Hier kun je zien welke berichten dazzler als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
The Stranglers - Rattus Norvegicus (1977)
Alternatieve titel: Stranglers IV

5,0
0
geplaatst: 7 december 2011, 09:14 uur
RATTUS NORVEGICUS 1977
Anno 1974 in de ijsjeszaak van drummer Jet Black opgericht als pubrock band.
Als de Zweedse gitarist Hans Wärmling opstapt is Strange Little Girl al geschreven.
Hugh Cornwell wordt noodgedwongen eerste gitarist en deelt de lead vocalen
met de klassiek geschoolde, Franse bassist en karatekid JJ Burnell.
Progrocker en toetsen tovenaar (het Doors orgeltje) Dave Greenfield treedt toe.
Slechte PA dwingt de zangers ertoe om boven hun instrumenten uit te schreeuwen.
En plots spelen The Stranglers naast The Pistols en The Clash op punk affiches.
In 1976 wordt een live set ingeblikt als debuutalbum.
Maar dat plan (live bonustrack Peasant in a Big Shitty is een getuige)
wordt vervangen door het idee om de hele set "live" in de studio over te doen.
(Get a) Grip (on Yourself) / London Lady wordt de eerste single.
Grip verraadt al meteen dat The Stranglers geen drie akkoorden punks zijn.
Muzikaal opvallend gelaagd met ruimte voor alle instrumenten, inclusief synths.
London Lady is wel volledig in de punk taal geschreven.
En wat zit die wurgende bas van Burnell lekker vet in de eindmix.
Complimenten gaan naar producer Martin Rushent waarmee de groep
in 18 maanden tijd drie volledige albums en een handvol singles zal opnemen.
Met de tweede single Peaches is het meteen raak.
De Stranglers persiflage van een reggae song is goed voor de UK top 10.
Een paar schunnige woorden worden gedubd in een radiovriendelijke versie.
Peaches wordt als dubbele a-kant uitgebracht.
Het erg swingende Go Buddy Go van Burnell is minstens zo goed als
de 9 songs die het album haalden, maar past minder in het muzikale concept.
Want Rattus Norvegicus is niet zomaar een punk album.
Het laat naast de jazz rock van Grip en de valse reggae van Peaches
ook blues schema's horen. In het geile Princess of the Streets bijvoorbeeld.
Of wat dacht je van Sometimes, een uppercut van een binnenkomer?
Met de beide voeten stevig in de sixties. Het Doors orgeltje krijg je er gratis bij.
Op Rattus profileren The Stranglers zich als de riooljounalisten van de punk scene.
Down in the Sewer is als een mini-symfonie vormgegeven progrock punk.
Een nummer dat heel lang in de live set zal blijven hangen. Knap hoe aan het eind
van dit ijzersterke album alle kots, pis en stront netjes worden doorgespoeld.
Ugly, een sneer van JJ richting de puistkoppen op punk festivals.
The Stranglers waren niet alleen in muzikaliteit, maar ook in levensjaren
rijper dan de meeste lotgenoten. Drummer Jet Black (altijd retestrak) is al flink
op weg naar de 40 als hij furore maakt met de groep die in zijn garage ontstond.
Omdat een aantal leftovers van de eerste album sessie goed genoeg zijn
voor de helft van opvolger No More Heroes (1977) blijft het bij twee single releases.
Something Better Change ligt al in de winkels als derde single kandidaat Hanging Around
vrede moet nemen met inclusie op een Stranglers EP om de groep buiten de UK te promoten.
Hanging Around is een mooi voorbeeld van het pubrock verleden van de groep.
Bij de eerste oplagen van het Rattus album zat ook een gratis bonus single.
Choosey Susie heet de dertien in een dozijn punksong van Burnell.
Een nummer dat op dat moment al niet meer live gespeeld werd.
Het is opvallend hoe op de twee eerste albums Burnell en Cornwell
elkaar qua composities en lead vocalen nog min of meer in evenwicht houden.
Vanaf Black & White zal het leeuwenaandeel van de songs uit Cornwells brein vloeien.
Toch tekenen de vier bandleden altijd samen voor de credits.
Een kwestie van kameraadschap en ook een aanwijzing dat drummer Black
en toetsenist Greenfield voldoende inbreng hebben in de arrangementen.
Eén song haalde ik nog niet aan: Goodbye Toulouse.
Dat nummer heeft meer met de latere new wave fase (1979-1982) van de band
dan met deze punk periode te maken. In het koortje dat Good-bye Tou-louse zingt
hoor je al een echo van het koortje (Ne-ver a frown) uit Golden Brown.
Een vocaal trucje dat de groep meermaals zal toepassen.
Want Rattus Norvegicus is nog maar het begin van een mooi avontuur.
Anno 1974 in de ijsjeszaak van drummer Jet Black opgericht als pubrock band.
Als de Zweedse gitarist Hans Wärmling opstapt is Strange Little Girl al geschreven.
Hugh Cornwell wordt noodgedwongen eerste gitarist en deelt de lead vocalen
met de klassiek geschoolde, Franse bassist en karatekid JJ Burnell.
Progrocker en toetsen tovenaar (het Doors orgeltje) Dave Greenfield treedt toe.
Slechte PA dwingt de zangers ertoe om boven hun instrumenten uit te schreeuwen.
En plots spelen The Stranglers naast The Pistols en The Clash op punk affiches.
In 1976 wordt een live set ingeblikt als debuutalbum.
Maar dat plan (live bonustrack Peasant in a Big Shitty is een getuige)
wordt vervangen door het idee om de hele set "live" in de studio over te doen.
(Get a) Grip (on Yourself) / London Lady wordt de eerste single.
Grip verraadt al meteen dat The Stranglers geen drie akkoorden punks zijn.
Muzikaal opvallend gelaagd met ruimte voor alle instrumenten, inclusief synths.
London Lady is wel volledig in de punk taal geschreven.
En wat zit die wurgende bas van Burnell lekker vet in de eindmix.
Complimenten gaan naar producer Martin Rushent waarmee de groep
in 18 maanden tijd drie volledige albums en een handvol singles zal opnemen.
Met de tweede single Peaches is het meteen raak.
De Stranglers persiflage van een reggae song is goed voor de UK top 10.
Een paar schunnige woorden worden gedubd in een radiovriendelijke versie.
Peaches wordt als dubbele a-kant uitgebracht.
Het erg swingende Go Buddy Go van Burnell is minstens zo goed als
de 9 songs die het album haalden, maar past minder in het muzikale concept.
Want Rattus Norvegicus is niet zomaar een punk album.
Het laat naast de jazz rock van Grip en de valse reggae van Peaches
ook blues schema's horen. In het geile Princess of the Streets bijvoorbeeld.
Of wat dacht je van Sometimes, een uppercut van een binnenkomer?
Met de beide voeten stevig in de sixties. Het Doors orgeltje krijg je er gratis bij.
Op Rattus profileren The Stranglers zich als de riooljounalisten van de punk scene.
Down in the Sewer is als een mini-symfonie vormgegeven progrock punk.
Een nummer dat heel lang in de live set zal blijven hangen. Knap hoe aan het eind
van dit ijzersterke album alle kots, pis en stront netjes worden doorgespoeld.
Ugly, een sneer van JJ richting de puistkoppen op punk festivals.
The Stranglers waren niet alleen in muzikaliteit, maar ook in levensjaren
rijper dan de meeste lotgenoten. Drummer Jet Black (altijd retestrak) is al flink
op weg naar de 40 als hij furore maakt met de groep die in zijn garage ontstond.
Omdat een aantal leftovers van de eerste album sessie goed genoeg zijn
voor de helft van opvolger No More Heroes (1977) blijft het bij twee single releases.
Something Better Change ligt al in de winkels als derde single kandidaat Hanging Around
vrede moet nemen met inclusie op een Stranglers EP om de groep buiten de UK te promoten.
Hanging Around is een mooi voorbeeld van het pubrock verleden van de groep.
Bij de eerste oplagen van het Rattus album zat ook een gratis bonus single.
Choosey Susie heet de dertien in een dozijn punksong van Burnell.
Een nummer dat op dat moment al niet meer live gespeeld werd.
Het is opvallend hoe op de twee eerste albums Burnell en Cornwell
elkaar qua composities en lead vocalen nog min of meer in evenwicht houden.
Vanaf Black & White zal het leeuwenaandeel van de songs uit Cornwells brein vloeien.
Toch tekenen de vier bandleden altijd samen voor de credits.
Een kwestie van kameraadschap en ook een aanwijzing dat drummer Black
en toetsenist Greenfield voldoende inbreng hebben in de arrangementen.
Eén song haalde ik nog niet aan: Goodbye Toulouse.
Dat nummer heeft meer met de latere new wave fase (1979-1982) van de band
dan met deze punk periode te maken. In het koortje dat Good-bye Tou-louse zingt
hoor je al een echo van het koortje (Ne-ver a frown) uit Golden Brown.
Een vocaal trucje dat de groep meermaals zal toepassen.
Want Rattus Norvegicus is nog maar het begin van een mooi avontuur.
The Stranglers - Sweet Smell of Success (2003)
Alternatieve titel: Best of the Epic Years

4,0
0
geplaatst: 23 februari 2009, 16:41 uur
Verzamelaar van hun Epic popperiode (1983-2000).
Daarop alle officiële single releases (en single versies).
Leuk hoe het label erin slaagde om van de meeste
van hun oude hits een passende live versie te vinden.
Zo wordt het qua tracklijst toch nog een volledig overzicht.
Daarop alle officiële single releases (en single versies).
Leuk hoe het label erin slaagde om van de meeste
van hun oude hits een passende live versie te vinden.
Zo wordt het qua tracklijst toch nog een volledig overzicht.
The Stranglers - The Collection 1977-1982 (1982)

4,0
1
geplaatst: 8 december 2011, 20:48 uur
THE COLLECTION 1977-1982
De eerste, echte verzamelaar van The Stranglers sluit een tijdperk
bij EMI (aanvankelijk United Artists en daarna Liberty) af met 14 songs.
Er wordt niet enkel voor de singles gekozen, al hadden The Stranglers in de UK
top 10 hits met Peaches, Something Better Change, No More Heroes en Duchess.
Ander hitparade succes was er met de non-album singles 5 Minutes (ontbreekt hier)
en de bekende Bacharach song Walk on By. Daarna ging het wat minder goed met de band
tot in 1982 opnieuw fors gescoord werd met de evergreen Golden Brown en Strange Little Girl.
De verzamelaar is min of meer chronologisch opgebouwd.
Het debuut album Rattus Norvegicus (1977) wordt naast Peaches vertegenwoordigd
door de eerste single (Get a) Grip (on Yourself) en de sterke album track Hanging Around.
Opvolger No More Heroes (1977) houdt het bij de reeds vermelde punk singles.
Black & White (1978) kan rekenen op de single Nice 'n" Sleazy en de cover Walk on By.
The Raven (1979) biedt naast Duchess ook de zwakke non-album single Bear Cage.
En het op vele compilaties ten onrechte verguisde Meninblack (1981) album mag rekenen
op het griezelige Waltzinblack en de schitterende non-album single Who Wants the World.
Eindigen doen we met het La Folie (1981) tijdperk waaruit Golden Brown,
de titelsong La Folie en de non-album single Strange Little Girl zijn genomen.
Toch goed voor 4 singles die nooit voordien op album stonden,
maar die mee de geest uitademen van de hierboven genoemde albums.
Ideale instap voor beginners, al mis je wel hun latere pop klassiekers (op Epic) uit de 80s.
De eerste, echte verzamelaar van The Stranglers sluit een tijdperk
bij EMI (aanvankelijk United Artists en daarna Liberty) af met 14 songs.
Er wordt niet enkel voor de singles gekozen, al hadden The Stranglers in de UK
top 10 hits met Peaches, Something Better Change, No More Heroes en Duchess.
Ander hitparade succes was er met de non-album singles 5 Minutes (ontbreekt hier)
en de bekende Bacharach song Walk on By. Daarna ging het wat minder goed met de band
tot in 1982 opnieuw fors gescoord werd met de evergreen Golden Brown en Strange Little Girl.
De verzamelaar is min of meer chronologisch opgebouwd.
Het debuut album Rattus Norvegicus (1977) wordt naast Peaches vertegenwoordigd
door de eerste single (Get a) Grip (on Yourself) en de sterke album track Hanging Around.
Opvolger No More Heroes (1977) houdt het bij de reeds vermelde punk singles.
Black & White (1978) kan rekenen op de single Nice 'n" Sleazy en de cover Walk on By.
The Raven (1979) biedt naast Duchess ook de zwakke non-album single Bear Cage.
En het op vele compilaties ten onrechte verguisde Meninblack (1981) album mag rekenen
op het griezelige Waltzinblack en de schitterende non-album single Who Wants the World.
Eindigen doen we met het La Folie (1981) tijdperk waaruit Golden Brown,
de titelsong La Folie en de non-album single Strange Little Girl zijn genomen.
Toch goed voor 4 singles die nooit voordien op album stonden,
maar die mee de geest uitademen van de hierboven genoemde albums.
Ideale instap voor beginners, al mis je wel hun latere pop klassiekers (op Epic) uit de 80s.
The Stranglers - The Meninblack (1981)
Alternatieve titel: The Gospel According to the Meninblack

