MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten henrie9 als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

The Smashing Pumpkins - Aghori Mhori Mei (2024)

poster
4,0
The Smashing Pumpkins, die grootste romantische grungeband van weleer heeft helaas de laatste jaren van zijn onvoorspelbaarheid haast een deugd gemaakt. Maar de originele kompanen Billy Corgan, Jimmy Chamberlain en James Iha komen hier met de resoluut franje- en singleloze lancering van hun dertiende tot ieders verrassing wel met een geweldig coole klapper op de proppen. Met een Corgan bovendien goed bij stem en in een prima productie. Geen oeverloze driedubbele geeuwer meer dus zoals die laatste keer. Neen, gewoon solied tien progressieve songs in een compact behapbare drie kwartiertjes. Waarin ze bovendien duidelijk weer de lucht van rock en metal diep hebben opgesnoven in plaats van zomaar wat aan te rommelen met al die synthesizers van voorheen. Terug daarmee zelfs bijna naar de tijd van hun magnum opus 'Mellon Collie And The Infinite Sadness', met opnieuw glansrollen voor de fuzzy gitaren, de enorme, loodzware riffs en naast de bas en de drums de snijdende nasale vocals van onze kale knikker Billy.

Al met de memorabele opener 'Edin' gaat het dak er helemaal af. Uit een Toolsgewijs zoetjes meanderende gitaarlick ontstaat ineens die bezeten withete Pumpkins-moordriff, startpunt van de hartbrekende groove en een psychedelisch opjuttende wall of sound waarvoor de fans de band altijd al zo hoog op handen droegen.

Daarna zo mogelijk nog meer hoogtepunt, het uit je duistere droom opstijgende progressieve monument 'Pentagrams', waarin het trio je werkelijk alles geeft. "Love never dies", horen we Corgan creepy toezingen. Het wordt het nieuwe anthem van een vernuftige, episch geïnstrumenteerde compositie .

Daalt dan, na nog zo'n explosieve headbanger 'Sighommi', na drie songs lang verpletterende riffs vol gitzwarte donkerte in de melodieën, voor heel even de nodige melancholische rust in van 'Pentecost'. Dartele piano, uitdijend strijkersfestijn en evenwichtig gedoseerde synthesizers. Sfeervol en wat werkt het daar goed.

Maar daarna vanaf het sinistere 'War Dreams of Itself' toch gewoon weer vol de decibels en de meest opwindende riffs. Niet te vergeten daarbij, simultaan ook de zoveelste demonstratie van Jimmy Chamberlain's allerstrakste drumtexturen.

Dan komt zwierig zwevend het popliedje 'Who Goes There' binnen. Corgan's vredige verhaal ondersteund door een telkens weer sierlijk opduikend gitaarlijntje.

'999' klinkt wat kribbig met die vervreemdend afdrijvende piano en daar komen in een trager ritme de gitaren al weer aangolven. Gigantisch de geluidsmuur die wordt opgebouwd. Pareltje van dynamische progkunst.

Ook 'Goeth the Fall' verdient het predicaat voortreffelijk, al is het een mistroostige ballad, maar Corgan maakt hem weer zo vintage The Smashing Pumpkins.

In het onverbiddelijk ritueel dat in het doordrammende 'Sicarus' wordt opgevoerd, met onder meer het op zijn transcendentst afbuigend refrein, gaan de Pumpkins haast Metallica achterna. Het zijn twee simpele Black Sabbath-noten die er finaal een gewichtig punt mogen achter zetten.

Een schitterend filmisch 'Murnau' tenslotte laat het doek vallen. Zalig, als regen delicaat neerdruppelende pianotoetsen en met dramatisch symfonisch orkest dat krachtig de dans overneemt. Een typisch zwevende afsluiter de The Smashing Pumpkins helemaal waardig.

Dit kortom is zonder dieptepunten die uitgebalanceerde plaat geworden van The Smashing Pumpkins waar we al zo lang naar hebben uitgekeken. Hier zijn gepassioneerd en gefocust weer die woedende ratten in een kooi in een album zo vitaal en zo vol vuur. Daarom, veeg al die voorgaande kwakkeljaren samen, Billy, ze worden je bij dit fraaie 'Aghori Mhori Mei' helemaal vergeven.

