vergeten dat Trevor Beld Jimenez ook in deze band een voorname rol speelt, al noemt AllMusic.com hem vreemd genoeg niet als een van de leden van de band.
I Like It Here is zoals gezegd een album dat af en toe zo lijkt weggelopen uit de jaren 70. Uit dit decennium hoorde ik, zeker bij eerste beluistering, vooral invloeden van The Eagles. Het gitaarwerk doet meer dan eens denken aan de albums van The Eagles en ook de wijze waarop Trevor Beld Jimenez steeds weer weet te betoveren met honingzoete melodieën herinnert aan de muziek van een van de grootste bands die California ooit voortbracht.
I Like It Here schiet gelukkig ook allerlei andere kanten op, maar tijdloos blijft het. I Like It Here is zo’n typisch feel-good album dat 36 minuten goed is voor een glimlach, maar de geweldige popliedjes van de muzikant uit Los Angeles blijven ook bijzonder makkelijk en bijzonder lekker hangen, waardoor beluistering van het eerste soloalbum van Trevor Beld Jimenez een steeds aangenamere luisterervaring wordt.
Hier en daar heeft de singer-songwriter uit Los Angeles zijn muziek misschien net wat teveel opgepoetst, maar zolang I Like It Here driftig strooit met de zonnestralen die we zo missen op het moment, vergeef ik het Trevor Beld Jimenez graag.
Waar ik bij eerste beluistering veel van The Eagles hoorde, hoor ik inmiddels, vooral vanwege de zang, ook flink wat van Tom Petty; ook al geen vergelijkingsmateriaal waarvoor Trevor Beld Jimenez zich hoeft te schamen. Laat I Like It Here uit de speakers komen op een koude en donkere winteravond en de Californische zon verlicht en verwarmt de woonkamer op bijzonder aangename wijze met een stel uitstekende songs. Heerlijk. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Trevor Beld Jimenez - I Like It Here - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Trevor Beld Jimenez - I Like It Here
Trevor Beld Jimenez is een van de best bewaarde geheimen van de Californische muziekscene en laat op zijn eerste soloalbum de zon uitbundig schijnen met onweerstaanbaar lekkere songs
De naam Trevor Beld Jimenez deed bij mij niet direct een belletje rinkelen, maar ik blijk toch aardig wat albums in mijn bezit te hebben waarop zijn songs zijn te vinden. Op zijn eerste soloalbum duikt de Amerikaanse muzikant diep in de archieven van de Californische popmuziek uit de jaren 70. Folkrock, countryrock en pop worden aan elkaar gesmeed in songs die de zon uitbundig laten schijnen. Het klinkt allemaal heerlijk harmonieus en melodieus, maar Trevor Beld Jimenez schrijft ook geweldige songs, die prachtig worden uitgevoerd door een flink aantal bevriende en gelouterde muzikanten. Echt een heerlijk album om de boel wat op te vrolijken de komende tijd.
De Amerikaanse muzikant Trevor Beld Jimenez ken je misschien van de bands Franklin For Short, Tall Tales & The Silver Lining en Parting Lines, die met zijn drieën goed zijn voor een fatsoenlijk stapeltje albums. Het zijn albums die zich naar verluidt vooral bewegen op het terrein van de countryrock en de folkrock en dat zijn genres die ik normaal gesproken redelijk goed volg.
Deze bands van Trevor Beld Jimenez ken ik echter geen van allen en het is alleen te danken aan het beperkte aantal releases van het moment dat zijn eerste soloalbum deze week op mijn stapel terecht kwam. Daar ben ik blij mee, want I Like It Here is een bijzonder aangenaam album.
Net als de bands van Trevor Beld Jimenez past ook zijn eerste soloalbum in de hokjes folkrock en countryrock. Het is folkrock en countryrock die ruimhartig is overgoten met invloeden uit California en dan met name uit het zuiden van The Golden State. Dat is ook niet zo gek want Trevor Beld Jimenez kreeg de Californische popmuziek met de paplepel ingegoten en woont momenteel in Los Angeles.
Op zijn eerste soloalbum eert de Amerikaanse muzikant de muziek waar hij mee opgroeide. I Like It Here is een album dat van de eerste tot de laatste noot de sfeer van de jaren 70 ademt. Het is een album dat nadrukkelijk put uit de archieven van de Amerikaanse folkrock en countryrock en die van de popmuziek zoals die in de jaren 70 in de Amerikaanse staat werd gemaakt.
De muzikant uit Los Angeles maakte zijn eerste soloalbum met flink wat bevriende muzikanten, onder wie leden van de geweldige band GospelbeacH. Dat is wel een band die ik goed ken, maar ik was vergeten dat Trevor Beld Jimenez ook in deze band een voorname rol speelt, al noemt AllMusic.com hem vreemd genoeg niet als een van de leden van de band.
I Like It Here is zoals gezegd een album dat af en toe zo lijkt weggelopen uit de jaren 70. Uit dit decennium hoorde ik, zeker bij eerste beluistering, vooral invloeden van The Eagles. Het gitaarwerk doet meer dan eens denken aan de albums van The Eagles en ook de wijze waarop Trevor Beld Jimenez steeds weer weet te betoveren met honingzoete melodieën herinnert aan de muziek van een van de grootste bands die California ooit voortbracht.
I Like It Here schiet gelukkig ook allerlei andere kanten op, maar tijdloos blijft het. I Like It Here is zo’n typisch feel-good album dat 36 minuten goed is voor een glimlach, maar de geweldige popliedjes van de muzikant uit Los Angeles blijven ook bijzonder makkelijk en bijzonder lekker hangen, waardoor beluistering van het eerste soloalbum van Trevor Beld Jimenez een steeds aangenamere luisterervaring wordt.
Hier en daar heeft de singer-songwriter uit Los Angeles zijn muziek misschien net wat teveel opgepoetst, maar zolang I Like It Here driftig strooit met de zonnestralen die we zo missen op het moment, vergeef ik het Trevor Beld Jimenez graag.
Waar ik bij eerste beluistering veel van The Eagles hoorde, hoor ik inmiddels, vooral vanwege de zang, ook flink wat van Tom Petty; ook al geen vergelijkingsmateriaal waarvoor Trevor Beld Jimenez zich hoeft te schamen. Laat I Like It Here uit de speakers komen op een koude en donkere winteravond en de Californische zon verlicht en verwarmt de woonkamer op bijzonder aangename wijze met een stel uitstekende songs. Heerlijk. Erwin Zijleman
Tristen - Unpopular Music (2025)

4,0
0
geplaatst: 17 december 2025, 17:06 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Tristen - Unpopular Music - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: Tristen - Unpopular Music
Bij het doorspitten van stapels jaarlijstjes kwam ik precies één keer Unpopular Music van Tristen tegen en wat is het een mooi en lekker album met hier en daar bijzonder aangename Kacey Musgraves vibes
Direct bij de eerste keer horen wist ik dat ik Unpopular Music van Tristen ga koesteren de komende tijd en sindsdien is het album alleen maar beter geworden. Jaarlijstjeswaardig wat mij betreft, maar mijn lijstje stond helaas al online toen ik het album ontdekte. Tristen maakt warme en tijdloze popmuziek waarin uiteenlopende invloeden zijn verwerkt. Door de muziek, de sfeer en de stem van Tristen doet Unpopular Music af en toe denken aan Kacey Musgraves, maar Tristen heeft absoluut een eigen geluid en het is een geluid waarvan ik nog heel vaak ga genieten de komende tijd. De Amerikaanse muzikante draait al lang mee, maar verdient met haar nieuwe album alle aandacht en lof.
Het overkomt me echt ieder jaar dat ik een paar dagen na het publiceren van mijn jaarlijstje nog een album tegenkom dat absoluut in dit jaarlijstje thuis had gehoord. Het was dit jaar niet anders, want slechts één dag na de publicatie van mijn lijstje over 2025 kwam ik Unpopular Music van Tristen tegen in een lijstje met vergeten popalbums van het afgelopen jaar.
Het was mijn eerste kennismaking met de muziek van Tristen, die tot mijn verbazing al een ruime handvol albums op haar naam heeft staan en inmiddels al zo’n 20 jaar muziek uitbrengt. Ik ken vooralsnog alleen het vorige maand verschenen Unpopular Music en vind het echt een bijzonder lekker, maar ook erg mooi album dat naar veel meer smaakt.
Bij eerste beluistering van het album kwam er direct één naam opzetten en dat is de naam van Kacey Musgraves. Vooral in muzikaal opzicht heeft het nieuwe album van Tristen wel iets van de muziek van Kacey Musgraves, maar ook de stemmen van de twee hebben iets met elkaar gemeen, zonder dat het me in de weg zit.
Tristen is overigens de artiestennaam van de Amerikaanse muzikante Tristen Gaspadarek, die inmiddels al flink wat jaren Nashville, Tennessee, als thuisbasis heeft. Op haar nieuwe album Unpopular Music maakt ze muziek die deels aansluit bij de countrypop zoals die momenteel in Nashville wordt gemaakt, maar op hetzelfde moment zijn de invloeden uit de countrymuziek behoorlijk subtiel in de muziek van Tristen en hoor je muziek die misschien nog wel het best is te omschrijven als tijdloze popmuziek met meestal een vleugje en soms een flinke vleug Amerikaanse rootsmuziek.
Het is muziek die zoals gezegd wel wat doet denken aan de muziek van Kacey Musgraves en dan met name de muziek die ze maakte op haar crossover albums Golden Hour en Deeper Well. Ook Tristen maakt muziek die even lichtvoetig als warm klinkt en het is muziek die zich, in ieder geval bij mij, direct genadeloos opdrong.
Vergeleken met Kacey Musgraves kiest Tristen voor een nog wat breder palet, waarin ook ruimte is voor janglepop, Beatlesque songs en invloeden uit de new wave. De Amerikaanse muzikante is naar eigen zeggen zeer bedreven in het maken van ‘unpopular music’, maar de songs op haar nieuwe album hebben alles dat nodig is om bij een veel breder publiek in de smaak te vallen.
De songs van Tristen liggen niet alleen lekker in het gehoor, maar zitten ook vernuftig in elkaar en zijn zeer gevarieerd ingekleurd. Het maakt van Unpopular Music een heerlijk album, dat nog wat aan kracht wint door de stem van Tristen. Ze beschikt misschien niet over een engelenstem met de allure van die van Kacey Musgraves, maar de zang op Unpopular Music is mooi en heeft wel het bijzondere effect dat ook de stem van Kacey Musgraves op me heeft.
Ik noemde de songs van Tristen eerder tijdloos en dat is wat mij betreft een van de sterke punten van Unpopular Music. Het nieuwe album van de muzikante uit Nashville sluit zoals gezegd soms aan op de countrypop van het moment, maar ik hoor ook veel invloeden uit de jaren 70 in de muziek van Tristen.
Ik begrijp inmiddels waarom Unpopular Music van Tristen in ieder geval één jaarlijstje wordt genoemd, maar ik begrijp niet waarom het album zo weinig aandacht heeft gekregen vorige maand. Alles op het nieuwe album van Tristen ademt wat mij betreft kwaliteit en wat is het een heerlijke album om je mee op te sluiten op een koude en donkere avond. Kacey Musgraves bracht het afgelopen jaar geen album uit, maar Unpopular Music van Tristen komt het dichtst bij haar zo karakteristieke sound. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: Tristen - Unpopular Music - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: Tristen - Unpopular Music
Bij het doorspitten van stapels jaarlijstjes kwam ik precies één keer Unpopular Music van Tristen tegen en wat is het een mooi en lekker album met hier en daar bijzonder aangename Kacey Musgraves vibes
Direct bij de eerste keer horen wist ik dat ik Unpopular Music van Tristen ga koesteren de komende tijd en sindsdien is het album alleen maar beter geworden. Jaarlijstjeswaardig wat mij betreft, maar mijn lijstje stond helaas al online toen ik het album ontdekte. Tristen maakt warme en tijdloze popmuziek waarin uiteenlopende invloeden zijn verwerkt. Door de muziek, de sfeer en de stem van Tristen doet Unpopular Music af en toe denken aan Kacey Musgraves, maar Tristen heeft absoluut een eigen geluid en het is een geluid waarvan ik nog heel vaak ga genieten de komende tijd. De Amerikaanse muzikante draait al lang mee, maar verdient met haar nieuwe album alle aandacht en lof.
Het overkomt me echt ieder jaar dat ik een paar dagen na het publiceren van mijn jaarlijstje nog een album tegenkom dat absoluut in dit jaarlijstje thuis had gehoord. Het was dit jaar niet anders, want slechts één dag na de publicatie van mijn lijstje over 2025 kwam ik Unpopular Music van Tristen tegen in een lijstje met vergeten popalbums van het afgelopen jaar.
Het was mijn eerste kennismaking met de muziek van Tristen, die tot mijn verbazing al een ruime handvol albums op haar naam heeft staan en inmiddels al zo’n 20 jaar muziek uitbrengt. Ik ken vooralsnog alleen het vorige maand verschenen Unpopular Music en vind het echt een bijzonder lekker, maar ook erg mooi album dat naar veel meer smaakt.
Bij eerste beluistering van het album kwam er direct één naam opzetten en dat is de naam van Kacey Musgraves. Vooral in muzikaal opzicht heeft het nieuwe album van Tristen wel iets van de muziek van Kacey Musgraves, maar ook de stemmen van de twee hebben iets met elkaar gemeen, zonder dat het me in de weg zit.
Tristen is overigens de artiestennaam van de Amerikaanse muzikante Tristen Gaspadarek, die inmiddels al flink wat jaren Nashville, Tennessee, als thuisbasis heeft. Op haar nieuwe album Unpopular Music maakt ze muziek die deels aansluit bij de countrypop zoals die momenteel in Nashville wordt gemaakt, maar op hetzelfde moment zijn de invloeden uit de countrymuziek behoorlijk subtiel in de muziek van Tristen en hoor je muziek die misschien nog wel het best is te omschrijven als tijdloze popmuziek met meestal een vleugje en soms een flinke vleug Amerikaanse rootsmuziek.
Het is muziek die zoals gezegd wel wat doet denken aan de muziek van Kacey Musgraves en dan met name de muziek die ze maakte op haar crossover albums Golden Hour en Deeper Well. Ook Tristen maakt muziek die even lichtvoetig als warm klinkt en het is muziek die zich, in ieder geval bij mij, direct genadeloos opdrong.
Vergeleken met Kacey Musgraves kiest Tristen voor een nog wat breder palet, waarin ook ruimte is voor janglepop, Beatlesque songs en invloeden uit de new wave. De Amerikaanse muzikante is naar eigen zeggen zeer bedreven in het maken van ‘unpopular music’, maar de songs op haar nieuwe album hebben alles dat nodig is om bij een veel breder publiek in de smaak te vallen.
De songs van Tristen liggen niet alleen lekker in het gehoor, maar zitten ook vernuftig in elkaar en zijn zeer gevarieerd ingekleurd. Het maakt van Unpopular Music een heerlijk album, dat nog wat aan kracht wint door de stem van Tristen. Ze beschikt misschien niet over een engelenstem met de allure van die van Kacey Musgraves, maar de zang op Unpopular Music is mooi en heeft wel het bijzondere effect dat ook de stem van Kacey Musgraves op me heeft.
Ik noemde de songs van Tristen eerder tijdloos en dat is wat mij betreft een van de sterke punten van Unpopular Music. Het nieuwe album van de muzikante uit Nashville sluit zoals gezegd soms aan op de countrypop van het moment, maar ik hoor ook veel invloeden uit de jaren 70 in de muziek van Tristen.
Ik begrijp inmiddels waarom Unpopular Music van Tristen in ieder geval één jaarlijstje wordt genoemd, maar ik begrijp niet waarom het album zo weinig aandacht heeft gekregen vorige maand. Alles op het nieuwe album van Tristen ademt wat mij betreft kwaliteit en wat is het een heerlijke album om je mee op te sluiten op een koude en donkere avond. Kacey Musgraves bracht het afgelopen jaar geen album uit, maar Unpopular Music van Tristen komt het dichtst bij haar zo karakteristieke sound. Erwin Zijleman
Trixie Whitley - Lacuna (2019)

