Hier kun je zien welke berichten Sandokan-veld als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
The Miles Davis / Tadd Dameron Quintet - In Paris Festival International de Jazz, May 1949 (1977)

2,5
1
geplaatst: 5 april 2021, 14:19 uur
Met: Miles Davis (trompet); Tadd Dameron (piano); James Moody (tenorsax); Barney Spieler (bas); Kenny Clarke (drums)
Bijeengeraapt uit radio-uitzendingen van shows die de band tussen 8 en 15 mei gaf in concertzaal Salle Pleyel in Parijs. Het was Miles Davis' eerste reis naar Europa, en vooral de Parijse kunstwereld lijkt hem te zijn bijgebleven (in het bijzonder zangeres/actrice Juliette Gréco, met wie hij een verhouding begint). Wel herinnert Davis zich dat hun optredens op het 'Festival International de Jazz' een succes waren.
Aan het enthousiasme van het applaus te horen had hij gelijk, maar deze release maakt me niet echt aan het juichen. Daarvoor is de opnamekwaliteit gewoon al te 'meh'. En dan heb je ook nog een Franse radiopresentator die zichzelf blijkbaar graag hoort praten, en meerdere keren dwars door de muziek heen babbelt (in alle eerlijkheid, hij had niet kunnen voorzien dat hij daar ruim zeventig jaar later voor zou worden bekritiseerd op een muziekforum, natuurlijk).
De muziek is vooral historisch interessant. Van de samenwerkingen tussen Dameron en Davis zijn mij verder geen opnames bekend (al ben ik geen expert). Davis doet wat aankondigingen tussen de nummers, nog in zijn 'normale stem' die nog niet de bekende rasp was geworden (omdat hij schreeuwende ruzie maakte met iemand kort nadat hij was geopereerd aan een poliep op zijn stembanden).
In de band spelen verder Kenny Clarke (die in Parijs zou blijven hangen), de destijds populaire maar wat vergeten saxofonist James Moody (precies nul stemmen voor hem op Musicmeter) en de geheel vergeten bassist Barney Spieler (Davis beweert in zijn boek zelfs dat Pierre Michelot de bassist was, maar alle andere bronnen spreken dit tegen).
Alleen de twee blazers zijn echt goed te horen. Die klinken bij vlagen lekker, maar met de luxe van het kunnen herbeoordelen in 2021 is het allemaal niet héél bijzonder. Davis zou pas terug in Amerika echt stappen gaan zetten richting zijn toekomstige sterrenstatus. Tadd Dameron was wellicht wel op de top van zijn kunnen hier, maar is zo slecht te horen dat geïnteresseerde luisteraars het beter kunnen houden bij zijn eerder opnames met trompettist 'Fats' Navarro, destijds toch wel de meerdere van Miles Davis.
Bijeengeraapt uit radio-uitzendingen van shows die de band tussen 8 en 15 mei gaf in concertzaal Salle Pleyel in Parijs. Het was Miles Davis' eerste reis naar Europa, en vooral de Parijse kunstwereld lijkt hem te zijn bijgebleven (in het bijzonder zangeres/actrice Juliette Gréco, met wie hij een verhouding begint). Wel herinnert Davis zich dat hun optredens op het 'Festival International de Jazz' een succes waren.
Aan het enthousiasme van het applaus te horen had hij gelijk, maar deze release maakt me niet echt aan het juichen. Daarvoor is de opnamekwaliteit gewoon al te 'meh'. En dan heb je ook nog een Franse radiopresentator die zichzelf blijkbaar graag hoort praten, en meerdere keren dwars door de muziek heen babbelt (in alle eerlijkheid, hij had niet kunnen voorzien dat hij daar ruim zeventig jaar later voor zou worden bekritiseerd op een muziekforum, natuurlijk).
De muziek is vooral historisch interessant. Van de samenwerkingen tussen Dameron en Davis zijn mij verder geen opnames bekend (al ben ik geen expert). Davis doet wat aankondigingen tussen de nummers, nog in zijn 'normale stem' die nog niet de bekende rasp was geworden (omdat hij schreeuwende ruzie maakte met iemand kort nadat hij was geopereerd aan een poliep op zijn stembanden).
In de band spelen verder Kenny Clarke (die in Parijs zou blijven hangen), de destijds populaire maar wat vergeten saxofonist James Moody (precies nul stemmen voor hem op Musicmeter) en de geheel vergeten bassist Barney Spieler (Davis beweert in zijn boek zelfs dat Pierre Michelot de bassist was, maar alle andere bronnen spreken dit tegen).
Alleen de twee blazers zijn echt goed te horen. Die klinken bij vlagen lekker, maar met de luxe van het kunnen herbeoordelen in 2021 is het allemaal niet héél bijzonder. Davis zou pas terug in Amerika echt stappen gaan zetten richting zijn toekomstige sterrenstatus. Tadd Dameron was wellicht wel op de top van zijn kunnen hier, maar is zo slecht te horen dat geïnteresseerde luisteraars het beter kunnen houden bij zijn eerder opnames met trompettist 'Fats' Navarro, destijds toch wel de meerdere van Miles Davis.
The Miles Davis Sextet - Jazz at the Plaza Vol. 1 (1974)

3,5
0
geplaatst: 9 juli 2022, 08:40 uur
Deze heb ik kennelijk al twee jaar geleden becijferd, maar nog geen reactie voor geschreven. Er is verder ook niet zoveel toe te voegen aan het bericht van platedraaier hierboven. Voor mensen die nieuw zijn in de discografie van Davis is het misschien handig om te weten dat 'At the Plaza, Vol 2' een plaat is van Duke Ellington.
Dit is verder vooral interessant omdat er niet héél veel materiaal officieel beschikbaar is van de '1958' band van Miles Davis, waarmee hij een paar van zijn mooiste dingen opnam. Echt een heel goede band, dus zeker de moeite waard (alleen al die solo van Evans in 'My Funny Valentine'...), maar qua geluidskwaliteit niet héél geweldig. Ondanks het toffe spel blijft de indruk een beetje hangen dat dit werd opgebracht omdat iemand het toevallig had opgenomen. De andere beschikbare liveplaat van deze opstelling, Miles Davis at Newport 1958 zou ik persoonlijk denk ik eerder opzetten.
Dit is verder vooral interessant omdat er niet héél veel materiaal officieel beschikbaar is van de '1958' band van Miles Davis, waarmee hij een paar van zijn mooiste dingen opnam. Echt een heel goede band, dus zeker de moeite waard (alleen al die solo van Evans in 'My Funny Valentine'...), maar qua geluidskwaliteit niet héél geweldig. Ondanks het toffe spel blijft de indruk een beetje hangen dat dit werd opgebracht omdat iemand het toevallig had opgenomen. De andere beschikbare liveplaat van deze opstelling, Miles Davis at Newport 1958 zou ik persoonlijk denk ik eerder opzetten.
The Moldy Peaches - The Moldy Peaches (2001)