The Smile - A Light for Attracting Attention (2022)

poster
4,5
"There is a smile of love and there is a smile of deceit" - William Blake...

Vanaf noot één, wat een prachtig dromerig album krijgen we met dit 'A Light For Attracting Attention'! Van twee van de belangrijkste rockmuzikanten van hun generatie, Thom Yorke, Jonny Greenwood en die uitstekende Sons of Kemet's jazzdrummer Tom Skinner en samen met hen producer Nigel Goodrich. Vorig jaar verrasten ze op Glastonbury al de wereld met hun 'work in progress'. De afwerking ervan in stilte werd hun uitlaatklep tijdens de ongedwongenheid van de lockdown. Nu, uit de startblokken gaat dit The Smile met de progressieve deiner 'The Same'. Zinderende elektronica die in emotioneel crescendo steeds hoger opkringelt, subliem rumoerig spel met het tempo. Als bloedserieuze klassebakken van Radiohead, zomaar gewoon iets nieuws uitproberen en het dan tot in de puntjes perfectioneren. The Smile, met z'n drieën spannend en flexibel wentelend zijn ze dus zomaar binnengerold met een veelzijdig debuut van de ervaring. Terstond fascineert daarbij gelijk weer de onaangetast vertrouwde etherische stem van Yorke, een onthullend instrument op zich. Zalvend als een engel, ze entertaint, sneert, glijdt, gromt en bijt. Alles met een creativiteit die royaal over de rand loopt, nu ze blijkbaar hun zoveelste nieuwe adem hebben gevonden. Dertien waardige nummers, wisselende stemmingen tussen vooral zacht en harder, mooi en evenwichtig samengeweven in een heerlijk opgebouwde rij. Kunstig en biezonder, een project dat al direct zoveel samenhang vertoont en dat in zijn nerven toch innig verstrengeld blijft met die ooit zo alomaanwezige moedergroep. Een alternatieve R-sound die overal zo betrouwbaar binnenkomt. Maar het luistert evenwel ook lekker ruig en groovy. Met postpunk, math- en krautrock nu ook op het menu, naast jazz, prog, afrobeat, strijkers blazers en soundtrackachtige soundscapes (componist Jonny Greenwood, weetjewel). Neem nu het door Jonny's luidruchtige gitaren stuwende 'You Will Never Work in Television Again', het komt als derde nummer verrassend uit het niets aan zet. Dergelijke postpunk, gejaagd door de wind, nooit gedacht dat ze het ook in de vingers hadden!

Ook 'The Opposite' klinkt fantastisch met Skinner's sensationele jazzy drumbeat, sombere bas en in trance stijgende gitaren die de andere instrumenten overlappen. Het ontzaglijke 'Pana-Vision', creepy Yorke tussen de griezelig ijle pianotoetsen tot eerst de blazers en finaal ook de indrukwekkende strijkers zwijmelend overnemen. 'The Smoke' overheerst door zijn grandioze baslijn, met sporadische jazzy blazers à la Son of Kemet. Het langzaam op orgel brandende 'Speech Bubbles' is een bijna experimentele compositie die uitmunt in delicate schoonheid. 'Thin Thing', nog zo'n knetterend postpunky opstartende topper die, terwijl Yorke dapper gelaagd doorzingt, met spetterende percussie mathrockend doortstuitert in een hardnekkige poging om onderweg maar al zijn duivelse spanning te ontladen. Het schitterende 'Open the Floodgates' andermaal een traag in fragiliteit groeiend psychedelisch pianonummer, waar zich ook nog eens serene strijkers, synths en blazers komen bij aansluiten.

