MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Sandokan-veld als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Miles Davis - Collectors' Items (1956)

poster
3,0
Met Miles Davis (trompet); Sonny Rollins (tenorsax)
En op track 1-4: Charlie Parker (tenorsax); Walter Bishop, Jr. (piano); Percy Heath (bas); ‘Philly’ Joe Jones (drums)
Op track 5-7: Tommy Flanagan (piano); Paul Chambers (bas); Art Taylor (drums)

Net zoals de meeste volledige lp’s van Miles Davis op Prestige is dit in wezen een soort verzamelalbum, met materiaal uit twee verschillende sessies.

De eerste vier tracks stammen uit januari 1953. De nog verslaafde Miles Davis huurt twee medejunks in op de saxofoon: behalve Sonny Rollins (zo’n beetje Miles’ wingman in die periode) ook zijn oude baas Charlie Parker (om contractuele redenen op de hoes vermeld als ‘Charlie Chan’). Opvallend genoeg speelt zo’n beetje de grootste altsaxofonist uit de jazzgeschiedenis hier tenor (net als trouwens op de allereerste studiosessie van Miles Davis uit 1947).
Verder een leuk weetje voor fans van Miles Davis is dat dit zijn eerste studiosessie is met drummer ‘Philly’ Joe Jones, later onderdeel van het ‘eerste klassieke kwintet’ van Miles.

Volgens Davis probeerde Parker op dat moment te minderen met heroïne, en compenseerde hij dat door zich helemaal lam te zuipen. Het leverde de nodige spanningen op in de studio, maar uiteindelijk was Davis wel tevreden over de muziek.
Dat is gedeeltelijk terecht: ‘The Serpent’s Tooth’ is een van zijn betere bop-composities, en vooral de eerste take swingt heerlijk. ‘’Round Midnight’, niet per se de makkelijkste jazzcompositie, komt niet helemaal uit de verf omdat Davis onzeker klinkt en Parker gemakzuchtig, maar heeft toch wel zijn momenten. ‘Compulsion’ is een dan weer een aardige bopper, met een wat zelfzuchtige solo van Parker.

Al met al was het niet genoeg om een album mee te vullen, dus moest Davis later nog de studio in voor Prestige om zijn contract met hen te vervullen. De laatste drie tracks zijn veel later opgenomen, in maart 1956. Zijn stijl was intussen een stuk beter uitgekristalliseerd, en we horen de koele, lyrische trompetstijl waarmee hij later beroemd zou worden. Ook de inmiddels afgekickte Sonny Rollins laat een opmerkelijke groei zien, zijn smeuïge solo in het (kennelijk door John Coltrane geschreven) ‘Vierd Blues’ is een album-hoogtepunt. Verder valt op hoe dominant de baslijnen van Paul Chambers zijn, in vergelijking met de meer bescheiden stijl van Percy Heath.

Tracks als ‘’Round Midnight’, ‘Veird Blues’ en ‘In Your Own Sweet Way’ warden rond dezelfde tijd ook door Miles Davis’ ‘eerste klassieke kwintet’ opgenomen, en die versies zijn toch wel wat vitaler dan deze. Maar dit tussendoortje is, al met al, best aangenaam.

Miles Davis - Conception (1956)

poster
3,0
Mensen die graag muziek uit de jaren vijftig luisteren, kennen dit wel: platen waarop muziek die eerder op single of 10 inch LP was verschenen, opnieuw wordt uitgebracht op het toen in zwang rakende 12 inch LP-formaat. Daarbij werd dan vaak enig creatief knip- en plakwerk toegepast, waarvan dit een soort van extreem voorbeeld is.

Platenlabel Prestige verzamelt hier opnames uit de periode 1949-1951, onder een hoes en titel die aangeven dat we ontspannen, verfijnde en licht impressionistische jazz krijgen voorgeschoteld.
De eerste zes nummers waren op 10 inch-LP de debuutplaat van Lee Konitz voor het label, op de eerste vier tracks spelen Miles Davis en Max Roach mee als sidemen (Konitz en Davis kenden elkaar van Birth of the Cool, waar dit wel enigszins aan doet denken, al blijft de kwaliteit van het spel en de opnames daar wel bij achter). Daarachter staan twee dromerige miniatuurtjes van Konitz alleen met gitarist Billy Bauer.

'Conception' en 'My Old Flame' zijn wel met Davis als (nog redelijk onervaren) bandleider, bijgestaan door o.a. Sonny Rollins. Deze opnames staan ook o.a. op Miles Davis' LP Dig. De plaat vervolgt met twee schijnbaar ongerelateerde nummers van Stan Getz, waarschijnlijk wel de mooiste opnames van deze plaat, plus twee met ene Chubby Jackson als bassist en bandleider.

Vervelend is het allemaal niet op een bewolkte zondagmorgen, al zal de luisteraar in het Spotify-tijdperk weinig meerwaarde zien in dit soort lukrake verzamelaars. En eigenlijk zou dit ook niet op de site moeten staan als een plaat van Miles Davis (die dus maar op de helft van de nummers meespeelt), al ben ik nu even te lui om dit te corrigeren.

Miles Davis - Cookin' at the Plugged Nickel (1987)

Alternatieve titel: Live at the Plugged Nickel

poster
3,5
Met: Miles Davis (trompet); Wayne Shorter (tenorsax); Herbie Hancock (piano); Ron Carter (bas); Tony Williams (drums)

Ik sluit me wel enigszins aan bij de mening van Stijn hierboven, in ieder geval dat er beter opgenomen liveplaten van Miles Davis zijn. Het luisteren naar de ritmesectie lijdt daar echt onder (vooral Hancock, toch vaak een beetje de lijm die alle rare ideeën van deze band bij elkaar houdt). Davis zelf heeft ook niet bepaald een topdag, eigenlijk, sommige stukken in zoiets als 'Stella by Starlight' zijn ehm, wat minder dan virtuoos.

De band vertelde dat ze wat té goed op elkaar ingespeeld raakten (en zich wellicht verveelden omdat Davis live bijna alleen de bekende standards en succesnummers wilde spelen, en niet of nauwelijks de composities die ze in de studio opnamen). Ze wilden graag onvoorspelbaar klinken. Het dwarrelt misschien daarom soms een beetje alle kanten uit, het ontbreekt een beetje aan dynamiek, maar wie het geduld opbrengt hoort hoe de band elkaar in alle stormwinden wel blijft vinden. Dat dwingt soms zoveel bewondering af, dat ik daarvoor nog wel eens naar vier sterren zou kunnen gaan. Maar zelf kan ik dat geduld niet elke dag helemaal opbrengen, als ik eerlijk ben.

Nog meer geduld is nodig voor de verzamelaar van zevenenhalf uur met alle opnames van dit concert, die in tegenstelling tot deze wel op Spotify te vinden is. De mastering daarop klinkt iets beter dan hier, dus misschien kan die me ooit nog wel enthousiaster maken. Maar dat is echt een project voor een ander keertje.

Miles Davis - Dark Magus (1977)

Alternatieve titel: Live at Carnegie Hall

poster
3,5
Met: Miles Davis (vervormde trompet, elektrisch orgel); Dave Liebman (dwarsfluit, sopraan- en tenorsax); Reggie Lucas, Pete Cosey (elektrische gitaar); Michael Henderson (bas); Al Foster (drums); James Mtume (percussie); Dominique Gaumont (elektrische gitaar op ‘Tatu’ en ‘Nne’); Azar Lawrence (tenorsax op ‘Tatu’ en ‘Nne’)

In de laatste drie jaar voor zijn tijdelijke pensioen (vanaf zomer 1975) bleef Miles Davis trouw aan de muzikale richting die hij met On the Corner (1972) was opgeslagen. Dat wil zeggen, minder jazz, meer door ritmes en gitaarlagen gedreven funkrock. Behalve de verschillende sessies die verzameld zijn op Get Up With It zijn er uit die tijd alleen concertopnames zoals deze, opgenomen op 30 maart 1974 in Carnegie Hall (New York).

Er valt weinig over te zeggen dat niet al bij vorige platen is gezegd. Interessant is dat de los/vaste krachten in Davis’ band nu echt goed op elkaar zijn ingespeeld, het voelt minder als los zand/ oeverloos gepriegel aan dan eerdere opnames uit deze periode. Juist dan introduceert Davis ineens twee heel nieuwe spelers, waarmee hij blijkbaar de rest van de band ook verraste op de avond van het concert: derde (!) gitarist Dominique Gaumont, die later nog wel met deze band de studio in zou duiken, en saxofonist Lawrence, voor wie dit volgens mij de enige samenwerking met Miles Davis is.

Die laatste geeft wel wat extra jazz-gevoel mee aan de laatste twee plaatkanten, wat voor mij erg welkom is. Ik vind dit prima muziek op de achtergrond, bij vlagen ook gedurfd en noisy, maar al met al voel ik er niet héél veel bij. Voor wie de latere elektrische Miles wel te gek vindt, is dit denk ik wel een absolute must hear.

Miles Davis - Decoy (1984)

poster
2,5
Met: Miles Davis (trompet, synthesizers); Robert Irving III (synthesizers, drumcomputer); Bill Evans, Branford Marsalis (sopraansax); John Scofield (gitaar); Darryl Jones (elektrische bas); Al Foster (drums); Mino Cinelu (percussie)

Davis neemt afscheid van vaste producer Teo Macero, met wie hij al werkte sinds Sketches of Spain (1960!) en die met enig knip- en plakwerk sterk verantwoordelijk was voor de sound van de 'elektrische Miles'. In plaats daarvan produceert de trompettist deze plaat zelf met zijn neefje Vince Wilburn en diens collega Robert Irving III, die beiden ook al te horen waren op The Man With The Horn.

