MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Wandelaar als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

The Alan Parsons Project - I Robot (1977)

poster
5,0
Het tweede album van The Alan Parsons Project was het eerste resultaat van het nieuwe contract dat Parsons en Woolfson tekenden bij Arista. Na het klassiek orkestrale en soms beklemmende Tales of Mystery and Imagination, bleek er belangstelling genoeg voor een vervolgproject.

En er werd hier opnieuw hoog ingezet. Na de psychopathologische verwikkelingen uit de nalatenschap van Edgar Allan Poe, werd nu de focus gelegd op een thema uit het werk van Isaac Asimov: kunstmatige intelligentie. Wat als de wereld in de greep raakt van de robots, als de machine die de mens bouwde de dienst gaat uitmaken op aarde. Een al even beklemmend SF-thema.

Ondanks de fantasierijke verpakking, zit er iets van een moraal in het verhaal van Asimov. Wat de mens zelf geschapen heeft kan zijn eigen ondergang betekenen. In het slotnummer Genesis Chapter 1verse 32 wordt gerefereerd naar die menselijke scheppingsdaad als iets noodlottigs.

Zonder heel boodschapperig te willen zijn, is dit onderwerp op uitstekende wijze verwerkt in het album. Indringend, tekstueel raak, maar voor die tijd zeker heel modern uitgewerkt met funky discoritmes en futuristische synthesizers. We herkennen in The Voice de basis van 'Papa was a Rolling Stone' van The Temptations.

Erg knap is het dialogische wisselkarakter van het album. Stevige nummers met heftige gevoelens worden afgewisseld door gevoelige stukken met zelfreflectie en emotie. Zo staat Breakdown als een huis tussen Some Other Time en Don't Let it Show. Je bent dan op de helft van het album en draait om naar kant 2. Daar brengt The Voice je weer in een heel andere sfeer. De spanning stijgt en je denkt een stuk berusting gevonden te hebben in Day After Day, maar rolt dan verder in een spannende Total Eclipse. Het idee van conceptalbum is hier volmaakt uitgewerkt: verhaal, verwoording, verbeelding. Alle verdere vervolgplaten van The Project hebben een thema, maar weinig hebben de lijn van het verhaal zo vastgehouden als hier op I Robot.

Andrew Powell was op dit album opnieuw de man die de inbreng van het orkest maximaal benutte met zijn arrangementen. Parsons en Woolfson zien we hier gezamenlijk optrekken als componisten, maar inmiddels weten we wel dat vooral Eric Woolfson de creatieve kracht was achter de meeste songs en Parsons de instrumentale kleur gaf. In de band de kernploeg van Pilot: Paton, Tosh en Bairnson, die in vaste dienst kwamen bij producer Parsons. Verder de stemmen van o.a. Allan Clarke en Steve Harley. Geen kleintjes dus die hier hun medewerking verlenen.

The Alan Parsons Project bewees geen eenmalig samenwerkingsverband te zijn. Zonder afhankelijk te hoeven zijn van single-successen konden de heren jaar na jaar hun conceptalbums blijven maken voor Arista. Een zekere druk zullen ze daarbij wel gevoeld hebben en vooral in de jaren '80 vertaalde zich dat naar meer profileren voor de grote Amerikaanse markt. Maar zeker ook in de Duitstalige landen, Scandinavië en Nederland ontstond een trouwe aanhang. Die fans moesten het helemaal hebben van de fraai verzorgde albumreleases. Concerten waren er immers niet. Onvoorstelbaar voor nu.

The Alan Parsons Project - Stereotomy (1985)

poster
4,0
En nu eens even iets helemaal anders, moet Alan Parsons gedacht hebben. Eric Woolfson hoefde hier zijn stem niet aan te lenen. Had hij daar geen zin in? Op gevaar af te verdrinken in de digitale speeltjes, zijn er toch een paar oases als: Limelight, gezongen door de mij zeer bewonderde Gary Brooker en het spirituele Light of the World. Verder veel strak geweld en harde klanken. Het was 1986. Kennelijk moest het even zo.

The Alan Parsons Project - Tales of Mystery and Imagination - Edgar Allan Poe (1976)

Alternatieve titel: Tales of Mystery and Imagination

poster
5,0
Leonidas55 schreef:
Dit debuut van Parsons valt licht tegen. The Raven is prachtig, en de afsluiter To one in paradise een mooie teaser voor wat hierna zou komen, maar all in all hebben de meeste songs ondanks de uitmuntende productie nog niet zo heel veel zeggingskracht. Gelukkig kwam dat later meer dan goed.
Dat kan gebeuren. Het is, denk ik, het minst direct toegankelijke album van The Alan Parsons Project en het 'Project' bestond toen nog uit niets anders dan dit verhaal rond Edgar Alan Poe. Een bijzonder concept.

De songs afzonderlijk zijn niet het sterkste punt. Het is zeker geen verzameling goede liedjes. Eigenlijk zit de kracht in de spanningsopbouw van het hele album waarin je meegenomen wordt. Er loopt een lange lijn van emotionele opbouw door het hele album heen. Met de rare kronkels van deze vreemde negentiende eeuwse auteur. In één woord: suspense. En dat op de grens van het krankzinnige. Voor wie zich beroepsmatig bezighoudt met psychiatrie, zoal ik doe, een interessant palet van geestelijke stemmingen en psychose. Dit was Poe ten voeten uit. Een gevecht tegen zijn demonen.
Geen bezwaar tegen de introducties door Orson Welles op de 1987 CD editie van het album. Het geeft het woord 'suspense' extra betekenis.

Je hebt gelijk: de betere songs zouden op latere albums voorkomen. Als concept vind ik dit toch wel meer dan geslaagd.

The Alan Parsons Project - The Essential (2007)

poster
4,0
Natuurlijk heeft een verzamelalbum zo z'n beperkingen. Helemaal ideaal is het nooit en de samenhang die we op de conceptalbums zo duidelijk ervaren, moeten we hier missen. Daarom is 5 sterren misschien net teveel eer. Goed is in elk geval dat ook het eerste album, Tales of Mystery and Imagination - Edgar Allan Poe (1976) is meegenomen met de eerste drie tracks. Dat eerste album verscheen bij Mercury, de vervolgalbums op het Arista-label en dat gaf bij eerdere verzamelaars wel eens problemen.

We gaan mooi chronologisch door de tien jaren van het Project. Buitenbeentje is No Answers Only Questions, een nummer dat we alleen bij de bonustracks op de CD-heruitgave van Vulture Culture (1985) eerder tegenkwamen: een prachtige 'kale' gitaarsong. Zo kon het dus ook.

The Alan Parsons Project bracht in die tien jaar, 1976-1986, een bijna klassiek stuk Britse kwaliteitspop voort. De meewerkende artiesten werden zorgvuldig voor ieder conceptalbum geselecteerd en ook productioneel werd weinig aan het toeval overgelaten. Daarmee is het hele nette muziek geworden, waarbij je wel eens het gevoel bekruipt dat het een beetje steriel en gepolijst dreigt te worden. Vooral bij de laatste albums is die technocratische inslag wel duidelijk merkbaar. Daarmee doe ik niets af aan de kwaliteit van de songs en de vaak verrassend goede teksten. De handtekening van Eric Woolfson (1945-2009) is onmiskenbaar. Uit de latere soloplaten van Alan Parsons blijkt duidelijk hoezeer we deze inspirator moeten missen, naast de productionele kunde van de heer Parsons zelf. Daardoor was juist deze periode zo uniek. Het effect van 1+1=3.

Goede selectie op dit dubbelalbum met ruim tweeënhalf uur luisterplezier. Mijn favorieten: To One in Paradise, Some Other Time, The Eagle Will Rise Again, Nothing Left to Lose, Silence and I, Ammonia Avenue, Let's Talk About Me, No Answers Only Questions en het wonderschone La Sagrada Familia.

The Beach Boys - 1967 (2017)

Alternatieve titel: Sunshine Tomorrow

poster
4,0
Een pot honing op de plank in Brian's keuken inspireerde de band tot het maken van het album Wild Honey, zo gaat het verhaal. En zo huiselijk gaat het er ook aan toe op dit grotendeels thuis bij Brian opgenomen album. Met amper 24 minuten is het niets te lang. De plaat werd destijds matig ontvangen en slechts een paar maanden uitgebracht na Smiley Smile: het album met de brokstukken van wat een groots album had kunnen zijn: Smile.

