Hier kun je zien welke berichten Sandokan-veld als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Miles Davis - Pangaea (1975)

3,5
1
geplaatst: 1 april 2023, 18:05 uur
Met: Miles Davis (orgel, trompet); Sonny Fortune (alle andere blazers); Pete Cosey (gitaar, synthesizer, percussie); Reggie Lucas (gitaar); Michael Henderson (bas); Al Foster (drums); James Mtume (percussie)
Het avondconcert van 1 februari 1975 in de 'Festival Hall' in Japan, waar het middagconcert al was uitgebracht als Agharta. Het ontleent zijn titel aan de naam die is gegeven aan de landmassa van toen alle continenten op aarde nog aan elkaar vastzaten (tot ong. 200 miljoen jaar geleden). Een interessant maar minder bekend feit is dat wetenschappers nu denken dat er in de lange geschiedenis van onze planeet vijf a tien van dat soort 'supercontinenten' zijn geweest, afhankelijk van de definitie die je gebruikt.
Dit om er maar een beetje omheen te praten dat er eigenlijk niet zoveel is over deze periode van Miles Davis dat ik al niet bij andere albums heb geschreven. Op internet wordt druk gediscussieerd of nou deze of Agharta het beste concert was, maar hoewel ik nou ook weer niet wil beweren dat er geen verschil te horen is, vind ik ze stilistisch niet verschillend genoeg om daar een ei over te leggen.
Pangaea is misschien nog een stukje weidser en meer uitgesponnen, wat eigenlijk zowel de zwakke als de sterke eigenschappen van deze band versterkt. Zoals ik eerder schreef: muziek die voor mij al snel een beetje naar de achtergrond verdwijnt, al zit er genoeg textuur in dat ik me kan voorstellen dat mensen die dit vaak luisteren de passages wél goed uit elkaar kunnen houden. Ik betwijfel of dit een groot onderdeel uit gaat maken van mijn muzikale dieet, daarvoor ligt het net te veel buiten mijn straatje. Dat er genoeg mensen zijn die dit geniaal vinden, bewijst o.a. de score hier.
Voor nu geef ik dit hetzelfde aantal sterren als Agharta, en merk ik op dat ik deze concerten in ieder geval de moeite waard vond om te beluisteren.
Het avondconcert van 1 februari 1975 in de 'Festival Hall' in Japan, waar het middagconcert al was uitgebracht als Agharta. Het ontleent zijn titel aan de naam die is gegeven aan de landmassa van toen alle continenten op aarde nog aan elkaar vastzaten (tot ong. 200 miljoen jaar geleden). Een interessant maar minder bekend feit is dat wetenschappers nu denken dat er in de lange geschiedenis van onze planeet vijf a tien van dat soort 'supercontinenten' zijn geweest, afhankelijk van de definitie die je gebruikt.
Dit om er maar een beetje omheen te praten dat er eigenlijk niet zoveel is over deze periode van Miles Davis dat ik al niet bij andere albums heb geschreven. Op internet wordt druk gediscussieerd of nou deze of Agharta het beste concert was, maar hoewel ik nou ook weer niet wil beweren dat er geen verschil te horen is, vind ik ze stilistisch niet verschillend genoeg om daar een ei over te leggen.
Pangaea is misschien nog een stukje weidser en meer uitgesponnen, wat eigenlijk zowel de zwakke als de sterke eigenschappen van deze band versterkt. Zoals ik eerder schreef: muziek die voor mij al snel een beetje naar de achtergrond verdwijnt, al zit er genoeg textuur in dat ik me kan voorstellen dat mensen die dit vaak luisteren de passages wél goed uit elkaar kunnen houden. Ik betwijfel of dit een groot onderdeel uit gaat maken van mijn muzikale dieet, daarvoor ligt het net te veel buiten mijn straatje. Dat er genoeg mensen zijn die dit geniaal vinden, bewijst o.a. de score hier.
Voor nu geef ik dit hetzelfde aantal sterren als Agharta, en merk ik op dat ik deze concerten in ieder geval de moeite waard vond om te beluisteren.
Miles Davis - Porgy and Bess (1959)

2,5
5
geplaatst: 24 mei 2020, 10:39 uur
Met: Miles Davis (trompet, flügelhorn); Gil Evans (arrangeur, dirigent); en nog een hoop lui.
Ik begon een tijdje geleden als een soort projectje de platen van Miles Davis te recenseren vanaf het begin van zijn carrière. Niet eens omdat hij mijn favoriete muzikant is, maar omdat ik bij het grasduinen merkte dat er bij zijn oudere platen erg weinig berichten stonden op Musicmeter. Inmiddels is die fase wel voorbij, en zijn we zelfs aangekomen bij de periode waarin hij zijn grootste klassiekers maakte (na deze was het volgende album dat hij opnam Kind of Blue).
In mijn reis door Miles-land ben ik zowel positief als negatief verrast, maar Porgy and Bess is echt de eerste ‘geen van beide’. Nu vind ik het sowieso bij zijn samenwerkingen met Gil Evans (zie eerder Miles Ahead en in zekere zin Birth of the Cool) altijd moeilijker om mijn aandacht erbij te houden. Dat hippe, heel verfijnd gearrangeerde orkestwerk, het is mijn smaak gewoon niet echt.
Ik heb ook nog eens niks met ‘Porgy and Bess’. Uiteraard heeft George Gershwin een aantal absolute klassiekers geschreven (een paar daarvan, zoals ‘Summertime’ vinden we hier terug), maar verder verbaast het me eigenlijk dat zoveel zichzelf respecterende zwarte muzikanten materiaal hebben opgenomen uit deze onnozele ‘opera’ (bijvoorbeeld ook nog: Nina Simone, Billie Holiday, James Brown, etc. etc.).
Hoe dan ook, waar ik Miles Ahead nog wel voor mijn plezier zou opzetten, lukt het me niet voor mezelf iets uit Porgy and Bess te halen. Al met al klinkt het helemaal niet slecht, hoor. Het grijpt me alleen totaal niet. Al bij de derde of de vierde track betrap ik mezelf erop naar de tracklisting te kijken en te denken ‘jeetje, hoe lang duurt dit nog?’
Dus dan is het leuk om een projectje te hebben dat je alle albums van een artiest op waarde wilt schatten, maar moet je op een gegeven moment ook gewoon concluderen: leuke plaat voor andere mensen. Over een tijdje misschien nog eens een herkansing geven.
Ik begon een tijdje geleden als een soort projectje de platen van Miles Davis te recenseren vanaf het begin van zijn carrière. Niet eens omdat hij mijn favoriete muzikant is, maar omdat ik bij het grasduinen merkte dat er bij zijn oudere platen erg weinig berichten stonden op Musicmeter. Inmiddels is die fase wel voorbij, en zijn we zelfs aangekomen bij de periode waarin hij zijn grootste klassiekers maakte (na deze was het volgende album dat hij opnam Kind of Blue).
In mijn reis door Miles-land ben ik zowel positief als negatief verrast, maar Porgy and Bess is echt de eerste ‘geen van beide’. Nu vind ik het sowieso bij zijn samenwerkingen met Gil Evans (zie eerder Miles Ahead en in zekere zin Birth of the Cool) altijd moeilijker om mijn aandacht erbij te houden. Dat hippe, heel verfijnd gearrangeerde orkestwerk, het is mijn smaak gewoon niet echt.
Ik heb ook nog eens niks met ‘Porgy and Bess’. Uiteraard heeft George Gershwin een aantal absolute klassiekers geschreven (een paar daarvan, zoals ‘Summertime’ vinden we hier terug), maar verder verbaast het me eigenlijk dat zoveel zichzelf respecterende zwarte muzikanten materiaal hebben opgenomen uit deze onnozele ‘opera’ (bijvoorbeeld ook nog: Nina Simone, Billie Holiday, James Brown, etc. etc.).
Hoe dan ook, waar ik Miles Ahead nog wel voor mijn plezier zou opzetten, lukt het me niet voor mezelf iets uit Porgy and Bess te halen. Al met al klinkt het helemaal niet slecht, hoor. Het grijpt me alleen totaal niet. Al bij de derde of de vierde track betrap ik mezelf erop naar de tracklisting te kijken en te denken ‘jeetje, hoe lang duurt dit nog?’
Dus dan is het leuk om een projectje te hebben dat je alle albums van een artiest op waarde wilt schatten, maar moet je op een gegeven moment ook gewoon concluderen: leuke plaat voor andere mensen. Over een tijdje misschien nog eens een herkansing geven.
Miles Davis - Quiet Nights (1963)

2,5
2
geplaatst: 19 januari 2021, 21:44 uur
Met: Miles Davis (trompet); Gil Evans (arrangeur, dirigent); e.v.a.
Behalve op: ‘Summer Night’, Davis en: George Coleman (tenorsax); Victor Feldman (piano); Ron Carter (bas); Frank Butler (drums)
Tja, allereerst was het natuurlijk vooral Miles Davis zélf die deze plaat de grond inboorde. Hij en Gil Evans voelden zich misschien wat onder druk gezet door Columbia om iets te doen met de bossanova-hype rondom Stan Getz uit die tijd. Uit Davis’ autobiografie spreekt geen groot enthousiasme voor het project, en het eindresultaat is zeker niet rotslecht, maar in vergelijking met zijn eerdere werk met Gil Evans klinkt het wat flets en weinig sprankelend.
Columbia-producer Teo Macero besloot het resultaat een jaar later toch op lp uit te brengen, tot grote woede van Davis, die vond dat Macero zich toch al te veel met de plaat had bemoeid (“He should have just kept his ass in the recording booth […] instead of fucking around with us and fucking up everything”).
Omdat de sessies met Evans maar twintig minuutjes muziek hadden opgeleverd, werd de LP door Macero aangevuld met ‘Summer Nights’, een outtake uit één van de studiosessies met een kwintet waar later Seven Steps to Heaven uit voortkwam. Aangename ballad, maar het was geen grote ramp geweest als ie op de plank was blijven liggen.
Het brengt de totale speelduur op nog geen 27 minuten muziek, die grotendeels het ene oor in en het andere uitgaat. Je kunt je voorstellen dat platenkopers zich destijds een beetje bekocht voelden, wat misschien heeft bijgedragen aan de slechte reputatie van dit album. Echt slecht wordt het zelden, maar vergeleken met de klassiekers die Davis en Evans in de jaren daarvoor hadden opgenomen, is het toch behoorlijk mager.
Ze zouden daarna slechts sporadisch nog samenwerken. Eén van die keren was eind 1963, als ze ‘The Time of the Barracudas’ opnemen voor een theaterstuk. Dit nummer, een bonustrack op latere cd-releases van Quiet Nights, is wat fragmentarisch, maar straalt in ieder geval spelplezier uit. Én op de drums horen we iemand die de komende jaren heel belangrijk zou worden voor Miles: een piepjonge Tony Williams. Het tweede grote kwintet gloort aan de horizon.
Behalve op: ‘Summer Night’, Davis en: George Coleman (tenorsax); Victor Feldman (piano); Ron Carter (bas); Frank Butler (drums)
Tja, allereerst was het natuurlijk vooral Miles Davis zélf die deze plaat de grond inboorde. Hij en Gil Evans voelden zich misschien wat onder druk gezet door Columbia om iets te doen met de bossanova-hype rondom Stan Getz uit die tijd. Uit Davis’ autobiografie spreekt geen groot enthousiasme voor het project, en het eindresultaat is zeker niet rotslecht, maar in vergelijking met zijn eerdere werk met Gil Evans klinkt het wat flets en weinig sprankelend.
Columbia-producer Teo Macero besloot het resultaat een jaar later toch op lp uit te brengen, tot grote woede van Davis, die vond dat Macero zich toch al te veel met de plaat had bemoeid (“He should have just kept his ass in the recording booth […] instead of fucking around with us and fucking up everything”).
Omdat de sessies met Evans maar twintig minuutjes muziek hadden opgeleverd, werd de LP door Macero aangevuld met ‘Summer Nights’, een outtake uit één van de studiosessies met een kwintet waar later Seven Steps to Heaven uit voortkwam. Aangename ballad, maar het was geen grote ramp geweest als ie op de plank was blijven liggen.
Het brengt de totale speelduur op nog geen 27 minuten muziek, die grotendeels het ene oor in en het andere uitgaat. Je kunt je voorstellen dat platenkopers zich destijds een beetje bekocht voelden, wat misschien heeft bijgedragen aan de slechte reputatie van dit album. Echt slecht wordt het zelden, maar vergeleken met de klassiekers die Davis en Evans in de jaren daarvoor hadden opgenomen, is het toch behoorlijk mager.
Ze zouden daarna slechts sporadisch nog samenwerken. Eén van die keren was eind 1963, als ze ‘The Time of the Barracudas’ opnemen voor een theaterstuk. Dit nummer, een bonustrack op latere cd-releases van Quiet Nights, is wat fragmentarisch, maar straalt in ieder geval spelplezier uit. Én op de drums horen we iemand die de komende jaren heel belangrijk zou worden voor Miles: een piepjonge Tony Williams. Het tweede grote kwintet gloort aan de horizon.
Miles Davis - Seven Steps to Heaven (1963)

3,5
5
geplaatst: 1 februari 2021, 17:36 uur
Met: Miles Davis (trompet); George Coleman (Tenorsax); Ron Carter (bas); en:
Track 1, 3, 5: Victor Feldman (piano); Frank Butler (drums)
Track 2, 4, 6 Herbie Hancock (piano); Tony Williams (drums)
Seven Steps to Heaven ritst twee studiosessies uit 1963 in elkaar. De drie oneven tracks zijn in april van dat jaar opgenomen in Los Angeles. Alle drie dromerige ballads, waarop buiten Davis alleen de Engelse pianist Victor Feldman een rol van betekenis speelt.
Terug in New York plukt Davis wonderkind Anthony Williams uit de band van Jackie McLean, en huurt hij Herbie Hancock in als nieuwe pianist. Met hen neemt hij in mei de even nummers van dit album op.
De in Californië achtergebleven Feldman laat ook hier zijn sporen na, als componist van ‘Seven Steps to Heaven’ (met Davis), en ‘Joshua’. Als pianist geeft hij aan de drie standards die in Los Angeles worden opgenomen (toepasselijk) meer een West Coast-gevoel mee, vergeleken met Davis’ vorige pianist Wynton Kelly.
Deze ballads doen soms denken aan de rustigste stukken op Kind of Blue, met die impressionistische pianonoten dwarrelend achter smachtende trompethalen van Davis. Het mist een beetje de verfijning en originaliteit om écht het niveau te halen van Davis’ meest beroemde plaat, maar liefhebbers van die sound moeten deze opnames zeker niet overslaan.
De sessie in New York is een interessante proloog op Davis’ tweede grote kwintet. Daarvan ontbreekt hier Wayne Shorter nog, in plaats daarvan vult George Coleman kundig het gat dat in Davis’ ziel is achtergebleven na het vertrek van John Coltrane.
Sterke band, waar we al de postbop-feel in kunnen ontwaren die de band in de jaren daarna met Shorter zou ontwikkelen. Davis omschrijft in zijn autobiografie dat hij tijdens deze opnames voor het eerst in een paar jaar weer enthousiast werd van de muziek die hij maakte. Dat hoor en begrijp ik heel goed, al is het meer de creatieve energie van het ritmische trio Hancock/ Carter/ Williams die indruk maakt (vooral die laatste) dan de nummers op zich.
Seven Steps to Heaven is bij vlagen behoorlijk sterk, maar misschien wat minder origineel en coherent dan de het beste werk van Davis (inclusief zijn volgende platen met het ‘tweede kwintet’). Het afwisselen tussen twee stilistisch totaal verschillende sessies zorgt voor een fijne variatie, maar ook voor een album dat als geheel niet echt een eigen sfeer heeft.
Track 1, 3, 5: Victor Feldman (piano); Frank Butler (drums)
Track 2, 4, 6 Herbie Hancock (piano); Tony Williams (drums)
Seven Steps to Heaven ritst twee studiosessies uit 1963 in elkaar. De drie oneven tracks zijn in april van dat jaar opgenomen in Los Angeles. Alle drie dromerige ballads, waarop buiten Davis alleen de Engelse pianist Victor Feldman een rol van betekenis speelt.
Terug in New York plukt Davis wonderkind Anthony Williams uit de band van Jackie McLean, en huurt hij Herbie Hancock in als nieuwe pianist. Met hen neemt hij in mei de even nummers van dit album op.
De in Californië achtergebleven Feldman laat ook hier zijn sporen na, als componist van ‘Seven Steps to Heaven’ (met Davis), en ‘Joshua’. Als pianist geeft hij aan de drie standards die in Los Angeles worden opgenomen (toepasselijk) meer een West Coast-gevoel mee, vergeleken met Davis’ vorige pianist Wynton Kelly.
Deze ballads doen soms denken aan de rustigste stukken op Kind of Blue, met die impressionistische pianonoten dwarrelend achter smachtende trompethalen van Davis. Het mist een beetje de verfijning en originaliteit om écht het niveau te halen van Davis’ meest beroemde plaat, maar liefhebbers van die sound moeten deze opnames zeker niet overslaan.
De sessie in New York is een interessante proloog op Davis’ tweede grote kwintet. Daarvan ontbreekt hier Wayne Shorter nog, in plaats daarvan vult George Coleman kundig het gat dat in Davis’ ziel is achtergebleven na het vertrek van John Coltrane.
Sterke band, waar we al de postbop-feel in kunnen ontwaren die de band in de jaren daarna met Shorter zou ontwikkelen. Davis omschrijft in zijn autobiografie dat hij tijdens deze opnames voor het eerst in een paar jaar weer enthousiast werd van de muziek die hij maakte. Dat hoor en begrijp ik heel goed, al is het meer de creatieve energie van het ritmische trio Hancock/ Carter/ Williams die indruk maakt (vooral die laatste) dan de nummers op zich.
Seven Steps to Heaven is bij vlagen behoorlijk sterk, maar misschien wat minder origineel en coherent dan de het beste werk van Davis (inclusief zijn volgende platen met het ‘tweede kwintet’). Het afwisselen tussen twee stilistisch totaal verschillende sessies zorgt voor een fijne variatie, maar ook voor een album dat als geheel niet echt een eigen sfeer heeft.
Miles Davis - Sketches of Spain (1960)