Met de stilistische keuze om de sound te verdrinken in funky baslijntjes en kekke synthesizerpartijen raakt Davis me eerlijk gezegd een beetje kwijt. Hoewel je genoeg mensen plezier doet met deze plaat (zie ook de oudere berichten hier) klinkt het voor mij allemaal als een soundtrack van een cheesy misdaadfilm uit die tijd. Of misschien preciezer: een wat minder slaperige versie van het soort wachtmuziekjes dat je hoort als je een klantenservice belt.

Jammer, want Davis zelf speelt best aardig, en hij blijft een neusje voor talent houden. Behalve gitarist Scofield (uitblinker) horen we ook mooi spel van Darryl Jones (die nu bij de fucking Rolling Stones speelt) en een jonge Branford Marsalis. Saillant detail is dat Davis ongeveer in diezelfde periode een publieke fittie heeft met Branfords trompetspelende broertje Wynton, die zich respectloos over de oude meester zou hebben uitgelaten. Dat vindt althans Davis zelf, die in zijn autobiografie een paar jaar later twee pagina's doorgaat over hoe weinig het hem interesseert wat Wynton over hem zegt.

Sowieso horen we volgens mij, in dit krampachtig proberen aan te sluiten bij de tijdsgeest, veel angst en jaloezie terug van een muzikant die zowel als artiest als qua gezondheid de aansluiting met de jeugd aan het verliezen is. Aanleiding voor deze sound zou het succes van Herbie Hancocks fusie-platen zijn. Hancock was een aantal jaar daarvoor nog in dienst van Davis, maar streefde hem intussen voorbij in populariteit.

Na zijn comeback speelt Davis een paar shows in het voorprogramma van Hancock, en als die laatste backstage komt om hallo te zeggen, stuurt Davis hem weg met de opmerking dat de kleedkamer alleen voor bandleden is. Later geeft hij toe dat dit ook wel erg kinderachtig was, maar Miles blijft Miles. Ook de geforceerde vernieuwingsdrang hoort daar wel bij, maar hier slaat hij de plank toch wel mis, vind ik.

Miles Davis - Directions (1981)

poster
3,0
Juist op het moment dat Miles Davis terug begon te komen uit zijn 'sabbatical' van vijf jaar, realiseerde Columbia zich kennelijk dat er nog genoeg restmateriaal van daarvoor op de plak lag om een dubbel-lp te vullen. Directions, dus, in bijna alle opzichten vergelijkbaar met Circle in the Round van een paar jaar eerder. Waarom sommige outtakes op de ene, en andere op de andere verzamelaar terechtkwamen, vertelt u het mij maar.

Net als op Circle to the Round ligt de nadruk op de eerste jaren van Davis' elektrische periode. Slechts op de A-kant vinden we vier akoestische tracks, allemaal van 1960 of later: respectievelijk een outtake van Sketches of Spain; van de Blackhawk-concerten met Hank Mobley; van Seven Steps to Heaven; en van Sorcerer, met het Tweede Grote Quintet. Allemaal wel het aanhoren waard.

'Water in the Pond' en 'Fun' dateren uit de tijd dat Davis voorzichtig elektrische piano en -gitaar in zijn muziek begon toe te laten. Deze nummers moeten het vooral hebben van de sfeer. Dat geldt ook voor beide versies van het titelnummer en 'Ascent', afkomstig uit de sessies voor In A Silent Way en bouwend op de ideeën van toetsenist Joe Zawinul. Het levert een aantal van de mooiste momenten van deze verzamelaar op, 'Ascent' vind ik wel het beste nummer hier op momenten dat ik het geduld heb er aandachtig naar te luisteren.

Het zemelt wel een klein beetje te lang door, en dat geldt eigenlijk ook voor de overige tracks, alle drie uit de sessies voor Jack Johnson. Oefeningen in sfeer scheppen op rustig tempo, waarmee deze compilatie zich ontspannen richting einde jamt, zonder mijn aandacht nog echt vaak te grijpen.

Miles Davis - E.S.P. (1965)

poster
4,0
Met: Miles Davis (trompet); Wayne Shorter (tenorsax); Herbie Hancock (piano); Ron Carter (bas); Tony Williams (drums)

In het najaar van 1964 verneemt Miles Davis dat tenorsaxofonist Wayne Shorter de Jazz Messengers (van Art Blakey) heeft verlaten. Hij laat hem eersteklas overvliegen naar New York, en voegt hem toe aan zijn eigen band, waarmee het ‘Tweede Grote Kwintet’ een feit is.

Volgens Davis’ autobiografie had John Coltrane zelf al Shorter als zijn opvolger getipt, toen Trane er onderuit probeerde te komen in het voorjaar van 1960 mee op tournee te moeten naar Europa. In het najaar van 1962 speelde Shorter voor het eerst mee op een opname van Davis, op een kerstplaat waarover Davis zei: ‘Hoe minder we erover zeggen, hoe beter’ (daarom volstaan we met een linkje). Davis was wél onder de indruk van Shorter, maar het zou nog twee jaar duren voordat hem kon rekruteren.

Met alle lof die Davis krijgt toegezwaaid als iemand die zo geweldig was in het strikken van nieuw talent voor in zijn band, lijkt hij de paar jaar daarvoor veelal te worden afgeleid door sores in de privésfeer (zo ondervindt hij veel lichamelijke klachten door hemofilie, en overlijden zijn beide ouders). Zijn reputatie als muzikant is intussen genoeg om te zorgen dat om hem heen, bijna als vanzelf, een van de meest getalenteerde bands van de jaren zestig ontstaat: bijna zoals een ster zwervende planeten in een baan om hem heen vangt. Williams en Carter zijn grote fans die in bevriende bands spelen, Hancock wordt door Donald Byrd meegenomen naar een feestje in Davis' huis.

Maar wat je verder ook van Miles Davis vindt, hij verdient enig respect voor het feit dat hij -wederom- er niet voor kiest een slap aftreksel te maken van eerdere successen om zoveel mogelijk geld binnen te harken, maar bewust kiest voor jong talent en frisse ideeën.

En ideeën heeft de band genoeg: de muziek klinkt, ruim vijfenhalf decennium later, nog altijd spannend en avontuurlijk. Daarbij lopen Williams en Shorter voorop als pioniers, terwijl Carter en Hancock de fundering in de gaten houden, en hier en daar verfraaien. Miles Davis zelf pakt genoeg momenten in de spotlight, maar het spreekt voor hem dat er meer dan voldoende ruimte overblijft voor anderen, waardoor dit echt klinkt als een band van vijf gelijkwaardige muzikanten.

Met alle polyritmiek, spelletjes met structuur, wat meanderende solo’s enz., vind ik de platen van het tweede kwartet, afhankelijk van mijn bui, soms eerder ‘interessante muziek’ dan ‘mooie muziek.’ Bij een herwaardering van E.S.P. werd dat beeld wel een beetje bevestigd, voornamelijk op de oorspronkelijke A-kant. Bijvoorbeeld bij het titelstuk dat de plaat opent (één van Shorters eerste composities voor de band), dat iets te veel in artistiek gestoei blijft hangen, of het wat richtingloze ‘Little One’ (later dat jaar door componist Hancock in een wat spannendere versie opgenomen voor zijn Maiden Voyage).

Zelfs op die momenten valt er nog genoeg te genieten van E.S.P., op momenten dat ik de focus heb om me te concentreren op het belachelijk hoge spelniveau (met name in de ritmesectie). En op de B-kant wordt met ‘Iris’ en het schitterende ‘Mood’ alsnog de honger naar ‘mooi’ gestild. Ik ben wel benieuwd of bij (her)waardering van de volgende platen van het ‘Tweede grote kwintet’ blijkt dat ik wat vaker echt in het hart wordt geraakt, in plaats van alleen in het hoofd.

Miles Davis - Filles de Kilimanjaro (1969)

poster
4,5
Met: Miles Davis (trompet); Wayne Shorter (tenorsax); Herbie Hancock, Chick Corea (toetsen); Ron Carter, Dave Holland (bas); Tony Williams (drums)

Het laatste Miles Davis-album waarop Davis' 'second great quintet' te horen is, op het eerste en laatste nummer is Herbie Hancock al vervangen voor Chick Corea, en Ron Carter voor Dave Holland. Voor de liefhebbers geven de platenhoezen van het kwintet ook een inkijkje in het turbulente liefdesleven van Davis. Op de hoes van de eerste kwintet-plaat E.S.P. (1965) kijkt hij wat confuus op naar zijn toenmalige echtgenote Frances Taylor, die hem een paar dagen na het maken van de foto zou verlaten. Hij papte toen aan met actrice Cicely Tyson, wiens portret de hoes van Sorcerer (1967) siert. Op deze plaat zien we dan weer de dame met wie hij in 1968 vrij plots in het huwelijk treedt, Betty Mabry (dit huwelijk hield maar een jaar stand, al zou Mabry in het volgende decennium zelf platen gaan uitbrengen onder de naam 'Betty Davis').