De Beach Boys zaten midden in een experimentele periode. Op zoek naar richting en inspiratie. Opmerkelijk zijn de soulinvloeden op de plaat, met I Was Made to Love Her als opvallende coverkeuze. Here Comes the Night kent ook dat stampende Motown-geluid. Daarnaast vallen de bijna kinderlijk naieve songs op, zoals Brian's I'd Love Just Once to See You .

Een speels en oprecht album, dat nauwelijks werd verkocht en waar misschien weinig fans op zaten te wachten. Het werd het laatste mono-album van de band. Nu, in 2017, pas voor het eerst in stereo uitgebracht.

Let the bees make honey
Let the poor find money
Take away their sorrows
Give them sunshine tomorrow


Dat zingen the boys in het nummer Let the Wind Blow en het verklaart de subtitel van dit album 1967 - Sunshine Tomorrow.
In het jaar na het mislukte Smile-project begon een opmerkelijk creatieve periode. Niet de hits maar de vocale harmonie en de innerlijke groei stond voorop. Wild Honey (1967); Friends (1968), 20/20 (1969); Wildflower (1970) en Surf's Up (1971) kun je wel zien als resultaat van dit creatieve proces dat met het Smile-project werd ingezet. Kinderlijk naief en onbevangen en al lang niet meer de band met de grote surfhits. Intiem, rommelig soms, alsof je het meebeleeft in de huiskamer van dit muzikale gezin.

1967 - Sunshine Tomorrow heeft dat intieme van meekijken in het leven van de boys. Je hoort hoe nummers ontstaan in oefensessies, hoe de vocalen elkaar zoeken in harmonie. Backingtracks, demoversies, het is misschien niet voor iedereen even interessant. Als liefhebber kan ik er wel wat mee. Het laat de band een stuk dichterbij komen, kwetsbaar, menselijk, benaderbaar. Er moest ook gewoon hard gewerkt worden in de studio en lang niet alles lukte ook.

Ook bij de live-registraties heb je niet het idee dat het allemaal vanzelf ging. Een beetje ruw en onbeholpen af en toe. De opnametechniek laat hier steken vallen. Het maakt wel duidelijk waarom het live-album Lei’d in Hawaii nooit werd uitgebracht.

Mooiste track is misschien wel het vervreemdende intrumentale Fall Breaks and Back to Winter of anders de curieuse Beatles cover With a Little Help from My Friends .
Eigenlijk teveel om op te noemen. 1967 is Wild Honey met een eindeloze reeks bonustracks. Prachtig.

The Beach Boys - 20/20 (1969)

poster
4,0
Komende maand zal ook dít album van The Beach Boys de vijftig jaar-grens passeren. En daarmee voel ik weer eens de afstand in tijd en ruimte tot die periode. Een stap in een andere wereld. Een andere tijd die nu zo definitief geschiedenis geworden is en waarmee het contact verbrokkelt, tenzij je er je best voor doet je te verplaatsen, terug in de tijd. “Herinnert u zich deze nog?” echode de jingle van Radio Veronica al in 1972 bij het draaien van Do It Again of Break Away. Toen al hit-historie, nu wordt het graven in een grijzer verleden. Geen radiozender die ze nog draait.

20/20 was een contractuele verplichting tegenover Capitol. En de band die door Brian’s afwezigheid vanwege psychiatrische behandeling al een paar jaar naar richting zocht, had geen duidelijk plan voor dit album. Achteraf kon Brian Wilson het in zijn linernotes wel mooi verklaren en er een positieve draai aan geven als hij schrijft: “The key word for this album is refinement. I was still growin' musically and we as a group wanted to sound more subtle and tighter”. Maar dat kon niet verhullen dat 20/20 niet veel meer bevat dan een samenraapsel van singles, covers en overgebleven tracks. Maar dan toch niet de minste!

Do it Again is een dijk van een single, geen hele grote hit, maar in alles een visitekaartje voor The Beach Boys. Typerend is de krachtige snaredrum in de opening van het nummer.
I Can Hear Music werd geproduceerd door Carl Wilson die hier duidelijk het stokje van Brian overnam. Een cover van The Ronettes.

Bluebird over the Mountain is opnieuw een cover en Mike neemt hier de leadvocal voor zijn rekening. Bruce Johnston maakt hier zijn debuut als producer.
Be With Me is een breekbaar en emotioneel lied van Dennis Wilson. Een donker randje ook wel. Dennis was niet veel minder dan broer Brian in psychische problemen.

Een rauwe testosteronrocker vinden we in All I want do do. Geen best nummer eigenlijk.
Bruce Johnston componeerde en produceerde de instrumental The Nearest Faraway Place die ons meteen weer terugbrengt in die wonderlijke sprookjesachtige sfeer van Pet Sounds.

Tijd voor weer een cover: de folk traditional Cotton Fields en hoewel kort is dit een heel goede versie, gezongen door Al Jardine.
Heel fraai is het nog kortere maar intrigerende I Went to Sleep, een nummer van Brian en Carl.
Time to get Alone gaat min of meer verder in deze sfeer. Onaards sprookjesachtig en prachtige harmoniezang. Een hoogtepunt!

Never Learn not to Love heeft een erg donkere onprettige herkomst. Het werd geschreven door de maniakale moordenaar Charles Manson en verkocht voor een motorfiets aan Dennis Wilson die de titel en een paar tekstregels veranderde. Ondanks de deal was Manson hier niet blij mee en stuurde een kogel naar Dennis, die nu wel begreep dat de vriendschap voorbij moest zijn.

Our Prayer, een woordloze zangpartij die klinkt als een inzingoefening van een knapenkoor in een middeleeuwse kathedraal was bedoeld als opening van Smile, het album dat maar niet van de grond kwam. Ook Cabin Essence, op tekst van Van Dyke Parks is een stukje van de Smile puzzle.
Artistiek één van de meest hoogstaande nummers van Brian.

De bonustracks, verschenen op de hdcd remaster van 2001 doen we er ook nog even bij:

Break Away is een prachtige single met hemelse vocalen. Vader Murry Wilson zou ook nog iets hebben bijgedragen aan het nummer. In de hitlijtsen flopte de plaat echter volledig. Op de b-kant vinden we een nummer van Dennis: Celebrate the News en we proeven de psychedelische invloed waar Dennis aan bloot stond.

We're Together Again : mooi simpel en puur BB-liedje.
In minder dan een minuut brengt Brian een ode aan Burt Bacharach in Walk on By. Het past mij als wandelaar deze geregeld te draaien natuurlijk. Te kort om van een nummer te spreken, meer een momentje in de studio.
En dan die nostalgische medley tot slot. Mooi hoor, maar o wat naïef braaf klinken ze hier. De folksongs worden hier deskundig van een BB-etiket voorzien en tijdloos gemaakt.

Vijftig jaar verder zijn we nu. Sommige songs lijken voor de eeuwigheid bestemd, andere kunnen we best vergeten. Het was niet allemaal meesterlijke harmonie in de geschiedenis van deze band. Hier en daar vervaagt de glans en de persoonlijke problemen van met name Brian en Dennis hebben wel iets van een schaduw geworpen over het werk. Het maakt het des te wonderlijker dat je zoveel moois aantreft. Tegen de druk in. Bewondering maar ook iets van trieste weemoed beheerst mijn stemming. Dit is geen vrolijke boyband. Maar ze raakten soms wel tot aan de hemel.

The Beach Boys - Pet Sounds (1966)

poster
5,0
Monumentale plaat, al zou je dat op kant 1 niet direct zeggen. De jongens-meisjes-thematiek gaat hier onverdroten verder, zoals op voorgaande albums, al is de surfplank inmiddels veilig opgeborgen. Vooral op kant 2 begint het te dagen dat er hier iets heel anders gaande is. Vinkjes zet ik dan ook op die tweede helft bij God Only Knows, I Know There's an Answer en I Just Wasn't Made for these Times.
Dit is andere koek. De geestelijke crisis die zich bij Brian Wilson op 23 december 1964 aandiende en waardoor hij zich, met al die muziek in zijn hoofd, in de studio terugtrok, wierp zijn vruchten af. Dat klinkt vreemd, want Brian was niet helemaal gezond, maar zonder dat isolement kon die stap niet gezet worden. Laten met elkaar afspreken dat de popmuziek hier pas echt een grote sprong voorwaarts maakte. Een weg terug was er niet.