4,0
1
geplaatst: 31 maart 2019, 10:12 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Trixie Whitley - Lacuna - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Trixie Whitley - Lacuna
Trixie Whitley doet het dit keer flink anders en dat is wennen, maar uiteindelijk grijpen de songs op de plaat je toch weer makkelijk bij de strot
Trixie Whitley kreeg de muziek met de paplepel ingegoten en trad in de voetsporen van haar te vroeg overleden vader zodra dat kon. De afgelopen jaren was het helaas wat stil, maar de muzikante uit New York keert nu terug met een vol en opwindend geluid. Het is een geluid dat wat meer afstand neemt van de rootsmuziek en nog openlijker flirt met triphop en soul. Het is bovendien een geluid waarin de gitaren het hebben verloren van de synths en de drums, maar het is de geweldige stem van Trixie Whitley die de plaat een flink stuk optilt en er voor zorgt dat ook Lacuna weer makkelijk onder de huid kruipt.
Trixie Whitley is de dochter van de muzikant Chris Whitley, die in 1991 debuteerde met het geweldige en onovertroffen Living With The Law en in 2005 overleed op slechts 45-jarige leeftijd.
Trixie Whitley, overigens geboren en opgegroeid in Gent, groeide op rond het podium waarop haar vader zo vaak te vinden was en datzelfde podium zocht ze zelf op toen haar vader was overleden.
In 2010 dook ze op als frontvrouw van de gelegenheidsband Black Dub, die verder bestond uit topmuzikanten Daniel Lanois, Brian Blade en Daryl Johnson.
Na het debuut en vooralsnog de enige plaat van Black Dub, dook Trixie Whitley in 2013 op met het sterke Fourth Corner, dat twee jaar later werd gevolgd door het minstens even goede Porta Bohemica. De afgelopen jaren was het stil rond de vanuit New York opererende singer-songwriter, maar deze week keert Trixie Whitley eindelijk terug met een nieuwe plaat.
Op haar debuut koos Trixie Whitley nog vrijwel uitsluitend voor de Amerikaanse rootsmuziek, maar Porta Bohemica liet bijna vier jaar geleden ook flirts met triphop horen. Op Lacuna kiest Trixie Whitley nog wat nadrukkelijker voor een eigen geluid. Haar soulvolle stem is uiteraard gebleven, maar de instrumentatie op de nieuwe plaat is weer flink anders dan op de twee voorgangers. Lacuna staat vol met bijzondere en vaak opzwepende ritmes, biedt veel meer ruimte aan elektronica, flirt incidenteel met roots en jazz, maar biedt vooral een platform aan triphop en soul.
Ik geef direct toe dat ik erg moest wennen aan Lacuna. Van de stem van Trixie Whitley was ik ook dit keer direct onder de indruk, maar de wat drukke instrumentatie op de plaat had me zeker niet direct te pakken. Wanneer de gitaren domineren, en dat is maar zelden het geval op Lacuna, vond ik het allemaal prachtig, maar voor de wat koele synths en nerveuze ritmes kreeg ik de handen zeker niet direct op elkaar.
Lacuna is een plaat waaraan ik flink moest wennen, maar het is ook een plaat waarvan de puzzelstukjes langzaam maar zeker in elkaar vallen. Het siert Trixie Whitley dat ze niet is blijven hangen in de muziek die haar vader maakte, maar constant probeert te veranderen. Invloeden uit de triphop zijn er misschien nog langzaam maar zeker ingeslopen, maar het meer elektronische geluid op Lacuna en de bijzondere wijze waarop ritmes worden gebruikt zijn echt nieuw.
Het is een geluid dat misschien niet direct lijkt te passen bij de soulvolle strot van Trixie Whitley, maar na enige gewenning versterken het instrumentarium en de vocalen elkaar alleen maar. In de meest soulvolle tracks schuift Trixie Whitley op richting de muziek van een band als Massive Attack, maar gelukkig verloochent de muzikante uit New York ook haar wortels in de Amerikaanse rootsmuziek niet en snijdt ze hier en daar weer door de ziel met intense songs die vol emotie worden vertolkt.
In een aantal anders songs gaat Lacuna wat meer de kant van de pop en R&B op, wat waarschijnlijk de verdienste is van de New Yorkse hip-hop producer Little Shalimar aka Torbitt Schwartz, die Trixie Whitley vergezelde in de studio in Brooklyn. Ook in deze genres weet Trixie Whitley zich makkelijk staande te houden en onderscheidt ze zich makkelijk van de concurrentie.
Al met al even wennen dus deze nieuwe plaat van Trixie Whitley, maar geduld wordt absoluut beloond. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Trixie Whitley - Lacuna - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Trixie Whitley - Lacuna
Trixie Whitley doet het dit keer flink anders en dat is wennen, maar uiteindelijk grijpen de songs op de plaat je toch weer makkelijk bij de strot
Trixie Whitley kreeg de muziek met de paplepel ingegoten en trad in de voetsporen van haar te vroeg overleden vader zodra dat kon. De afgelopen jaren was het helaas wat stil, maar de muzikante uit New York keert nu terug met een vol en opwindend geluid. Het is een geluid dat wat meer afstand neemt van de rootsmuziek en nog openlijker flirt met triphop en soul. Het is bovendien een geluid waarin de gitaren het hebben verloren van de synths en de drums, maar het is de geweldige stem van Trixie Whitley die de plaat een flink stuk optilt en er voor zorgt dat ook Lacuna weer makkelijk onder de huid kruipt.
Trixie Whitley is de dochter van de muzikant Chris Whitley, die in 1991 debuteerde met het geweldige en onovertroffen Living With The Law en in 2005 overleed op slechts 45-jarige leeftijd.
Trixie Whitley, overigens geboren en opgegroeid in Gent, groeide op rond het podium waarop haar vader zo vaak te vinden was en datzelfde podium zocht ze zelf op toen haar vader was overleden.
In 2010 dook ze op als frontvrouw van de gelegenheidsband Black Dub, die verder bestond uit topmuzikanten Daniel Lanois, Brian Blade en Daryl Johnson.
Na het debuut en vooralsnog de enige plaat van Black Dub, dook Trixie Whitley in 2013 op met het sterke Fourth Corner, dat twee jaar later werd gevolgd door het minstens even goede Porta Bohemica. De afgelopen jaren was het stil rond de vanuit New York opererende singer-songwriter, maar deze week keert Trixie Whitley eindelijk terug met een nieuwe plaat.
Op haar debuut koos Trixie Whitley nog vrijwel uitsluitend voor de Amerikaanse rootsmuziek, maar Porta Bohemica liet bijna vier jaar geleden ook flirts met triphop horen. Op Lacuna kiest Trixie Whitley nog wat nadrukkelijker voor een eigen geluid. Haar soulvolle stem is uiteraard gebleven, maar de instrumentatie op de nieuwe plaat is weer flink anders dan op de twee voorgangers. Lacuna staat vol met bijzondere en vaak opzwepende ritmes, biedt veel meer ruimte aan elektronica, flirt incidenteel met roots en jazz, maar biedt vooral een platform aan triphop en soul.
Ik geef direct toe dat ik erg moest wennen aan Lacuna. Van de stem van Trixie Whitley was ik ook dit keer direct onder de indruk, maar de wat drukke instrumentatie op de plaat had me zeker niet direct te pakken. Wanneer de gitaren domineren, en dat is maar zelden het geval op Lacuna, vond ik het allemaal prachtig, maar voor de wat koele synths en nerveuze ritmes kreeg ik de handen zeker niet direct op elkaar.
Lacuna is een plaat waaraan ik flink moest wennen, maar het is ook een plaat waarvan de puzzelstukjes langzaam maar zeker in elkaar vallen. Het siert Trixie Whitley dat ze niet is blijven hangen in de muziek die haar vader maakte, maar constant probeert te veranderen. Invloeden uit de triphop zijn er misschien nog langzaam maar zeker ingeslopen, maar het meer elektronische geluid op Lacuna en de bijzondere wijze waarop ritmes worden gebruikt zijn echt nieuw.
Het is een geluid dat misschien niet direct lijkt te passen bij de soulvolle strot van Trixie Whitley, maar na enige gewenning versterken het instrumentarium en de vocalen elkaar alleen maar. In de meest soulvolle tracks schuift Trixie Whitley op richting de muziek van een band als Massive Attack, maar gelukkig verloochent de muzikante uit New York ook haar wortels in de Amerikaanse rootsmuziek niet en snijdt ze hier en daar weer door de ziel met intense songs die vol emotie worden vertolkt.
In een aantal anders songs gaat Lacuna wat meer de kant van de pop en R&B op, wat waarschijnlijk de verdienste is van de New Yorkse hip-hop producer Little Shalimar aka Torbitt Schwartz, die Trixie Whitley vergezelde in de studio in Brooklyn. Ook in deze genres weet Trixie Whitley zich makkelijk staande te houden en onderscheidt ze zich makkelijk van de concurrentie.
Al met al even wennen dus deze nieuwe plaat van Trixie Whitley, maar geduld wordt absoluut beloond. Erwin Zijleman
Trixie Whitley - Porta Bohemica (2015)

4,5
0
geplaatst: 4 november 2015, 14:13 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Trixie Whitley - Porta Bohemica - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Trixie Whitley is de dochter van de veel te jong overleden Amerikaanse singer-songwriter Chris Whitley.
Trixie was al op jonge leeftijd actief in de muziek en debuteerde in 2010 als lid van de band Black Dub, die verder bestond uit zwaargewichten Daniel Lanois, Brian Blade en Daryl Johnson.
Het debuut van Black Dub werd uitstekend ontvangen, maar persoonlijk vond ik het begin 2013 verschenen solodebuut van Trixie Whitley veel indrukwekkender.
Het door Thomas Bartlett (Doveman) geproduceerde Fourth Corner maakte met name in vocaal opzicht diepe indruk, maar was door de grote muzikale variëteit ook een plaat die je op je in moest laten werken.
Het geldt eigenlijk ook weer voor het onlangs verschenen Porta Bohemica. Trixie Whitley beschikt over een stem waarvan je alleen maar zielsveel kunt houden en vertolkt haar songs ook nog eens met hart en ziel, waardoor veel songs op de plaat je stevig bij de strot grijpen.
In muzikaal opzicht kiest de in Gent opgegroeide maar tegenwoordig vanuit New York opererende zangeres echter voor een minder consistent pad. Trixie Whitley houdt van soul en triphop, is niet vies van pure pop, heeft van haar vader de voorliefde voor aardedonkere blues songs geërfd, maar is ook niet bang voor uiterst ingetogen of zelfs bijna verstilde songs.
Het maakt van Porta Bohemica een bonte lappendeken met geweldige vocalen als rode draad. Zeker bij eerste beluistering maken niet alle tracks op de plaat evenveel indruk en hangt het af van de persoonlijke smaak welke tracks er uit springen.
Voor mij waren dat in eerste instantie de meer roots georiënteerde songs, maar inmiddels ben ik ook zeer gehecht aan de songs waarin Trixie Whitley geen geheim maakt van haar liefde voor triphop.
Wanneer je de plaat vaker hebt gehoord is de variëteit op Porta Bohemica veel minder storend en transformeert de plaat, net als zijn voorganger, tot een intrigerende muzikale reis met uiteindelijk vrijwel uitsluitend hoogtepunten. Wat een talent, wat een goede plaat. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Trixie Whitley - Porta Bohemica - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Trixie Whitley is de dochter van de veel te jong overleden Amerikaanse singer-songwriter Chris Whitley.
Trixie was al op jonge leeftijd actief in de muziek en debuteerde in 2010 als lid van de band Black Dub, die verder bestond uit zwaargewichten Daniel Lanois, Brian Blade en Daryl Johnson.
Het debuut van Black Dub werd uitstekend ontvangen, maar persoonlijk vond ik het begin 2013 verschenen solodebuut van Trixie Whitley veel indrukwekkender.
Het door Thomas Bartlett (Doveman) geproduceerde Fourth Corner maakte met name in vocaal opzicht diepe indruk, maar was door de grote muzikale variëteit ook een plaat die je op je in moest laten werken.
Het geldt eigenlijk ook weer voor het onlangs verschenen Porta Bohemica. Trixie Whitley beschikt over een stem waarvan je alleen maar zielsveel kunt houden en vertolkt haar songs ook nog eens met hart en ziel, waardoor veel songs op de plaat je stevig bij de strot grijpen.
In muzikaal opzicht kiest de in Gent opgegroeide maar tegenwoordig vanuit New York opererende zangeres echter voor een minder consistent pad. Trixie Whitley houdt van soul en triphop, is niet vies van pure pop, heeft van haar vader de voorliefde voor aardedonkere blues songs geërfd, maar is ook niet bang voor uiterst ingetogen of zelfs bijna verstilde songs.
Het maakt van Porta Bohemica een bonte lappendeken met geweldige vocalen als rode draad. Zeker bij eerste beluistering maken niet alle tracks op de plaat evenveel indruk en hangt het af van de persoonlijke smaak welke tracks er uit springen.
Voor mij waren dat in eerste instantie de meer roots georiënteerde songs, maar inmiddels ben ik ook zeer gehecht aan de songs waarin Trixie Whitley geen geheim maakt van haar liefde voor triphop.
Wanneer je de plaat vaker hebt gehoord is de variëteit op Porta Bohemica veel minder storend en transformeert de plaat, net als zijn voorganger, tot een intrigerende muzikale reis met uiteindelijk vrijwel uitsluitend hoogtepunten. Wat een talent, wat een goede plaat. Erwin Zijleman
Trousdale - Growing Pains (2025)