4,0
3
geplaatst: 5 januari 2021, 14:41 uur
Met: Miles Davis (trompet, hoorn); Gil Evans (Arrangeur, dirigent), en nog een stuk of dertig anderen.
Deze viel me uiteindelijk toch goed mee. Vaak zie ik Sketches of Spain verschijnen op lijstjes van favoriete Miles Davis-platen, hoewel mijn Mume-vriendjes op deze albumpagina wat kritischer zijn. Zelf had ik wat moeite met eerdere Gil Evans/ Miles Davis-projecten, de laatste hiervoor (Porgy and Bess) is zelfs één van mijn minst favoriete Miles Davis-platen. Van de paar keer dat ik Sketches of Spain eerder al had gedraaid, is me weinig bijgebleven.
In zijn boek beschrijft Davis hoe hij iemand hem een opname liet horen van Joaquín Rodrigo’s ‘Concierto de Aranjuez’ (het ‘Adagio’ is hier de plaatopener). Hij en arrangeur Gil Evans werden geïnspireerd tot een album vol Spaanse volksmuziek, die Davis zich en passant cultureel toe-eigent door te stellen dat Spaanse muziek een sterk Afrikaans karakter heeft vanwege de ‘Moorse’ invloeden.
Nu zal niet iedere Spanjaard ermee akkoord gaan dat hun hele cultuur is terug te voeren op de Islamitische periode uit de middeleeuwen. Buiten dat klinkt de plaat, kritisch bekeken, soms toch als gemaakt door een stel Amerikanen, die een Spaans middagje hadden in de studio.
Er zijn die suffe castagnetten voor het ‘olé-sfeertje’, er is Davis zelf die met plamuurlagen van hoorn en trompet niet dezelfde speelse romantiek in ‘Aranjuez’ weet te leggen als de Spaanse gitaar doet in de beroemdste versies van het stuk, en ondanks verschillende passages van grote schoonheid voelt vooral die opener soms nét te lang en te halfslachtig. Tegen de tijd dat ‘Will O’ the Wisp’ halverwege is, begint bij mij ook een beetje een Efteling-gevoel toe te slaan, alsof er elk moment poppen aan touwtjes uit het plafond kunnen zakken om een houterige flamenco te dansen.
De B-kant vind ik wel echt stúkken beter. Davis versie van ‘The Pan Piper’ is een onweerstaanbare cocktail van broeierige spanning en ingehouden passie, waarin Davis en het orkest van Evans elkaar perfect aanvullen. Het ‘ridders en kastelen’- getoeter ‘Saeta’ zorgt in ieder geval voor wat afwisseling, waarna Evans’ Flamenco-pastiche ‘Solea’ nog het albumhoogtepunt is, een volledig geslaagde, kruidige en swingende samensmelting van ingrediënten uit de jazz en de mediterrane muziek.
Al met al een niet helemáál geslaagde plaat, maar zeker één die ’s avonds aangenaam wegluistert.
De sterke B-kant tilt het voor mij naar een krappe vier sterren.
Deze viel me uiteindelijk toch goed mee. Vaak zie ik Sketches of Spain verschijnen op lijstjes van favoriete Miles Davis-platen, hoewel mijn Mume-vriendjes op deze albumpagina wat kritischer zijn. Zelf had ik wat moeite met eerdere Gil Evans/ Miles Davis-projecten, de laatste hiervoor (Porgy and Bess) is zelfs één van mijn minst favoriete Miles Davis-platen. Van de paar keer dat ik Sketches of Spain eerder al had gedraaid, is me weinig bijgebleven.
In zijn boek beschrijft Davis hoe hij iemand hem een opname liet horen van Joaquín Rodrigo’s ‘Concierto de Aranjuez’ (het ‘Adagio’ is hier de plaatopener). Hij en arrangeur Gil Evans werden geïnspireerd tot een album vol Spaanse volksmuziek, die Davis zich en passant cultureel toe-eigent door te stellen dat Spaanse muziek een sterk Afrikaans karakter heeft vanwege de ‘Moorse’ invloeden.
Nu zal niet iedere Spanjaard ermee akkoord gaan dat hun hele cultuur is terug te voeren op de Islamitische periode uit de middeleeuwen. Buiten dat klinkt de plaat, kritisch bekeken, soms toch als gemaakt door een stel Amerikanen, die een Spaans middagje hadden in de studio.
Er zijn die suffe castagnetten voor het ‘olé-sfeertje’, er is Davis zelf die met plamuurlagen van hoorn en trompet niet dezelfde speelse romantiek in ‘Aranjuez’ weet te leggen als de Spaanse gitaar doet in de beroemdste versies van het stuk, en ondanks verschillende passages van grote schoonheid voelt vooral die opener soms nét te lang en te halfslachtig. Tegen de tijd dat ‘Will O’ the Wisp’ halverwege is, begint bij mij ook een beetje een Efteling-gevoel toe te slaan, alsof er elk moment poppen aan touwtjes uit het plafond kunnen zakken om een houterige flamenco te dansen.
De B-kant vind ik wel echt stúkken beter. Davis versie van ‘The Pan Piper’ is een onweerstaanbare cocktail van broeierige spanning en ingehouden passie, waarin Davis en het orkest van Evans elkaar perfect aanvullen. Het ‘ridders en kastelen’- getoeter ‘Saeta’ zorgt in ieder geval voor wat afwisseling, waarna Evans’ Flamenco-pastiche ‘Solea’ nog het albumhoogtepunt is, een volledig geslaagde, kruidige en swingende samensmelting van ingrediënten uit de jazz en de mediterrane muziek.
Al met al een niet helemáál geslaagde plaat, maar zeker één die ’s avonds aangenaam wegluistert.
De sterke B-kant tilt het voor mij naar een krappe vier sterren.
Miles Davis - Someday My Prince Will Come (1961)

4,0
6
geplaatst: 10 januari 2021, 16:42 uur
Met: Miles Davis- trompet; Hank Mobley- tenorsax (behalve op ‘Teo’); Wynton Kelly- piano; Paul Chambers- bas; Jimmy Cobb- drums (behalve op ‘Blues No. 2); John Coltrane- tenorsax (op ‘Someday My Prince Will Come’ en ‘Teo’)
De creatieve bloeiperiode waarin Miles Davis zich pakweg vanaf 1955 bevond, nadert hier haar einde. Na het voltooien van Sketches of Spain voelt hij zich naar eigen zeggen ‘volkomen leeg van binnen’, en een jaar lang maakt hij geen studio-opnames. Na een Europese tour stapt ook nog zijn trouwe leerling John Coltrane uit de band, om te gaan werken aan zijn illustere solocarrière.
De daaropvolgende zoektocht van Davis naar een nieuwe saxofonist, ontaardt zo'n beetje in een metafoor voor zijn artistieke identiteitscrisis (pas in het najaar van 1964, als Wayne Shorter tot de band toetreedt, begint een nieuwe bloeiperiode). In het voorjaar van 1961, als deze plaat op tape wordt gezet, is Hank Mobley de saxofonist van dienst. Een klinkende naam, alhoewel ik veel liefhebbers heb horen zeggen dat ze hem een saaie saxofonist vinden. Ik ken Mobley’s werk niet goed genoeg om daar een sterke mening over te hebben, maar hoe dan ook zet Miles Davis hem kort na de opnames alweer uit de band, later klagend dat Mobley niet genoeg zijn ‘verbeelding prikkelde.’
Het is misschien een veeg teken dat ook John Coltrane nog twee nummers komt meedoen. Op de plaatopener horen we direct een scherp contrast tussen de eerste solo van Mobley (subtiel, romantisch, beheerst) en de tweede van Coltrane (eigenzinnig, luid, all over the place). Later op de plaat vormt het sterke, Mobley-loze ‘Teo’, dat qua stijl doet denken aan de Aziatisch geïnspireerde modale stukken van Coltrane uit diezelfde periode (o.a. ‘Olé’), een mooi sluitstuk van de legendarische samenwerking tussen Davis en zijn meest befaamde pupil.
Het is een fijne afwisseling met de -inderdaad af en toe wel erg beleefde- Hank Mobley, wiens stijl toch vooral bij de ballads past (‘Drad Dog’ is voor mij het plaathoogtepunt). Maar het is de ritmesectie die het meeste indruk maakt. We horen de oerversie van het latere Wynton Kelly trio, dan al een ritmesectie van de buitencategorie. De pianist is zelf de ster van de plaat, en bewijst dat Davis latere omschrijving van hem als ‘de perfecte combinatie van Red Garland en Bill Evans’ er niet zo ver naast zit.
Verder memoreert Davis zelf deze sessies nog om twee redenen: omdat hij voor het eerst uitgebreid gebruik maakte van overdubs (tsja), en omdat zijn vrouw Frances op de cover staat. Davis klopt zichzelf (ook wel terecht) op de borst omdat hij een grote platenmaatschappij als Colombia zover kreeg zwarte vrouwen op platenhoezen te zetten (o.a. vanwege zijn bezwaar tegen de hoes van Miles Ahead, een paar jaar eerder), hoewel dit niet goedpraat dat hij diezelfde Frances (en zijn andere geliefden) regelmatig bont en blauw sloeg.
Desondanks, een erg sterke plaat, dikke vier sterren van mijn kant. In artistiek opzicht minder ambitieus dan klassieke voorgangers als ‘Kind of Blue’ en de platen met Gil Evans, misschien dat hij om die reden wat minder vaak in dat rijtje wordt genoemd. Het genieten hoeft er niet minder om te zijn.
De creatieve bloeiperiode waarin Miles Davis zich pakweg vanaf 1955 bevond, nadert hier haar einde. Na het voltooien van Sketches of Spain voelt hij zich naar eigen zeggen ‘volkomen leeg van binnen’, en een jaar lang maakt hij geen studio-opnames. Na een Europese tour stapt ook nog zijn trouwe leerling John Coltrane uit de band, om te gaan werken aan zijn illustere solocarrière.
De daaropvolgende zoektocht van Davis naar een nieuwe saxofonist, ontaardt zo'n beetje in een metafoor voor zijn artistieke identiteitscrisis (pas in het najaar van 1964, als Wayne Shorter tot de band toetreedt, begint een nieuwe bloeiperiode). In het voorjaar van 1961, als deze plaat op tape wordt gezet, is Hank Mobley de saxofonist van dienst. Een klinkende naam, alhoewel ik veel liefhebbers heb horen zeggen dat ze hem een saaie saxofonist vinden. Ik ken Mobley’s werk niet goed genoeg om daar een sterke mening over te hebben, maar hoe dan ook zet Miles Davis hem kort na de opnames alweer uit de band, later klagend dat Mobley niet genoeg zijn ‘verbeelding prikkelde.’
Het is misschien een veeg teken dat ook John Coltrane nog twee nummers komt meedoen. Op de plaatopener horen we direct een scherp contrast tussen de eerste solo van Mobley (subtiel, romantisch, beheerst) en de tweede van Coltrane (eigenzinnig, luid, all over the place). Later op de plaat vormt het sterke, Mobley-loze ‘Teo’, dat qua stijl doet denken aan de Aziatisch geïnspireerde modale stukken van Coltrane uit diezelfde periode (o.a. ‘Olé’), een mooi sluitstuk van de legendarische samenwerking tussen Davis en zijn meest befaamde pupil.
Het is een fijne afwisseling met de -inderdaad af en toe wel erg beleefde- Hank Mobley, wiens stijl toch vooral bij de ballads past (‘Drad Dog’ is voor mij het plaathoogtepunt). Maar het is de ritmesectie die het meeste indruk maakt. We horen de oerversie van het latere Wynton Kelly trio, dan al een ritmesectie van de buitencategorie. De pianist is zelf de ster van de plaat, en bewijst dat Davis latere omschrijving van hem als ‘de perfecte combinatie van Red Garland en Bill Evans’ er niet zo ver naast zit.
Verder memoreert Davis zelf deze sessies nog om twee redenen: omdat hij voor het eerst uitgebreid gebruik maakte van overdubs (tsja), en omdat zijn vrouw Frances op de cover staat. Davis klopt zichzelf (ook wel terecht) op de borst omdat hij een grote platenmaatschappij als Colombia zover kreeg zwarte vrouwen op platenhoezen te zetten (o.a. vanwege zijn bezwaar tegen de hoes van Miles Ahead, een paar jaar eerder), hoewel dit niet goedpraat dat hij diezelfde Frances (en zijn andere geliefden) regelmatig bont en blauw sloeg.
Desondanks, een erg sterke plaat, dikke vier sterren van mijn kant. In artistiek opzicht minder ambitieus dan klassieke voorgangers als ‘Kind of Blue’ en de platen met Gil Evans, misschien dat hij om die reden wat minder vaak in dat rijtje wordt genoemd. Het genieten hoeft er niet minder om te zijn.
Miles Davis - Sorcerer (1967)