The Beach Boys - Sunflower (1970)

poster
5,0
Op 8 mei 1970 kwam Let it Be van de Beatles uit, op 31 augustus in dat jaar verscheen Sunflower. Waar de twee bands in de jaren zestig nog met elkaar in competitie waren, zo moest Smile! het antwoord zijn op Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band, is er hier van tweestrijd geen sprake meer. The Beach Boys waren inmiddels, zoals de hoesfoto laat zien, een hippe clan met aanhang geworden, een family, een commune, ongetwijfeld onder invloed van spirituele gedachten en middelen, die in die tijd in de mode waren.

We stappen hier de zeventiger jaren in. De harmonie centraal, songs over klein geluk en klein verdriet, de invloed van de singer-songwriter. Het is love, brothers&sisters, happiness. Heel duidelijk in It's About Time. En dan het prachtige, met violen overgoten Tears in The Morning. Als ik dan toch even met Let it Be mag vergelijken, dan denk ik aan 'The Long and Winding Road'. De introspectie, de sfeer van heimwee, verloren liefde. Sentiment? ik denk ook wel de omslag van een cultuur, de ontdekking van de melancholie. Zo herinner ik me de hang naar oma's spulletjes van de rommelmarkt uit die tijd. Iedereen wilde een schommelstoel en een petroleumstel. Er hing nostalgie in de lucht en geen revolutie. Het gevoel kwam centraal te staan.

Fraaie liedjes, zoals ook op Friends (zomer 1968). Deidre. Wat een schatje. Past hier goed in.
En dan: All I Wanna Do : een bovenaards nummer, met prachtige delay effecten, en Forever met de schorre stem van Dennis. Brian, toch al veel met bovenaardse zaken bezig, zei hierover:
" 'Forever' has to be the most harmonically beautiful thing I've ever heard. It's a rock and roll prayer."
At My Window: een ontmoeting met een vogeltje bij het raam - hoe klein mensen er uitzien vanuit de lucht. The Beach Boys waren erg begaan met de natuur. Zo ook in Cool, Cool Water, een 'soundscape' van meditatie en natuurgeluiden. Surfplank en mooie Californische meisjes worden hier allang niet meer bezongen. De Boys zijn zich spiritueel aan het herontdekken, voor het moment althans...

'Kokomo' was nog ver weg.

The Beach Boys - Surf's Up (1971)

poster
5,0
Surf's Up verscheen precies een jaar na Sunflower (1970). Intussen was er wel wat veranderd. Brian Wilson, de creatief leider van de band, had zich verder teruggetrokken van het productiewerk en daardoor kwam er ruimte voor de andere leden. We vinden daarom bijdragen van Mike Love en Al Jardine, Carl Wilson en Jack Rieley, het betoverende Disney Girls (1957) is van Bruce Johnston, de wonderlijke tekst van titelnummer Surf's Up is van Van Dyke Parks, één van de meest experimentele popdichters en muziekproducers uit die tijd (en misschien wel van alle tijden).

Het album is, en dat is geen geheim, een bundeling van restmateriaal, afgekeurde songs en experimenten.
Maar, dat zegt helemaal niets over de kwaliteit, al zijn er sterke fluctuaties aan te wijzen. Uit de schoenendoos die hier wordt omgekieperd komt fantastisch songmateriaal tevoorschijn, in de meest pure vorm.
Als geheel, dus rode draad, kunnen we stellen dat dit album meer dan al het voorgaande werk milieubewuste en maatschappijkritische teksten levert. Het voortbestaan in vrede van onze planeet ging de broeders aan het hart.

Don't Go Near the Water gaat verder waar Sunflower met Cool, Cool Water eindigde. De contrasten zijn verder sterk. Na het zoete en lieflijke Disney Girls (1957) volgt het het rauwe Student Demonstration Time, met de ongemakkelijk overgemoduleerde gitaren.

Meer in de overgevoelige geest van Brian zijn dan vervolgens het ijzingwekkende Feel Flows, en A Day In The Life Of A Tree, waarin de boom zijn verhaal vertelt, over zijn leven in een vervuilde wereld. Tot op het merg (boomsap) gaat het hier.

'Till I Die is ook met de dood bezig uiteraard:

I'm a cork on the ocean
Floating over the raging sea
How deep is the ocean?

I'm a rock in a landslide
Rolling over the mountainside
How deep is the valley?

I'm a leaf on a windy day
Pretty soon I'll be blown away
How long will the wind blow?


Om dan te concluderen:
These things I'll be until I die.

Ik ken weinig songs die je zo meevoeren naar de eeuwigheid, de relativiteit van heel het leven.

En dan het onbegrijpelijke, meer passend in de sfeer van Pet Sounds en Smile! : Surf's Up.
De prachtige productie met orkest en dreigende hoorns, de zang van Carl, Brian en Al, de nauwelijks te bevatten poëzie.
The Beach Boys maakten hier hun meest diepgaande werk. Fragmentarisch, onsamenhangend, onaf misschien, zoals het hele Smile-project niet verder kwam dan de ruwe schetsen van een kathedraal. Er had meer in gezeten. Maar een prachtig document werd het, geen conceptabum.

The Beach Boys - The Smile Sessions (2011)

Alternatieve titel: Smile

poster
5,0
Wat zou ik na de duizelingwekkende beschrijving van King of Dust nog toe kunnen voegen om dit album te beschrijven? Toch nog een paar opmerkingen waag ik er aan.

Om te beginnen: Smile is geen album en is dat nooit geweest of geworden. Ook deze Smile Sessions zijn niet meer dan een benadering van wat een album had kunnen zijn. Waarom zo vaag allemaal?

De opnamesessies tussen februari 1966 en mei 1967 hadden moeten leiden tot een verpletterende opvolger van Pet Sounds, het album waarmee een duidelijke artistieke stap voorwaarts werd gezet. Brian Wilson voelde zich, terecht of niet, in die periode in een concurrentiestrijd verwikkeld met The Beatles. Niet zo bijzonder want veel Amerikaanse artiesten schrokken zich een hoedje van het succes van 'The British Invasion', de doorbraak van Engelse bands in de Amerikaanse hitparade. Daar hadden ze zo snel geen passend antwoord op. Ook Brian Wilson worstelde met dat probleem en had er nog wel een paar problemen bij. Allereerst zijn eigen geestelijke labiliteit maar zeker ook de spanning die zijn experimentele koers opriep binnen de band. Zeker een man als Mike Love sputterde tegen. Na de vrolijke surfsongs kwam Brian met wonderlijke harmonieën en nog vreemdere teksten van Van Dyke Parks op de proppen. En daar kon niemand, behalve Brian zelf, nog chocola van maken.

En zo doken de Boys na jaren van overzichtelijke plaatopnames, hits scoren en optredens, in het diepe bad van de onbeperkte mogelijkheden. Brian had zijn muziek gemystificeerd. Hij hoorde stemmen in zijn hoofd, wonderlijke klanken, hemelse muziek. Rechtstreeks van God, zoals hij dat zelf zag. Met een beetje kennis van de psychiatrie begrijpen we wel waar Brian in verzeild was geraakt. Een emotioneel kwetsbare man, maar tegelijk met overtuigingskracht. Het lukte hem toch maar de band mee te krijgen in zijn wereld. Psychose kan besmettelijk zijn. Brian was de leider, ondanks alles.

Wonderlijk, dat is de wereld van deze opnamesessies. Als een sekte bij elkaar, in Brian's huiskamer, alwaar hij een tent liet neerzetten en zand op de vloer stortte. Een ruime voorraad marihuana zou voor de nodige geestverruiming moeten zorgen. Toch zijn de onderwerpen die langs komen in de songs verre van zweverig te noemen. Stevig verankerd in de Amerikaanse musicaltraditie wordt de historie op uiterst aardse en bijna triomfantelijke wijze langsgelopen en verklankt. Een loflied op Amerika, de jeugd en de deugd van de natie. Van Dyke Parks is een kunstenaar van het zonnige soort met een afkeer van cynisme en negativiteit. Good Vibrations. Toch nog een antwoord op de Britse somberheid. Dat positivisme staat vrijwel loodrecht op de wijze waarop tijdens de opnames inspiratie werd verkregen. Een hippe entourage, een onmatig gebruik van prikkelende rookwaar en het ontbreken van de moed tot een eindproduct te komen. Van Dyke Parks besloot zich terug te trekken uit het project toen hij ontdekte welke spanning zijn aanwezigheid in de band opriep. De opnames stopten in lente '67 en de tapes kwamen op de plank te liggen. Zo ontstond deze lappendeken van 'losse eindjes' die lang in de archieven lag te verstoffen of in fragmenten op eerdere albums terechtkwam.