4,0
0
geplaatst: 26 december 2025, 20:22 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Trousdale - Growing Pains - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: Trousdale - Growing Pains
Georgia Greene, Lauren Jones en Quinn D’Andrea treden met Trousdale in de voetsporen van onder andere Wilson Phillips en betoveren met drie mooie stemmen en vooral met werkelijk prachtige harmonieën
Countrypop is me al snel wat te glad en dat geldt ook voor de countrypop die Trousdale maakt op haar tweede album. Het is countrypop met meer pop dan country en het is countrypop met invloeden uit de popmuziek zoals die in Los Angeles wordt gemaakt, maar Trousdale weet wat mij betreft toch te overtuigen. Dat doet het drietal met lekker in het gehoor liggende songs, maar vooral met de stemmen en met name de harmonieën van Georgia Greene, Lauren Jones en Quinn D’Andrea, die herinneren aan de betoverend mooie Californische harmonieën uit het verleden.
Nog meer countrypop. Ik zie op de sociale media al een tijdje reclame voorbij komen voor een concert van de Amerikaanse band Trousdale in Utrecht volgend jaar. Volgens deze reclame zou Trousdale een ware countrypop sensatie zijn en dat triggerde bij mij in ieder geval iets van nieuwsgierigheid. Het is immers een genre dat ik volgens mij redelijk goed volg, maar het in 2023 verschenen debuutalbum van Trousdale heb ik gemist en hetzelfde geldt voor het afgelopen voorjaar verschenen Growing Pains.
Misschien heb ik mijn blik wat teveel op Nashville gericht, want Trousdale komt voor de afwisseling eens uit Los Angeles. Nu is countrypop uit Los Angeles meestal nog wat gepolijster dan de muziek die in Nashville in het genre wordt gemaakt, maar Growing Pains van Trousdale had mijn aandacht zeker verdiend het afgelopen voorjaar.
Trousdale is een trio dat bestaat uit Georgia Greene, Lauren Jones en Quinn D’Andrea en dat twee klassiek geschoolde pianisten in de gelederen heeft. De drie vertolkten in eerste instantie vooral songs van anderen en trokken de aandacht met covers van onder andere ABBA, waarna ze doorbraken met een versie van Wouldn’t It Be Nice van The Beach Boys, wat in ieder geval getuigt van goede smaak.
Het debuutalbum van het drietal was in de Verenigde Staten volgens mij behoorlijk succesvol en ook over Growing Pains lees ik een aantal positieve recensies, al zijn het er niet zoveel als je bij een succesvolle countrypop act zou verwachten. Countrypop is het hokje waar ook ik het tweede album van Trousdale in zou stoppen, al maken Georgia Greene, Lauren Jones en Quinn D’Andrea niet het soort countrypop dat in Nashville wordt gemaakt.
Ik hou over het algemeen van countrypop waarin de country het ruimschoots wint van de pop en dat is op Growing Pains van Trousdale niet het geval. Het trio uit Los Angeles verwerkt absoluut invloeden uit de country in haar muziek, maar het aandeel van invloeden uit de pop is groter.
Georgia Greene, Lauren Jones en Quinn D’Andrea opereren zoals gezegd vanuit Los Angeles en dat hoor je, want invloeden uit de Californische popmuziek spelen een voorname rol op het album. Dat hoor je in het goede gevoel voor aansprekende popsongs, maar je hoort het vooral in de muzikale en de vocale arrangementen op het album.
In muzikaal opzicht vind ik Growing Pains wat aan de brave kant en ook de songs van Georgia Greene, Lauren Jones en Quinn D’Andrea kleuren vooral binnen de lijntjes, maar de drie maken veel goed met hun stemmen. Trousdale beschikt over drie uitstekende zangeressen, die alle drie in staat zijn om een song net dat beetje op te tillen om op te vallen, maar de magie ontstaat wanneer de stemmen van de drie samenvloeien in prachtige harmonieën.
Het doet me meer dan eens denken aan de muziek die Wilson Phillips aan het begin van de jaren 90 maakte. Ook die muziek was enorm gepolijst of zelfs glad, maar de harmonieën van Wilson Phillips kon ik niet weerstaan en deden me keer op keer smelten. Wilson Phillips beschikte over de genen van Brian Wilson en John en Michelle Phillips, maar Georgia Greene, Lauren Jones en Quinn D’Andrea komen absoluut in de buurt met uitstekende zang en betoverend mooie harmonieën. Alle reden dus om Growing Pains van Trousdale een kans te geven. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: Trousdale - Growing Pains - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: Trousdale - Growing Pains
Georgia Greene, Lauren Jones en Quinn D’Andrea treden met Trousdale in de voetsporen van onder andere Wilson Phillips en betoveren met drie mooie stemmen en vooral met werkelijk prachtige harmonieën
Countrypop is me al snel wat te glad en dat geldt ook voor de countrypop die Trousdale maakt op haar tweede album. Het is countrypop met meer pop dan country en het is countrypop met invloeden uit de popmuziek zoals die in Los Angeles wordt gemaakt, maar Trousdale weet wat mij betreft toch te overtuigen. Dat doet het drietal met lekker in het gehoor liggende songs, maar vooral met de stemmen en met name de harmonieën van Georgia Greene, Lauren Jones en Quinn D’Andrea, die herinneren aan de betoverend mooie Californische harmonieën uit het verleden.
Nog meer countrypop. Ik zie op de sociale media al een tijdje reclame voorbij komen voor een concert van de Amerikaanse band Trousdale in Utrecht volgend jaar. Volgens deze reclame zou Trousdale een ware countrypop sensatie zijn en dat triggerde bij mij in ieder geval iets van nieuwsgierigheid. Het is immers een genre dat ik volgens mij redelijk goed volg, maar het in 2023 verschenen debuutalbum van Trousdale heb ik gemist en hetzelfde geldt voor het afgelopen voorjaar verschenen Growing Pains.
Misschien heb ik mijn blik wat teveel op Nashville gericht, want Trousdale komt voor de afwisseling eens uit Los Angeles. Nu is countrypop uit Los Angeles meestal nog wat gepolijster dan de muziek die in Nashville in het genre wordt gemaakt, maar Growing Pains van Trousdale had mijn aandacht zeker verdiend het afgelopen voorjaar.
Trousdale is een trio dat bestaat uit Georgia Greene, Lauren Jones en Quinn D’Andrea en dat twee klassiek geschoolde pianisten in de gelederen heeft. De drie vertolkten in eerste instantie vooral songs van anderen en trokken de aandacht met covers van onder andere ABBA, waarna ze doorbraken met een versie van Wouldn’t It Be Nice van The Beach Boys, wat in ieder geval getuigt van goede smaak.
Het debuutalbum van het drietal was in de Verenigde Staten volgens mij behoorlijk succesvol en ook over Growing Pains lees ik een aantal positieve recensies, al zijn het er niet zoveel als je bij een succesvolle countrypop act zou verwachten. Countrypop is het hokje waar ook ik het tweede album van Trousdale in zou stoppen, al maken Georgia Greene, Lauren Jones en Quinn D’Andrea niet het soort countrypop dat in Nashville wordt gemaakt.
Ik hou over het algemeen van countrypop waarin de country het ruimschoots wint van de pop en dat is op Growing Pains van Trousdale niet het geval. Het trio uit Los Angeles verwerkt absoluut invloeden uit de country in haar muziek, maar het aandeel van invloeden uit de pop is groter.
Georgia Greene, Lauren Jones en Quinn D’Andrea opereren zoals gezegd vanuit Los Angeles en dat hoor je, want invloeden uit de Californische popmuziek spelen een voorname rol op het album. Dat hoor je in het goede gevoel voor aansprekende popsongs, maar je hoort het vooral in de muzikale en de vocale arrangementen op het album.
In muzikaal opzicht vind ik Growing Pains wat aan de brave kant en ook de songs van Georgia Greene, Lauren Jones en Quinn D’Andrea kleuren vooral binnen de lijntjes, maar de drie maken veel goed met hun stemmen. Trousdale beschikt over drie uitstekende zangeressen, die alle drie in staat zijn om een song net dat beetje op te tillen om op te vallen, maar de magie ontstaat wanneer de stemmen van de drie samenvloeien in prachtige harmonieën.
Het doet me meer dan eens denken aan de muziek die Wilson Phillips aan het begin van de jaren 90 maakte. Ook die muziek was enorm gepolijst of zelfs glad, maar de harmonieën van Wilson Phillips kon ik niet weerstaan en deden me keer op keer smelten. Wilson Phillips beschikte over de genen van Brian Wilson en John en Michelle Phillips, maar Georgia Greene, Lauren Jones en Quinn D’Andrea komen absoluut in de buurt met uitstekende zang en betoverend mooie harmonieën. Alle reden dus om Growing Pains van Trousdale een kans te geven. Erwin Zijleman
Tucker Zimmerman - Dance of Love (2024)

4,5
4
geplaatst: 13 oktober 2024, 10:27 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Tucker Zimmerman - Dance Of Love - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Tucker Zimmerman - Dance Of Love
De Amerikaanse band Big Thief neemt de wat vergeten en ondergewaardeerde Amerikaanse singer-songwriter Tucker Zimmerman op sleeptouw, wat met Dance Of Love een fraai en emotioneel album oplevert
Big Thief neemt de tijd voor haar nieuwe album, maar vond wel de tijd om mee te spelen op het nieuwe album van Tucker Zimmerman. De Amerikaanse singer-songwriter is de 80 inmiddels gepasseerd en kreeg nooit de waardering van een groot publiek, ondanks het feit dat hij werd bewonderd door een aantal grote muzikanten. De combinatie met Big Thief pakt verrassend goed uit. De band kan goed uit de voeten met de ingetogen folk en country die is te horen op het album, terwijl de stem van frontvrouw Adrianne Lenker fraai combineert met die van Tucker Zimmerman. Hier en daar slaat de meligheid wat toe, maar over de hele linie is Dance Of Love een mooi en indringend album.
Tucker Zimmerman is volgens AllMusic.com een onderschatte Amerikaanse singer-songwriter, die al vanaf het eind vanaf de jaren 60 aan de weg timmert, maar wiens muziek nooit op de juiste waarde is geschat. Ik had echt nog nooit van Tucker Zimmerman, die look lange tijd in Engeland en België verbleef, gehoord en dat was waarschijnlijk niet veranderd wanneer de inmiddels 83 jaar oude singer-songwriter deze week geen album had uitgebracht waarop ook de Amerikaanse band Big Thief is te horen.
Big Thief’s Adrianne Lenker bewonderde Tucker Zimmerman al een tijdje en hielp de Amerikaanse muzikant aan een platencontract bij het gerenommeerde 4AD label, waar ook Big Thief onderdak heeft gevonden. Het levert deze week het album Dance Of Love op en dat album krijgt door de bijdragen van Big Thief veel meer aandacht dan de vorige albums van Tucker Zimmerman. Big Thief tekende voor de muziek op en de productie van Dance Of Love, terwijl Adrianne Lenker in de meeste songs, samen met Tucker Zimmerman, tekent voor de zang.
Als ik een tijdje niet naar de stem van Adrianne Lenker heb geluisterd moet ik altijd weer even wennen aan haar kwetsbare en soms wat onvaste stemgeluid. Wat dat betreft is Dance Of Love dubbel wennen, wat ook de door de jaren getekende stem van Tucker Zimmerman klinkt behoorlijk kwetsbaar en ook wel wat onvast.
In muzikaal opzicht borduurt Dance Of Love voor op de door country en folk gedomineerde songs op Big Thief’s laatste album Dragon New Warm Mountain I Believe In You, dat inmiddels ruim tweeënhalf jaar oud is. In de openingstrack is fraai pedal steel spel te horen en ook het gitaarwerk van Buck Meek is, zoals altijd, dik in orde. De gitarist heeft weer meerdere geluiden in de aanbieding en ze zijn allemaal mooi en trefzeker.
Dance Of love bevat ingetogen en met veel gevoel gespeelde songs en deze passen waarschijnlijk het best bij de zang van Tucker Zimmerman en Adrianne Lenker. Het is zang waar ik weer even aan moest wennen, maar uiteindelijk passen de stemmen van de twee perfect bij elkaar en slagen de twee kwetsbaar en wat onvast klinkende stemmen er in om elkaar fraai te versterken. De Big Thief zangeres en de oude folkie zingen ook allebei met veel emotie, wat de songs op het album voorziet van urgentie.
Tucker Zimmerman is in het verleden door velen geprezen als songwriter (David Bowie was ook een fan) en dat dit niet voor niets was hoor je in de songs op Dance Of Love, die makkelijk blijven hangen en die het vakmanschap van Tucker Zimmerman etaleren. Dance Of Love klinkt hier en daar als een album dat als een vloek en een zucht in elkaar is geflanst, maar dit geeft het album een bepaalde charme en zorgt er bovendien voor dat de samenwerking tussen Big Thief en Tucker Zimmerman puur en oprecht klinkt.
Dance Of Love wakkert bij mij zeker het verlangen naar een nieuw Big Thief album aan, maar de samenwerking met de mij volkomen onbekende Tucker Zimmerman vind ik ook zeer geslaagd. Dance Of Love zet de inmiddels 83 jaar oude muzikant niet alleen terecht in de spotlights, maar is ook een mooie aanleiding om zijn oude werk eens te beluisteren. Ik zou beginnen bij zijn overtuigende debuutalbum Ten Songs By Tucker Zimmerman uit 1969, dat werd geproduceerd door niemand minder dan Tony Visconti en waarop ook topmuzikanten als Rick Wakeman en Aynsley Dunbar zijn te horen. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Tucker Zimmerman - Dance Of Love - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Tucker Zimmerman - Dance Of Love
De Amerikaanse band Big Thief neemt de wat vergeten en ondergewaardeerde Amerikaanse singer-songwriter Tucker Zimmerman op sleeptouw, wat met Dance Of Love een fraai en emotioneel album oplevert
Big Thief neemt de tijd voor haar nieuwe album, maar vond wel de tijd om mee te spelen op het nieuwe album van Tucker Zimmerman. De Amerikaanse singer-songwriter is de 80 inmiddels gepasseerd en kreeg nooit de waardering van een groot publiek, ondanks het feit dat hij werd bewonderd door een aantal grote muzikanten. De combinatie met Big Thief pakt verrassend goed uit. De band kan goed uit de voeten met de ingetogen folk en country die is te horen op het album, terwijl de stem van frontvrouw Adrianne Lenker fraai combineert met die van Tucker Zimmerman. Hier en daar slaat de meligheid wat toe, maar over de hele linie is Dance Of Love een mooi en indringend album.
Tucker Zimmerman is volgens AllMusic.com een onderschatte Amerikaanse singer-songwriter, die al vanaf het eind vanaf de jaren 60 aan de weg timmert, maar wiens muziek nooit op de juiste waarde is geschat. Ik had echt nog nooit van Tucker Zimmerman, die look lange tijd in Engeland en België verbleef, gehoord en dat was waarschijnlijk niet veranderd wanneer de inmiddels 83 jaar oude singer-songwriter deze week geen album had uitgebracht waarop ook de Amerikaanse band Big Thief is te horen.
Big Thief’s Adrianne Lenker bewonderde Tucker Zimmerman al een tijdje en hielp de Amerikaanse muzikant aan een platencontract bij het gerenommeerde 4AD label, waar ook Big Thief onderdak heeft gevonden. Het levert deze week het album Dance Of Love op en dat album krijgt door de bijdragen van Big Thief veel meer aandacht dan de vorige albums van Tucker Zimmerman. Big Thief tekende voor de muziek op en de productie van Dance Of Love, terwijl Adrianne Lenker in de meeste songs, samen met Tucker Zimmerman, tekent voor de zang.
Als ik een tijdje niet naar de stem van Adrianne Lenker heb geluisterd moet ik altijd weer even wennen aan haar kwetsbare en soms wat onvaste stemgeluid. Wat dat betreft is Dance Of Love dubbel wennen, wat ook de door de jaren getekende stem van Tucker Zimmerman klinkt behoorlijk kwetsbaar en ook wel wat onvast.
In muzikaal opzicht borduurt Dance Of Love voor op de door country en folk gedomineerde songs op Big Thief’s laatste album Dragon New Warm Mountain I Believe In You, dat inmiddels ruim tweeënhalf jaar oud is. In de openingstrack is fraai pedal steel spel te horen en ook het gitaarwerk van Buck Meek is, zoals altijd, dik in orde. De gitarist heeft weer meerdere geluiden in de aanbieding en ze zijn allemaal mooi en trefzeker.
Dance Of love bevat ingetogen en met veel gevoel gespeelde songs en deze passen waarschijnlijk het best bij de zang van Tucker Zimmerman en Adrianne Lenker. Het is zang waar ik weer even aan moest wennen, maar uiteindelijk passen de stemmen van de twee perfect bij elkaar en slagen de twee kwetsbaar en wat onvast klinkende stemmen er in om elkaar fraai te versterken. De Big Thief zangeres en de oude folkie zingen ook allebei met veel emotie, wat de songs op het album voorziet van urgentie.
Tucker Zimmerman is in het verleden door velen geprezen als songwriter (David Bowie was ook een fan) en dat dit niet voor niets was hoor je in de songs op Dance Of Love, die makkelijk blijven hangen en die het vakmanschap van Tucker Zimmerman etaleren. Dance Of Love klinkt hier en daar als een album dat als een vloek en een zucht in elkaar is geflanst, maar dit geeft het album een bepaalde charme en zorgt er bovendien voor dat de samenwerking tussen Big Thief en Tucker Zimmerman puur en oprecht klinkt.
Dance Of Love wakkert bij mij zeker het verlangen naar een nieuw Big Thief album aan, maar de samenwerking met de mij volkomen onbekende Tucker Zimmerman vind ik ook zeer geslaagd. Dance Of Love zet de inmiddels 83 jaar oude muzikant niet alleen terecht in de spotlights, maar is ook een mooie aanleiding om zijn oude werk eens te beluisteren. Ik zou beginnen bij zijn overtuigende debuutalbum Ten Songs By Tucker Zimmerman uit 1969, dat werd geproduceerd door niemand minder dan Tony Visconti en waarop ook topmuzikanten als Rick Wakeman en Aynsley Dunbar zijn te horen. Erwin Zijleman
Tulpa - Monster of the Week (2025)