Irrelevant stukje achterklap natuurlijk, al was Davis' gewoonte om mooie en interessante zwarte vrouwen in de spotlights te zetten op zijn albumhoezen redelijk vooruitstrevend (het stond wel in schril contrast met hoe hij diezelfde vrouwen behandelde overigens). Betty Mabre/ Davis krijgt van de trompettist bovendien de eer dat ze hem wees op de toenmalige ontwikkelingen in de zwarte muziek zover die zich buiten de jazz afspeelden: zo was ze bevriend met Jimi Hendrix, die ze aan Davis voorstelde. Er ontstonden plannen voor een samenwerking tussen de twee giganten, die helaas nooit van de grond kwam.

De meer meanderende, psychedelische kanten van de (zwarte) rock en funk uit de jaren zestig (Davis noemt verder Sly Stone en James Brown als invloeden) gaf hem een volgende stap, nu de vrij hermetische postbop van het tweede kwintet wel ongeveer zijn natuurlijke eindpunt had bereikt. Op vorige plaat Miles in the Sky zette hij zijn eerste voorzichtige stappen naar het 'fusion'-geluid, maar hier gaat hij er serieus mee aan de slag. Wellicht is hij daarin nog zoekende, Filles de Kilimanjaro wordt soms een 'overgangsplaat' genoemd naar de eerste 'echte' plaat uit zijn elektrische periode, het inderdaad wat meer coherente In a Silent Way (1969).

Maar eigenlijk hoeft deze plaat er niet voor onder te doen. Vijf zoekende, aftastende en dromerige tracks, waarin elke noot puur en authentiek klinkt. Dat het soms een beetje pielerig klinkt vergeef ik dan makkelijk. Alles luistert gewoon heerlijk weg, en de afsluiter, een ode aan de dame van de hoesfoto met wie de maand van de opname in het huwelijk was getreden, is een van de mooiste dingen die Davis tot dusver had opgenomen. Schitterende plaat.

Miles Davis - Four & More (1966)

poster
4,0
Met: Miles Davis (trompet); George Coleman (tenorsax); Herbie Hancock (piano); Ron Carter (bas); Tony Williams (drums)

Prima liveplaat van deze protoversie van Davis' Tweede Grote Kwintet, een band die ons vooral livewerk heeft nagelaten. Kennelijk had Davis niet zoveel zin om de studio in te gaan in deze periode, maar wilde hij best dit benefietconcert spelen in het Lincoln Center (New York) ten faveure van organisaties die zwarte kiezers registreerden.

Probleem was alleen dat de rest van de band, die minder verdiende dan hij, niet zo blij was dat ze niet werden betaald. In zijn autobiografie vertelt Davis trots dat ze, tegen de tijd dat ze het podium op moesten 'madder than a motherfucker with each other' waren, en dat hij vermoedt dat er daarom met zoveel vuur werd gespeeld.

Hij heeft een punt, want de stomende versies van 'Joshua', 'Four' en 'There is No Greater Love' overstijgen met gemak de eerdere studioversies die Miles Davis opnam, met een felle Davis, een als een slangenmens door notenladders kruipende George Coleman en een soevereine Ron Carter in de lagere registers. Alleen is het ergens jammer dat er alleen de uptempo nummers op staan, de ballads van dit concert waren een jaar eerder al op een andere liveplaat verschenen: My Funny Valentine.

Miles Davis - Get Up with It (1974)

poster
4,0
Misschien dat er een klein zuchtje uit mijn luchtpijp ontsnapte toen ik zag dat de volgende plaat van Miles Davis weer een dubbel-LP was van ruim twee uur. De hoes had ik ooit wel eens gezien, en die vond ik ook niet per se heel aantrekkelijk. Eerste beluistering werpt nog wat drempels op: het slakkengangetje waarmee ‘He loved Him Madly’, zich ontvouwt, en een paar tracks later: de heftige mishandeling van een of meerdere orgels (?) op ‘Rated X’.

Goed, niet zo’n toegankelijke plaat dus. Net als voorganger On the Corner, waarop deze muziek duidelijk voortbouwt, lijkt Get up With it desondanks een plekje te hebben gevonden in de harten van de liefhebbers: Op Rateyourmusic staat ook deze stevig in de top 20 van de jazzlijst aller tijden.

Het album verzamelt voornamelijk opnames van pak ‘m beet de tweeënhalf jaar na On the Corner, met een paar oudere dingen. Zo spelen o.a. Herbie Hancock en Keith Jarrett nog mee op ‘Honky Tonk’ (uit 1970). Het leeuwendeel is echter van later, en opgenomen in een tijd dat Davis’ band weinig vaste waarden had, of het moeten drummer Al Foster en percussionist James Mtume zijn (laatstgenoemde is de zoon van saxofonist Jimmy Heath, voor wie Davis een soort vaderlijke gevoelens leek te koesteren).

Verder is het een komen en gaan van redelijk interessante musici (wel met iets minder ‘star power’ dan in zijn eerdere bands) waarover de trompettist zelf in zijn autobiografie weinig woorden kwijt kan (wie de spelers op deze plaat in de index van het boek opzoekt, vindt weinig diepgaande opmerkingen in de trant van: ‘In die tijd speelde ik ook vaak met die en die.’ De meest interessante anekdote is dan nog dat gitarist Reggie Lucas later het debuut van Madonna zou produceren).

Dat de plaat al met al als een eenheid klinkt, ondanks de waslijst aan personeel en de lange periode van opnemen, wijst erop dat Davis consequent was in zijn muzikale missie van destijds. Dat wil zeggen: het koppelen van het toen populaire funkrock-geluid met de progressieve fusie uit zijn ‘elektrische periode.’ Of in helderder Nederlands: hypnotiserende ritmes met een hoop gepriegel.
Of misschien zorgde producer Teo Macero voor coherentie. Zoals gebruikelijk knipte en plakte hij de plaat in elkaar uit verschillende studio-takes. Misschien ligt er nog een ‘Complete Get Up With It Sessions’-boxset op de plank ergens, en wie het geduld heeft om dát helemaal te beluisteren weet dan hoe cruciaal Macero was.

De muziek dan. Ik moet toegeven (ondanks dat ‘jazzrock’ niet echt mijn ding is) dat ik vooral de tracks van de tweede LP erg kan waarderen, met ‘Calypso Frelimo’ en ‘Mtume’ als uitschieters. Hoewel je kan stellen dat Davis tussen 1972 en 1974 weinig muzikale progressie maakt (voor zijn doen), lijkt hij hier pielenderwijs de beste vorm voor zijn jazzfunk te vinden. De verschillende instrumenten zijn goed gekozen (orgel-mishandeling daargelaten) en de verschillende bandleden voelen elkaar en de groove goed aan. De lange tracks zijn zo opgebouwd dat je zelfs in de meeste rustige of pielerige momenten details hoort die je aandacht vasthouden. Minder dan bij On the Corner heb ik het gevoel van ‘we doen maar wat’, maar toch blijft de jamsessie-achtige spontaniteit van eerdere platen overeind. De broeierige, roadtrip-achtige sfeer weet me soms echt in een soort trance te brengen (vreselijk cliché).

De meest recente opnames (najaar 1974) werden gemaakt kort nadat Davis terugkeerde van een tour in Brazilië, waar hij in het ziekenhuis moest worden opgenomen na een cocktail aan verdovende middelen te hebben gebruikt. Hij doet er zelf nogal stoer over (‘dat maakt mannen legendarisch’, schrijft hij, en begint dan meteen op te scheppen over de Braziliaanse vrouwen die hij heeft versierd), maar geeft ook toe dat het de eerste keer was dat hij serieus overwoog te stoppen met muziek maken (in 1975 voegde hij daad bij woord).

Get Up With It laat zich lastig interpreteren als het portret van een artiest in verval. De ‘biographical fallacy’ ligt op de loer, en Davis is nooit iemand geweest die emotioneel het achterste van zijn tong liet zien in zijn werk. Zijn cryptische persoonlijkheid is hier in ieder geval in gelijke mate fascinerend en irritant als in veel van zijn beste werk. De plaat heeft, buiten de bril van Davis op de hoes, de tand des tijds ook nog aardig doorstaan.

Miles Davis - In a Silent Way (1969)

poster
4,5
Met: Miles Davis (trompet); Wayne Shorter (sopraansax); Joe Zawinul, Chick Corea, Herbie Hancock (elektrische piano's, Zawinul wellicht ook orgel?); John McLaughlin (gitaar); Dave Holland (bas); Tony Williams (drums)

Ik reken dit tot mijn favoriete Miles Davis-albums, wellicht wel de beste (tot nu toe althans). Dat is eigenlijk wel opvallend omdat ik verder weinig heb met elektrische jazz of 'fusion'. Niet dat ik mezelf een expert wil noemen, maar ik trek toch het meest naar akoestische jazz.

Toch vind ik dit echt een bijna perfecte plaat. Maar wat maakt hem precies zo goed? Het is lastig te zeggen, met een plaat die nooit echt uit de bocht lijkt te vliegen. Rustig wordt er geweven aan een geluidsdeken waar het lastig is een duidelijke structuur of idee in te ontdekken, zonder dat het ooit in de buurt komt van 'free jazz' of iets dergelijks. Het is ook nauwelijks los zand, zeker als je weet dat Davis en producer Teo Macero deze twee tracks aan elkaar knipten en plakten uit verschillende opnamen, als stukjes van een puzzel. Joe Zawinul, initiator van het titelstuk, vond later dat ze zijn oorspronkelijke idee een beetje hadden verneukt, en hem te weinig credits hadden gegeven voor zijn bijdrage.

Een beetje controverse hoort bij een Davis-plaat, natuurlijk. Zoals Davis zelf stelt in zijn autobiografie stelt: 'Het werkte, en dat is het enige dat belangrijk is.'