4,0
4
geplaatst: 5 juni 2021, 13:33 uur
Me and my friends are so smart, we invented this new kind of art (dart)
Aan het einde van de door ArthurDZ geïnitieerde Moldy Peaches-week moeten we concluderen dat het buiten twee drie-sterren stemmen en een gezellige CSL-avond niet heel veel heeft opgeleverd. Tijdens die avond vond een van de MuMe-vrienden een citaat op Rateyourmusic over deze plaat, zoiets als: 'Everything you hate about The Mountain Goats and hipsters x 10'.
Lollig, en niet helemaal onwaar. Toch wilde ik nog even van de gelegenheid gebruik maken om wat gedachten te delen over waarom een album met zo'n slechte productiekwaliteit en die zo bol staat van de kinderachtige humor me toch zo dierbaar is.
Misschien ziet niet iedereen die meligheid voor het coping mechanisme wat het in feite (ook) is. Vooral als je bij gym als een van de eersten werd gekozen, enz., kan ik me voorstellen dat het moeilijk te plaatsen is (en ook als dat niet zo is, kan ik begrijpen dat iemand een song als Jorge Regula bloedje-irritant vindt, natuurlijk).
Een paar jaar voordat deze plaat uitkwam, had ik zelf op de middelbare school een bandje met een paar andere outcasts. Hoewel niemand van ons een instrument bespeelde, namen we cassettebandjes vol op met melige nummers waarop we de school en de vulploeg afzeken. We deden zelfs auditie voor de muziekavond, waarvoor we kansloos werden afgewezen. Punk! Lachen!
Toen een paar jaar later deze plaat uitkwam en even een minihype werd (wat een paar jaar daarna vanwege de filmhit Juno opnieuw zou gebeuren) raakte dit dus nogal een snaar bij mij. De schimmelige perziken hadden hetzelfde soort rebelse 'fuck you'-meligheid, met daarin twee belangrijke verschillen: ten eerste konden ze écht liedjes schrijven, en ten tweede durfden ze een soort kwetsbaarheid te tonen waar ik en mijn in zwarte Korn en Nirvana-shirts gestoken vrienden een paar jaar eerder nog niet klaar voor waren. Een song als 'Nothing Came Out' is oprécht droevig, dat er elders ook gezongen wordt over gekke burgers en het downloaden van porno met ene Davo doet daar niets aan af. Die twee schijnbare uitersten versterken elkaar alleen maar, in de oren van iedereen die weet hoe belangrijk humor is om te kunnen omgaan met de vijandigheid die de wereld over je kan uitstorten.
Onlangs werd Adam Green, de mannelijke helft van deze band, veertig jaar oud. De andere Moldy Peach, Kimya Dawson, zette een hartverwarmende felicitatie op social media: 'Mijn leven zou totaal anders gelopen zijn als de twaalfjarige [Green] er niet in was gewandeld en me had gevraagd mee te zingen' schrijft de zeven jaar oudere Dawson. 'Ik was niet dapper genoeg om muziek te maken met mensen van mijn eigen leeftijd, maar hij geloofde in mij en ik in hem [...]'
Muziekblad OOR schreef destijds zoiets als: leuke plaat om een paar weken verslaafd aan te zijn. Eerlijk gezegd had ik in 2001 ook niet gedacht dat er meer in zou zitten dan dat. Toch ontroert deze plaat me nog steeds, ondanks dat er vijf écht goede nummers op staan en misschien nog een handvol aardige. En dan blijk ik die liefde onbewust een paar jaar geleden te hebben doorgegeven aan Arthur, zo vertelde hij me van de week. Het is dus helemaal begrijpelijk dat sommige mensen deze plaat één keer half beluisteren, en het vervolgens met rollende ogen afzetten. Maar het blijkt dat een klein beetje van die positieve energie toch blijft rondstromen, en misschien is het zo dat iemand op Musicmeter deze week voor het eerst 'Who's Got the Crack' hoorde, en daarom íets minder een rotdag had.
Aan het einde van de door ArthurDZ geïnitieerde Moldy Peaches-week moeten we concluderen dat het buiten twee drie-sterren stemmen en een gezellige CSL-avond niet heel veel heeft opgeleverd. Tijdens die avond vond een van de MuMe-vrienden een citaat op Rateyourmusic over deze plaat, zoiets als: 'Everything you hate about The Mountain Goats and hipsters x 10'.
Lollig, en niet helemaal onwaar. Toch wilde ik nog even van de gelegenheid gebruik maken om wat gedachten te delen over waarom een album met zo'n slechte productiekwaliteit en die zo bol staat van de kinderachtige humor me toch zo dierbaar is.
Misschien ziet niet iedereen die meligheid voor het coping mechanisme wat het in feite (ook) is. Vooral als je bij gym als een van de eersten werd gekozen, enz., kan ik me voorstellen dat het moeilijk te plaatsen is (en ook als dat niet zo is, kan ik begrijpen dat iemand een song als Jorge Regula bloedje-irritant vindt, natuurlijk).
Een paar jaar voordat deze plaat uitkwam, had ik zelf op de middelbare school een bandje met een paar andere outcasts. Hoewel niemand van ons een instrument bespeelde, namen we cassettebandjes vol op met melige nummers waarop we de school en de vulploeg afzeken. We deden zelfs auditie voor de muziekavond, waarvoor we kansloos werden afgewezen. Punk! Lachen!
Toen een paar jaar later deze plaat uitkwam en even een minihype werd (wat een paar jaar daarna vanwege de filmhit Juno opnieuw zou gebeuren) raakte dit dus nogal een snaar bij mij. De schimmelige perziken hadden hetzelfde soort rebelse 'fuck you'-meligheid, met daarin twee belangrijke verschillen: ten eerste konden ze écht liedjes schrijven, en ten tweede durfden ze een soort kwetsbaarheid te tonen waar ik en mijn in zwarte Korn en Nirvana-shirts gestoken vrienden een paar jaar eerder nog niet klaar voor waren. Een song als 'Nothing Came Out' is oprécht droevig, dat er elders ook gezongen wordt over gekke burgers en het downloaden van porno met ene Davo doet daar niets aan af. Die twee schijnbare uitersten versterken elkaar alleen maar, in de oren van iedereen die weet hoe belangrijk humor is om te kunnen omgaan met de vijandigheid die de wereld over je kan uitstorten.
Onlangs werd Adam Green, de mannelijke helft van deze band, veertig jaar oud. De andere Moldy Peach, Kimya Dawson, zette een hartverwarmende felicitatie op social media: 'Mijn leven zou totaal anders gelopen zijn als de twaalfjarige [Green] er niet in was gewandeld en me had gevraagd mee te zingen' schrijft de zeven jaar oudere Dawson. 'Ik was niet dapper genoeg om muziek te maken met mensen van mijn eigen leeftijd, maar hij geloofde in mij en ik in hem [...]'
Muziekblad OOR schreef destijds zoiets als: leuke plaat om een paar weken verslaafd aan te zijn. Eerlijk gezegd had ik in 2001 ook niet gedacht dat er meer in zou zitten dan dat. Toch ontroert deze plaat me nog steeds, ondanks dat er vijf écht goede nummers op staan en misschien nog een handvol aardige. En dan blijk ik die liefde onbewust een paar jaar geleden te hebben doorgegeven aan Arthur, zo vertelde hij me van de week. Het is dus helemaal begrijpelijk dat sommige mensen deze plaat één keer half beluisteren, en het vervolgens met rollende ogen afzetten. Maar het blijkt dat een klein beetje van die positieve energie toch blijft rondstromen, en misschien is het zo dat iemand op Musicmeter deze week voor het eerst 'Who's Got the Crack' hoorde, en daarom íets minder een rotdag had.
The Morning Benders - Big Echo (2010)

3,0
0
geplaatst: 25 augustus 2010, 00:50 uur
Persoonlijk vind ik toch wel dat bandjes je wat meer naar de strot mogen grijpen. Dit is niet bepaald een album dat je huis binnen komt geblazen. Het is meer alsof de band verlegen op de deur klopt en vraagt: 'Meneer, mogen wij alstublieft wat muziek maken in de hoek van uw woonkamer? We beloven niet lastig te zijn.' Nou, goed, waarom niet? Ik ga koffie zetten, de afwas doen, een beetje in mijn neus zitten peuteren, en na een tijdje denk ik: verrek, ze zijn nog steeds aan het spelen. Klinkt wel mooi, denk ik dan. Maar dan is Big Echo al half afgelopen, en heeft mijn aandacht nog geen enkele keer echt getrokken.
Dat laatste is geen kwestie van volume of stoerheid. Die dingen zijn niet nodig om mij geboeid te houden. Ook aan de muziek ligt het niet echt, dat mijn gedachtes afdwalen. De band maakt prima liedjes, en begeleidt ze uiterst fraai. Uitgekiende koortjes, mooie gitaartjes, een beetje noise op zijn tijd... Allemaal best lekker. Maar op een of andere manier is deze cd te zweverig, te veel in zichzelf gekeerd om mij het gevoel te geven dat ik echt betrokken raak bij de muziek.
Al is die bandleider, Chris Chu, te oordelen naar Big Echo, wel een echt talent. Zo iemand die zomaar, op een dag, een wereldplaat kan maken, of een grote hit kan scoren.
Over een aantal weken spelen ze in de Effenaar, op tien minuten fietsafstand. Misschien dat ik ga kijken. Er is een kans dat de band me vanaf het podium wel weet te hypnotiseren, en dat de nummers van deze plaat en ik dan alsnog vrienden voor het leven worden. En anders is het een mogelijkheid om weer eens een biertje te gaan drinken in die metalen kubus, terwijl er op de achtergrond een paar gevoelige jongens een aardig muziekje spelen. Ook leuk.
Dat laatste is geen kwestie van volume of stoerheid. Die dingen zijn niet nodig om mij geboeid te houden. Ook aan de muziek ligt het niet echt, dat mijn gedachtes afdwalen. De band maakt prima liedjes, en begeleidt ze uiterst fraai. Uitgekiende koortjes, mooie gitaartjes, een beetje noise op zijn tijd... Allemaal best lekker. Maar op een of andere manier is deze cd te zweverig, te veel in zichzelf gekeerd om mij het gevoel te geven dat ik echt betrokken raak bij de muziek.
Al is die bandleider, Chris Chu, te oordelen naar Big Echo, wel een echt talent. Zo iemand die zomaar, op een dag, een wereldplaat kan maken, of een grote hit kan scoren.
Over een aantal weken spelen ze in de Effenaar, op tien minuten fietsafstand. Misschien dat ik ga kijken. Er is een kans dat de band me vanaf het podium wel weet te hypnotiseren, en dat de nummers van deze plaat en ik dan alsnog vrienden voor het leven worden. En anders is het een mogelijkheid om weer eens een biertje te gaan drinken in die metalen kubus, terwijl er op de achtergrond een paar gevoelige jongens een aardig muziekje spelen. Ook leuk.
The Mountain Goats - We Shall All Be Healed (2004)

