Hier kun je zien welke berichten Brunniepoo als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Saileog Ní Cheannabháin - I Bhfior-dheiriú Oidhche (2012)

3,5
0
geplaatst: 18 juni 2016, 11:04 uur
Traditionals uit het westen van Ierland (Connemara), uiteraard allemaal in het Iers dus verder compleet onbegrijpelijk. Het album bestaat enkel uit zang (zonder effecten) en dat begint op een gegeven moment wel een beetje te vervelen. Het klinkt af en toe meer als een heel mooi breekbaar intro, waarna een band inzet (maar dan dus zonder dat die band inzet). De mooie stem van Saileog maakt het overigens echt wel de moeite waard, maar veel langer dan dit had het ook niet hoeven duren.
Sarathy Korwar - Day to Day (2016)

4,0
0
geplaatst: 20 juli 2020, 17:33 uur
Debuutplaat van Sarathy Korwar. De mix van Jazz en Indische invloeden is hier al flink aanwezig, maar deze plaat is nog relatief traditioneel. Op de volgende twee platen zou hij naar mijn mening toch meer zijn eigen weg gaan en spannendere muziek maken. Toch is dit zeker een puik debuut van een zeer interessante jonge muzikant!
Solarference - Dr. Jekyll and Mr. Hyde (2014)

3,0
0
geplaatst: 22 december 2015, 10:52 uur
Het duo Solarference tourde in 2014 met een muzikale begeleiding bij de film Dr. Jekyll and Mr. Hyde uit 1920. Het zal live ongetwijfeld prima gewerkt hebben (ik heb zelf een keer een soortgelijk iets gehoord bij de film Nosferatu en dat was best gaaf), maar als luisterervaring zonder de bijbehorende beelden is het allemaal wat moeizaam. Erg gefragmenteerde muziek, waarbij je maar zelden het idee krijgt dat je naar voorgrondmuziek aan het luisteren bent (en dat is jammer want zeker Sarah Owen zingt soms erg mooi en de samenzang in bijvoorbeeld Prickle Holly Bush is uitstekend) en daarnaast elektronica die wellicht prima aansluit bij het getoonde maar op zichzelf staand vooral irritant is.
Bij de aanschaf van de download krijg je een link aan de beelden zodat je beide tegelijkertijd kunt draaien. Wellicht dat ik dat nog eens ga doen, want ik ben wel nieuwsgierig naar het resultaat. Voor de muziek houd ik het bij een krappe voldoende.
Bij de aanschaf van de download krijg je een link aan de beelden zodat je beide tegelijkertijd kunt draaien. Wellicht dat ik dat nog eens ga doen, want ik ben wel nieuwsgierig naar het resultaat. Voor de muziek houd ik het bij een krappe voldoende.
Spice Girls - Forever (2000)

2,5
0
geplaatst: 5 oktober 2020, 10:19 uur
Het debuut van de Spice Girls kende vooral een paar uitschieters, bij de opvolger Spiceworld waren eigenlijk al nauwelijks meer nummers aanwezig die louter vulling waren. Het is jammer dat deze lijn niet doorgezet kon worden naar Forever.
De stemmen zijn voor 80% hetzelfde, maar de frisheid is helaas behoorlijk weg (op opener 'Holler' na). De sound is nogal R&B - wat op zich natuurlijk geen probleem hoeft te zijn - maar veel nummers klinken nogal als formulewerk. Ze sluiten ongetwijfeld aan bij de toentertijd populaire artiesten, maar ze lijden een beetje aan hetzelfde euvel waar Michael Jackson's Invincible ook onder leed (too little, too late). Overigens doet een nummer als 'Oxygen' me heel erg aan Michael Jackson denken, maar dat geheel terzijde. Ook bezwaarlijk is dat vrijwel elk nummer een minuut te lang duurt. Geen waardige afsluiter dus voor een van de grootste groepen van de jaren '90, maar wel verstandig dat ze er hierna mee opgehouden zijn.
De stemmen zijn voor 80% hetzelfde, maar de frisheid is helaas behoorlijk weg (op opener 'Holler' na). De sound is nogal R&B - wat op zich natuurlijk geen probleem hoeft te zijn - maar veel nummers klinken nogal als formulewerk. Ze sluiten ongetwijfeld aan bij de toentertijd populaire artiesten, maar ze lijden een beetje aan hetzelfde euvel waar Michael Jackson's Invincible ook onder leed (too little, too late). Overigens doet een nummer als 'Oxygen' me heel erg aan Michael Jackson denken, maar dat geheel terzijde. Ook bezwaarlijk is dat vrijwel elk nummer een minuut te lang duurt. Geen waardige afsluiter dus voor een van de grootste groepen van de jaren '90, maar wel verstandig dat ze er hierna mee opgehouden zijn.
Spiritual Jazz (2008)
Alternatieve titel: Esoteric, Modal and Deep Jazz from the Underground 1968-77

3,5
2
geplaatst: 20 maart 2020, 11:14 uur
"Existing completely under the critical radar and largely ignored or unknown by music fans and critics alike, most of the musicians featured in this album won't be familiar to even the most seasoned jazz aficionado."
Zo begint de tekst waarmee dit album wordt aangeprezen. Hier heeft de schrijver waarschijnlijk een punt. Uiteraard volgt vervolgens een verantwoording waarom deze artiesten dan toch aan de vergetelheid ontrukt moesten worden. En vanaf daar scheiden onze wegen. Als ik deze plaat hoor, dan heb ik namelijk geen moment het idee dat hier verborgen parels tussen staan, dat er artiesten tussen zitten die zeer ten onrechte tegenwoordig niet of nauwelijks meer beluisterd worden.
Wat er op deze plaat staat, ontstijgt de middelmaat gewoon niet echt. Het was een fijne luisterbeurt hoor, maar binnen de Spirutal Jazz is meer dan genoeg interessantere muziek uitgebracht.
Zo begint de tekst waarmee dit album wordt aangeprezen. Hier heeft de schrijver waarschijnlijk een punt. Uiteraard volgt vervolgens een verantwoording waarom deze artiesten dan toch aan de vergetelheid ontrukt moesten worden. En vanaf daar scheiden onze wegen. Als ik deze plaat hoor, dan heb ik namelijk geen moment het idee dat hier verborgen parels tussen staan, dat er artiesten tussen zitten die zeer ten onrechte tegenwoordig niet of nauwelijks meer beluisterd worden.
Wat er op deze plaat staat, ontstijgt de middelmaat gewoon niet echt. Het was een fijne luisterbeurt hoor, maar binnen de Spirutal Jazz is meer dan genoeg interessantere muziek uitgebracht.
Steeleye Span - All Around My Hat (1975)

4,5
2
geplaatst: 25 december 2021, 11:02 uur
Misschien wel de meest rockende plaat van Steeleye Span. Dat pakt vaak fijn uit, bijvoorbeeld in de opener en in The Wife of Ushers Well, maar naar mijn mening weer net wat minder in Dance With Me, dat gebaat was geweest bij een rustiger tempo en minder rockelementen.
Ook het bekende titelnummer rockt flink. Er schijnt her en der wat weerstand tegen het nummer te zijn, waar ik dan weer niet zo veel van begrijp, want het wijkt verder toch niet af van wat Span in deze periode deed: traditionals opnieuw arrangeren, vaak met nadrukkelijke rockelementen. De tekst van All Around My Hat is wellicht niet de meest complexe – wat ongetwijfeld ook heeft bijgedragen aan de populariteit van het nummer – nog steeds is het tijdens optredens een van de hoogtepunten.
Hard Times Of Old England en Cadgwith Anthem zijn voor mij echter de toppers op deze plaat. De eerste is ook weer een folkrocker, de tweede is de samenzangparel van deze plaat. Die tweede lijkt overigens te eindigen met een trompet, maar die krijgt geen credits in de liner notes. Op Sum Waves doet de band iets te nadrukkelijk de toen erg populaire Mike Oldfield na.
Bachelors Hall is een fijn afsluiter, maar kent mij wat te veel bombast in het refrein – het lijkt wel alsof er een symfonieorkest meespeelt – wat verder niet echt bij de rest van de plaat past.
Met “All Around My Hat” levert Steeleye Span nog in het zelfde jaar een sterk vervolg op “Commoners Crown”. De productiviteit ligt hoog, de creativiteit eveneens. Gelukkig zal dit nog even doorgaan.
Ook het bekende titelnummer rockt flink. Er schijnt her en der wat weerstand tegen het nummer te zijn, waar ik dan weer niet zo veel van begrijp, want het wijkt verder toch niet af van wat Span in deze periode deed: traditionals opnieuw arrangeren, vaak met nadrukkelijke rockelementen. De tekst van All Around My Hat is wellicht niet de meest complexe – wat ongetwijfeld ook heeft bijgedragen aan de populariteit van het nummer – nog steeds is het tijdens optredens een van de hoogtepunten.
Hard Times Of Old England en Cadgwith Anthem zijn voor mij echter de toppers op deze plaat. De eerste is ook weer een folkrocker, de tweede is de samenzangparel van deze plaat. Die tweede lijkt overigens te eindigen met een trompet, maar die krijgt geen credits in de liner notes. Op Sum Waves doet de band iets te nadrukkelijk de toen erg populaire Mike Oldfield na.
Bachelors Hall is een fijn afsluiter, maar kent mij wat te veel bombast in het refrein – het lijkt wel alsof er een symfonieorkest meespeelt – wat verder niet echt bij de rest van de plaat past.
Met “All Around My Hat” levert Steeleye Span nog in het zelfde jaar een sterk vervolg op “Commoners Crown”. De productiviteit ligt hoog, de creativiteit eveneens. Gelukkig zal dit nog even doorgaan.
Steeleye Span - Back in Line (1986)