5,0
0
geplaatst: 28 september 2010, 14:59 uur
THE GOSPEL ACCORDING TO THE MENINBLACK 1981
Zanger en gitarist Hugh Cornwell zat in 1980 een gevangenisstraf uit
wegens drugsbezit. De band hield een commerciële kater over aan het
nochtans prachtige en zwaar onderschatte album The Raven uit 1979.
Drummer Jet Black deelde zijn fascinatie over UFO's
en buitenaards leven met de overige bandleden en zo groeide
in de cel bij Cornwell het idee om een heel conceptalbum te maken
rond het thema van de meninblack: sinistere heren die mensen
die getuige waren van UFO waarnemingen en ontmoetingen
de mond te snoerden. U kent wellicht de film met Will Smith.
Two Sunspots, een ode aan de vrouwelijke tepels, was de start.
Dat nummer bestond in 1979 al in een demofase, maar pastte
niet meteen in het eerder politieke concept van The Raven.
In de studio werd het nummer vertraagd en met een voice pitcher
werden de haast griezelige vocalen van de aliens ingezongen.
Meninblack is track 10 van het album The Raven.
In 1980 releasten The Stranglers twee singles.
Het povere Bear Cage en het werkelijk sublieme Who Wants the World.
De b-kant van dit nummer heette The Meninblack (Waitin' for Them)
en bleek achteraf een instrumentale versie van albumtrack 4.
Bear Cage is een bonus op de CD release van The Raven.
Maar de beide nummers van Who Wants the World ontbreken
(wat een nalatigheid) op de CD remaster van The Meninblack.
De single was een soort introductie op het gospel album.
In Who Wants the World wordt de vraag gesteld wie er nog wat
zou willen geven voor deze aardbol met al zijn menselijke exploten?
In de theorie die The Stranglers op dit album ontwikkelen
wordt ervan uitgegaan dat de menselijke soort een experiment
is dat door aliens begonnen werd (en waarvan je in de bijbel
sporen kan terugvinden). Natuurlijk gaat het om fictie.
Maar fictie die erg in trek was in de jaren '70 en '80.
Het Laatste Oordeel (beschreven in de apocalyps) wordt
in die theorie gezien als de wederkomst van deze beschaving
die ooit het menselijk experiment begon: Second Coming.
Dit album wil die spanning oproepen tussen een ontspoorde mensheid
en haar scheppers (de aliens) die het plan hebben de stekker uit te trekken.
Een alternatief doemscenario in volle postpunk tijdperk.
Waltzinblack is het bekendste nummer van deze plaat.
In een walstempo (Golden Brown zou een jaar later volgen)
rukken marsmannetjes met hun kriegelig gegiechel op
en teisteren ze langzaam de boxen van je stereoketen.
De instrumental werd door de BBC gebruikt
voor een docureeks en kreeg daardoor bekendheid.
Just Like Nothing on Earth is de tweede single van de plaat.
Een nummer zonder enige hitpotentie (de platenbonzen wisten
niet wat ze met deze plaat moesten aanvangen). Nochtans heeft
de groep de behoorlijk ingewikkelde song live graag gebracht.
Luister vooral naar de baslijn en de vocale lijn in de song.
Second Coming is een meer mainstream georiënteerde song.
Je hoort hier al het typische 80s geluid van bijvoorbeeld Skin Deep.
Leuk gevonden ook dat na de eerste fade out, de song zelf ook nog even
terugkomt, met backing vocals die aan Golden Brown doen denken.
Dan komt de vocale versie van Waiting for the Meninblack
(instrumentaal dus de b-kant van het genoemde Who Wants the World).
Voor mij het beste nummer van het album, al zijn het allemaal toppers.
Vooral kant 1 ... voor mij de sterkste plaatkant van The Stranglers.
Een perfecte mix tussen de sinistere dreiging van de aliens
enerzijds en een heel vlotte, bijna catchy song anderzijds.
Klemtoon van dit album ligt op de synthesizer,
maar de donkere bas ligt altijd op de loer.
Geniaal is de instrumental Turn the Centuries, Turn.
Een nummer dat zelf is opgetrokken uit achteruit afgespeelde
opnamesporen en toch klopt als een bus ... adembenemend thema.
Dan volgt het bewuste Two Sunspots dat ook muzikaal
een link kan leggen met zijn alter ego Meninblack op The Raven.
Het accent in de tekst verschuift van tepels naar zonnevlekken.
Misschien een betere single kandidaat dan de overige.
Four Horsemen geeft het podium aan toetsenist Dave Greenfield.
Hij tovert hier een soort progrockwave uit zijn klavieren en stembanden
die het tremendum et fascinorum van het hele album bundelt.
De ruiters van de apocalyps rijden letterlijk door je kamer.
Thrown Away was de eerste single van het album.
Een nummertje van bassist JJ Burnell met een catchy melodie.
Maar zo bewust emotieloos ingezongen dat het nooit een hit kan worden.
De mensheid is klaar voor de vuilnisbak.
Manna Machine is een intrigerend stukje Stranglers experiment.
Flirten met jazz is de band niet vreemd en onder het zeepbellengeluid
van de broodmachine murmelt Cornwell zijn eigenwijze tekst.
Afsluiten doet deze plaat met het volgens mij iets te bombastische
Hallow to Our Men. De tekst is het Onze Vader gebed, maar herschreven
met de aliens als onze scheppers in gedachten.
De UFO die aan het einde van dit nummer opstijgt
doet dat stereofonisch zo echt, dat je toch voor alle veiligheid
even uit je raam kijkt. Een schitterende luisterervaring is voorbij.
Tenzij je ook nog even tijd hebt voor de b-kantjes.
Top Secret bijvoorbeeld dat even inzoemt op de rol
van die vermeende Meninblack. Waren het FBI agenten
die de burgers één of ander militair geheim wilden besparen?
En Maninwhite waarin niemand minder dan Johannes Paulus II
als gastvocalist mag invallen tijdens het klokkengelui in het Vaticaan.
Altijd te vinden voor een grapje, die Stranglers.
The Meninblack, dat waren natuurlijk ook The Stranglers zelf.
Maar dat had je misschien ook wel zonder mijn uitleg begrepen.
Zanger en gitarist Hugh Cornwell zat in 1980 een gevangenisstraf uit
wegens drugsbezit. De band hield een commerciële kater over aan het
nochtans prachtige en zwaar onderschatte album The Raven uit 1979.
Drummer Jet Black deelde zijn fascinatie over UFO's
en buitenaards leven met de overige bandleden en zo groeide
in de cel bij Cornwell het idee om een heel conceptalbum te maken
rond het thema van de meninblack: sinistere heren die mensen
die getuige waren van UFO waarnemingen en ontmoetingen
de mond te snoerden. U kent wellicht de film met Will Smith.
Two Sunspots, een ode aan de vrouwelijke tepels, was de start.
Dat nummer bestond in 1979 al in een demofase, maar pastte
niet meteen in het eerder politieke concept van The Raven.
In de studio werd het nummer vertraagd en met een voice pitcher
werden de haast griezelige vocalen van de aliens ingezongen.
Meninblack is track 10 van het album The Raven.
In 1980 releasten The Stranglers twee singles.
Het povere Bear Cage en het werkelijk sublieme Who Wants the World.
De b-kant van dit nummer heette The Meninblack (Waitin' for Them)
en bleek achteraf een instrumentale versie van albumtrack 4.
Bear Cage is een bonus op de CD release van The Raven.
Maar de beide nummers van Who Wants the World ontbreken
(wat een nalatigheid) op de CD remaster van The Meninblack.
De single was een soort introductie op het gospel album.
In Who Wants the World wordt de vraag gesteld wie er nog wat
zou willen geven voor deze aardbol met al zijn menselijke exploten?
In de theorie die The Stranglers op dit album ontwikkelen
wordt ervan uitgegaan dat de menselijke soort een experiment
is dat door aliens begonnen werd (en waarvan je in de bijbel
sporen kan terugvinden). Natuurlijk gaat het om fictie.
Maar fictie die erg in trek was in de jaren '70 en '80.
Het Laatste Oordeel (beschreven in de apocalyps) wordt
in die theorie gezien als de wederkomst van deze beschaving
die ooit het menselijk experiment begon: Second Coming.
Dit album wil die spanning oproepen tussen een ontspoorde mensheid
en haar scheppers (de aliens) die het plan hebben de stekker uit te trekken.
Een alternatief doemscenario in volle postpunk tijdperk.
Waltzinblack is het bekendste nummer van deze plaat.
In een walstempo (Golden Brown zou een jaar later volgen)
rukken marsmannetjes met hun kriegelig gegiechel op
en teisteren ze langzaam de boxen van je stereoketen.
De instrumental werd door de BBC gebruikt
voor een docureeks en kreeg daardoor bekendheid.
Just Like Nothing on Earth is de tweede single van de plaat.
Een nummer zonder enige hitpotentie (de platenbonzen wisten
niet wat ze met deze plaat moesten aanvangen). Nochtans heeft
de groep de behoorlijk ingewikkelde song live graag gebracht.
Luister vooral naar de baslijn en de vocale lijn in de song.
Second Coming is een meer mainstream georiënteerde song.
Je hoort hier al het typische 80s geluid van bijvoorbeeld Skin Deep.
Leuk gevonden ook dat na de eerste fade out, de song zelf ook nog even
terugkomt, met backing vocals die aan Golden Brown doen denken.
Dan komt de vocale versie van Waiting for the Meninblack
(instrumentaal dus de b-kant van het genoemde Who Wants the World).
Voor mij het beste nummer van het album, al zijn het allemaal toppers.
Vooral kant 1 ... voor mij de sterkste plaatkant van The Stranglers.
Een perfecte mix tussen de sinistere dreiging van de aliens
enerzijds en een heel vlotte, bijna catchy song anderzijds.
Klemtoon van dit album ligt op de synthesizer,
maar de donkere bas ligt altijd op de loer.
Geniaal is de instrumental Turn the Centuries, Turn.
Een nummer dat zelf is opgetrokken uit achteruit afgespeelde
opnamesporen en toch klopt als een bus ... adembenemend thema.
Dan volgt het bewuste Two Sunspots dat ook muzikaal
een link kan leggen met zijn alter ego Meninblack op The Raven.
Het accent in de tekst verschuift van tepels naar zonnevlekken.
Misschien een betere single kandidaat dan de overige.
Four Horsemen geeft het podium aan toetsenist Dave Greenfield.
Hij tovert hier een soort progrockwave uit zijn klavieren en stembanden
die het tremendum et fascinorum van het hele album bundelt.
De ruiters van de apocalyps rijden letterlijk door je kamer.
Thrown Away was de eerste single van het album.
Een nummertje van bassist JJ Burnell met een catchy melodie.
Maar zo bewust emotieloos ingezongen dat het nooit een hit kan worden.
De mensheid is klaar voor de vuilnisbak.
Manna Machine is een intrigerend stukje Stranglers experiment.
Flirten met jazz is de band niet vreemd en onder het zeepbellengeluid
van de broodmachine murmelt Cornwell zijn eigenwijze tekst.
Afsluiten doet deze plaat met het volgens mij iets te bombastische
Hallow to Our Men. De tekst is het Onze Vader gebed, maar herschreven
met de aliens als onze scheppers in gedachten.
De UFO die aan het einde van dit nummer opstijgt
doet dat stereofonisch zo echt, dat je toch voor alle veiligheid
even uit je raam kijkt. Een schitterende luisterervaring is voorbij.
Tenzij je ook nog even tijd hebt voor de b-kantjes.
Top Secret bijvoorbeeld dat even inzoemt op de rol
van die vermeende Meninblack. Waren het FBI agenten
die de burgers één of ander militair geheim wilden besparen?
En Maninwhite waarin niemand minder dan Johannes Paulus II
als gastvocalist mag invallen tijdens het klokkengelui in het Vaticaan.
Altijd te vinden voor een grapje, die Stranglers.
The Meninblack, dat waren natuurlijk ook The Stranglers zelf.
Maar dat had je misschien ook wel zonder mijn uitleg begrepen.
The Stranglers - The Old Testament (1992)
Alternatieve titel: The U.A. Studio Recordings (1977-1982)