De akoestische schoonheid van 'Free in the Knowledge' is grimmig, strijkers hangen weer in de achtergrond van Yorke's delicate falsetto. 'A Hairdryer' bevestigt nogmaals welke goeie zanger Yorke is gebleven, een man die zich immer staande houdt, ook tussen de nerveus eromheen walsende orkestratie, drums en gitaren. Dit had toch ook regelrecht een 'OK Computer'-song kunnen zijn? 'Waving a White Flag' is dan in pure Vangelis-synthesizersound opgebouwde psychedelica. Het rechttoe rechtaan pompende 'We Don't Know What Tomorrow Brings' bevat postpunkcatchiness as hell.
Elegante gitaarakkoorden, stappende drums en ingetogen blazers leiden dan uiteindelijk 'Skrting on the Surface' tot z'n hemels eindpunt.

Gelanceerd in hedendaagse tijden weerspiegelt net als Radiohead ook The Smile veel gebrokenheid. Angst, dreiging, woede en cultureel verval stonden altijd al in hun vaandel. Met een pandemie en de klimaatproblematiek erbovenop wordt dit sindsdien almaar uitgesprokener. Maar ondanks alle somberte houdt Yorke het toch eerder bij vredig loslaten, bij samen toch weer op pad gaan. Die sereniteit zweeft hoorbaar doorheen het album.

'A Light For Attracting Attention' van The Smile klinkt zo aangenaam bezwijmend, uitdijend en minimaal, maar zit tegelijk vol energiestoten en is tegelijk zo dansbaar. Ze voelt qua warme sound voortdurend aan als die Radiohead van vóór Kid A. Maar presenteert het zich daarom als pure nostalgie? Neen, dat zeker niet. Daarvoor is de slimme inbreng ook van de dartele jazzy ritmes van 'nieuwkomer' Skinner een even essentieel onderdeel van de lenigheid, de verfrissing en de vernieuwing.
De muzikaal meer dan briljante dynamiek van deze altijd kunstige band kan ons dus niet anders dan een heel brede 'Smile' ontlokken. We hoorden hier een nieuw Radiohead, helemaal 'in progress'.

The Smile - Cutouts (2024)

poster
4,5
Covid-times 2020. Met de verrassende transformatie van Radiohead tot de supergroep The Smile, bleek onmiddellijk dat ook dit nieuwe trio - een bevrijde Thom Yorke en Jonny Greenwood, samen met de jonge jazzman Tom Skinner van Sons of Kemet - weer op een groeiende vulkaan van creativiteit was aanbeland. Op korte tijd spuwde hun krater al de twee meesterwerken 'A Light for Attracting Attention' en 'Wall of Eyes' de ether in. Het veelvuldig en met veel fun experimenteren van drie overgetalenteerden met uiteenlopende muzikale interesses, het smeedde stevige banden en evenwicht en het zette de discussie 'gelegenheidsband' versus Radiohead alvast probleemloos opzij als 'niet aan de orde'. Nu, pas enkele maanden na 'Walls of Eyes' komt ook 'Cutouts' eruitgestuwd, met songs waarvan de meeste weliswaar live al lang het levenslicht zagen tijdens het sessiën en touren voor de eerdere albums, maar die toen gewoon nog niet waren opgenomen. Onder het toeziend oog van producer Sam Petts Davies werden de tien ervan die instinctmatig bij elkaar pasten nu samengelegd en in Jonny Greenwood's studio en Abbey Road van hun finishing touch voorzien.

Naast input van jazz-improvisatie bevat 'Cutouts' opvallend meer dan voorheen synths en electronica. Dit laatste wordt in de briljante opener, met Skinner zelfs gewoon helemaal op de bank, bijna als een statement duidelijk. Die fantastische dromerige single 'Foreign Spies', waarin, helemaal wegzwevend in zijn etherische Vangelis-universum van synths, Yorke's hemelse falset werkelijk een schitterende entrée mag maken. Zingt hij daar nu werkelijk over een mooie wereld of is het eerder over de paranoia alsof al die schoonheid dreigt te worden ingepalmd? In alle geval, wat grijpt die Yorke je hier toch weer bij het nekvel met zijn stem. Maar het weze duidelijk, Greenwood heeft een even groot aandeel in de song, het is een klassieke compositie van hem, 'Horror Vacui' uit 2019, die er het uitgangspunt van vormde. Sowieso, wat een schitterend voorbeeld van artistieke samenwerking is het geworden en we zijn nog maar aan song één.