3,0
3
geplaatst: 27 december 2021, 10:35 uur
“Back in Line” geldt – voor zover mij bekend – als het slechtste album van de band. Het is voor mij het laatste studio-album dat ik leerde kennen, en het ontbreken ervan in de box met Chrysalisalbums is daar wel enigszins debet aan geweest. Waarom het album in die box ontbrak: geen idee, maar misschien had de publieke waardering er iets mee te maken.
Zes jaar nam de band vrijaf na het onsuccesvolle “Sails of Silver” en mede-oprichter Tim Hart stopte zelfs helemaal met het maken van muziek. Midden jaren ’80 was het folkklimaat weer enigszins in opkomst, maar dan toch eerder voor bands in de stijl van The Pogues dan voor de dino’s van Steeleye Span. Hun Blackleg Miner was echter veel gedraaid naar aanleiding van de vele stakingen in de jaren ervoor, dus de band had de hoop dat er weer voldoende belangstelling zou zijn voor een nieuwe plaat, met een geüpdatete sound.
Opener Edward is het slechtste dat de band ooit gemaakt heeft – enkele minder geslaagde grappen op eerdere albums wellicht uitgezonderd. De klinische synthesizerfolk met vocalen van Bob Johnson, toch al niet de meest begaafde zanger van de band, gaat nergens heen en duurt ook nog eens ruim zes minuten. Volstrekt onbegrijpelijk dat dit nummer in deze vorm op het album terecht is gekomen.
Het voordeel van zo’n beroerde opener is wel dat daarna alles meevalt. Isabel bevat goed zangwerk van Prior, Rick Kemp’s Peace on the Border is een prima compositie en de geüpdatete versie van The Blackleg Miner (riep iemand funk?) heeft zijn charmes. White Man is in de basis zelfs een topnummer, met geweldige zanglijnen – behorend tot de beste uit de bandgeschiedenis.
Het grootste probleem van “Back in Line” is misschien nog niet eens dat de helft van de nummers sowieso al niet al te best zijn (of in het geval van Edward zelfs ronduit slecht). Erger is dat ook de goede nummers niet goed uit de verf komen door de combinatie van productionele keuzes (nu moet ik daarbij zeggen dat ik sowieso niet dol ben op veel jaren ’80-producties) en het gebruik van de synthesizer – gastmuzikant Vince Cross speelt op minstens vier nummers mee. Net zo storend is echter het ongelooflijke saaie drumwerk van Nigel Pegrum, dat zowel Peace on the Border als Take my Heart om zeep helpt en de overige nummers ook geen goed doet (met uitzondering van Cannon by Telemann – daar is hij sowieso niet op te horen want daar speelt Peter Knight alle instrumenten).
“Back in Line” is wat mij betreft inderdaad de zwakste plaat van Steeleye Span. Enkele nummers zijn waarschijnlijk nog wel te redden met een nieuwe opname, maar sowieso zit de band hier niet echt op de toppen van zijn kunne. Het zou drie jaar duren voordat de band weer een plaat opnam en nog wel langer voor er weer een echt goede plaat werd gemaakt.
Zes jaar nam de band vrijaf na het onsuccesvolle “Sails of Silver” en mede-oprichter Tim Hart stopte zelfs helemaal met het maken van muziek. Midden jaren ’80 was het folkklimaat weer enigszins in opkomst, maar dan toch eerder voor bands in de stijl van The Pogues dan voor de dino’s van Steeleye Span. Hun Blackleg Miner was echter veel gedraaid naar aanleiding van de vele stakingen in de jaren ervoor, dus de band had de hoop dat er weer voldoende belangstelling zou zijn voor een nieuwe plaat, met een geüpdatete sound.
Opener Edward is het slechtste dat de band ooit gemaakt heeft – enkele minder geslaagde grappen op eerdere albums wellicht uitgezonderd. De klinische synthesizerfolk met vocalen van Bob Johnson, toch al niet de meest begaafde zanger van de band, gaat nergens heen en duurt ook nog eens ruim zes minuten. Volstrekt onbegrijpelijk dat dit nummer in deze vorm op het album terecht is gekomen.
Het voordeel van zo’n beroerde opener is wel dat daarna alles meevalt. Isabel bevat goed zangwerk van Prior, Rick Kemp’s Peace on the Border is een prima compositie en de geüpdatete versie van The Blackleg Miner (riep iemand funk?) heeft zijn charmes. White Man is in de basis zelfs een topnummer, met geweldige zanglijnen – behorend tot de beste uit de bandgeschiedenis.
Het grootste probleem van “Back in Line” is misschien nog niet eens dat de helft van de nummers sowieso al niet al te best zijn (of in het geval van Edward zelfs ronduit slecht). Erger is dat ook de goede nummers niet goed uit de verf komen door de combinatie van productionele keuzes (nu moet ik daarbij zeggen dat ik sowieso niet dol ben op veel jaren ’80-producties) en het gebruik van de synthesizer – gastmuzikant Vince Cross speelt op minstens vier nummers mee. Net zo storend is echter het ongelooflijke saaie drumwerk van Nigel Pegrum, dat zowel Peace on the Border als Take my Heart om zeep helpt en de overige nummers ook geen goed doet (met uitzondering van Cannon by Telemann – daar is hij sowieso niet op te horen want daar speelt Peter Knight alle instrumenten).
“Back in Line” is wat mij betreft inderdaad de zwakste plaat van Steeleye Span. Enkele nummers zijn waarschijnlijk nog wel te redden met een nieuwe opname, maar sowieso zit de band hier niet echt op de toppen van zijn kunne. Het zou drie jaar duren voordat de band weer een plaat opnam en nog wel langer voor er weer een echt goede plaat werd gemaakt.
Steeleye Span - Bedlam Born (2002)

4,0
1
geplaatst: 28 december 2021, 08:04 uur
Twee albums in dezelfde samenstelling – dat was al sinds Rocket Cottage (in 1976!) niet meer voorgekomen. In alle eerlijkheid bood Horkstow Grange wel aanleiding tot veranderingen en die kwamen er ook, maar dus niet in de formele line-up.
“Bedlam Born” (Bedlam als afgeleid van Bethlehem, het gaat dus niet om een in een inrichting geborene) toont een band die een deel van de kritiek van de fans serieus heeft genomen: het album rockt veel meer dan de voorganger, mede doordat drummer Dave Mattacks op vrijwel alle nummers meespeelt. Een sterk voorbeeld is John Ditchford, waar Tim Harries de kar trekt door niet alleen basgitaar maar ook elektrische gitaar te spelen (waarom Bob Johnson dat niet doet is me niet bekend). Steeleye Span heeft zelden zo hard gerockt!
De rockbenadering gaat ten koste van de prominente rol die Gay Woods op het vorige album had. Ze schittert dan wel weer in I See His Blood Upon The Rose, een door haar op muziek gezet gedicht van de in 1916 geëxecuteerde Ierse dichter Joseph Plunkett.
Sterker, in het begin staan drie lekker up-temponummers, maar I See His Blood Upon the Rose zakt het tempo wat in en de nummers hebben wel hun charme – zo doet Steeleye Span best veel dingen die ze nog niet eerder gedaan hebben – maar het blijft allemaal niet zo hangen.
Wat wel opvalt is dat Tim Harries een steeds grotere rol pakt – ook in het arrangeren en schrijven van teksten en muziek. Na deze plaat zou hij echter vertrekken, net als overigens Gay Woods en Bob Johnson.
“Bedlam Born” (Bedlam als afgeleid van Bethlehem, het gaat dus niet om een in een inrichting geborene) toont een band die een deel van de kritiek van de fans serieus heeft genomen: het album rockt veel meer dan de voorganger, mede doordat drummer Dave Mattacks op vrijwel alle nummers meespeelt. Een sterk voorbeeld is John Ditchford, waar Tim Harries de kar trekt door niet alleen basgitaar maar ook elektrische gitaar te spelen (waarom Bob Johnson dat niet doet is me niet bekend). Steeleye Span heeft zelden zo hard gerockt!
De rockbenadering gaat ten koste van de prominente rol die Gay Woods op het vorige album had. Ze schittert dan wel weer in I See His Blood Upon The Rose, een door haar op muziek gezet gedicht van de in 1916 geëxecuteerde Ierse dichter Joseph Plunkett.
Sterker, in het begin staan drie lekker up-temponummers, maar I See His Blood Upon the Rose zakt het tempo wat in en de nummers hebben wel hun charme – zo doet Steeleye Span best veel dingen die ze nog niet eerder gedaan hebben – maar het blijft allemaal niet zo hangen.
Wat wel opvalt is dat Tim Harries een steeds grotere rol pakt – ook in het arrangeren en schrijven van teksten en muziek. Na deze plaat zou hij echter vertrekken, net als overigens Gay Woods en Bob Johnson.
Steeleye Span - Below the Salt (1972)

4,5
0
geplaatst: 24 december 2021, 13:32 uur
De eerste kennismaking met volledige Steeleye Span-albums was via de twee voortreffelijke Chrysalis-boxjes. “Below the Salt” was dan ook de eerste plaat die ik in zijn volledigheid hoorde, en deze fase van de band is voor mij dan ook lang het begin- en referentiepunt geweest. Toen ik later de eerste drie albums hoorde, meende ik dan ook dat er sprake was van een flinke verandering in het bandgeluid. Nadere beluistering wijst echter uit dat de overgang veel geleidelijker is geweest.
Ashley Hutchings en Martin Carthy vertrokken na “Ten Man Mop, Or Mr. Reservoir Butler Rides Again” maar de band gaat gewoon verder waar ze gebleven waren. Bassist Rick Kemp en gitarist Bob Johnson kwamen de gelederen versterken, en zij brachten meer rockinvloeden met zich mee, maar dit zou eigenlijk pas op latere albums meer gaan domineren.
“Below the Salt” is een beetje een tussenplaat, met een A-kant die redelijk onopgemerkt voorbij gaat, enkel de prachtige harmoniezang op Rosebud in June valt echt op. De B-kant is veel beter. King Henry is een topper in het oeuvre van Steeleye Span gebleken en Gaudete is zowel mooi als hoogst origineel. John Barleycorn is een tamelijk legendarisch folknummer, waar dan ook ongelooflijk veel versies van te vinden zijn. Deze vind ik dan niet per se een van de betere.
Ashley Hutchings en Martin Carthy vertrokken na “Ten Man Mop, Or Mr. Reservoir Butler Rides Again” maar de band gaat gewoon verder waar ze gebleven waren. Bassist Rick Kemp en gitarist Bob Johnson kwamen de gelederen versterken, en zij brachten meer rockinvloeden met zich mee, maar dit zou eigenlijk pas op latere albums meer gaan domineren.
“Below the Salt” is een beetje een tussenplaat, met een A-kant die redelijk onopgemerkt voorbij gaat, enkel de prachtige harmoniezang op Rosebud in June valt echt op. De B-kant is veel beter. King Henry is een topper in het oeuvre van Steeleye Span gebleken en Gaudete is zowel mooi als hoogst origineel. John Barleycorn is een tamelijk legendarisch folknummer, waar dan ook ongelooflijk veel versies van te vinden zijn. Deze vind ik dan niet per se een van de betere.
Steeleye Span - Bloody Men (2006)

4,5
3
geplaatst: 29 december 2021, 10:48 uur
Het tempo van opnemen ligt redelijk hoog aan het begin van het millennium. Slechts twee jaar na het tussendoortje “Winter” verschijnt alweer een nieuwe plaat, een dubbelaar bovendien – de eerste in de geschiedenis van de band – waarbij wel vermeld kan worden dat alle muziek ook met gemak op één schijfje had gepast. Een ander unicum is dat de band drie opeenvolgende albums in ongewijzigde samenstelling opneemt.
“Bloody Men” bestaat uit twee delen: de eerste cd bevat een tiental nummers volgens het inmiddels beproefde recept van zelfgeschreven werk afgewisseld met de trad.arr’s. De plaat trapt meteen sterk af met het felle Bonny Black Hare, met Maddy Prior in een wel heel laag register en Peter Knight die zijn elektrische viool laat scheuren. The Story of the Scullion King bevat weer een interessant stukje Engelse geschiedenis over een valse troonpretendent die eindigt als keukenhulp.
Niet al het materiaal is helaas van dat niveau: het door Knight geschreven Lord Elgin klinkt ontzettend lullig en bevat misschien wel het meest beroerde gebruik van een tweede stem in de bandgeschiedenis. Op het Ken Nicol-nummer The 3 Sisters revancheert de band zich gelukkig alweer. Het is grappig dat het soms eigenlijk niet mogelijk is om de eigen composities van de trad.arr’s te onderscheiden, het nummer had dan ook zo op willekeurig welke jaren ’70-plaat van de band kunnen staan.
The 1st House in Connaught is een fijne instrumental overbrugging naar een volgende topper, een nieuwe versie van Cold Haily Windy Night, dat de band eerder immers ook al speelde op “Please to see the King”. Deze versie rockt nog wat meer, maar eigenlijk is het hoe en waarom van het opnieuw opnemen mij een raadsel: een gebrek aan inspiratie was er gezien de grote hoeveelheid uitgebracht materiaal immers niet.
Whummil Bore is ook weer vintage Steeleye Span, met een in uitstekende vorm verkerende Prior. Het Nicol-nummer Demon of the Well is een fraai stukje vertelkunst over een vermeende vloek en met Lord Gregory wordt de eerste cd helaas wat saai afgesloten.
Dat wordt ruimschoots goedgemaakt op de tweede plaat, dat het uit vijf delen bestaande Ned Ludd bevat – een door Rick Kemp geschreven songcyclus over de Luddietenbeweging en de tijd waarin deze ontstond: ontevreden en vooral arme boeren en arbeiders die zich aan het begin van de negentiende eeuw toelegden op het vernielen van de machines die symbool stonden voor de industriële revolutie, die voor veel werkeloosheid en andere narigheid had gezorgd. Uiteraard eindigt het verhaal – volgens de beste Steeleye-tradities – in een bloedbad. Ned Ludd neemt een unieke plek in binnen het oeuvre van de band, hoewel een thematische eenheid ook op “Wintersmith” terug te vinden is. Het is echter niet alleen uniek in zijn soort, het is vooral ook gewoon een heel erg goede cyclus.
“Bloody Men” geldt als een van de sterkste albums die de band gemaakt heeft, zeker van na de hoogtijdagen, en ik ga daar volledig in mee.
“Bloody Men” bestaat uit twee delen: de eerste cd bevat een tiental nummers volgens het inmiddels beproefde recept van zelfgeschreven werk afgewisseld met de trad.arr’s. De plaat trapt meteen sterk af met het felle Bonny Black Hare, met Maddy Prior in een wel heel laag register en Peter Knight die zijn elektrische viool laat scheuren. The Story of the Scullion King bevat weer een interessant stukje Engelse geschiedenis over een valse troonpretendent die eindigt als keukenhulp.
Niet al het materiaal is helaas van dat niveau: het door Knight geschreven Lord Elgin klinkt ontzettend lullig en bevat misschien wel het meest beroerde gebruik van een tweede stem in de bandgeschiedenis. Op het Ken Nicol-nummer The 3 Sisters revancheert de band zich gelukkig alweer. Het is grappig dat het soms eigenlijk niet mogelijk is om de eigen composities van de trad.arr’s te onderscheiden, het nummer had dan ook zo op willekeurig welke jaren ’70-plaat van de band kunnen staan.
The 1st House in Connaught is een fijne instrumental overbrugging naar een volgende topper, een nieuwe versie van Cold Haily Windy Night, dat de band eerder immers ook al speelde op “Please to see the King”. Deze versie rockt nog wat meer, maar eigenlijk is het hoe en waarom van het opnieuw opnemen mij een raadsel: een gebrek aan inspiratie was er gezien de grote hoeveelheid uitgebracht materiaal immers niet.
Whummil Bore is ook weer vintage Steeleye Span, met een in uitstekende vorm verkerende Prior. Het Nicol-nummer Demon of the Well is een fraai stukje vertelkunst over een vermeende vloek en met Lord Gregory wordt de eerste cd helaas wat saai afgesloten.
Dat wordt ruimschoots goedgemaakt op de tweede plaat, dat het uit vijf delen bestaande Ned Ludd bevat – een door Rick Kemp geschreven songcyclus over de Luddietenbeweging en de tijd waarin deze ontstond: ontevreden en vooral arme boeren en arbeiders die zich aan het begin van de negentiende eeuw toelegden op het vernielen van de machines die symbool stonden voor de industriële revolutie, die voor veel werkeloosheid en andere narigheid had gezorgd. Uiteraard eindigt het verhaal – volgens de beste Steeleye-tradities – in een bloedbad. Ned Ludd neemt een unieke plek in binnen het oeuvre van de band, hoewel een thematische eenheid ook op “Wintersmith” terug te vinden is. Het is echter niet alleen uniek in zijn soort, het is vooral ook gewoon een heel erg goede cyclus.
“Bloody Men” geldt als een van de sterkste albums die de band gemaakt heeft, zeker van na de hoogtijdagen, en ik ga daar volledig in mee.
Steeleye Span - Cogs, Wheels and Lovers (2009)