5,0
0
geplaatst: 16 maart 2012, 16:56 uur
THE OLD TESTAMENT longbox 1992
Ik denk dat ik de box kocht toen hij pas uitkwam.
Op 4 cd's worden de 6 reguliere albums verzameld die The Stranglers
voor United Artists (later Liberty) uitbrachten onder de vleugels van EMI.
Maar daar blijft het niet bij: ook alle studio bonustracks zijn chronologisch
van de partij: alle non-album singles en alle bijhorende b-kantjes dus.
Er zit ook een behoorlijk interessant boekgedeelte in
met een mooie geschiedenis van de band, geschreven door Chris Twomey,
die een boek schreef over The Stranglers dat nooit het levenslicht zag.
In The Old Testament staan enkele flarden uit dat bewuste boek.
In een studentikoze bui verkocht ik de box.
Jaren later kocht ik hem opnieuw, maar dit keer tweedehands.
Even later verschenen dan de 2001 remasters die me leuker leken
omdat je dan toch weer de gewone albums kon bij elkaar sparen.
Dus die tweede editie heb ik ook weer verkocht aan niemand minder dan bastens.
Ik betwijfel of deze box ondertussen nog ergens te koop is, een collector's item dus.
Ik denk dat ik de box kocht toen hij pas uitkwam.
Op 4 cd's worden de 6 reguliere albums verzameld die The Stranglers
voor United Artists (later Liberty) uitbrachten onder de vleugels van EMI.
Maar daar blijft het niet bij: ook alle studio bonustracks zijn chronologisch
van de partij: alle non-album singles en alle bijhorende b-kantjes dus.
Er zit ook een behoorlijk interessant boekgedeelte in
met een mooie geschiedenis van de band, geschreven door Chris Twomey,
die een boek schreef over The Stranglers dat nooit het levenslicht zag.
In The Old Testament staan enkele flarden uit dat bewuste boek.
In een studentikoze bui verkocht ik de box.
Jaren later kocht ik hem opnieuw, maar dit keer tweedehands.
Even later verschenen dan de 2001 remasters die me leuker leken
omdat je dan toch weer de gewone albums kon bij elkaar sparen.
Dus die tweede editie heb ik ook weer verkocht aan niemand minder dan bastens.
Ik betwijfel of deze box ondertussen nog ergens te koop is, een collector's item dus.
The Stranglers - The Raven (1979)

5,0
0
geplaatst: 28 september 2010, 13:07 uur
THE RAVEN 1979
Dankzij die hard fan bastens kwam ik onlangs in het bezit
van enkele liveopnames van The Stranglers uit 1982 en 1983.
Ik hoorde hoe de band tracks 2, 5, 6, 9 en 11 live gestalte gaf,
hoewel ze toen al drie albums verder in hun discografie zaten.
Gewoon meesterlijk.
Ik heb dit album moeten opwaarderen naar de volle 5*.
En ik voeg er graag aan toe dat de vier wurgers met deze schijf
hun meest virtuoze visitekaartje hebben afgeleverd. De nummers
live horen (en zien) laat toe deze stelling nog sterker te onderlijnen.
Het album begint met de korte instrumental Longships,
eigenlijk een opmaat voor het schitterende titelnummer The Raven.
Een song waarin bassist JJ Burnell (wat een virtuoos) het rondzwerven
van de band vergelijkt met het rondzwalpen van de vikingen.
Ditmaal ligt de klemtoon niet op het enteren van vrouwen,
maar op de broederschap tussen de bandleden. Al kan meteen
toegevoegd worden dat dit ook het laatste album is waarop de band
als een geoliede machine samen de nummers heeft geschreven.
Kenmerkend voor de nieuwe koers
die hun muzikale drakar vaart is de introductie
van de synthesizer in hun werk. Die synthmelodie kleurt
de titelsong op een heel unieke wijze in. Alle instrumenten
vallen stapsgewijs in en er wordt ook handig doorgemusiceerd
tot het nummer als ware het de vogel zelf aan de horizon verdwijnt.
Dan komt Dead Loss Angeles, een met dubbele bas gelardeerde
satire op Amerika (een land waar het voor de band nooit zou lukken).
Aspirant bioloog Cornwell schrijft graag tongue-in-cheek.
Ice is een bijzondere luisterervaring. Hier tovert het klavier
van wizzard Greenfield een hypnotiserende melodie te voorschijn
die later opnieuw opduikt op Shah Shah a Go Go (twee nummers
die als één geheel zijn opgenomen, maar apart op de plaat kwamen).
De fascinatie van JJ voor de Japanse activist Mishima is het thema.
En dan komt Baroque Bordello, een nummer waarin The Stranglers
hun liefde voor eigenzinnige maatsoorten en tempowisselingen botvieren.
De manier waarop de verschillende instrumenten zich hier in elkaar
weven is indrukwekkend. Zeker in de live versies die ik kon horen.
Een soortgelijk lot is weggelegd voor Nuclear Device,
een geflopte single met een hitpotente melodie, maar thematisch
te weird om hoge ogen te gooien in de hitparade. Karakteristiek
is ook de drum brug die wordt ingebouwd. Dat doet de groep wel meer:
ander voorbeeld is Four Horsemen op het Meninblack album.
Sha Sha a Go Go hekelt het non-westerse beleid in Iran,
waar in de overgang tussen Sha en Khomeini westerse muziek
verboden werd. Zoals gezegd een tweelingsong met track 4.
Don't Bring Harry werd de derde single, eigenlijk een UK only ep.
Een ballad waarin een delirium beschreven wordt (Harry is een roze olifant).
Het lied wordt ingezongen door bassist Burnell.
Kenmerkend is het puntige gitaarspel van Hugh Cornwell,
een beperkt gitarist (zeker als hij ook moet zingen) die het zich
niet graag gemakkelijk maakt door fraaie gitaarpartijen neer te leggen.
Duchess was de heel korte hitsingle die het in de UK
toch nog tot de top 10 schopte al was men niet zo gediend
met die verdoken satire op het koningshuis. Deze single
is het enige, echte lichtgewicht op de plaat naast Longships.
Dan komt het werkelijk hallucinante Meninblack.
Over de aliens die de wereld weer in eigen handen nemen.
Het experiment met de menselijke soort heeft tot niets geleid.
Wie niet in UFO's gelooft, gaat toch twijfelen na dit nummer.
En dan de grote finale. Genetix komt in de albummix
wat donker over, maar trok me live helemaal over de streep.
Hier mag toetsenist Greenfield loos gaan op vocalen en meteen
komen we ook bij dat andere ingrediënt dat het werk van The Stranglers
zo interessant maakt. Een dosis progrock is de band niet vreemd.
Dit album verdient dringend een herbeluistering.
Wie The Stranglers blijft afdoen als vrouwonvriendelijke punks
of softe 80s popsmeden, heeft nooit geluisterd naar The Raven.
Deze plaat is behoorlijk politiek tussen de regels, een tijdsdocument.
Maar vooral muzikaal is ze erg onderhoudend, ongemeen boeiend.
Tussen de bonustracks staat ook de non-album single Bear Cage,
qua lichtvoetigheid een behoorlijk contrast met het album zelve.
Dit keer terecht dat het nummer geen hit werd.
Dankzij die hard fan bastens kwam ik onlangs in het bezit
van enkele liveopnames van The Stranglers uit 1982 en 1983.
Ik hoorde hoe de band tracks 2, 5, 6, 9 en 11 live gestalte gaf,
hoewel ze toen al drie albums verder in hun discografie zaten.
Gewoon meesterlijk.
Ik heb dit album moeten opwaarderen naar de volle 5*.
En ik voeg er graag aan toe dat de vier wurgers met deze schijf
hun meest virtuoze visitekaartje hebben afgeleverd. De nummers
live horen (en zien) laat toe deze stelling nog sterker te onderlijnen.
Het album begint met de korte instrumental Longships,
eigenlijk een opmaat voor het schitterende titelnummer The Raven.
Een song waarin bassist JJ Burnell (wat een virtuoos) het rondzwerven
van de band vergelijkt met het rondzwalpen van de vikingen.
Ditmaal ligt de klemtoon niet op het enteren van vrouwen,
maar op de broederschap tussen de bandleden. Al kan meteen
toegevoegd worden dat dit ook het laatste album is waarop de band
als een geoliede machine samen de nummers heeft geschreven.
Kenmerkend voor de nieuwe koers
die hun muzikale drakar vaart is de introductie
van de synthesizer in hun werk. Die synthmelodie kleurt
de titelsong op een heel unieke wijze in. Alle instrumenten
vallen stapsgewijs in en er wordt ook handig doorgemusiceerd
tot het nummer als ware het de vogel zelf aan de horizon verdwijnt.
Dan komt Dead Loss Angeles, een met dubbele bas gelardeerde
satire op Amerika (een land waar het voor de band nooit zou lukken).
Aspirant bioloog Cornwell schrijft graag tongue-in-cheek.
Ice is een bijzondere luisterervaring. Hier tovert het klavier
van wizzard Greenfield een hypnotiserende melodie te voorschijn
die later opnieuw opduikt op Shah Shah a Go Go (twee nummers
die als één geheel zijn opgenomen, maar apart op de plaat kwamen).
De fascinatie van JJ voor de Japanse activist Mishima is het thema.
En dan komt Baroque Bordello, een nummer waarin The Stranglers
hun liefde voor eigenzinnige maatsoorten en tempowisselingen botvieren.
De manier waarop de verschillende instrumenten zich hier in elkaar
weven is indrukwekkend. Zeker in de live versies die ik kon horen.
Een soortgelijk lot is weggelegd voor Nuclear Device,
een geflopte single met een hitpotente melodie, maar thematisch
te weird om hoge ogen te gooien in de hitparade. Karakteristiek
is ook de drum brug die wordt ingebouwd. Dat doet de groep wel meer:
ander voorbeeld is Four Horsemen op het Meninblack album.
Sha Sha a Go Go hekelt het non-westerse beleid in Iran,
waar in de overgang tussen Sha en Khomeini westerse muziek
verboden werd. Zoals gezegd een tweelingsong met track 4.
Don't Bring Harry werd de derde single, eigenlijk een UK only ep.
Een ballad waarin een delirium beschreven wordt (Harry is een roze olifant).
Het lied wordt ingezongen door bassist Burnell.
Kenmerkend is het puntige gitaarspel van Hugh Cornwell,
een beperkt gitarist (zeker als hij ook moet zingen) die het zich
niet graag gemakkelijk maakt door fraaie gitaarpartijen neer te leggen.
Duchess was de heel korte hitsingle die het in de UK
toch nog tot de top 10 schopte al was men niet zo gediend
met die verdoken satire op het koningshuis. Deze single
is het enige, echte lichtgewicht op de plaat naast Longships.
Dan komt het werkelijk hallucinante Meninblack.
Over de aliens die de wereld weer in eigen handen nemen.
Het experiment met de menselijke soort heeft tot niets geleid.
Wie niet in UFO's gelooft, gaat toch twijfelen na dit nummer.
En dan de grote finale. Genetix komt in de albummix
wat donker over, maar trok me live helemaal over de streep.
Hier mag toetsenist Greenfield loos gaan op vocalen en meteen
komen we ook bij dat andere ingrediënt dat het werk van The Stranglers
zo interessant maakt. Een dosis progrock is de band niet vreemd.
Dit album verdient dringend een herbeluistering.
Wie The Stranglers blijft afdoen als vrouwonvriendelijke punks
of softe 80s popsmeden, heeft nooit geluisterd naar The Raven.
Deze plaat is behoorlijk politiek tussen de regels, een tijdsdocument.
Maar vooral muzikaal is ze erg onderhoudend, ongemeen boeiend.
Tussen de bonustracks staat ook de non-album single Bear Cage,
qua lichtvoetigheid een behoorlijk contrast met het album zelve.
Dit keer terecht dat het nummer geen hit werd.
The Traveling Wilburys - Traveling Wilburys, Vol. 1 (1988)