3,5
2
geplaatst: 18 april 2021, 19:04 uur
Met: Miles Davis (trompet); Wayne Shorter (tenorsax); Herbie Hancock (piano); Ron Carter (bas); Tony Williams (drums)
Behalve op ‘Nothing Like You’, met Bob Dorough (zang) en een hoop andere mensen.
Davis’ kwintet gaat redelijk in dezelfde lijn verder als op hun vorige twee platen. In zijn autobiografie heeft Davis ook weinig specifieks over deze plaat te melden (sowieso lijkt de periode met zijn ‘tweede grote kwintet’ als één kluwen in zijn hoofd te zijn opgeslagen), al vertelt hij wel een hoop over de (eerder dit jaar overleden) Cecily Tyson, de dame op de fraaie hoesfoto en op dat moment zijn minnares.
Even om te onderstrepen dat de platen van dit kwintet, op zichzelf grensverleggende muziek, stilistisch gezien best wel op elkaar lijken. Misschien zet de band op deze plaat nog een stapje extra naar een wat abstracte, mystieke stijl. Uitzonderingen zitten aan de uiteindes: ‘Prince of Darkness’ is een betrekkelijk toegankelijke en melodieuze bopper, en ‘Nothing Like You’ is een niemendalletje uit 1962 met een heel andere band, wat misschien als grapje hier achteraan is geplakt, maar eigenlijk alleen de sfeer van de plaat met terugwerkende kracht schade toedoet.
Op de overige nummers wordt vooral veel artistiek gemeanderd over de ratelende drums van Tony Williams. Op de beste stukken, vooral het sterke ‘Masqualero’, levert dat een intrigerende, voodoo-achtige sfeer op, waarin het met de ogen dicht goed wegzweven is.
Te vaak blijf ik echter een beetje zitten met de indruk dat hier virtuoze muzikanten bezig zijn met hele interessante en boeiende ideeën, zonder dat ik er iets heel duidelijks bij voel, of nou echt de behoefte krijg dit heel veel te draaien.
Het lijkt me dan op zich nog wel een plaat die je tien jaar later nog eens kan draaien en dan heel anders kan ervaren, maar momenteel kan ik er niet meer van maken.
Behalve op ‘Nothing Like You’, met Bob Dorough (zang) en een hoop andere mensen.
Davis’ kwintet gaat redelijk in dezelfde lijn verder als op hun vorige twee platen. In zijn autobiografie heeft Davis ook weinig specifieks over deze plaat te melden (sowieso lijkt de periode met zijn ‘tweede grote kwintet’ als één kluwen in zijn hoofd te zijn opgeslagen), al vertelt hij wel een hoop over de (eerder dit jaar overleden) Cecily Tyson, de dame op de fraaie hoesfoto en op dat moment zijn minnares.
Even om te onderstrepen dat de platen van dit kwintet, op zichzelf grensverleggende muziek, stilistisch gezien best wel op elkaar lijken. Misschien zet de band op deze plaat nog een stapje extra naar een wat abstracte, mystieke stijl. Uitzonderingen zitten aan de uiteindes: ‘Prince of Darkness’ is een betrekkelijk toegankelijke en melodieuze bopper, en ‘Nothing Like You’ is een niemendalletje uit 1962 met een heel andere band, wat misschien als grapje hier achteraan is geplakt, maar eigenlijk alleen de sfeer van de plaat met terugwerkende kracht schade toedoet.
Op de overige nummers wordt vooral veel artistiek gemeanderd over de ratelende drums van Tony Williams. Op de beste stukken, vooral het sterke ‘Masqualero’, levert dat een intrigerende, voodoo-achtige sfeer op, waarin het met de ogen dicht goed wegzweven is.
Te vaak blijf ik echter een beetje zitten met de indruk dat hier virtuoze muzikanten bezig zijn met hele interessante en boeiende ideeën, zonder dat ik er iets heel duidelijks bij voel, of nou echt de behoefte krijg dit heel veel te draaien.
Het lijkt me dan op zich nog wel een plaat die je tien jaar later nog eens kan draaien en dan heel anders kan ervaren, maar momenteel kan ik er niet meer van maken.
Miles Davis - Star People (1983)

3,5
1
geplaatst: 15 oktober 2023, 18:02 uur
Met: Miles Davis (trompet, keyboards); Bill Evans (tenorsax, sopraansax); Mike Stern (elektrische gitaar); Marcus Miller (bas op alle tracks behalve 'Speak'); Al Foster (drums); Mino Cinelu (percussie); Tom Barney (bas op 'Speak'); John Scofield (elektrische gitaar op 'It Gets Better' en 'Speak')
De band die zich na zijn comeback rondom Davis heeft gevormd, duikt in het najaar van 1982 weer de studio in (Davis verliest een paar maanden vanwege een beroerte ("of zoiets") waardoor hij zijn hand niet meer kan bewegen, en wordt tot zijn afgrijzen ook kaal) met Star People als resultaat. De vier studio-opnames worden aangevuld met twee livetracks, 'Come Get It', en de meest recente 'Speak', waarin Marcus Miller de band al verlaten heeft en John Scofield als tweede gitarist is toegevoegd.
De muziek op Star People ligt in het verlengde van wat Davis daarvoor deed, misschien vanwege zijn lange afwezigheid en gezondheidsproblemen mist het een beetje de urgentie van zijn werk uit de jaren zeventig. De uitgesponnen jams liggen allemaal lekker in het gehoor, maar kabbelen ook voorbij zonder echte hoogte- of dieptepunten. Muzak wordt het niet, maar op sommige momenten lijkt het wel of je luistert naar het soort opvulmuziek dat je op televisie hoort, een samenvatting van de grootste sportmomenten van het jaar of zoiets.
Davis gaf zelf hoog op over deze band (al zou hij kort hierop Mike Stern en Al Foster vervangen), en inderdaad hebben ze hier een lekker geluid te pakken. Ik zou zelf eerder de liveplaat We Want Miles van een jaar eerder aanraden om het beste van deze groep te horen.
De band die zich na zijn comeback rondom Davis heeft gevormd, duikt in het najaar van 1982 weer de studio in (Davis verliest een paar maanden vanwege een beroerte ("of zoiets") waardoor hij zijn hand niet meer kan bewegen, en wordt tot zijn afgrijzen ook kaal) met Star People als resultaat. De vier studio-opnames worden aangevuld met twee livetracks, 'Come Get It', en de meest recente 'Speak', waarin Marcus Miller de band al verlaten heeft en John Scofield als tweede gitarist is toegevoegd.
De muziek op Star People ligt in het verlengde van wat Davis daarvoor deed, misschien vanwege zijn lange afwezigheid en gezondheidsproblemen mist het een beetje de urgentie van zijn werk uit de jaren zeventig. De uitgesponnen jams liggen allemaal lekker in het gehoor, maar kabbelen ook voorbij zonder echte hoogte- of dieptepunten. Muzak wordt het niet, maar op sommige momenten lijkt het wel of je luistert naar het soort opvulmuziek dat je op televisie hoort, een samenvatting van de grootste sportmomenten van het jaar of zoiets.
Davis gaf zelf hoog op over deze band (al zou hij kort hierop Mike Stern en Al Foster vervangen), en inderdaad hebben ze hier een lekker geluid te pakken. Ik zou zelf eerder de liveplaat We Want Miles van een jaar eerder aanraden om het beste van deze groep te horen.
Miles Davis - The Man with the Horn (1981)

3,0
1
geplaatst: 3 september 2023, 14:53 uur
Davis' eerste studioplaat na zijn 'sabbatical', die hij naar eigen zeggen vooral vulde met cocaïne, drank en zoveel vrouwen dat hij zich de namen niet eens meer herinnert. Met dank aan o.a. zijn vroegere vriendin en latere echtgenote Cecily Tyson en producer George Butler wordt hij na vijf jaar weer langzaam terug naar een gezondere levensstijl en de studio geleid. De platen die hij in de jaren tachtig nog maakte hebben de reputatie een beetje té glad te zijn, maar deze eerste vind ik in ieder geval wel oké.
Voor zijn eerste sessies in ruim vijf jaar gebruikt hij de band van zijn neefje Vince Wilburn, die drums speelt. Twee tracks halen de plaat: 'Shout' is gewoon ronduit muzak, en het titelnummer (met zang) vind ik vooral onbedoeld komisch. Voor volgende sessies wordt drummer Al Foster teruggehaald (de enige van zijn oude bandleden die terugkeert), op elektrische bas wordt sessiegigant Marcus Miller gerekruteerd en er is een nieuwe tenorsaxofonist die verwarrend genoeg Bill Evans heet (niet te verwarren met de Kind of Blue-pianist), plus nog wat anderen.
Met deze band gaat Davis verder op het funkrock-paadje dat hij in 1975 had achtergelaten, alleen meer gestructureerd en, het moet gezegd worden, minder avontuurlijk. De drie tracks die naar vrouwen genoemd zijn (blijkbaar namen die hij wél had onthouden, hij zei: "Het gevoel van de muziek zegt alles over ze") hebben een lekkere postbop feel en zijn het beste dat de plaat te bieden heeft. Dan alsnog wordt er redelijk op safe gespeeld. Maar met een lekkere vibe en redelijk wat fijne momenten kun je een slechtere comeback maken.
Voor zijn eerste sessies in ruim vijf jaar gebruikt hij de band van zijn neefje Vince Wilburn, die drums speelt. Twee tracks halen de plaat: 'Shout' is gewoon ronduit muzak, en het titelnummer (met zang) vind ik vooral onbedoeld komisch. Voor volgende sessies wordt drummer Al Foster teruggehaald (de enige van zijn oude bandleden die terugkeert), op elektrische bas wordt sessiegigant Marcus Miller gerekruteerd en er is een nieuwe tenorsaxofonist die verwarrend genoeg Bill Evans heet (niet te verwarren met de Kind of Blue-pianist), plus nog wat anderen.
Met deze band gaat Davis verder op het funkrock-paadje dat hij in 1975 had achtergelaten, alleen meer gestructureerd en, het moet gezegd worden, minder avontuurlijk. De drie tracks die naar vrouwen genoemd zijn (blijkbaar namen die hij wél had onthouden, hij zei: "Het gevoel van de muziek zegt alles over ze") hebben een lekkere postbop feel en zijn het beste dat de plaat te bieden heeft. Dan alsnog wordt er redelijk op safe gespeeld. Maar met een lekkere vibe en redelijk wat fijne momenten kun je een slechtere comeback maken.
Miles Davis - The Musings of Miles (1955)
Alternatieve titel: The Beginning

3,5
4
geplaatst: 16 februari 2020, 11:12 uur
Met: Miles Davis (trompet); Red Garland (piano); Oscar Pettiford (bas); ‘Philly’ Joe Jones (drums)
Dit is de eerste ‘volledige’ lp van Miles Davis voor Prestige, dat wil zeggen, de eerste lp waarvan de muziek niet eerder op een ander lp-formaat werd uitgebracht (met kortere speelduur).
De plaat lijkt een beetje vergeten te zijn, binnen het lijvige oeuvre van Davis: zelfs de meester zelf beweert in zijn autobiografie abusievelijk dat deze sessie werd uitgebracht onder de titel ‘Miles Davis Quartet’, en blijkbaar vond geen redacteur het nodig om die fout te herstellen. Desondanks wordt hier best fijn gemusiceerd, bovendien door een oerversie van de band waarmee Davis korte tijd later furore zou maken.
Davis’ vaste saxofonist, de toen nog drugsverslaafde Sonny Rollins, ontbreekt hier. Een paar maanden later zou hij vervangen worden door John Coltrane, zou Paul Chambers de plaats achter de staande bas innemen, en was het ‘Eerste Klassieke Kwintet’ een feit. Van die band zijn Garland en Jones al present, maar Davis is dus de enige blazer. Nu is de trompettist niet altijd een solist die een hele lp lang in zijn eentje kan blijven boeien, dus dat zou je als een zwakte kunnen aanwijzen.
Gelukkig heeft hij hier een uitstekende dag: het trompetspel is van een soepele flair die het beste werk van Davis kenmerkt. Misschien dat de kwaliteit van de band ook het beste uit hem haalt. Hoewel ik Garland eigenlijk de zwakke schakel vind in de Davis-band van die tijd, begeleid hij hier uitstekend en zet ook een paar enorm lekkere solo’s op de plaat, met een ruimtelijke speelsheid die me soms wat aan Count Basie deed denken.
Ook ‘Philly’ Joe Jones maakt indruk. Net zoals zijn enige eerdere studiosessie met Davis uit 1953 (waar overigens Charlie Parker nog op meespeelde, die een paar maanden voor de opnames van deze plaat overleed) begrijp ik direct waarom Jones de favoriete drummer van Davis zou blijven. De kenmerkende koele lyriek krijgt hier een flinke stoot extra kracht, energie en textuur mee, en stijgt alleen al daarom eigenlijk direct boven (bijna) alles uit dat de trompettist tot dan toe had gedaan.
Muzikaal is het allemaal niet heel erg wereldschokkend: vier standards en twee ‘eigen composities’ (lees: een slap aftreksel van Thelonious Monk en een betrekkelijk eenvoudige blues). Bij het berucht krenterige Prestige-label, waar vaak geen tijd of geld was om lang te repeteren en schaven aan nieuwe composities, leverde het vaak de beste platen op als de muzikanten het zichzelf niet al te moeilijk maakten met het gekozen materiaal, en dat is hier dan ook niet anders.
Fijne plaat dus, al weet ik nou ook niet direct zeker of ik dit nog heel vaak ga draaien.
Dit is de eerste ‘volledige’ lp van Miles Davis voor Prestige, dat wil zeggen, de eerste lp waarvan de muziek niet eerder op een ander lp-formaat werd uitgebracht (met kortere speelduur).
De plaat lijkt een beetje vergeten te zijn, binnen het lijvige oeuvre van Davis: zelfs de meester zelf beweert in zijn autobiografie abusievelijk dat deze sessie werd uitgebracht onder de titel ‘Miles Davis Quartet’, en blijkbaar vond geen redacteur het nodig om die fout te herstellen. Desondanks wordt hier best fijn gemusiceerd, bovendien door een oerversie van de band waarmee Davis korte tijd later furore zou maken.
Davis’ vaste saxofonist, de toen nog drugsverslaafde Sonny Rollins, ontbreekt hier. Een paar maanden later zou hij vervangen worden door John Coltrane, zou Paul Chambers de plaats achter de staande bas innemen, en was het ‘Eerste Klassieke Kwintet’ een feit. Van die band zijn Garland en Jones al present, maar Davis is dus de enige blazer. Nu is de trompettist niet altijd een solist die een hele lp lang in zijn eentje kan blijven boeien, dus dat zou je als een zwakte kunnen aanwijzen.
Gelukkig heeft hij hier een uitstekende dag: het trompetspel is van een soepele flair die het beste werk van Davis kenmerkt. Misschien dat de kwaliteit van de band ook het beste uit hem haalt. Hoewel ik Garland eigenlijk de zwakke schakel vind in de Davis-band van die tijd, begeleid hij hier uitstekend en zet ook een paar enorm lekkere solo’s op de plaat, met een ruimtelijke speelsheid die me soms wat aan Count Basie deed denken.
Ook ‘Philly’ Joe Jones maakt indruk. Net zoals zijn enige eerdere studiosessie met Davis uit 1953 (waar overigens Charlie Parker nog op meespeelde, die een paar maanden voor de opnames van deze plaat overleed) begrijp ik direct waarom Jones de favoriete drummer van Davis zou blijven. De kenmerkende koele lyriek krijgt hier een flinke stoot extra kracht, energie en textuur mee, en stijgt alleen al daarom eigenlijk direct boven (bijna) alles uit dat de trompettist tot dan toe had gedaan.
Muzikaal is het allemaal niet heel erg wereldschokkend: vier standards en twee ‘eigen composities’ (lees: een slap aftreksel van Thelonious Monk en een betrekkelijk eenvoudige blues). Bij het berucht krenterige Prestige-label, waar vaak geen tijd of geld was om lang te repeteren en schaven aan nieuwe composities, leverde het vaak de beste platen op als de muzikanten het zichzelf niet al te moeilijk maakten met het gekozen materiaal, en dat is hier dan ook niet anders.
Fijne plaat dus, al weet ik nou ook niet direct zeker of ik dit nog heel vaak ga draaien.
Miles Davis - The New Miles Davis Quintet (1956)