3,0
1
geplaatst: 29 december 2021, 10:50 uur
En alweer het vierde album van het decennium en alweer album vier met dezelfde bezetting. Dat wil niet zeggen dat “Cogs, Wheels and Lovers” naadloos verdergaat waar “Bloody Men” ophield. Verre van zelfs: dat album blonk juist uit vanwege het sterke eigen materiaal van Ken Nicol en Rick Kemp. “Cogs, Wheels and Lovers” grijpt juist – na dertig jaar – weer terug op de oorspronkelijke opzet van Steeleye Span: traditionals bewerkt voor een folkrockband en de plaat bevat dus geen enkel zelfgeschreven nummer (althans, dat lees ik online, in het boekje worden in het geheel geen credits genoemd). Ook een verschil met eerdere platen is dat de vocalen wel heel erg bij Maddy Prior zijn komen te liggen, terwijl die vanaf de jaren ’80 steeds gelijkmatiger over de verschillende leden verdeeld waren.
Al met al is “Cogs, Wheels and Lovers” daardoor een album dat erg ouderwets aandoet en eigenlijk ook wel een gebrek aan variatie kent. Het gebeurde me bij dit album eigenlijk net iets te vaak dat ik denk een nummer al eerder gehoord te hebben.
Een van de minste albums van Steeleye Span dus wat mij betreft. He valt op zich te prijzen dat de band wijzigingen heeft doorgevoerd, maar die pakken mijns inziens niet goed uit.
Al met al is “Cogs, Wheels and Lovers” daardoor een album dat erg ouderwets aandoet en eigenlijk ook wel een gebrek aan variatie kent. Het gebeurde me bij dit album eigenlijk net iets te vaak dat ik denk een nummer al eerder gehoord te hebben.
Een van de minste albums van Steeleye Span dus wat mij betreft. He valt op zich te prijzen dat de band wijzigingen heeft doorgevoerd, maar die pakken mijns inziens niet goed uit.
Steeleye Span - Commoners Crown (1975)

4,5
2
geplaatst: 25 december 2021, 11:01 uur
Na het wat tegenvallende “Now We Are Six” revancheert Steeleye zich met “Commons Crown”, dat sowieso de prijs voor mooiste hoes krijgt. Negen nieuwe liedjes die bijna allemaal raak zijn, vanaf de sterke opener Little Sir Hugh tot de merkwaardige opbouw van New York Girls is het andermaal een album met veel variatie en veel gelegenheid voor alle bandleden om zich te onderscheiden.
Little Sir Hugh is ontdaan van de antisemitische lading die het in het verleden heeft gehad – in de 13e eeuwse versie zou Hugh een slachtoffer zijn geweest van rituele moorden door Joden, met verering van Hugh en verdere vervolging van de Joden tot gevolg. Wat overblijft is een lied over een jongen die een huis ingelokt wordt en daar wordt vermoord. Tekstueel grimmig, muzikaal juist erg licht.
Bach goes to Limerick is precies wat je ervan kunt verwachten: een poging om Bach te mengen met (Ierse) folk. Het is de enige niet-traditional op de plaat, en heeft veel overeenkomsten met The Mooncoin Jig van de voorganger, met andermaal een hoofdrol voor Peter Knight. Long Lankin slaat op de lengte van de hoofdfiguur maar zou net zo goed over de lengte van het nummer kunnen gaan, tot dan het langste dat Steeleye had opgenomen. Het is een echt verhalend nummer geworden, met veel variatie en eveneens veel ruimte voor instrumentale passages.
Dogs and Ferrets is een typische samenzang in de beste Steeleye Span-traditie. Galtee Farmer is interessanter door de duistere (Oosterse) instrumentatie en het duel dat de zang van Prior en de gitaar van Johnson hier lijken te voeren. Demon Lover zou een heel sterk nummer kunnen zijn: het kent een prima refrein en prima coupletten, alleen deze passen totaal niet bij elkaar. Elf Call is vooral een oorwurm en Weary Cutters blijft niet altijd even goed hangen.
New York Girls is een rariteit, maar waar “Now We Are Six” door de ongebruikelijke afsluiters uitging als een nachtkaars, word je hier juist vrolijk uitgeleide gedaan. Het concept is simpel: alle mannelijke bandleden zingen ieder twee coupletten en Prior neemt het refrein voor haar rekening. De ukele van acteur Peter Sellers draagt vervolgens flink bij aan de lullige polkasfeer van het nummer.
“Commoners Crown” is wederom een sterke plaat geworden, ondanks wat mindere momenten.
Little Sir Hugh is ontdaan van de antisemitische lading die het in het verleden heeft gehad – in de 13e eeuwse versie zou Hugh een slachtoffer zijn geweest van rituele moorden door Joden, met verering van Hugh en verdere vervolging van de Joden tot gevolg. Wat overblijft is een lied over een jongen die een huis ingelokt wordt en daar wordt vermoord. Tekstueel grimmig, muzikaal juist erg licht.
Bach goes to Limerick is precies wat je ervan kunt verwachten: een poging om Bach te mengen met (Ierse) folk. Het is de enige niet-traditional op de plaat, en heeft veel overeenkomsten met The Mooncoin Jig van de voorganger, met andermaal een hoofdrol voor Peter Knight. Long Lankin slaat op de lengte van de hoofdfiguur maar zou net zo goed over de lengte van het nummer kunnen gaan, tot dan het langste dat Steeleye had opgenomen. Het is een echt verhalend nummer geworden, met veel variatie en eveneens veel ruimte voor instrumentale passages.
Dogs and Ferrets is een typische samenzang in de beste Steeleye Span-traditie. Galtee Farmer is interessanter door de duistere (Oosterse) instrumentatie en het duel dat de zang van Prior en de gitaar van Johnson hier lijken te voeren. Demon Lover zou een heel sterk nummer kunnen zijn: het kent een prima refrein en prima coupletten, alleen deze passen totaal niet bij elkaar. Elf Call is vooral een oorwurm en Weary Cutters blijft niet altijd even goed hangen.
New York Girls is een rariteit, maar waar “Now We Are Six” door de ongebruikelijke afsluiters uitging als een nachtkaars, word je hier juist vrolijk uitgeleide gedaan. Het concept is simpel: alle mannelijke bandleden zingen ieder twee coupletten en Prior neemt het refrein voor haar rekening. De ukele van acteur Peter Sellers draagt vervolgens flink bij aan de lullige polkasfeer van het nummer.
“Commoners Crown” is wederom een sterke plaat geworden, ondanks wat mindere momenten.
Steeleye Span - Dodgy Bastards (2016)

4,5
1
geplaatst: 30 december 2021, 08:45 uur
Dodgy Bastards kent een bezetting zonder Peter Knight, samen met Maddy Prior de meest constante kracht tot dan toe. De tour na het “Wintersmith”-album deed hij nog mee, maar daarna werd zijn plaats ingenomen door Jessie May Smart, die overigens ook al te horen was op een aantal bonustracks bij “Wintersmith”. Peter Zorn is na één plaat alweer vertrokken, Andrew ‘Spud’ Sinclair is zijn vervanger op zang en gitaar (en helaas niet op saxofoon).
“Dodgy Bastards” is alweer het 23e album van de band die in de beginjaren uitsluitend bewerking van traditionals speelde en deze later afwisselde met zelfgeschreven nummers. Hoeveel van die traditionals afkomstig zijn uit het standaardwerk van Francis James Child, die aan het eind van de 19e eeuw zoveel mogelijk Engelse en Schotse volksliedjes optekende en die sindsdien Child Ballads zijn gaan heten: geen idee, maar het zullen er behoorlijk wat zijn. Steeleye Span-klassiekers als The False Knight on the Road, King Henry, Alison Gross, Two Magicians, Little Sir Hugh en Long Lankin zijn alle gebaseed op liederen uit Childs werk. Op “Dodgy Bastards” doet de band er nog een schepje bovenop: minstens zes nummers komen uit de Child Ballads. Van de rest is dat niet duidelijk, maar ik vermoed van niet.
Het zal niet verbazen dat “Dodgy Bastards” een traditioneler album is geworden dan voorganger “Wintersmith”. Hoewel: de nieuwe versie van Boys of Bedlam klinkt vooral heel erg eigentijds, inclusief een passage die het midden houdt tussen spoken word en rap.
“Cogs, Wheels and Lovers” was ook een album dat nadrukkelijk teruggreep op de hoogtijdagen, maar die riep bij mij vooral verveling op. “Dodgy Bastards” heeft daar totaal geen last van: de band is door de komst Littman, May Smart en Sinclair flink verjongd en dat is goed te horen. Ook worden de vocalen weer als vanouds gedeeld, waarbij Littman en May Smart de nodige voor hun rekening nemen. Beiden hebben een prettige stem en de harmonieën kunnen daardoor ook weer wat spannender worden, hoewel daar helaas niet echt veel mee gedaan wordt op deze plaat.
Eigenlijk kan ik kort zijn (of: dat had gekund): “Dodgy Bastards” is een plaat met louter goede folkrock van een fris klinkende groep. Het enige minpunt is dat de plaat wel erg lang is, ruimschoots de langste tot op heden in ieder geval.
“Dodgy Bastards” is alweer het 23e album van de band die in de beginjaren uitsluitend bewerking van traditionals speelde en deze later afwisselde met zelfgeschreven nummers. Hoeveel van die traditionals afkomstig zijn uit het standaardwerk van Francis James Child, die aan het eind van de 19e eeuw zoveel mogelijk Engelse en Schotse volksliedjes optekende en die sindsdien Child Ballads zijn gaan heten: geen idee, maar het zullen er behoorlijk wat zijn. Steeleye Span-klassiekers als The False Knight on the Road, King Henry, Alison Gross, Two Magicians, Little Sir Hugh en Long Lankin zijn alle gebaseed op liederen uit Childs werk. Op “Dodgy Bastards” doet de band er nog een schepje bovenop: minstens zes nummers komen uit de Child Ballads. Van de rest is dat niet duidelijk, maar ik vermoed van niet.
Het zal niet verbazen dat “Dodgy Bastards” een traditioneler album is geworden dan voorganger “Wintersmith”. Hoewel: de nieuwe versie van Boys of Bedlam klinkt vooral heel erg eigentijds, inclusief een passage die het midden houdt tussen spoken word en rap.
“Cogs, Wheels and Lovers” was ook een album dat nadrukkelijk teruggreep op de hoogtijdagen, maar die riep bij mij vooral verveling op. “Dodgy Bastards” heeft daar totaal geen last van: de band is door de komst Littman, May Smart en Sinclair flink verjongd en dat is goed te horen. Ook worden de vocalen weer als vanouds gedeeld, waarbij Littman en May Smart de nodige voor hun rekening nemen. Beiden hebben een prettige stem en de harmonieën kunnen daardoor ook weer wat spannender worden, hoewel daar helaas niet echt veel mee gedaan wordt op deze plaat.
Eigenlijk kan ik kort zijn (of: dat had gekund): “Dodgy Bastards” is een plaat met louter goede folkrock van een fris klinkende groep. Het enige minpunt is dat de plaat wel erg lang is, ruimschoots de langste tot op heden in ieder geval.
Steeleye Span - Est'd 1969 (2019)