Is het wat geworden op deze versie van 2011? Ja, het is een wonderlijk verhaal. Prachtig is het geluid van deze opgepoetste monobanden. Een geweldige luisterervaring.

De weg kwijt geraakt en daardoor van de crisis in een sprookjeswereld terechtgekomen. Het overkwam The Beach Boys. The Beatles keken ernaar. Later zou Paul McCartney de genialiteit van Brian Wilson ten volle erkennen. Nee, concurrenten waren het niet. Wegbereiders misschien, maar dan zeg ik ook meteen maar dat ik geen plaat ken die op vruchtbare wijze op dit pad verder is gegaan. Smile bestaat niet. Bijna waren ze er, maar het kwam niet verder dan deze reconstructie van een luchtkasteel, 44 jaar later. Het bleef Brian's unieke speeltje, in zijn zandbak gebakken.

"The music, the fun, the friends - all made us smile. That was the goal of what we were doing. To make the world smile. Because smile could save our soul." (Brian Wilson)

The Beach Boys - Wild Honey (1967)

poster
4,0
Dit dertiende album van The Beach Boys verscheen precies drie maanden na Smiley Smile, een album dat eigenlijk maar een verkorte proefdruk was van het eigenlijke Smile-project, waarvan de meeste onderdelen op de plank bleven liggen tot de release in 2011. En ook deze dertiende van de Boys scoorde flink onder de maat in verkoopaantallen. Dit was kennelijk niet waar de fans op zaten te wachten. Wat ging er verkeerd?

Vooral Carl Wilson liep al een paar jaar rond met de wens iets te doen met soul en R&B. En op dit album kwam de soulkant van de band tot leven. En het moet gezegd: als soulzanger zingt Carl de voering uit zijn keel. Een talent. Maar in een jaar waarin psychedelische rock opgang maakte, viel dit juist nu niet in de smaak. Wat moest men toch met een cover van Stevie Wonder's I Was Made to Love Her ?

Opvallend aan het album is de huiselijkheid waarin de meeste tracks werden opgenomen. Letterlijk in de huiskamerstudio van Brian Wilson. Het maakte dat er een sfeer meekwam van intimiteit, maar misschien ook wel kneuterigheid, na jaren van grote producties met orkest in dure studio's.
Dat huiselijke betreft ook de naam van het album die refereert naar de pot wilde honing die in de keuken van Brian werd aangetroffen. Gezellig.

De single Darlin' die op dezelfde dag als het album,18 december, uit kwam, heeft een andere klank en is rijker geproduceerd. Een echte hitsingleproductie. Maar zoals gezegd, het korte album Wild Honey kon weinig potten breken en dat de platenmaatschappij daar genoegen mee nam gaf wel aan dat Capitol nog steeds vertrouwen had in de merknaam van de band. Die artistieke vrijheid konden ze dan ook ten volle benutten op het volgende album: Friends.

The Christians - The Christians (1987)

poster
4,0
Op een tripje naar Londen, najaar 1987, dit album, dat net uit was, op CD gekocht. In die tijd één van de ongeveer tien schijfjes in mijn bescheiden verzameling. Een klein rijtje nog op de grote platenkast.

Een veelgeprezen debuut van de broers Gary en Russell Christian, aangevuld met bandlid en multi-instrumentalist Henry (Christian) Priestman.

Twee 'Christians' en een 'Priestman', dat moet wel iets met religie te maken hebben, kan de eerste indruk geweest zijn. Het was een naamkwestie. Dat neemt niet weg dat de teksten toch wat levensbeschouwelijke inhoud meedragen. En in de titels ook een christelijk idioom gebruiken. Het gaat eigenlijk in iedere song over maatschappelijk onrecht, achterstelling, racisme en werkloosheid. De teksten lopen hier niet omheen en proberen hoop te bieden als antwoord op de woede. Er zullen betere tijden volgen. Steden als Liverpool waren in de jaren '80 in verval en de werkloosheid was groot. De groep was dus terdege 'maatschappelijk geëngageerd.'

Fraaie soulsongs, hier en daar nog een beetje zoekend naar eigen stijl, maar zeker goed gezongen en geproduceerd. Naar de mode van die tijd niet zonder uitbundig gebruik van sequencer en sampler, maar toch wel met echte gitaar en drums.

Beste momenten beleef ik bij Forgotten Town, Born Again, Hooverville en One in a Million. Bij ... and That's Why moet ik even denken aan Culture Club. Zoals gezegd, een eigen geluid moest zich nog ontwikkelen. Veel tijd kreeg de band hier niet voor, Na opvolger Colour (1990) was het eigenlijk alweer gedaan met deze jongens uit Liverpool. Na het derde album werd het stil.

Maar de verrassing is misschien wel dat de band in 2025, in de UK, onder leiding nu van Gary Christian als enig oorspronkelijk bandlid, nog steeds optreedt. Het zal niet verbazen dat nummers van dit debuutalbum op de setlist nog steeds een belangrijke plaats innemen.

PS. Gary Christian wordt donderdag a.s. 70 jaar.

The Electric Light Orchestra - ELO 2 (1973)

Alternatieve titel: Electric Light Orchestra II

poster
4,0
De tweede van ELO had ik nog niet op CD, maar daarin is nu verandering gekomen. Inmiddels heb ik hier de EMI-versie uit 2003, met bonustracks. Het groen-gele Harvest-label was in die begin jaren '70 de proeftuin van EMI om progressieve acts voor het voetlicht te krijgen. Flink werd geïnvesteerd in bands als Deep Purple, Pink Floyd, Barclay James Harvest (!) en dus ook ELO. De vernieuwingsdrift in de rockwereld kreeg de wind mee en legde de genoemde acts geen windeieren.

Dit tweede album vind ik ook wel het meest progressieve album van de band. Na vertrek van Roy Wood nu geheel onder artistieke leiding van de zich snel ontwikkelende Jeff Lynne. Prachtige stukken, waarvoor best de tijd wordt uitgetrokken. Geen strakke productie nog en hier en daar is het wat rommelig of zou je willen dat er wat gesnoeid werd. Maar het kón toch maar, die ruimte voor het experiment. En mooi dat een machtige Britse platenmaatschappij als EMI, met statige merknamen als His Master's Voice, er zo'n hip label op nahield.

Absoluut hoogtepunt op dit ELO 2 is het emotioneel diepgaande Kuiama, dat ook best 11 minuten duren mag. Eigenlijk tref ik helemaal geen echt zwakke broeders onder de 5 oorspronkelijke tracks. Zelfs de bizar barokke versie van Roll Over Beethoven kan ik helemaal meemaken. Voor mij destijds de eerste kennismaking met deze band, die vanaf de jaren '70 diep in mijn erfelijk materiaal is gekropen.

The Electric Light Orchestra - The Electric Light Orchestra (1971)

Alternatieve titel: No Answer

poster
4,0
Dit is een merkwaardig album. Begonnen als experiment van de drie kernleden van The Move: Roy Wood, Jeff Lynne en Bev Bevan, ontstond dit eerste album van The Electric Light Orchestra. Duidelijk is dat de heren zich hier op klassiek terrein wagen, met cello, viool en pathetische teksten. Een verkleedpartijtje: op de hoes zien we de drie uitgedost in achttiende eeuwse kostuums met driekantige steek hoeden. Klaar voor het theater.

Gekweld klinkt het in een song als The Battle Of Marston Moor en de cello, meermalen overgedubd, heeft hier een dreigende toon. Het is als filmmuziek bij een historische veldslag. Lichamen worden aan stukken gereten, verwarring alom, zoals ook in Manhattan Rumble. Raadselachtig eindigt Queen Of The Hours met de regels:

Dawn is the death wish night has passed away, it left the sacred flower, opened up the grave and bowed its life unto the Queen of Hours.

Het is tekenend voor de hele sfeer op dit album: het fascinerende diep ronkende en krassende geluid van de cello, met de bezwerende zang van Wood roept geesten op en laat geluiden van eeuwen geleden herleven. Zoiets moet Roy Wood voor ogen gehad hebben. Maar het is allemaal fantasierijk kinderspel. Een uitstapje naar het spookhuis.