4,0
0
geplaatst: 1 december 2025, 20:34 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Tulpa - Monster Of The Week - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: Tulpa - Monster Of The Week
Het deze week verschenen debuutalbum van de Britse band Tulpa krijgt nog niet heel veel aandacht, maar de frisse indiepop songs met een beetje postpunk op Monster Of The Week verdienen deze aandacht absoluut
Tulpa is een band uit het Britse Leeds die het wel eens ver kan gaan schoppen, als gerechtigheid bestaat tenminste. De band vermengt een aantal bekend klinkende invloeden uit met name de postpunk en de indierock, maar maakt er, mede door de zang van frontvrouw Josie Kirk, frisse indiepop songs van. Het klinkt allemaal bijzonder lekker, maar de Britse band durft ook buiten de lijntjes te kleuren met gevarieerd gitaarwerk en hier en daar het nodige experiment. Monster Of The Week is zeker geen perfect debuutalbum, maar de beste songs op het album zijn echt heel goed en smaken naar veel meer. Het debuutalbum van Tulpa verschijnt misschien niet op het handigste moment, maar dit leuke album mag echt niet ondersneeuwen.
Monster Of The Week is het debuutalbum van de Britse band Tulpa. Het is een band die wordt aangeprezen met het feit dat drie leden van de band een verleden hebben in de Britse postpunk bands Mush en Drahla. Dat zijn namen die mij eerlijk gezegd helemaal niets zeggen, maar ik ben over het algemeen ook niet zo gek op postpunk en zeker niet op postpunk uit het heden.
De band uit Leeds heeft voor haar debuutalbum een beroep gedaan op producer Jamie Lockhart, die ook vooral postpunk albums heeft geproduceerd. Met twee gitaristen, een drummer en een producer met flink wat ervaring in de postpunk, kan het debuutalbum van Tulpa eigenlijk ook alleen maar een postpunk album zijn, maar de Britse band beschikt over een geheim wapen dat het album toch een net wat andere kant op duwt.
Dat geheime wapen is zangeres en bassiste Josie Kirk, die het geluid van Tulpa een frisse popinjectie geeft. Het betekent niet dat Monster Of The Week zich niet heeft laten beïnvloeden door postpunk. Zeker het gitaarwerk op het album duwt de muziek van de band uit Leeds de kant van de postpunk op en ook het drumwerk is beïnvloed door de muziek die de drummer van de band in het verleden maakte.
Josie Kirk is zelf ook niet vies van een postpunk achtig basloopje met een vleugje New Order hier en daar, maar ze voorziet het geluid van Tulpa vooral van zonnestralen. Monster Of The Week staat vol met frisse popsongs met naast invloeden uit de postpunk ook invloeden uit de indiepop en de indierock. Het zijn heerlijke melodieuze popsongs die profiteren van de enigszins onderkoelde maar ook fris klinkende zang van Josie Kirk.
Het doet wel wat denken aan de indierock bands met een vrouwelijk boegbeeld uit de jaren 90 als Throwing Muses en Belly, maar ik hoor af en toe ook zeker wat van een band als The Sundays, zeker als de gitaristen van de band tekenen voor bijzonder lekkere en melodieuze gitaarlijnen. Tulpa komt uit Leeds, maar het debuutalbum van de band doet me ook denken aan een aantal bandjes die in de jaren 90 Glasgow als thuisbasis hadden.
Monster Of The Week klonk eigenlijk direct bij eerste beluistering vertrouwd, maar de combinatie van invloeden op het debuutalbum van Tulpa is best bijzonder, waardoor de Britse band een album heeft gemaakt dat er voor mij uit springt deze week. Het is vooral de verdienste van Josie Kirk, want op het moment dat ze de leadzang in twee tracks aan een van de mannelijke leden van de band laat, is de magie in ieder geval voor mij direct helemaal weg.
Verstandig dus als de mannelijke leden van de band zich beperken tot strakke drums en afwisselend jengelend en gruizig gitaarwerk en de frontvrouw van de band laten schitteren met een stem die de soms wat ruwe songs van de band voorziet van zonnestralen en plezier.
Zeker in de eerste tracks van het album vermaakt Tulpa bijzonder makkelijk, maar ook als de band wat later op het album kiest voor net wat minder licht verteerbare songs en invloeden uit de psychedelica toevoegt aan haar muziek, overtuigt de band uit Leeds me bijzonder makkelijk.
Het debuutalbum van Tulpa is het soort album dat Pitchfork wekelijks oppakt, maar de Amerikaanse muzieksite doet deze week een weinig aansprekende greep uit het aanbod. En ook Paste geeft niet thuis helaas. Ik pik zelf Monster Of The Week van Tulpa er wel uit, want wat is dit een leuk album. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: Tulpa - Monster Of The Week - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: Tulpa - Monster Of The Week
Het deze week verschenen debuutalbum van de Britse band Tulpa krijgt nog niet heel veel aandacht, maar de frisse indiepop songs met een beetje postpunk op Monster Of The Week verdienen deze aandacht absoluut
Tulpa is een band uit het Britse Leeds die het wel eens ver kan gaan schoppen, als gerechtigheid bestaat tenminste. De band vermengt een aantal bekend klinkende invloeden uit met name de postpunk en de indierock, maar maakt er, mede door de zang van frontvrouw Josie Kirk, frisse indiepop songs van. Het klinkt allemaal bijzonder lekker, maar de Britse band durft ook buiten de lijntjes te kleuren met gevarieerd gitaarwerk en hier en daar het nodige experiment. Monster Of The Week is zeker geen perfect debuutalbum, maar de beste songs op het album zijn echt heel goed en smaken naar veel meer. Het debuutalbum van Tulpa verschijnt misschien niet op het handigste moment, maar dit leuke album mag echt niet ondersneeuwen.
Monster Of The Week is het debuutalbum van de Britse band Tulpa. Het is een band die wordt aangeprezen met het feit dat drie leden van de band een verleden hebben in de Britse postpunk bands Mush en Drahla. Dat zijn namen die mij eerlijk gezegd helemaal niets zeggen, maar ik ben over het algemeen ook niet zo gek op postpunk en zeker niet op postpunk uit het heden.
De band uit Leeds heeft voor haar debuutalbum een beroep gedaan op producer Jamie Lockhart, die ook vooral postpunk albums heeft geproduceerd. Met twee gitaristen, een drummer en een producer met flink wat ervaring in de postpunk, kan het debuutalbum van Tulpa eigenlijk ook alleen maar een postpunk album zijn, maar de Britse band beschikt over een geheim wapen dat het album toch een net wat andere kant op duwt.
Dat geheime wapen is zangeres en bassiste Josie Kirk, die het geluid van Tulpa een frisse popinjectie geeft. Het betekent niet dat Monster Of The Week zich niet heeft laten beïnvloeden door postpunk. Zeker het gitaarwerk op het album duwt de muziek van de band uit Leeds de kant van de postpunk op en ook het drumwerk is beïnvloed door de muziek die de drummer van de band in het verleden maakte.
Josie Kirk is zelf ook niet vies van een postpunk achtig basloopje met een vleugje New Order hier en daar, maar ze voorziet het geluid van Tulpa vooral van zonnestralen. Monster Of The Week staat vol met frisse popsongs met naast invloeden uit de postpunk ook invloeden uit de indiepop en de indierock. Het zijn heerlijke melodieuze popsongs die profiteren van de enigszins onderkoelde maar ook fris klinkende zang van Josie Kirk.
Het doet wel wat denken aan de indierock bands met een vrouwelijk boegbeeld uit de jaren 90 als Throwing Muses en Belly, maar ik hoor af en toe ook zeker wat van een band als The Sundays, zeker als de gitaristen van de band tekenen voor bijzonder lekkere en melodieuze gitaarlijnen. Tulpa komt uit Leeds, maar het debuutalbum van de band doet me ook denken aan een aantal bandjes die in de jaren 90 Glasgow als thuisbasis hadden.
Monster Of The Week klonk eigenlijk direct bij eerste beluistering vertrouwd, maar de combinatie van invloeden op het debuutalbum van Tulpa is best bijzonder, waardoor de Britse band een album heeft gemaakt dat er voor mij uit springt deze week. Het is vooral de verdienste van Josie Kirk, want op het moment dat ze de leadzang in twee tracks aan een van de mannelijke leden van de band laat, is de magie in ieder geval voor mij direct helemaal weg.
Verstandig dus als de mannelijke leden van de band zich beperken tot strakke drums en afwisselend jengelend en gruizig gitaarwerk en de frontvrouw van de band laten schitteren met een stem die de soms wat ruwe songs van de band voorziet van zonnestralen en plezier.
Zeker in de eerste tracks van het album vermaakt Tulpa bijzonder makkelijk, maar ook als de band wat later op het album kiest voor net wat minder licht verteerbare songs en invloeden uit de psychedelica toevoegt aan haar muziek, overtuigt de band uit Leeds me bijzonder makkelijk.
Het debuutalbum van Tulpa is het soort album dat Pitchfork wekelijks oppakt, maar de Amerikaanse muzieksite doet deze week een weinig aansprekende greep uit het aanbod. En ook Paste geeft niet thuis helaas. Ik pik zelf Monster Of The Week van Tulpa er wel uit, want wat is dit een leuk album. Erwin Zijleman
tUnE-yArDs - Nikki Nack (2014)

0
geplaatst: 14 mei 2014, 15:48 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Tune-Yards - Nikki Nack - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
WHOKILL, de vorige plaat van tUnE-yArDs, haalde ik ruim twee jaar geleden uit het jaarlijstje van PopMatters.com, dat de plaat in de top 5 over 2011 zette.
Op het moment dat ik de (uiteindelijk zeer positieve) recensie schreef kon ik nog geen chocolade maken van de muziek van het alter ego van de Amerikaanse muzikante Merrill Garbus, maar de plaat intrigeerde me hopeloos.
WHOKILL dat me in eerste instantie vaag herinnerde aan de muziek van onder andere Peter Gabriel, Talking Heads, M.I.A, Solex en aan Paul Simon’s Graceland groeide uiteindelijk nog lang door, al zal ik nog steeds niet beweren dat ik de muziek van Merrill Garbus volledig kan doorgronden of zelfs maar enigszins begrijpen.
Vanwege de goede ervaringen met WHOKILL, heb ik de nieuwe plaat van tUnE-yArDs, dat zich tegenwoordig gewoon Tune-Yards noemt en dat is wel zo makkelijk, direct opgepikt en op het moment dat ik deze recensie schrijf ben ik ongeveer net zo ver met Nikki Nack als ik ruim twee jaar geleden was met WHOKILL. Kortom, al ik eerlijk ben begrijp ik er helemaal niets van, maar op één of andere manier kan ik deze plaat niet los laten en geniet ik er ook nog eens enorm van.
Nikki Nack is zeker geen kopie van zijn voorganger, maar desondanks kom ik bij beluistering van Nikki Nack met hetzelfde rijtje namen op de proppen als twee jaar geleden: Peter Gabriel, Talking Heads, M.I.A, Solex en Paul Simon’s Graceland dus, al wil ik er dit keer de Tom Tom Club en Santigold aan toevoegen; ook direct voor de beschrijving van WHOKILL overigens.
De muziek van Tune-Yards is nog steeds ADHD muziek van een bijzondere soort. Druk, springerig, ongrijpbaar, maar ook op een prettige manier energiek en zeker niet zo ontoegankelijk als het bovenstaande doet vermoeden.
Nikki Nack is minstens net zo bijzonder en ongrijpbaar als WHOKILL, maar klinkt toch anders. Merrill Garbus heeft zich dit keer laten beïnvloeden door Haïtiaanse muziek, maar verwerkt deze invloeden op geheel eigen wijze, net als invloeden uit de zwarte Amerikaanse muziek, die nadrukkelijker aanwezig zijn dan op de voorganger van Nikki Nack.
De instrumentatie en de zang op de plaat klinken bij vlagen prachtig, maar de songstructuren zijn zo complex en vervreemdend dat het je bij eerste beluistering zal duizelen, zeker wanneer ze worden gecombineerd met bijna platvloerse refreinen. Ik heb ook momenten dat ik stapelgek wordt van deze plaat, maar hiertegenover staan momenten waarin ik de muziek en de humoristische teksten van Merrill Garbus volledig wil doorgronden en maar geen genoeg krijg van deze unieke plaat.
Of wat voor mij geldt ook voor anderen geldt durf ik niet te voorspellen; daarvoor is de muziek van Tune-Yards te afwijkend en te vreemd. ‘Een beetje vreemd, maar wel lekker’ was een paar jaar geleden de slogan van Rivella (niet te drinken overigens). ‘Heel vreemd, maar bijzonder lekker’ zou een mooie slogan voor het aanprijzen van Nikki Nack van Tune-Yards kunnen zijn. Bij deze. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Tune-Yards - Nikki Nack - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
WHOKILL, de vorige plaat van tUnE-yArDs, haalde ik ruim twee jaar geleden uit het jaarlijstje van PopMatters.com, dat de plaat in de top 5 over 2011 zette.
Op het moment dat ik de (uiteindelijk zeer positieve) recensie schreef kon ik nog geen chocolade maken van de muziek van het alter ego van de Amerikaanse muzikante Merrill Garbus, maar de plaat intrigeerde me hopeloos.
WHOKILL dat me in eerste instantie vaag herinnerde aan de muziek van onder andere Peter Gabriel, Talking Heads, M.I.A, Solex en aan Paul Simon’s Graceland groeide uiteindelijk nog lang door, al zal ik nog steeds niet beweren dat ik de muziek van Merrill Garbus volledig kan doorgronden of zelfs maar enigszins begrijpen.
Vanwege de goede ervaringen met WHOKILL, heb ik de nieuwe plaat van tUnE-yArDs, dat zich tegenwoordig gewoon Tune-Yards noemt en dat is wel zo makkelijk, direct opgepikt en op het moment dat ik deze recensie schrijf ben ik ongeveer net zo ver met Nikki Nack als ik ruim twee jaar geleden was met WHOKILL. Kortom, al ik eerlijk ben begrijp ik er helemaal niets van, maar op één of andere manier kan ik deze plaat niet los laten en geniet ik er ook nog eens enorm van.
Nikki Nack is zeker geen kopie van zijn voorganger, maar desondanks kom ik bij beluistering van Nikki Nack met hetzelfde rijtje namen op de proppen als twee jaar geleden: Peter Gabriel, Talking Heads, M.I.A, Solex en Paul Simon’s Graceland dus, al wil ik er dit keer de Tom Tom Club en Santigold aan toevoegen; ook direct voor de beschrijving van WHOKILL overigens.
De muziek van Tune-Yards is nog steeds ADHD muziek van een bijzondere soort. Druk, springerig, ongrijpbaar, maar ook op een prettige manier energiek en zeker niet zo ontoegankelijk als het bovenstaande doet vermoeden.
Nikki Nack is minstens net zo bijzonder en ongrijpbaar als WHOKILL, maar klinkt toch anders. Merrill Garbus heeft zich dit keer laten beïnvloeden door Haïtiaanse muziek, maar verwerkt deze invloeden op geheel eigen wijze, net als invloeden uit de zwarte Amerikaanse muziek, die nadrukkelijker aanwezig zijn dan op de voorganger van Nikki Nack.
De instrumentatie en de zang op de plaat klinken bij vlagen prachtig, maar de songstructuren zijn zo complex en vervreemdend dat het je bij eerste beluistering zal duizelen, zeker wanneer ze worden gecombineerd met bijna platvloerse refreinen. Ik heb ook momenten dat ik stapelgek wordt van deze plaat, maar hiertegenover staan momenten waarin ik de muziek en de humoristische teksten van Merrill Garbus volledig wil doorgronden en maar geen genoeg krijg van deze unieke plaat.
Of wat voor mij geldt ook voor anderen geldt durf ik niet te voorspellen; daarvoor is de muziek van Tune-Yards te afwijkend en te vreemd. ‘Een beetje vreemd, maar wel lekker’ was een paar jaar geleden de slogan van Rivella (niet te drinken overigens). ‘Heel vreemd, maar bijzonder lekker’ zou een mooie slogan voor het aanprijzen van Nikki Nack van Tune-Yards kunnen zijn. Bij deze. Erwin Zijleman
tunng - DEAD CLUB (2020)