4,0
1
geplaatst: 30 december 2021, 08:45 uur
Na “Dodgy Bastards” zag Steeleye Span oudgediende Rick Kemp vertrekken. Roger Carey werd zijn vervanger op basgitaar en zang. Daarnaast trad ook Benji Kirkpatrick – zoon van oud-lid John Kirkpatrick – toe tot de band. Hij speelt verschillende snaarinstrumenten (banjo, mandoline, bouzouki en gitaar) en zingt. Op “Est’d 1969” hebben we dus te maken met een zevenkoppige formatie.
“Est’d 1969” verwijst natuurlijk naar het oprichtingsjaar en het album is eigenlijk een mooie samenvatting van vijftig jaar Steeleye Span. Het bevat wederom twee Child Ballads (The Boy and the Mantle en Mackerel of the Sea) – er zijn er overigens zo’n driehonderd dus de band kan nog wel even vooruit. Daarnaast bevat de plaat – enigszins ongebruikelijk – twee nummers geschreven door niet-bandleden, één van Rose Kemp (dochter van Rick Kemp en Maddy Prior) en één van Dave Goulder. De overige nummers zijn wel geschreven door de bandleden zelf. De credits staan echter op naam van de gehele band, zodat het niet duidelijk is wie in de nieuwe line-up de primaire songschrijvers zijn.
Evenmin is het duidelijk wie welke zangpartij voor zijn rekening neemt, daarvoor ben ik te onbekend met de zangstemmen van de heren (minus Genockey, die zal niet zingen). Wel valt op dat de harmoniezang weer terug op het menu is. Een fraai voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld te horen in opener Harvest, sowieso een van de betere nummers van de plaat. Ook tijdens de tournee naar aanleiding van dit album kwamen de harmonieën goed uit de verf.
Met “Est’d 1969” bewijst Steeleye Span vooral dat ze er nog zijn. De band stijgt nergens boven zichzelf uit, maar geen enkel nummer valt door de mand. Een terugkeer van oud-leden valt eigenlijk niet meer te verwachten – en is ook nergens voor nodig. Ik ben benieuwd hoe deze band verder gaat de komende jaren. Genockey is bij mijn weten geen dragende kracht, dus de vraag is vooral hoe lang oudgediende Prior nog doorgaat. Twee jaar geleden leek het optreden haar toch al zwaar te vallen, en livespelen hoort toch wel bij het DNA van de band. Een nieuwe generatie staat inmiddels al klaar, dus de band zou nog jaren mee moeten kunnen. Hopelijk gaan we nog veel van hen horen.
“Est’d 1969” verwijst natuurlijk naar het oprichtingsjaar en het album is eigenlijk een mooie samenvatting van vijftig jaar Steeleye Span. Het bevat wederom twee Child Ballads (The Boy and the Mantle en Mackerel of the Sea) – er zijn er overigens zo’n driehonderd dus de band kan nog wel even vooruit. Daarnaast bevat de plaat – enigszins ongebruikelijk – twee nummers geschreven door niet-bandleden, één van Rose Kemp (dochter van Rick Kemp en Maddy Prior) en één van Dave Goulder. De overige nummers zijn wel geschreven door de bandleden zelf. De credits staan echter op naam van de gehele band, zodat het niet duidelijk is wie in de nieuwe line-up de primaire songschrijvers zijn.
Evenmin is het duidelijk wie welke zangpartij voor zijn rekening neemt, daarvoor ben ik te onbekend met de zangstemmen van de heren (minus Genockey, die zal niet zingen). Wel valt op dat de harmoniezang weer terug op het menu is. Een fraai voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld te horen in opener Harvest, sowieso een van de betere nummers van de plaat. Ook tijdens de tournee naar aanleiding van dit album kwamen de harmonieën goed uit de verf.
Met “Est’d 1969” bewijst Steeleye Span vooral dat ze er nog zijn. De band stijgt nergens boven zichzelf uit, maar geen enkel nummer valt door de mand. Een terugkeer van oud-leden valt eigenlijk niet meer te verwachten – en is ook nergens voor nodig. Ik ben benieuwd hoe deze band verder gaat de komende jaren. Genockey is bij mijn weten geen dragende kracht, dus de vraag is vooral hoe lang oudgediende Prior nog doorgaat. Twee jaar geleden leek het optreden haar toch al zwaar te vallen, en livespelen hoort toch wel bij het DNA van de band. Een nieuwe generatie staat inmiddels al klaar, dus de band zou nog jaren mee moeten kunnen. Hopelijk gaan we nog veel van hen horen.
Steeleye Span - Folk Rock Pioneers in Concert (2006)

1
geplaatst: 28 september 2025, 11:47 uur
Steeleye Span-fans werden maar verwend in de jaren na de terugkeer van Maddy Prior, Rick Kemp en Liam Genockey in 2002. Niet alleen verschenen er twee nieuwe albums in de line-up Prior, Kemp, Genockey, Knight en Nicol en werd het oudere werk opnieuw ingespeeld op Present, maar ook werd er volop getoerd en die optredens werden ook nog eens ruimschoots vastgelegd.
In 2004 verscheen al voor een select gezelschap The Official Bootleg – dat later echter ook gewoon in de handel kwam – met daarop nummers van optredens uit 2002 en 2004. In 2005 verscheen vervolgens een dvd The 35th Anniversary World Tour 2004 met daarop het volledige concert dat werd opgenomen op 20 april 2004 in Tewkesbury (en waarvan op The Official Bootleg al twee nummers vooraf waren gegaan) en in 2006 verscheen het volledige optreden van 15 mei 2004 uit Southampton op deze Folk Rock Pioneers in Concert (waarvan zes nummers ook al op die Official Bootleg stonden).
Wel zijn er op dit album twee nummers tussengevoegd van het Tewkesbury-concert: Mantle of Green en de Drumsolo van Liam Genockey, maar het is me niet duidelijk waarom dat gedaan is. Volgens de setlist van die avond zijn die nummers niet gespeeld, dus het is niet zo dat ze een tekortkoming in de opname moesten compenseren. Ook staan er aan het einde van de cd’s nog twee nummers uit een latere tour, Gaudete was de afsluiter van het ‘echte’ optreden.
Ook in 2006 was er al best het een en ander aan livemateriaal van de band beschikbaar, maar dat betrof dan vooral eerdere line-ups. De uitgave van een volledig concert met daarop enkele nummers van de laatste twee platen en vooral een mooie dwarsdoorsnede uit het dan al omvangrijke oeuvre van de band, was toen dus uit een mooie toevoeging. Nu is het nog steeds misschien wel de beste live-uitgave van Steeleye Span, maar daar zou ik morgen alweer anders over kunnen denken…
In 2004 verscheen al voor een select gezelschap The Official Bootleg – dat later echter ook gewoon in de handel kwam – met daarop nummers van optredens uit 2002 en 2004. In 2005 verscheen vervolgens een dvd The 35th Anniversary World Tour 2004 met daarop het volledige concert dat werd opgenomen op 20 april 2004 in Tewkesbury (en waarvan op The Official Bootleg al twee nummers vooraf waren gegaan) en in 2006 verscheen het volledige optreden van 15 mei 2004 uit Southampton op deze Folk Rock Pioneers in Concert (waarvan zes nummers ook al op die Official Bootleg stonden).
Wel zijn er op dit album twee nummers tussengevoegd van het Tewkesbury-concert: Mantle of Green en de Drumsolo van Liam Genockey, maar het is me niet duidelijk waarom dat gedaan is. Volgens de setlist van die avond zijn die nummers niet gespeeld, dus het is niet zo dat ze een tekortkoming in de opname moesten compenseren. Ook staan er aan het einde van de cd’s nog twee nummers uit een latere tour, Gaudete was de afsluiter van het ‘echte’ optreden.
Ook in 2006 was er al best het een en ander aan livemateriaal van de band beschikbaar, maar dat betrof dan vooral eerdere line-ups. De uitgave van een volledig concert met daarop enkele nummers van de laatste twee platen en vooral een mooie dwarsdoorsnede uit het dan al omvangrijke oeuvre van de band, was toen dus uit een mooie toevoeging. Nu is het nog steeds misschien wel de beste live-uitgave van Steeleye Span, maar daar zou ik morgen alweer anders over kunnen denken…
Steeleye Span - Hark! The Village Wait (1970)