Muzikaal wordt het echter zeker interessant in de instrumental First Movement van Roy Wood, waarmee je zo je radioshow kunt beginnen. De songs 10538 Overture, met zang van Wood en Mr. Radio, met stem van Jeff, bewijzen het prille schrijverstalent van Lynne, al moet hij als zanger er nog wel wat inkomen. Roy Wood is hier ongetwijfeld de beste zanger en kan als creatieve gangmaker niet onderschat worden. Hij was het die speciaal voor dit album cello leerde spelen.

Het lijkt allemaal weinig op de latere vervolgalbums van ELO. Wood stapte na dit album uit de band, drummer Bevan bleef bij Lynne, met versterking van toetsenist Richard Tandy en bassist D'Albuguergue.
Op de vervolgalbums ELO II en On The Third Day is de experimentele klassieke cellostijl nog wel duidelijk herkenbaar, maar Lynne ontdoet zich langzamerhand van de violisten, gaat voor pop en groeit als componist, producer, multi-instrumentalist en zanger. Inmiddels ook duidelijk de leider van de band. Knieval voor de commercie? Ik val er niet hard over. Dit eerste album was een uniek moment in de tijd. Niet zó gedenkwaardig om bij te blijven stilstaan. Toch wel erg leuk.

Het album verscheen alleen op het EMI Harvest label en is, voor zover ik weet, niet meer nieuw verkrijgbaar. Op de CD (2003) staat nog een stukje video, een promotiefilmpje voor 10538 Overture.

The Focus Family Album (2017)

poster
4,0
In afwachting van de komst van een nieuw studio-album kwam in september 2017 dit dubbelalbum uit met restmateriaal en alternatieve versies van nummers van zowel Focus X (2012) als ruwe schetsen van Focus 11, de langverwachte opvolger, die pas begin 2019 in distributie kwam.

Niet onlogisch om dit album 10,5 te noemen, want daar ergens bevindt de band zich hier, maar het is geen album van Focus alleen, want behalve bandwerk vinden we ook solo-stukken en diverse samenstellingen van bandleden.

Nieuwkomer Udo Pannekeet, die bassist Bobby Jacobs opvolgde, is hier al van de partij met eigen werk. En dat geeft Focus een energieke impuls. Hobbyband Swung, voortgekomen uit opwarmsessies zonder van Leer, brengt ook een paar stukken in en zo ontstaat een wat rommelig maar bont en levendig geheel van Focus-gerelateerd materiaal. Rariteiten soms, interessante interpretaties, opgenomen op diverse plekken in de wereld. En het klinkt naturel en goed. Er zijn een paar vocale nummers en Ivan Lins en Jo de Roeck zijn opnieuw van de partij. De zang van Thijs van Leer is dan toch een beetje minder geslaagd.

Ook nu weer is het artwork in handen van Roger Dean, die zo bekend werd met zijn hoezen voor Yes.

Ik vind het een prachtige dubbelaar. Dat ik hier het eerste bericht schrijf, zegt wel dat het clubje Focusvolgers hier op MuMe niet al te groot is. Bovendien staat dit album niet in de lijst van Focusalbums en je moet er dus even naar zoeken. Maar ook ik heb even gewacht met aanschaf, vanwege het aangekondigde studio-album XI. En nu dan toch voor de bijl gegaan.

Laten we even teruggaan in de geschiedenis. Focus heette de band die in 1970 met hoofdzakelijk instrumentale progressieve rock (en wat gejodel) furore maakte. Dat ging een jaar of vijf goed, tot er een breuk kwam tussen Thijs van Leer en Jan Akkerman. De band maakte nog een paar platen en stopte in '78. Een reünie rond de millenniumwisseling gaf de aanzet tot een nieuw studio-album en sindsdien is Focus niet meer weggeweest, met opvallend veel succes op de podia in Verenigd Koninkrijk en Zuid-Amerika. Die vijf 'gouden jaren', de eerste helft jaren '70, zijn inmiddels in tijdsduur ruim ingehaald door 18 jaar Focus 'nieuwe stijl', waarin toch ook nog steeds veel oud-Focus te herkennen valt, zeker na terugkeer in 2006 van drummer Pierre van der Linden.

Fijne band, met een vitaal en aantrekkelijk eigen geluid. Focus wil graag als progband bekend staan en dat klopt ook wel, maar de verbinding met de jazz is minstens zo groot. Ook J.S. Bach komt zo nu en dan langs en die dwarsverbindingen zorgen nog steeds voor verrassingen. Ook al is er een herhaaldelijk terugvallen op oud werk te constateren in talloze variaties. Het mag, de historie hoeft niet vergeten te worden. Pierre en Thijs zijn de jongsten niet meer. Hoe gaat het zonder die twee in de toekomst, vraag je je af. Maar ik denk dat de vitaliteit van dit eigen geluid sterk genoeg is voor een voortzetting de komende decennia, wat mij betreft. En waarom niet?

The Hollies - Romany (1972)

poster
4,0
Hoewel ik niet altijd een groot liefhebber ben van The Hollies, wil ik graag een uitzondering maken voor Romany.

De band had op dat moment een probleem met leadzanger Allan Clarke en Mikael Rickfors stapte in zijn schoenen. Geen gemakkelijke taak! Maar Rickfors heeft een prachtige stem, valt niet te betrappen op een Zweeds accent, heeft een vleug soul in zijn stem en geeft de band hier een meer Amerikaans progressief geluid mee.

Dat blijkt voluit in Touch, een song met verwijzing naar Crosby, Stills & Nash. De twaalfsnarige gitaar is prominent aanwezig in Magic Woman Touch, vooral in Nederland een aardige singlehit. Terry Sylvester zingt het prachtige verhalende Lizzy and The Rainman. In Down River komt zanger Rickfors volledig tot zijn recht. Een stem als een klok.

Opnieuw duidelijk een verwijzing naar CSN, met prachtig gitaarwerk in Delaware Taggett and The Outlaw Boys. Sylvester zingt in de vertolking van een nummer van Judee Sill: Jesus was a Crossmaker. Uitermate goed neergezet. Titelnummer Romany lijkt weer gemaakt voor zanger Mikael Rickfors, een prachtig reflectief nummer met meerdere tekstuele lagen.

De laatste twee nummers brengen het tempo weer op hoger plan en we herkennen de typische Hollies- gitaarsound in Courage of Your Convictions. Een prettige rocker, evenals de opener van het album.

Een uitstekend album in een periode dat het wat leek te kwakkelen met de band. Een pareltje in hun discografie.

Vijf sterren dan nu? Jazeker!

The Korgis - ...By Appointment (2015)

Alternatieve titel: By Appointment

poster
4,0
In 1980 was ik 17 jaar en het nummer Everybody's Got to Learn Sometime deed toch wel wat met mijn adolescente ziel. De sfeer van eenzaamheid, het simpele naakte synthesizer-thema door het hele lied, de ongetwijfeld aangrijpende tekst (daar lette ik eigenlijk nog nauwelijks op) en het unieke van dit geluid, deed me de oren spitsen.

In 1980 was synth-pop hot. Ik denk aan dit heel speciale genre, het smalle paadje, dat bewandeld werd door acts als New Musik, Buggles en dit: The Korgis. Het waren een beetje rare gasten, komend van een andere planeet. Songs verpakt in een soort strakke koelheid, gecombineerd met zwaar emotionele melodieën. Tja, het hád wat.

Er zat toch echt wel meer in dan die ene song. Dit album is een beetje een vreemde verzameling, maar zeer onderhoudend. Oorspronkelijke opnames en meer recente remakes en eigenlijk heb je de kern van dit creatieve duo, Andy Davis en James Warren, op dit album wel te pakken. Afgesloten met dat heerlijk afwijkende hondendansje: Rover's Return.

Favoriet is het wat weekmakende maar toch prachtige: All the Love in the World.

The Moody Blues - The Very Best Of (1996)

poster
4,0
Ik denk dat dit de best verkochte verzamelaar is van The Moody Blues. Vergeleken met Gold (2005) is het geluid op dit album een stukje frisser. Leuk is dat als opener voor Go Now uit 1965 gekozen is, toen de band zich nog in een voorstadium bevond als r&b coverbandje. Het nummer is vervormd opgenomen en dat moet je maar voor lief nemen.

Na de komst van John Lodge en vooral Justin Hayward in 1966 ontwikkelde de band zich tot het symfo-fenomeen dat vooral in de jaren '67 tot '72 artistieke hoogtepunten beleefde. Daarbij moeten we vooral de rol van de mellotron niet vergeten, bespeeld door Mike Pinder.
Na die jaren sloeg de wisselvalligheid toe en werd er incidenteel nog een aardige plaat gemaakt. De band is officieel nooit opgeheven en bestaat dus nog.