4,5
0
geplaatst: 11 november 2020, 16:49 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Tunng - Tunng Presents ... DEAD CLUB - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Tunng - Tunng Presents ... DEAD CLUB
Tunng keert na de glorieuze comeback van twee jaar geleden terug met een avontuurlijk album dat het je niet altijd makkelijk maakt, maar dat steeds meer intrigeert en betovert
De tijd waarin de Britse band Tunng opdook met het nieuwe folktronica genre ligt inmiddels een tijd achter ons, maar waar veel pioniers in het genre wat bleven steken in de pioniersdagen, is Tunng zich altijd blijven ontwikkelen. Het leverde twee jaar geleden het uitstekende Songs You Make At Night op en dat album wordt nu gevolgd door het ambitieuze of zelfs pretentieuze Tunng Presents … DEAD CLUB. Los van alle verhalen rond het album, onder andere vastgelegd in podcasts, komt Tunng op de proppen met een buitengewoon avontuurlijk album waarop de Britse band wederom de muzikale grenzen verlegd. Soms toegankelijk, soms ongrijpbaar, maar altijd van hoog niveau.
De Britse band Tunng dook een kleine vijftien jaar geleden op en schaarde zich met haar debuutalbum onder de pioniers van het nieuwe folktronica genre. Dat genre is Tunng al lang ontgroeid, wat twee jaar geleden resulteerde in het bijzonder fraaie en absoluut jaarlijstjeswaardige Songs You Make At Night, waarop ook onder andere psychedelica, progrock, synthpop, electropop en avant garde hun weg hadden gevonden naar de muziek van Tunng.
Deze week keert de Britse band terug met een nieuw album of eigenlijk met een project. Tunng Presents … DEAD CLUB is een buitengewoon ambitieus project over de dood, verlies en rouw, dat bestaat uit een serie podcasts en een album. Aan de podcasts heb ik me slechts kort gewaagd, maar het album Tunng Presents … DEAD CLUB laat zich ook prima als een op zichzelf staand product beluisteren. Het is een album dat door het concept net wat minder toegankelijk is dan zijn voorganger, maar aan de andere kant wordt de lijn van Songs You Make At Night ook doorgetrokken.
Tunng is nog niet helemaal vergeten dat het ooit behoorde tot de pioniers van de folktronica. Ook veel songs op het nieuwe album klinken folky en elektronica speelt een belangrijke rol op het album. Toch is het te simpel om het etiket folktronica op Tunng Presents … DEAD CLUB te plakken. De Britse band experimenteert er ook dit keer flink op los en verwerkt wederom invloeden uit de psychedelica en de progrock.
Tunng Presents … DEAD CLUB klinkt hier en daar als de muziek die Genesis met Peter Gabriel in de gelederen niet meer heeft gemaakt, wat me direct brengt bij associaties met de muziek van Elbow. Tunng heeft de elektronische basis van haar eerste albums deels afgezworen en maakt op haar nieuwe album indruk met een organisch geluid waar elektronica doorheen is geweven.
Zeker wanneer wordt gekozen voor wat langere instrumentale passages of wanneer spoken word door de muziek van Tunng wordt gemixt, is Tunng Presents … DEAD CLUB een behoorlijk experimenteel album, maar het album heeft ook absoluut zijn toegankelijkere momenten. Het hele project is behoorlijk ambitieus of zelfs pretentieus, maar het losse album bevalt me uitstekend.
Het is bijzonder hoe Tunng bij vlagen behoorlijk minimalistische klanken kan verrijken met warme vocalen of hoe de band haar muziek steeds toch wat rijker inkleurt, tot bijna groots en meeslepend aan toe. Het is zeker geen makkelijk album, al is het maar omdat Tunng hier en daar maar van de hak op de tak blijft springen, maar door de vele verrassende wendingen intrigeert het album hopeloos.
Tunng Presents … DEAD CLUB is ondanks al het avontuur overigens ook een album met lekker in het gehoor liggende popliedjes, wat verder bijdraagt aan het vat vol tegenstrijdigheden dat het album is. Zeker de zang op het album, met een hoofdrol voor de fraaie wijze waarop mannen en vrouwenstemmen elkaar versterken, geeft het nieuwe album van Tunng een aards karakter, al kan de muziek op het album de vaste grond onder je voeten in één keer wegnemen.
Ik heb Tunng Presents … DEAD CLUB inmiddels vele malen gehoord, maar het album biedt nog weinig houvast. Ondertussen betovert de nieuwe muziek van Tunng meer en meer. Dit had ik 15 jaar geleden toch niet gezocht achter de Britse band. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Tunng - Tunng Presents ... DEAD CLUB - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Tunng - Tunng Presents ... DEAD CLUB
Tunng keert na de glorieuze comeback van twee jaar geleden terug met een avontuurlijk album dat het je niet altijd makkelijk maakt, maar dat steeds meer intrigeert en betovert
De tijd waarin de Britse band Tunng opdook met het nieuwe folktronica genre ligt inmiddels een tijd achter ons, maar waar veel pioniers in het genre wat bleven steken in de pioniersdagen, is Tunng zich altijd blijven ontwikkelen. Het leverde twee jaar geleden het uitstekende Songs You Make At Night op en dat album wordt nu gevolgd door het ambitieuze of zelfs pretentieuze Tunng Presents … DEAD CLUB. Los van alle verhalen rond het album, onder andere vastgelegd in podcasts, komt Tunng op de proppen met een buitengewoon avontuurlijk album waarop de Britse band wederom de muzikale grenzen verlegd. Soms toegankelijk, soms ongrijpbaar, maar altijd van hoog niveau.
De Britse band Tunng dook een kleine vijftien jaar geleden op en schaarde zich met haar debuutalbum onder de pioniers van het nieuwe folktronica genre. Dat genre is Tunng al lang ontgroeid, wat twee jaar geleden resulteerde in het bijzonder fraaie en absoluut jaarlijstjeswaardige Songs You Make At Night, waarop ook onder andere psychedelica, progrock, synthpop, electropop en avant garde hun weg hadden gevonden naar de muziek van Tunng.
Deze week keert de Britse band terug met een nieuw album of eigenlijk met een project. Tunng Presents … DEAD CLUB is een buitengewoon ambitieus project over de dood, verlies en rouw, dat bestaat uit een serie podcasts en een album. Aan de podcasts heb ik me slechts kort gewaagd, maar het album Tunng Presents … DEAD CLUB laat zich ook prima als een op zichzelf staand product beluisteren. Het is een album dat door het concept net wat minder toegankelijk is dan zijn voorganger, maar aan de andere kant wordt de lijn van Songs You Make At Night ook doorgetrokken.
Tunng is nog niet helemaal vergeten dat het ooit behoorde tot de pioniers van de folktronica. Ook veel songs op het nieuwe album klinken folky en elektronica speelt een belangrijke rol op het album. Toch is het te simpel om het etiket folktronica op Tunng Presents … DEAD CLUB te plakken. De Britse band experimenteert er ook dit keer flink op los en verwerkt wederom invloeden uit de psychedelica en de progrock.
Tunng Presents … DEAD CLUB klinkt hier en daar als de muziek die Genesis met Peter Gabriel in de gelederen niet meer heeft gemaakt, wat me direct brengt bij associaties met de muziek van Elbow. Tunng heeft de elektronische basis van haar eerste albums deels afgezworen en maakt op haar nieuwe album indruk met een organisch geluid waar elektronica doorheen is geweven.
Zeker wanneer wordt gekozen voor wat langere instrumentale passages of wanneer spoken word door de muziek van Tunng wordt gemixt, is Tunng Presents … DEAD CLUB een behoorlijk experimenteel album, maar het album heeft ook absoluut zijn toegankelijkere momenten. Het hele project is behoorlijk ambitieus of zelfs pretentieus, maar het losse album bevalt me uitstekend.
Het is bijzonder hoe Tunng bij vlagen behoorlijk minimalistische klanken kan verrijken met warme vocalen of hoe de band haar muziek steeds toch wat rijker inkleurt, tot bijna groots en meeslepend aan toe. Het is zeker geen makkelijk album, al is het maar omdat Tunng hier en daar maar van de hak op de tak blijft springen, maar door de vele verrassende wendingen intrigeert het album hopeloos.
Tunng Presents … DEAD CLUB is ondanks al het avontuur overigens ook een album met lekker in het gehoor liggende popliedjes, wat verder bijdraagt aan het vat vol tegenstrijdigheden dat het album is. Zeker de zang op het album, met een hoofdrol voor de fraaie wijze waarop mannen en vrouwenstemmen elkaar versterken, geeft het nieuwe album van Tunng een aards karakter, al kan de muziek op het album de vaste grond onder je voeten in één keer wegnemen.
Ik heb Tunng Presents … DEAD CLUB inmiddels vele malen gehoord, maar het album biedt nog weinig houvast. Ondertussen betovert de nieuwe muziek van Tunng meer en meer. Dit had ik 15 jaar geleden toch niet gezocht achter de Britse band. Erwin Zijleman
tunng - Love You All Over Again (2025)

4,0
2
geplaatst: 30 januari 2025, 21:43 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: tunng - Love You All The Time - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: tunng - Love You All The Time
De Britse band tunng behoorde ooit tot de pioniers van de folktronica, maar toen de interesse voor het genre afnam bleef de band zich vernieuwen, wat ook weer is te horen op het uitstekende Love You All The Time
Ik vond folktronica een jaar of twintig geleden wel een grappige vinding, maar de albums in het genre werden al vrij snel redelijk eenvormig. Bovendien werd elektronica gecombineerd met steeds meer genres, waardoor het unieke er snel af was. Over folktronica wordt inmiddels dan ook nauwelijks meer gesproken, maar de Britse band tunng is zich gelukkig blijven vernieuwen. Ook de songs op Love You All The Time hebben vaak een akoestische en een folky basis, maar het is een basis die is verrijkt met bijzonder mooie maar ook zeer avontuurlijke elektronica. De zang is mooi, de klanken zijn prachtig en tunng komt ook dit keer weer op de proppen met songs die je wilt koesteren.
Het lijkt al heel lang geleden dat de Britse band tunng (geen hoofdletter) opdook als een van de pioniers van het destijds gloednieuwe folktronica genre. This Is...tunng: Mother's Daughter And Other Songs is inmiddels ook 19 jaar oud en de mix van folk met elektronica die destijds baanbrekend was is inmiddels gemeengoed. tunng is zich echter altijd blijven vernieuwen en heeft de folktronica van het eerste uur album na album verrijkt met extra ingrediënten.
De Britse band heeft sinds het debuutalbum uit 2006 een aardig stapeltje albums uitgebracht en hoewel ik ze niet allemaal heb besproken durf ik wel te beweren dat de band een constant en enorm hoog niveau heeft weten vast te houden. Comments Of The Inner Chorus (2006), Good Arrows (2007), ...And Then We Saw Land (2010), Turbines (2013), Songs You Make At Night (2018) en DEAD CLUB (2020) waren allemaal uitstekende albums, maar met name de laatste twee vond ik echt razend knappe albums, waarop de Britse band meer invloeden verwerkte en af en toe ook stevig durfde te experimenteren.
Vijf jaar na haar wat mij betreft beste album keert tunng terug met Love You All Over Again. DEAD CLUB omschreef ik vijf jaar geleden als een album dat Genesis met Peter Gabriel in de gelederen nog niet kon maken, maar waarschijnlijk graag zou hebben gemaakt. Over Love You All Over Again zal ik dat niet snel zeggen, want het album klinkt weer wat minder en hooguit een enkele keer als een folky progrock album.
tunng leek een jaar of vijftien geleden vol te kiezen voor de elektronica, maar de akoestische basis, die op DEAD CLUB al wat vaker aan de oppervlakte kwam, heeft op het nieuwe album verder aan terrein gewonnen. Leden van het eerste uur Mike Lindsay en Sam Genders keren op Love You All Over Again deels terug naar de muziek waar het allemaal mee begon voor tunng.
Veel songs op het album klinken voor een groot deel akoestisch en het zijn bovendien songs waarin invloeden uit de folk een voorname rol spelen. De oerleden van de band spelen natuurlijk een voorname rol op het album, maar ze geven ook veel ruimte aan zangeres Becky Jacobs, die de mannenstemmen op fraaie wijze verrijkt.
In veel tracks hoor je in de verte behoorlijk traditionele Britse folksongs, maar ze zijn wel overgoten met een laagje elektronica. Wanneer ik die elektronica verrijk met hetgeen dat was te horen op de eerste folktronica albums kan ik alleen maar concluderen dat er op het terrein van elektronica flinke stappen zijn gezet de afgelopen twee decennia.
De elektronica op Love You All Over Again is soms nadrukkelijk aanwezig, maar kan ook genoegen nemen met een veel bescheidenere rol. De elektronische impulsen op het nieuwe album van tunng zijn de ene keer betoverend mooi, maar deze impulsen kunnen ook experimenteler en ongrijpbaarder klinken. Het combineert in alle gevallen verrassend mooi met de akoestische basis van de songs, waarvoor ook flink wat instrumenten worden ingezet en ook de combinatie van akoestische instrumenten, elektronica en de mooie mannen- en vrouwenstemmen is song na song bijzonder mooi. Liefhebbers van het oudere werk van tunng zullen heel blij zijn met dit album, al blijft de Britse band zichzelf ook dit keer op fraaie wijze vernieuwen. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: tunng - Love You All The Time - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: tunng - Love You All The Time
De Britse band tunng behoorde ooit tot de pioniers van de folktronica, maar toen de interesse voor het genre afnam bleef de band zich vernieuwen, wat ook weer is te horen op het uitstekende Love You All The Time
Ik vond folktronica een jaar of twintig geleden wel een grappige vinding, maar de albums in het genre werden al vrij snel redelijk eenvormig. Bovendien werd elektronica gecombineerd met steeds meer genres, waardoor het unieke er snel af was. Over folktronica wordt inmiddels dan ook nauwelijks meer gesproken, maar de Britse band tunng is zich gelukkig blijven vernieuwen. Ook de songs op Love You All The Time hebben vaak een akoestische en een folky basis, maar het is een basis die is verrijkt met bijzonder mooie maar ook zeer avontuurlijke elektronica. De zang is mooi, de klanken zijn prachtig en tunng komt ook dit keer weer op de proppen met songs die je wilt koesteren.
Het lijkt al heel lang geleden dat de Britse band tunng (geen hoofdletter) opdook als een van de pioniers van het destijds gloednieuwe folktronica genre. This Is...tunng: Mother's Daughter And Other Songs is inmiddels ook 19 jaar oud en de mix van folk met elektronica die destijds baanbrekend was is inmiddels gemeengoed. tunng is zich echter altijd blijven vernieuwen en heeft de folktronica van het eerste uur album na album verrijkt met extra ingrediënten.
De Britse band heeft sinds het debuutalbum uit 2006 een aardig stapeltje albums uitgebracht en hoewel ik ze niet allemaal heb besproken durf ik wel te beweren dat de band een constant en enorm hoog niveau heeft weten vast te houden. Comments Of The Inner Chorus (2006), Good Arrows (2007), ...And Then We Saw Land (2010), Turbines (2013), Songs You Make At Night (2018) en DEAD CLUB (2020) waren allemaal uitstekende albums, maar met name de laatste twee vond ik echt razend knappe albums, waarop de Britse band meer invloeden verwerkte en af en toe ook stevig durfde te experimenteren.
Vijf jaar na haar wat mij betreft beste album keert tunng terug met Love You All Over Again. DEAD CLUB omschreef ik vijf jaar geleden als een album dat Genesis met Peter Gabriel in de gelederen nog niet kon maken, maar waarschijnlijk graag zou hebben gemaakt. Over Love You All Over Again zal ik dat niet snel zeggen, want het album klinkt weer wat minder en hooguit een enkele keer als een folky progrock album.
tunng leek een jaar of vijftien geleden vol te kiezen voor de elektronica, maar de akoestische basis, die op DEAD CLUB al wat vaker aan de oppervlakte kwam, heeft op het nieuwe album verder aan terrein gewonnen. Leden van het eerste uur Mike Lindsay en Sam Genders keren op Love You All Over Again deels terug naar de muziek waar het allemaal mee begon voor tunng.
Veel songs op het album klinken voor een groot deel akoestisch en het zijn bovendien songs waarin invloeden uit de folk een voorname rol spelen. De oerleden van de band spelen natuurlijk een voorname rol op het album, maar ze geven ook veel ruimte aan zangeres Becky Jacobs, die de mannenstemmen op fraaie wijze verrijkt.
In veel tracks hoor je in de verte behoorlijk traditionele Britse folksongs, maar ze zijn wel overgoten met een laagje elektronica. Wanneer ik die elektronica verrijk met hetgeen dat was te horen op de eerste folktronica albums kan ik alleen maar concluderen dat er op het terrein van elektronica flinke stappen zijn gezet de afgelopen twee decennia.
De elektronica op Love You All Over Again is soms nadrukkelijk aanwezig, maar kan ook genoegen nemen met een veel bescheidenere rol. De elektronische impulsen op het nieuwe album van tunng zijn de ene keer betoverend mooi, maar deze impulsen kunnen ook experimenteler en ongrijpbaarder klinken. Het combineert in alle gevallen verrassend mooi met de akoestische basis van de songs, waarvoor ook flink wat instrumenten worden ingezet en ook de combinatie van akoestische instrumenten, elektronica en de mooie mannen- en vrouwenstemmen is song na song bijzonder mooi. Liefhebbers van het oudere werk van tunng zullen heel blij zijn met dit album, al blijft de Britse band zichzelf ook dit keer op fraaie wijze vernieuwen. Erwin Zijleman
tunng - Songs You Make at Night (2018)