4,0
1
geplaatst: 23 december 2021, 14:36 uur
De net uit Fairport Convention gestapte Ashley Hutchings formeerde samen met de paren Gay en Terry Woods en Tim Hart en Maddy Prior in 1969 Steeleye Span, vernoemd naar een persoon uit een oud volksliedje. De keuze voor zo’n naam was natuurlijk niet toevallig, de bewerkingen van traditionals zou vrijwel het gehele bestaan van de band core business zijn.
Op het debuut The Lark in the Morning is dit al niet anders, enkel de opener is door Hutchings geschreven, alle andere nummers zijn bewerkingen. Steeleye was daar niet uniek in, maar het is wel de enige band uit die tijd die ik ken die twee zangeressen aan boord heeft, wat veel mooie harmonieën oplevert (All Things Are Quite Silent, My Johnny Was a Shoemaker). Als leadzangeres overtuigt de toenmalige Gay Woods me wat minder dan Maddy Prior, op Lowlands of Holland vind ik haar bijvoorbeeld vrij vlak zingen, maar dat nummer wordt sowieso pas wat interessanter in de instrumentale stukken, vooral uit het hakkebord van Tim Hart. De instrumentatie doet verder wel leuk oriëntaals aan, maar het nummer zelf is vrij monotoon en de coupletten zijn behoorlijk saai. Van de zang van Terry Woods op The Hills of Greenmore ben ik overigens helemaal niet kapot. Twa Corbies kende ik eerder van Maddy Prior’s “Year”, maar in deze drie (of vier?)-stemmige versie is het nummer zo mogelijk nog mooier.
Tijdens het schrijfproces was gebleken dat de twee paren elkaar niet echt lagen en na de opnames viel de band dan ook uit elkaar. Het had zomaar het snelle einde kunnen zijn van de beste Engelse folkband ooit, maar gelukkig bleven had met name Tim Hart nog vertrouwen in de band, waardoor een doorstart volgde.
“Hark The Village Wait” is dan ook het enige album in deze samenstelling. Ik vind het een aardig begin en een mooie proeve van bekwaamheid, maar het zou allemaal nog veel beter worden.
Op het debuut The Lark in the Morning is dit al niet anders, enkel de opener is door Hutchings geschreven, alle andere nummers zijn bewerkingen. Steeleye was daar niet uniek in, maar het is wel de enige band uit die tijd die ik ken die twee zangeressen aan boord heeft, wat veel mooie harmonieën oplevert (All Things Are Quite Silent, My Johnny Was a Shoemaker). Als leadzangeres overtuigt de toenmalige Gay Woods me wat minder dan Maddy Prior, op Lowlands of Holland vind ik haar bijvoorbeeld vrij vlak zingen, maar dat nummer wordt sowieso pas wat interessanter in de instrumentale stukken, vooral uit het hakkebord van Tim Hart. De instrumentatie doet verder wel leuk oriëntaals aan, maar het nummer zelf is vrij monotoon en de coupletten zijn behoorlijk saai. Van de zang van Terry Woods op The Hills of Greenmore ben ik overigens helemaal niet kapot. Twa Corbies kende ik eerder van Maddy Prior’s “Year”, maar in deze drie (of vier?)-stemmige versie is het nummer zo mogelijk nog mooier.
Tijdens het schrijfproces was gebleken dat de twee paren elkaar niet echt lagen en na de opnames viel de band dan ook uit elkaar. Het had zomaar het snelle einde kunnen zijn van de beste Engelse folkband ooit, maar gelukkig bleven had met name Tim Hart nog vertrouwen in de band, waardoor een doorstart volgde.
“Hark The Village Wait” is dan ook het enige album in deze samenstelling. Ik vind het een aardig begin en een mooie proeve van bekwaamheid, maar het zou allemaal nog veel beter worden.
Steeleye Span - Hark! The Village Wait Live (2021)

4,0
2
geplaatst: 25 juni 2025, 14:56 uur
In 2017 besloot Steeleye Span om het debuutalbum Hark! The Village Wait integraal live op te voeren, 47 jaar na het verschijnen van de plaat.
Een halve eeuw is bepaald geen korte tijd en er is uiteraard ongelooflijk veel veranderd. Al na het verschijnen van Hark! vertrokken drie van de vijf leden en ook Tim Hart vormt al vele decennia geen onderdeel meer van de band, waardoor Maddy Prior de enige personele overeenkomst is tussen de oorspronkelijke formatie en de band die we hier live aan het werk horen, maar Prior is hier inmiddels zeventig en klinkt zeker live toch niet altijd meer helemaal zoals in haar begintijd.
Het is natuurlijk nooit erg zinvol om een studioplaat en een liveplaat te vergelijken, zelfs niet als ze in dezelfde periode door dezelfde artiesten gemaakt zijn. Live wordt er meer geïmproviseerd, maar moeten tegelijkertijd ook keuzes worden gemaakt omdat sommige stukken live niet altijd speelbaar zijn. Live-opnamen van de oorspronkelijke line-up bestaan voor zover ik weet niet, dus het is hoogstens mogelijk om de opnamen uit 2017 te vergelijken met opnames van dezelfde nummers in een periode die dichter tegen de creatiedatum aanligt, maar dat heb ik verder niet geprobeerd.
Wat in zijn algemeenheid opvalt aan dit live-album is dat het vaak wat harder klinkt, meer als een rockband, zoals bijvoorbeeld in The Blacksmith. Dit is historisch wel verklaarbaar, de originele formatie had nog geen drummer en de drumpartijen op de plaat zijn dan ook niet heel prominent aanwezig. Ik vind het niet altijd een vooruitgang, de zang wordt daar bijvoorbeeld zelfs wat overstemd. Dat is op zich natuurlijk vooral een ‘fout’ van de geluidstechnicus, maar het nummer gaat er begrijpelijkerwijs niet op vooruit.
Verder wordt er wat geschoven in de zangpartijen. De zang op My Johnny was a Shoemaker werd oorspronkelijk bijvoorbeeld keurig verdeeld tussen Prior en Gay Woods, maar hier doen minstens vier bandleden een duit in het zakje. De zang van Gay Woods op Lowlands of Holland, die ik vrij saai vind, wordt hier overgenomen door een man, ik vermoed Andrew Sinclair, maar daar ben ik niet helemaal zeker van. Meest opvallende vind ik dat de lead van Prior op One Night As I Lay In My Bed hier ook wordt overgenomen door een man, vermoedelijk Julian Littman. Misschien vind ik dit nummer nog wel het minst geslaagd uitgevoerd, het klinkt vocaal vergeleken met het origineel nogal schreeuwerig, terwijl het aangepaste arrangement met een veel prominentere vioolpartij juist wel goed werkt.
Toch is het wel fijn dat deze opnamen bestaan. Op de andere livealbums staat eigenlijk altijd relatief weinig materiaal van het debuut, en dat wordt met dit album mooi opgevangen. Toch zijn er genoeg albums waar ik liever een integrale uitvoering van zou horen dan dit debuut.
Een halve eeuw is bepaald geen korte tijd en er is uiteraard ongelooflijk veel veranderd. Al na het verschijnen van Hark! vertrokken drie van de vijf leden en ook Tim Hart vormt al vele decennia geen onderdeel meer van de band, waardoor Maddy Prior de enige personele overeenkomst is tussen de oorspronkelijke formatie en de band die we hier live aan het werk horen, maar Prior is hier inmiddels zeventig en klinkt zeker live toch niet altijd meer helemaal zoals in haar begintijd.
Het is natuurlijk nooit erg zinvol om een studioplaat en een liveplaat te vergelijken, zelfs niet als ze in dezelfde periode door dezelfde artiesten gemaakt zijn. Live wordt er meer geïmproviseerd, maar moeten tegelijkertijd ook keuzes worden gemaakt omdat sommige stukken live niet altijd speelbaar zijn. Live-opnamen van de oorspronkelijke line-up bestaan voor zover ik weet niet, dus het is hoogstens mogelijk om de opnamen uit 2017 te vergelijken met opnames van dezelfde nummers in een periode die dichter tegen de creatiedatum aanligt, maar dat heb ik verder niet geprobeerd.
Wat in zijn algemeenheid opvalt aan dit live-album is dat het vaak wat harder klinkt, meer als een rockband, zoals bijvoorbeeld in The Blacksmith. Dit is historisch wel verklaarbaar, de originele formatie had nog geen drummer en de drumpartijen op de plaat zijn dan ook niet heel prominent aanwezig. Ik vind het niet altijd een vooruitgang, de zang wordt daar bijvoorbeeld zelfs wat overstemd. Dat is op zich natuurlijk vooral een ‘fout’ van de geluidstechnicus, maar het nummer gaat er begrijpelijkerwijs niet op vooruit.
Verder wordt er wat geschoven in de zangpartijen. De zang op My Johnny was a Shoemaker werd oorspronkelijk bijvoorbeeld keurig verdeeld tussen Prior en Gay Woods, maar hier doen minstens vier bandleden een duit in het zakje. De zang van Gay Woods op Lowlands of Holland, die ik vrij saai vind, wordt hier overgenomen door een man, ik vermoed Andrew Sinclair, maar daar ben ik niet helemaal zeker van. Meest opvallende vind ik dat de lead van Prior op One Night As I Lay In My Bed hier ook wordt overgenomen door een man, vermoedelijk Julian Littman. Misschien vind ik dit nummer nog wel het minst geslaagd uitgevoerd, het klinkt vocaal vergeleken met het origineel nogal schreeuwerig, terwijl het aangepaste arrangement met een veel prominentere vioolpartij juist wel goed werkt.
Toch is het wel fijn dat deze opnamen bestaan. Op de andere livealbums staat eigenlijk altijd relatief weinig materiaal van het debuut, en dat wordt met dit album mooi opgevangen. Toch zijn er genoeg albums waar ik liever een integrale uitvoering van zou horen dan dit debuut.
Steeleye Span - Horkstow Grange (1998)

4,0
1
geplaatst: 28 december 2021, 08:02 uur
Steeleye Span zou Steeleye Span niet zijn als de formatie niet gewijzigd zou zijn. Na het laatste album “Time” vertrok mede-oprichtster en boegbeeld Maddy Prior tijdelijk en ook drummer Liam Genockey gaf er na ongeveer een decennium bandlidmaatschap – met overigens maar één studio-album – de brui aan. Wat overbleef was de kleinste bandbezetting ooit: Peter Knight, Bob Johnson, Tim Harries en Gay Woods.
Het heeft een sterke weerslag op het album. Woods speelt bodhrán (een Ierse trommel) en tamboerijn en de van Fairport Convention bekende Dave Mattacks speelt enkele drumpartijen, maar overall is dit misschien wel het minst ritmische album van de band. Folk domineert volledig over rock, en daar doen ook de eerste ervaringen van Peter Knight met een elektrische viool niets aan af. Daarnaast maakt Gay Woods hier – veel meer dan op “Time” – een verschil: de in Ierland wonende zangeres neemt Ierse folkmelodieën mee naar het door en door Britse Steeleye Span.
Sommige nummers zijn bewust heel klein gehouden – het nagenoeg à capella uitgevoerde titelnummer bijvoorbeeld, maar ook afsluiter The Parting Glass dat nagenoeg volledig op het conto van Woods kan worden geschreven. Diezelfde Woods ontbreekt dan weer op het aan Nigel Pegrum opgedragen Australia.
Horkstow Grange is dus een merkwaardig album – een album van een band die in de loop der jaren een flink aantal transformaties onderging – zowel qua sound als in de samenstelling. Op dit album lijkt de band in alle eerlijkheid op sterven na dood: het is zeker geen slechte plaat, maar tegelijkertijd is het een plaat waarvan je je bijna af kunt vragen of het onder de Steeleye Span-vlag had moeten worden uitgebracht. Veel fans vonden in ieder geval van niet: het album werd niet best ontvangen en vooral Gay Woods was de gebeten hond. Des te verbazender is het dan dat twee jaar later in dezelfde samenstelling (!) “Bedlam Born” wordt opgenomen.
Het heeft een sterke weerslag op het album. Woods speelt bodhrán (een Ierse trommel) en tamboerijn en de van Fairport Convention bekende Dave Mattacks speelt enkele drumpartijen, maar overall is dit misschien wel het minst ritmische album van de band. Folk domineert volledig over rock, en daar doen ook de eerste ervaringen van Peter Knight met een elektrische viool niets aan af. Daarnaast maakt Gay Woods hier – veel meer dan op “Time” – een verschil: de in Ierland wonende zangeres neemt Ierse folkmelodieën mee naar het door en door Britse Steeleye Span.
Sommige nummers zijn bewust heel klein gehouden – het nagenoeg à capella uitgevoerde titelnummer bijvoorbeeld, maar ook afsluiter The Parting Glass dat nagenoeg volledig op het conto van Woods kan worden geschreven. Diezelfde Woods ontbreekt dan weer op het aan Nigel Pegrum opgedragen Australia.
Horkstow Grange is dus een merkwaardig album – een album van een band die in de loop der jaren een flink aantal transformaties onderging – zowel qua sound als in de samenstelling. Op dit album lijkt de band in alle eerlijkheid op sterven na dood: het is zeker geen slechte plaat, maar tegelijkertijd is het een plaat waarvan je je bijna af kunt vragen of het onder de Steeleye Span-vlag had moeten worden uitgebracht. Veel fans vonden in ieder geval van niet: het album werd niet best ontvangen en vooral Gay Woods was de gebeten hond. Des te verbazender is het dan dat twee jaar later in dezelfde samenstelling (!) “Bedlam Born” wordt opgenomen.
Steeleye Span - Live at de Montfort Hall Leicester, 1977 (2019)