3,5
5
geplaatst: 29 februari 2020, 14:59 uur
Met: Miles Davis (trompet); John Coltrane (tenorsax, behalve op 2 ); Red Garland (piano); Paul Chambers (bas); ‘Philly’ Joe Jones (drums)
De moeizame klim naar de top naderde zijn voltooiing voor Miles Davis in de zomer van 1955, met een succesvol optreden op het jazzfestival in Newport. Ongeveer tegelijk bracht hij een nieuwe liveband bij elkaar die (arguably) zijn beste tot dan toe was, en versierde hij een platencontract bij het grote label Columbia.
Met de toetreding van John Coltrane, een tot dan toe bijna totaal obscure saxofonist uit Philadelphia, was de band een feit die onder Davisfans bekend staat als het ‘Eerste Grote Kwintet’ (dit ter onderscheid met het Tweede Grote Kwintet uit de jaren zestig, met Herbie Hancock en Wayne Shorter).
In november 1955, krap twee maanden na de eerste show met Coltrane, ging de band de studio in voor deze opnames. Het was de eerste van een aantal platen die Prestige nog tegoed had van Davis voordat hij kon beginnen aan zijn meer lucratieve periode bij Columbia.
Gek genoeg is deze plaat nooit een klassieker geworden, in tegenstelling tot zo’n beetje alle andere platen die Davis opnam met het Grote Kwintet, of met Coltrane in het algemeen. In overzichten wordt deze plaat soms niet eens genoemd. Het zal niet alleen maar aan het spuuglelijke hoesje liggen?
Ruime keuze zal er wel iets mee te maken hebben: Voor Prestige zou dezelfde band in 1956 nog het materiaal opnemen dat vier lp’s zou vullen (de Cookin’/ Relaxin’/ Steamin’/Workin’-serie). Hierop speelt de band al veel langer samen, en is een geoliede machine geworden. De eerste plaat voor Columbia, ‘Round About Midnight, laat dan weer een verfijning horen in opnamekwaliteit en materiaalkeuze die bij het krenterige Prestige onmogelijk was.
Miles mist die eigenschappen. De plaat biedt zes goed in het gehoor liggende, niet al te uitdagende muziekjes, meestal vertrouwde standards: ‘S’posin’’ (Fats Waller), 'Stablemates' (Benny Golson), of ‘Just Squeeze Me’ (Duke Ellington, hoewel Davis zijn versie baseerde op die van Ahmad Jamal). Jonge meisjes zullen ze nu meestal niet meer herkennen als popklassiekers, maar de materiaalkeuze zal toen geen jazzfan hebben verrast.
Nieuwere krachten Paul Chambers en John Coltrane zijn soms hoorbaar nog een beetje aan het wennen, voor Coltrane is het lastig zijn explosieve stijl in te kaderen voor studiowerk. Toch laat hij af en toe al mooie dingen horen (prima solo op 'S'posin'', bijvoorbeeld). Ook fijn is het om te horen met hoeveel zelfvertrouwen ‘Philly’ Joe Jones al speelt. Miles Davis zelf noemde de drummer ooit terecht de werkelijke motor van deze band.
Vaak gaan schrijvers van stukjes over jazz (inclusief ik) er vanuit dat iedereen de details wilt weten, terwijl iemand die nu een plaat van Miles Davis gaat beluisteren, meer waarschijnlijk gewoon een relaxed muziekje wil hebben voor de late avond. Wat dat betreft voldoet deze plaat gewoon prima, eigenlijk.
Alleen, de jazzluisteraar die zich niet echt in het de discografie verdiept zal dan eerder bij andere platen van Davis uitkomen. En zo zal dit altijd een plaatje blijven dat tussen wal en schip valt.
De moeizame klim naar de top naderde zijn voltooiing voor Miles Davis in de zomer van 1955, met een succesvol optreden op het jazzfestival in Newport. Ongeveer tegelijk bracht hij een nieuwe liveband bij elkaar die (arguably) zijn beste tot dan toe was, en versierde hij een platencontract bij het grote label Columbia.
Met de toetreding van John Coltrane, een tot dan toe bijna totaal obscure saxofonist uit Philadelphia, was de band een feit die onder Davisfans bekend staat als het ‘Eerste Grote Kwintet’ (dit ter onderscheid met het Tweede Grote Kwintet uit de jaren zestig, met Herbie Hancock en Wayne Shorter).
In november 1955, krap twee maanden na de eerste show met Coltrane, ging de band de studio in voor deze opnames. Het was de eerste van een aantal platen die Prestige nog tegoed had van Davis voordat hij kon beginnen aan zijn meer lucratieve periode bij Columbia.
Gek genoeg is deze plaat nooit een klassieker geworden, in tegenstelling tot zo’n beetje alle andere platen die Davis opnam met het Grote Kwintet, of met Coltrane in het algemeen. In overzichten wordt deze plaat soms niet eens genoemd. Het zal niet alleen maar aan het spuuglelijke hoesje liggen?
Ruime keuze zal er wel iets mee te maken hebben: Voor Prestige zou dezelfde band in 1956 nog het materiaal opnemen dat vier lp’s zou vullen (de Cookin’/ Relaxin’/ Steamin’/Workin’-serie). Hierop speelt de band al veel langer samen, en is een geoliede machine geworden. De eerste plaat voor Columbia, ‘Round About Midnight, laat dan weer een verfijning horen in opnamekwaliteit en materiaalkeuze die bij het krenterige Prestige onmogelijk was.
Miles mist die eigenschappen. De plaat biedt zes goed in het gehoor liggende, niet al te uitdagende muziekjes, meestal vertrouwde standards: ‘S’posin’’ (Fats Waller), 'Stablemates' (Benny Golson), of ‘Just Squeeze Me’ (Duke Ellington, hoewel Davis zijn versie baseerde op die van Ahmad Jamal). Jonge meisjes zullen ze nu meestal niet meer herkennen als popklassiekers, maar de materiaalkeuze zal toen geen jazzfan hebben verrast.
Nieuwere krachten Paul Chambers en John Coltrane zijn soms hoorbaar nog een beetje aan het wennen, voor Coltrane is het lastig zijn explosieve stijl in te kaderen voor studiowerk. Toch laat hij af en toe al mooie dingen horen (prima solo op 'S'posin'', bijvoorbeeld). Ook fijn is het om te horen met hoeveel zelfvertrouwen ‘Philly’ Joe Jones al speelt. Miles Davis zelf noemde de drummer ooit terecht de werkelijke motor van deze band.
Vaak gaan schrijvers van stukjes over jazz (inclusief ik) er vanuit dat iedereen de details wilt weten, terwijl iemand die nu een plaat van Miles Davis gaat beluisteren, meer waarschijnlijk gewoon een relaxed muziekje wil hebben voor de late avond. Wat dat betreft voldoet deze plaat gewoon prima, eigenlijk.
Alleen, de jazzluisteraar die zich niet echt in het de discografie verdiept zal dan eerder bij andere platen van Davis uitkomen. En zo zal dit altijd een plaatje blijven dat tussen wal en schip valt.
Miles Davis - Tutu (1986)

3,0
0
geplaatst: 4 april 2024, 21:12 uur
Niet echt mijn smaak, maar genietbaarder dan Davis' vorige twee platen. Op Tutu (genoemd naar de Zuid-Afrikaanse bisschop en niet naar het balletrokje) wordt elke pretentie om te klinken als een jazzband losgelaten, en domineren geprogrammeerde synths en drums, waarover een half-aanwezige Davis, als een soort godfather, soms een wijsje komt blazen.
Ex-bandlid Marcus Miller componeert de meeste muziek, zit achter de knoppen, en speelt een keur aan instrumenten. Het levert een coherente maar ook wel wat vlakke plaat op, die lekker wegluistert en verder weinig aandacht trekt, maar de momenten dat ik het voor elkaar krijg aandachtig te luisteren vallen bij vlagen wel interessante details op.
Ex-bandlid Marcus Miller componeert de meeste muziek, zit achter de knoppen, en speelt een keur aan instrumenten. Het levert een coherente maar ook wel wat vlakke plaat op, die lekker wegluistert en verder weinig aandacht trekt, maar de momenten dat ik het voor elkaar krijg aandachtig te luisteren vallen bij vlagen wel interessante details op.
Miles Davis - Water Babies (1976)

3,5
0
geplaatst: 10 november 2022, 20:59 uur
Met: Miles Davis (trompet); Wayne Shorter (tenorsax); Tony Williams (drums)
en op tracks 1-3: Herbie Hancock (piano); Ron Carter (bas)
andere tracks: Herbie Hancock, Chick Corea (elektrische piano); Dave Holland (bas)
Aangezien Miles Davis tussen 1975 en 1980 nauwelijks een trompet aanraakte, restte zijn platenmaatschappij slechts het uitbrengen van restmateriaal, met een behoorlijk aparte hoes in dit geval.
De eerste drie nummers van Water Babies (allemaal composities van Wayne Shorter) stammen uit juni 1967, van dezelfde sessies waarin het materiaal voor Nefertiti werd opgenomen. Deze band (het ‘Tweede Grote Kwintet’ van Davis) wordt door sommigen omschreven als zijn beste band. Voor die mensen is dit natuurlijk essentieel materiaal. Zelf heb ik er iets minder mee, het enigmatische titelnummer is erg bijzonder maar in de twee tracks daarna wordt weer mijn vooroordeel over deze band bevestigd. Dat wil zeggen dat ik het allemaal bijzonder knap gespeeld vind, maar dat het me verder niet echt iets doet.
De overige nummers zijn opgenomen tussen Filles de Kilmanjaro en In a Silent Way. Toevallig vind ik dat wel twee van Davis’ beste platen en deze stijl ligt me ook wat beter. Davis is wel duidelijk nog wat zoekende in zijn vroege ‘elektrische’ periode, en mede vanwege de lengte van de tracks gaat de pielerigheid soms wat overheersen, alsof je naar een lange jamsessie zit te luisteren.
en op tracks 1-3: Herbie Hancock (piano); Ron Carter (bas)
andere tracks: Herbie Hancock, Chick Corea (elektrische piano); Dave Holland (bas)
Aangezien Miles Davis tussen 1975 en 1980 nauwelijks een trompet aanraakte, restte zijn platenmaatschappij slechts het uitbrengen van restmateriaal, met een behoorlijk aparte hoes in dit geval.
De eerste drie nummers van Water Babies (allemaal composities van Wayne Shorter) stammen uit juni 1967, van dezelfde sessies waarin het materiaal voor Nefertiti werd opgenomen. Deze band (het ‘Tweede Grote Kwintet’ van Davis) wordt door sommigen omschreven als zijn beste band. Voor die mensen is dit natuurlijk essentieel materiaal. Zelf heb ik er iets minder mee, het enigmatische titelnummer is erg bijzonder maar in de twee tracks daarna wordt weer mijn vooroordeel over deze band bevestigd. Dat wil zeggen dat ik het allemaal bijzonder knap gespeeld vind, maar dat het me verder niet echt iets doet.
De overige nummers zijn opgenomen tussen Filles de Kilmanjaro en In a Silent Way. Toevallig vind ik dat wel twee van Davis’ beste platen en deze stijl ligt me ook wat beter. Davis is wel duidelijk nog wat zoekende in zijn vroege ‘elektrische’ periode, en mede vanwege de lengte van de tracks gaat de pielerigheid soms wat overheersen, alsof je naar een lange jamsessie zit te luisteren.
Miles Davis - We Want Miles (1981)

4,0
2
geplaatst: 1 oktober 2023, 11:12 uur
Met: Miles Davis (trompet, keyboards); Bill Evans (sopraansax, tenorsax); Mike Stern (elektrische gitaar); Marcus Miller (elektrische bas); Al Foster (drums)
In de zomer van 1981, kort nadat hij zijn comebackplaat The Man With The Horn heeft afgemaakt, begint Davis ook weer voorzichtig met optreden. Zijn gezondheid laat nog te wensen over, en de trompettist merkt sardonisch op dat zijn platenlabel hem overal met een microfoon volgt, in de verwachting dat hij elk moment weer kan instorten.
In de voorgaande maanden heeft een nieuwe ‘working band’ vorm gekregen om hem heen. Mannen als bassist Marcus Miller leggen een wat stevigere, meer open en toegankelijke bodem neer onder de muziek, waardoor het wat minder een avantgardistische uitputtingsslag, wordt en meer een funkplaat.
Openingsnummer 'Jean Pierre', in deze versie gezien als een Miles Davis-klassieker, laat meteen het spelplezier van deze band horen. Ruim tien minuten wordt er gejamd op de melodie van een Frans slaapliedje zonder de energie en groove te verliezen. Een vroeg hoogtepunt, maar de rest van deze opnames uit New York, Boston en Shinjuku (Japan) doen daar niet veel voor onder. Prettig is ook dat het lelijke geram op de synthesizer hier niet zo overheersend is als op sommige van zijn studio-opnames van destijds.
De nog uit een persoonlijk dal krabbelende Miles Davis is nog niet de trompettist die hij ooit was (al was virtuositeit nooit per se zijn verkooppunt), en of dit nou wéér een dubbelalbum moest worden vind ik twijfelachtig. Buiten dat maakt de band op We Want Miles zodanig indruk dat ik dit wel zijn beste live-release durf te noemen sinds, minstens, Live-Evil. Dikke vier sterren.
In de zomer van 1981, kort nadat hij zijn comebackplaat The Man With The Horn heeft afgemaakt, begint Davis ook weer voorzichtig met optreden. Zijn gezondheid laat nog te wensen over, en de trompettist merkt sardonisch op dat zijn platenlabel hem overal met een microfoon volgt, in de verwachting dat hij elk moment weer kan instorten.
In de voorgaande maanden heeft een nieuwe ‘working band’ vorm gekregen om hem heen. Mannen als bassist Marcus Miller leggen een wat stevigere, meer open en toegankelijke bodem neer onder de muziek, waardoor het wat minder een avantgardistische uitputtingsslag, wordt en meer een funkplaat.
Openingsnummer 'Jean Pierre', in deze versie gezien als een Miles Davis-klassieker, laat meteen het spelplezier van deze band horen. Ruim tien minuten wordt er gejamd op de melodie van een Frans slaapliedje zonder de energie en groove te verliezen. Een vroeg hoogtepunt, maar de rest van deze opnames uit New York, Boston en Shinjuku (Japan) doen daar niet veel voor onder. Prettig is ook dat het lelijke geram op de synthesizer hier niet zo overheersend is als op sommige van zijn studio-opnames van destijds.
De nog uit een persoonlijk dal krabbelende Miles Davis is nog niet de trompettist die hij ooit was (al was virtuositeit nooit per se zijn verkooppunt), en of dit nou wéér een dubbelalbum moest worden vind ik twijfelachtig. Buiten dat maakt de band op We Want Miles zodanig indruk dat ik dit wel zijn beste live-release durf te noemen sinds, minstens, Live-Evil. Dikke vier sterren.
Miles Davis - You're Under Arrest (1985)