Sodeju, ja. Die dromerige toetsen, dat broeierige gitaarspel van McLaughlin, de zware basriffs van Dave Holland, Williams en Davis die helemaal opgaan in hun spel, poeh, zelfs de wat weifelende sopraansax van Wayne Shorter lijkt helemaal op zijn plaats in deze fantastische luistertrip (en dat is een clichéterm die ik normaal toch echt probeer te vermijden). Ik snap nog steeds niet wat ik er zo mooi aan vind. En ik zou hem na hernieuwde kennismaking bijna tot 5* verhogen.

Miles Davis - In Concert: Live at Philharmonic Hall (1973)

poster
3,0
Met: Miles Davis (elektrische trompet); Carlos Garnett (saxofoons); Cedric Lawson (toetsen); Reggie Lucas (elektrische gitaar); Michael Henderson (elektrische bas); Al Foster (drums); James Mtume (percussie); Khalil Balakrishna (elektrische sitar); Badal Roy (tabla)

Opgenomen in New York op 29 september 1972, een paar maanden na de sessies voor On the Corner. Behalve de hoes zijn ook de muzikale ideeën een voortzetting van die plaat, Davis had duidelijk een soort nieuwe niche voor zichzelf gevonden want hij zou dit soort muziek blijven maken totdat hij in 1975 (tijdelijk) met pensioen zou gaan.

Langgerekte, nogal dwarrelende stukken die ergens tussen de elektrische funk en de jazz-avantgarde blijven hangen, waarmee je de band in ieder geval moet nageven dat het niet echt klinkt als iets anders dat toen werd gemaakt (zover ik weet). Davis maakte zich deze stijl in de komende jaren nog beter eigen, in deze betrekkelijk vroege fase luistert het allemaal prima weg maar hangt het ook een beetje als los zand aan elkaar.

Het oorspronkelijke dubbelalbum had niet de namen van de gespeelde composities zoals hierboven: de eerste vier nummers stonden op de eerste LP die Foot Fooler heette, en 'Ife' en 'Right Off/ The Theme' werden gelabeld als Slickaphonics. De tweede LP vind ik het beste, als ze het daarbij hadden gehouden was mijn waardering misschien iets hoger uitgekomen.

Miles Davis - In Europe (1964)

Alternatieve titel: Recorded Live at the Antibes Music Festival

poster
3,0
Met: Miles Davis (trompet); George Coleman (Tenorsax); Herbie Hancock (piano); Ron Carter (bas);
Tony Williams (drums)

Even grinniken aan het begin als je hoort hoe Fransman André Francis de naam 'Herbie Hancock' uitspreekt. Veel dramatischer wordt het niet meer op deze liveplaat, opgenomen op het jazzfestival van Antibes in 1963. 'Kabbelend' is eerder het goede woord voor deze set, waar de band bijna tachtig minuten doet over zes nummers. Twintig minuten minder op de oorspronkelijke LP, waar 'I Thought About You' wordt weggelaten, en wat wordt geknipt in de solo's van Coleman en de uitblinkende Herbie Hancock.

Nog steeds vrij lang. De muziek is verder prima (en de geluidskwaliteit oké) maar tegen het einde, als er twee nummers over de tijdslimiet van een kwartier gaan slaat bij mij toch een beetje het 'je had er vast bij moeten zijn'-gevoel toe. De bandleden, stuk voor stuk topmuzikanten, spelen een geïnspireerde Greatest Hits-set voor Miles Davis uit deze periode, maar meer kan ik er niet echt van maken.

Van de plaat staat ook een Europese uitgave op de site, Miles in Antibes (1963) , die wellicht inderdaad ouder is dan de release van Columbia? Discogs biedt hierin ook weinig duidelijkheid.

Miles Davis - Jazz Track (1959)

poster
4,5
Ik heb dit inmiddels zelf ook op LP (in de Record Store Day-heruitgave van een paar jaar geleden), en moet zeggen dat dit, voor mensen die interesse hebben in Miles Davis op vinyl, best wel een aanrader is.

De versie die ik heb klink in ieder geval geweldig. Wat het nog aantrekkelijker maakt, is de totaal andere A- en B-kant. De soundtrack van Ascenseur pour l'Echafaud is één van Davis beste platen uit de jaren vijftig, eigenlijk had ik die 4,5 sterren willen geven. Die soundtrack is op vinyl makkelijker te vinden dan deze plaat, en verkrijgbaar in allerlei mooie doosjes, en met interessante bonustracks.

Hierop staan sec alleen de nummers van het originele soundtrack album, en eigenlijk is dat ook wel het meest magische stuk. Op de b-kant ook een selectie van tracks die elders completer verzameld zijn, maar wat voor een selectie! 'On Green Dolphin Street' en 'Fran Dance' zijn toch beide wel mooie kandidaten voor 'beste nummer dan Miles Davis ooit opnam'.

Hoe dan ook, nu ik toch op mijn oude dag stiekem een vinyl-zeikerd aan het worden ben, moet ik hier aantekeken dat dit iets is wat ik toch wel erg vaak op de platenspeler leg.

Miles Davis - Kind of Blue (1959)

poster
4,5
Met: Miles Davis (trompet); John Coltrane (tenorsax); Julian ‘Cannonball’ Adderley (altsax); Bill Evans (piano); Paul Chambers (bas) Jimmy Cobb (drums); Wynton Kelly (piano op 'Freddie Freeloader')

Wat schrijf je over een plaat die zo iconisch is, dat hij het genre bijna definieert? Die voor velen de eerste jazzplaat is die ze ooit luisterden? Dat laatste geldt trouwens ook voor mij, een jaar of vijftien á twintig geleden denk ik. Niet direct een groot succes, al blijkt uit mijn sterrenwaardering dat deze plaat en ik een eind gekomen zijn, sindsdien.

Maar wat geeft uitgerekend deze plaat zo’n onaanraakbare status? Vele uren luisterervaring later, en nadat ik dit jaar alle voorafgaande platen van Miles Davis van een recensie heb voorzien, vind ik het nog steeds lastig om dat te bepalen.

Casual jazzliefhebbers van het Matthijs van Nieuwkerk-type beginnen dan meteen over hoe geweldig Miles Davis trompet kon spelen, maar, sorry als ik hier een heilig huisje omverschop, zo’n enorme virtuoos was de man eigenlijk niet. Zelfs in zijn eigen tijd waren er een aantal trompettisten die technisch begaafder waren, zoals zijn mentor Dizzy Gillespie, Fats Navarro, Clifford Brown of Lee Morgan. Allemaal artiesten met nog steeds veel fans, maar niet de naamsbekendheid van Miles Davis, of een album op hun palmares met de status van Kind of Blue.

Wel was Davis gezegend met een ongekend artistiek zelfvertrouwen, voor een zwarte Amerikaan van zijn generatie. En ondanks (of misschien juist: dankzij) zijn technische beperkingen ontwikkelde hij een bijzonder scherp gevoel voor waar de jazz zich heen bewoog, welke stijlen hem in de voorhoede van het genre hielden, en welke bandleden hij daarvoor moest inhuren.

Vandaar dat artikelen en recensies over Kind Of Blue meestal het grensverleggende van het album benadrukken, via de ‘modale’ benadering van jazz, met pianist Bill Evans als muze. Dit verhaal is zo breed uitgesmeerd binnen de jazzliteratuur dat ik het hier niet hoef samen te vatten. In zijn autobiografie zegt Davis zelf echter ook nog andere dingen over de plaat, die je minder vaak terugleest.

Hij bezocht een optreden van 'Les Ballets Africains' met zijn vriendin, vertelt hij, en was totaal overdonderd door de dansers, de muziek en met name de rol van de Afrikaanse duimpiano hierin. Op een bepaalde manier deed het hem terugdenken aan de gospels die hij als kind hoorde, toen hij op familiebezoek was in Arkansas. Ook schrijft hij over de gedeelde liefde van hem en Evans voor Ravel en Rachmaninov.

Dit alles smeulde in zijn hoofd, en kwam er uiteindelijk uit in de vorm van vijf muzikale schetsen, die hij aan zijn band zou voorleggen in het voorjaar van 1959.
(Volgens hemzelf, althans. Boze tongen beweren dat eigenlijk pianist Evans het genie is achter deze composities, en niet Davis. Dat zal wellicht een beetje overdreven zijn, al heeft Davis de schijn wel een beetje tegen: hij zou vaker in zijn carrière composities van anderen jatten, en ondanks zijn felle ontkenningen in zijn boek, worden ‘Blue in Green’ en ‘Flamenco Sketches’ tegenwoordig zelfs door zijn nalatenschap als (co)composities van Evans erkend. Hoe dan ook--)

Het geeft, vind ik, een beter, eerlijker en mooier beeld van de plaat, als je je Miles Davis voorstelt niet als een soort professor in muzikale wiskunde, rekenend met modale toonladders, maar als een artiest, die uiting wilde geven aan verschillende gevoelens die in hem broeiden, een vuurtje dat werd aangestoken door invloeden uit de jazz, de blues, wereldmuziek, gospel, en klassiek.

Schetsen komen natuurlijk nooit op papier zoals je ze had voorgesteld, en dan moeten nog vijf bandleden er hun plasje over doen: muzikale stemmen die zo uiteenliepen als de prille kosmische storm van John Coltrane, de volromige blues van Cannonball Adderley, of het sprankelende impressionisme van Evans. In zijn autobiografie vertelt Davis, geamuseerd, hoe verbaasd mensen reageren als hij ze vertelt dat het eindresultaat totaal anders klinkt dan hij in gedachten had. ‘I just missed [what I was trying to do]’.