4,5
2
geplaatst: 2 januari 2022, 10:56 uur
Uit de hoogtijdagen van Steeleye Span is helaas niet veel livemateriaal beschikbaar. Een fan is dus sowieso blij met elke release, maar tegelijkertijd is het jammer dat “Leicester 1978” (op mijn exemplaar staat overigens abusievelijk 1977) uit dezelfde tijd komt als het eerste – en lange tijd enige – live-album “Live at Last”. “Live at Last” werd op 7 maart 1978 opgenomen in Bournemouth, het optreden in de De Montfort Hall in Leicester dateert van 11 februari van dat jaar, enkele weken eerder dus en van dezelfde afscheidstour.
De Steeleye Span-fans kregen aardig wat voor hun kiezen tijdens die tournee. Kirkpatrick en zeker ook Carthy zaten niet te wachten op de luid rockende concerten die de band de voorbije jaren had gegeven en ook niet op het spelen van een greatest hits-set. Het zal niet verbazen dat veel fans dat juist wel verwachtten, dus die waren weer minder gelukkig met de nadruk op folk en onbekende nummers als Montrose of The Duke of Athols Highlanders/Walter Bulwer’s Polka. “Live at Last” en “Leicester 1978” zijn dus zeker niet typerend voor de vele, vele optreden die Steeleye Span in de jaren ’70 heeft gegeven.
Op basis van een setlist van 5 maart (Peterborough), dus tussen deze twee releases in, weten we dat er ongeveer achttien nummers gespeeld werden. Met uitzondering van Hunting the Wren komen alle nummers op dit album komen ook op die setlist voor, al werd toen geopend met The Boar’s Head. Ook de nummers van “Live at Last” komen daar voor, dus er kan gesteld worden dat met deze twee releases een vrijwel volledig optreden uit de Storm Force Ten-tour gereconstrueerd kan worden. Wel is het spijtig dat het in Peterborough gespeelde The Victory en Treadmill Song op geen van beide voorkomen.
Voor “Live at Last” werden naar mijn mening niet de meest logische keuzes uit het gespeelde materiaal gemaakt (waarbij ik er even vanuit ga dat dit niets met de opnamekwaliteit te maken had): veel niet eerder uitgebracht werk en veel nadruk op het instrumentale. Dit album doet dat toch wel beter. Het is sowieso duidelijker te relateren aan “Storm Force Ten”, waarvan de helft van de nummers gespeeld wordt (en The Boar’s Head Carol was daarbij al een bonustrack), en vier andere nummers staan op eerdere platen.
Alleen al de bloedmooie samenzang op Seventeen Come Sunday en vooral Sweep, Chimney Sweep maakt dit album een aanschaf waard. Ook Rave On, waarover ik bij “Please to See the King” schreef dat de band er vocaal wel wat spannenders mee had kunnen doen, komt hier veel beter tot zijn recht. Een ander hoogtepunt is ook zeker Cam Ye O'er Frae France, alleen al vanwege het samenspel in het intro tussen de basgitaar van Rick Kemp en de accordeon van John Kirkpatrick. Sowieso geldt ook hier wat ik al eerder bij “Live at Last” schreef: de viool van Peter Knight wordt eigenlijk nergens gemist, de accordeon is prima in staat die rol te vervullen, zoals al meteen goed blijkt op Galtee Farmer.
Het was natuurlijk leuker geweest als het gehele concert was uitgebracht in plaats van een deel, en de wens voor uitgaven van oudere optredens van Steeleye Span blijft staan. Toch kan een fan “Leicester 1978” gerust aanschaffen. En hiermee wordt toch wat meer recht gedaan aan de band anno 1978 dan met de wat balsturige uitgave van “Live at Last”.
De Steeleye Span-fans kregen aardig wat voor hun kiezen tijdens die tournee. Kirkpatrick en zeker ook Carthy zaten niet te wachten op de luid rockende concerten die de band de voorbije jaren had gegeven en ook niet op het spelen van een greatest hits-set. Het zal niet verbazen dat veel fans dat juist wel verwachtten, dus die waren weer minder gelukkig met de nadruk op folk en onbekende nummers als Montrose of The Duke of Athols Highlanders/Walter Bulwer’s Polka. “Live at Last” en “Leicester 1978” zijn dus zeker niet typerend voor de vele, vele optreden die Steeleye Span in de jaren ’70 heeft gegeven.
Op basis van een setlist van 5 maart (Peterborough), dus tussen deze twee releases in, weten we dat er ongeveer achttien nummers gespeeld werden. Met uitzondering van Hunting the Wren komen alle nummers op dit album komen ook op die setlist voor, al werd toen geopend met The Boar’s Head. Ook de nummers van “Live at Last” komen daar voor, dus er kan gesteld worden dat met deze twee releases een vrijwel volledig optreden uit de Storm Force Ten-tour gereconstrueerd kan worden. Wel is het spijtig dat het in Peterborough gespeelde The Victory en Treadmill Song op geen van beide voorkomen.
Voor “Live at Last” werden naar mijn mening niet de meest logische keuzes uit het gespeelde materiaal gemaakt (waarbij ik er even vanuit ga dat dit niets met de opnamekwaliteit te maken had): veel niet eerder uitgebracht werk en veel nadruk op het instrumentale. Dit album doet dat toch wel beter. Het is sowieso duidelijker te relateren aan “Storm Force Ten”, waarvan de helft van de nummers gespeeld wordt (en The Boar’s Head Carol was daarbij al een bonustrack), en vier andere nummers staan op eerdere platen.
Alleen al de bloedmooie samenzang op Seventeen Come Sunday en vooral Sweep, Chimney Sweep maakt dit album een aanschaf waard. Ook Rave On, waarover ik bij “Please to See the King” schreef dat de band er vocaal wel wat spannenders mee had kunnen doen, komt hier veel beter tot zijn recht. Een ander hoogtepunt is ook zeker Cam Ye O'er Frae France, alleen al vanwege het samenspel in het intro tussen de basgitaar van Rick Kemp en de accordeon van John Kirkpatrick. Sowieso geldt ook hier wat ik al eerder bij “Live at Last” schreef: de viool van Peter Knight wordt eigenlijk nergens gemist, de accordeon is prima in staat die rol te vervullen, zoals al meteen goed blijkt op Galtee Farmer.
Het was natuurlijk leuker geweest als het gehele concert was uitgebracht in plaats van een deel, en de wens voor uitgaven van oudere optredens van Steeleye Span blijft staan. Toch kan een fan “Leicester 1978” gerust aanschaffen. En hiermee wordt toch wat meer recht gedaan aan de band anno 1978 dan met de wat balsturige uitgave van “Live at Last”.
Steeleye Span - Live at Last! (1978)

4,0
1
geplaatst: 26 december 2021, 11:30 uur
Met dezelfde line-up als op “Storm Force Ten” wordt ook getoerd en dat betekent dus een prominente accordeon. Van de acht nummers zijn er slechts twee al eerder op plaat verschenen, wellicht omdat veel van de oudere nummers niet zo makkelijk te spelen vielen zonder viool? Of misschien was het wel bewust afstand nemen van de koers die Steeleye Span juist zo succesvol had gemaakt: een mix van traditionele folk en (steeds meer) rock? Op deze plaat is de rock veel minder prominent aanwezig. Het doet daardoor wel verlangen naar een opnames van concerten van eerdere line-ups (en daarmee dus hele andere setlists).
Op Live at Last krijgen we dus eigenlijk vrijwel uitsluitend nieuw materiaal en zelfs een bekend nummer als False Knight on the Road werkt sterk af van de studio-opname. Dat is verder allerminst een drama overigens. The Maid and the Palmer is bijvoorbeeld een episch verhaal in de beste Steeleye Span-traditie.
Montrose is een fijne up-tempo folksong maar het gaat wel érg lang door. Dan is de korte Morris dance Bonnets wel weer het andere uiterste. Misschien deed de dansgrage Prior er op het podium nog een leuk dansje bij, maar zo op plaat is het behoorlijk saai. De afsluitende Four Seasons-cover Rag Doll is wél leuk.
Op Live at Last krijgen we dus eigenlijk vrijwel uitsluitend nieuw materiaal en zelfs een bekend nummer als False Knight on the Road werkt sterk af van de studio-opname. Dat is verder allerminst een drama overigens. The Maid and the Palmer is bijvoorbeeld een episch verhaal in de beste Steeleye Span-traditie.
Montrose is een fijne up-tempo folksong maar het gaat wel érg lang door. Dan is de korte Morris dance Bonnets wel weer het andere uiterste. Misschien deed de dansgrage Prior er op het podium nog een leuk dansje bij, maar zo op plaat is het behoorlijk saai. De afsluitende Four Seasons-cover Rag Doll is wél leuk.
Steeleye Span - Now We Are Six (1974)

3,5
1
geplaatst: 24 december 2021, 13:33 uur
Na het sterke “Parcel of Rogues” doet Steeleye Span een later helaas weer stapje terug met “Now We Are Six”. De titel kan tweeledig verklaard worden, enerzijds als het zesde album in de discografie van de band, maar ook de toevoeging van een zesde bandlid. De nadrukkelijkere rockkoers die onder leiding van Kemp en de tournee in het voorprogramma van Jethro Tull vroegen om een echte drummer, die werd gevonden in de persoon van Nigel Pegrum.
Een ander gevolg van de tour met Jethro Tull was dat Ian Anderson ineens werd opgevoerd als ‘production consultant’, maar zelfs Anderson wist achteraf niet wat daarmee bedoeld werd. Wel zorgde Anderson ervoor dat David Bowie saxofoon speelde op To Know Him Is to Love Him. Helaas is dat meteen het slechtste nummer op de hele plaat, dus die bijdrage gaat helaas een beetje verloren. De keuze voor de cover schijnt voort te komen uit de toegiften die de band tijdens de tournee deed, maar misschien had het daar beter gewoon bij kunnen blijven. Ook Twinkle, Twinkle Little Star, waarbij Steeleye Span doet alsof ze een kinderkoor zijn, had beter achterwege kunnen blijven.
De rest van de plaat bevat eigenlijk alleen in de vorm van Thomas the Rhymer een topper – maar dan vooral in de lange versie. De rest van de nummers zijn vaak wel goed – zoals bijvoorbeeld Two Magicians – maar doordat Steeleye Span de lat in de eerste tien jaar zo hoog had liggen, blijft deze toch wat ondergesneeuwd – mede dankzij de twee zwakke afsluiters.
Een ander gevolg van de tour met Jethro Tull was dat Ian Anderson ineens werd opgevoerd als ‘production consultant’, maar zelfs Anderson wist achteraf niet wat daarmee bedoeld werd. Wel zorgde Anderson ervoor dat David Bowie saxofoon speelde op To Know Him Is to Love Him. Helaas is dat meteen het slechtste nummer op de hele plaat, dus die bijdrage gaat helaas een beetje verloren. De keuze voor de cover schijnt voort te komen uit de toegiften die de band tijdens de tournee deed, maar misschien had het daar beter gewoon bij kunnen blijven. Ook Twinkle, Twinkle Little Star, waarbij Steeleye Span doet alsof ze een kinderkoor zijn, had beter achterwege kunnen blijven.
De rest van de plaat bevat eigenlijk alleen in de vorm van Thomas the Rhymer een topper – maar dan vooral in de lange versie. De rest van de nummers zijn vaak wel goed – zoals bijvoorbeeld Two Magicians – maar doordat Steeleye Span de lat in de eerste tien jaar zo hoog had liggen, blijft deze toch wat ondergesneeuwd – mede dankzij de twee zwakke afsluiters.
Steeleye Span - Parcel of Rogues (1973)