Want net zo'n prachtige klepper is 'Instant Psalm'. Die walmt met veel Radiohead-allures traag voorbij in een zalig bedwelmende psychedelische roes vol strijkers. "We overflow in a hurricane...", het begin van Yorke's bespiegelingen over steeds krachtiger orkanen, over leegte, eenzaamheid en authenticiteit. Een geheel goedaardige rocktrip volledig opgetrokken in Oosters aandoend instrumentarium, met Skinner feilloos meewandelend in zijn drumlijn. Het lijkt zowaar 'Sergeant Pepper' wel.

Die haastige improvisatie van adhd-gitaar en dito strakke percussie waarmee de ook al uitmuntende single 'Zero Sum' aftrapt, die staccatozang...! Is hier dan soms dEUS aan het jammen? Het wordt een op en top door Skinner geïnspireerde Son of Kemet-song, waarop Greenwood zijn allerbeste riffing loslaat. Hectisch, dynamisch en volspeed, compleet met diepe sax, trekt 'Zero Sum' helemaal de straat op. Met weer een volkritische boodschap over kapitalisme en de haves en de have-nots, over de almachtige superrijken die blind geloven dat geld en technologie ('Windows 95') de klimaatcrisis wel zullen oplossen.

Het aangrijpende 'Colours Fly' is met zijn geagiteerd flitsende marspercussie, zijn oriëntaalse gitaren en orkestraties daaropvolgend weer zo volritmisch en trippy als wat. Met een mooie hoofdrol ook voor de sierlijke basklarinet van Robert Stillman. De onstopbaar opstijgende chaos en de hoge declamaties van een zwalpende Yorke doen de 'Colours Fly'-jam culmineren in één gelukzalige harmonie van samenzang.

Hun eigen live-favoriet, sfeervol en transcenderend, is 'Eyes & Mouth'. Met zijn ongelooflijke, afro-getinte mathrockdrums, repetitief hoogoplopende gitaarnoten, zijn jazzy invallende piano en een Yorke die hier in koorsamenzang met zichzelf improviseert over transformatie. Nog een juweeltje.

Even de riem eraf leggen met 'Don't Get Me Started', die eerste single met zijn opzienbarende animatievideo. Opstarten met spaarzaam cirkelende keyboardpiano en Yorke eindeloos wegechoënd tussen de akkoorden. Dan verhaasten de gedempt inrollende drumroffels het nummer tot het wegdrijft in een wolk van sfeervolle ambient.

Donker pianogetokkel en ineens twee voldramatische vioolnoten die er als een donker overscherend wolkendek filmisch overheen gaan. Vintage Greenwood. Dit is het weirde 'Tiptoe' dat zich traag en loungy het nachtcafé insleept. Wijfelende jazzpiano daar, kwetterende stemmen in een verre duisternis en Yorke's zwevende falset er mooi overheen.

Grandioze single 'The Slip' die neemt heel precies, als het ware in één lange drumsolo, de percussie van Skinner als patroon. Waarna de mannen gedrieën gezwind en groovy op pad trekken. Yorke ontwikkelt iets als een pompende Jamaicaanse basdans op die lekkere jazzdrums en zijn vreemd croonen etaleert zich als een in alle toonaarden spiegelsamenzang. Aan bod zijn hier zijn gekende thema's rond klimaat, dreigende kernoorlog, nucleaire winter en het immer verantwoording ontvluchtend wereldleiderschap. Verderop komen dan, zelfs tot aan de finale noot, zowaar ook meer dan fraaie strepen Radiohead-rockgitaar de song insnijden. Weer een ferme compositie die herhaaldelijk de repeatknop vraagt.

'No Words'. Metalen keyboardaanslagen als ver doordrammende kerkklokken monden uit in een chaotische maalstroom van funky, nerveus achtervolgend bas- en drumwerk. Met zijn drieën katapulteren ze zich de eindeloze kosmos in, helemaal naar die weg van Yorke naar de hel die geplaveid is met goede intenties. De dolle rit van 'No Words' komt uiteindelijk als een afremmende locomotief toch veilig tot stilstand.