Ondanks alle muziektheorie die mensen er soms bijslepen, zit de kracht van de plaat volgens mij in de melancholie, bewondering, hunkering die Miles Davis dreven. De modale benadering gaf hem en zijn band de ruimte om dit zo puur en onbevangen mogelijk te uiten. Het maakt dat de plaat nog steeds door een onbevangen jazzbeginner kan worden aangezet, en kan worden begrepen. Ik ben niet helemaal zeker of ik het Miles Davis’ beste plaat vind, maar voor dat laatste natuurlijk sowieso niets dan lof.

Miles Davis - Live at the Fillmore East (March 7, 1970) (2001)

Alternatieve titel: It's About That Time

poster
3,5
Met: Miles Davis (trompet); Wayne Shorter (tenorsax, sopraansax); Chick Corea (elektrische piano); Dave Holland (elektrische en akoestische bas); Jack DeJohnette (drums)

Niet te verwarren met de liveplaat At Fillmore (1970), opgenomen in juni van hetzelfde jaar in dezelfde concertzaal, waarin Keith Jarrett tweede toetsenist is geworden en hij en Corea elkaar proberen af te troeven in onbeluisterbare piep-kraak-tuut aandachttrekkerij. Een paar maanden eerder speelde Davis ook al in de Fillmore West (Los Angeles) en die kwam dan weer uit als Black Beauty (1973).

Deze bleef tot 2001 op de plank liggen maar dateert van een aantal weken eerder, met Wayne Shorter nog in de gelederen: het was zelfs zijn laatste concert met Miles Davis. Zijn aanwezigheid maakt alle verschil, hij staat hier echt als een beest te spelen, wild en vrij maar toch dienstbaar. Zelfs Corea klinkt beter op de momenten dat Shorter soleert, al moet ik bij het toetsenwerk van eerstgenoemde in de Davis-band nog wel af en toe denken aan iemand die zijn medicijnen niet op tijd heeft ingenomen.

De muziek is bijtend en avontuurlijk, de opnamekwaliteit is meer dan aardig, al met al zeker de moeite waard om te horen zelfs als je het uitbrengen van nieuwe concerten van dode muzikanten geldklopperij vindt. Bizar ook om te beseffen dat Neil Young op hetzelfde podium die avond de opnames maakte voor zijn redelijk legendarische optreden met de klassieke Crazy Horse-opstelling. Wilde tijden!

Miles Davis - Live Evil (1971)

poster
4,0
Met op de lange tracks: Miles Davis (elektrische trompet); Gary Bartz (sopraan- en altsax); John McLaughlin (elektrische gitaar); Keith Jarrett (elektrische piano, orgel); Michael Henderson (electrische bas); Jack DeJohnette (drums); Airto Moreira (percussie), en op de kortere tracks: nog een hoop andere mensen.

Musicmeter schaart deze onder de livealbums, wat logisch lijkt, maar bij Wikipedia staat deze juist bij zijn studioplaten. De waarheid ligt ergens in het midden, maar écht een liveplaat is het niet, al zijn alle lange tracks (ongeveer 85% van de muziek hier) samengesteld uit opnames een liveoptreden in The Cellar Door (Washington DC) op 19 december 1970.

Die liveopnames zijn later ook uitgebracht op de boxset The Cellar Door Sessions 1970 (2005). Die heb ik nog niet uitgebreid kunnen beluisteren (we zetten maar weer vijf uur Miles Davis-muziek op de to do lijst erbij), maar bij een oppervlakkige vergelijking valt het wel op dat Live Evil toch wel wezenlijk anders klinkt. Wat precies de rol van overdubs en van knip- en plakkunstenaar Teo Macero is geweest hierin, is een leuke discussie voor mensen die net iets geobsedeerder zijn dan ik (net iets, he), maar ik vind de met vette galm overgoten, ronkende sound van Live Evil toch best wel gaaf.

Davis zelf zei een soort vervolg op Bitches Brew te hebben willen maken, maar dat er iets heel anders uitkwam (de hoes is natuurlijk vergelijkbaar, zelfs nog wel iets cooler). Verder heeft Davis niet veel zinnigs over de plaat te zeggen, rond deze tijd leek (nog meer dan anders) zijn strategie te zijn om zicht te omringen met talentvolle muzikanten en de ideeën maar gewoon te laten stromen. De band van de Cellar Door-sessions barst bijna uit elkaar van de creatieve energie, waarbij de nadruk duidelijk ligt op het bandgeluid en de groove en minder op de solo’s van de individuele bandleden (al zijn Jarrett en McLaughlin wel iets dominanter dan de rest).

Davis laat zich deze keer niet echt overschaduwen door zijn eigen bandleden. Ik heb het al vaker ergens gezegd, maar de elektrische, funk-gerichte stijl paste gewoon prima bij zijn spel, en eigenlijk heeft hij zelden zo goed gespeeld als in deze periode. Al heb ik geen idee wat er in die tijd precies verstaan werd onder een ‘elektrische trompet’, eerlijk gezegd. Het wah-wah effect dat Davis hier gebruikt is volgens hemzelf een eerbetoon aan Jimi Hendrix, die drie maanden voor de Cellar Door-concerten overleed. De twee kenden elkaar goed en er waren kennelijk redelijk concrete plannen voor een samenwerking: de geest van de legendarische gitarist waart ook door andere aspecten van deze plaat.

Tijdens de lange ‘live’tracks dendert en freakt de band maar door, en op zijn beste momenten is het echt waanzin, zowel in de betekenis van ‘pure chaos’ als ‘waanzinnig goed.’ De kortere stukken tussendoor, sfeervolle maar ook wat creepy studio-opnames van eerder in 1970, werken als rustpunten maar werken me ook een beetje op de zenuwen soms.

Over de lengte van de plaat heb ik een beetje mijn twijfels: als ik de plaat als geheel probeer te luisteren (wat natuurlijk niet verplicht is) dan merk ik dat ik het zo tegen ‘Funky Tonk’ wel een beetje beu raak. Bijvoorbeeld bij Bitches Brew had ik minder dat gevoel. Ik ben er nog niet uit of ik de eerste helft van Live Evil gewoon sterker vind, of dat dit een plaat is die ik beter in delen tot me kan nemen. Dat ‘Sivad’ en ‘Selim’ achterstevoren te lezen zijn, maar ‘Nem um Talvez’ niet, vond ik wel een beetje frustrerend, maar heeft geen invloed op de eindscore.

Miles Davis - Miles Davis and Milt Jackson Quintet / Sextet (1956)

poster
3,5
Met: Miles Davis (trompet); Jackie McLean (altsax, alleen track 1 en 3 ); Milt Jackson (vibrafoon); Ray Bryant (piano); Percy Heath (bas); Art Taylor (drums)

De titel Quintet/ Sextet betekent niet dat er materiaal op deze plaat staat uit twee verschillende sessies: alle nummers werden opgenomen op 5 augustus 1955. Echter, altsaxofonist Jackie McLean, speelt alleen mee op ‘Dr Jackle’ en ‘Minor March’ (beide ook zijn composities).
Davis en McLean kregen na de opnames daarvan ruzie, volgens Davis omdat de saxofonist high was en niet meer met kritiek kon omgaan. Hoe dan ook leidde het ertoe dat McLean met slaande deuren vertrok. Feitelijk is het dus: sextet --> kwintet

Davis en McLean, junkiemaatjes van weleer en eerder samen te horen op o.a. Dig en Miles Davis, Volume 1, zouden daarna nooit meer samen in de studio verschijnen.

Het is ook in andere opzichten het einde van een tijdperk in Davis’ oeuvre: dit is de laatste plaat die hij maakte voordat hij zijn ‘First Classic Quintet’ bij elkaar zou brengen, een moment dat ongeveer samenviel met zijn overstap naar major label Columbia, en zijn grote doorbraak. Ook Percy Heath, tot op dat moment zo’n beetje Davis vaste studiobassist, zou hierna nooit meer op een plaat van Davis te horen zijn.

Vanaf het Grote Kwintet zou Davis meestal studio-opnames maken met zijn dagelijkse band (de band waarmee hij ook toerde), dit is dus ook een van de laatste platen waarvoor hij specifiek muzikanten inhuurt (een zogenaamde ‘all-star band’). Tegen de personele keuzes van Davis kun je zelden bezwaar maken, en ook hier niet: Al Taylor, Ray Bryant, Milt Jackson, allemaal gerespecteerde namen.

Davis eist echter de meeste tijd op voor zichzelf, waardoor vooral Jackson een beetje ondersneeuwt. Davis heeft inmiddels een heldere, soepele stijl ontwikkeld, en met vakmannen als Taylor en Heath levert dat een prima klinkend plaatje op. Het zijn wel de nummers met McLean waar het meeste leven in zit. High of niet, zijn solo’s brengen een nodige dosis speelsheid in het soms wel wat te degelijke bandgeluid.

Meer nog dan McLean echter drukt pianist Ray Bryant een opvallende stempel: voor mij is hij de meest onbekende hier, maar hij brengt een aangename Bud Powell-vibe mee die op sommige momenten de oren doet spitsen. Zijn korte solo's op de composities van McLean zijn albumhoogtepunten, en zijn compositie 'Changes' is een heerlijk bluesy uitsmijter, waarvan de nonchalante smeuïgheid Davis als gegoten zit.