2,0
0
geplaatst: 27 januari 2024, 20:22 uur
Nee, hier kan ik weinig mee helaas. Het is allemaal best aanhoorbaar (het gitaarwerk van John Scofield is zelfs bij vlagen erg goed) maar niets hierop komt in een playlistje terecht en de kans dat ik dit voor mijn plezier nog een keer ga draaien is nihil.
De twee covers werken het beste, al klinkt Davis niet alsof hij de melodie van Time After Time nou bijzonder interessant vindt. Het eigen werk op deze plaat klinkt meestal of als een wachtmuziekje voor onder een totaaloverzicht 'mooiste doelpunten van het jaar' of als de soundtrack van een SF-film met een héél laag budget.
Miles Davis lijkt nog steeds aan te willen haken bij de tijden, maar in plaats van dat hij nieuwe mogelijkheden laat zien of voorop de meute loopt klinkt hij als iemand voor wie het allemaal niet zo meer hoeft. Dat is een aanname, natuurlijk, maar wel het gevoel dat me blijft hangen. Jammer.
De twee covers werken het beste, al klinkt Davis niet alsof hij de melodie van Time After Time nou bijzonder interessant vindt. Het eigen werk op deze plaat klinkt meestal of als een wachtmuziekje voor onder een totaaloverzicht 'mooiste doelpunten van het jaar' of als de soundtrack van een SF-film met een héél laag budget.
Miles Davis lijkt nog steeds aan te willen haken bij de tijden, maar in plaats van dat hij nieuwe mogelijkheden laat zien of voorop de meute loopt klinkt hij als iemand voor wie het allemaal niet zo meer hoeft. Dat is een aanname, natuurlijk, maar wel het gevoel dat me blijft hangen. Jammer.
Miles Davis - Young Man with a Horn (1952)

4,0
2
geplaatst: 17 januari 2020, 10:43 uur
Miles Davis- trompet; J. J. Johnson- trombone (behalve 3 en 6); Jackie McLean- altsax (behalve 3 en 6); Gil Coggins- piano; Oscar Pettiford- bas; Kenny Clarke- drums
Miles Davis startte zijn carrière veelbelovend als trompettist in de legendarische band van Charlie Parker, maar na het tegenvallende succes van zijn vroege solowerk (o.a. het nu klassiek geachte Birth of the Cool) zakte hij weg in een heroïneverslaving. Begin jaren vijftig nam hij mondjesmaat nog platen op, vooral voor Prestige, het enige label dat nog geld in hem durfde te steken.
Het enige label? Nee, want ook Blue Note verwelkomde Davis tijdens deze periode een paar keer in de studio. De eerste van drie sessies voor Blue Note vond plaats op 9 mei 1952, en het is gelijk de enige plaat die Davis dat jaar zou opnemen en uitbrengen.
Deze plaat kom je zelden tegen in lijstjes met Davis-klassiekers. Heel soms wordt ‘Young Man With A Horn’ wel genoemd als sleutelplaat in de ontwikkeling van de hardbop-stroming, al vind ik dat een béétje gezocht. Althans: als bopmuzikanten gaan spelen op een bluesy manier dan heb je al bijna hardbop, natuurlijk (zelf zou ik eerder Walkin’ (opgenomen in 1954) beschouwen als de eerste ‘hardbopplaat’ van Miles Davis, maar goed, dat is een discussie voor haarklovers).
Bluesy en relaxed dus, om niet te zeggen: een beetje gemakzuchtig. Met het gekozen materiaal werd duidelijk niet gestreefd naar een originaliteitsprijs (vier redelijk platgetreden standards, twee gerecyclede versies van eerder opgenomen eigen composities), en het spel is niet al te ambitieus. De sfeer is er één van: lekker dagje in de studio, paar centjes bij elkaar toeteren. Als je kunt horen dat Davis in deze periode de weg kwijt is, dan is het vooral vanwege dat.
Het zou een zwakte kunnen zijn, maar gek genoeg vind ik het hier niet zo erg. Bij latere platen gaat de koele hipster-artistiekerigheid van Miles Davis me nog wel eens irriteren. Hier krijg ik bijna het gevoel dat ik kan horen hoe het zou zijn geweest een band als dit in een jazzclub te hebben gezien, zeventig jaar geleden. Heerlijk ongedwongen en vriendelijke muziek, zonder al te veel pretenties maar met veel spelplezier.
De plaat opent met een verrukkelijke versie van ‘Dear Old Stockholm’: een melodie die gemaakt lijkt te zijn voor de lyrische koelheid van Davis. De trompet zweeft heerlijk droog over de subtiele groove van Clarke en Pettiford. Genieten! Die smeuïgheid komt ook terug in de ballads ‘Yesterday’ en ‘How Deep Is The Ocean’, waar Davis als enige soleert. De speelsheid van sidemen McLean en Johnson komt dan weer goed van pas op de andere tracks, heerlijke stuiterbop waarbij met name ‘Woody ’n You’ niet te versmaden is.
Alfred Lion (eigenaar van Blue Note) staat bekend als één van de beste jazzproducers van zijn tijd, en ook deze plaat heeft een mooi helder, gedefinieerd geluid, zeker vergeleken met sommige opnames van Davis voor Prestige.
Uiteraard zijn er grotere klassiekers binnen het oeuvre van Davis, maar ik vind dit gewoon een erg lekkere plaat.
(NB Nadat het formaat 10”-lp in onbruik raakte, bracht Blue Note zijn Davis Sessies opnieuw uit als Miles Davis Volume 1 en Miles Davis Volume 2, de meeste luisteraars zullen deze opnames nu beluisteren onder één van die titels).
Miles Davis startte zijn carrière veelbelovend als trompettist in de legendarische band van Charlie Parker, maar na het tegenvallende succes van zijn vroege solowerk (o.a. het nu klassiek geachte Birth of the Cool) zakte hij weg in een heroïneverslaving. Begin jaren vijftig nam hij mondjesmaat nog platen op, vooral voor Prestige, het enige label dat nog geld in hem durfde te steken.
Het enige label? Nee, want ook Blue Note verwelkomde Davis tijdens deze periode een paar keer in de studio. De eerste van drie sessies voor Blue Note vond plaats op 9 mei 1952, en het is gelijk de enige plaat die Davis dat jaar zou opnemen en uitbrengen.
Deze plaat kom je zelden tegen in lijstjes met Davis-klassiekers. Heel soms wordt ‘Young Man With A Horn’ wel genoemd als sleutelplaat in de ontwikkeling van de hardbop-stroming, al vind ik dat een béétje gezocht. Althans: als bopmuzikanten gaan spelen op een bluesy manier dan heb je al bijna hardbop, natuurlijk (zelf zou ik eerder Walkin’ (opgenomen in 1954) beschouwen als de eerste ‘hardbopplaat’ van Miles Davis, maar goed, dat is een discussie voor haarklovers).
Bluesy en relaxed dus, om niet te zeggen: een beetje gemakzuchtig. Met het gekozen materiaal werd duidelijk niet gestreefd naar een originaliteitsprijs (vier redelijk platgetreden standards, twee gerecyclede versies van eerder opgenomen eigen composities), en het spel is niet al te ambitieus. De sfeer is er één van: lekker dagje in de studio, paar centjes bij elkaar toeteren. Als je kunt horen dat Davis in deze periode de weg kwijt is, dan is het vooral vanwege dat.
Het zou een zwakte kunnen zijn, maar gek genoeg vind ik het hier niet zo erg. Bij latere platen gaat de koele hipster-artistiekerigheid van Miles Davis me nog wel eens irriteren. Hier krijg ik bijna het gevoel dat ik kan horen hoe het zou zijn geweest een band als dit in een jazzclub te hebben gezien, zeventig jaar geleden. Heerlijk ongedwongen en vriendelijke muziek, zonder al te veel pretenties maar met veel spelplezier.
De plaat opent met een verrukkelijke versie van ‘Dear Old Stockholm’: een melodie die gemaakt lijkt te zijn voor de lyrische koelheid van Davis. De trompet zweeft heerlijk droog over de subtiele groove van Clarke en Pettiford. Genieten! Die smeuïgheid komt ook terug in de ballads ‘Yesterday’ en ‘How Deep Is The Ocean’, waar Davis als enige soleert. De speelsheid van sidemen McLean en Johnson komt dan weer goed van pas op de andere tracks, heerlijke stuiterbop waarbij met name ‘Woody ’n You’ niet te versmaden is.
Alfred Lion (eigenaar van Blue Note) staat bekend als één van de beste jazzproducers van zijn tijd, en ook deze plaat heeft een mooi helder, gedefinieerd geluid, zeker vergeleken met sommige opnames van Davis voor Prestige.
Uiteraard zijn er grotere klassiekers binnen het oeuvre van Davis, maar ik vind dit gewoon een erg lekkere plaat.
(NB Nadat het formaat 10”-lp in onbruik raakte, bracht Blue Note zijn Davis Sessies opnieuw uit als Miles Davis Volume 1 en Miles Davis Volume 2, de meeste luisteraars zullen deze opnames nu beluisteren onder één van die titels).
Miles Davis & John Coltrane - Copenhagen 1960 (1989)

4,0
0
geplaatst: 25 april 2021, 11:56 uur
Met: Miles Davis (trompet); John Coltrane (tenorsax); Wynton Kelly (piano); Paul Chambers (bas); Jimmy Cobb (drums)
Opgenomen op 24 maart 1960. De beoordeling is puur voor de muziek, de kwaliteit van de release (geluidskwaliteit, verpakking) kan ik niet beoordelen. Goed concert met een wat meer gefocuste Coltrane en Davis en een uitblinkende Wynton Kelly. Het publiek houdt ook zijn gemak, wat in vergelijking met het eerdere concert in Parijs een verademing is.
Later werden deze opnames voor CBS geremasterd en met twee andere concerten verzameld op The Bootleg Series Volume 6, waar ik een wat uitgebreidere review ga neerzetten.
Opgenomen op 24 maart 1960. De beoordeling is puur voor de muziek, de kwaliteit van de release (geluidskwaliteit, verpakking) kan ik niet beoordelen. Goed concert met een wat meer gefocuste Coltrane en Davis en een uitblinkende Wynton Kelly. Het publiek houdt ook zijn gemak, wat in vergelijking met het eerdere concert in Parijs een verademing is.
Later werden deze opnames voor CBS geremasterd en met twee andere concerten verzameld op The Bootleg Series Volume 6, waar ik een wat uitgebreidere review ga neerzetten.
Miles Davis & John Coltrane - Live in Stockholm 1960 (1985)

4,0
1
geplaatst: 25 april 2021, 11:56 uur
Met: Miles Davis (trompet); John Coltrane (tenorsax); Wynton Kelly (piano); Paul Chambers (bas); Jimmy Cobb (drums)
Opgenomen op 22 maart 1960. De beoordeling is puur voor de muziek, de kwaliteit van de release (geluidskwaliteit, verpakking) kan ik niet beoordelen. Davis begint op dit concert er echt lekker in te komen, Coltrane is op een woeste ontdekkingstocht, en Wynton Kelly steelt de show. Lange, maar verrukkelijke versies van 'All Blues', 'On Green Dolphin Street' en 'Fran Dance'. Interview met Coltrane is vrij ongemakkelijk.
Later werden deze opnames voor CBS geremasterd en met twee andere concerten verzameld op The Bootleg Series Volume 6, waar ik een wat uitgebreidere review ga neerzetten.
Opgenomen op 22 maart 1960. De beoordeling is puur voor de muziek, de kwaliteit van de release (geluidskwaliteit, verpakking) kan ik niet beoordelen. Davis begint op dit concert er echt lekker in te komen, Coltrane is op een woeste ontdekkingstocht, en Wynton Kelly steelt de show. Lange, maar verrukkelijke versies van 'All Blues', 'On Green Dolphin Street' en 'Fran Dance'. Interview met Coltrane is vrij ongemakkelijk.
Later werden deze opnames voor CBS geremasterd en met twee andere concerten verzameld op The Bootleg Series Volume 6, waar ik een wat uitgebreidere review ga neerzetten.
Miles Davis & John Coltrane - Miles & Coltrane (1988)

3,5
1
geplaatst: 27 maart 2021, 22:42 uur
Met: Miles Davis (trompet); John Coltrane (tenorsax); Paul Chambers (bas)
En op track 1-5: Cannonball' Adderley (altsax); Bill Evans (piano); Jimmy Cobb (drums)
Op track 6-7: Red Garland (piano); ‘Philly’ Joe Jones (drums)
Het internet kan je zomaar in de war brengen, zeker in combinatie met het releasebeleid van oude jazz. Zo noemt Wikipedia bij deze plaat een opnamedatum van 4 juli 1958, en bij het eerder door mij beoordeelde Miles Davis at Newport 1958 een dag eerder (3 juli). Wat slimmer Googlen en zelf luisteren leert dat het gewoon dezelfde show is, het concert in Newport van 3 juli 1958.
Op deze plaat, die in 1988 werd uitgebracht en niet in hetzelfde jaar als het concert zoals Musicmeter dan weer beweert (correctie ingediend), ontbreekt de intro en de outro (het 'Theme') waar je niet veel aan mist. Aan het einde worden dan weer twee aardige outtakes geplakt van 'Round About Midnight, behoorlijk vroege opnames met het 'Eerste Grote Kwintet' uit oktober 1955. Coltrane zat toen nog maar een ruime maand in de band. Diezelfde outtakes staan trouwens ook gewoon als bonustracks op de heruitgaven van 'Round About Midnight.
Prima muziek allemaal, maar binnen de discografie van Miles Davis voelt het een tikkie overbodig aan. Wie het Newport-concert per se op LP wil hebben, zal misschien het beste deze kunnen opsporen, omdat van At Newport 1958 alleen wazige Europese heruitgaven op vinyl bestaan. De Spotifygebruiker zal het allemaal best vinden.
En op track 1-5: Cannonball' Adderley (altsax); Bill Evans (piano); Jimmy Cobb (drums)
Op track 6-7: Red Garland (piano); ‘Philly’ Joe Jones (drums)
Het internet kan je zomaar in de war brengen, zeker in combinatie met het releasebeleid van oude jazz. Zo noemt Wikipedia bij deze plaat een opnamedatum van 4 juli 1958, en bij het eerder door mij beoordeelde Miles Davis at Newport 1958 een dag eerder (3 juli). Wat slimmer Googlen en zelf luisteren leert dat het gewoon dezelfde show is, het concert in Newport van 3 juli 1958.
Op deze plaat, die in 1988 werd uitgebracht en niet in hetzelfde jaar als het concert zoals Musicmeter dan weer beweert (correctie ingediend), ontbreekt de intro en de outro (het 'Theme') waar je niet veel aan mist. Aan het einde worden dan weer twee aardige outtakes geplakt van 'Round About Midnight, behoorlijk vroege opnames met het 'Eerste Grote Kwintet' uit oktober 1955. Coltrane zat toen nog maar een ruime maand in de band. Diezelfde outtakes staan trouwens ook gewoon als bonustracks op de heruitgaven van 'Round About Midnight.
Prima muziek allemaal, maar binnen de discografie van Miles Davis voelt het een tikkie overbodig aan. Wie het Newport-concert per se op LP wil hebben, zal misschien het beste deze kunnen opsporen, omdat van At Newport 1958 alleen wazige Europese heruitgaven op vinyl bestaan. De Spotifygebruiker zal het allemaal best vinden.
Miles Davis & John Coltrane - The Final Tour (2018)
Alternatieve titel: The Bootleg Series, Vol. 6