5,0
0
geplaatst: 10 juli 2008, 22:59 uur
Jongens, wat een plaat, wat een plaat.
Ik heb hem gisteren nog eens integraal beluisterd
(kocht eindelijke de CD versie met de bonustracks).
Kant 1 van het album is een van de beste vinyl sides ooit.
De vijf Wilburys treden er één voor één voor het voetlicht.
Handle with Care is puike Harrison pop.
Met zorg gemaakt, een gitaar die gently weeps en meesterlijke vocalen.
Dirty World is een fluim van Dylan.
Briljante tekst en even vlot als uiteindelijk alle nummers op deze schijf.
Rattled is het Lynn moment.
Met multi-layered gitaren en een grollende Orbison.
Last Night had een singel moeten zijn.
Youngster Petty die overtuigend meeblaat met die ouwe sokken.
Not Alone Any More is een jankende Oribson.
De manier alleen al waarop hij het woord "alone" zingt ... kippenvel.
Kant 2 biedt meer fraais en moet nauwelijks onderdoen voor kant 1.
Al profileert Dylan zich hier iets nadrukkelijker dan de band.
Congratulations is Dylanesque ironie in het kwadraat.
En wat neuzelt die Petty heerlijk mee met meester Bob.
Heading for the Light toont ons opnieuw een trefzekere Harrison.
Wat waren zijn gitaren tijdens het Traveling Wilburys tijdperk goed in vorm.
Margarita is een kolfje naar de hand van studiowizzard Lynn.
Zowel de vocalen als de gitaren krijgen hier een ELO behandeling.
Tweeter and the Monkey Man is Dylans derde verschijning.
Een goed nummer, hoor, maar is op deze manier iets te nadrukkelijk aanwezig.
End of the Line is opnieuw van Harrisons hand.
Een leuke afsluiter met een heel aangrijpende videoclip,
Sinds kort dus ook los van de box met bonustracks verkrijgbaar.
Beide bonustracks werden blijkbaar wel door Lynn in 2007 overdubbed,
wellicht omdat ze op zich te prematuur waren om te releasen.
Maxine ligt duidelijk in het verlengde van het album.
Like a Ship mist wat structuur en is hoorbaar nog niet klaar.
Voor de fijnproevers: http://nl.youtube.com/watch...
Die gozer heeft heel wat beroemde popsterren op youtube geïmiteerd.
Zoeken, genieten en lachen ...
Ik heb hem gisteren nog eens integraal beluisterd
(kocht eindelijke de CD versie met de bonustracks).
Kant 1 van het album is een van de beste vinyl sides ooit.
De vijf Wilburys treden er één voor één voor het voetlicht.
Handle with Care is puike Harrison pop.
Met zorg gemaakt, een gitaar die gently weeps en meesterlijke vocalen.
Dirty World is een fluim van Dylan.
Briljante tekst en even vlot als uiteindelijk alle nummers op deze schijf.
Rattled is het Lynn moment.
Met multi-layered gitaren en een grollende Orbison.
Last Night had een singel moeten zijn.
Youngster Petty die overtuigend meeblaat met die ouwe sokken.
Not Alone Any More is een jankende Oribson.
De manier alleen al waarop hij het woord "alone" zingt ... kippenvel.
Kant 2 biedt meer fraais en moet nauwelijks onderdoen voor kant 1.
Al profileert Dylan zich hier iets nadrukkelijker dan de band.
Congratulations is Dylanesque ironie in het kwadraat.
En wat neuzelt die Petty heerlijk mee met meester Bob.
Heading for the Light toont ons opnieuw een trefzekere Harrison.
Wat waren zijn gitaren tijdens het Traveling Wilburys tijdperk goed in vorm.
Margarita is een kolfje naar de hand van studiowizzard Lynn.
Zowel de vocalen als de gitaren krijgen hier een ELO behandeling.
Tweeter and the Monkey Man is Dylans derde verschijning.
Een goed nummer, hoor, maar is op deze manier iets te nadrukkelijk aanwezig.
End of the Line is opnieuw van Harrisons hand.
Een leuke afsluiter met een heel aangrijpende videoclip,
Sinds kort dus ook los van de box met bonustracks verkrijgbaar.
Beide bonustracks werden blijkbaar wel door Lynn in 2007 overdubbed,
wellicht omdat ze op zich te prematuur waren om te releasen.
Maxine ligt duidelijk in het verlengde van het album.
Like a Ship mist wat structuur en is hoorbaar nog niet klaar.
Voor de fijnproevers: http://nl.youtube.com/watch...
Die gozer heeft heel wat beroemde popsterren op youtube geïmiteerd.
Zoeken, genieten en lachen ...
The Triffids - Born Sandy Devotional (1986)

4,0
0
geplaatst: 13 september 2014, 19:14 uur
BORN SANDY DEVOTIONAL 1986
Met dit album braken de Australische Triffids door in Europa.
Ik leerde de band in een omgekeerde beweging kennen: eerst het aardige The Black Swan,
daarna werd ik smoorverliefd op Calenture en met Born Sandy Devotional bleef ik wat worstelen.
Opener Seabirds entert de luisteraar meteen op volle zee.
In de vocalen van David McComb zit zoveel ruimte als je op de hoes kan zien.
De muziek van The Triffids omschrijf ik nog het liefst als een pastorale variant van new wave.
Seabirds werpt een blik op het wijde landschap beneden.
De orkestratie doet wat denken aan Ocean Rain van Echo & The Bunnymen.
Een goede referentie, want ook deze band uit Liverpool verzoende wave met poëzie.
Estuary Bed doet inderdaad vermoeden dat de hoes geen toevallig plaatje is.
De lead gitaar laat een country geluid smeulen door het heilige vuur van The Triffids.
Een erg mooi maar zacht refrein stroomt halverwege het nummer de open zee tegemoet.
Chicken Killer is een titel die van landgenoot Nick Cave zou kunnen zijn.
Ook een referentiepunt. Cave zal pas in de jaren 90 een gelijkaardig, pastoraal palet
toevoegen aan zijn aanvankelijk inktzwarte poëzie. Chicken Killer hikt iets te strak voorbij.
Het regent op Tarrilup Bridge. Jill Birt probeert zich een weg te banen door de plassen.
Ik moet denken aan een lied van Paul van Vliet met de titel Er Hangt een Huilbui Als een Onweer
in Elk van Ons. Beter kan je de muziek van deze Australische band niet beschrijven: dwars door de regen.
Net als McCullogh debiteert McComb zijn verzen gaag naar het voorbeeld van Jim Morrison.
Op Lonely Stretch zitten The Triffids dicht tegen Nick Cave aan: opzwepend en koortsachtig dus.
Ik heb op kant 1 een veelzijdige band gehoord die iets meer in atmosfeer dan in songs investeerde.
Wide Open Road is zonder meer een behoorlijk goede song en het visitekaartje van het album.
Dat song-gevoel miste ik wat op de vorige plaatkant, hoe indrukwekkend het geluid ook was.
En Wide Open Road pikt ook weer in op het beeld van de hoes waarmee de plaat startte.
Life of Crime is een stevig nummer en legt het verschil met Calenture en The Black Swan bloot.
Op Born Sandy Devotional hebben The Triffids hun rockschoenen nog stevig aangebonden.
Hun latere platen kiezen nadrukkelijker voor een vorm van romantiek.
Personal Things weet me onmiddellijk te boeien.
Wellicht omwille van zijn speelse arrangement dat wat folky aandoet.
Een song die het aanbeden Calenture al een beetje laat doorschemeren.
Op Stolen Property varen we allemaal de open zee op: Ocean Rain in het kwadraat.
En net zoals op de titeltrack van dat Echo & The Bunnymen album wordt het rock instrumentarium
ook hier over boord gegooid, waardoor het nummer vrij mag rond dobberen op het eindeloze water.
Er is nog één referentie die van dazzler een geboren Triffids fan maakt.
En dat is Prefab Sprout, de Britste groep met de slim gearrangeerde songs en de briljante teksten.
In hun rangen zat ook een vrouw die op gepaste tijden voor dat vleugje oestrogeen zorgde.
Jill Birt doet hetzelfde bij The Triffids en daarom is Tender Is the Night een pareltje.
De tweede plaatkant vind ik de betere, het zwakkere moment zit.
Born Sandy Devotional is probleemloos vier sterren waard.
Met dit album braken de Australische Triffids door in Europa.
Ik leerde de band in een omgekeerde beweging kennen: eerst het aardige The Black Swan,
daarna werd ik smoorverliefd op Calenture en met Born Sandy Devotional bleef ik wat worstelen.
Opener Seabirds entert de luisteraar meteen op volle zee.
In de vocalen van David McComb zit zoveel ruimte als je op de hoes kan zien.
De muziek van The Triffids omschrijf ik nog het liefst als een pastorale variant van new wave.
Seabirds werpt een blik op het wijde landschap beneden.
De orkestratie doet wat denken aan Ocean Rain van Echo & The Bunnymen.
Een goede referentie, want ook deze band uit Liverpool verzoende wave met poëzie.
Estuary Bed doet inderdaad vermoeden dat de hoes geen toevallig plaatje is.
De lead gitaar laat een country geluid smeulen door het heilige vuur van The Triffids.
Een erg mooi maar zacht refrein stroomt halverwege het nummer de open zee tegemoet.
Chicken Killer is een titel die van landgenoot Nick Cave zou kunnen zijn.
Ook een referentiepunt. Cave zal pas in de jaren 90 een gelijkaardig, pastoraal palet
toevoegen aan zijn aanvankelijk inktzwarte poëzie. Chicken Killer hikt iets te strak voorbij.
Het regent op Tarrilup Bridge. Jill Birt probeert zich een weg te banen door de plassen.
Ik moet denken aan een lied van Paul van Vliet met de titel Er Hangt een Huilbui Als een Onweer
in Elk van Ons. Beter kan je de muziek van deze Australische band niet beschrijven: dwars door de regen.
Net als McCullogh debiteert McComb zijn verzen gaag naar het voorbeeld van Jim Morrison.
Op Lonely Stretch zitten The Triffids dicht tegen Nick Cave aan: opzwepend en koortsachtig dus.
Ik heb op kant 1 een veelzijdige band gehoord die iets meer in atmosfeer dan in songs investeerde.
Wide Open Road is zonder meer een behoorlijk goede song en het visitekaartje van het album.
Dat song-gevoel miste ik wat op de vorige plaatkant, hoe indrukwekkend het geluid ook was.
En Wide Open Road pikt ook weer in op het beeld van de hoes waarmee de plaat startte.
Life of Crime is een stevig nummer en legt het verschil met Calenture en The Black Swan bloot.
Op Born Sandy Devotional hebben The Triffids hun rockschoenen nog stevig aangebonden.
Hun latere platen kiezen nadrukkelijker voor een vorm van romantiek.
Personal Things weet me onmiddellijk te boeien.
Wellicht omwille van zijn speelse arrangement dat wat folky aandoet.
Een song die het aanbeden Calenture al een beetje laat doorschemeren.
Op Stolen Property varen we allemaal de open zee op: Ocean Rain in het kwadraat.
En net zoals op de titeltrack van dat Echo & The Bunnymen album wordt het rock instrumentarium
ook hier over boord gegooid, waardoor het nummer vrij mag rond dobberen op het eindeloze water.
Er is nog één referentie die van dazzler een geboren Triffids fan maakt.
En dat is Prefab Sprout, de Britste groep met de slim gearrangeerde songs en de briljante teksten.
In hun rangen zat ook een vrouw die op gepaste tijden voor dat vleugje oestrogeen zorgde.
Jill Birt doet hetzelfde bij The Triffids en daarom is Tender Is the Night een pareltje.
De tweede plaatkant vind ik de betere, het zwakkere moment zit.
Born Sandy Devotional is probleemloos vier sterren waard.
The Triffids - Calenture (1987)