Iets vaker dan op andere Davis-albums uit die tijd wordt teruggegrepen naar het bebop-geluid uit Davis’ begindagen. McLean, die de helft van de nummers schreef, was natuurlijk nog meer dan Miles Davis een discipel van Charlie Parker, wiens overlijden zes maanden eerder iedereen ook nog vers in het geheugen zal hebben gelegen.

Quintet/ Sextet is daarmee geen enorm baanbrekende plaat, en hoewel Davis prima speelt had hij nog wel iets meer ruimte mogen geven aan zijn talentvolle sidemen (en McLean binnenboord mogen houden). Verder is Quintet/ Sextet een behoorlijk aangenaam stukje muziek.

Miles Davis - Miles Davis and the Modern Jazz Giants (1959)

poster
3,0
Met: Miles Davis (trompet); Thelonious Monk (piano); Milt Jackson (vibrafoon); Percy Heath (bas); Kenny Clarke (drums)
Behalve op ‘’Round Midnight’, Davis met John Coltrane (tenorsax); Red Garland (piano); Paul Chambers (bas); ‘Philly’ Joe Jones (drums)

Deze lp uit 1959 verzamelt vooral opnames uit december 1954 van een sessie met driekwart van The Modern Jazz Quartet (vandaar de titel), en de legendarische pianist Thelonious Monk. Deze werden eerder uitgebracht als Miles Davis All Stars Volume 1 en Volume 2. Het was dezelfde sessie als waarop ‘Bags’ Groove’ werd opgenomen, dat titelnummer zou worden van een andere lp, en hier dus ontbreekt.

‘’Round Midnight’ is als enige van een sessie van bijna twee jaar later, van de band met John Coltrane, die later bekend kwam te staan als Miles Davis’ ‘First Classic Quintet.’ Met datzelfde kwintet zou Davis van dit nummer ook een legendarische opname maken voor Columbia, met wie hij rond 1955 een lucratief platencontract afsloot.

Het is te begrijpen dat Prestige dit nummer van de plank haalde, om mee te liften op het latere succes van Davis. Maar: vergeleken met de bekender versie klinkt deze opname van ‘‘Round Midnight’, hoewel later opgenomen, als een demo’tje.

Op de enige andere niet eerder verschenen track, de eerste take van ‘The Man I Love’, horen we hoe pianist Thelonious Monk door het intro begint te praten, en de rest van de band tegen hem uitvaart. Misschien komt het daardoor, dat over deze sessie allerlei verhalen de ronde deden, over spanningen in de studio. Vooral Davis en Monk zouden vechtend over de vloer gerold hebben!

Davis ontkende die geruchten met klem, en met atypische zelfspot gaf hij toe dat Monk een stuk breder dan hem was, en hem waarschijnlijk door de muur had heen gegooid, als het echt vechten was geworden.

De geruchten over een vechtpartij mogen overdreven zijn, maar een bepaalde ongemakkelijkheid is zeker hoorbaar. In de tweede take van ‘The Man I Love’, waar het album mee opent, begint Monk rond de vijfde minuut te soleren op een manier die, zelfs voor zijn doen, dissonant klinkt.
Na een paar maten laat hij een stilte vallen die zo lang aanhoudt, dat Davis uiteindelijk zelf maar weer begint te toeteren. De pianist begint dan weer dwars door hem heen te spelen, en brengt zijn solo alsnog tot een -toegegeven- vrij virtuoos einde.

Meer dan onderlinge agressie klinkt het, eerlijk gezegd, alsof de band gewoon niet voldoende had gerepeteerd. Ook Miles Davis zelf klinkt op ‘Swing Spring’, nota bene zijn eigen compositie, alsof hij nog niet goed heeft bedacht wat hij nou eigenlijk wíl met zijn solo.

Als de band inderdaad niet voldoende ingespeeld is, is dat typerend voor het Prestige-label, berucht om zijn krenterigheid met studiotijd. Misschien daarom klinken voor mij de meeste tracks op deze plaat wat vluchtig, onaf zelfs (ondanks dat ik niet zo van de vibrafoon houdt, moet ik een uitzondering maken voor Milt Jackson, duidelijk de uitblinker hier. Op ‘Bemsha Swing’ speelt de hele band nog wel goed, al heb ik ook van deze Monk-compositie betere versies gehoord). Al met al kan ik bij herbeluistering niet verder gaan dan drie sterren, geruchten over vechtpartijen meegerekend.

Het zal natuurlijk ook gewoon aan mijn smaak liggen: zoals ik al schreef bij Bags’ Groove, is deze bandopstelling voor mij iets té artistiek en smaakvol om echt een volle lp mijn aandacht vast te houden. Dat dit de enige studiosessie is waarop legendes Monk en Davis samen te horen zijn, mag dan nog een interessante historische voetnoot heten.

Miles Davis - Miles Davis at Newport 1958 (2001)

poster
4,0
Met: Miles Davis (trompet); John Coltrane (tenorsax); 'Cannonball' Adderley (altsax); Bill Evans (piano); Paul Chambers (bas); Jimmy Cobb (drums)

De band die later Kind of Blue opnam, zo'n beetje de meest iconische aller jazzplaten, is niet héél lang bij elkaar geweest. Elke opname die ze hebben achtergelaten verdient dus aandacht, en wordt uitgebracht door het gretige platenlabel.

Toch staan hier niet veel stemmen. Misschien dat moderne luisteraars van deze band misschien ook Kind of Blue-achtige muziek verwachten? Helaas. Dit optreden is toegespitst op wat het jazzpubliek in 1958 wilde van een Miles Davis-optreden, met een zwaartepunt op de oude opnames met het 'eerste grote kwartet.' Alleen op 'Fran-dance' is enigszins de modale toekomst te ontwaren.

Niet getreurd, want al ligt de nadruk verder op snelle bop, is de geluidskwaliteit in de lage registers niet overal optimaal, en voegen deze opnames niet héél veel toe aan de studioversies, het blijft een genot om deze hypergetalenteerde band te horen op uitstekende vertolkingen van 'Straight, No Chaser' en 'Bye Bye Blackbird'. Niet essentieel, wel lekker.

Miles Davis - Miles Davis in Person Friday and Saturday Nights at the Blackhawk, Complete (2003)

poster
4,0
Met Miles Davis (trompet); Hank Mobley (tenorsax); Wynton Kelly (piano); Paul Chambers (bas); Jimmy Cobb (drums)

Miles Davis' band met Hank Mobley was geen lang leven beschoren, maar liet met deze en het concert in Carnegie Hall van een maandje later wel een kleine schatkist aan liveopnames na. Bij laatstgenoemde liveplaat schreef ik o.a.:

Sandokan-veld schreef:
duidelijk in een sjieke concertzaal is opgenomen en niet in een jazzclub. Dat maakt de livesfeer wat afstandelijker (hier geen Village Vanguard-achtig gerinkel van glazen op de achtergrond), al is het muzikaal gezien dik in orde.


Nou, die intieme livesfeer vinden we hier wel volop. Dit zijn echte clubconcerten, en je lijkt wel met de band op het podium te staan, zo helder en dynamisch zijn de opnames. In vergelijking met Carnegie Hall mist dit dan weer wat ambitie en afwisseling. De repertoirekeuze is redelijk voorspelbaar en de muzikanten zijn allemaal klasbakken, maar over een uur of vier luisterplezier mis je toch wel eens iemand die echt het avontuur kiest a la Coltrane. Zo wordt de relaxte, intieme sfeer zowel de kracht als de zwakte van de plaat.

In 1961 werden er met wat knip- en plakwerk twee liveplaten uitgebracht van de concerten die hier in hun volledigheid zijn verzameld. Daarvan staat om een of andere reden alleen de 'Friday Night'-versie op Musicmeter. Wellicht voeg ik de andere nog wel een keer toe, als ik zin heb. In de tussentijd een voorzichtige vier sterren, de ritmesectie Kelly/ Chambers/ Cobb trekt de plaat toch net iets boven de middelmaat. Mooie hoes ook weer, trouwens.

Miles Davis - Miles Davis, Vol. 1 (2001)

poster
4,0
Met: Miles Davis (trompet)
En op track 1-9: Jackie McLean (altsax); J.J. Johnson (trombone); Gil Coggins (piano); Oscar Pettiford (bas); Kenny Clarke (drums)
Op tracks 9: Horace Silver (piano); Percy Heath (bas); Art Blakey (drums)

Er zijn verschillende platen van Miles Davis die ‘Volume 1’ heten. Ik zal hier niet proberen de kluwen te ontwarren (Wikipedia kan de verwarde jazzfan soelaas bieden), maar de plaat bespreken met de hoes en tracklist zoals hierboven staan afgebeeld.

In dat geval hebben we het dus over een verzamel-cd van Blue Note uit 2001 (dus niet uit 1954). De eerste zes nummers werden oorspronkelijk uitgebracht op Young Man With a Horn. Dit was Davis’ eerste sessie voor Blue Note, en zijn enige plaat uit 1952. De oorspronkelijke 10”-lp staat op MusicMeter en op de albumpagina staat al een recensie van mij. Voor mensen die geen zin hebben de link aan te klikken: ik vind het wat gezapig, maar spontaniteit en spelplezier maken veel goed.

Een belangrijke opmerking voor moderne streamers is wel dat op Spotify dit deel van de verzamelaar
verkeerd is geüpload. Wie de titels aanklikt, hoort andere nummers dan bij die titels horen. Je kunt dus beter een andere goede verzamelaar opzoeken, zoals deze..
Dan mis je wel de drie alternatieve takes uit deze sessie die er hier zijn bijgeplakt, maar die zijn sowieso voer voor completisten.