Het is een aardige, maar ook wel tekort schietende verzamelaar waarmee de ontwikkeling tot in de jaren '80 kan worden gevolgd.
Goed gekozen zijn de twee solowerkjes van Lodge en Hayward: Blue Guitar en Forever Autumn. Geen Moody Blues, maar wel toepasselijk in de historische lijn van de band.

The Notting Hillbillies - Missing... Presumed Having a Good Time (1990)

poster
4,0
Mark Knopfler moet na het succesvolle maar topzware Brothers in Arms de behoefte gevoeld hebben zich over te geven aan ongecompliceerd speelplezier. Met een paar oude vrienden, met name Steve Phillips en Brendan Croker, vormde hij dit bandje en speelde al vanaf 1986 in diverse clubs. Pas in 1990 resulteerde deze samenwerking in een plaat. En eigenlijk was het hobbyproject daarmee voltooid, want een vervolg kwam er niet.

Speelplezier en liefde voor americana, traditionele country-blues, was de voornaamste drijfveer voor het gezelschap en dat hoor je er helemaal aan af. Op aanstekelijke wijze weten de mannen nieuw leven te blazen in de traditionals.

Knopfler weet zich goed te voegen in het geheel en levert bescheiden één eigen nummer af dat hij van zijn stem voorziet. Daarmee is Your Own Sweet Way toch ook wel meteen één van de hoogtepunten van het album.

Fijne tijdloze plaat zonder al te veel pretenties, licht en luchtig, maar goed op smaak gebracht.

Thijs van Leer - Introspection (1972)

Alternatieve titel: Introspection 1

poster
5,0
Typisch Nederlands product en ook heel typerend voor de sfeer in de eerste helft van de jaren zeventig.

Op initiatief van Willem Duys arrangeerde producer Ruud Jacobs (broer van Pim) voor CBS deze samenwerking tussen orkestleider Rogier van Otterloo en fluitist Thijs. De Introspection-albums bleken bijzonder succesvol en verkochten vele malen beter dan de platen van Focus, de band waar van Leer in speelde. Alleen in Nederland al werden bijna 3 miljoen platen verkocht van de serie. Het ongekende succes leverde Thijs van Leer nauwelijks wat op. De contracten waren zo geregeld dat arrangeur/orkestleider van Otterloo het grootste deel van de winst opstreek.

Maar de eer gaat naar van Leer. Buitengewoon fraaie uitvoeringen van eigen werk en klassiek (Fauré en Bach). Dit smaakte naar meer en dat kwam er ook met drie vervolgdelen die kwalitatief niets onderdoen voor dit eerste album. Introspectie, zelfreflectie had voor Thijs van Leer wel een spirituele betekenis, denk ik. Een echte muzikant die de muziek vanuit zijn hart laat komen. En een vakman.

Bonuspunten voor de non-verbale (dabbe dabbeda) zang van Letty de Jong (1936-2008).

Thijs van Leer - Introspection 2 (1975)

poster
5,0
De beste release, qua geluidskwaliteit, is ongetwijfeld de BGO-remaster uit 2003. Maar die heb ik niet in huis. Gelukkig helpt de lokale kringloopwinkel me zo nu en dan aan verzamelwerkjes, zoals Het beste van Thijs van Leer uit 1993 van Sony Music Special Products. Het hoesje laat te wensen over en bevat een paar storende spelfouten, maar het geluid klopt wel. Met de zes nummers op de CBS -compilatie uit 1985 erbij kan ik nu het hele album beluisteren.

Mild Wild Rose en Carmen Elysium zijn heel aardige eigen composities van Thijs. Topkwaliteit, net als de legendarische voorganger.

En wat de kringloopschijfjes betreft: even door het afwassopje halen en ze staan nog eens 30 jaar te glimmen in de kast tot ze opnieuw gerecycled kunnen worden, en dan voorgoed, vrees ik.

Thijs van Leer - Introspection 4 (1979)

poster
4,0
In de zomer van 1979 verscheen dit vierde deel in de serie Introspection. Fluitist Thijs van Leer en orkestleider Rogier van Otterloo bepaalden, met de zangstem van Letty de Jong, het geluid van deze serie. Een mix van barok en eigen composities van orkestleider van Otterloo en Focus-voorman van Leer. Na het eerste deel in 1972 werden de albums een groot verkoopsucces. Het veelvuldig draaien van de stemmige muziek op de radio tijdens de treinkapingen van 1975 en 1977 deed onbedoeld een Thijs van Leer-effect ontstaan.

Maar in die zomer van 1979 lieten de verkoopcijfers voor het nieuwste album zien dat de belangstelling flink gedaald was. En eigenlijk best begrijpelijk. Want, we herkenden inmiddels de formule en een bepaalde verzadiging begon op te treden. Daarnaast vind ik het altijd interessant om een album te zien in de context van de tijd. Het kabbelende van de midden jaren zeventig was nu wel voorbij. Maatschappelijk groeide de onrust; er was een revolutie in Iran, hypotheken werden onbetaalbaar, Thatcher kwam aan de macht en de economische realiteit bleek harder dan we eerder droomden. In muzikaal opzicht was er de opkomst van de New Wave, de Nederpop, Disco en Ska die de gevestigde orde deed opschudden. Een tijd van polarisatie, reactie en tegenreactie.

Van vernieuwing is er op dit album nog niets te merken. Dat is geen diskwalificatie, want misschien kan ik wel zeggen dat dit vierde deel qua uitvoering een hoogtepunt is in de serie. Uitmuntend opgenomen in de Dureco-studio met producers Ruud Jacobs en John Vis. De barokstukken, van Corelli, Händel, Telemann, Scarlatti en Bach natuurlijk, klinken méér klassiek dan op voorgaande delen en daarnaast zijn de eigen composities heel aardig. Ik noem dan vooral Rondeau des enfants en le Tango van van Leer. Afsluiter Song for Eva is een nummer voor de film Exit 7 die dat jaar al in de bioscoop te zien was. De film, met Peter Faber in de hoofdrol, gaat over een man die in een midlifecrisis belandt en met zijn vriendin in een vliegtuig stapt dat gekaapt wordt. Een vergezocht script, maar de muziek is zeker heel aardig te noemen, want die is van van Leer.

Spijtig, een mooi album, met nauwelijks nog belangstellenden. In 1994 heeft Columbia voor het eerst een CD-versie geproduceerd en geprobeerd aan de man te brengen. Pas in 2011 kwam de prachtig gerestaureerde uitgave op BGO-records die ik in bezit heb. Inmiddels zie ik dat ook deze niet meer in de handel is. Een beetje teleurstellend dat Nederlandse producties van dit niveau in de geschiedenis dreigen te verzinken en dat geldt zeker ook voor het werk van Rogier van Otterloo en Louis van Dijk.

Dat Thijs van Leer hierna ook zelf het spoor wat bijster raakte, zien we in het vervolg van zijn discografie. Na het nog goede Reflections in 1981, noteren we later in dat decennium nog twee met synthesizer beladen albums, tegen wil en dank, zo lijkt het. Pas in 1992 was er weer ruimte voor een nieuw Introspection-album. De rust was weergekeerd. Van Otterloo, overleden in 1988, maakte het niet meer mee.

Thijs van Leer - Introspection 92 (1992)

poster
3,0
De Introspection-elpees waren in de jaren zeventig alleen al in Nederland goed voor meer dan een miljoen verkochte exemplaren. De warme broodjes gingen vooral over de toonbank na langdurige airplay tijdens de gijzelingsdrama's, toen de radio 'aangepaste muziek' liet horen.

Twintig jaar na dat fameuze eerste Introspection, probeert van Leer het hier nog een keer. Orkestleider/arrangeur Rogier van Otterloo overleed in 1988 en de fijne arrangementen van zijn hand worden nu wel een beetje gemist. Dick Bakker is nu de orkestleider en het Metropole Orkest is vervangen door het London Symphony Orchestra. Een stapje terug en de spanning wordt wat gemist. Louis van Dijk aan de piano maakt dan wel wat goed, maar speelt hier een bescheiden rol op de achtergrond.

Tja, ook hier weer de nodige variaties op klassieke thema's van o.a Bach, Händel en Mozart. Goed uit de verf komen de zelfgeschreven nummers: Introspection 5 en Rondo '92. Verder komen we een Ennio Morricone Collage tegen, die voor zichzelf spreekt, en Old and Wise van Woolfson/Parsons als afsluitend populair thema.