5,0
0
geplaatst: 5 maart 2009, 20:40 uur
CALENTURE 1987
Bury Me Deep in Love en Jerdacuttup Man
zijn beide gebaseerd op hetzelfde nieuwsfeit.
Het vinden van een door ijs bewaard gebleven
lijk in de gletsjerspelonken van de Alpen.
YouTube - THE TRIFFIDS - BURY ME DEEP IN LOVE
Bury Me Deep is voor mij het voorbeeld van een absolute klassetrack.
Een nummer dat nooit gaat vervelen, een lied dat je meeneemt
op zijn vleugels en je ontrekt aan aardse zorgen.
Bury Me Deep in Love lijkt het pastorale broertje
van There Is a Light That Never Goes Out van The Smiths.
Een haast relativerende romantisering van de stervensgedachte.
Kelly's Blues is nijdiger van instrumentatie.
Puntige bas, rockende gitaarakkoorden en krachtige drums.
Vaak geciteerd als een van de beste tracks op het album.
A Trick of the Light is zo licht als een veertje.
Een popsong met een heerlijk refrein, een valentijnslied bijna.
Zo staan er nog een paar op Calenture ... een bed van rozen.
YouTube - A Trick of the Light - The Triffids
Hometown Farewell Kiss is op country leest geschoeid.
Met mondharmonica en zangerige gitaarlijnen.
Leunt meer aan bij hun laatste album The Black Swan.
Unmade Love is onversneden bluesrock van down under.
Het nummer situeert zich tussen een pathetische ballad INXS
en een onheilspellende hersenkronkel van Nick Cave.
Open for You eindight kant 1 met een zoet duet tussen zanger
David McComb en toetseniste Jill Birt, die aan elk Triffids album een gepaste,
vrouwelijke ... euh ... "toets" toevoegt. Voor mij het minst sterke nummer.
Holy Water opent heilzaam en verfrissentdkant 2.
Net als bij de Waterboy Mike Scott of Prefab Sprout Paddy McAlloon
schuilt in David McComb een spirituele ziel. Radiovriendelijke popsong.
Blinder by the Hour gaat weer helemaal richting Nick Cave.
Een "weeping song" die het album nog verder optilt richting hemel.
Muziek die "uplifting" is, muziek als catharsis, muziek die zuivert.
Vagabond Holes laat de gitaren weer wat scheuren.
Een nummer dat iets minder beklijft, maar net als Unmade Love
op kant 1 de luisteraar weer met beide voeten op de grond zet.
Jerdacuttup Man is het nummer waarmee ik The Triffids leerde kennen.
Hier vergelijkt de ik-persoon zichzelf met de ijsmummie, die opgebaard ligt
in het British Museum: wat een metafoor voor man's koude hart.
YouTube - THE TRIFFIDS JERDACUTTUP MAN
Jerdacuttup Man klinkt als een sea shanty en mondt uit
in een instrumentaal themaatje dat Calenture heet. Op die manier
wordt de referentie naar het begrip "Calenture" (zeeziekte) gemaakt.
Het album besluit met Save What You Can. Een nieuwjaarslied ...
of hoe de kerstdagen ook kwalitatief van een soundtrack kunnen voorzien worden.
Mag van mijn part zo naast Fairytale of New York van The Pogues.
YouTube - The Triffids: Save What You Can
Calenture is een klasseplaat.
Een plaat vol goede tot ijzersterke nummers.
Een plaat die doorheen het luisterproces je ziel spoelt.
Een plaat waarop de verschillende liederen elkaar in evenwicht houden.
Een plaat om te draaien zodra de weemoed zich je meester maakt.
Doen ... doen ... doen ...
Bury Me Deep in Love en Jerdacuttup Man
zijn beide gebaseerd op hetzelfde nieuwsfeit.
Het vinden van een door ijs bewaard gebleven
lijk in de gletsjerspelonken van de Alpen.
YouTube - THE TRIFFIDS - BURY ME DEEP IN LOVE
Bury Me Deep is voor mij het voorbeeld van een absolute klassetrack.
Een nummer dat nooit gaat vervelen, een lied dat je meeneemt
op zijn vleugels en je ontrekt aan aardse zorgen.
Bury Me Deep in Love lijkt het pastorale broertje
van There Is a Light That Never Goes Out van The Smiths.
Een haast relativerende romantisering van de stervensgedachte.
Kelly's Blues is nijdiger van instrumentatie.
Puntige bas, rockende gitaarakkoorden en krachtige drums.
Vaak geciteerd als een van de beste tracks op het album.
A Trick of the Light is zo licht als een veertje.
Een popsong met een heerlijk refrein, een valentijnslied bijna.
Zo staan er nog een paar op Calenture ... een bed van rozen.
YouTube - A Trick of the Light - The Triffids
Hometown Farewell Kiss is op country leest geschoeid.
Met mondharmonica en zangerige gitaarlijnen.
Leunt meer aan bij hun laatste album The Black Swan.
Unmade Love is onversneden bluesrock van down under.
Het nummer situeert zich tussen een pathetische ballad INXS
en een onheilspellende hersenkronkel van Nick Cave.
Open for You eindight kant 1 met een zoet duet tussen zanger
David McComb en toetseniste Jill Birt, die aan elk Triffids album een gepaste,
vrouwelijke ... euh ... "toets" toevoegt. Voor mij het minst sterke nummer.
Holy Water opent heilzaam en verfrissentdkant 2.
Net als bij de Waterboy Mike Scott of Prefab Sprout Paddy McAlloon
schuilt in David McComb een spirituele ziel. Radiovriendelijke popsong.
Blinder by the Hour gaat weer helemaal richting Nick Cave.
Een "weeping song" die het album nog verder optilt richting hemel.
Muziek die "uplifting" is, muziek als catharsis, muziek die zuivert.
Vagabond Holes laat de gitaren weer wat scheuren.
Een nummer dat iets minder beklijft, maar net als Unmade Love
op kant 1 de luisteraar weer met beide voeten op de grond zet.
Jerdacuttup Man is het nummer waarmee ik The Triffids leerde kennen.
Hier vergelijkt de ik-persoon zichzelf met de ijsmummie, die opgebaard ligt
in het British Museum: wat een metafoor voor man's koude hart.
YouTube - THE TRIFFIDS JERDACUTTUP MAN
Jerdacuttup Man klinkt als een sea shanty en mondt uit
in een instrumentaal themaatje dat Calenture heet. Op die manier
wordt de referentie naar het begrip "Calenture" (zeeziekte) gemaakt.
Het album besluit met Save What You Can. Een nieuwjaarslied ...
of hoe de kerstdagen ook kwalitatief van een soundtrack kunnen voorzien worden.
Mag van mijn part zo naast Fairytale of New York van The Pogues.
YouTube - The Triffids: Save What You Can
Calenture is een klasseplaat.
Een plaat vol goede tot ijzersterke nummers.
Een plaat die doorheen het luisterproces je ziel spoelt.
Een plaat waarop de verschillende liederen elkaar in evenwicht houden.
Een plaat om te draaien zodra de weemoed zich je meester maakt.
Doen ... doen ... doen ...
The Velvet Underground - The Velvet Underground & Nico (1967)