De laatste zes nummers stammen uit maart 1954, bijna twee jaar later. Deze nummers stonden oorspronkelijk op een 10”-lp die verwarrend genoeg dan weer Volume 3 heette. Zoals op zijn meeste sessies uit 1954 maakt hij gebruik van pianist Horce Silver en bassist Percy Heath, met wie wellicht best een ‘klassiek kwintet’ te formeren was geweest, bijvoorbeeld met Kenny Clarke op drums en Sonny Rollins op sax.

Het liep (gelukkig voor John Coltrane) anders, maar voordat iedereen een andere weg insloeg maakte Davis wel een paar sterke platen met Silver op piano (ook b.v. Walkin’, en de b-kant van Bags’ Groove), die je kan zien als sleutelplaten in de ontwikkeling van de succesvolle ‘hardbop’-stroming in de jazz: moderne jazz dus, maar met stevige wortels in de blues en gospel.
Silver zou rond diezelfde tijd met drummer Art Blakey de ultieme hardbop-band oprichten, The Jazz Messengers. Dat Blakey op deze sessie dus ook de drummer is, maakt het historisch nog iets interessanter.

Silver is wel echt de uitblinker, met zijn romige, funky stijl. Iedereen speelt echter prima, al hoor ik liever Kenny Clarke achter de oude Miles Davis dan de wat hyperactieve Blakey. Of misschien is Miles zelf uiteindelijk toch niet echt de meest natuurlijke match voor dit soort hardbop. Alle zes nummers zijn verder dik oké, maar alleen tijdens de pianosolo’s van Silver spitsen mijn oren zich écht. Misschien is het daarom, dat deze opnames niet echt tot zijn klassiekers worden gerekend.

Desondanks een dikke vier sterren voor deze energieke hardbop. Met de magere vier sterren die ik al aan de ‘Young Man With A Horn’-opnames had uitgedeeld, laat het gemiddelde zich raden.

Miles Davis - Miles Davis, Vol. 2 (1955)

poster
3,5
Met: Miles Davis (trompet); J.J. Johnson (trombone); Jimmy Heath (tenorsax); Gil Coggins (piano); Percy Heath (bas); Art Blakey (drums)

In tegenstelling tot de plaat die als ‘Volume 1’ op Musicmeter staat, is dit wél de oorspronkelijke 10”-lp uit 1953, en geen latere verzamelaar. De toevoegers op MuMe valt hier overigens weinig te verwijten: door de titels ‘Volume 1’ en ‘Volume 2’ een paar keer te hergebruiken, heeft Blue Note een beetje een zootje gemaakt van hun Miles Davis-catalogus.

Enfin. Al deze nummers komen uit dezelfde sessie, opgenomen op 20 april 1953. Miles Davis zegt in zijn boek dat hij zich de opnames vooral herinnert omdat hij samen met saxofonist Jimmy Heath enige moeite moest doen om aan heroïne te komen. Uiteindelijk wisten ze met een smoesje de studio te verlaten om te scoren bij Elmo Hope (ja, de legendarische jazzpianist Elmo Hope), die in de buurt woonde. Davis vertelt dat ze vervolgens de plaat maakten terwijl ze ‘high as a motherfucker’ waren.

Die Jimmy Heath komen we verder niet veel tegen in het oeuvre van Miles Davis. Interessant is wel dat hij onlangs pas overleed, op de respectabele leeftijd van 93 jaar. Zijn spel hier is lekker energiek en swingend, maar ook weer niet héél bijzonder. Diezelfde kwalificaties gelden ook voor de rest. Blakey en Johnson eisen vaak een grote rol op, en soms voelt het wat meer als een vroege Jazz Messengers-sessie dan een van Miles Davis.

De plaat moet het dus voornamelijk van zijn energie hebben, maar goed, het kan erger natuurlijk. Of er meer avontuurlijk gemusiceerd was als sommige betrokkenen niet ‘high as a motherfucker’ waren geweest, valt zoveel jaar later onmogelijk nog te bepalen.

Miles Davis - Miles in Berlin (1965)

poster
4,0
Met: Miles Davis (trompet); Wayne Shorter (tenorsax); Herbie Hancock (piano); Ron Carter (bas); Tony Willams (drums)

Behoorlijk voorspelbare plaat, en toch ook wel een positieve verrassing. De live-opnames werden gemaakt in de Philharmonie in Berlijn op 25 september 1964, Wayne Shorter zat toen precies drie weken bij de band. Met zijn komst was Miles Davis' 'tweede grote kwintet' een feit (zie ook het bericht van Larzz hierboven), volgens sommigen inderdaad de beste jazzband aller tijden. Persoonlijk denk ik daar iets anders over (zie mijn recensies bij hun studioalbums), maar in dit vroege stadium heeft de band toch al een lekkere energie te pakken, en is het samenspel al bijna telepathisch te noemen.

Iedereen die al één of meerdere liveplaten van Miles Davis uit ruwweg deze periode kent, zal niet van verbijstering flauwvallen bij de keuze van de setlist: dit waren allemaal bekende favorieten uit zijn repertoire, en zouden dat in de komende jaren ook blijven (enigszins tot ergernis van de bandleden, die nauwelijks de kans kregen hun eigen composities in de liveset te krijgen). Maar het wordt allemaal lekker strak uitgevoerd door een groep mensen die zich duidelijk in hun sas voelen bij elkaar op een podium.

In vergelijking met de hoger aangeprezen Plugged Nickel-opnames van ruim een jaar later is het allemaal wat minder avontuurlijk, maar ook minder wollig en – vind ik dan - prettiger om naar te luisteren. Je hoort verder wel dat het een radio-opname was, maar alle instrumenten komen goed helder door. Ik heb veel slechtere liveplaten van Davis gehoord.

Miles Davis - Miles in the Sky (1968)

poster
4,0
Met: Miles Davis (trompet, kornet); Wayne Shorter (tenorsax); Herbie Hancock (piano, elektrische piano); Ron Carter (contrabas, elektrische bas); Tony Williams (drums); George Benson (elektrische gitaar op 'Paraphernalia')

De nadagen van zowel Davis' Tweede Grote Kwintet (dit is de laatste plaat waarop ze nog alle vijf op elke track meespelen) als zijn akoestische periode. De elektrische instrumenten doen voorzichtig hun intrede, althans op 'Stuff' dat drijft op een warm bad van elektrische piano en bas, en 'Paraphernalia', waarop George Benson een redelijk bescheiden rol mag spelen. Toch vind ik denk ik het volledig akoestische 'Country Son' het beste nummer.

Belangrijker is dat de wat nuffige artistiekerigheid van de vorige platen wordt losgelaten, en de band kiest voor losse, uitgesponnen, niet al te strak gestructureerde jams. Als ik te ongeduldig luister, kan ik me soms ergeren aan het gepriegel, maar op mijn gemak tot mij genomen bevalt deze plaat me eigenlijk een stuk beter dan de laatste paar van het Tweede Kwintet. Het is een plaat met een mooi, open geluid, veel bezwerende herhaling, en interessante zoektochten van de solisten naar schoonheid en vrijheid. Ik weet niet zeker of ik dit nog héél vaak ga draaien, maar voor nu het voordeel van de twijfel. 4*

Miles Davis - Miles in Tokyo (1964)

Alternatieve titel: Miles Davis Live in Concert

poster
4,0
Met: Miles Davis (trompet); Sam Rivers (tenorsax); Herbie Hancock (piano); Ron Carter (bas); Tony Williams (drums)

Na een paar zoekende jaren begon de nieuwe band van Miles Davis (het 'tweede grote kwintet') in 1964 vaste vorm te krijgen. Het boterde alleen nog niet echt tussen saxofonist George Coleman en de rest, met name drummer Tony Williams. Volgens de autobiografie van Miles Davis wilde Williams een vrijere sound neerzetten, en was Coleman te behoudend. De drummer pestte hem min of meer uit de band, en stelde zijn vriend Sam Rivers voor als vervanger.

Davis besteedt in zijn boek verder niet heel veel woorden aan Rivers, sterker nog de hele verdere passage over deze periode in zijn boek is gewijd aan een lofzang op Japan, wat hij een te gek land vond met hele vriendelijke mensen. Kort na terugkeer in Amerika neemt hij Wayne Shorter aan als vaste saxofonist, en de rest is geschiedenis.

Dit is volgens mij de enige officiële release in Davis' discografie met Rivers op sax, dus misschien horen we hier waar Tony WIlliams destijds heen wilde met de band? In dat opzicht is het een beetje jammer om te ontdekken dat deze plaat niet zo heel veel verrassingen te bieden heeft. Rivers was zeker een meer vrije saxofonist dan George Coleman, en hij doet hier een paar fijne chaotische dingen, al komt het soms op me over of hij nog een beetje zoekt naar zijn rol in de band. Op ander (later) werk zou hij nog verdere en spannendere uithoeken bezoeken, maar met name als zijn uitblinkende maatje Williams hem van achteren opdrijft spettert het behoorlijk (deze versie van 'Walkin'' behoort zeker tot de betere).

Verder is dit qua spel en setlist niet heel anders dan andere liveplaten van Miles Davis uit deze periode. Dat bedoel ik ook zeker positief! Al gaat mijn voorkeur nog steeds uit naar My Funny Valentine (1965), een collectie ballads van een optreden van een paar maanden eerder met Coleman. Of Tony Williams me dat in dank had afgenomen weet ik niet, maar je kunt niet in het leven elke drummer gelukkig maken.