De afsluitende single 'Bodies Laughing' begint nog atmosferisch hoog in de sterren. Spaans krassende akoestische snaren rollen dan uit voor een vers deprimerend verhaal van een verheven helder zingende Yorke. Over een moderne wereld zonder empathie en vol inhoudsloos gelach. Een laag meevliegend koortje in treurige oh- oh-oh-modus onderstreept zachte neerslachtigheid. Een song pakkend in al zijn melodieuze rijkdom.

Greenwood had het er in Pitchfork ooit over dat hij met The Smile platen wilde maken die 90 procent zo goed zijn als die van het qua productiviteit supertrage Radiohead, maar die twee keer zo vaak uitkomen. Welnu, wat er ook met het al jaren sluimerende Radiohead gebeurt, met 'Cutouts' illustreren The Smile nu al voor de tweede keer die dubbele waarheid. 'Cutouts' is een volbloed op zich staand werk en allesbehalve het plak- en knipwerk zoals sommigen het uit de plaattitel lijken te moeten afleiden. Hier is een triumviraat van briljante musici aan het werk die elkaar heel ontspannen gevonden hebben in wat intussen zelfs het beste deel van de officieuze trilogie is geworden. Hier een bovenmatig boeiend album dat, boostend in het momentum van de creativiteit en ondanks alle beladen lyriek, ook constant luchtig en vrolijk klinkt. Of The Smile er nu mee balladeert, hyperkinetisch rondstuitert of wat dan ook 'Cutouts' piekt overal in al zijn gelaagde melodieuze schoonheid. In dit stadium kijkt het trio dus absoluut nog niet neer op het eind van zijn latijn. Naar verluidt verloor Yorke er zijn vale grimlach door en zag hij van achter de wolken zelfs al weer een echte 'Smile'. Je dus verder vooral nergens voor haasten, jongens!

The Smile - Wall of Eyes (2024)

poster
4,5
Nu Radiohead al langer dan een tijdje forfait geeft is elk nieuwtje over de wereld van Thom Yorke er tegenwoordig eentje dat via een rode loper regelrecht naar The Smile leidt en zo wordt een tweede release van het illustere ongrijpbare trio dan ook niet minder dan een gebeurtenis.
De band van Radioheaders Thom Yorke, Jonny Greenwood en Sons of Kemet-drummer Tom Skinner heeft immers eerder al bewezen zonder veel tierlantijntjes een heel stuk meer te zijn dan de som van hun afzonderlijke delen. Een pak nieuw materiaal groeide bovendien al direct tijdens het touren met hun eersteling 'A Light For Atrracting Attention' en het kreeg ook al onmiddellijk playtime op hun podium. Ze moesten dus nog enkel maar met producer Sam Petts-Davies, de man van Yorke's 'Suspiria', de Abbey Road Studios in Londen induiken en alles inblikken. Het feit dat ze in één vloeiende beweging met dit even Yorkeïaans somber als opwindend album als 'Wall of Eyes' zijn doorgegaan illustreert dat The Smile precies in dit nest zijn resoluut nieuwe ambitieuze bedoelingen wil gaan waarmaken. De nieuwe gouden eieren die ze in het onconventionele project hebben gelegd bewijzen dan ook alles en ze doen van bij de eerste luisterbeurt al monden van verbazing openvallen. Zware woorden dus al meteen, maar inderdaad, welke progressieveling gaat daar dit jaar nog over?

Een sterke openingstrack is de titelsong 'Wall of Eyes'. Bevallige akoestische gitaar leidt een vreemdsoortige relaxte samba in, een ijle Thom Yorke glijdt in een bad van vriendelijke etherische strijkers. Eenzaam dwalend in de menigte bezingt hij in zijn paranoia de veroordelende muur van ogen die mensen rondom hem creëren, resems uitgesproken meningen die de waarden, de moraal van anderen symboliseren. Ogen die Thom uiteindelijk uithollen. Alles kabbelt leidzaam dooreen als water, in in elkaar overvloeiende donkere lagen elektronica, samples en vreemd melancholisch gepingel.