5,0
3
geplaatst: 24 december 2021, 13:33 uur
Na de overgangsplaat “Below the Salt” volgt in dezelfde formatie al snel “Parcel of Rogues”. Het is voor mij het album waar de invloed van Kemp en Johnson echt tot zijn recht komt, namelijk in de veel nadrukkelijkere keuze voor de rock. Geen jigs en reels op deze plaat en ook de harmoniezang komt er wat bekaaider vanaf. Enkel bij The Weaver and the Factory Maid heb ik het idee dat deze ook met gemak op een van de voorgangers had kunnen staan. Daarnaast voegt Kemp’s basgitaar ook echt veel toe aan het geluid van de band, en daarnaast drumt hij zelfs wat op deze plaat.
Steeleye werkte vlak voor het maken van dit album aan een de muzikale begeleiding voor een toneelstuk van de Schotse schrijver Robert Louis Stevenson en zat dus aardig in de Schotse sferen. Cam Ye O’er Frae France en Rogues in a Nation (naar een gedicht van Robert Burns) zijn hiernaar te herleiden. Het zijn twee van de beste nummers op deze plaat, maar met de epic Alison Gross en het verhalende The Bold Poachers en het spannende instrumentaaltje Robbery with Violins heeft dit album sowieso geen gebrek aan hoogtepunten.
Steeleye werkte vlak voor het maken van dit album aan een de muzikale begeleiding voor een toneelstuk van de Schotse schrijver Robert Louis Stevenson en zat dus aardig in de Schotse sferen. Cam Ye O’er Frae France en Rogues in a Nation (naar een gedicht van Robert Burns) zijn hiernaar te herleiden. Het zijn twee van de beste nummers op deze plaat, maar met de epic Alison Gross en het verhalende The Bold Poachers en het spannende instrumentaaltje Robbery with Violins heeft dit album sowieso geen gebrek aan hoogtepunten.
Steeleye Span - Please to See the King (1971)

4,5
1
geplaatst: 23 december 2021, 14:37 uur
Na de opnames van “The Lark in the Morning” was Steeleye Span uit elkaar gevallen. Terry en Gay Woods waren vertrokken en Ashley Hutchings had ook alweer andere plannen. Een ontmoeting van Tim Hart met de toen al bekende gitarist en zanger Martin Carthy resulteerde echter in een doorstart. Wel bleek een extra instrumentalist gewenst en die werd gevonden in violist Peter Knight.
Als eerste valt op dat The Blacksmith van het debuut opnieuw is opgenomen, in een veel spannender arrangement ditmaal.
Peter Knight bewijst zijn waarde in het volgende hoogtepunt Cold, Haily, Windy Night, met een nogal vervormd klinkende viool, wat het nummers veel dreiging meegeeft.
Bryan O’Lynn, met Prior op spoons, bewijst dat Steeleye Span op dit album zowel rockender als traditioneler voor de dag komt.
Het intro van Boys of Bedlam lijkt wel gezongen in de badkamer, het klinkt hol en erg lo-fi, en doet mijns inziens geen recht aan dit verder geweldige nummer. Gelukkig wordt dat in het vervolg beter.
Het album sluit af met het curieuze Rave On, een a capella Buddy Holly-cover. Een interessante toevoeging, maar toch beklijft het gevoel dat hier meer in had gezeten: met zulke getalenteerde vocalisten hadden ze het bijvoorbeeld ook vierstemmig kunnen proberen…
Als eerste valt op dat The Blacksmith van het debuut opnieuw is opgenomen, in een veel spannender arrangement ditmaal.
Peter Knight bewijst zijn waarde in het volgende hoogtepunt Cold, Haily, Windy Night, met een nogal vervormd klinkende viool, wat het nummers veel dreiging meegeeft.
Bryan O’Lynn, met Prior op spoons, bewijst dat Steeleye Span op dit album zowel rockender als traditioneler voor de dag komt.
Het intro van Boys of Bedlam lijkt wel gezongen in de badkamer, het klinkt hol en erg lo-fi, en doet mijns inziens geen recht aan dit verder geweldige nummer. Gelukkig wordt dat in het vervolg beter.
Het album sluit af met het curieuze Rave On, een a capella Buddy Holly-cover. Een interessante toevoeging, maar toch beklijft het gevoel dat hier meer in had gezeten: met zulke getalenteerde vocalisten hadden ze het bijvoorbeeld ook vierstemmig kunnen proberen…
Steeleye Span - Present (2002)
Alternatieve titel: The Very Best Of

4,0
2
geplaatst: 23 juni 2025, 12:52 uur
Helaas slaan de vorige twee posts de plank nogal mis. Present is geen verzamelaar van oude nummers, het zijn allemaal opnieuw ingespeelde nummers.
In 2002 keerde Maddy Prior weer terug bij Steeleye, nadat ze afwezig was op de albums Horkstow Grange en Bedlam Born. Ook Rick Kemp en Liam Genockey zijn weer terug op het nest, en Bob Johnson is hier ook nog aan boord - op het volgende studioalbum They Called Her Babylon is hij vertrokken. Daarmee is dit een aardige benadering van de meest klassieke line-up die Steeleye Span gekend heeft, alleen Tim Hart ontbreekt.
Ik ben normaliter niet zo'n liefhebber van het opnieuw inspelen van ouder materiaal - het is vaak nogal een teken dat je niet meer in staat bent nog materiaal te schrijven dat zich kan meten met je oudere werk - maar er zijn ook wel weer genoeg uitzonderingen op die regel en ik denk dat dit album er daar wel een van is.
Niet dat deze versies de oorspronkelijke ineens overbodig maken - verre van - maar de nummers klinken ook echt wel anders. Enerzijds omdat de samenstelling van de band net iets anders kan zijn of omdat Prior soms bijvoorbeeld wat anders zingt, maar vooral ook wel omdat nummers in de loop der tijd - onder invloed van vele livevertolkingen - gewoon veranderd zijn.
Dit album is daarmee vooral een aardige aanvulling op de collectie, maar geenszins onmisbaar - en zeker niet geschikt als verzamelaar.
In 2002 keerde Maddy Prior weer terug bij Steeleye, nadat ze afwezig was op de albums Horkstow Grange en Bedlam Born. Ook Rick Kemp en Liam Genockey zijn weer terug op het nest, en Bob Johnson is hier ook nog aan boord - op het volgende studioalbum They Called Her Babylon is hij vertrokken. Daarmee is dit een aardige benadering van de meest klassieke line-up die Steeleye Span gekend heeft, alleen Tim Hart ontbreekt.
Ik ben normaliter niet zo'n liefhebber van het opnieuw inspelen van ouder materiaal - het is vaak nogal een teken dat je niet meer in staat bent nog materiaal te schrijven dat zich kan meten met je oudere werk - maar er zijn ook wel weer genoeg uitzonderingen op die regel en ik denk dat dit album er daar wel een van is.
Niet dat deze versies de oorspronkelijke ineens overbodig maken - verre van - maar de nummers klinken ook echt wel anders. Enerzijds omdat de samenstelling van de band net iets anders kan zijn of omdat Prior soms bijvoorbeeld wat anders zingt, maar vooral ook wel omdat nummers in de loop der tijd - onder invloed van vele livevertolkingen - gewoon veranderd zijn.
Dit album is daarmee vooral een aardige aanvulling op de collectie, maar geenszins onmisbaar - en zeker niet geschikt als verzamelaar.
Steeleye Span - Rocket Cottage (1976)

4,0
3
geplaatst: 25 december 2021, 11:03 uur
De opener van het in Hilversum opgenomen “Rocket Cottage” klinkt een beetje als een herhaling van zetten, al maakt het frivole vioolspel van Peter Knight nog wel wat goed. Anderzijds is dit natuurlijk gewoon een luxeprobleem – als luisteraar zijn we wellicht iets te veel gewend aan de hoge kwaliteit die Steeleye Span in deze periode aflevert. Ook het wel heel korte Bosnian Hornpipers klinkt vrij traditioneel.
Orfeo kent enorm funkend basspel. Het is een heel merkwaardig nummer, het lijkt wel een soort discofolk. Het loopt over in Knight’s vioolsolo in Nathan’s Reel, die dan weer langzaam wordt weggefade. Ik kan niet zeggen dat ik de keuzes van producer Mike Batt hier helemaal begrijp.
Maddy Prior weet me positief te verrassen in The Brown Girl, dat zeer verhalend en gevarieerd wordt gezongen. Ook hier overigens weer het funkende basspel van Rick Kemp.
In Fighting with Strangers – een vraag-antwoordlied tussen Prior en een zanger die ik niet helemaal thuis kan brengen. Die zanger (Knight?) weet wel enorme lappen tekst binnen het metrum te verhapstukken. Instrumentaal is het nogal apart gearrangeerd, het heeft zelfs iets Calypso-achtigs, maar dan een duistere variant daarop. Je kunt in ieder geval veel zeggen van deze plaat, maar niet dat de band op safe speelt na het succes van de voorganger. Ook Sligo Maid is weer een opvallende keuze, een soort funkreel. Sir James the Rose is dan weer vrij traditioneel in de gekozen aanpak.
En dan komen we aan bij de inmiddels bijna traditionele ‘vreemde afsluiter’. The Drunkard begint al met wat studioconversatie – geen goed begin. Vervolg zet Prior een raar stemmetje op en vervolgens weer wat gepraat. Nee, dit had niet op plaat gezet hoeven te worden. En dan volgt ineens weer een stukje prachtzang van Prior – hoewel ze het valse wel bewust zoekt (vandaar de titel).
Een klassieker is “Rocket Cottage” zeker niet – wel een hele leuke plaat, met veel interessante vondsten. Sommige nummers duren alleen wel wat lang. De plaat is verder wat gedateerder dan de voorgangers en daarnaast kwam deze plaat precies op het verkeerde moment, namelijk tegelijk met het begin van de punkgolf. Het hoeft verder geen betoog dat de folkrock van Steeleye Span diametraal tegenover de nieuwe stroming stond en daarnaast ook wel een gemakkelijk doelwit was.
Orfeo kent enorm funkend basspel. Het is een heel merkwaardig nummer, het lijkt wel een soort discofolk. Het loopt over in Knight’s vioolsolo in Nathan’s Reel, die dan weer langzaam wordt weggefade. Ik kan niet zeggen dat ik de keuzes van producer Mike Batt hier helemaal begrijp.
Maddy Prior weet me positief te verrassen in The Brown Girl, dat zeer verhalend en gevarieerd wordt gezongen. Ook hier overigens weer het funkende basspel van Rick Kemp.
In Fighting with Strangers – een vraag-antwoordlied tussen Prior en een zanger die ik niet helemaal thuis kan brengen. Die zanger (Knight?) weet wel enorme lappen tekst binnen het metrum te verhapstukken. Instrumentaal is het nogal apart gearrangeerd, het heeft zelfs iets Calypso-achtigs, maar dan een duistere variant daarop. Je kunt in ieder geval veel zeggen van deze plaat, maar niet dat de band op safe speelt na het succes van de voorganger. Ook Sligo Maid is weer een opvallende keuze, een soort funkreel. Sir James the Rose is dan weer vrij traditioneel in de gekozen aanpak.
En dan komen we aan bij de inmiddels bijna traditionele ‘vreemde afsluiter’. The Drunkard begint al met wat studioconversatie – geen goed begin. Vervolg zet Prior een raar stemmetje op en vervolgens weer wat gepraat. Nee, dit had niet op plaat gezet hoeven te worden. En dan volgt ineens weer een stukje prachtzang van Prior – hoewel ze het valse wel bewust zoekt (vandaar de titel).
Een klassieker is “Rocket Cottage” zeker niet – wel een hele leuke plaat, met veel interessante vondsten. Sommige nummers duren alleen wel wat lang. De plaat is verder wat gedateerder dan de voorgangers en daarnaast kwam deze plaat precies op het verkeerde moment, namelijk tegelijk met het begin van de punkgolf. Het hoeft verder geen betoog dat de folkrock van Steeleye Span diametraal tegenover de nieuwe stroming stond en daarnaast ook wel een gemakkelijk doelwit was.
Steeleye Span - Sails of Silver (1980)