4,0
1
geplaatst: 9 september 2010, 19:32 uur
'We are what we are/ get in the goddamn car...'
Een paar maanden geleden zat ik te kijken naar het eerste seizoen van de aardige tv-serie Weeds. Op een bepaald moment, terwijl de levens van de fictieve karakters in de show steeds meer in de knoop kwamen, zoals dat hoort bij tv-drama, was er op de achtergrond een nummer te horen dat op mij nogal indruk maakte. Ik vond het een grappig liedje, op een jaren negentig slacker/ freakey americana-manier. Rauwe akoestische gitaren, met een nasale stem die een absurde tekst zong:
'This song is for the rats/ who hurled themselves in to the ocean/ when they saw that the explosives in the cargo hold/ were just about to blow'
Google is je vriendje, en dus had ik al snel artiest en titel achterhaald: Het was 'Cotton' van de Mountain Goats. Een bandnaam die ik eerder had horen vallen, maar daar bleef het ook wel bij. Ik was genoeg onder de indruk om We Shall All Be Healed te luisteren, en Cotton bleek ook zonder tv-beelden goed overeind te blijven. Alleen, zo bleek: er was niets grappigs aan.
'This song is for the people/ who tell their families that they're sorry/ for things they can't and won't feel sorry for.'
Wikipedia is je vriendje, en dus kon ik snel meer te weten komen over de achtergrond van deze plaat. Blijkbaar is het, en ik parafraseer, een semi-fictief verslag van de tijd die John Darnielle doorbracht in Californië en Portland als amfetamine-verslaafde, met liedjes die zijn gebaseerd op mensen die hij toen kende, en die nu grotendeels in de gevangenis zitten, of dood zijn.
In deze context is Cotton een afsluiting, het geluid van iemand die met evenveel melancholie als walging het boek dichtslaat van de meest pijnlijke periode uit zijn leven.
'I saw you waiting by the roadside/ You didn't know that I was watching.../ now you know.../ Let it all go, let 'em all go...'
De plaat blijft een soort droge humor hebben, maar het is de humor van iemand die worstelt met het verleden zonder hoop dat hij het kan veranderen. Een man die toekeek hoe zijn vrienden op de intensive care belandden ('Mole') of hoe hun huizen werden leeggehaald door mensen met gasmaskers ('Your Belgian Things'). Hij kijkt op zichzelf terug en ziet dat:
'...nothing you can say or do will stop me/ And a thousand dead friends can't stop me...'
Rauwe, naargeestige plaat. Intens. Akelig ook, vaak. Een exorcisme, misschien, of bekentenisliteratuur. Kale arrangementen. A-metrische teksten.
Darnielle is een soort folkzanger van de niet al te technische school, enigszins vergelijkbaar met Neutral Milk Hotel, al mist hij de gave van die laatste act om liedjes te schrijven die al direct memorabel zijn. Liedjes als 'Palcorder Yajna', 'Linda Blair is Innocent' en natuurlijk 'Cotton' zijn op zich prima, maar over de volle drie kwartier gaat de eenvormigheid, het gebrek aan variatie, een tikkeltje tegenstaan. We Shall Al Be Healed moet het vooral hebben van de teksten, de sfeer en de verstikkende intensiteit.
Een oprecht verslag van iemand die weet hoe het is om te zinken tot de bodem, en terugkomt met een voorschotje op de Apocalyps.
'When the last days come/ we shall see visions/ more vivid than sunsets/ brighter than stars/ We will recognize each other /and see ourselves for the first time...
The way we really are'
Met enig voorbehoud, een indrukwekkende plaat.
Een paar maanden geleden zat ik te kijken naar het eerste seizoen van de aardige tv-serie Weeds. Op een bepaald moment, terwijl de levens van de fictieve karakters in de show steeds meer in de knoop kwamen, zoals dat hoort bij tv-drama, was er op de achtergrond een nummer te horen dat op mij nogal indruk maakte. Ik vond het een grappig liedje, op een jaren negentig slacker/ freakey americana-manier. Rauwe akoestische gitaren, met een nasale stem die een absurde tekst zong:
'This song is for the rats/ who hurled themselves in to the ocean/ when they saw that the explosives in the cargo hold/ were just about to blow'
Google is je vriendje, en dus had ik al snel artiest en titel achterhaald: Het was 'Cotton' van de Mountain Goats. Een bandnaam die ik eerder had horen vallen, maar daar bleef het ook wel bij. Ik was genoeg onder de indruk om We Shall All Be Healed te luisteren, en Cotton bleek ook zonder tv-beelden goed overeind te blijven. Alleen, zo bleek: er was niets grappigs aan.
'This song is for the people/ who tell their families that they're sorry/ for things they can't and won't feel sorry for.'
Wikipedia is je vriendje, en dus kon ik snel meer te weten komen over de achtergrond van deze plaat. Blijkbaar is het, en ik parafraseer, een semi-fictief verslag van de tijd die John Darnielle doorbracht in Californië en Portland als amfetamine-verslaafde, met liedjes die zijn gebaseerd op mensen die hij toen kende, en die nu grotendeels in de gevangenis zitten, of dood zijn.
In deze context is Cotton een afsluiting, het geluid van iemand die met evenveel melancholie als walging het boek dichtslaat van de meest pijnlijke periode uit zijn leven.
'I saw you waiting by the roadside/ You didn't know that I was watching.../ now you know.../ Let it all go, let 'em all go...'
De plaat blijft een soort droge humor hebben, maar het is de humor van iemand die worstelt met het verleden zonder hoop dat hij het kan veranderen. Een man die toekeek hoe zijn vrienden op de intensive care belandden ('Mole') of hoe hun huizen werden leeggehaald door mensen met gasmaskers ('Your Belgian Things'). Hij kijkt op zichzelf terug en ziet dat:
'...nothing you can say or do will stop me/ And a thousand dead friends can't stop me...'
Rauwe, naargeestige plaat. Intens. Akelig ook, vaak. Een exorcisme, misschien, of bekentenisliteratuur. Kale arrangementen. A-metrische teksten.
Darnielle is een soort folkzanger van de niet al te technische school, enigszins vergelijkbaar met Neutral Milk Hotel, al mist hij de gave van die laatste act om liedjes te schrijven die al direct memorabel zijn. Liedjes als 'Palcorder Yajna', 'Linda Blair is Innocent' en natuurlijk 'Cotton' zijn op zich prima, maar over de volle drie kwartier gaat de eenvormigheid, het gebrek aan variatie, een tikkeltje tegenstaan. We Shall Al Be Healed moet het vooral hebben van de teksten, de sfeer en de verstikkende intensiteit.
Een oprecht verslag van iemand die weet hoe het is om te zinken tot de bodem, en terugkomt met een voorschotje op de Apocalyps.
'When the last days come/ we shall see visions/ more vivid than sunsets/ brighter than stars/ We will recognize each other /and see ourselves for the first time...
The way we really are'
Met enig voorbehoud, een indrukwekkende plaat.
The Oscar Peterson Trio - Affinity (1962)

3,5
2
geplaatst: 22 september 2019, 10:53 uur
Ik kwam deze onlangs spotgoedkoop tegen op een rommelmarkt, een heruitgave van Verve met een rokende OP op de hoes (‘Foei, Oscar!’ ‘Maar ik heb het nodig om mijn gewicht op peil te houden!’ ‘Nou, vooruit dan maar’). Het trio van dienst is hier Peterson met een bassist (Ray Brown) en een drummer (Ed Thigpen).
Mijn interesse was gewekt door het openingsnummer, een soort hoofdknikje van de ene legendarische pianist naar de andere. In de openingsmaten imiteert Peterson de dwarrelende noten van Bill Evans, maar al snel valt hij terug in zijn eigen stijl: speels, vriendelijk, volle noten en dik gesmeerde harmonieën… wie weleens een plaat van deze man heeft beluisterd kent het stramien. De rest van de nummers op de plaat zijn, uiteraard, vergelijkbaar.
Kenners weten dat ze ook geen grensverleggend werk hoeven te verwachten, maar bijna altijd kwaliteit krijgen. Dat maakt het ook vaak lastig om zijn platen op kwaliteit te rangschikken. Ik heb ze ook echt niet alle 200 beluisterd, natuurlijk, alleen de meest bekende en nog wat andere dingen.
Dus puur over deze: om te zeggen dat de band goed op elkaar is ingespeeld is een understatement (Peterson speelde al twaalf jaar samen met Brown en al vier jaar met Thigpen). Het is vooral prettig dat de bas en de linkerhand van de pianist elkaar geen moment in de weg zitten, bepaald geen vanzelfsprekendheid in jazztrio’s in mijn ervaring.
De songkeuze is goed, veelal meer uptempo nummers of energieke versies van ballads, met hoorbaar plezier gespeeld. Dat maakt Affinity geschikt voor zowel een beschaafdere zaterdagavond als voor een luie zondagochtend. Fijn plaatje, 3,5 a 4 sterren zeker waard.
Mijn interesse was gewekt door het openingsnummer, een soort hoofdknikje van de ene legendarische pianist naar de andere. In de openingsmaten imiteert Peterson de dwarrelende noten van Bill Evans, maar al snel valt hij terug in zijn eigen stijl: speels, vriendelijk, volle noten en dik gesmeerde harmonieën… wie weleens een plaat van deze man heeft beluisterd kent het stramien. De rest van de nummers op de plaat zijn, uiteraard, vergelijkbaar.
Kenners weten dat ze ook geen grensverleggend werk hoeven te verwachten, maar bijna altijd kwaliteit krijgen. Dat maakt het ook vaak lastig om zijn platen op kwaliteit te rangschikken. Ik heb ze ook echt niet alle 200 beluisterd, natuurlijk, alleen de meest bekende en nog wat andere dingen.
Dus puur over deze: om te zeggen dat de band goed op elkaar is ingespeeld is een understatement (Peterson speelde al twaalf jaar samen met Brown en al vier jaar met Thigpen). Het is vooral prettig dat de bas en de linkerhand van de pianist elkaar geen moment in de weg zitten, bepaald geen vanzelfsprekendheid in jazztrio’s in mijn ervaring.
De songkeuze is goed, veelal meer uptempo nummers of energieke versies van ballads, met hoorbaar plezier gespeeld. Dat maakt Affinity geschikt voor zowel een beschaafdere zaterdagavond als voor een luie zondagochtend. Fijn plaatje, 3,5 a 4 sterren zeker waard.
The Tallest Man on Earth - The Wild Hunt (2010)