4,5
0
geplaatst: 31 augustus 2018, 17:41 uur
recensie op de krenten uit de pop:
review on: De krenten uit de pop: Tunng - Songs You Make At Night - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Ik was vijf jaar geleden zeer te spreken over Turbines van de Britse band Tunng.
De band uit Londen stond met platen als This Is...Tunng: Mother's Daughter And Other Songs en Comments Of The Inner Chorus, allebei verschenen in 2006, aan de basis van het genre folktronica, maar persoonlijk vond ik het geluid op Turbines veel interessanter.
Waar ik het trucje van de folktronica over het algemeen na een paar songs wel ken, intrigeerde de mix van elektronica, psychedelica, synthpop, en folktronica op Turbines van de eerste tot de laatste noot.
Turbines was tot voor kort het laatste wapenfeit van Tunng, maar met Songs You Make At Night is de band gelukkig terug. Met haar nieuwe plaat trekt Tunng de lijn van Turbines door en zet de band bovendien een aantal volgende stappen.
De openingstrack roept bij mij associaties op met de vroege platen van Genesis (met Peter Gabriel nog in de gelederen), om vervolgens snel op te schuiven richting Elbow, wat feitelijk maar een klein stapje is. Het zijn invloeden die vaker terugkeren op Songs You Make At Night, maar Tungg verkent ook dit keer nadrukkelijk de grenzen van de elektronische popmuziek.
Invloeden uit de folk zijn nog altijd duidelijk hoorbaar in de muziek van Tungg, maar waar deze in het verleden slechts werden voorzien van een dun laagje elektronica, pakt de band nu stevig uit en schiet het qua invloeden alle kanten op. Folk wordt op Songs You make At Night verrijkt met onder andere psychedelica, progrock, synthpop, electropop en een vleugje avant garde.
Dat klinkt waarschijnlijk pretentieus en ingewikkeld, maar de nieuwe plaat van Tunng staat vol buitengewoon aangenaam klinkende songs. De titel van de plaat dekt absoluut de lading, want ondanks het volle geluid is Songs You Make At Night een ingetogen plaat die inderdaad gemaakt lijkt in en voor de kleine uurtjes.
Als folktronica pioniers weet Tungg inmiddels wel hoe je akoestische en elektronische muziek kunt laten samen smelten, maar de Britten doen dit op hun nieuwe plaat op razend knappe wijze. Akoestische instrumenten vloeien naadloos over in elektronische instrumenten, waardoor verstilde folk in een keer om kan slaan in synthpop voor de dansvloer of in Kraftwerk achtig experiment.
Dit zal bij de meeste bands gekunsteld klinken, maar Tunng slaagt er in om een natuurlijk klinkend geluid te creëren met uitersten. Het is een geluid dat soms uitnodigt tot wegdromen, maar dat je net zo makkelijk aangenaam wakker schudt. Het is een geluid dat het oor heerlijk kan strelen, maar het is ook een geluid dat de fantasie bijna eindeloos prikkelt.
Ik ben nooit een heel groot fan geweest van Tunng, maar Turbines overtuigde me drie jaar geleden wel. Songs You Make At Night gaat nog wat verder en is een plaat die van alles met me doet. Tunng neemt me mee terug naar de folk en progrock van oude helden, maar sleept deze invloeden ook op fascinerende wijze het heden in. Tunng is misschien niet meer zo hip als ruim tien jaar geleden, maar heeft echt een fantastische plaat afgeleverd. Erwin Zijleman
review on: De krenten uit de pop: Tunng - Songs You Make At Night - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Ik was vijf jaar geleden zeer te spreken over Turbines van de Britse band Tunng.
De band uit Londen stond met platen als This Is...Tunng: Mother's Daughter And Other Songs en Comments Of The Inner Chorus, allebei verschenen in 2006, aan de basis van het genre folktronica, maar persoonlijk vond ik het geluid op Turbines veel interessanter.
Waar ik het trucje van de folktronica over het algemeen na een paar songs wel ken, intrigeerde de mix van elektronica, psychedelica, synthpop, en folktronica op Turbines van de eerste tot de laatste noot.
Turbines was tot voor kort het laatste wapenfeit van Tunng, maar met Songs You Make At Night is de band gelukkig terug. Met haar nieuwe plaat trekt Tunng de lijn van Turbines door en zet de band bovendien een aantal volgende stappen.
De openingstrack roept bij mij associaties op met de vroege platen van Genesis (met Peter Gabriel nog in de gelederen), om vervolgens snel op te schuiven richting Elbow, wat feitelijk maar een klein stapje is. Het zijn invloeden die vaker terugkeren op Songs You Make At Night, maar Tungg verkent ook dit keer nadrukkelijk de grenzen van de elektronische popmuziek.
Invloeden uit de folk zijn nog altijd duidelijk hoorbaar in de muziek van Tungg, maar waar deze in het verleden slechts werden voorzien van een dun laagje elektronica, pakt de band nu stevig uit en schiet het qua invloeden alle kanten op. Folk wordt op Songs You make At Night verrijkt met onder andere psychedelica, progrock, synthpop, electropop en een vleugje avant garde.
Dat klinkt waarschijnlijk pretentieus en ingewikkeld, maar de nieuwe plaat van Tunng staat vol buitengewoon aangenaam klinkende songs. De titel van de plaat dekt absoluut de lading, want ondanks het volle geluid is Songs You Make At Night een ingetogen plaat die inderdaad gemaakt lijkt in en voor de kleine uurtjes.
Als folktronica pioniers weet Tungg inmiddels wel hoe je akoestische en elektronische muziek kunt laten samen smelten, maar de Britten doen dit op hun nieuwe plaat op razend knappe wijze. Akoestische instrumenten vloeien naadloos over in elektronische instrumenten, waardoor verstilde folk in een keer om kan slaan in synthpop voor de dansvloer of in Kraftwerk achtig experiment.
Dit zal bij de meeste bands gekunsteld klinken, maar Tunng slaagt er in om een natuurlijk klinkend geluid te creëren met uitersten. Het is een geluid dat soms uitnodigt tot wegdromen, maar dat je net zo makkelijk aangenaam wakker schudt. Het is een geluid dat het oor heerlijk kan strelen, maar het is ook een geluid dat de fantasie bijna eindeloos prikkelt.
Ik ben nooit een heel groot fan geweest van Tunng, maar Turbines overtuigde me drie jaar geleden wel. Songs You Make At Night gaat nog wat verder en is een plaat die van alles met me doet. Tunng neemt me mee terug naar de folk en progrock van oude helden, maar sleept deze invloeden ook op fascinerende wijze het heden in. Tunng is misschien niet meer zo hip als ruim tien jaar geleden, maar heeft echt een fantastische plaat afgeleverd. Erwin Zijleman
Tusks - Dissolve (2017)

4,0
0
geplaatst: 8 november 2017, 16:56 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Tusks - Dissolve - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Tusks is het alter ego van de uit Londen afkomstige muzikant en producer Emily Underhill. Dissolve, het debuut van Tusks, verscheen een paar weken geleden en is een plaat waar ik maar lastig grip op kan krijgen, maar hoe vaker ik de plaat hoor, hoe meer ik overtuigt raak van de kwaliteiten van Emily Underhill.
Dissolve is een plaat die zich niet makkelijk of helemaal niet in een hokje laat duwen. Emily Underhill verwerkt op het debuut van Tusks invloeden uit de elektronica, triphop, postrock, ambient, dreampop, R&B, pop en postpunk en daarmee heb ik alleen de belangrijkste invloeden op de plaat te pakken.
Dissolve opent met uiterst ingetogen en bijzonder stemmige klanken en een sfeer die je vooral tegen komt in de ambient. Het zijn ook klanken waarin op subtiele wijze de spanning wordt opgebouwd, waarna lome en triphop achtige beats en een even hoge als soulvolle vrouwenstem de track langzaam maar zeker een andere kant op duwen. Het deed en doet me wel wat denken aan de Rotterdamse Sevdaliza, die met Ison nog altijd een van de meest fascinerende platen van 2017 heeft gemaakt, maar de muziek van Tusks slaat meestal net wat andere wegen in.
De stemmige openingstrack wordt gevolgd door een mooi popliedje met heldere vocalen en een donker klankentapijt, dat langzaam maar zeker in intensiteit toeneemt en uiteindelijk ontspoort met een gitaargeluid dat afwisselend aan de shoegaze en de postrock doet denken.
In de derde track lijkt Tusks wat meer te kiezen voor elektronica, maar in een songs die overloopt van dynamiek en afwisselend overweldigend of juist heel subtiel klinkt winnen de gitaren uiteindelijk toch weer aan terrein.
Tusks schakelt op Dissolve makkelijk tussen zwaar aangezette klanken en uiterst subtiele passages en tussen een hoofdrol voor gitaren en elektronica, maar Emily Underhill schakelt nooit op het moment dat je het verwacht. Het maakt van het debuut van Tusks een spannende plaat, maar de muziek van het alter ego van Emily Underhill heeft ook vaak een bijna vervreemdende uitwerking. Dit laatste komt mede omdat de spanningsbogen fraai worden opgebouwd, maar meestal niet tot een climax komen en net zo fraai worden afgebouwd.
De muziek van Tusks is lastig te doorgronden, maar heeft wel een enorme impact. De vaak aardedonkere klanken op de plaat geven de muziek van Tusks vaak een wat beklemmende sfeer, die weer contrasteert met de mooie vocalen van Emily Underhill. Het zorgt er voor dat Dissolve van Tusks een plaat is die veel tijd vraagt en lang niet bij iedereen in de smaak zal vallen, maar zelf raak ik steeds meer onder de indruk van het bijzondere muzikale landschap dat de muzikante uit Londen in elkaar heeft geboetseerd.
Zeker in de laatste tracks op de plaat verdwijnt de dynamiek die je aan het begin van de plaat nog zo vaak op het verkeerde been zet, maar makkelijk maakt Tusks het je nooit, want ook als Emily Underhill kiest voor wat meer pop-georiënteerde ballads, blijft ze je op het verkeerde been zetten met haar even sfeervolle als beangstigende muziek. Bijzondere plaat. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Tusks - Dissolve - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Tusks is het alter ego van de uit Londen afkomstige muzikant en producer Emily Underhill. Dissolve, het debuut van Tusks, verscheen een paar weken geleden en is een plaat waar ik maar lastig grip op kan krijgen, maar hoe vaker ik de plaat hoor, hoe meer ik overtuigt raak van de kwaliteiten van Emily Underhill.
Dissolve is een plaat die zich niet makkelijk of helemaal niet in een hokje laat duwen. Emily Underhill verwerkt op het debuut van Tusks invloeden uit de elektronica, triphop, postrock, ambient, dreampop, R&B, pop en postpunk en daarmee heb ik alleen de belangrijkste invloeden op de plaat te pakken.
Dissolve opent met uiterst ingetogen en bijzonder stemmige klanken en een sfeer die je vooral tegen komt in de ambient. Het zijn ook klanken waarin op subtiele wijze de spanning wordt opgebouwd, waarna lome en triphop achtige beats en een even hoge als soulvolle vrouwenstem de track langzaam maar zeker een andere kant op duwen. Het deed en doet me wel wat denken aan de Rotterdamse Sevdaliza, die met Ison nog altijd een van de meest fascinerende platen van 2017 heeft gemaakt, maar de muziek van Tusks slaat meestal net wat andere wegen in.
De stemmige openingstrack wordt gevolgd door een mooi popliedje met heldere vocalen en een donker klankentapijt, dat langzaam maar zeker in intensiteit toeneemt en uiteindelijk ontspoort met een gitaargeluid dat afwisselend aan de shoegaze en de postrock doet denken.
In de derde track lijkt Tusks wat meer te kiezen voor elektronica, maar in een songs die overloopt van dynamiek en afwisselend overweldigend of juist heel subtiel klinkt winnen de gitaren uiteindelijk toch weer aan terrein.
Tusks schakelt op Dissolve makkelijk tussen zwaar aangezette klanken en uiterst subtiele passages en tussen een hoofdrol voor gitaren en elektronica, maar Emily Underhill schakelt nooit op het moment dat je het verwacht. Het maakt van het debuut van Tusks een spannende plaat, maar de muziek van het alter ego van Emily Underhill heeft ook vaak een bijna vervreemdende uitwerking. Dit laatste komt mede omdat de spanningsbogen fraai worden opgebouwd, maar meestal niet tot een climax komen en net zo fraai worden afgebouwd.
De muziek van Tusks is lastig te doorgronden, maar heeft wel een enorme impact. De vaak aardedonkere klanken op de plaat geven de muziek van Tusks vaak een wat beklemmende sfeer, die weer contrasteert met de mooie vocalen van Emily Underhill. Het zorgt er voor dat Dissolve van Tusks een plaat is die veel tijd vraagt en lang niet bij iedereen in de smaak zal vallen, maar zelf raak ik steeds meer onder de indruk van het bijzondere muzikale landschap dat de muzikante uit Londen in elkaar heeft geboetseerd.
Zeker in de laatste tracks op de plaat verdwijnt de dynamiek die je aan het begin van de plaat nog zo vaak op het verkeerde been zet, maar makkelijk maakt Tusks het je nooit, want ook als Emily Underhill kiest voor wat meer pop-georiënteerde ballads, blijft ze je op het verkeerde been zetten met haar even sfeervolle als beangstigende muziek. Bijzondere plaat. Erwin Zijleman
Tusks - Gold (2024)

4,0
0
geplaatst: 19 april 2024, 16:26 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Tusks - Gold - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Tusks - Gold
Tusks heeft met Gold een fraai album gemaakt met wolken analoge synths, subtiele ritmes en meerdere lagen vocalen, maar in de songs van Emily Underhill gebeurt veel meer dan je in eerste instantie hoort
Ik was Tusks na het debuutalbum uit 2017 uit het oog verloren, maar het deze week verschenen Gold maakte onmiddellijk indruk. Emily Underhill heeft het bonte palet aan stijlen van haar debuutalbum verruilt voor een subtieler geluid, maar de bijzondere sfeer van het debuutalbum is gebleven. Gold is vooral ingekleurd met analoge synths en piano, waarna hier en daar subtiele ritmes zijn toegevoegd. Het wordt gecombineerd met de mooie stem van de Britse muzikante, die haar stem in een aantal gevallen in meerdere lagen heeft toegevoegd aan de stemmige en vaak wat donkere muziek op het album. Het levert veertig minuten muziek op waarin heel veel valt te ontdekken.
Tusks, het alter ego van de uit Londen afkomstige singer-songwriter en producer Emily Underhill, brengt vanaf 2012 muziek uit. In 2017 verscheen vervolgens Dissolve, het debuutalbum van de Britse muzikante. Het is een album waar ik in eerste instantie maar lastig grip op kreeg, maar dat me al snel hopeloos intrigeerde. Ik omschreef de muziek op Dissolve een kleine zeven jaar geleden als een mix van elektronica, triphop, postrock, ambient, dreampop, R&B, pop en postpunk en hiermee benoemde ik alleen de belangrijkste invloeden op het album.
Ondanks mijn enthousiasme voor het debuutalbum van Tusks verloor ik de muzikante uit Londen weer snel uit het oog, waardoor ik haar tweede album, het in 2019 uitgebrachte Avalanche, helemaal niet opmerkte. Daar stond ik waarschijnlijk niet alleen in, want op het populaire muziekplatform Musicmeter is geen enkele reactie geplaatst bij het album. Ook het deze week verschenen Gold, het derde album van Tusks, trekt nog niet veel aandacht, maar het album viel mij direct op binnen het aanbod van deze week.
Emily Underhill heeft lang gewerkt aan de songs op haar nieuwe album, die tot stand kwamen toen ze Londen tijdens de coronapandemie tijdelijk verruilde voor Devon vanwege een gebrek aan leefruimte en een aflopende relatie. Gold kan worden gezien als een breakup album en dat hoor je ook wel in de behoorlijk donkere klanken, al drijven er zeker niet alleen donkere wolken over op het album.
Emily Underhill maakte Gold grotendeels in haar uppie, maar werd uiteindelijk bijgestaan door producer Tom Andrews met wie ze het album in Londen afmaakte. Vergeleken met het door van alles en nog wat beïnvloede Dissolve klinkt Gold een stuk consistenter. Op het nieuwe album van Tusks zijn vooral elektronische klankentapijten te horen, die worden gecombineerd met afwisselend onderkoelde en dromerige zang, die vaak in meerdere lagen is opgenomen, wat zorgt voor bijzondere harmonieën.
In de openingstrack van Gold klinkt Tusks net zo zweverig en weemoedig als Cocteau Twins en This Mortal Coil in de jaren 80, maar Gold kan meerdere kanten op. Het voornamelijk met analoge synths gemaakte album is over het algemeen genomen redelijk sober ingekleurd met wolken synths en af en toe wat triphop achtige ritmes. Sober is in dit geval wel een relatief begrip, want hoe vaker je naar het album luistert, hoe meer lagen je ontdekt in de wolken synths.
Het wordt prachtig gecombineerd met de mooie stem van Emily Underhill, die met haar zang veel meer indruk maakt dan op haar inmiddels zeven jaar oude debuutalbum. Mede door de ritmes die zijn toegevoegd aan de songs zit er veel beweging en onrust in de songs op Gold, maar het is op hetzelfde moment een album dat rust uitstraalt.
Ik vond het debuutalbum van Tusks zeven jaar geleden behoorlijk ongrijpbaar, maar Gold is ondanks de experimenteerdrang van de Britse muzikante een toegankelijk album met aansprekende songs. Het is ook een album waarop veel te ontdekken valt en waarop ik zelf steeds meer schoonheid ontdek. Gold krijgt zoals gezegd niet heel veel aandacht deze week, maar het is een interessant album dat in het aanbod van deze week flink boven het maaiveld uitsteekt. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Tusks - Gold - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Tusks - Gold
Tusks heeft met Gold een fraai album gemaakt met wolken analoge synths, subtiele ritmes en meerdere lagen vocalen, maar in de songs van Emily Underhill gebeurt veel meer dan je in eerste instantie hoort
Ik was Tusks na het debuutalbum uit 2017 uit het oog verloren, maar het deze week verschenen Gold maakte onmiddellijk indruk. Emily Underhill heeft het bonte palet aan stijlen van haar debuutalbum verruilt voor een subtieler geluid, maar de bijzondere sfeer van het debuutalbum is gebleven. Gold is vooral ingekleurd met analoge synths en piano, waarna hier en daar subtiele ritmes zijn toegevoegd. Het wordt gecombineerd met de mooie stem van de Britse muzikante, die haar stem in een aantal gevallen in meerdere lagen heeft toegevoegd aan de stemmige en vaak wat donkere muziek op het album. Het levert veertig minuten muziek op waarin heel veel valt te ontdekken.
Tusks, het alter ego van de uit Londen afkomstige singer-songwriter en producer Emily Underhill, brengt vanaf 2012 muziek uit. In 2017 verscheen vervolgens Dissolve, het debuutalbum van de Britse muzikante. Het is een album waar ik in eerste instantie maar lastig grip op kreeg, maar dat me al snel hopeloos intrigeerde. Ik omschreef de muziek op Dissolve een kleine zeven jaar geleden als een mix van elektronica, triphop, postrock, ambient, dreampop, R&B, pop en postpunk en hiermee benoemde ik alleen de belangrijkste invloeden op het album.
Ondanks mijn enthousiasme voor het debuutalbum van Tusks verloor ik de muzikante uit Londen weer snel uit het oog, waardoor ik haar tweede album, het in 2019 uitgebrachte Avalanche, helemaal niet opmerkte. Daar stond ik waarschijnlijk niet alleen in, want op het populaire muziekplatform Musicmeter is geen enkele reactie geplaatst bij het album. Ook het deze week verschenen Gold, het derde album van Tusks, trekt nog niet veel aandacht, maar het album viel mij direct op binnen het aanbod van deze week.
Emily Underhill heeft lang gewerkt aan de songs op haar nieuwe album, die tot stand kwamen toen ze Londen tijdens de coronapandemie tijdelijk verruilde voor Devon vanwege een gebrek aan leefruimte en een aflopende relatie. Gold kan worden gezien als een breakup album en dat hoor je ook wel in de behoorlijk donkere klanken, al drijven er zeker niet alleen donkere wolken over op het album.
Emily Underhill maakte Gold grotendeels in haar uppie, maar werd uiteindelijk bijgestaan door producer Tom Andrews met wie ze het album in Londen afmaakte. Vergeleken met het door van alles en nog wat beïnvloede Dissolve klinkt Gold een stuk consistenter. Op het nieuwe album van Tusks zijn vooral elektronische klankentapijten te horen, die worden gecombineerd met afwisselend onderkoelde en dromerige zang, die vaak in meerdere lagen is opgenomen, wat zorgt voor bijzondere harmonieën.
In de openingstrack van Gold klinkt Tusks net zo zweverig en weemoedig als Cocteau Twins en This Mortal Coil in de jaren 80, maar Gold kan meerdere kanten op. Het voornamelijk met analoge synths gemaakte album is over het algemeen genomen redelijk sober ingekleurd met wolken synths en af en toe wat triphop achtige ritmes. Sober is in dit geval wel een relatief begrip, want hoe vaker je naar het album luistert, hoe meer lagen je ontdekt in de wolken synths.
Het wordt prachtig gecombineerd met de mooie stem van Emily Underhill, die met haar zang veel meer indruk maakt dan op haar inmiddels zeven jaar oude debuutalbum. Mede door de ritmes die zijn toegevoegd aan de songs zit er veel beweging en onrust in de songs op Gold, maar het is op hetzelfde moment een album dat rust uitstraalt.
Ik vond het debuutalbum van Tusks zeven jaar geleden behoorlijk ongrijpbaar, maar Gold is ondanks de experimenteerdrang van de Britse muzikante een toegankelijk album met aansprekende songs. Het is ook een album waarop veel te ontdekken valt en waarop ik zelf steeds meer schoonheid ontdek. Gold krijgt zoals gezegd niet heel veel aandacht deze week, maar het is een interessant album dat in het aanbod van deze week flink boven het maaiveld uitsteekt. Erwin Zijleman
Tweedy - Sukierae (2014)