4,0
1
geplaatst: 25 april 2021, 11:56 uur
Met: Miles Davis (trompet); John Coltrane (tenorsax); Wynton Kelly (piano); Paul Chambers (bas); Jimmy Cobb (drums)
Davis toerde door Europa van 21 maart tot 10 april 1960 als onderdeel van Norman Granz’ ‘Jazz at the Philharmonic’. Van de verschillende opnames die bewaard zijn gebleven, verzamelt deze ‘bootleg series’ de eerste drie: 21 maart in Parijs (twee sets); 22 maart in Stockholm (twee sets); 24 maart in Kopenhagen. Daarbij staat die uit Stockholm achteraan, om redenen die mij niet bekend zijn (op 23 maart werd ook nog Oslo aangedaan, waarvan geen opnames bekend zijn).
In tegenstelling tot wat hierboven wordt gezegd, vind ik de geluidskwaliteit wel oké, al heb ik misschien ook de laatste tijd te veel andere concertopnames gehoord van Davis die veel slechter zijn. Het betreft dus radio-opnames die allemaal al eerder op plaat verschenen (Parijs / Kopenhagen / Stockholm)(of deze remaster veel verschil uitmaakt kan ik niet beoordelen), maar ‘bootlegs’ klinkt natuurlijk sowieso stoerder.
De opnames zijn vooral historisch interessant voor fans van Coltrane, die eigenlijk de band van Davis al had verlaten maar door zijn mentor toch werd overgehaald mee de oceaan over te steken. Volgens Davis’ autobiografie was de saxofonist een onuitstaanbare chagrijn tijdens deze tournee. Toch zal het nu niemand meer verbazen dat Davis’ solo’s vrij lang en bij vlagen wat richtingloos zijn, vooral tijdens de eerste show.
Het Parijse publiek, dat betaald had voor een show met verder o.a. Stan Getz en Oscar Peterson, was niet onverdeeld enthousiast, waardoor Coltrane een paar keer wordt uitgefloten. Je moet het de Fransen nageven dat Coltrane soms wel érg lang in het wilde weg doorzaagt, wat niet altijd meerwaarde heeft (bijv. tijdens een standard als ‘All of You’). Tegelijkertijd tonen de Fransen zich wel erg van hun burgerlijk-conservatieve kant. Als Wynton Kelly naar hun smaak te lang door soleert op ‘On Green Dolphin Street’ wordt hij óók uitgefloten. Je gaat denken: Moesten die mensen de bus nog halen, ofzo?
Hoewel niet alles wat Coltrane speelt geweldig is, is het interessant om hem te horen in een fase ná het binnenstebuiten keren van de bop op Giant Steps, maar nog vóór zijn lange modale oefeningen op My Favorite Things en Olé Coltrane, en vervolgens ‘Impressions’, ‘Africa’ en ‘Chasing the Trane’. Aanzetten hiertoe horen we al bij vlagen in deze lange solo’s, wat voor de Coltrane-fan deze opnames zeker meerwaarde geeft.
Goed, even over de andere spelers: Davis doet meestal waar hij goed in is (lyrisch, gevoelig, beetje stroperig) minus een paar fletse momenten, maar eigenlijk is het de ritmesectie, en vooral pianist Wynton Kelly, die de show steelt. Dat Kelly nauwelijks wordt genoemd in de meeste recensies van deze verzamelaar die ik heb gelezen, is onrecht. Nu ben ik sowieso een groot Wynton Kelly-fan, maar aan het einde van zijn stomende solo’s op de verschillende versies van ‘So What’ ben ik bijna de naam van Bill Evans vergeten.
Al met al is het muzikaal aardig tot vrij goed (en Kelly fantástisch), en historisch interessant. In delen geconsumeerd absoluut de moeite waard, alleen benadrukt dat interview met Coltrane aan het einde vooral dat de grote jazzprofeet geen groot openbaar spreker was, en veel luisteraars uit die tijd hem niet begrepen (“Your playing has become un-tenor-like, unbeautiful, and un-everything you can think of. (…) Dat is niet wat ik zeg, het is wat de critici zeggen!”)
Davis toerde door Europa van 21 maart tot 10 april 1960 als onderdeel van Norman Granz’ ‘Jazz at the Philharmonic’. Van de verschillende opnames die bewaard zijn gebleven, verzamelt deze ‘bootleg series’ de eerste drie: 21 maart in Parijs (twee sets); 22 maart in Stockholm (twee sets); 24 maart in Kopenhagen. Daarbij staat die uit Stockholm achteraan, om redenen die mij niet bekend zijn (op 23 maart werd ook nog Oslo aangedaan, waarvan geen opnames bekend zijn).
In tegenstelling tot wat hierboven wordt gezegd, vind ik de geluidskwaliteit wel oké, al heb ik misschien ook de laatste tijd te veel andere concertopnames gehoord van Davis die veel slechter zijn. Het betreft dus radio-opnames die allemaal al eerder op plaat verschenen (Parijs / Kopenhagen / Stockholm)(of deze remaster veel verschil uitmaakt kan ik niet beoordelen), maar ‘bootlegs’ klinkt natuurlijk sowieso stoerder.
De opnames zijn vooral historisch interessant voor fans van Coltrane, die eigenlijk de band van Davis al had verlaten maar door zijn mentor toch werd overgehaald mee de oceaan over te steken. Volgens Davis’ autobiografie was de saxofonist een onuitstaanbare chagrijn tijdens deze tournee. Toch zal het nu niemand meer verbazen dat Davis’ solo’s vrij lang en bij vlagen wat richtingloos zijn, vooral tijdens de eerste show.
Het Parijse publiek, dat betaald had voor een show met verder o.a. Stan Getz en Oscar Peterson, was niet onverdeeld enthousiast, waardoor Coltrane een paar keer wordt uitgefloten. Je moet het de Fransen nageven dat Coltrane soms wel érg lang in het wilde weg doorzaagt, wat niet altijd meerwaarde heeft (bijv. tijdens een standard als ‘All of You’). Tegelijkertijd tonen de Fransen zich wel erg van hun burgerlijk-conservatieve kant. Als Wynton Kelly naar hun smaak te lang door soleert op ‘On Green Dolphin Street’ wordt hij óók uitgefloten. Je gaat denken: Moesten die mensen de bus nog halen, ofzo?
Hoewel niet alles wat Coltrane speelt geweldig is, is het interessant om hem te horen in een fase ná het binnenstebuiten keren van de bop op Giant Steps, maar nog vóór zijn lange modale oefeningen op My Favorite Things en Olé Coltrane, en vervolgens ‘Impressions’, ‘Africa’ en ‘Chasing the Trane’. Aanzetten hiertoe horen we al bij vlagen in deze lange solo’s, wat voor de Coltrane-fan deze opnames zeker meerwaarde geeft.
Goed, even over de andere spelers: Davis doet meestal waar hij goed in is (lyrisch, gevoelig, beetje stroperig) minus een paar fletse momenten, maar eigenlijk is het de ritmesectie, en vooral pianist Wynton Kelly, die de show steelt. Dat Kelly nauwelijks wordt genoemd in de meeste recensies van deze verzamelaar die ik heb gelezen, is onrecht. Nu ben ik sowieso een groot Wynton Kelly-fan, maar aan het einde van zijn stomende solo’s op de verschillende versies van ‘So What’ ben ik bijna de naam van Bill Evans vergeten.
Al met al is het muzikaal aardig tot vrij goed (en Kelly fantástisch), en historisch interessant. In delen geconsumeerd absoluut de moeite waard, alleen benadrukt dat interview met Coltrane aan het einde vooral dat de grote jazzprofeet geen groot openbaar spreker was, en veel luisteraars uit die tijd hem niet begrepen (“Your playing has become un-tenor-like, unbeautiful, and un-everything you can think of. (…) Dat is niet wat ik zeg, het is wat de critici zeggen!”)
Miles Davis & Marcus Miller - Music from Siësta (1987)

3,0
0
geplaatst: 25 augustus 2024, 15:21 uur
Met: Miles Davis (trompet); Marcus Miller (de meeste andere dingen); en nog wat mensen.
Weer eens een soundtrack van een film die ik nooit gezien heb. De muziek is in ieder geval aangenaam, misschien wat te gladjes en nog meer cliché-Spaans dan Davis' eerdere succesplaat Sketches of Spain, maar het heeft een mooie sfeer en luistert prima weg op een luie zondagmiddag. Of dit nog vaak uit de kast komt betwijfel ik dan wel weer.
Weer eens een soundtrack van een film die ik nooit gezien heb. De muziek is in ieder geval aangenaam, misschien wat te gladjes en nog meer cliché-Spaans dan Davis' eerdere succesplaat Sketches of Spain, maar het heeft een mooie sfeer en luistert prima weg op een luie zondagmiddag. Of dit nog vaak uit de kast komt betwijfel ik dan wel weer.
Miles Davis & Michel Legrand - Dingo (1991)

3,0
0
geplaatst: 11 januari, 12:01 uur
Miles Davis is eigenlijk nooit voor nostalgie gezwicht, zelfs in de laatste tien jaar van zijn leven gaf hij de voorkeur aan krampachtige pogingen om hip te blijven boven teren op oude succesformules.
In dat opzicht is Dingo een buitenbeentje: Davis speelt in deze film van Rolf de Heer uit 1991 een oud jazz-icoon die door een jongere fan wordt opgezocht. De soundtrack staat vol met het soort zonnige Westcoast-jazz dat Davis’ platen met Gil Evans in herinnering roept, maar de magie van die klassiekers blijft helaas buiten bereik.
Davis zelf is maar op zeven tracks te horen. De muziek werd gecomponeerd en opgenomen onder de leiding van componist Michel Legrand (zelf ook een legende), in samenwerking met een zwik sessiemuzikanten die ook de meer gymnastische trompet-momenten voor hun rekening nemen.
Davis pakt zijn momentjes op ‘The Dream’/ ‘Going Home’, waarbij de versleten, onvaste toon van de oude meester alleen maar bijdraagt aan de bitterzoete melancholie. Het is dan alsnog het meest aangrijpende moment op een soundtrack die verder lekker weg luistert, maar ook een beetje te tam is (ironisch genoeg, gezien de titel) om meer te zijn dan een eerbetoon aan vervlogen dagen.
In dat opzicht is Dingo een buitenbeentje: Davis speelt in deze film van Rolf de Heer uit 1991 een oud jazz-icoon die door een jongere fan wordt opgezocht. De soundtrack staat vol met het soort zonnige Westcoast-jazz dat Davis’ platen met Gil Evans in herinnering roept, maar de magie van die klassiekers blijft helaas buiten bereik.
Davis zelf is maar op zeven tracks te horen. De muziek werd gecomponeerd en opgenomen onder de leiding van componist Michel Legrand (zelf ook een legende), in samenwerking met een zwik sessiemuzikanten die ook de meer gymnastische trompet-momenten voor hun rekening nemen.
Davis pakt zijn momentjes op ‘The Dream’/ ‘Going Home’, waarbij de versleten, onvaste toon van de oude meester alleen maar bijdraagt aan de bitterzoete melancholie. Het is dan alsnog het meest aangrijpende moment op een soundtrack die verder lekker weg luistert, maar ook een beetje te tam is (ironisch genoeg, gezien de titel) om meer te zijn dan een eerbetoon aan vervlogen dagen.
Miles Davis + 19 - Miles Ahead (1957)

4,0
6
geplaatst: 27 april 2020, 17:54 uur
Ik heb boven mijn Miles Davis-besprekingen tot nu toe meestal een overzichtje gezet van wie allemaal op de plaat meespeelt, maar in dit geval: genade, genade.
Uiteraard moeten we wel arrangeur/dirigent Gil Evans noemen. Deze Evans probeerde al in de jaren veertig de complexe ideeën van bebop-jazz te vertalen naar een meer elegant, orkestraal (en voor een blank publiek behapbaar) geluid. Visites aan zijn huis door Miles Davis inspireerden die laatste eerder tot Birth of the Cool (opgenomen in 1949/1950), waaraan Evans ook een bescheiden bijdrage leverde. Miles Ahead zou de eerste plaat zijn die Davis en Evans in het geheel gezamenlijk maakten, later volgden nog illustere werkjes als Porgy and Bess en Sketches of Spain.
Tussen de grofweg twintig andere muzikanten die op deze plaat meespeelden, herkennen we verder sommige namen uit de Birth Of The Cool-sessies, waaronder de -pas onlangs aan Covid-19 overleden- altsaxofonist Lee Konitz. Van Davis’ dagelijkse band is alleen bassist Paul Chambers van de partij. Interessant is verder de aanwezigheid van pianist Wynton Kelly, voor het eerst te horen op een plaat van Miles Davis (een voetnoot voor liefhebbers: volgens mij is dit ook de eerste keer dat Kelly en Chambers samen in de studio zijn).
Enfin, de muziek. Die is elegant, impressionistisch, speels maar tot in de puntjes gearrangeerd. Het soort muziek dat je verwacht te horen bij een filmscène waarin een smoking-dragende spion een blonde femme fatale schaduwt door een casino aan de Riviera, of zoiets. Bijna meer orkestrale neo-klassiek dan jazz, al zijn de banden met swing en bop nog steeds duidelijk.
De keuze van nummers en de arrangementen lijken voornamelijk Evans’ werk, de band die we horen is zijn band, en hij trad ook op als dirigent in de studio.
Het resultaat is een heel verschil met de bluesy clubjazz die we kennen van de trompettist, die hier, in lijn met het de algemene sfeer van verfijning, flügelhorn speelt. Het contrast tussen zijn droge, koele spel, en de meer uitgelaten toon van het orkest werkt hoe dan ook wonderwel. Davis en Evans maken optimaal gebruik van het budget van een major-platenlabel, waardoor een plaat van Miles Davis niet eerder zo verzorgd en artistiek, en vooruit, zo móói heeft geklonken.
Persoonlijk houd ik, eerlijk gezegd, meer van kleine jazzgroepen en een wat rauwer geluid, vandaar dat ik ‘slechts’ vier sterren aan deze opnames geef. Maar: bijzonder goede plaat, die vooral op warme dagen zoals deze heerlijk wegdraait op de achtergrond, en enige aandacht beloont met passages van adembenemende schoonheid.
Uiteraard moeten we wel arrangeur/dirigent Gil Evans noemen. Deze Evans probeerde al in de jaren veertig de complexe ideeën van bebop-jazz te vertalen naar een meer elegant, orkestraal (en voor een blank publiek behapbaar) geluid. Visites aan zijn huis door Miles Davis inspireerden die laatste eerder tot Birth of the Cool (opgenomen in 1949/1950), waaraan Evans ook een bescheiden bijdrage leverde. Miles Ahead zou de eerste plaat zijn die Davis en Evans in het geheel gezamenlijk maakten, later volgden nog illustere werkjes als Porgy and Bess en Sketches of Spain.
Tussen de grofweg twintig andere muzikanten die op deze plaat meespeelden, herkennen we verder sommige namen uit de Birth Of The Cool-sessies, waaronder de -pas onlangs aan Covid-19 overleden- altsaxofonist Lee Konitz. Van Davis’ dagelijkse band is alleen bassist Paul Chambers van de partij. Interessant is verder de aanwezigheid van pianist Wynton Kelly, voor het eerst te horen op een plaat van Miles Davis (een voetnoot voor liefhebbers: volgens mij is dit ook de eerste keer dat Kelly en Chambers samen in de studio zijn).
Enfin, de muziek. Die is elegant, impressionistisch, speels maar tot in de puntjes gearrangeerd. Het soort muziek dat je verwacht te horen bij een filmscène waarin een smoking-dragende spion een blonde femme fatale schaduwt door een casino aan de Riviera, of zoiets. Bijna meer orkestrale neo-klassiek dan jazz, al zijn de banden met swing en bop nog steeds duidelijk.
De keuze van nummers en de arrangementen lijken voornamelijk Evans’ werk, de band die we horen is zijn band, en hij trad ook op als dirigent in de studio.
Het resultaat is een heel verschil met de bluesy clubjazz die we kennen van de trompettist, die hier, in lijn met het de algemene sfeer van verfijning, flügelhorn speelt. Het contrast tussen zijn droge, koele spel, en de meer uitgelaten toon van het orkest werkt hoe dan ook wonderwel. Davis en Evans maken optimaal gebruik van het budget van een major-platenlabel, waardoor een plaat van Miles Davis niet eerder zo verzorgd en artistiek, en vooruit, zo móói heeft geklonken.
Persoonlijk houd ik, eerlijk gezegd, meer van kleine jazzgroepen en een wat rauwer geluid, vandaar dat ik ‘slechts’ vier sterren aan deze opnames geef. Maar: bijzonder goede plaat, die vooral op warme dagen zoals deze heerlijk wegdraait op de achtergrond, en enige aandacht beloont met passages van adembenemende schoonheid.
Miles Davis All Stars - Walkin' (1957)