3,5
0
geplaatst: 29 april 2010, 13:41 uur
Plaat als een ruwe diamant, oftewel: ouderwets slordig plaatje van een man met een akoestische gitaar. De invloed van Dylan ligt er dik op, zoals vaker opgemerkt, hoewel je misschien ook kunt zeggen dat dit muziek is die gemaakt wordt volgens een traditie waarin Dylan het meest voor de hand liggende referentiepunt is.
Maar hoe je de dingen ook aankleed, 'even the President of the United States sometimes must have to stand naked,' en de naaktheid van deze liedjes maakt het integer en persoonlijk genoeg om te vergeven dat hier geen nieuwe grenzen worden opgezocht. Zo word ik er weer aan herinnerd hoe lekker het is om gewoon een lelijke stem eerlijke liedjes te horen zingen.
De kwaliteit van de liedjes is bij dit soort platen altijd het belangrijkste criterium, en die zit wel snor hier. Tot nu toe heb ik twee liedjes ontdekt die aanspraak kunnen maken op tijdloosheid: het titelnummer en Love is All. Liedjes die niet origineler of muzikaler zijn dan de rest, maar net ietsje dieper snijden, de kern weten te raken. Misschien dat verdere luisterbeurten nog meer juweeltjes onthullen, maar de meeste andere tracks vind ik toch in min of meerdere mate onderdoen aan die twee. Mijn aandacht verslapt een beetje na een kwartier luisteren, maar de plaat duurt niet lang genoeg om echt te gaan vervelen. Al met al knap werk, een sympathiek plaatje. 3,5 ster met een neiging naar vier.
Maar hoe je de dingen ook aankleed, 'even the President of the United States sometimes must have to stand naked,' en de naaktheid van deze liedjes maakt het integer en persoonlijk genoeg om te vergeven dat hier geen nieuwe grenzen worden opgezocht. Zo word ik er weer aan herinnerd hoe lekker het is om gewoon een lelijke stem eerlijke liedjes te horen zingen.
De kwaliteit van de liedjes is bij dit soort platen altijd het belangrijkste criterium, en die zit wel snor hier. Tot nu toe heb ik twee liedjes ontdekt die aanspraak kunnen maken op tijdloosheid: het titelnummer en Love is All. Liedjes die niet origineler of muzikaler zijn dan de rest, maar net ietsje dieper snijden, de kern weten te raken. Misschien dat verdere luisterbeurten nog meer juweeltjes onthullen, maar de meeste andere tracks vind ik toch in min of meerdere mate onderdoen aan die twee. Mijn aandacht verslapt een beetje na een kwartier luisteren, maar de plaat duurt niet lang genoeg om echt te gaan vervelen. Al met al knap werk, een sympathiek plaatje. 3,5 ster met een neiging naar vier.
The Uncluded - Hokey Fright (2013)

2,0
0
geplaatst: 1 september 2013, 14:25 uur
Ik vind het geen bijzonder goede plaat geworden, helaas. Op zich is de combinatie tussen de prozaïsche aanpak van folkie Kimya Dawson en de chaotische, associatieve stijl van Aesop Rock interessant, en werkt het op de meeste momenten redelijk goed bij elkaar.
De plaat slaat echter dood doordat er gewoon niet genoeg echt goed materiaal is opgenomen. De meeste liedjes zijn inwisselbaar en weten weinig indruk achter te laten. Met moeite kan ik misschien vijf echt goede nummers vinden tussen de middelmatigheid, als er dan desondanks achttien nummers op de plaat worden gepropt, inclusief schaamteloos vulsel als 'WYHUOM' is verveling onvermijdelijk. Dat soort ongein is twee minuten leuk en wordt vervolgens snel irritant.
Ik zou heel graag de plaat een hogere waardering willen geven, want ik heb veel sympathie voor de muzikanten en de thema's die hier ter sprake worden gebracht. Op zijn beste momenten klinkt de plaat fris en spannend, en hier en daar valt een liedje te plukken dat de eeuwigheid wel in mag ('Delicate Cycle'). En de hoes is natuurlijk prachtig. Maar de hoeveelheid halfbakken matigheid die je moet slikken om die kwaliteiten te kunnen vinden, zorgt dat de plaat toch aan de verkeerde kant van de streep terechtkomt voor mij.
De plaat slaat echter dood doordat er gewoon niet genoeg echt goed materiaal is opgenomen. De meeste liedjes zijn inwisselbaar en weten weinig indruk achter te laten. Met moeite kan ik misschien vijf echt goede nummers vinden tussen de middelmatigheid, als er dan desondanks achttien nummers op de plaat worden gepropt, inclusief schaamteloos vulsel als 'WYHUOM' is verveling onvermijdelijk. Dat soort ongein is twee minuten leuk en wordt vervolgens snel irritant.
Ik zou heel graag de plaat een hogere waardering willen geven, want ik heb veel sympathie voor de muzikanten en de thema's die hier ter sprake worden gebracht. Op zijn beste momenten klinkt de plaat fris en spannend, en hier en daar valt een liedje te plukken dat de eeuwigheid wel in mag ('Delicate Cycle'). En de hoes is natuurlijk prachtig. Maar de hoeveelheid halfbakken matigheid die je moet slikken om die kwaliteiten te kunnen vinden, zorgt dat de plaat toch aan de verkeerde kant van de streep terechtkomt voor mij.
The Who - Who's Next (1971)

4,0
0
geplaatst: 18 maart 2010, 14:27 uur
Ten eerste: de bonustracks heb ik nog niet beluisterd. Onderstaande bespreking gaat dus alleen over de negen nummers van de originele lp. Er is bij dit album wat discussie over de bonustracks, dus ik wil even benadrukken dat ik verder niets tegen bonustracks heb. Die van Who’s Next ga ik zeker nog een keer luisteren, maar ja, ik kan nou eenmaal maar een bepaalde hoeveelheid tijd vrijmaken voor The Who. Er moet worden gewerkt en de afwas verdwijnt niet uit zichzelf.
Toch ben ik het wel eens met de mening dat de bonustrack bij deze cd op een apart schijfje hadden moeten staan. Who’s Next, in zijn originele versie, is namelijk helemaal rond. Aan het einde van de plaat, als Roger Daltrey heeft gezongen ‘Meet the new boss/ same as the old boss’ dan is alle verzadiging bereikt die je als rockliefhebber maar zou willen. Om dan meteen, zonder pauze, met een nieuw nummer te beginnen, dat is net zoiets als een stomende huwelijksnacht achter de rug hebben, en daarna nog even snel naar de hoeren gaan. De reis van Baba O’Riley naar Won’t Get Fooled Again is een ervaring die compleet op zichzelf staat.
Grappig dat het beste Who-album dat ik ken in feite bestaat uit restjes van een mislukte conceptplaat. Het gaat hier om het Lifehouse Project, waar gitarist Pete Townsend jaren mee worstelde, bla bla bla, ga maar naar Wikipedia als je het verhaal niet kent. Of beter: ga deze plaat luisteren, want volgens mij is dit er wel zo eentje die je gehoord wil hebben.
Ik vind alle nummers goed, maar er zijn er vier waar ik even apart bij wil stilstaan. Allereerst My Wife, dat ik een tof nummer van John Entwistle vind, en niemand het als favoriet noemde toen hij stierf, wat ik een groot onrecht vind.
Ten tweede Baba O’Riley, omdat ik een aantal jaren geleden kennis maakte met The Who via een verzamel-cd, en ik toen alleen de oude singles zoals Magic Bus leuk vond. Ik herinner me dat ik Baba O’Riley hoorde en dacht, wat een saai nummer. Misschien herkennen jullie het: dat je terug zou willen gaan naar het verleden om jezelf een trap onder je hol te geven. ‘Nee snotneus! Dit is een stukje pure popperfectie! Beter luisteren jij!’ Helaas gaat dat niet, maar mijn excuses zijn alsnog gemaakt aan het Niemandsland Der Tieners.
Ten derde wil ik even Going Mobile memoreren, simpelweg omdat ik het nog niet uit mijn kop gebrand krijg, ook al ga ik keihard Sieneke meezingen.
Ten slotte noem ik natuurlijk Won’t Get Fooled Again omdat… Nou ja, ga dat zelf maar eens over de koptelefoon als je niet weet waar ik het over heb.
Nog even Limp Bizkit noemen, wiens cover van Behind Blue Eyes hier veelal kotsende smileys oogst. Bereslechte cover ook, natuurlijk, maar het is wel veelzeggend dat zo’n bandje teruggrijpt naar The Who op het moment dat hun populariteit afneemt (Limp Bizkit nam ten slotte ook een nummer op dat My Generation heet). Alsof ze wisten dat hun hoogtepunt erop zat en de magie van The Who werd ingezet als schietgebedje. Zo zijn er duizenden rockmusici die een bijna slijmerige bewondering hebben voor deze band. The Who behoren tot de Olympische Goden van de rock.
Toch ben ik het wel eens met de mening dat de bonustrack bij deze cd op een apart schijfje hadden moeten staan. Who’s Next, in zijn originele versie, is namelijk helemaal rond. Aan het einde van de plaat, als Roger Daltrey heeft gezongen ‘Meet the new boss/ same as the old boss’ dan is alle verzadiging bereikt die je als rockliefhebber maar zou willen. Om dan meteen, zonder pauze, met een nieuw nummer te beginnen, dat is net zoiets als een stomende huwelijksnacht achter de rug hebben, en daarna nog even snel naar de hoeren gaan. De reis van Baba O’Riley naar Won’t Get Fooled Again is een ervaring die compleet op zichzelf staat.
Grappig dat het beste Who-album dat ik ken in feite bestaat uit restjes van een mislukte conceptplaat. Het gaat hier om het Lifehouse Project, waar gitarist Pete Townsend jaren mee worstelde, bla bla bla, ga maar naar Wikipedia als je het verhaal niet kent. Of beter: ga deze plaat luisteren, want volgens mij is dit er wel zo eentje die je gehoord wil hebben.
Ik vind alle nummers goed, maar er zijn er vier waar ik even apart bij wil stilstaan. Allereerst My Wife, dat ik een tof nummer van John Entwistle vind, en niemand het als favoriet noemde toen hij stierf, wat ik een groot onrecht vind.
Ten tweede Baba O’Riley, omdat ik een aantal jaren geleden kennis maakte met The Who via een verzamel-cd, en ik toen alleen de oude singles zoals Magic Bus leuk vond. Ik herinner me dat ik Baba O’Riley hoorde en dacht, wat een saai nummer. Misschien herkennen jullie het: dat je terug zou willen gaan naar het verleden om jezelf een trap onder je hol te geven. ‘Nee snotneus! Dit is een stukje pure popperfectie! Beter luisteren jij!’ Helaas gaat dat niet, maar mijn excuses zijn alsnog gemaakt aan het Niemandsland Der Tieners.
Ten derde wil ik even Going Mobile memoreren, simpelweg omdat ik het nog niet uit mijn kop gebrand krijg, ook al ga ik keihard Sieneke meezingen.
Ten slotte noem ik natuurlijk Won’t Get Fooled Again omdat… Nou ja, ga dat zelf maar eens over de koptelefoon als je niet weet waar ik het over heb.
Nog even Limp Bizkit noemen, wiens cover van Behind Blue Eyes hier veelal kotsende smileys oogst. Bereslechte cover ook, natuurlijk, maar het is wel veelzeggend dat zo’n bandje teruggrijpt naar The Who op het moment dat hun populariteit afneemt (Limp Bizkit nam ten slotte ook een nummer op dat My Generation heet). Alsof ze wisten dat hun hoogtepunt erop zat en de magie van The Who werd ingezet als schietgebedje. Zo zijn er duizenden rockmusici die een bijna slijmerige bewondering hebben voor deze band. The Who behoren tot de Olympische Goden van de rock.
Thelonious Monk - It's Monk's Time (1964)