5,0
1
geplaatst: 20 juli 2013, 23:35 uur
THE VELVET UNDERGROUND & NICO 1967
Er loopt een lijn van de banaan over Roxy Music, David Bowie en Japan tot aan Joy Division.
Laat ik die lijn de aorta noemen van alle 80s muziek die mij tot muziekliefhebber zou bekeren.
Dat het cultalbum der cultalbums moet starten met een lief klein liedje is tekenend.
Sunday Morning priemt als een geeuwende ochtendzon door het slaapkamervenster.
Het klokkenspel heeft al wonderen gedaan in de popmuziek.
I Will Follow riep boy Bono op de eerste langspeler van het legendarische U2.
Het aantal bands dat in de muzikale voetsporen van VU trad, is ontelbaar geworden.
Laat ik jullie de coverversie van OMD uit 1993 maar besparen.
De Liverpools band (mijn eerste muzikale liefde) coverde in 1980 ook I'm Waiting for the Man.
Hoe je het ook draait of keert: alle wegen leiden naar de banaan van Andy Warhol.
Een banaan die je kon pellen: stripped bare, beter kan je deze vorm van rock niet omschrijven.
I'm Waiting for the Man. I've been waiting for a guide to come and take me by the hand.
Het zijn maar metaforen, mantra's des levens die doorheen zoveel ijzersterke platen spoken.
Dat stuwende ritme, die penetrante parlando en dat rammelende gitaarlijntje. Loopt als een trein.
Door Nico mee aan boord te trekken, had het gezelschap haar eigen chanteuse, allumeuse.
Haar diepe semi-parlando zangstem vormt een vrouwelijk tegengewicht voor Reeds geneuzel.
En meteen vinden Patti Smith, Siouxsie Sioux, maar ook een Liz Fraser een vocaal rolmodel.
Op Femme Fatale is Nico wat ze zingt: hoeveel treffender kan een song zichzelf nog belichamen?
En dan komen we bij John Cale terecht die met Venus in Furs zijn visitekaartje aflevert.
Met die pijnlijk treffende viool die we decennia later zouden terughoren op het debuut van dEUS.
Of wat te denken van The Nits die het in 1987 nog even hadden over In a Play (Das Mädchen im Pelz).
Het debuut van VU luistert weg als een toneelstuk in 11 bedrijven.
De literaire aspiraties van Reed zijn dan al present, hij zou er later meermaals op terugkomen.
Laat ik Transformer, Berlin, New York en Songs for Drella als mijn favoriete voorbeelden vernoemen.
Run Run Run absorbeert blueselementen en verraadt de Amerikaanse wortels van deze band
die zoveel Europese groepen zou bevruchten. Als nummer op zich niet veel om het lijf hebbende.
Maar het gaat hier om de performance: dat rammelend gammele en piepende geluid.
Op zich de muzikale kiem van de punkgedachte: een muzikant streeft de perfecte noot niet na,
maar gebruikt de beschikbare klanken om emoties of gedachten te vertolken. Laat maar lopen.
Japan slaagde er wel in om een song van dit album geloofwaardig te coveren.
Geen sinecure, want All Tomorrow's Parties wordt toch grotendeels gekleurd door Nico.
Dat weven van een comfortabel deken van akkoorden met die pruttelende gitaar als rode draad.
Het resultaat heeft iets van een dodenmars: het ten grave dragen van dromen en idealen.
En hoor Lou maar improviseren. Zou hij het nummer live ooit exact hebben kunnen naspelen?
Heroin: het Child in Time, het Stairway to Heaven van The Velvet Underground.
En misschien ook wel van Lou Reed zelf, die het nummer solo altijd trouw zou blijven.
Mag ik in de verte Spirit of Eden van Talk Talk horen in het kabbelen van gitaar en ritme?
Dat versnellen van de beat, als een hartslag die op hol wordt gespoten.
Tijdens Heroin zijn we getuige van hoe rockmuziek en impressionisme elkaar ontmoeten.
Deze muziek probeert indrukken weer te geven, klankmatig te schetsen wat wordt bezongen.
Heroin (Be the Death of Me). Hotellounge (Be the Death of Me). Toeval bestaat niet.
John Cale spant met de viool draden van het web dat de junkie in zijn greep moet houden.
There She Goes was een sympathiek hitje van britpop band The La's (there she goes again).
There She Goes Again had van The Beatles kunnen zijn, al knipoogt Reed vocaal ook naar Dylan.
Of Daar Gaat Ze van Clouseau hier wat mee te maken heeft, lijkt me ver gezocht.
Of toch niet ... want of het nu om Koen Wauters, Lou Reed of The La's gaat: scheiden doet lijden.
We zijn nu negen songs ver en het is nog steeds wachten op een slecht nummer.
Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wat is de mooiste plaat in rock and roll land?
I'll Be Your Mirror is een opvallend kort intermezzootje op een opvallend lang album.
De momenten waarop Nico aan het woord komt (zingen mag je het niet noemen) zijn precies afgewogen.
Air deed het ook op Moon Safari door zangeres Beth Hirsh als vocaal rustpunt te gebruiken.
Het is tijd voor een stukje avant-garde theater met dirigent John Cale.
The Black Angel's Death Song zorgt voor een inktzwart randje op dit debuut.
Een eschatologisch stukje psychedelica voor de misantroop in ieder van ons.
In European Son breekt glas en staan de zenuwen op springen.
Dat The Velvet Underground haar zonen vooral in Europa zag opgroeien is bekend.
Roxy Music, David Bowie, Japen en Joy Division. Samen met VU de muzikale wortels
van een platencollectie die ik binnen nu en een paar dagen exact 30 jaar oud mag noemen.
Laat ik de boutade dat iedereen die de banaan van Warhol kocht een eigen groep is begonnen,
omdraaien tot de vaststelling dat elke fan van deze groepen in kwestie vroeg of laat zal teruggrijpen
naar dit legendarische debuut dat aantoonde dat rockmuziek eigenlijk geen grenzen hoeft te kennen.
Er loopt een lijn van de banaan over Roxy Music, David Bowie en Japan tot aan Joy Division.
Laat ik die lijn de aorta noemen van alle 80s muziek die mij tot muziekliefhebber zou bekeren.
Dat het cultalbum der cultalbums moet starten met een lief klein liedje is tekenend.
Sunday Morning priemt als een geeuwende ochtendzon door het slaapkamervenster.
Het klokkenspel heeft al wonderen gedaan in de popmuziek.
I Will Follow riep boy Bono op de eerste langspeler van het legendarische U2.
Het aantal bands dat in de muzikale voetsporen van VU trad, is ontelbaar geworden.
Laat ik jullie de coverversie van OMD uit 1993 maar besparen.
De Liverpools band (mijn eerste muzikale liefde) coverde in 1980 ook I'm Waiting for the Man.
Hoe je het ook draait of keert: alle wegen leiden naar de banaan van Andy Warhol.
Een banaan die je kon pellen: stripped bare, beter kan je deze vorm van rock niet omschrijven.
I'm Waiting for the Man. I've been waiting for a guide to come and take me by the hand.
Het zijn maar metaforen, mantra's des levens die doorheen zoveel ijzersterke platen spoken.
Dat stuwende ritme, die penetrante parlando en dat rammelende gitaarlijntje. Loopt als een trein.
Door Nico mee aan boord te trekken, had het gezelschap haar eigen chanteuse, allumeuse.
Haar diepe semi-parlando zangstem vormt een vrouwelijk tegengewicht voor Reeds geneuzel.
En meteen vinden Patti Smith, Siouxsie Sioux, maar ook een Liz Fraser een vocaal rolmodel.
Op Femme Fatale is Nico wat ze zingt: hoeveel treffender kan een song zichzelf nog belichamen?
En dan komen we bij John Cale terecht die met Venus in Furs zijn visitekaartje aflevert.
Met die pijnlijk treffende viool die we decennia later zouden terughoren op het debuut van dEUS.
Of wat te denken van The Nits die het in 1987 nog even hadden over In a Play (Das Mädchen im Pelz).
Het debuut van VU luistert weg als een toneelstuk in 11 bedrijven.
De literaire aspiraties van Reed zijn dan al present, hij zou er later meermaals op terugkomen.
Laat ik Transformer, Berlin, New York en Songs for Drella als mijn favoriete voorbeelden vernoemen.
Run Run Run absorbeert blueselementen en verraadt de Amerikaanse wortels van deze band
die zoveel Europese groepen zou bevruchten. Als nummer op zich niet veel om het lijf hebbende.
Maar het gaat hier om de performance: dat rammelend gammele en piepende geluid.
Op zich de muzikale kiem van de punkgedachte: een muzikant streeft de perfecte noot niet na,
maar gebruikt de beschikbare klanken om emoties of gedachten te vertolken. Laat maar lopen.
Japan slaagde er wel in om een song van dit album geloofwaardig te coveren.
Geen sinecure, want All Tomorrow's Parties wordt toch grotendeels gekleurd door Nico.
Dat weven van een comfortabel deken van akkoorden met die pruttelende gitaar als rode draad.
Het resultaat heeft iets van een dodenmars: het ten grave dragen van dromen en idealen.
En hoor Lou maar improviseren. Zou hij het nummer live ooit exact hebben kunnen naspelen?
Heroin: het Child in Time, het Stairway to Heaven van The Velvet Underground.
En misschien ook wel van Lou Reed zelf, die het nummer solo altijd trouw zou blijven.
Mag ik in de verte Spirit of Eden van Talk Talk horen in het kabbelen van gitaar en ritme?
Dat versnellen van de beat, als een hartslag die op hol wordt gespoten.
Tijdens Heroin zijn we getuige van hoe rockmuziek en impressionisme elkaar ontmoeten.
Deze muziek probeert indrukken weer te geven, klankmatig te schetsen wat wordt bezongen.
Heroin (Be the Death of Me). Hotellounge (Be the Death of Me). Toeval bestaat niet.
John Cale spant met de viool draden van het web dat de junkie in zijn greep moet houden.
There She Goes was een sympathiek hitje van britpop band The La's (there she goes again).
There She Goes Again had van The Beatles kunnen zijn, al knipoogt Reed vocaal ook naar Dylan.
Of Daar Gaat Ze van Clouseau hier wat mee te maken heeft, lijkt me ver gezocht.
Of toch niet ... want of het nu om Koen Wauters, Lou Reed of The La's gaat: scheiden doet lijden.
We zijn nu negen songs ver en het is nog steeds wachten op een slecht nummer.
Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wat is de mooiste plaat in rock and roll land?
I'll Be Your Mirror is een opvallend kort intermezzootje op een opvallend lang album.
De momenten waarop Nico aan het woord komt (zingen mag je het niet noemen) zijn precies afgewogen.
Air deed het ook op Moon Safari door zangeres Beth Hirsh als vocaal rustpunt te gebruiken.
Het is tijd voor een stukje avant-garde theater met dirigent John Cale.
The Black Angel's Death Song zorgt voor een inktzwart randje op dit debuut.
Een eschatologisch stukje psychedelica voor de misantroop in ieder van ons.
In European Son breekt glas en staan de zenuwen op springen.
Dat The Velvet Underground haar zonen vooral in Europa zag opgroeien is bekend.
Roxy Music, David Bowie, Japen en Joy Division. Samen met VU de muzikale wortels
van een platencollectie die ik binnen nu en een paar dagen exact 30 jaar oud mag noemen.
Laat ik de boutade dat iedereen die de banaan van Warhol kocht een eigen groep is begonnen,
omdraaien tot de vaststelling dat elke fan van deze groepen in kwestie vroeg of laat zal teruggrijpen
naar dit legendarische debuut dat aantoonde dat rockmuziek eigenlijk geen grenzen hoeft te kennen.
Tim Finn - Before & After (1993)