3,5
3
geplaatst: 8 februari 2020, 17:13 uur
Met: Miles Davis (trompet); J.J. Johnson (trombone op track 1,2 ); Lucky Thompson (Tenorsax op track 1, 2 ); Dave Schildkraut (altsax op track 3,5 ); Horace Silver (piano); Percy Heath (bas); Kenny Clarke (drums)
Opnames van twee sessies uit april 1954, die in 1957 verzameld werden op deze lp (NB correctie ingediend). De A-kant verscheen eerder op de 10”-lp Miles Davis All Star Sextet (1954). De B-kant werd eerder die maand opgenomen, en twee tracks hiervan stonden al eerder op de 10”-lp Miles Davis Quintet (ook 1954). Zo, de administratie is ook weer gedaan.
Geen verrassing dat de latere sessie op de A-kant staat, want Miles beschouwde dit (dixit zijn autobiografie) als een mijlpaal in zijn oeuvre. Dat hing kennelijk vooral samen met de mening van anderen: hij vertelt dat hij voor het eerst goede kritieken kreeg, en zich eindelijk serieus genomen voelde. Het titelnummer zou nog jaren een favoriet blijven in zijn livesets.
Kwestie van smaak, misschien. De sobere opzet van het nummer is smaakvol, maar op sommige momenten ook een beetje saai, vind ik. Het zou passen op de soundtrack van een zwartwit avant-gardefilm voor mensen die te veel Sartre lezen (een persoonlijke vriend van Davis, overigens).
Persoonlijk vind ik vooral de solo’s van Horace Silver en de altijd interessante Lucky Thompson de moeite waard, vooral omdat die nog wat leven in de brouwerij brengen. ‘Blue and Boogie’ is een stuk speelser, maar daarom als compositie ook wat minder interessant. Lekker nummer toch wel, en weer steekt Thompson er bovenuit.
Je kunt wel horen dat Davis zijn drugverleden achter zich aan het laten was, en wat meer zelfkritiek had op zijn spel in de studio. Ook de eerdere sessie klinkt verzorgd. ‘Solar’ zou later een standard worden, o.a. via Bill Evans. In deze oorspronkelijke versie (het zal niemand verbazen dat er wat controverse is over de vraag of Davis het nummer zelf schreef) horen we fijn spel van Davis, Silver, en bijrolspeler Schildkraut. De twee standards die volgen vallen niet heel erg op, in positieve of negatieve zin. Maar: de weg omhoog is ingezet.
Opnames van twee sessies uit april 1954, die in 1957 verzameld werden op deze lp (NB correctie ingediend). De A-kant verscheen eerder op de 10”-lp Miles Davis All Star Sextet (1954). De B-kant werd eerder die maand opgenomen, en twee tracks hiervan stonden al eerder op de 10”-lp Miles Davis Quintet (ook 1954). Zo, de administratie is ook weer gedaan.
Geen verrassing dat de latere sessie op de A-kant staat, want Miles beschouwde dit (dixit zijn autobiografie) als een mijlpaal in zijn oeuvre. Dat hing kennelijk vooral samen met de mening van anderen: hij vertelt dat hij voor het eerst goede kritieken kreeg, en zich eindelijk serieus genomen voelde. Het titelnummer zou nog jaren een favoriet blijven in zijn livesets.
Kwestie van smaak, misschien. De sobere opzet van het nummer is smaakvol, maar op sommige momenten ook een beetje saai, vind ik. Het zou passen op de soundtrack van een zwartwit avant-gardefilm voor mensen die te veel Sartre lezen (een persoonlijke vriend van Davis, overigens).
Persoonlijk vind ik vooral de solo’s van Horace Silver en de altijd interessante Lucky Thompson de moeite waard, vooral omdat die nog wat leven in de brouwerij brengen. ‘Blue and Boogie’ is een stuk speelser, maar daarom als compositie ook wat minder interessant. Lekker nummer toch wel, en weer steekt Thompson er bovenuit.
Je kunt wel horen dat Davis zijn drugverleden achter zich aan het laten was, en wat meer zelfkritiek had op zijn spel in de studio. Ook de eerdere sessie klinkt verzorgd. ‘Solar’ zou later een standard worden, o.a. via Bill Evans. In deze oorspronkelijke versie (het zal niemand verbazen dat er wat controverse is over de vraag of Davis het nummer zelf schreef) horen we fijn spel van Davis, Silver, en bijrolspeler Schildkraut. De twee standards die volgen vallen niet heel erg op, in positieve of negatieve zin. Maar: de weg omhoog is ingezet.
Miles Davis featuring John Coltrane - Olympia - Mar. 20th, 1960 (2002)

3,5
1
geplaatst: 25 april 2021, 11:56 uur
Met: Miles Davis (trompet); John Coltrane (tenorsax); Wynton Kelly (piano); Paul Chambers (bas); Jimmy Cobb (drums)
De beoordeling is puur voor de muziek, de kwaliteit van de release (geluidskwaliteit, verpakking) kan ik niet beoordelen. Al ga je het ergste vrezen als je weet dat deze show plaatsvond op 21 maart 1960 en niet op de 20ste, zoals de hoes abusievelijk beweert.
Verder is deze show enigszins berucht vanwege het uitfluiten van het publiek van (met name) John Coltrane, die op zijn beurt dan ook soms wel een recordpoging 'lang doorzemelen met de tenorsax' lijkt te wagen.
Later werden deze opnames voor CBS geremasterd en met twee andere concerten verzameld op The Bootleg Series Volume 6, waar ik een wat uitgebreidere review ga neerzetten.
De beoordeling is puur voor de muziek, de kwaliteit van de release (geluidskwaliteit, verpakking) kan ik niet beoordelen. Al ga je het ergste vrezen als je weet dat deze show plaatsvond op 21 maart 1960 en niet op de 20ste, zoals de hoes abusievelijk beweert.
Verder is deze show enigszins berucht vanwege het uitfluiten van het publiek van (met name) John Coltrane, die op zijn beurt dan ook soms wel een recordpoging 'lang doorzemelen met de tenorsax' lijkt te wagen.
Later werden deze opnames voor CBS geremasterd en met twee andere concerten verzameld op The Bootleg Series Volume 6, waar ik een wat uitgebreidere review ga neerzetten.
Miles Davis featuring Sonny Rollins - Dig (1956)

3,5
3
geplaatst: 19 december 2019, 19:54 uur
Met: Miles Davis (trompet); Sonny Rollins (Tenorsax); Walter Bishop, Jr (piano); Tommy Potter (bas); Art Blakey (drums); Jackie McLean (Altsax op 1, 3, 4, 5 ); Charles Mingus (bas op 6, niet vernoemd op hoes).
Vooral historisch een interessante plaat: Davis in zijn junkietijd met twee medejunks op saxofoon, die beide behoorlijk grote meneren in de jazz zouden worden. Dan ook nog met drummer Art Blakey, en een -niet in de hoestekst vermelde- cameo van Mingus op één track, waarmee gewoon de drie meest invloedrijke bandleiders van de komende tien jaar hier op één lp te horen zijn. Dat Potter en (in mindere mate) Bishop wat zouden worden stukgebeten door de tand des tijds kun je de plaat nauwelijks aanrekenen: de gave van Davis om op het juiste moment op de juiste plek te doen wat juist is, waar hij soms te veel en soms juist te weinig credits voor krijgt, is weer in volle glorie te bewonderen.
Muzikaal is het niet allemaal denderend, dat moet worden gezegd. De geest van Bird en Diz waart nog volop door de studio, al wordt deze plaat vaak met enige fantasie aangeduid als een vroege hardbop-plaat. Dat klopt in zoverre dat het één van de vroegere opnames is in 'microgroove', dat wil zeggen een plaat die op lp-formaat kon worden geluisterd. Verlost van het drie-minuten maximum die plaatjes voor die tijd hadden, duiken Davis & co vol enthousiasme de diepte in, nou ja, de lengte eigenlijk, met wisselende resultaten. Sonny Rollins is al een creatieve kracht on rekening mee te houden, zij het niet altijd toonvast. Vaak steelt juist McLean overigens de show. Op 'Bluing' laat Davis zelf horen hoe hij eigenlijk trompet wil spelen, en al mist het de verfijning van een Kind of Blue, eigenlijk is het gewoon bijna net zo retemooi.
Op 'Conception', voortgedreven door de pulserende snaren van Mingus, valt alsnog terug te horen waar het in de komende vijf jaar heen zou gaan met de jazz. Ik kon me ook niet zo een plaat voor de geest halen waar zowel Art Blakey als Charles Mingus op meespelen, al was die er natuurlijk wel. Nou goed, zoals gezegd, historisch werk. En geregeld zeer fijn om te beluisteren.
Vooral historisch een interessante plaat: Davis in zijn junkietijd met twee medejunks op saxofoon, die beide behoorlijk grote meneren in de jazz zouden worden. Dan ook nog met drummer Art Blakey, en een -niet in de hoestekst vermelde- cameo van Mingus op één track, waarmee gewoon de drie meest invloedrijke bandleiders van de komende tien jaar hier op één lp te horen zijn. Dat Potter en (in mindere mate) Bishop wat zouden worden stukgebeten door de tand des tijds kun je de plaat nauwelijks aanrekenen: de gave van Davis om op het juiste moment op de juiste plek te doen wat juist is, waar hij soms te veel en soms juist te weinig credits voor krijgt, is weer in volle glorie te bewonderen.
Muzikaal is het niet allemaal denderend, dat moet worden gezegd. De geest van Bird en Diz waart nog volop door de studio, al wordt deze plaat vaak met enige fantasie aangeduid als een vroege hardbop-plaat. Dat klopt in zoverre dat het één van de vroegere opnames is in 'microgroove', dat wil zeggen een plaat die op lp-formaat kon worden geluisterd. Verlost van het drie-minuten maximum die plaatjes voor die tijd hadden, duiken Davis & co vol enthousiasme de diepte in, nou ja, de lengte eigenlijk, met wisselende resultaten. Sonny Rollins is al een creatieve kracht on rekening mee te houden, zij het niet altijd toonvast. Vaak steelt juist McLean overigens de show. Op 'Bluing' laat Davis zelf horen hoe hij eigenlijk trompet wil spelen, en al mist het de verfijning van een Kind of Blue, eigenlijk is het gewoon bijna net zo retemooi.
Op 'Conception', voortgedreven door de pulserende snaren van Mingus, valt alsnog terug te horen waar het in de komende vijf jaar heen zou gaan met de jazz. Ik kon me ook niet zo een plaat voor de geest halen waar zowel Art Blakey als Charles Mingus op meespelen, al was die er natuurlijk wel. Nou goed, zoals gezegd, historisch werk. En geregeld zeer fijn om te beluisteren.
Miles Davis Quartet - Miles Davis Quartet (1954)
Alternatieve titel: Blue Haze

3,0
2
geplaatst: 2 februari 2020, 16:21 uur
Met Miles Davis (trompet); David Schildkraut (altsax op 1 ); Horace Silver (piano op 1, 2, 3, 5 ); John Lewis (piano op 6, 7, 8 ); Charles Mingus (piano op 4 ); Percy Heath (bas); Kenny Clarke (drums op 1); Art Blakey (drums op 1, 2, 3, 5 ); Max Roach (drums op 6, 7, 8 )
Heruitgave van Miles Davis Quartet (1954) met daarbij de toevoeging van ‘I’ll Remember April’, met David Schildkraut op altsax. Alle andere opnames zijn dus met een vierkoppige band. Hoewel Schildkraut geen saxofonist is waarvan het zweet in je bilnaad komt te staan (hij klinkt hier als een wat bedeesde Art Pepper) is hij een welkome toevoeging aan het kleurpalet. Verder een half uur alleen de koele, droge toon van Miles Davis kan de aandachtspanne nog wel eens te veel belasten.
De oudere sessie, met John Lewis op piano en Max Roach op drums, stamt uit mei 1953. Misschien omdat Prestige niet genoeg oefentijd gaf aan de muzikanten, misschien omdat Davis zelf nog te veel met zichzelf worstelde in die periode, hoe dan ook: de muziek is aardig, maar niet al te urgent. Het volstaat om het duo ‘Tune Up/ When the Lights Are Low’ te vergelijken met de versies die Davis een paar jaar later zou opnemen met zijn klassieke kwintet met Coltrane, duidelijk veel vitalere opnames.
Leuk is wel dat Charles Mingus de plek op de pianokruk overneemt van Lewis op ‘Smooch’, ook door hem meegeschreven. Het contrast (en de samenloop) tussen de vroege stijlen van Davis en Mingus is duidelijk hoorbaar, interessant voor fans van beide heren.
Horace Silver zorgt op de overige tracks (uit maart 1954) voor iets meer sjeu. Hij had een soulvolle, krachtige pianostijl die overdadig kan overkomen, maar zijn invloed op de ontwikkeling van Miles Davis wordt eigenlijk onderbelicht. Desondanks staan de beste opnames die ze samen maakten waarschijnlijk op andere platen. Het van onderhuidse spanning zinderende ‘Blue Haze’ is terecht het titelnummer, want veruit de beste opname op dit album.
Verder zoals hierboven al gezegd, geen plaat die de aandacht trekt, of die stoort op de achtergrond.
Heruitgave van Miles Davis Quartet (1954) met daarbij de toevoeging van ‘I’ll Remember April’, met David Schildkraut op altsax. Alle andere opnames zijn dus met een vierkoppige band. Hoewel Schildkraut geen saxofonist is waarvan het zweet in je bilnaad komt te staan (hij klinkt hier als een wat bedeesde Art Pepper) is hij een welkome toevoeging aan het kleurpalet. Verder een half uur alleen de koele, droge toon van Miles Davis kan de aandachtspanne nog wel eens te veel belasten.
De oudere sessie, met John Lewis op piano en Max Roach op drums, stamt uit mei 1953. Misschien omdat Prestige niet genoeg oefentijd gaf aan de muzikanten, misschien omdat Davis zelf nog te veel met zichzelf worstelde in die periode, hoe dan ook: de muziek is aardig, maar niet al te urgent. Het volstaat om het duo ‘Tune Up/ When the Lights Are Low’ te vergelijken met de versies die Davis een paar jaar later zou opnemen met zijn klassieke kwintet met Coltrane, duidelijk veel vitalere opnames.
Leuk is wel dat Charles Mingus de plek op de pianokruk overneemt van Lewis op ‘Smooch’, ook door hem meegeschreven. Het contrast (en de samenloop) tussen de vroege stijlen van Davis en Mingus is duidelijk hoorbaar, interessant voor fans van beide heren.
Horace Silver zorgt op de overige tracks (uit maart 1954) voor iets meer sjeu. Hij had een soulvolle, krachtige pianostijl die overdadig kan overkomen, maar zijn invloed op de ontwikkeling van Miles Davis wordt eigenlijk onderbelicht. Desondanks staan de beste opnames die ze samen maakten waarschijnlijk op andere platen. Het van onderhuidse spanning zinderende ‘Blue Haze’ is terecht het titelnummer, want veruit de beste opname op dit album.
Verder zoals hierboven al gezegd, geen plaat die de aandacht trekt, of die stoort op de achtergrond.
Miles Davis Quintet - Cookin' with the Miles Davis Quintet (1957)