4,0
3
geplaatst: 2 oktober 2021, 20:24 uur
Met: Thelonious Monk (piano); Charlie Rouse (tenorsax); Butch Warren (bas); Ben Riley (drums)
Dit is inderdaad een erg fijne plaat van Monk. Hij werd onder mijn aandacht gebracht door een jazzliefhebbende Instagrammer die vertelde dat hij een interview had met T.S. Monk (de zoon van), en dat die deze plaat noemde als zijn favoriete album uit zijn vaders werk.
Opvallende keuze, want geen plaat die je dus vaak tegenkomt in lijstjes. Monk begint met twee standards, waarvan 'Lulu's Back in Town' ronduit uitgelaten klinkt. Maar de hele plaat klinkt betrekkelijk onbezorgd en relaxed. Ook de drie eigen composities ('Stuffed Turkey'; 'Brake's Sake'; 'Shuffle Boil'), geen van drieën horende bij Monks bekendste werk, zijn vrij toegankelijk en zonnig.
Misschien dat daarom de plaat weinig opvalt, maar minder fijn is ie daarom niet. De band klinkt als een geoliede machine, inclusief drummer Ben Riley, die hier volgens mij voor het eerst met Monk in de studio dook en de rest van zijn carrière bij hem zou blijven. De productie van Teo Macero op het grote Columbia-label is kraakhelder. De band klinkt ontspannen en vitaal, en op een of andere rare manier swingt het ook nog. Dardan deze kan denk ik jouw goedkeuring ook wel wegdragen.
Dit is inderdaad een erg fijne plaat van Monk. Hij werd onder mijn aandacht gebracht door een jazzliefhebbende Instagrammer die vertelde dat hij een interview had met T.S. Monk (de zoon van), en dat die deze plaat noemde als zijn favoriete album uit zijn vaders werk.
Opvallende keuze, want geen plaat die je dus vaak tegenkomt in lijstjes. Monk begint met twee standards, waarvan 'Lulu's Back in Town' ronduit uitgelaten klinkt. Maar de hele plaat klinkt betrekkelijk onbezorgd en relaxed. Ook de drie eigen composities ('Stuffed Turkey'; 'Brake's Sake'; 'Shuffle Boil'), geen van drieën horende bij Monks bekendste werk, zijn vrij toegankelijk en zonnig.
Misschien dat daarom de plaat weinig opvalt, maar minder fijn is ie daarom niet. De band klinkt als een geoliede machine, inclusief drummer Ben Riley, die hier volgens mij voor het eerst met Monk in de studio dook en de rest van zijn carrière bij hem zou blijven. De productie van Teo Macero op het grote Columbia-label is kraakhelder. De band klinkt ontspannen en vitaal, en op een of andere rare manier swingt het ook nog. Dardan deze kan denk ik jouw goedkeuring ook wel wegdragen.
Timesbold - Timesbold (2002)

4,0
0
geplaatst: 3 september 2010, 14:34 uur
Het moet dus een jaar of acht geleden zijn dat ik een eindejaarsuitzending van Radio 3 opnam op een cassettebandje. Voor de jongere lezers: een 'cassettebandje' is een rechthoekig plastic ding met een rolletje tape erin, waar je muziek op kon opnemen
. Meestal bleven de opgenomen bandjes ergens in de hoek liggen totdat er iets anders over werd opgenomen, maar nu kwam ik er toe om het nog een paar keer te beluisteren. En zo ontdekte ik een spookachtig, gekweld folknummer dat me nog jaren bleef fascineren. Het was 'Gin I Win' van Timesbold. Prachtig nummer, dat nog uren in je hoofd bleef rondspoken nadat het was afgelopen, met zijn donkere, bijna op zijn eigen frequentie trillende bas en de verwijtende, zwartgallige tekst: 'You can't tell it like it is/ if you can't tell it like it is without drinking...'
De lokale bieb had een exemplaar van dit album, en dus huurde ik het een keer. Het lukte me niet in twee weken leentijd door de melancholische schemerwereld van deze plaat te navigeren, en dus werd hij weer ingeleverd zonder dat ik hem echt had leren kennen, en werd dit een van de vele vergeten platen uit mijn leven.
Totdat Ferre dit een paar weken terug uitriep tot rockalbum van de week, en ik een goede reden had om eindelijk eens voor dit werkje te gaan zitten.
Ondanks het zwartgallige sfeertje, blijkt dit bij nadere beluistering een verrassend rijk en voedzaam album: Een subtiele, maar o zo gevarieerde instrumentkeuze, folkmelodieën die je langzaam in hun web vastspinnen, teksten die alle droefheid van de wereld lijken te voelen en dat ook nog goed weten te verwoorden, en tussen dat alles, gek genoeg, een subtiel maar onmiskenbare straaltje droge humor. Dit is zeker een plaat waarvoor je even moet gaan zitten, maar die je terugbetaalt door je overal te raken waar je door een folkplaat geraakt wilt worden.
Goed mogelijk dat deze plaat nog meer waard is dan de vier sterren die ik zojuist heb toegekend. Ik ga er zeker nog achter komen. Voorlopig houdt het gebrek aan dynamiek op deze plaat me nog bij deze score, maar dat is dan ook het enige denkbare kritiekpunt.
Mijn complimenten aan Ferre voor de keuze.
. Meestal bleven de opgenomen bandjes ergens in de hoek liggen totdat er iets anders over werd opgenomen, maar nu kwam ik er toe om het nog een paar keer te beluisteren. En zo ontdekte ik een spookachtig, gekweld folknummer dat me nog jaren bleef fascineren. Het was 'Gin I Win' van Timesbold. Prachtig nummer, dat nog uren in je hoofd bleef rondspoken nadat het was afgelopen, met zijn donkere, bijna op zijn eigen frequentie trillende bas en de verwijtende, zwartgallige tekst: 'You can't tell it like it is/ if you can't tell it like it is without drinking...'De lokale bieb had een exemplaar van dit album, en dus huurde ik het een keer. Het lukte me niet in twee weken leentijd door de melancholische schemerwereld van deze plaat te navigeren, en dus werd hij weer ingeleverd zonder dat ik hem echt had leren kennen, en werd dit een van de vele vergeten platen uit mijn leven.
Totdat Ferre dit een paar weken terug uitriep tot rockalbum van de week, en ik een goede reden had om eindelijk eens voor dit werkje te gaan zitten.
Ondanks het zwartgallige sfeertje, blijkt dit bij nadere beluistering een verrassend rijk en voedzaam album: Een subtiele, maar o zo gevarieerde instrumentkeuze, folkmelodieën die je langzaam in hun web vastspinnen, teksten die alle droefheid van de wereld lijken te voelen en dat ook nog goed weten te verwoorden, en tussen dat alles, gek genoeg, een subtiel maar onmiskenbare straaltje droge humor. Dit is zeker een plaat waarvoor je even moet gaan zitten, maar die je terugbetaalt door je overal te raken waar je door een folkplaat geraakt wilt worden.
Goed mogelijk dat deze plaat nog meer waard is dan de vier sterren die ik zojuist heb toegekend. Ik ga er zeker nog achter komen. Voorlopig houdt het gebrek aan dynamiek op deze plaat me nog bij deze score, maar dat is dan ook het enige denkbare kritiekpunt.
Mijn complimenten aan Ferre voor de keuze.
Tired Pony - The Place We Ran From (2010)