3,5
1
geplaatst: 26 december 2021, 11:30 uur
Het is alsof de klok wordt teruggedraaid. De na “Rocket Cottage” opgestapte leden Peter Knight en Bob Johnson zijn vier jaar na hun vertrek weer terug en Carthy en Kirkpatrick hebben de band weer verlaten. Toch is er wel het een en ander veranderd, niet in het minst in het muzikale landschap. Steeleye Span was daar toch wel als een van de dino’s gaan gelden in een tijd die sowieso niet heel gunstig was voor folkartiesten.
“Sails of Silver” voelt wel alsof er concessies worden gedaan aan de tijdsgeest. De nummers zijn wat korter geworden en het titelnummer klinkt wel erg poppy. Het wordt er vervolgens niet echt beter op. Sterker, de vraag dringt zich op of we nog wel met dezelfde band te maken hebben. Want waar is de samenzang gebleven? Waarom is Knight’s vioolspel zo weinig prominent? Waarom doet Prior zo vaak de leadzang? En de belangrijkste: waarom kiest de band hier vooral voor eigen nummers in plaats van de trad.arr.’s waar ze zo groot mee zijn geworden?
Er worden dus nogal wat van de oude constanten opgegeven – en wellicht kon de band toen ook niet anders. Veel heeft het allemaal niet geholpen. “Sails of Silver” verkocht niet geweldig en de band verdween weer uit het zicht en het zou jaren duren voor er een opvolger verscheen. Nogal wat anders dan het waanzinnige releaseschema dat de band in het vorige decennium had.
Tim Hart moest zich overigens om gezondheidsredenen na “Sails of Silver” zelfs terugtrekken uit de muziek – een incidentele bijdrage daargelaten heeft hij toen zijn vroege dood niet meer als muzikant gewerkt.
“Sails of Silver” voelt wel alsof er concessies worden gedaan aan de tijdsgeest. De nummers zijn wat korter geworden en het titelnummer klinkt wel erg poppy. Het wordt er vervolgens niet echt beter op. Sterker, de vraag dringt zich op of we nog wel met dezelfde band te maken hebben. Want waar is de samenzang gebleven? Waarom is Knight’s vioolspel zo weinig prominent? Waarom doet Prior zo vaak de leadzang? En de belangrijkste: waarom kiest de band hier vooral voor eigen nummers in plaats van de trad.arr.’s waar ze zo groot mee zijn geworden?
Er worden dus nogal wat van de oude constanten opgegeven – en wellicht kon de band toen ook niet anders. Veel heeft het allemaal niet geholpen. “Sails of Silver” verkocht niet geweldig en de band verdween weer uit het zicht en het zou jaren duren voor er een opvolger verscheen. Nogal wat anders dan het waanzinnige releaseschema dat de band in het vorige decennium had.
Tim Hart moest zich overigens om gezondheidsredenen na “Sails of Silver” zelfs terugtrekken uit de muziek – een incidentele bijdrage daargelaten heeft hij toen zijn vroege dood niet meer als muzikant gewerkt.
Steeleye Span - Storm Force Ten (1977)

5,0
1
geplaatst: 26 december 2021, 11:29 uur
Peter Knight en Bob Johnson hebben Steeleye Span na “Rocket Cottage” verlaten om te werken aan een eigen album. Johnson wordt vervangen door Martin Carthy, die daarmee weer even terugkeert op het oude nest. In zijn kielzog neemt Carthy daarnaast ook accordeonist John Kirkpatrick mee.
Storm Force Ten begint wat moeizaam met Awake, Awake, dat een beetje verzuipt in overdaad en het gebrek aan een duidelijke melodielijn. Het vervolg, het a-capella gezongen Sweep, Chimney Sweep kan daarentegen met gemak tot de hoogtepunten uit het oeuvre van Steeleye Span gerekend worden. Het is een opmaat voor een uitstekende plaat, misschien zelfs wel de beste van de band.
Steeleye Span stond al zo’n beetje op omvallen en het tijdsbeeld was ook niet gunstig voor de folkdino’s. Daarnaast had de enorme productie – tien albums in acht jaar tijd – en het vele toeren zijn wissel getrokken op de leden. Het mag al met al dus een klein wonder genoemd worden dat het verse bloed van Carthy en Kirkpatrick de band nog tot een voorlopig laatste hoogtepunt heeft weten te brengen.
De viool was een van de belangrijkste kenmerken van de band geworden, en toch wordt deze op “Storm Force Ten” eigenlijk niet gemist. Ook met een accordeon kan immers hele goede folk gemaakt worden. Daarnaast kent de plaat een gelukkige songkeuze – onder andere de twee Brecht-nummers – en een goede flow.
Storm Force Ten begint wat moeizaam met Awake, Awake, dat een beetje verzuipt in overdaad en het gebrek aan een duidelijke melodielijn. Het vervolg, het a-capella gezongen Sweep, Chimney Sweep kan daarentegen met gemak tot de hoogtepunten uit het oeuvre van Steeleye Span gerekend worden. Het is een opmaat voor een uitstekende plaat, misschien zelfs wel de beste van de band.
Steeleye Span stond al zo’n beetje op omvallen en het tijdsbeeld was ook niet gunstig voor de folkdino’s. Daarnaast had de enorme productie – tien albums in acht jaar tijd – en het vele toeren zijn wissel getrokken op de leden. Het mag al met al dus een klein wonder genoemd worden dat het verse bloed van Carthy en Kirkpatrick de band nog tot een voorlopig laatste hoogtepunt heeft weten te brengen.
De viool was een van de belangrijkste kenmerken van de band geworden, en toch wordt deze op “Storm Force Ten” eigenlijk niet gemist. Ook met een accordeon kan immers hele goede folk gemaakt worden. Daarnaast kent de plaat een gelukkige songkeuze – onder andere de twee Brecht-nummers – en een goede flow.
Steeleye Span - Tempted and Tried (1989)

4,0
2
geplaatst: 27 december 2021, 10:36 uur
Met Padstow werd het meest recente optreden van de band in Nederland geopend. Een uitstekende keus en het is sowieso een van de leukste nummers van na de gloriedagen. Ook The Fox kent weer een hoop ideeën in een liedje van drie minuten. Knap is ook wel dat het nummers best eigentijds klinkt én toch heel erg als vintage Steeleye Span. Ook op Two Butchers wordt weer duidelijk teruggegrepen op ouder werk. Daar staat dan helaas ook weer een vreselijk gedateerde draak als Following Me tegenover.
“Tempted and Tried” klinkt stukken frisser dan de twee voorgangers en ook valt op dat de harmoniezang weer echt terug is. Het is nog steeds geen meesterwerk, maar de weg omhoog is duidelijk weer ingeslagen. Dit kan ook zeker op het conto worden geschreven van bassist Tim Harries, de bassist die de met een schouderblessure kampende Rick Kemp verving.
Na het verschijnen van dit album wordt er intensief getoerd, ook vanwege het twintigjarig bestaan van de band. Drummer Nigel Pegrum is dan vertrokken, hij wordt vervangen door Liam Genockey (na Maddy Prior inmiddels het langstzittend bandlid).
“Tempted and Tried” klinkt stukken frisser dan de twee voorgangers en ook valt op dat de harmoniezang weer echt terug is. Het is nog steeds geen meesterwerk, maar de weg omhoog is duidelijk weer ingeslagen. Dit kan ook zeker op het conto worden geschreven van bassist Tim Harries, de bassist die de met een schouderblessure kampende Rick Kemp verving.
Na het verschijnen van dit album wordt er intensief getoerd, ook vanwege het twintigjarig bestaan van de band. Drummer Nigel Pegrum is dan vertrokken, hij wordt vervangen door Liam Genockey (na Maddy Prior inmiddels het langstzittend bandlid).
Steeleye Span - Ten Man Mop, Or Mr. Reservoir Butler Rides Again (1971)

4,0
1
geplaatst: 23 december 2021, 14:38 uur
Ten Man Mop, Or Mr. Reservoir Butler Rides Again werd opgenomen in dezelfde samenstelling waarin ook voorganger Please to See the King werd opgenomen. Het voelt zelfs af en toe een beetje als een herhaling van zetten, maar dan toch net wat traditioneler en net iets minder spannend. Daarmee zouden echter een paar topper tekort worden gedaan. When I Was on Horseback is vocaal al een heel fijn nummer, maar instrumentaal steekt het buitengewoon spannend in elkaar, zowel door de viool- als de gitaarpartijen.
Door het gehele album is er verder een nogal sterk contrast tussen de vrolijke en de duistere nummers. Die tweede categorie (naast When I Was on Horseback ook Captain Coulston en Skewball) overtuigt mij meer. Sowieso hoeven jigs en reels voor mij niet zo nodig op plaat, die komen live toch altijd veel beter over.
Door het gehele album is er verder een nogal sterk contrast tussen de vrolijke en de duistere nummers. Die tweede categorie (naast When I Was on Horseback ook Captain Coulston en Skewball) overtuigt mij meer. Sowieso hoeven jigs en reels voor mij niet zo nodig op plaat, die komen live toch altijd veel beter over.
Steeleye Span - The Best of & the Rest Of (1990)

3,5
2
geplaatst: 28 september 2025, 10:48 uur
Rond 1990 verscheen er op het Action Replay-label een aantal compilaties onder de titel The Best Of & The Rest Of. Ik heb geen idee wat de toenmalige prijzen waren, maar mijn exemplaar van de Steeleye Span oogt vrij goedkoop, met alleen een inlegvelletje in plaats van liner notes of een andere vorm van verantwoording en een lelijke cover. Verdere naspeuring leert dat dit album een uitgeklede versie is van de verzamelaar The Early Years die een jaar eerder op het label Connoisseur Collection was verschenen. Die Early Years bevat twintig nummers, bij The Best Of & The Rest Of ontbreken de laatste zes. Ik kan alleen maar raden naar de reden om al na een jaar een uitgeklede versie op de markt te brengen op een ander label.
De titels maken verder al duidelijk dat het hier gaat om werk uit de beginperiode, te weten de eerste drie albums plus twee nummers van het duo Tim Hart & Maddy Prior (5 en 11). Het zal allemaal wel een rechtenkwestie geweest zijn, want vanaf Below The Salt uit 1972 verscheen de muziek van Steeleye op het Chrysalis-label en dat jaar is sindsdien voor verzamelaars ook een demarcatiepunt. De nummers op deze verzamelaar verschenen bij TePee, B&C, Pegasus en RCA.
Valt er dan verder nog iets over de muziek te zeggen? Nou, eigenlijk niet echt. Er staat op deze verzamelaar dus helemaal niets dat niet al eerder verschenen is, en zoals bij elke verzamelaar valt op de gemaakte keuzes altijd wel wat af te dingen (geen Blackleg Miner?) Maar goed, het is natuurlijk wel Steeleye Span, dus het blijft sowieso leuk om naar te luisteren natuurlijk, maar inmiddels zijn er wel betere verzamelaars verschenen. Deze komt dus niet zo snel de kast uit...
De titels maken verder al duidelijk dat het hier gaat om werk uit de beginperiode, te weten de eerste drie albums plus twee nummers van het duo Tim Hart & Maddy Prior (5 en 11). Het zal allemaal wel een rechtenkwestie geweest zijn, want vanaf Below The Salt uit 1972 verscheen de muziek van Steeleye op het Chrysalis-label en dat jaar is sindsdien voor verzamelaars ook een demarcatiepunt. De nummers op deze verzamelaar verschenen bij TePee, B&C, Pegasus en RCA.
Valt er dan verder nog iets over de muziek te zeggen? Nou, eigenlijk niet echt. Er staat op deze verzamelaar dus helemaal niets dat niet al eerder verschenen is, en zoals bij elke verzamelaar valt op de gemaakte keuzes altijd wel wat af te dingen (geen Blackleg Miner?) Maar goed, het is natuurlijk wel Steeleye Span, dus het blijft sowieso leuk om naar te luisteren natuurlijk, maar inmiddels zijn er wel betere verzamelaars verschenen. Deze komt dus niet zo snel de kast uit...