4,0
0
geplaatst: 28 september 2014, 10:17 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Tweedy - Sukierae - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Sukierae zou eigenlijk een soloplaat van Wilco voorman Jeff Tweedy worden. Tweedy werkte al een tijdje thuis aan de plaat toen zoon Spencer aanschoof voor wat voorlopige drumpartijen. De twee kregen al snel de smaak te pakken en brengen Sukierae nu uit als het duo Tweedy.
Helemaal gelijkwaardig was de samenwerking tussen vader en zoon natuurlijk niet. Spencer Tweedy blijkt een getalenteerd en avontuurlijk drummer, maar vader Jeff drukt zijn stempel op Sukierae. Jeff Tweedy schreef alle songs op de plaat, speelt bij vlagen geweldig gitaar en neemt het merendeel van de vocalen voor zijn rekening.
Uiteindelijk doet het er ook niet zoveel toe of Jeff en Spencer Tweedy de taken gelijk hebben verdeeld. Het gaat er vooral om of Sukierae een goede plaat is en of het een plaat is die iets toevoegt aan het werk van Jeff Tweedy’s band Wilco. Wat mij betreft kan er twee keer ja worden geantwoord op deze vraag.
Sukierae is een veelzijdige plaat met maar liefst twintig songs en het is bovendien een plaat die iets toevoegt aan de muziek van Wilco. Sukierae werd in huize Tweedy opgenomen en dat hoor je. De plaat klinkt losjes en rammelt hier en daar, wat de plaat een bijzondere sfeer geeft.
De songs variëren van net wat rauwere rocksongs tot ingetogen songs die prima in het hokje Americana passen en van net wat experimentelere songs (met uit de bocht gierende gitaren) tot songs die hoorbaar zijn beïnvloedt door het latere werk van The Beatles.
Zeker in de wat experimentelere songs kan Spencer laten horen wat hij in huis heeft en laat hij horen dat hij zich als drummer buiten de gebaande paden durft te begeven; overigens net als Wilco drummer Glenn Kotche dat zo vaak doet.
Sukierae klinkt niet als een plaat die tot in de puntjes is voorbereid. In een aantal songs lijken vader en zoon Tweedy en de verder opgetrommelde muzikanten flink te improviseren en lijkt hetgeen dat uiteindelijk op de plaat is terecht gekomen een kwestie van toeval. Ik ben op zich geen liefhebber van muziek die maar eindeloos experimenteert, maar van Sukierae kan ik erg genieten.
De muziek van Tweedy kan af en toe weliswaar flink ontsporen of even doelloos voortborduren, maar slechts bij hogere uitzondering levert dit een song van langer dan vijf minuten op.
Met twintig songs in bijna 70 minuten kan de boog niet de hele tijd gespannen staan, maar Sukierae levert uiteindelijk toch minstens een dozijn prima songs op. Voor mij blijven uiteindelijk vooral de songs met een duidelijke kop en staart overeind, maar Sukierae bevat waarschijnlijk voor iedere muziekliefhebber wel wat interessants.
In een aantal songs schuurt Tweedy tegen de muziek van zijn band Wilco aanen, wat het verlangen naar een nieuwe plaat van de band aanwakkert, maar als Tweedy de Lennon en McCartney in zichzelf naar boven haalt zit ik ook op het puntje van mijn stoel.
Sukierae wordt door de muziekpers tot dusver met zeer gemengde gevoelens ontvangen, maar ik ga steeds meer genieten van deze ontspannen plaat vol geniale momenten. Sukierae is voor mij uiteindelijk vooral een doos bonbons; ze zijn misschien niet allemaal even lekker, maar het blijft wel chocolade. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Tweedy - Sukierae - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Sukierae zou eigenlijk een soloplaat van Wilco voorman Jeff Tweedy worden. Tweedy werkte al een tijdje thuis aan de plaat toen zoon Spencer aanschoof voor wat voorlopige drumpartijen. De twee kregen al snel de smaak te pakken en brengen Sukierae nu uit als het duo Tweedy.
Helemaal gelijkwaardig was de samenwerking tussen vader en zoon natuurlijk niet. Spencer Tweedy blijkt een getalenteerd en avontuurlijk drummer, maar vader Jeff drukt zijn stempel op Sukierae. Jeff Tweedy schreef alle songs op de plaat, speelt bij vlagen geweldig gitaar en neemt het merendeel van de vocalen voor zijn rekening.
Uiteindelijk doet het er ook niet zoveel toe of Jeff en Spencer Tweedy de taken gelijk hebben verdeeld. Het gaat er vooral om of Sukierae een goede plaat is en of het een plaat is die iets toevoegt aan het werk van Jeff Tweedy’s band Wilco. Wat mij betreft kan er twee keer ja worden geantwoord op deze vraag.
Sukierae is een veelzijdige plaat met maar liefst twintig songs en het is bovendien een plaat die iets toevoegt aan de muziek van Wilco. Sukierae werd in huize Tweedy opgenomen en dat hoor je. De plaat klinkt losjes en rammelt hier en daar, wat de plaat een bijzondere sfeer geeft.
De songs variëren van net wat rauwere rocksongs tot ingetogen songs die prima in het hokje Americana passen en van net wat experimentelere songs (met uit de bocht gierende gitaren) tot songs die hoorbaar zijn beïnvloedt door het latere werk van The Beatles.
Zeker in de wat experimentelere songs kan Spencer laten horen wat hij in huis heeft en laat hij horen dat hij zich als drummer buiten de gebaande paden durft te begeven; overigens net als Wilco drummer Glenn Kotche dat zo vaak doet.
Sukierae klinkt niet als een plaat die tot in de puntjes is voorbereid. In een aantal songs lijken vader en zoon Tweedy en de verder opgetrommelde muzikanten flink te improviseren en lijkt hetgeen dat uiteindelijk op de plaat is terecht gekomen een kwestie van toeval. Ik ben op zich geen liefhebber van muziek die maar eindeloos experimenteert, maar van Sukierae kan ik erg genieten.
De muziek van Tweedy kan af en toe weliswaar flink ontsporen of even doelloos voortborduren, maar slechts bij hogere uitzondering levert dit een song van langer dan vijf minuten op.
Met twintig songs in bijna 70 minuten kan de boog niet de hele tijd gespannen staan, maar Sukierae levert uiteindelijk toch minstens een dozijn prima songs op. Voor mij blijven uiteindelijk vooral de songs met een duidelijke kop en staart overeind, maar Sukierae bevat waarschijnlijk voor iedere muziekliefhebber wel wat interessants.
In een aantal songs schuurt Tweedy tegen de muziek van zijn band Wilco aanen, wat het verlangen naar een nieuwe plaat van de band aanwakkert, maar als Tweedy de Lennon en McCartney in zichzelf naar boven haalt zit ik ook op het puntje van mijn stoel.
Sukierae wordt door de muziekpers tot dusver met zeer gemengde gevoelens ontvangen, maar ik ga steeds meer genieten van deze ontspannen plaat vol geniale momenten. Sukierae is voor mij uiteindelijk vooral een doos bonbons; ze zijn misschien niet allemaal even lekker, maar het blijft wel chocolade. Erwin Zijleman
Tyler Childers - Country Squire (2019)

4,0
0
geplaatst: 20 augustus 2019, 15:49 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Tyler Childers - Country Squire - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Tyler Childers - Country Squire
Tyler Childers maakt wederom diepe indruk met een traditioneel aandoend maar volstrekt tijdloos countryalbum dat groeit en groeit
De Amerikaanse muzikant Tyler Childers leverde eind 2017 een ijzersterk countryalbum af, dat terecht warm werd onthaald. Country Squire borduurt voort op zijn voorganger en is minstens even sterk. Ook het nieuwe album van Tyler Childers is voorzien van een warm, gloedvol en volstrekt tijdloos geluid, staat vol met songs die na een paar keer horen memorabel zijn en overtuigt met vocalen die perfect kleuren bij het mooie geluid op het album. Country Squire klinkt bij eerste beluistering als een album dat je al decennia kent en koestert en dat is knap. De afgelopen jaren zijn flink wat nieuwe countryhelden opgestaan. Tyler Childers bewijst met Country Squire dat hij een plekje tussen deze nieuwe helden verdient.
Tyler Childers kreeg eind 2017 in de Verenigde Staten de handen op elkaar voor zijn uitstekende tweede album Purgatory, dat door de Amerikaanse muziekpers werd geschaard onder de betere countryalbums van het jaar.
Het album verscheen begin 2018 ook in Nederland en ook hier werd het album van de Amerikaanse muzikant enthousiast onthaald.
Tyler Childers liet op Purgatory een wat traditioneel aandoend countrygeluid horen, maar het was ook een countrygeluid dat aansloot bij dat van nieuwe countryhelden als Sturgill Simpson (die het album produceerde), Chris Stapleton, Colter Wall, Brent Cobb en Corb Lund.
Op zijn nieuwe album Country Squire, wederom geproduceerd door Sturgill Simpson, gaat de muzikant uit Paintsville, Kentucky, verder waar hij in 2017 ophield. Ook Country Squire zal zeer in de smaak vallen bij liefhebbers van traditionele country, maar ook liefhebbers van alternatieve of rauwere countrymuziek zullen het nieuwe album van Tyler Childers waarschijnlijk wel kunnen waarderen.
Purgatory ontleende een belangrijk deel van zijn kracht aan de verzorgde en bijzonder fraaie instrumentatie en deze is ook op Country Squire dik in orde. Tyler Childers kiest ook dit keer voor een vol geluid waarin gitaren, piano en een pedal steel zorgen voor een fraaie basis, waar de wederom nadrukkelijk aanwezige viool vervolgens prachtig doorheen snijdt. Country Squire klinkt net als zijn voorganger warm en gloedvol en tovert bijna onmiddellijk fraaie beelden van road trips door de Verenigde Staten op het netvlies.
Het geluid van Tyler Childers sluit aan op de country zoals die een aantal decennia geleden werd gemaakt, maar de muzikant uit de Appalachen schuwt ook een net wat rauwer of psychedelisch aandoend geluid niet. Muziekliefhebbers met een allergie voor traditionele country moeten niet aan dit album beginnen, maar een ieder met een zwak voor Amerikaanse rootsmuziek hoort op Country Squire veel moois.
Het geluid op het album is prachtig, maar ook de songs van Tyler Childers en zijn verhalen zijn van hoog niveau. Country Squire is zo’n album dat je bij eerste beluistering al jaren lijkt te kennen, maar het is ook een album dat steeds wat meer indruk maakt. Het is deels de verdienste van het bijzonder mooie en aangename geluid op het album, maar ook de prima stem van de Amerikaanse muzikant draagt flink bij aan de kwaliteit van het album.
Purgatory vond ik bij eerste beluistering net wat te traditioneel en ook bij eerste beluistering van Country Squire had Tyler Childers me niet direct te pakken. Wanneer je eenmaal in de ban raakt van dit album, en dat gebeurde bij mij na twee of drie songs, is de bezwering echter snel compleet en ontvouwt zich een volstrekt tijdloos rootsalbum dat net zo goed in de jaren 70 als in het heden past.
Purgatory groeide na de eerste aarzeling uit tot mijn favoriete rootsplaten van 2018 en ik heb het idee dat Country Squire dezelfde route gaat afleggen. Dat ik Tyler Childers inmiddels schaar onder de smaakmakers binnen de countrymuziek van het moment zal inmiddels duidelijk zijn. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Tyler Childers - Country Squire - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Tyler Childers - Country Squire
Tyler Childers maakt wederom diepe indruk met een traditioneel aandoend maar volstrekt tijdloos countryalbum dat groeit en groeit
De Amerikaanse muzikant Tyler Childers leverde eind 2017 een ijzersterk countryalbum af, dat terecht warm werd onthaald. Country Squire borduurt voort op zijn voorganger en is minstens even sterk. Ook het nieuwe album van Tyler Childers is voorzien van een warm, gloedvol en volstrekt tijdloos geluid, staat vol met songs die na een paar keer horen memorabel zijn en overtuigt met vocalen die perfect kleuren bij het mooie geluid op het album. Country Squire klinkt bij eerste beluistering als een album dat je al decennia kent en koestert en dat is knap. De afgelopen jaren zijn flink wat nieuwe countryhelden opgestaan. Tyler Childers bewijst met Country Squire dat hij een plekje tussen deze nieuwe helden verdient.
Tyler Childers kreeg eind 2017 in de Verenigde Staten de handen op elkaar voor zijn uitstekende tweede album Purgatory, dat door de Amerikaanse muziekpers werd geschaard onder de betere countryalbums van het jaar.
Het album verscheen begin 2018 ook in Nederland en ook hier werd het album van de Amerikaanse muzikant enthousiast onthaald.
Tyler Childers liet op Purgatory een wat traditioneel aandoend countrygeluid horen, maar het was ook een countrygeluid dat aansloot bij dat van nieuwe countryhelden als Sturgill Simpson (die het album produceerde), Chris Stapleton, Colter Wall, Brent Cobb en Corb Lund.
Op zijn nieuwe album Country Squire, wederom geproduceerd door Sturgill Simpson, gaat de muzikant uit Paintsville, Kentucky, verder waar hij in 2017 ophield. Ook Country Squire zal zeer in de smaak vallen bij liefhebbers van traditionele country, maar ook liefhebbers van alternatieve of rauwere countrymuziek zullen het nieuwe album van Tyler Childers waarschijnlijk wel kunnen waarderen.
Purgatory ontleende een belangrijk deel van zijn kracht aan de verzorgde en bijzonder fraaie instrumentatie en deze is ook op Country Squire dik in orde. Tyler Childers kiest ook dit keer voor een vol geluid waarin gitaren, piano en een pedal steel zorgen voor een fraaie basis, waar de wederom nadrukkelijk aanwezige viool vervolgens prachtig doorheen snijdt. Country Squire klinkt net als zijn voorganger warm en gloedvol en tovert bijna onmiddellijk fraaie beelden van road trips door de Verenigde Staten op het netvlies.
Het geluid van Tyler Childers sluit aan op de country zoals die een aantal decennia geleden werd gemaakt, maar de muzikant uit de Appalachen schuwt ook een net wat rauwer of psychedelisch aandoend geluid niet. Muziekliefhebbers met een allergie voor traditionele country moeten niet aan dit album beginnen, maar een ieder met een zwak voor Amerikaanse rootsmuziek hoort op Country Squire veel moois.
Het geluid op het album is prachtig, maar ook de songs van Tyler Childers en zijn verhalen zijn van hoog niveau. Country Squire is zo’n album dat je bij eerste beluistering al jaren lijkt te kennen, maar het is ook een album dat steeds wat meer indruk maakt. Het is deels de verdienste van het bijzonder mooie en aangename geluid op het album, maar ook de prima stem van de Amerikaanse muzikant draagt flink bij aan de kwaliteit van het album.
Purgatory vond ik bij eerste beluistering net wat te traditioneel en ook bij eerste beluistering van Country Squire had Tyler Childers me niet direct te pakken. Wanneer je eenmaal in de ban raakt van dit album, en dat gebeurde bij mij na twee of drie songs, is de bezwering echter snel compleet en ontvouwt zich een volstrekt tijdloos rootsalbum dat net zo goed in de jaren 70 als in het heden past.
Purgatory groeide na de eerste aarzeling uit tot mijn favoriete rootsplaten van 2018 en ik heb het idee dat Country Squire dezelfde route gaat afleggen. Dat ik Tyler Childers inmiddels schaar onder de smaakmakers binnen de countrymuziek van het moment zal inmiddels duidelijk zijn. Erwin Zijleman
Tyler Childers - Purgatory (2017)