3,0
0
geplaatst: 24 september 2010, 13:33 uur
Om de groeiplaat-roepers van dienst te zijn zal ik deze tegen het einde van het jaar nog eens opzetten, maar voorlopig heb ik het eigenlijk wel gezien hiermee.
Leuke plaat hoor, verder. 'Point Me At Lost Islands' en 'I Am A Landslide' horen bij de beste liedjes die Lightbody schreef, en in 'The Good Book' doet de band iets dat ik nooit verwacht had: een nummer maken gezongen door de zanger van The Editors dat ik goed vind (ben redelijk allergisch voor die man).
Ondanks alle respect die je voor hem moet hebben, is Lightbody nooit de meest veelzijdige muzikant geweest, en op deze plaat lijkt de band zichzelf een beetje in slaap te sussen met kwaliteitsliedjes die net een extra dimensie, of wat meer passie, missen om echt boven de middelmaat uit te steken, en die zelfs op de vele fraaie momenten (die vocalen aan het einde van Held In The Arms Of Your Words bijvoorbeeld) nooit echt hemelbestormend goed wordt.
Drie weken aan het luisteren inmiddels, en nog niet van mening veranderd. We beschouwen dit maar als recensie, omdat je toch ooit een mening zal moeten vormen.
Leuke plaat hoor, verder. 'Point Me At Lost Islands' en 'I Am A Landslide' horen bij de beste liedjes die Lightbody schreef, en in 'The Good Book' doet de band iets dat ik nooit verwacht had: een nummer maken gezongen door de zanger van The Editors dat ik goed vind (ben redelijk allergisch voor die man).
Ondanks alle respect die je voor hem moet hebben, is Lightbody nooit de meest veelzijdige muzikant geweest, en op deze plaat lijkt de band zichzelf een beetje in slaap te sussen met kwaliteitsliedjes die net een extra dimensie, of wat meer passie, missen om echt boven de middelmaat uit te steken, en die zelfs op de vele fraaie momenten (die vocalen aan het einde van Held In The Arms Of Your Words bijvoorbeeld) nooit echt hemelbestormend goed wordt.
Drie weken aan het luisteren inmiddels, en nog niet van mening veranderd. We beschouwen dit maar als recensie, omdat je toch ooit een mening zal moeten vormen.
Titus Andronicus - The Monitor (2010)

4,0
0
geplaatst: 25 november 2010, 15:09 uur
Altijd leuk, een bandje dat begrijpt hoe het moet.
Zo'n lekker rommelig, luid rockbandje dat toch echt iets te zeggen heeft, en de tijd neemt om te doordenken wat ze willen doen, om het dan uiteindelijk weer allemaal lekker nonchalant op de tape te kwakken.
Sq spreekt hierboven over de Pogues en Band Of Horses. Kan ik wel inkomen. Namedroppen is altijd moeilijk, je zou net zo goed kunnen spreken van een ingetogenere Flogging Molly met Bright Eyes, een samenwerking tussen The Clash en de E Street Band of noem maar op. We houden het op lekker vuige folkrock met veel americana en indierock-invloeden.
Voor een extreem hoog cijfer is deze plaat soms toch iets te eenvormig en langdradig (vijf nummers van over de zeven minuten is er wel een beetje over), maar zeker een van de aanraders van het jaar voor mensen die hun rock het liefst van de straat en uit het hart hebben.
Ik waag me zelden aan dit soort voorspellingen, maar bij deze wil ik toch even het vermoeden uitspreken dat deze band volgens mij nogal groot gaat worden. Let maar op: binnenkort ook een cultstatus bij u in de buurt.
Ga zeker een liveoptreden checken als ze binnenkort in deze contreien verschijnen.
Zo'n lekker rommelig, luid rockbandje dat toch echt iets te zeggen heeft, en de tijd neemt om te doordenken wat ze willen doen, om het dan uiteindelijk weer allemaal lekker nonchalant op de tape te kwakken.
Sq spreekt hierboven over de Pogues en Band Of Horses. Kan ik wel inkomen. Namedroppen is altijd moeilijk, je zou net zo goed kunnen spreken van een ingetogenere Flogging Molly met Bright Eyes, een samenwerking tussen The Clash en de E Street Band of noem maar op. We houden het op lekker vuige folkrock met veel americana en indierock-invloeden.
Voor een extreem hoog cijfer is deze plaat soms toch iets te eenvormig en langdradig (vijf nummers van over de zeven minuten is er wel een beetje over), maar zeker een van de aanraders van het jaar voor mensen die hun rock het liefst van de straat en uit het hart hebben.
Ik waag me zelden aan dit soort voorspellingen, maar bij deze wil ik toch even het vermoeden uitspreken dat deze band volgens mij nogal groot gaat worden. Let maar op: binnenkort ook een cultstatus bij u in de buurt.
Ga zeker een liveoptreden checken als ze binnenkort in deze contreien verschijnen.
Tool - Fear Inoculum (2019)

2,0
9
geplaatst: 23 september 2019, 21:36 uur
Er kan een hoop veranderen in dertien jaar. Voorbeeld: Sandokan kocht de vorige drie elpees van Tool op de dag dat ze uitkwamen, maar merkte het bestaan van deze pas bijna twee weken na de releasedatum op (‘Is dan toch nog snel gegaan, he?’, is de grap die op mijn lippen ligt).
Dingen kunnen ook heel erg hetzelfde blijven in dertien jaar. Voorbeeld: Tool. Die dudes gaan doodleuk verder met priegelen en preken waar ze in 2006 waren opgehouden. Adam Jones beweerde in een interview dat Fear Inoculum ‘very different’ was dan hun vorige platen, maar je moet toch wel een expert zijn in wishful thinking om hier veel artistieke ontwikkeling in te horen, sorry hoor.
Priegelen: ellenlang gebrei met zoemende gitaarlijntjes en polyritmes, steevast opbouwend naar muren van spierballenprog. Want: ze zijn wel spiritueel, maar geen mietjes. En: nadenken over het bestaan is best wel heftig, hoor! Vijf seconden na de start van de plaat dacht ik al: Ah ja, typisch Tool. En een uur later denk je dat nog steeds. Een formule voor megasucces, blijkbaar. Vooral de bassist moet echt leven in een soort testosteron-versie van Nish Kumars ‘Drummer From Coldplay’- skit.
Preken: Ja, wie heeft Maynard James Keenan eigenlijk verteld dat hij benoemd is tot spirituele goeroe van de rock? En op basis waarvan? Zou ik dertien jaar geleden nog onder de indruk zijn geweest van new age-tegeltjeswijsheden als: ‘We are born of one breath/ one word/ we are all one spark’? Nu denk ik al vrij snel: 'spreek voor jezelf, makker.’ Even later mekkert Keenan over een ‘Warrior/ struggling/ to remain/ consequential’. Dat is meer de spijker op de kop, althans, als je ‘warrior’ leest als ‘uitgezakte wijnboer met een te hoge dunk van zichzelf.’
Ik heb een paar dagen serieus overwogen om de minimale score te geven, maar dat zou Mume-onwaardig zijn (mijn oude rock-maatjes zullen me bovenstaande sowieso wel niet in dank afnemen, maar het zij zo). En Tool kan er natuurlijk ook niet zo veel aan doen dat mijn smaak in dertien jaar zo veranderd is. Toch zegt mijn gevoel me dat, als ik nog wel fan was geweest, ik alsnog ernstig teleurgesteld zou zijn geweest in een band die na dertien jaar komt aankakken met zo’n schaamteloze en humorloze zelfparodie.
(‘Maar Sandokan, je moet de plaat nog dertig keer luisteren/ mediterend op een berg in Nepal/ eerst je anus-chakra goed uitspuiten.’
‘Nah, dank je, jongens, pas.’)
Dingen kunnen ook heel erg hetzelfde blijven in dertien jaar. Voorbeeld: Tool. Die dudes gaan doodleuk verder met priegelen en preken waar ze in 2006 waren opgehouden. Adam Jones beweerde in een interview dat Fear Inoculum ‘very different’ was dan hun vorige platen, maar je moet toch wel een expert zijn in wishful thinking om hier veel artistieke ontwikkeling in te horen, sorry hoor.
Priegelen: ellenlang gebrei met zoemende gitaarlijntjes en polyritmes, steevast opbouwend naar muren van spierballenprog. Want: ze zijn wel spiritueel, maar geen mietjes. En: nadenken over het bestaan is best wel heftig, hoor! Vijf seconden na de start van de plaat dacht ik al: Ah ja, typisch Tool. En een uur later denk je dat nog steeds. Een formule voor megasucces, blijkbaar. Vooral de bassist moet echt leven in een soort testosteron-versie van Nish Kumars ‘Drummer From Coldplay’- skit.
Preken: Ja, wie heeft Maynard James Keenan eigenlijk verteld dat hij benoemd is tot spirituele goeroe van de rock? En op basis waarvan? Zou ik dertien jaar geleden nog onder de indruk zijn geweest van new age-tegeltjeswijsheden als: ‘We are born of one breath/ one word/ we are all one spark’? Nu denk ik al vrij snel: 'spreek voor jezelf, makker.’ Even later mekkert Keenan over een ‘Warrior/ struggling/ to remain/ consequential’. Dat is meer de spijker op de kop, althans, als je ‘warrior’ leest als ‘uitgezakte wijnboer met een te hoge dunk van zichzelf.’
Ik heb een paar dagen serieus overwogen om de minimale score te geven, maar dat zou Mume-onwaardig zijn (mijn oude rock-maatjes zullen me bovenstaande sowieso wel niet in dank afnemen, maar het zij zo). En Tool kan er natuurlijk ook niet zo veel aan doen dat mijn smaak in dertien jaar zo veranderd is. Toch zegt mijn gevoel me dat, als ik nog wel fan was geweest, ik alsnog ernstig teleurgesteld zou zijn geweest in een band die na dertien jaar komt aankakken met zo’n schaamteloze en humorloze zelfparodie.
(‘Maar Sandokan, je moet de plaat nog dertig keer luisteren/ mediterend op een berg in Nepal/ eerst je anus-chakra goed uitspuiten.’
‘Nah, dank je, jongens, pas.’)
Tropical Fuck Storm - Braindrops (2019)