Miles Davis - Milestones (1958)

poster
4,0
Met: Miles Davis (trompet, piano op ‘Sid’s Ahead’); John Coltrane (tenorsax); Julian ‘Cannonball’ Adderley (altsax); Red Garland (piano, behalve op ‘Sid’s Ahead’); Paul Chambers (bas) ‘Philly’ Joe Jones (drums)

Na zijn terugkeer uit Parijs bracht Miles Davis zijn oude band weer bij elkaar, inclusief John Coltrane, die weer in genade werd aangenomen nadat hij van de drugs afkickte. Aan het Grote Vijftal wordt ook nog 'Cannonball' Adderley toegevoegd, die op dat moment werd gezien als een van de rijzende sterren van de jazz.

Davis was duidelijk in zijn nopjes met deze band, en in twee korte sessies op februari en maart 1958 vereeuwigde hij de nieuwe sound in de Columbia-studio. Het resultaat is duidelijk minder gepolijst dan zijn eerdere werk voor het label, en mist ook een beetje de artistieke gedrevenheid die veel van zijn beste platen kenmerkt.

De kwaliteit van de band maakt wel veel goed: de perfect op elkaar ingespeelde ritmesectie van Garland/ Chambers/ Jones mag bijna de hele plaat stralen. John Coltrane had zijn tijd zonder Davis goed besteed, door in de band van Thelonious Monk grote stappen te zetten richting zijn goddelijke status. Zijn hectische ideeënstorm past verrassend goed bij de bruisende bluesstijl van Adderley. Als je ze ‘licks’ hoort uitwisselen in opener ‘Dr. Jackle’ lijkt het wel of ze samen één brein delen.

Verder was het spelen van dit soort bop-klassiekers anno 1958, naar mijn idee, meer een kans op te scheppen over je eigen virtuositeit, dan echt een gewaagde creatieve keuze. Op dit album vinden we ook nog 'Two Bass Hit' (Dizzy Gillespie), 'Billy Boy' (Ahmad Jamal), en 'Straight, No Chaser (Monk). Lekker gespeeld allemaal, maar weinig verrassends. Op 'Sid’s Ahead', waar Garland op ontbreekt na een ruzie met Davis, lijkt laatstgenoemde dan weer te willen teruggrijpen op zijn succesformule van ‘Walkin’’ en ‘Blue and Boogie’, maar het resultaat mist de nodige spanning.

De ruzie met Garland was een veeg teken: snel na de opnames zou hij de band verlaten, waarmee een einde kwam aan ‘de ritmesectie’. Even later vertrok ook Jones, en met het aantrekken van hun vervangers Bill Evans en Jimmy Cobb was de opstelling van Kind Of Blue een feit.

Op de titeltrack van Milestones experimenteert de band al met de ‘modale’ jazz waarvan Davis later (enigszins onterecht) als uitvinder werd gezien. Het is direct de beste en meest interessante track van de plaat. Verder ben ik geneigd dit een overgangsplaat te noemen, al valt er nog genoeg te genieten: bijvoorbeeld de briljante solo’s van Adderley op ‘Two Bass Hit’ en vooral ‘Straight, No Chaser’. Nog meer dan op Kind Of Blue lijkt de altsaxofonist in zijn element in deze bluesy, energieke opstelling.

Miles Davis - My Funny Valentine (1965)

Alternatieve titel: Miles Davis in Concert

poster
4,5
Met: Miles Davis (trompet); George Coleman (tenorsax); Herbie Hancock (piano); Ron Carter (bas); Tony Williams (drums)

Een aantal dagen terug schreef ik al een recensie bij Four & More, de liveplaat die werd samengesteld uit meer uptempo nummers van dit benefietconcert van 12 februari 1964. De ballads waren een jaar voor het uitkomen daarvan al uitgebracht als My Funny Valentine (de releasejaren zijn respectievelijk 1966 en 1965, correctie hiervoor ingediend).

Ik had een beetje mijn twijfels tussen deze tweedeling tussen snel en rustig, maar waar ik op Four & More me na een uur nog een beetje murw gebeukt voelde, is My Funny Valentine eigenlijk genieten van het begin tot het einde. Sterker nog, het is waarschijnlijk mijn favoriete liveplaat van Davis tot dusver (ik moet dan nog wel een keer goed gaan zitten voor de befaamde ‘Plugged Nickel’-opnames van een paar jaar later, en nog wat andere dingen).

De kalme, uitgesponnen arrangementen zijn eigenlijk de perfecte achtergrond voor Davis’ koele, snerpende trompetstijl. Coleman is dan weer het ideale tegengewicht, romantisch en vloeiend, en Hancocks lyrische, meditatieve stijl is zowel perfect in de solo’s als in de begeleiding (we horen al een voorzichtige echo van Hancocks al even voortreffelijke Maiden Voyage van een jaar later, met welke deze plaat vier spelers gemeen heeft). Williams en Carter zorgen op de achtergrond dat de muziek in beweging en onvoorspelbaar blijft.

Helaas zou Coleman kort hierna de band verlaten, volgens Davis omdat Tony Williams (informele bandleider van het Tweede Grote Kwintet) hem niet avontuurlijk genoeg vond. Avontuurlijker zouden ze zeker nog worden, maar ik weet niet of het kwintet met Wayne Shorter ooit nog deze mate van muzikale perfectie en emotionele zeggingskracht heeft bereikt, eerlijk gezegd.

Miles Davis - Nefertiti (1968)

poster
3,5
Met: Miles Davis (trompet); Wayne Shorter (tenorsax); Herbie Hancock (piano); Ron Carter (bas); Tony Williams (drums)

Een tijdperk loopt ten einde: de laatste plaat die alléén maar met de leden van het ‘tweede grote kwintet’ werd gemaakt, en ook de laatste studioplaat in Davis’ oeuvre die helemaal met akoestische instrumenten werd ingespeeld.

Inhoudelijk kan ik er eigenlijk niet vele meer over zeggen dan ik al heb gedaan in mijn vorige drie recensies over het studiowerk van deze band. Ik onderschrijf ook wel wat Soledad hierboven zegt. Aan de ene kant is het muziek die respect afdwingt met enorme virtuositeit en creativiteit. Aan de andere kant voelt het voor mij juist daardoor soms te veel aan als een showcase voor de technische en compositorische vaardigheden van de bandleden.

In zijn autobiografie uit Davis de nodige kritiek op de free jazz die toen in opkomst was, waarop hij met deze band in zekere zin een antwoord probeert te formuleren. Ornette Coleman en (ex-bandlid) John Coltrane krijgen een veeg uit de pan: ze zouden zich hebben laten opstoken door witte critici om muziek te maken die onbegrijpelijk was, en zo hebben geholpen de jazz uit de mainstream te verdrijven.

Wie weet? Als ik zelf vijfenhalf decennium later nog naar een plaat van Coltrane luister, komt de passie en durf nog duidelijk bij me binnen, terwijl ik hier, zeker halverwege de plaat (‘Hand Jive’, ‘Madness’) een beetje het gevoel krijg dat het allemaal een beetje een hart mist, en een richting.

Niet dat het een slechte plaat is: het titelnummer dat de plaat opent is leuk gedaan, met dat hypnotiserende thema. Ook de laatste twee nummers zijn meer dan oké. En het blijft natuurlijk een band vol megagetalenteerde mensen, met een hoop interessante ideeën. Ik had wel gehoopt dat ik wat meer een ‘klik’ zou krijgen met het ‘tweede kwintet’, als ik hun studioplaten grondig zou beluisteren. Dat is helaas niet echt gebeurd.

Livewerk zoals Plugged Nickel staat nog op de wachtlijst, wellicht dat dat nog verschil gaat maken.

Miles Davis - On the Corner (1972)

poster
3,5
Het was pas toen ik een beetje naar deze plaat begon te googlen dat ik erachter kwam dat dit destijds een van Davis' 'meest gehate albums' was. Naar mijn idee was dit juist bijzonder populair (als je bij Rateyourmusic een chart maakt voor het genre 'jazz' staat deze 29e ofzo). Je kunt je er best iets bij voorstellen dat dit voor de jazzcritici van destijds best wel uit de comfort zone was, en ook dat Davis destijds zijn kont afveegde met die kritiek, en dat het vijftig jaar later niet zo'n interessante discussie meer is.

In minder dan vijftien jaar van Kind of Blue naar hier komen dwingt wel enig respect af. Davis zegt hier een jong, zwart publiek te hebben willen aanboren dat luisterde naar Sly Stone en James Brown, en ook geïnspireerd te zijn door Karlheinz Stockhausen (vaak genamedropt, zelden beluisterd) en gek genoeg de muzikale ideeën van Ornette Coleman, volgens mij de enige keer in Davis' autobiografie dat hij iets positiefs zegt over Coleman.

Het resultaat is een soort avant funk-brei, die wordt voortgestuwd door tegendraadse ritmes en pulserende elektrische bassen, met daaroverheen een kakafonie van, orgels, gitaren, percussie en een zeldzame blazer. Vervelend om te luisteren is het zeker niet, maar het heeft ook niet echt veel te maken met jazz in de zin van de muziek die ik normaal zelf zou opzetten. Met de wijsheid van nu is het ook weer niet zo héél ontoegankelijk. Toch de moeite van het aanhoren nog wel waard, en aan de reacties hierboven en de ranking op RYM te zien, kunnen veel mensen hier meer mee dan ik.