4,0
0
geplaatst: 3 september 2013, 15:54 uur
BEFORE & AFTER 1993
Het eerste wapenfeit van Tim Finn na Woodface.
En daarmee was hij het vierde Crowded House album een paar maanden voor.
De titel en de hoes zeggen voldoende: het album is een eerder fragmentarisch
samenraapsel van songs die Tim schreef voor en na zijn avontuur met Crowded House.
Zo zijn In Love with It All en Strangeness and Charm twee songs die hij samen met Neil schreef,
maar die niet op Woodface terecht kwamen. Twee afdankertjes die toch nog de moeite waard blijven.
Een derde afdankertje heet Catherine Wheels en schittert op Together Alone van Crowded House.
Neil zingt overigens weer een aardig potje mee op dit album.
Niet dat de twee broertjes in ruzie vielen of zo, maar Tims eigenzinnigheid
deden de zes jaar oudere Finn besluiten om het Crowded House schip te verlaten.
Hit the Ground Running verscheen op single en is meteen een erg sterke binnenkomer.
Dat aids ook in Tims omgeving slachtoffers maakte, is het uitgangspunt van de song.
Protected is een nachtmerrie die de altijd wat neurotische Tim in een lied goot.
Persuasion is zonder meer het tweede prijsnummer van Before & After.
Gebaseerd op een krachtige gitaarriff van Richard Thompson en uitgewerkt
tot een overgevoelige lovesong waar Tim een patent op heeft.
En dan is er de schoonheid van Many's the Time (in Dublin).
Een avondje stappen in Ierland (het land waar de familiewortels van de Finns liggen)
met Andy White (een soort Ierse Bob Dylan) en Liam O Maonlai (de zanger van Hothouse Flowers).
Die ervaring werd in een prachtig lied gestopt dat net als Persuasion
de muzikale horizon van Finn wist te verruimen: folkinvloeden nemen de bovenhand.
Andy en Liam musiceren op dit nummer mee met Tim en die samenwerking
zou zelfs leiden tot een volledig album onder de gelegenheidsnaam ALT (zie vorig bericht).
Funny Way is een meer rechttoe rechtaan nummer waarin Tim zijn partner op de korrel neemt.
Can't Do Both is muzikaal weer behoorlijk de moeite, vind ik,
omdat Finn hier heel subtiel met hiphop invloeden flirt en een scherp portret schildert
van een jong koppel dat ten ondergaat aan de veeleisendheid van het tweeverdienersschap.
In Your Sway is een bitterzoete ballad waarin Tim zich overgeeft aan de verleiding.
Always Never Know is weer wat luchtiger van aard en beklijft minder.
Walk You Home is een bijzonder romantisch afscheidslied dat ik beter ging waarderen
toen ik een live-versie hoorde waarin Tim elementen uit de 50s klassieker Goodnight Irene integreerde.
I Found It tenslotte, is een (under)statement.
Vond Tim zijn draai dan toch niet helemaal bij Crowded House,
dan zou het kunnen dat hij als solo-artiest zijn pad nu toch gevonden heeft.
Niets bleek minder waar: Tim zou een zoeker, een muzikale zwerver blijven.
Een bijzonder getalenteerde songwriter die omwille van zijn wispelturigheid
nooit de erkenning zou oogsten, die zijn jongere broer Neil wel te beurt viel.
Crowded House werd groter dan Split Enz.
Tim Finn solo zal altijd kleiner blijven dan Split Enz en logischerwijze dus ook Crowded House.
Een beetje wrang ook wel, omdat Neil het vak leerde van zijn oudere broer.
Maar de jongste Finn heeft wel begrepen
dat je in een bandje meer gewicht aan je songs kan geven.
Neil staat iets steviger met de beide voetjes op de grond, en dat loont.
Het eerste wapenfeit van Tim Finn na Woodface.
En daarmee was hij het vierde Crowded House album een paar maanden voor.
De titel en de hoes zeggen voldoende: het album is een eerder fragmentarisch
samenraapsel van songs die Tim schreef voor en na zijn avontuur met Crowded House.
Zo zijn In Love with It All en Strangeness and Charm twee songs die hij samen met Neil schreef,
maar die niet op Woodface terecht kwamen. Twee afdankertjes die toch nog de moeite waard blijven.
Een derde afdankertje heet Catherine Wheels en schittert op Together Alone van Crowded House.
Neil zingt overigens weer een aardig potje mee op dit album.
Niet dat de twee broertjes in ruzie vielen of zo, maar Tims eigenzinnigheid
deden de zes jaar oudere Finn besluiten om het Crowded House schip te verlaten.
Hit the Ground Running verscheen op single en is meteen een erg sterke binnenkomer.
Dat aids ook in Tims omgeving slachtoffers maakte, is het uitgangspunt van de song.
Protected is een nachtmerrie die de altijd wat neurotische Tim in een lied goot.
Persuasion is zonder meer het tweede prijsnummer van Before & After.
Gebaseerd op een krachtige gitaarriff van Richard Thompson en uitgewerkt
tot een overgevoelige lovesong waar Tim een patent op heeft.
En dan is er de schoonheid van Many's the Time (in Dublin).
Een avondje stappen in Ierland (het land waar de familiewortels van de Finns liggen)
met Andy White (een soort Ierse Bob Dylan) en Liam O Maonlai (de zanger van Hothouse Flowers).
Die ervaring werd in een prachtig lied gestopt dat net als Persuasion
de muzikale horizon van Finn wist te verruimen: folkinvloeden nemen de bovenhand.
Andy en Liam musiceren op dit nummer mee met Tim en die samenwerking
zou zelfs leiden tot een volledig album onder de gelegenheidsnaam ALT (zie vorig bericht).
Funny Way is een meer rechttoe rechtaan nummer waarin Tim zijn partner op de korrel neemt.
Can't Do Both is muzikaal weer behoorlijk de moeite, vind ik,
omdat Finn hier heel subtiel met hiphop invloeden flirt en een scherp portret schildert
van een jong koppel dat ten ondergaat aan de veeleisendheid van het tweeverdienersschap.
In Your Sway is een bitterzoete ballad waarin Tim zich overgeeft aan de verleiding.
Always Never Know is weer wat luchtiger van aard en beklijft minder.
Walk You Home is een bijzonder romantisch afscheidslied dat ik beter ging waarderen
toen ik een live-versie hoorde waarin Tim elementen uit de 50s klassieker Goodnight Irene integreerde.
I Found It tenslotte, is een (under)statement.
Vond Tim zijn draai dan toch niet helemaal bij Crowded House,
dan zou het kunnen dat hij als solo-artiest zijn pad nu toch gevonden heeft.
Niets bleek minder waar: Tim zou een zoeker, een muzikale zwerver blijven.
Een bijzonder getalenteerde songwriter die omwille van zijn wispelturigheid
nooit de erkenning zou oogsten, die zijn jongere broer Neil wel te beurt viel.
Crowded House werd groter dan Split Enz.
Tim Finn solo zal altijd kleiner blijven dan Split Enz en logischerwijze dus ook Crowded House.
Een beetje wrang ook wel, omdat Neil het vak leerde van zijn oudere broer.
Maar de jongste Finn heeft wel begrepen
dat je in een bandje meer gewicht aan je songs kan geven.
Neil staat iets steviger met de beide voetjes op de grond, en dat loont.
Tim Finn - Big Canoe (1986)

3,0
0
geplaatst: 26 maart 2009, 12:59 uur
BIG CANOE 1985
Ooit The Coca Cola kid gezien?
Dat is met muziek van deze Tim Finn.
In 1984 had hij wereldwijd succes met zijn eerste solo-album Escapade (1983).
De single Fraction Too Much Friction zat bij menigeen als een krekel in het hoofd.
Tim deed het in één klap beter dan Split Enz, de groep waar hij sinds
1972 mede-oprichter en bezieler van was en dan denkt een mens
al gauwtjes: ligt een solo-carrière uiteindelijk niet voor de hand?
Tim maakte nog één album met Split Enz en broer Neil
om daarna definitief de solo-toer op te gaan met muziek
voor de hierboven vermelde film en dit mistige album.
Want Big Canoe strandde in de overproductie.
Een heel dik klankentapijt, waarin de songs met moeite
het hoofd boven water kunnen houden ... de songs zijn er wel,
maar het totaalgeluid is zo onwezenlijk druk, dat het vermoeiend oort.
De single Spiritual Honger heeft een stampende groove,
maar flopte, net als de opvolger No Thunder No Fire No Rain,
een aangrijpend relaas van een koppel dat "goud" zocht, maar "slijk" vond.
Af en toe kraakt Tim een biografische noot (Timmy, Don't Bury My Heart
en Hole in my Heart) en aan het ballad front is hij in vorm (Carve You in Marble
en Hyacinth), maar de nummers zijn soms behoorlijk melig geproducet.
Searching the Streets en Water into Wine proberen te rocken
en met Are We One or Are We Too eindigt Tim met een dubbel gevoel.
Dit album is enkel voor fans (ik ben er eentje), maar dan nog
is het bij wijlen alsof je naar de plaat van een andere artiest luistert.
Alleen die fijne stem en die melancholische melodieën verraden de vakman.
Zat Tim wat gewrongen in zijn te grote kano,
dan worstelde jongere broer Neil zich in zijn krappe huisje
wel naar de wereldtop ... Don't Dream It's Over, mijmerde hij
na het vertrek van Tim en het opdoeken van Split Enz.
Ooit The Coca Cola kid gezien?
Dat is met muziek van deze Tim Finn.
In 1984 had hij wereldwijd succes met zijn eerste solo-album Escapade (1983).
De single Fraction Too Much Friction zat bij menigeen als een krekel in het hoofd.
Tim deed het in één klap beter dan Split Enz, de groep waar hij sinds
1972 mede-oprichter en bezieler van was en dan denkt een mens
al gauwtjes: ligt een solo-carrière uiteindelijk niet voor de hand?
Tim maakte nog één album met Split Enz en broer Neil
om daarna definitief de solo-toer op te gaan met muziek
voor de hierboven vermelde film en dit mistige album.
Want Big Canoe strandde in de overproductie.
Een heel dik klankentapijt, waarin de songs met moeite
het hoofd boven water kunnen houden ... de songs zijn er wel,
maar het totaalgeluid is zo onwezenlijk druk, dat het vermoeiend oort.
De single Spiritual Honger heeft een stampende groove,
maar flopte, net als de opvolger No Thunder No Fire No Rain,
een aangrijpend relaas van een koppel dat "goud" zocht, maar "slijk" vond.
Af en toe kraakt Tim een biografische noot (Timmy, Don't Bury My Heart
en Hole in my Heart) en aan het ballad front is hij in vorm (Carve You in Marble
en Hyacinth), maar de nummers zijn soms behoorlijk melig geproducet.
Searching the Streets en Water into Wine proberen te rocken
en met Are We One or Are We Too eindigt Tim met een dubbel gevoel.
Dit album is enkel voor fans (ik ben er eentje), maar dan nog
is het bij wijlen alsof je naar de plaat van een andere artiest luistert.
Alleen die fijne stem en die melancholische melodieën verraden de vakman.
Zat Tim wat gewrongen in zijn te grote kano,
dan worstelde jongere broer Neil zich in zijn krappe huisje
wel naar de wereldtop ... Don't Dream It's Over, mijmerde hij
na het vertrek van Tim en het opdoeken van Split Enz.
Tim Finn - Escapade (1983)

4,0
0
geplaatst: 18 juni 2008, 13:49 uur
Eerst en vooral.
Bovenstaande tracklijst is die van "down under".
In Europa zagen de LP (EPC 25812) en de CD (EPC 474610) er als volgt uit.
01. Fraction too much Friction (singel Europa en Australië)
02. Staring at the Embers (singel Australië)
03. Through the Years (singel Europa)
04. Not for nothing
05. In a minor Key (singel Europa)
06. Made my Day (singel Australië)
07. Wait and see
08. Below the Belt (alleen op deze versies van het album)
09. I only want to know
10. Growing Pains
Het piano-experiment Grand Adventure werd in Europa als b-kant van Through the Years gebruikt. Het mainstreame Below the Belt bleef in Australië alleen maar beperkt tot de b-kant van Fraction too much Friction , maar verscheen in Europa dus wel op LP. Staring at the Embers is het meest rockende nummer van de plaat. Made my Day leunt het dichtst aan bij de eerste hitsingel. Through the Years is een zeer catchy hit en de ballad In a minor Key is een onvervalste klassieker.
Wie houdt van pure 80s pop zoals Fraction too much Friction, moet niet aarzelen als hij dit album tegenkomt (zou niet zo duur mogen zijn). Er staat werkelijk geen enkel slecht nummer op. Van de resterende, niet op singel uitgebrachte nummers is de afsluiter Growing Pains op zich ook al een singelkandidaat. Het misschien iets te melige Not for nothing, het softe Wait and see en het met een electronische beat onderbouwde I only want to know zijn stuk voor stuk aangename albumtracks.
Wie de Europese versie koopt, zal in het boekje zien dat de credits voor Grand Adventure behouden bleven, ook al staat het nummer er niet op. Below the Belt duurt 4.20 (ik weet niet of het de bedoeling is om de tracklijst hierboven aan te passen).
Bovenstaande tracklijst is die van "down under".
In Europa zagen de LP (EPC 25812) en de CD (EPC 474610) er als volgt uit.
01. Fraction too much Friction (singel Europa en Australië)
02. Staring at the Embers (singel Australië)
03. Through the Years (singel Europa)
04. Not for nothing
05. In a minor Key (singel Europa)
06. Made my Day (singel Australië)
07. Wait and see
08. Below the Belt (alleen op deze versies van het album)
09. I only want to know
10. Growing Pains
Het piano-experiment Grand Adventure werd in Europa als b-kant van Through the Years gebruikt. Het mainstreame Below the Belt bleef in Australië alleen maar beperkt tot de b-kant van Fraction too much Friction , maar verscheen in Europa dus wel op LP. Staring at the Embers is het meest rockende nummer van de plaat. Made my Day leunt het dichtst aan bij de eerste hitsingel. Through the Years is een zeer catchy hit en de ballad In a minor Key is een onvervalste klassieker.
Wie houdt van pure 80s pop zoals Fraction too much Friction, moet niet aarzelen als hij dit album tegenkomt (zou niet zo duur mogen zijn). Er staat werkelijk geen enkel slecht nummer op. Van de resterende, niet op singel uitgebrachte nummers is de afsluiter Growing Pains op zich ook al een singelkandidaat. Het misschien iets te melige Not for nothing, het softe Wait and see en het met een electronische beat onderbouwde I only want to know zijn stuk voor stuk aangename albumtracks.
Wie de Europese versie koopt, zal in het boekje zien dat de credits voor Grand Adventure behouden bleven, ook al staat het nummer er niet op. Below the Belt duurt 4.20 (ik weet niet of het de bedoeling is om de tracklijst hierboven aan te passen).
Tim Finn - Tim Finn (1989)