3,5
1
geplaatst: 16 september 2019, 19:24 uur
Gareth Liddiard timmert alweer bijna twintig jaar aan de weg. Sinds hij al zijn mannelijke bandleden heeft vervangen voor vrouwen, en muziek uitbrengt onder een belachelijke bandnaam en dito hoezen, lijkt de aandacht voor zijn werk meer dan verdubbeld.
Terecht, lijkt mij, want er is duidelijk een markt voor dit soort Australische zwartkijkers (The Veils, Nick Cave), en wat Liddiard maakt hoeft niet onder te doen voor die andere voorbeelden. Sterker nog: regelmatig zouden die een voorbeeld mogen nemen aan het altijd spannende, schurende geluid van Tropical Fuck Storm.
Maar wie hem al langer volgt of dieper in zijn werk duikt (de beste Drones-platen ‘Wait Long By The River…’ en ‘I See Seaweed’ worden warm aanbevolen door ondergetekende) begint toch wel te merken dat Liddiard en co eigenlijk steeds ongeveer dezelfde plaat maken. Goed, het ene bandje bestaat niet alleen uit vrouwen en het volgende wel. De ene keer klinken ze wat meer elektronisch, de andere keer wat organischer. Dan is het weer wat strakker in de blues, dan domineert de aritmische herrie weer.
Een goed bandje blijft het zeker: interessante teksten, lekker stuurs, lekker zwartgallig, mooi gitaargeluid, altijd een paar meeslepende refreinen in de aanbieding. Braindrops is - alweer- een 4*-plaat, die er wederom toch maar 3,5 krijgt omdat hij zich te weinig onderscheidt van zijn voorgangers.
Terecht, lijkt mij, want er is duidelijk een markt voor dit soort Australische zwartkijkers (The Veils, Nick Cave), en wat Liddiard maakt hoeft niet onder te doen voor die andere voorbeelden. Sterker nog: regelmatig zouden die een voorbeeld mogen nemen aan het altijd spannende, schurende geluid van Tropical Fuck Storm.
Maar wie hem al langer volgt of dieper in zijn werk duikt (de beste Drones-platen ‘Wait Long By The River…’ en ‘I See Seaweed’ worden warm aanbevolen door ondergetekende) begint toch wel te merken dat Liddiard en co eigenlijk steeds ongeveer dezelfde plaat maken. Goed, het ene bandje bestaat niet alleen uit vrouwen en het volgende wel. De ene keer klinken ze wat meer elektronisch, de andere keer wat organischer. Dan is het weer wat strakker in de blues, dan domineert de aritmische herrie weer.
Een goed bandje blijft het zeker: interessante teksten, lekker stuurs, lekker zwartgallig, mooi gitaargeluid, altijd een paar meeslepende refreinen in de aanbieding. Braindrops is - alweer- een 4*-plaat, die er wederom toch maar 3,5 krijgt omdat hij zich te weinig onderscheidt van zijn voorgangers.
tUnE-yArDs - Who Kill (2011)

4,0
0
geplaatst: 26 mei 2011, 21:08 uur
De vergelijking die De-noir maakt met Vampire Weekend hoor ik eerlijk gezegd niet zo goed. Allebei invloeden van de wereldmuziek? Hoe dan ook, ik vind dit niet echt klinken als Vampire Weekend. Verder heb ik niet zo veel verstand van dit soort muziek, dus ik weet niet precies wat voor referenties ik zou moeten noemen. Op zijn wildste momenten klinkt dit een beetje als Chaka Khan die een zenuwtoeval krijgt, begeleid door Fela Kuti die in elkaar wordt geslagen door bezeten drumcomputers. Op de meer ingetogen momenten lijkt het eerder of een stonede Nina Simone door de blender wordt gehaald door Madlib.
Je zou in ieder geval niet verwachten dat deze muziek door een jong mager blank meisje bij elkaar is gespeeld, bijna in haar eentje. Toch is dat zo, Google zelf maar. In het echt heet ze 'Merrill Garbus', en ze wordt op deze plaat bijgestaan door een bassist en een paar saxofonisten.
Ik lees op internet dat haar vorige werk redelijk experimenteel was, maar op Who Kill vinden we vooral pure pop, zij het met aardig wat bokkensprongen en een ferm scherp randje. In tien, frisse, agressieve tracks legt ze stevige grooves neer, waar ze overheen zingt in Afrikaans klinkende vocalen vol geschreeuw en herhaling. Meestal weet ze de saaiheid te voorkomen door de liedjes goed in beweging te houden. Scherpe en goed geplaatste breaks, eigenzinnige blazers, veel spelen met vocalen en over elkaar heenvallende patronen van beats. Meestal erg lekker, maar op een paar tracks slaat de verveling toch een beetje toe mij, na een paar minuten luisteren ('Es-so', 'Doorstep').
Een ander klein nadeel zijn toch wel de teksten. Niet heel erg irritant, maar met een hoog 'yo, yo, pas op als je in mijn hood komt'-gehalte, waardoor we een Nobelprijs voor de literatuur toch wel voorzichtig kunnen uitsluiten.
Staat tegenover dat liedjes als 'My Country', 'Gangsta', 'Powa' en 'Bizness' zeker op een lijstje zullen komen van lekkerste liedje van 2011, mocht ik er één maken.
Erg fijn plaatje.
Je zou in ieder geval niet verwachten dat deze muziek door een jong mager blank meisje bij elkaar is gespeeld, bijna in haar eentje. Toch is dat zo, Google zelf maar. In het echt heet ze 'Merrill Garbus', en ze wordt op deze plaat bijgestaan door een bassist en een paar saxofonisten.
Ik lees op internet dat haar vorige werk redelijk experimenteel was, maar op Who Kill vinden we vooral pure pop, zij het met aardig wat bokkensprongen en een ferm scherp randje. In tien, frisse, agressieve tracks legt ze stevige grooves neer, waar ze overheen zingt in Afrikaans klinkende vocalen vol geschreeuw en herhaling. Meestal weet ze de saaiheid te voorkomen door de liedjes goed in beweging te houden. Scherpe en goed geplaatste breaks, eigenzinnige blazers, veel spelen met vocalen en over elkaar heenvallende patronen van beats. Meestal erg lekker, maar op een paar tracks slaat de verveling toch een beetje toe mij, na een paar minuten luisteren ('Es-so', 'Doorstep').
Een ander klein nadeel zijn toch wel de teksten. Niet heel erg irritant, maar met een hoog 'yo, yo, pas op als je in mijn hood komt'-gehalte, waardoor we een Nobelprijs voor de literatuur toch wel voorzichtig kunnen uitsluiten.
Staat tegenover dat liedjes als 'My Country', 'Gangsta', 'Powa' en 'Bizness' zeker op een lijstje zullen komen van lekkerste liedje van 2011, mocht ik er één maken.
Erg fijn plaatje.
TV on the Radio - Dear Science (2008)