4,5
0
geplaatst: 7 januari 2018, 10:21 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Tyler Childers - Purgatory - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Tyler Childers werd geboren in de Appalachen en kreeg de traditionele Amerikaanse folk- en countrymuziek met de paplepel ingegoten.
Vorig jaar werd de muzikant uit Kentucky in de Verenigde Staten geschaard onder de meest veelbelovende nieuwkomers en in 2018 moet Tyler Childers ook Europa aan zijn zegekar gaan binden.
Purgatory, het in de zomer van 2017 verschenen debuut van Tyler Childers, kreeg deze week ook eindelijk een Nederlandse release en ik begrijp nu waarom ik de plaat in zoveel Amerikaanse jaarlijstjes tegen kwam.
Purgatory werd geproduceerd door niemand minder dan Sturgill Simpson en met Sturgill Simpson hebben we direct ook relevant vergelijkingsmateriaal in handen. Ook Tyler Childers laat zich nadrukkelijk beïnvloeden door de Amerikaanse Outlaw countrymuziek uit de jaren 70, maar ook de traditionele folk en country die hij tijdens zijn jeugd leerde waarderen heeft een plekje gekregen in de muziek van de Amerikaan.
Purgatory laat een wat traditioneel aandoend countrygeluid horen en het is een geluid waarin met name de viool de hoofdrol opeist. De combinatie van deze viool met gitaren, banjo, mandoline en pedal steel levert een vol maar ook ruimtelijk geluid op. Het is een geluid waarin ruimte is voor muzikaal vuurwerk, maar het is ook een geluid dat uiteindelijk in dienst staat van de stem van Tyler Childers, die is voorzien van een aangenaam rauwe strot.
Om van Purgatory te kunnen genieten moet je bestand zijn tegen een flinke dosis traditionele Amerikaanse country, maar als je dit bent is het debuut van Tyler Childers een plaat die snel naar grote hoogten groeit.
Net als de songs van de al eerder genoemde Sturgill Simpson en de songs van tijdgenoten als Chris Stapleton, Colter Wall, Brent Cobb, Corb Lund en in iets mindere mater Jason Isbell, klinken de songs van Tyler Childers volstrekt tijdloos. Purgatory had met enige fantasie ook 45 jaar geleden gemaakt kunnen worden, maar desondanks klinkt het debuut van de muzikant uit Lexington, Kentucky, geen moment gedateerd.
Vergeleken met platen uit de jaren 70 verwerkt Tyler Childers overigens wel meer invloeden in zijn muziek, want naast invloeden uit de country en de folk, laat Purgatory ook invloeden uit onder andere de rock ’n roll en de western Swing horen.
Het meest verslavend aan Purgatory vind ik persoonlijk de aangename flow die de plaat heeft. Laat Purgatory uit de speakers komen en je wordt bijna 40 minuten vastgehouden door de bijzondere songs van de jonge Amerikaan, die aan de hand van Sturgill Simpson en een aantal geweldige muzikanten ook nog eens een fantastisch klinkende plaat heeft gemaakt en een plaat die vol staat met prachtige verhalen over het leven op het Amerikaanse platteland.
In de Verenigde Staten zoals gezegd vorig jaar al een jaarlijstjesplaat, voor mij een van de eerste sensaties van het prille muziekjaar 2018. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Tyler Childers - Purgatory - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Tyler Childers werd geboren in de Appalachen en kreeg de traditionele Amerikaanse folk- en countrymuziek met de paplepel ingegoten.
Vorig jaar werd de muzikant uit Kentucky in de Verenigde Staten geschaard onder de meest veelbelovende nieuwkomers en in 2018 moet Tyler Childers ook Europa aan zijn zegekar gaan binden.
Purgatory, het in de zomer van 2017 verschenen debuut van Tyler Childers, kreeg deze week ook eindelijk een Nederlandse release en ik begrijp nu waarom ik de plaat in zoveel Amerikaanse jaarlijstjes tegen kwam.
Purgatory werd geproduceerd door niemand minder dan Sturgill Simpson en met Sturgill Simpson hebben we direct ook relevant vergelijkingsmateriaal in handen. Ook Tyler Childers laat zich nadrukkelijk beïnvloeden door de Amerikaanse Outlaw countrymuziek uit de jaren 70, maar ook de traditionele folk en country die hij tijdens zijn jeugd leerde waarderen heeft een plekje gekregen in de muziek van de Amerikaan.
Purgatory laat een wat traditioneel aandoend countrygeluid horen en het is een geluid waarin met name de viool de hoofdrol opeist. De combinatie van deze viool met gitaren, banjo, mandoline en pedal steel levert een vol maar ook ruimtelijk geluid op. Het is een geluid waarin ruimte is voor muzikaal vuurwerk, maar het is ook een geluid dat uiteindelijk in dienst staat van de stem van Tyler Childers, die is voorzien van een aangenaam rauwe strot.
Om van Purgatory te kunnen genieten moet je bestand zijn tegen een flinke dosis traditionele Amerikaanse country, maar als je dit bent is het debuut van Tyler Childers een plaat die snel naar grote hoogten groeit.
Net als de songs van de al eerder genoemde Sturgill Simpson en de songs van tijdgenoten als Chris Stapleton, Colter Wall, Brent Cobb, Corb Lund en in iets mindere mater Jason Isbell, klinken de songs van Tyler Childers volstrekt tijdloos. Purgatory had met enige fantasie ook 45 jaar geleden gemaakt kunnen worden, maar desondanks klinkt het debuut van de muzikant uit Lexington, Kentucky, geen moment gedateerd.
Vergeleken met platen uit de jaren 70 verwerkt Tyler Childers overigens wel meer invloeden in zijn muziek, want naast invloeden uit de country en de folk, laat Purgatory ook invloeden uit onder andere de rock ’n roll en de western Swing horen.
Het meest verslavend aan Purgatory vind ik persoonlijk de aangename flow die de plaat heeft. Laat Purgatory uit de speakers komen en je wordt bijna 40 minuten vastgehouden door de bijzondere songs van de jonge Amerikaan, die aan de hand van Sturgill Simpson en een aantal geweldige muzikanten ook nog eens een fantastisch klinkende plaat heeft gemaakt en een plaat die vol staat met prachtige verhalen over het leven op het Amerikaanse platteland.
In de Verenigde Staten zoals gezegd vorig jaar al een jaarlijstjesplaat, voor mij een van de eerste sensaties van het prille muziekjaar 2018. Erwin Zijleman
Tyler Childers - Snipe Hunter (2025)

4,0
0
geplaatst: 12 september 2025, 14:42 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Tyler Childers - Snipe Hunter - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: Tyler Childers - Snipe Hunter
Mijn liefde voor de muziek van Tyler Childers raakte wat bekoeld na zijn geweldige albums Purgatory en Country Squire, maar inmiddels ben ik er achter dat ook het onlangs verschenen Snipe Hunter een uitstekend album is
De Amerikaanse muzikant Tyler Childers schaarde zich in 2017 in een keer onder de smaakmakers van de countrymuziek. Die status bevestigde hij twee jaar later, maar vervolgens maakte de muzikant uit Kentucky wat ongelukkige keuzes. Tyler Childers revancheerde zich twee jaar geleden al met een prima album en doet er een schepje bovenop met zijn nieuwe album Snipe Hunter. Het is een album waar het plezier en de inspiratie van af spatten. In muzikaal en productioneel opzicht klinkt het gedegen maar af en toe ook uitzonderlijk en de zang van Tyler Childers doet direct wat met je. Ik vind het nog niet zo goed als de albums uit 2017 en 2019, maar het komt zeker in de buurt.
Ik schreef aan het begin van 2017 hele lovende woorden over het in de Verenigde Staten al in 2017 verschenen Purgatory van Tyler Childers. De Amerikaanse muzikant maakte op zijn officiële en door niemand minder dan Sturgill Simpson geproduceerde debuutalbum oorspronkelijke countrymuziek. Het was misschien voor mij misschien net wat te traditioneel en bovendien heb ik een duidelijke voorkeur voor vrouwenstemmen, maar op Purgatory werd met zoveel smaak en gevoel gemusiceerd en met zoveel passie gezongen, dat de songs van Tyler Childers er in gingen als koek.
Dat was niet anders toen in 2020 Country Squire verscheen, dat wederom werd geproduceerd door Sturgill Simpson en dat nog wat mooier en indrukwekkender was. Vervolgens ging het mis tussen Tyler Childers en mij. Ik kwam echt niet door de wel erg traditionele albums Long Violent History (2020) en Can I Take My Hounds To Heaven? (2022) heen en ook het twee jaar geleden verschenen Rustin' In The Rain deed me heel weinig, ondanks het feit dat dit album weer wel werd geprezen door de critici.
Ik ging er daarom van uit dat ik het onlangs verschenen Snipe Hunter best kon laten liggen, maar dit leverde me meerdere reacties op van lezers van deze site, die beweerden dat het nieuwe album van Tyler Childers toch echt behoort tot de beste Amerikaanse rootsalbums van 2025 en misschien zelfs wel het beste album is dat dit jaar in het genre is verschenen. Maar het laatste ben ik het persoonlijk niet eens, maar dat Snipe Hunter een uitstekend album is en een album dat ik zeker niet had moeten lagen liggen kan ik inmiddels wel beamen.
Ook op Snipe Hunter maakt de Amerikaanse muzikant weer wat traditioneel aandoende countrymuziek, maar waar de vorige albums van Tyler Childers me niet wisten raken, hoor ik op het nieuwe album van de Amerikaanse muzikant weer het aanstekelijke spelplezier en de tomeloze passie die van Purgatory en Country Squire geweldige albums maakten.
Dat ook Snipe Hunter weer behoorlijk traditioneel klinkt heeft alles te maken met de instrumenten die zijn ingezet. In de songs op het nieuwe album van Tyler Childers staan de banjo, viool, mandoline en de staande bas centraal, wat een traditioneel maar ook energiek geluid oplevert. Het past allemaal prachtig bij de voor traditionele countrymuziek gemaakte stem van de muzikant uit Kentucky, die ook op zijn nieuwe album met veel emotie en expressie zingt.
Ook Snipe Hunter doet weer denken aan de muziek van nieuwe countryhelden als voormalig producer Sturgill Simpson, Chris Stapleton, Brent Cobb en Corb Lund. Tyler Childers wist overigens ook dit keer een producer van naam en faam te strikken, want niemand minder dan levende legende Rick Rubin coproduceerde het album.
Het grappige van Snipe Hunter is trouwens dat het album bij eerste beluisteringen klinkt als een behoorlijk traditioneel countryalbum, maar naarmate je het album vaker hoort valt veel meer op hoe Tyler Childers in muzikaal, vocaal en tekstueel opzicht echt wel de grenzen opzoekt en er hier en daar op bijzondere wijze overheen gaat. Het is vast deels de verdienste van meesterproducer Rick Rubin, maar het talent van Tyler Childers onderschat ik inmiddels ook niet meer. Ik ben blij dat ik mijn tipgevers serieus heb genomen. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: Tyler Childers - Snipe Hunter - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: Tyler Childers - Snipe Hunter
Mijn liefde voor de muziek van Tyler Childers raakte wat bekoeld na zijn geweldige albums Purgatory en Country Squire, maar inmiddels ben ik er achter dat ook het onlangs verschenen Snipe Hunter een uitstekend album is
De Amerikaanse muzikant Tyler Childers schaarde zich in 2017 in een keer onder de smaakmakers van de countrymuziek. Die status bevestigde hij twee jaar later, maar vervolgens maakte de muzikant uit Kentucky wat ongelukkige keuzes. Tyler Childers revancheerde zich twee jaar geleden al met een prima album en doet er een schepje bovenop met zijn nieuwe album Snipe Hunter. Het is een album waar het plezier en de inspiratie van af spatten. In muzikaal en productioneel opzicht klinkt het gedegen maar af en toe ook uitzonderlijk en de zang van Tyler Childers doet direct wat met je. Ik vind het nog niet zo goed als de albums uit 2017 en 2019, maar het komt zeker in de buurt.
Ik schreef aan het begin van 2017 hele lovende woorden over het in de Verenigde Staten al in 2017 verschenen Purgatory van Tyler Childers. De Amerikaanse muzikant maakte op zijn officiële en door niemand minder dan Sturgill Simpson geproduceerde debuutalbum oorspronkelijke countrymuziek. Het was misschien voor mij misschien net wat te traditioneel en bovendien heb ik een duidelijke voorkeur voor vrouwenstemmen, maar op Purgatory werd met zoveel smaak en gevoel gemusiceerd en met zoveel passie gezongen, dat de songs van Tyler Childers er in gingen als koek.
Dat was niet anders toen in 2020 Country Squire verscheen, dat wederom werd geproduceerd door Sturgill Simpson en dat nog wat mooier en indrukwekkender was. Vervolgens ging het mis tussen Tyler Childers en mij. Ik kwam echt niet door de wel erg traditionele albums Long Violent History (2020) en Can I Take My Hounds To Heaven? (2022) heen en ook het twee jaar geleden verschenen Rustin' In The Rain deed me heel weinig, ondanks het feit dat dit album weer wel werd geprezen door de critici.
Ik ging er daarom van uit dat ik het onlangs verschenen Snipe Hunter best kon laten liggen, maar dit leverde me meerdere reacties op van lezers van deze site, die beweerden dat het nieuwe album van Tyler Childers toch echt behoort tot de beste Amerikaanse rootsalbums van 2025 en misschien zelfs wel het beste album is dat dit jaar in het genre is verschenen. Maar het laatste ben ik het persoonlijk niet eens, maar dat Snipe Hunter een uitstekend album is en een album dat ik zeker niet had moeten lagen liggen kan ik inmiddels wel beamen.
Ook op Snipe Hunter maakt de Amerikaanse muzikant weer wat traditioneel aandoende countrymuziek, maar waar de vorige albums van Tyler Childers me niet wisten raken, hoor ik op het nieuwe album van de Amerikaanse muzikant weer het aanstekelijke spelplezier en de tomeloze passie die van Purgatory en Country Squire geweldige albums maakten.
Dat ook Snipe Hunter weer behoorlijk traditioneel klinkt heeft alles te maken met de instrumenten die zijn ingezet. In de songs op het nieuwe album van Tyler Childers staan de banjo, viool, mandoline en de staande bas centraal, wat een traditioneel maar ook energiek geluid oplevert. Het past allemaal prachtig bij de voor traditionele countrymuziek gemaakte stem van de muzikant uit Kentucky, die ook op zijn nieuwe album met veel emotie en expressie zingt.
Ook Snipe Hunter doet weer denken aan de muziek van nieuwe countryhelden als voormalig producer Sturgill Simpson, Chris Stapleton, Brent Cobb en Corb Lund. Tyler Childers wist overigens ook dit keer een producer van naam en faam te strikken, want niemand minder dan levende legende Rick Rubin coproduceerde het album.
Het grappige van Snipe Hunter is trouwens dat het album bij eerste beluisteringen klinkt als een behoorlijk traditioneel countryalbum, maar naarmate je het album vaker hoort valt veel meer op hoe Tyler Childers in muzikaal, vocaal en tekstueel opzicht echt wel de grenzen opzoekt en er hier en daar op bijzondere wijze overheen gaat. Het is vast deels de verdienste van meesterproducer Rick Rubin, maar het talent van Tyler Childers onderschat ik inmiddels ook niet meer. Ik ben blij dat ik mijn tipgevers serieus heb genomen. Erwin Zijleman