Ik mis hier toch wel wat ik in de eerste serie Introspection-platen wél vond. En blijkbaar was ik niet de enige. Dit Introspection 92 haalde het bij lange na niet in verkoopcijfers en dat bleek toch wel de reden dat Columbia geen brood meer zag in een vervolg op dit dure project. De jaren hierna legde van Leer zich toe op low-budget CD-producties, opgenomen in de eenvoudige kerkstudio van Veenendaal, zonder orkest.

Thijs van Leer - Parce Que (2021)

poster
3,0
Geheel Franstalig ingezongen album van Thijs van Leer met teksten van zijn levensgezellin Anne-Lies Lommen. Kleindochter en vriendin Fransje Mulder zingen en ook Thijs zelf is vocaal te horen. De fluit staat uiteraard centraal en we horen enkele melodieën langskomen die van Leer al eens eerder gebruikt heeft in zijn Focus/Introspection-jaren. Heel fijn gearrangeerd en ongetwijfeld 'hip' om Frans te gaan, want ik heb het idee dat het chanson weer een beetje in de lift zit. Voor zover ik kan beoordelen onberispelijke uitspraak van de Franstalige teksten.

Mooi en sfeervol, goed opgenomen ook, maar toch ook wel een beetje een opgaaf om het hele album te draaien. Het doet me niet zo heel veel. Ik ben bij deze man toch meer van de instrumentale muziek gaan houden en dan zit de zang wat in de weg. Maar er zullen zeker liefhebbers zijn, al weet ik niet of deze uitgave zijn weg naar de consument heeft weten te vinden. Geen uithangborden en TV-optredens nog gezien en in de platenzaak weten ze van niets. Voor de echte verzamelaar dus.

Thys van Leer - Renaissance (1986)

poster
Dit album heb ik al zo'n 30 jaar in huis en na het draaien van Focus (1985) met Jan Akkerman, is dit het meest logische vervolg.

Opgenomen in de Wisseloord Studios in november 1986 is dit een wat verdwaald album geworden waar weinig meer over te vinden is dan de informatie die ik hier op het hoesje heb staan.
Met potlood heeft de plaatselijke CD-shop (Erwin Vermast) er destijds 29,95 op gekrabbeld: voor die tijd een schappelijke 'mid-prized CD', in guldens af te rekenen.

Het album verscheen bij WEA en ik noem wat bijzonderheden op: full digital recording (DDD); synthesizer programming: Bobby Jacobs en Emile Elsen, producer: Bert Conard.

Een album met een Franse slag, want alle titels zijn verfranst, en hier en daar horen we een accordeon-geluid uit de synth komen waarmee een Parijse sfeer verklankt moet worden. Centraal staat de dwarsfluit, kundig bespeeld door Thijs, maar het gebrek aan akoestische instrumentatie naast die fluit wreekt zich wel na een paar nummers. De digitaal voortgebrachte begeleiding slaat de boel wat dood. En daarmee wordt aan de, op zich goede, composities tekort gedaan. Maar ja, het Metropole Orkest was kennelijk niet meer beschikbaar in dat jaar.

Dit album is een voorbode van wat we verder tussen tot de millenniumwissel konden verwachten van Thijs van Leer. Low-budget opnames in bescheiden kerkstudio's met voornamelijk electronische begeleiding van de fluitist. De 'gouden jaren' met millionsellers als 'Introspection' waren nu echt wel voorbij. Stiefzoon Bobby Jacobs, die we hier als synthesizerprogrammeur tegenkomen, zou later als bassist terugkeren in de nieuwe versie van dat aardige hobbybandje: Focus.

Todd Rundgren - 2nd Wind (1991)

poster
4,0
"If I want more love in the world, I must show more love to myself"

Dit derde en laatste Rundgren-album bij Warner heeft iets bijzonders. Het werd live opgenomen, in juli 1990, in het Palace of Fine Arts Theatre in San Francisco voor een muisstil publiek. Opnieuw dus een rechtstreeks opgenomen plaat. Dat hoor je er nergens aan af want de omstandigheden waren vrijwel dezelfde als in een goede studio. En klappen werd het publiek verboden. Opnieuw wordt Todd hier begeleid door zijn maten van de band Utopia en aanvullende artiesten.

Greg Calbi deed ook nu de mastering en ondanks zijn grote naam krijgt hij hiervoor een onvoldoende. Je moet veel moeite doen met de basregelaar een fijn geluid te creëren, zo blikkig is het algehele geluid van het album. Je zou toch wensen dat dit werk ooit nog eens helemaal overgedaan werd voor een remaster die ons het oorspronkelijke geluid terug geeft.

Artistiek heeft dit album verder echt wel wat te bieden. Drie nummers nam Rundgren hier op van zijn geflopte Broadway-musical project Up Against It. Het zijn nummers in de stijl van Kurt Weil, met spitsvondige, theatrale teksten.

Het openingsnummer Change Myself is zeer herkenbaar Rundgren. Een fijne popsong met ongedachte diepgang. Eigenlijk ademt het hele album die sfeer van beschouwing, filosofie en melancholie. Rundgren gaat voor diep in het openleggen van de menselijke ziel. Humanisme en religieus besef gaan hand in hand zonder dat het hier ontspoort. Laat ik het zo zeggen: we maken hier kennis met een meer droeve en wijze Rundgren, die de tijd van de studiograppen, experimenten en brute extase te boven lijkt te zijn gekomen. Een serieuze plaat dus en wellicht zijn laatste.

Mooi vind ik vooral: Change Myself, Who's Sorry Now, If I Have to Be Alone en Kindness.
Muzikaal interessanter maar moeilijk zijn: Who's Sorry Now en Second Wind .

Al met al net een stukje beter dan voorganger Nearly Human, al vind ik de algemene opinie dan niet aan mijn zij. Jammer dus nogmaals van de slecht te verteren geluidskwaliteit. Toch nog 4 sterren.

Todd Rundgren - A Cappella (1985)

poster
4,0
"I have an ideal I think is real, But I just can't find it, I believe that one day, I'll melt away into that lost horizon"

Na zijn breuk met thuisbasis Bearsville, vond Rundgren voor drie albums onderdak bij het grote label Warner Bros. Dat bood hem volledige creatieve vrijheid en dit album was de eerste worp voor dit label.

Een kleurrijke hoes, een gemaskerde Rundgren met het enige instrument dat hij voor dit album nodig had: de microfoon om zijn stem te registreren. De digitale sample-techniek stond begin jaren '80 nog in de kinderschoenen maar Rundgren zag hierin direct de mogelijkheid iets te doen wat nog niemand eerder gedaan had. Niet alleen de zang met samples opnemen, maar ook alle geluiden: drums, percussie en andere instrumenten met zijn stem nabootsen en met samples aan elkaar plakken.
Een precisieklus, een monnikenwerk, die de volledige concentratie eiste. Maar ondanks de ingewikkelde techniek staat ook de inspiratie bij het liedjesschrijven hier op scherp.

Naast klankexperimenten zoals het oosterse Miracle in the Bazaar vinden we juweeltjes van songwriting als Blue Orpheus, Pretending to Care en Honest Work. Kleine kindertjes wordt de stuipen op het lijf gejaagd met het verhaaltje over Lockjaw. Op ouderwets Rundgreniaanse wijze gaat het 'over the top' in soulnummers als Something to Fall Back On en de cover Mighty Love die het vooral van hysterie moet hebben in het slotkoortje.

Gedurfd en artistiek geslaagd album, dat mogelijk bij velen de wenkbrauwen heeft doen fronsen. Begrijpelijk, want echt lekker luistert het niet weg, daar moet ik eerlijk in zijn. Maar, laat het genie hier maar zijn ding doen.

Todd Rundgren - A Wizard / A True Star (1973)

poster
4,0
Op onderdelen zitten er hele melige stukjes tussen, maar de kracht zit in het geheel. En dan is het een werkstuk dat overloopt van de inspiratie en klopt het als een bus. Inspiratie; de geest werd wat geprikkeld door Ritalin (en wie weet wat nog meer? ), en de diagnose ADD zit er niet heel ver naast, denk ik, al blijft de focus steeds scherp. Maar, samen met Something/Anything? van een jaar eerder, het onbetwiste hoogtepunt in de discografie van de man. Vanwege die eenheid ook het beste af te luisteen in één luisterbeurt. Daarbij valt vanwege de speelduur van 56 minuten de te krap geperste vinylversie af en gaan we voor de CD.