4,0
2
geplaatst: 26 maart 2020, 21:59 uur
In 1955 tekende Miles Davis bij een groot label (Columbia), en was hij klaar om uit te groeien tot het grote jazzicoon dat we nu kennen. Alleen stond hij op dat moment ook nog onder contract bij Prestige. Hij voldeed aan die verplichting met twee lange studiosessies, in mei en oktober 1956. Het was genoeg materiaal voor Prestige om de vier albums samen te stellen, die nu de ‘Cookin’/’Relaxin’/’Workin’/’Steamin’-serie vormen.
Hoewel het dus feitelijk een verplicht nummertje was, gelden de platen als bescheiden klassiekers. Juist de nonchalance is een sterk punt: de band staat in wezen gewoon hun beste livemateriaal na te spelen, wat zorgt voor een oprechte, ongedwongen sound. Ook aantrekkelijk: veel van deze muzikanten zouden een bepalende rol spelen in de jazzmuziek van de komende jaren, en we horen ze hier op een cruciaal, vroeg moment in hun ontwikkeling. Wat te denken van Davis zelf, op de vooravond van zijn grote succes? Of de mysterieuze saxofonist Coltrane, nog helemaal op het begin van zijn reis door de stratosfeer?
Maar laten we de kwaliteit ook niet overdrijven: De Max Roach/ Clifford Brown-band van de paar jaar daarvoor is minstens net zo goed, en klinkt ook nog minder gedateerd. De materiaalkeuze van Davis is wisselvallig, en niet al te uitdagend: een handjevol bop-klassiekers, een paar verdwaalde ‘eigen composities’ die zwaar op de blues leunen, en vooral veel veilige standards, liedjes uit het musical- en nachtclub-repertoire die destijds erg populair waren, maar 65 jaar popcultuur later vaak weeïg en sentimenteel klinken. Na me een aantal weken in deze sessies te hebben ondergedompeld vind ik het nog steeds moeilijk de ene ‘Something I Dreamed Last Night’ te onderscheiden van de andere ‘You’re my Everything’, zeker omdat de arrangementen van Davis’ ‘Grote Kwintet’ vaak wel een beetje op elkaar lijken.
Wat overeind blijft, is het fijne contrast tussen Davis’ koele, droge trompetstijl, en de fladderende, onstuimige solo’s van Coltrane (die zich af en toe nog wel in zijn eigen creativiteit verslikt). Ook de ritmesectie dwingt vaak bewondering af, met de melodieuze, dominante basnoten van Paul Chambers over de subtiel gevarieerde roffels van ‘Philly’ Joe Jones: Die laatste zou altijd de favoriete drummer van Miles Davis blijven. Garland, ten slotte, wellicht de minst iconische van het stel, is met zijn bluesy stijl en ‘block chords’ een anker in de muziek, maar pakt hier en daar ook zijn momentjes voor een verrassend sierlijke solo.
***
Cookin’, de eerste van de vier platen die Prestige uit deze sessies perste, bevat alleen opnames van de laatste sessie, sterker nog, dit waren ongeveer de laatste vier nummers die Davis voor Prestige opnam.
De B-kant is duidelijk de betere hier. De band speelt drie nummers die Davis al eerder opnam. Airegin, van en oorspronkelijk met Sonny Rollins, wordt heerlijk fel gespeeld waarbij drummer ‘Philly’ Joe Jones de band alle hoeken van de kamer laat zien. ‘Tune Up’ en ‘When The Lights Are Low’ werden eerder in inferieure versies opgenomen voor Blue Haze, maar worden hier aaneen gesmeed tot een stomende medley waarin alles samenkwam wat deze band waarschijnlijk in hun tijd zo geliefd maakte. Wellicht het beste nummer van de Prestige-sessies.
Daarentegen heeft de A-kant de tand des tijds minder goed overleefd. Het geliefde maar nogal sentimentele ‘My Funny Valentine’ (zonder Coltrane) lijkt vooral een slijmerig appèl richting het blanke publiek van concullega Chet Baker. ‘Blues By Five’ (zowaar een compositie van Garland) is fijn gespeeld, maar de wel erg letterlijke titel is een veeg teken voor de banaliteit van de compositie.
Een magere 3,5 voor de A-kant, een ruime 4 voor de B-kant, en ach, laten we het naar boven afronden.
Hoewel het dus feitelijk een verplicht nummertje was, gelden de platen als bescheiden klassiekers. Juist de nonchalance is een sterk punt: de band staat in wezen gewoon hun beste livemateriaal na te spelen, wat zorgt voor een oprechte, ongedwongen sound. Ook aantrekkelijk: veel van deze muzikanten zouden een bepalende rol spelen in de jazzmuziek van de komende jaren, en we horen ze hier op een cruciaal, vroeg moment in hun ontwikkeling. Wat te denken van Davis zelf, op de vooravond van zijn grote succes? Of de mysterieuze saxofonist Coltrane, nog helemaal op het begin van zijn reis door de stratosfeer?
Maar laten we de kwaliteit ook niet overdrijven: De Max Roach/ Clifford Brown-band van de paar jaar daarvoor is minstens net zo goed, en klinkt ook nog minder gedateerd. De materiaalkeuze van Davis is wisselvallig, en niet al te uitdagend: een handjevol bop-klassiekers, een paar verdwaalde ‘eigen composities’ die zwaar op de blues leunen, en vooral veel veilige standards, liedjes uit het musical- en nachtclub-repertoire die destijds erg populair waren, maar 65 jaar popcultuur later vaak weeïg en sentimenteel klinken. Na me een aantal weken in deze sessies te hebben ondergedompeld vind ik het nog steeds moeilijk de ene ‘Something I Dreamed Last Night’ te onderscheiden van de andere ‘You’re my Everything’, zeker omdat de arrangementen van Davis’ ‘Grote Kwintet’ vaak wel een beetje op elkaar lijken.
Wat overeind blijft, is het fijne contrast tussen Davis’ koele, droge trompetstijl, en de fladderende, onstuimige solo’s van Coltrane (die zich af en toe nog wel in zijn eigen creativiteit verslikt). Ook de ritmesectie dwingt vaak bewondering af, met de melodieuze, dominante basnoten van Paul Chambers over de subtiel gevarieerde roffels van ‘Philly’ Joe Jones: Die laatste zou altijd de favoriete drummer van Miles Davis blijven. Garland, ten slotte, wellicht de minst iconische van het stel, is met zijn bluesy stijl en ‘block chords’ een anker in de muziek, maar pakt hier en daar ook zijn momentjes voor een verrassend sierlijke solo.
***
Cookin’, de eerste van de vier platen die Prestige uit deze sessies perste, bevat alleen opnames van de laatste sessie, sterker nog, dit waren ongeveer de laatste vier nummers die Davis voor Prestige opnam.
De B-kant is duidelijk de betere hier. De band speelt drie nummers die Davis al eerder opnam. Airegin, van en oorspronkelijk met Sonny Rollins, wordt heerlijk fel gespeeld waarbij drummer ‘Philly’ Joe Jones de band alle hoeken van de kamer laat zien. ‘Tune Up’ en ‘When The Lights Are Low’ werden eerder in inferieure versies opgenomen voor Blue Haze, maar worden hier aaneen gesmeed tot een stomende medley waarin alles samenkwam wat deze band waarschijnlijk in hun tijd zo geliefd maakte. Wellicht het beste nummer van de Prestige-sessies.
Daarentegen heeft de A-kant de tand des tijds minder goed overleefd. Het geliefde maar nogal sentimentele ‘My Funny Valentine’ (zonder Coltrane) lijkt vooral een slijmerig appèl richting het blanke publiek van concullega Chet Baker. ‘Blues By Five’ (zowaar een compositie van Garland) is fijn gespeeld, maar de wel erg letterlijke titel is een veeg teken voor de banaliteit van de compositie.
Een magere 3,5 voor de A-kant, een ruime 4 voor de B-kant, en ach, laten we het naar boven afronden.
Miles Davis Quintet - Miles Smiles (1967)

4,0
3
geplaatst: 27 maart 2021, 11:03 uur
Met: Miles Davis (trompet); Wayne Shorter (tenorsax); Herbie Hancock (piano); Ron Carter (bas); Tony Williams (drums)
Het lachje op de hoes oogt wat geforceerd. Dat Miles Davis überhaupt met deze titel akkoord ging (ondanks het voor de hand liggende rijm was het één van Davis rotsvaste principes om geen zwarte muzikant te zijn die gedwee grijnzend zijn blanke publiek vermaakte) zegt iets over zijn vertrouwen in deze band, misschien.
Miles Smiles wordt vaak genoemd in Miles Davis-toplijstjes, en aangemerkt als het punt waarop het ‘tweede grote kwintet’ van Davis zijn vorm vond. Wayne Shorter werpt zich daarbij op als belangrijkste componist, hij schrijft hier de helft van de tracks. Shorter is een iconoclast in hart en nieren (er gaat een verhaal dat hij op de middelbare school rondliep met de woorden ‘Mr Weird’ gekalkt op zijn saxofoonkoffer), en zijn neiging om altijd de meest onvoorspelbare keuze te maken kan ook irriteren.
Albumopener ‘Orbits’ is een voorbeeld daarvan, een wat schelle, nerveuze track (kennelijke werktitel: ‘Mass Confusion’). Het doet me vrij weinig, net als de volgende, het aan Davis toegeschreven en wat meanderende ‘Circles’. De kwalificatie die ik bij E.S.P. gebruikte van ‘meer interessante dan mooie muziek’ dringt zich weer een beetje op.
Het middenstuk is gelukkig spannender én meer enerverend, met een van Shorters bekendste stukken ‘Footsteps’ (al eerder in wat meer toegankelijke vorm op plaat gezet door hem op Adam's Apple) en 'Dolores' (ook Shorter). Sterke stukken, die aandachtig luisteren belonen en waar je steeds nieuwe dingen in kan horen: het tweede kwintet op zijn best.
Met het al wat met funk flirtende ‘Freedom Jazz Dance’ en de energieke, vrij conventionele bop van ‘Gingerbread Boy’ eindigt het album iets minder eclectisch, en dat komt de balans weer ten goede.
Het lachje op de hoes oogt wat geforceerd. Dat Miles Davis überhaupt met deze titel akkoord ging (ondanks het voor de hand liggende rijm was het één van Davis rotsvaste principes om geen zwarte muzikant te zijn die gedwee grijnzend zijn blanke publiek vermaakte) zegt iets over zijn vertrouwen in deze band, misschien.
Miles Smiles wordt vaak genoemd in Miles Davis-toplijstjes, en aangemerkt als het punt waarop het ‘tweede grote kwintet’ van Davis zijn vorm vond. Wayne Shorter werpt zich daarbij op als belangrijkste componist, hij schrijft hier de helft van de tracks. Shorter is een iconoclast in hart en nieren (er gaat een verhaal dat hij op de middelbare school rondliep met de woorden ‘Mr Weird’ gekalkt op zijn saxofoonkoffer), en zijn neiging om altijd de meest onvoorspelbare keuze te maken kan ook irriteren.
Albumopener ‘Orbits’ is een voorbeeld daarvan, een wat schelle, nerveuze track (kennelijke werktitel: ‘Mass Confusion’). Het doet me vrij weinig, net als de volgende, het aan Davis toegeschreven en wat meanderende ‘Circles’. De kwalificatie die ik bij E.S.P. gebruikte van ‘meer interessante dan mooie muziek’ dringt zich weer een beetje op.
Het middenstuk is gelukkig spannender én meer enerverend, met een van Shorters bekendste stukken ‘Footsteps’ (al eerder in wat meer toegankelijke vorm op plaat gezet door hem op Adam's Apple) en 'Dolores' (ook Shorter). Sterke stukken, die aandachtig luisteren belonen en waar je steeds nieuwe dingen in kan horen: het tweede kwintet op zijn best.
Met het al wat met funk flirtende ‘Freedom Jazz Dance’ en de energieke, vrij conventionele bop van ‘Gingerbread Boy’ eindigt het album iets minder eclectisch, en dat komt de balans weer ten goede.
Miles Davis Quintet - Relaxin' with the Miles Davis Quintet (1958)

4,0
3
geplaatst: 31 maart 2020, 22:32 uur
De tweede in de Cookin’/Relaxin’/Workin’/Steamin'-serie, waarover ik hier iets meer heb geschreven.
Voor Relaxin’ werden grotendeels opnames gebruikt uit de sessie van oktober 1956, de meest recente van de twee, waar ook alle tracks van voorganger Cookin’ vandaan kwamen. Ik begrijp waarom Prestige eerst uit deze sessie putte, want hoewel de twee sessies in aanpak niet veel verschillen, klinkt de band in oktober beter (vooral Coltrane, die een opmerkelijke groei doormaakt in slechts zes maanden).
Hierdoor valt het minder negatief op als de band zich vergrijpt aan sentimentele popclichés, zoals hier bij ‘You’re My Everything’ en ‘I Could Write A Book’. Nog beter zijn opener ‘If I Were A Bell’, naar een heerlijk schmierend nummer uit de musical Guys And Dolls, en een speelse uitvoering van Sonny Rollins’ ‘Oleo’, dat de band duidelijk op zijn duimpje kent.
Dit alles wordt aangevuld met twee nummers uit de sessies van maart: ‘It Could Happen To You’, o.a. eerder vertolkt door Bing Crosby, Nat King Cole en Frank Sinatra, wordt hier gespeeld in een clubversie die niet verrast maar meer dan degelijk is.
Bij ‘Woody ’n You’ wordt de latin-swing uit de klassieke uitvoeringen van Coleman Hawkins en Dizzy Gillespie jammer genoeg vervangen door een soort vlooiïge nervositeit die het nummer helaas degradeert tot technische vingeroefening. Bassist Chambers slaagt er desondanks in uit te blinken. Het stukje gebabbel op het einde, waar Coltrane de plaat afsluit met zijn vraag om een flesopener, is ook geinig.
Onder de streep is dit misschien wel de meest gebalanceerde lp van de serie. Ik doe er nog een halfje bij.
Voor Relaxin’ werden grotendeels opnames gebruikt uit de sessie van oktober 1956, de meest recente van de twee, waar ook alle tracks van voorganger Cookin’ vandaan kwamen. Ik begrijp waarom Prestige eerst uit deze sessie putte, want hoewel de twee sessies in aanpak niet veel verschillen, klinkt de band in oktober beter (vooral Coltrane, die een opmerkelijke groei doormaakt in slechts zes maanden).
Hierdoor valt het minder negatief op als de band zich vergrijpt aan sentimentele popclichés, zoals hier bij ‘You’re My Everything’ en ‘I Could Write A Book’. Nog beter zijn opener ‘If I Were A Bell’, naar een heerlijk schmierend nummer uit de musical Guys And Dolls, en een speelse uitvoering van Sonny Rollins’ ‘Oleo’, dat de band duidelijk op zijn duimpje kent.
Dit alles wordt aangevuld met twee nummers uit de sessies van maart: ‘It Could Happen To You’, o.a. eerder vertolkt door Bing Crosby, Nat King Cole en Frank Sinatra, wordt hier gespeeld in een clubversie die niet verrast maar meer dan degelijk is.
Bij ‘Woody ’n You’ wordt de latin-swing uit de klassieke uitvoeringen van Coleman Hawkins en Dizzy Gillespie jammer genoeg vervangen door een soort vlooiïge nervositeit die het nummer helaas degradeert tot technische vingeroefening. Bassist Chambers slaagt er desondanks in uit te blinken. Het stukje gebabbel op het einde, waar Coltrane de plaat afsluit met zijn vraag om een flesopener, is ook geinig.
Onder de streep is dit misschien wel de meest gebalanceerde lp van de serie. Ik doe er nog een halfje bij.