3,5
0
geplaatst: 20 augustus 2010, 13:07 uur
Voor mij is Dear Science een programmeerplaat.
Hij begint gruwelijk sterk met Halfway Home: vol soul en passie gezongen, met een geweldige, gruizige climax.
'Crying' doet me dan weer weinig, met zijn voor de hand liggende funkgitaartjes, electrobeats en falsettostemmetjes. Al is het einde dan wel weer sterk.
Dan Dancing Choose: goed refrein, en het slimme gebruik van blaasinstrumenten is een echt pluspunt op dit album. Maar weer een hoop bliepjes, klapjes en kekke riffjes die me vooral vervelen.
Er bestaat duidelijk een kloof tussen de jongens van TV On The Radio en ik. Zie je, als het erop aankomt, zou ik zeggen: steek al je eclectische maniertjes en 'wat zijn we toch hip in New York'-trucjes maar waar de zon nooit schijnt, wat mij betreft. Ik kan tien keer zoveel met een of andere Texaanse alcoholist die niet kan zingen, twee akkoorden speelt op een oude gitaar, maar wel vanuit het hart speelt. Hell yeah!
De geliktheid van Dear Science staat soms bijna voor het tegenovergestelde. Een soort aangeleerde hipheid, waarbinnen over elk detail lijkt te zijn nagedacht.
Dear Science werd ontvangen als een vernieuwende plaat, maar zo bijzonder is het allemaal niet, vind ik. 'There's a Riot Going On' kwam veertig jaar geleden uit, 'Sign 'O' The Times' bijna 25 jaar geleden. Weinig reden lijkt me dus, om deze plaat te beschouwen als een revolutie, omdat er wat gestoeid wordt met elektronica en funk.
Ondanks al mijn kritiek staan er een paar echte krakers op deze plaat, vind ik: buiten de opener, is 'Golden Age' redelijk onweerstaanbaar. En 'Shout Me Out' is het meest simpele, en misschien daardoor het meest effectieve popliedje op de plaat. Met weer een waanzinnig einde. Allemaal nummers die nog wel een tijdje welkom zullen zijn op de playlist van mijn mp3.
Buiten dat valt er in elk nummer wel iets te genieten: de ingetogen sfeer op het door toetsen gedreven Family Tree, de chaotische blazers op Red Dress, het eentweetje van vocalen en onheilspellende elektronica op DLZ... Maar als album wil het me toch niet echt pakken. Hoewel ik me wel kan vinden in het commentaar van slagerkorrel hierboven, dat de plaat bij het afdraaien bijna altijd beter is dan ik me kon herinneren. Maar een reden om hem erg vaak te draaien heb ik nog niet gevonden.
Ik heb begrepen dat hun vorige platen minder gelikt zijn dan deze, nietwaar? Misschien goed om die dan eens een kans te geven. Talent heeft dit bandje zeker.
Hij begint gruwelijk sterk met Halfway Home: vol soul en passie gezongen, met een geweldige, gruizige climax.
'Crying' doet me dan weer weinig, met zijn voor de hand liggende funkgitaartjes, electrobeats en falsettostemmetjes. Al is het einde dan wel weer sterk.
Dan Dancing Choose: goed refrein, en het slimme gebruik van blaasinstrumenten is een echt pluspunt op dit album. Maar weer een hoop bliepjes, klapjes en kekke riffjes die me vooral vervelen.
Er bestaat duidelijk een kloof tussen de jongens van TV On The Radio en ik. Zie je, als het erop aankomt, zou ik zeggen: steek al je eclectische maniertjes en 'wat zijn we toch hip in New York'-trucjes maar waar de zon nooit schijnt, wat mij betreft. Ik kan tien keer zoveel met een of andere Texaanse alcoholist die niet kan zingen, twee akkoorden speelt op een oude gitaar, maar wel vanuit het hart speelt. Hell yeah!
De geliktheid van Dear Science staat soms bijna voor het tegenovergestelde. Een soort aangeleerde hipheid, waarbinnen over elk detail lijkt te zijn nagedacht.
Dear Science werd ontvangen als een vernieuwende plaat, maar zo bijzonder is het allemaal niet, vind ik. 'There's a Riot Going On' kwam veertig jaar geleden uit, 'Sign 'O' The Times' bijna 25 jaar geleden. Weinig reden lijkt me dus, om deze plaat te beschouwen als een revolutie, omdat er wat gestoeid wordt met elektronica en funk.
Ondanks al mijn kritiek staan er een paar echte krakers op deze plaat, vind ik: buiten de opener, is 'Golden Age' redelijk onweerstaanbaar. En 'Shout Me Out' is het meest simpele, en misschien daardoor het meest effectieve popliedje op de plaat. Met weer een waanzinnig einde. Allemaal nummers die nog wel een tijdje welkom zullen zijn op de playlist van mijn mp3.
Buiten dat valt er in elk nummer wel iets te genieten: de ingetogen sfeer op het door toetsen gedreven Family Tree, de chaotische blazers op Red Dress, het eentweetje van vocalen en onheilspellende elektronica op DLZ... Maar als album wil het me toch niet echt pakken. Hoewel ik me wel kan vinden in het commentaar van slagerkorrel hierboven, dat de plaat bij het afdraaien bijna altijd beter is dan ik me kon herinneren. Maar een reden om hem erg vaak te draaien heb ik nog niet gevonden.
Ik heb begrepen dat hun vorige platen minder gelikt zijn dan deze, nietwaar? Misschien goed om die dan eens een kans te geven. Talent heeft dit bandje zeker.
Tyler Childers - Snipe Hunter (2025)

3,0
0
geplaatst: 8 januari, 20:43 uur
Mijn eerste kennismaking met de -toch al een tijdje aan de weg timmerende- Childers, en ik moet zeggen dat ik me een paar keer goed vermaakt heb met dit album.
Dat ligt voor een groot deel aan de prettige rauwe stem van Childers en de goede - en soms originele arrangementen. Aan de andere kant hangen de liedjes net te veel van open deuren aan elkaar. Childers klinkt tijdens de grappige liedjes ook nét iets te melig, terwijl de gevoelige liedjes net te pathetisch kwelen.
De grappige momenten zijn voor mij toch het meest memorabel, zoals de coupletten uit 'Down Under':
Alles komt het mooiste bij elkaar tegen het einde, op 'Tirtha Yatra', waarin Childers zijn fascinatie voor het Hindoeïsme bezingt, en zijn wens om naar India te reizen:
Dat nummer komt denk ik als enige in mijn favorietenlijst, maar de rest was aangenaam om een keer gehoord te hebben.
Dat ligt voor een groot deel aan de prettige rauwe stem van Childers en de goede - en soms originele arrangementen. Aan de andere kant hangen de liedjes net te veel van open deuren aan elkaar. Childers klinkt tijdens de grappige liedjes ook nét iets te melig, terwijl de gevoelige liedjes net te pathetisch kwelen.
De grappige momenten zijn voor mij toch het meest memorabel, zoals de coupletten uit 'Down Under':
Koala bears get livid when they don't get eucalyptus
Most of 'em carry syphilis or chlamydia, what's the difference?
All I know is I don't want no koala cuddlin' up to me
I can see it fine from here, it is a pretty cute koala
Most of 'em carry syphilis or chlamydia, what's the difference?
All I know is I don't want no koala cuddlin' up to me
I can see it fine from here, it is a pretty cute koala
Alles komt het mooiste bij elkaar tegen het einde, op 'Tirtha Yatra', waarin Childers zijn fascinatie voor het Hindoeïsme bezingt, en zijn wens om naar India te reizen:
I'd go to Kurukshetra
You know, I couldn't even tell you
if I am or not
pronouncin' it right
But comin' from a cousin lovin'
clubfoot somethin'-somethin'
Backwood searcher, I would hope
that you'd admire the try
You know, I couldn't even tell you
if I am or not
pronouncin' it right
But comin' from a cousin lovin'
clubfoot somethin'-somethin'
Backwood searcher, I would hope
that you'd admire the try
Dat nummer komt denk ik als enige in mijn favorietenlijst, maar de rest was aangenaam om een keer gehoord te hebben.
Tyrone Washington - Natural Essence (1967)

4,0
3
geplaatst: 18 januari 2021, 19:36 uur
Met: Tyrone Washington (tenorsax); Woody Shaw (trompet); James Spaulding (altsax, fluit); Kenny Barron (piano); Reggie Workman (bas); Joe Chambers (drums)
Het overkomt me niet elke dag dat ik de eer heb om het aantal stemmen voor een plaat op Musicmeter te laten verdrievoudigen. Zo heb je nog rendement van een virtueel jazzavondje.
Gelukkig vonden de overige deelnemers mijn tip wel te verdragen, al gaf niemand hoger dan 3,5*. Ik kan er zelf wel 4* aan kwijt, maar het ligt dan misschien ook wat meer in mijn straatje.
Another forgotten jazz hero: Tyrone Washington (*1944) bracht tot dusver (kennelijk leeft hij nog) als bandleider slechts drie platen uit, en speelde als sideman op nog een handvol. Daarna verliet hij de muziek om (volgens de geruchten) zijn leven te wijden aan de Here.
Dat de jazzwereld daarmee een sterke saxofonist is verloren, laat Washington horen op deze zes originals, sterke maar voor die tijd niet enórm wereldschokkende hardbop/postbop-composities waaraan de solo's het meest opvallen.
De bandleider steelt zelf de show, en weet vooral op de tweede helft van de plaat regelmatig mijn oren gespitst te krijgen met technisch hoogstaande, emotioneel geladen solo's. Hij weet een vergelijking af te dwingen met de grote tenorsaxofonisten van de jaren zestig, en tóch redelijk origineel te klinken: knap! Achter hem speelt een sterke band, waar vooral een relatief jonge Woody Shaw, en de onvolprezen Reggie Workman positief opvallen.
Lekker plaatje dus voor fans van jaren zestig-postbop, Jackie McLean, Eric Dolphy, Wayne Shorter, enz.
Het overkomt me niet elke dag dat ik de eer heb om het aantal stemmen voor een plaat op Musicmeter te laten verdrievoudigen. Zo heb je nog rendement van een virtueel jazzavondje.

Gelukkig vonden de overige deelnemers mijn tip wel te verdragen, al gaf niemand hoger dan 3,5*. Ik kan er zelf wel 4* aan kwijt, maar het ligt dan misschien ook wat meer in mijn straatje.
Another forgotten jazz hero: Tyrone Washington (*1944) bracht tot dusver (kennelijk leeft hij nog) als bandleider slechts drie platen uit, en speelde als sideman op nog een handvol. Daarna verliet hij de muziek om (volgens de geruchten) zijn leven te wijden aan de Here.
Dat de jazzwereld daarmee een sterke saxofonist is verloren, laat Washington horen op deze zes originals, sterke maar voor die tijd niet enórm wereldschokkende hardbop/postbop-composities waaraan de solo's het meest opvallen.
De bandleider steelt zelf de show, en weet vooral op de tweede helft van de plaat regelmatig mijn oren gespitst te krijgen met technisch hoogstaande, emotioneel geladen solo's. Hij weet een vergelijking af te dwingen met de grote tenorsaxofonisten van de jaren zestig, en tóch redelijk origineel te klinken: knap! Achter hem speelt een sterke band, waar vooral een relatief jonge Woody Shaw, en de onvolprezen Reggie Workman positief opvallen.
Lekker plaatje dus voor fans van jaren zestig-postbop, Jackie McLean, Eric Dolphy, Wayne Shorter, enz.