In mijn geval is dat de in de UK geproduceerde versie op het Castle-label uit 1987 (CLACD134). Beter gaat het niet worden. HiFi klinkt het niet, want de productie bestaat uit vele overdubs op een 8-sporen recorder, die tegen deze wijdse spielerij niet helemaal opgewassen blijkt en hier en daar in de vervorming terecht komt. Remasteren helpt dan ook niet meer, dus is deze kale CD-versie nog steeds de beste.

Todd Rundgren was de man van de grote ideeën, persoonlijk tot op het bot en origineel in alles. Niet altijd kwam hij met zijn experimenten aan de goede kant terecht van wat we geslaagd kunnen noemen. Maar hij probeerde het in ieder geval, zocht de maximale creatieve vrijheid. Op dit album integraal geslaagd, dus een terechte volle score. Vandaag de dag ondenkbaar dat een artiest zich zo mag uitleven op kosten van de baas. We zijn een stukje vrijheid kwijtgeraakt. Zo voel ik dat. Op 2 maart vijftig jaar geworden. Mooi jaar, 1973. Nee, ik weet het, het is nu allemaal veel beter geregeld, maar toch ...

Todd Rundgren - Healing (1981)

poster
It said “It's time to make the world a little wiser. There are enough destroyers and criticizers. The world needs a healer.”

Healing kwam uit in februari 1981 met de nummers 1 t/m 9 van de tracklist op de LP en in de hoes erbij geschoven de single Time Heals met op de B-kant Tiny Demons.

Todd Rundgren doet het hier weer helemaal alleen: schrijven, zingen, alle instrumenten en de productie. Teruggetrokken in zijn studio Utopia Sound, samen met technicus Mike Young, kwam hij tot dit brouwsel dat we wel kunnen rekenen tot zijn meest spirituele albums. Om dat te illustreren volg ik de tekst vanaf het eerste nummer: Healer.

In een droom, zo begint het album, kwam een stem naderbij en die zei me: 'Kind, het is tijd om de wereld een beetje wijzer te maken. Er zijn al genoeg verwoesters en criticasters. Wat de wereld nodig heeft is: een healer.'

Hoe vertaal je dan 'healer' in dit verband? Rechtstreeks: genezer. En dan kom je al snel op een Jomanda-associatie als we de medische wetenschap erbuiten willen laten. Maar als we het nummer verder volgen, zegt de stem: die 'healer' ben jij, als de tijd rijp is. 'Neem de last van je bestemming op je. Dan help ik je die te dragen.'

Het is een religieus moment. Een initiatie, een aanwijzing tot een bijzondere taak. De healer is een heelmaker, een heiland, van boven aangewezen, zoals de hoes ons duidelijk laat zien. Die hand is geen mensenhand. Het is de hand van de eeuwige Wijsheid.

In Pulse ontdekt de healer de kracht van die initiatie. Het is een kracht van een andere wereld:
'It's just stepping in another world; like a breath coming from another world, like a magnet pulling from another world; like a siren singing in another world; like a heartbeat pumping from another world'.

En dan volgt Flesh. De geest kan het niet alleen. Er is een wet. Als je die wet volgt, dan volgt het lichaam. Voor wie wil. 'Just as action follows thought. You can be whole again. Be healed again. And make your body follow'. De kern van het spiritualisme: volg de levenswet en door de kracht van je geest zal je lichaam volgen. Doe je dat niet, dan is het je eigen schuld: 'Only fools fear the law that can save them'.

Zo gaat het verder op het pad van de healer. Het gaat over hebzucht en compassie, licht en duisternis en in het klapstuk van de plaat in drie delen: Healing, volgt de oproep: 'Listen! Listen to the voice, the voice is an illusion. Listen to the voice, don't let the words confuse you.' De muziek gaat nu verder in het ritme van een hartslag. Het ritme van het geluid dat diep in je zit. Concentreer je daarop en volg je hart. En dan eindigt het derde deel van deze meditatie met de woorden:

'You could not be closer to your maker. Never more or less alone. If you know thyself there's nothing else to know. You are whole, you are whole.' Ken uzelve! Dat lijkt hier de samenvatting van de levensles.

Tja, en dan biedt de bijgesloten single nog een recept voor genezing, waar ik wel wat meer mee kan: 'Time Heals the wounds no one can see.' Laten we het hopen, beste Todd.

Muzikaal is dit voor die tijd wel een modern opgenomen album. Rundgren gebruikte volop de synths en maakte gebruik van de splinternieuwe Lynn Drum computer. Kennelijk omdat de boodschap hem dicht op het hart lag, koos hij voor harde zangpartijen in veel nummers. En daarbij heeft de emotie hem soms zo te pakken dat zijn stem overslaat en het niet altijd prettig wegluistert. Vooral in Flesh en Shine wekt dat irritatie op. Té nadrukkelijk boodschappelijk. En dat geldt eigenlijk wel voor het hele album dat overhelt naar een stichtelijke monoloog. Graag had ik wat meer hoor en wederhoor, stem en tegenstem gehoord in de teksten. Kom op man: dat verkoop je toch niet. Jezelf genezen. De wereld helen door de reis naar binnen te maken. Waar hebben we dat meer gehoord?

Hierna zou Rundgren een meer aards bestaan op zich nemen als producer en video-kunstenaar om uiteindelijk gewoon een aardige huisvader te worden met een paar uit de hand gelopen hobby's.

Toch wel een knap album dat vandaag 4,5 sterren in de wacht sleept. Positief denken, dat helpt.

Todd Rundgren - Nearly Human (1989)

poster
4,0
"If our love could not withstand this jealousy, we'd remember the day we threw away our eternity"

Tweede album (na A Cappella,1985) van Todd Rundgren op het Warner label. Rundgren's fascinatie voor het live inspelen van een album wordt hier beproefd. Rundgren was inmiddels een nieuwe fase ingegaan. Zijn band Utopia had hij opgeheven en muzikaal liet hij zich hier verleiden tot een flinke scheut 'blue eyed soul'. Productioneel is dit album het omgekeerde van Hermit of Mink Hollow (1978) waarop hij ieder instrument spoor na spoor inspeelt en de zang laag voor laag overdubt. Een waar soloproject waarvoor hij de deur niet uit hoefde.

Totaal anders is de benadering hier. De tracks zijn live ingezongen en gespeeld zonder overdubs. En dat betekent ook hier volledige concentratie, maar zonder herkansing. In plaats van alles zelf te doen heeft Rundgren hier de beschikking over een duizelingwekkende rij artiesten in de studio. Om er maar een paar van de ruim 75 (!) medewerkenden te noemen: Brent Bourgeois, Clarence Clemons, Roger Powell, Prairie Prince, Kasim Sulton, Larry Tagg, Narada Michael Walden, Vince Welnick, John Wilcox en Bobby Womack.
In het koor zong een zekere Michele Gray, die later Rundgren's vrouw zou worden.

Maar bij al dit imposante moet allereerst gezegd worden dat het geluidstechnisch een matige beleving is. Wat zo vol en warm had kunnen klinken werd door een fout in de mix&mastering voor een belangrijk deel om zeep geholpen. En dat is een drama zoals we wel vaker hebben meegemaakt op Rundgren's albums.

Tekstueel staan er prachtige dingen op dit album. The Waiting Game, Parallel Lines en Fidelity zijn buitengewoon diep rakend van inhoud. Bijtend scherp is Unloved Children, heel aardig de Costello-cover Two Little Hitlers. Opener The Want of a Nail met Bobby Womack is best goed als binnenkomer maar afsluiter I Love My Life heeft van alles teveel, ontspoort en zorgt ervoor dat je het album liefst voor het einde al afzet.

Er zijn dus best wel gemengde gevoelens waar te nemen bij dit album. In zekere zin een comeback van de multi-getalenteerde artiest. Veel emotie en diepte maar ook veel geschreeuw en druktemakerij. En dan die belabberde geluidsregistratie terwijl zowat half Hollywood in je dure studio staat te zingen.

Zucht. Waarom toch? De opvolger Second Wind (1991) werd volgens hetzelfde live-concept opgenomen maar met meer discipline. Integraal interessante albums heeft de man, in mijn ogen, vervolgens niet meer gemaakt. De tragiek van te veel talent en te weinig richting.