4,0
0
geplaatst: 26 maart 2009, 11:15 uur
TIM FINN 1989
Na het fiasco van Big Canoe (1985), treedt Tim
in de voetsporen van Crowded House, het paradepaardje
van zijn jongere broer en ex- Split Enz bandmaat Neil Finn.
Daarop is de productie (en het orgeltje) net als op de CH platen
in handen van Mitchel Froom en ook broertje Neil mag meedoen
op backing vocals (beide broers zingen bijna atlijd op elkaars platen).
Een geluid dat dus dicht bij Crowded House aanleunt.
Neils groep had al twee albums op haar naam en wist
met ballads als Don't Dream It's Over, Better Be Home Soon
en Into Temptation menig popliefhebber te overtuigen.
Tim schaart op dit album een clubje uitstekende sessiemuzikanten
naast zich en komt met een overtuigend 4 sterren album (op het volgende
Crowded House album Woodface is Tim zelfs even lid van de groep).
Toch heeft dit album nooit de aandacht gekregen die het verdiende.
De ballads Not Even Close en How 'm I Gonna Sleep zijn 24 karaatse
popjuweeltjes en mogen in geen enkele verzameling van de CH fan ontbreken.
Het ritmisch intrigerende Parihaka (over de Mahatma Gandi
van de Nieuw Zeelandse Maori) en het geëngageerde Suicide on Downing St.
(nav een Britse zelfmoordactivist) zijn puike albumtracks.
Young Mountain opent het album als een folksong,
Tears Inside en Show a Little Mercy laten de getormenteerde ziel
van Tim uithuilen in fraai gearrangeerde composities.
Minder geslaagd zijn de wat meer oppervlakkig klinkende
uptempo songs Birds Swim Fish Fly en Crescendo.
Eindigen doet Tim graag met een mop: Been There, Done That.
De hoes spreekt boekdelen: oudere broer Tim fronst de wenkbrouwen
en tracht zich te herpakken in de voetsporen van broetje Neil.
Ik zou deze plaat een serieuze kans geven.
Het zou wel eens kunnen dat hij u blij verrast.
Na het fiasco van Big Canoe (1985), treedt Tim
in de voetsporen van Crowded House, het paradepaardje
van zijn jongere broer en ex- Split Enz bandmaat Neil Finn.
Daarop is de productie (en het orgeltje) net als op de CH platen
in handen van Mitchel Froom en ook broertje Neil mag meedoen
op backing vocals (beide broers zingen bijna atlijd op elkaars platen).
Een geluid dat dus dicht bij Crowded House aanleunt.
Neils groep had al twee albums op haar naam en wist
met ballads als Don't Dream It's Over, Better Be Home Soon
en Into Temptation menig popliefhebber te overtuigen.
Tim schaart op dit album een clubje uitstekende sessiemuzikanten
naast zich en komt met een overtuigend 4 sterren album (op het volgende
Crowded House album Woodface is Tim zelfs even lid van de groep).
Toch heeft dit album nooit de aandacht gekregen die het verdiende.
De ballads Not Even Close en How 'm I Gonna Sleep zijn 24 karaatse
popjuweeltjes en mogen in geen enkele verzameling van de CH fan ontbreken.
Het ritmisch intrigerende Parihaka (over de Mahatma Gandi
van de Nieuw Zeelandse Maori) en het geëngageerde Suicide on Downing St.
(nav een Britse zelfmoordactivist) zijn puike albumtracks.
Young Mountain opent het album als een folksong,
Tears Inside en Show a Little Mercy laten de getormenteerde ziel
van Tim uithuilen in fraai gearrangeerde composities.
Minder geslaagd zijn de wat meer oppervlakkig klinkende
uptempo songs Birds Swim Fish Fly en Crescendo.
Eindigen doet Tim graag met een mop: Been There, Done That.
De hoes spreekt boekdelen: oudere broer Tim fronst de wenkbrouwen
en tracht zich te herpakken in de voetsporen van broetje Neil.
Ik zou deze plaat een serieuze kans geven.
Het zou wel eens kunnen dat hij u blij verrast.
Toontje Lager - Er Op of Er Onder (1982)

4,0
0
geplaatst: 23 mei 2013, 17:58 uur
Leuk en toch maar 2 sterren.

Of is leuk niet voldoende? Wel om hem te kopen en te draaien, toch?

Of is leuk niet voldoende? Wel om hem te kopen en te draaien, toch?
Toto - Toto IV (1982)

4,0
0
geplaatst: 16 maart 2014, 14:22 uur
IV 1982
Hoe vaak heb ik dit album al een kans gegeven op basis van die twee kanjers van hits?
Maar even zo vaak verloor ik halverwege mijn interesse, kon de plaat me onvoldoende boeien.
Ik hoorde puike muzikanten, een geöliede machine,
maar niet alle tracks bleven volgens mij compositorisch overeind.
Maar laat ik het album vandaag eens met de volle aandacht beluisteren.
Over het drumpatroon van Rosanna is al veel inkt gevloeid.
Ritmisch een huzarenstukje en met die prominente rockgitaar,
de blazersstoten en de betoverende keyboardsolo een winnaar.
AOR met voldoende funk injecties om een breed publiek te bekoren.
Make Believe brengt me jammer genoeg met de beide beentjes
op de Amerikaanse radio uit de jaren 80: AOR met power-rock vocalen.
Marco Borsato die met gebalde vuist tegen een instrumentale muur opzingt.
Geen song die ik meteen zou afzetten, maar hij nekt meteen een score van 5 sterren.
Dat er smakelijk gemusiceerd wordt, is in dit geval slechts een doekje voor het bloeden.
De ballad I Won't Hold You Back verscheen ook op single
en laat een heel andere geluid horen dan Rosanna of Africa.
Van een klefheid die me maar moeilijk kan bekoren.
En opnieuw bevind ik mij tijdens deze luistersessie in een neerwaartse spiraal.
Sublieme opener, middelmatige rocker en een over-georchestreerde powerrock ballad.
Good for You gaat verder waar Make Believe ophield.
Rijk gearrangeerde AOR met powerrock inslag en voldoende blazers
en keyboards om geen moment te vervelen. Maar er blijft zo weinig hangen...
It's a Feeling is geen sterke compositie.
Het wordt wel met meer ingehouden adem gebracht
en zorgt derhalve voor een eerste, echt rustpunt op de plaat.
Kant 2 begint met een positieve noot.
Afraid of Love heeft een nijdige gitaar in de rangen.
Ik mis een pakkend refrein. Toto beperkt zich dan te vaak tot een samenzang.
Dit is echter wel een nummer waarvan ik me de live impact goed kan voorstellen.
Even vinnig kondigt zich Lovers in the Night aan in een soort crossfade.
Maar deze song heeft heel wat minder om het lijf. Soms verglijdt Toto me toch
echt te veel in bloedloze AOR en komt de vierde ster voor dit album plots in gevaar.
Een splijtende gitaarsolo moet ongetwijfeld live voor de nodige sensatie kunnen zorgen.
Maar het is een muzikaal staaltje spierballengerol dat mij gewoon minder ligt, vrees ik.
We Made It voegt opnieuw weinig toe aan het beproefde recept.
Bands als Europe zijn niet ver weg, denk ik stilletjes bij mezelf.
De sterkte van Toto zit niet zozeer in de composities, vind ik.
Die volgen qua opbouw en vocalen het handboek van de AOR radio-hit.
Maar Toto probeert wel om voldoende creatieve wendingen in het arrangement te steken.
Dan kan de groep uitpakken met haar virtuositeit.
Toto's muzikale talent is als een heerlijke kers
op een slagroomtaart die me voor de rest minder smaakt.
Maar we hebben nog twee singles in de aanbieding.
En kijk nu: Waiting for Your Love heeft me van meet af aan beet.
Een wat jazzy ondertoon en een huppelend ritme zorgen voor verfrissing.
En over Africa kan ik heel lyrisch worden.
Dat vind ik gewoon een ongelooflijke topper.
Net zoals Rosanna en Waiting for Your Love is het lied gebed
in een vernuftig ritmisch fundament waarop de vocalen en solo's welig tieren.
Ik tel dus drie toppers, drie goeie albumtracks en vier matige tot zwakke broertjes.
Aangezien ik niet met halve sterren reken, zit ik nu toch wel gevangen tussen 3* en 4*.
Ik stel voor dat ik er weer wat tijd over laat gaan vooraleer ik mijn punten eventueel verlaag.
En zo is de cirkel rond. Ik ben er dus nog steeds niet uit wat ik van een Toto album moet denken.
Hoe vaak heb ik dit album al een kans gegeven op basis van die twee kanjers van hits?
Maar even zo vaak verloor ik halverwege mijn interesse, kon de plaat me onvoldoende boeien.
Ik hoorde puike muzikanten, een geöliede machine,
maar niet alle tracks bleven volgens mij compositorisch overeind.
Maar laat ik het album vandaag eens met de volle aandacht beluisteren.
Over het drumpatroon van Rosanna is al veel inkt gevloeid.
Ritmisch een huzarenstukje en met die prominente rockgitaar,
de blazersstoten en de betoverende keyboardsolo een winnaar.
AOR met voldoende funk injecties om een breed publiek te bekoren.
Make Believe brengt me jammer genoeg met de beide beentjes
op de Amerikaanse radio uit de jaren 80: AOR met power-rock vocalen.
Marco Borsato die met gebalde vuist tegen een instrumentale muur opzingt.
Geen song die ik meteen zou afzetten, maar hij nekt meteen een score van 5 sterren.
Dat er smakelijk gemusiceerd wordt, is in dit geval slechts een doekje voor het bloeden.
De ballad I Won't Hold You Back verscheen ook op single
en laat een heel andere geluid horen dan Rosanna of Africa.
Van een klefheid die me maar moeilijk kan bekoren.
En opnieuw bevind ik mij tijdens deze luistersessie in een neerwaartse spiraal.
Sublieme opener, middelmatige rocker en een over-georchestreerde powerrock ballad.
Good for You gaat verder waar Make Believe ophield.
Rijk gearrangeerde AOR met powerrock inslag en voldoende blazers
en keyboards om geen moment te vervelen. Maar er blijft zo weinig hangen...
It's a Feeling is geen sterke compositie.
Het wordt wel met meer ingehouden adem gebracht
en zorgt derhalve voor een eerste, echt rustpunt op de plaat.
Kant 2 begint met een positieve noot.
Afraid of Love heeft een nijdige gitaar in de rangen.
Ik mis een pakkend refrein. Toto beperkt zich dan te vaak tot een samenzang.
Dit is echter wel een nummer waarvan ik me de live impact goed kan voorstellen.
Even vinnig kondigt zich Lovers in the Night aan in een soort crossfade.
Maar deze song heeft heel wat minder om het lijf. Soms verglijdt Toto me toch
echt te veel in bloedloze AOR en komt de vierde ster voor dit album plots in gevaar.
Een splijtende gitaarsolo moet ongetwijfeld live voor de nodige sensatie kunnen zorgen.
Maar het is een muzikaal staaltje spierballengerol dat mij gewoon minder ligt, vrees ik.
We Made It voegt opnieuw weinig toe aan het beproefde recept.
Bands als Europe zijn niet ver weg, denk ik stilletjes bij mezelf.
De sterkte van Toto zit niet zozeer in de composities, vind ik.
Die volgen qua opbouw en vocalen het handboek van de AOR radio-hit.
Maar Toto probeert wel om voldoende creatieve wendingen in het arrangement te steken.
Dan kan de groep uitpakken met haar virtuositeit.
Toto's muzikale talent is als een heerlijke kers
op een slagroomtaart die me voor de rest minder smaakt.
Maar we hebben nog twee singles in de aanbieding.
En kijk nu: Waiting for Your Love heeft me van meet af aan beet.
Een wat jazzy ondertoon en een huppelend ritme zorgen voor verfrissing.
En over Africa kan ik heel lyrisch worden.
Dat vind ik gewoon een ongelooflijke topper.
Net zoals Rosanna en Waiting for Your Love is het lied gebed
in een vernuftig ritmisch fundament waarop de vocalen en solo's welig tieren.
Ik tel dus drie toppers, drie goeie albumtracks en vier matige tot zwakke broertjes.
Aangezien ik niet met halve sterren reken, zit ik nu toch wel gevangen tussen 3* en 4*.
Ik stel voor dat ik er weer wat tijd over laat gaan vooraleer ik mijn punten eventueel verlaag.
En zo is de cirkel rond. Ik ben er dus nog steeds niet uit wat ik van een Toto album moet denken.