De buitenaards klinkende harmoniumwolk 'Teleharmonic' voert Yorke vervolgens zachtdrijvend in een opeenvolging van onrust en onzekere mijmeringen. Fraai werk op de plank hier voor de mystieke bas, de harmonie van de gitaren, de als altijd in maffe maatsoorten buitelende percussie van Tom Skinner en al die psychedelisch opvliegende dwarsfluiten.

Een alarmerende gitaarlijn en een zalige Yorke trekken het tweeluik 'Read the Room' op gang, het weeft zich halverwege helemaal door elkaar, een complex rocknummer vol onregelmatige ritmes, vol elektriciteit, hectische drumbeats en een abstracte Yorke die warempel weer eens croont op de wijze van 'OK Computer'.

Met het proggy 'Under Our Pillows' belandt The Smile na een prikkelende openingsriff in het universum van kosmische jazz en heerlijk stromende repetitieve, broeierige ambient. Jim Morrison's hallucinantste trip.

Het melodieuze 'Friend of a Friend'. De dromerige falsetto van Yorke behendig zwevend tussen weidse jazzy pianoakkoorden en massa's warme strijkers. Een coronalied over herwonnen vrijheid, uit de tijd dat mensen vanaf balkons, vanuit tuinen en met hulp van technologie contact probeerden te houden en tegelijk ook weer dat fulmineren tegen corruptiepraktijken en politieke niet-correctheid. Hoe dan ook een geweldige compositie culminerend in een opstijgend 'A Day In The Life'-Beatles-sfeertje.

Het heerlijke 'I Quit', zet met trieste piano, stuiterend overslaande gitaren, zachte synths in de achtergrond en Yorke's zachte lijzigheid zijn verlichte reis naar het onbekende voort, hypnotiserende zoektocht weg uit de waanzin.

In het koninginnennummer, het epische 'Bending Hectic' ziet Thom Yorke in een bijna-doodervaring na een zelfmoordauto-ongeval weer fascinerende beelden voor zijn ogen. Als waren het gierende autobanden wordt een piepend ontstemde gitaar prominent een volwaardig instrument. Via de perfect gearrangeerde strijkers van het London Contemporary Orchestra zweeft het in groots crescendo de mythische Abbey Road Studio waardig naar een vintage Radiohead-gitarenexplosie. Regelrecht Antonioni 'Zabriskie Point'-moment dat tergend lang mag uitgalmen.

'You Know Me!', serene piano, strijkers, geklingel en een zachte drumbeat leiden tenslotte samen met Thom Yorke naar een vredig einde.

Ondanks de ideale combinatie met Greenwood en Skinner komt ook in dit 'Wall of Eyes' als altijd één man vol onder de schijnwerpers: Thom Yorke. 'Wall of Eyes', of hoe The Smile keer op keer zijn in moedeloosheid en angst gedompelde lyrics prachtig verwerkt tot één rustgevende, sfeervolle soundtrack. Daarin is het album, al bevat het niet meer de zoete Radiohead-broodjes van weleer, met al zijn weirde muzikaliteit zonder meer briljant. Hier is een betoverend trio aan het werk dat weet waar het mee bezig is, dat met zijn zeeën van ideeën en unieke combinaties zijn eigen weg gaat en met heel veel goesting experimenteert dat het een lieve lust is. Noem dit album dus maar gerust een nieuwe klassieker. The Smile heeft in een tijdspanne van twee albums een eigen dynamisch geluid gevonden dat zó welklinkend spannend en diepgaand is dat verder nostalgisch uitkijken naar een nieuwe Radiohead alleen al uit diep respect gewoonweg niet meer aan de orde is. Een album om eerst nieuwsgierig helemaal te doorgronden, te laten groeien, om eindeloos van te genieten.

The Sore Losers - Ultra Elektric (2021)

poster
4,0
The Sore Losers. Hun zoeken naar een ander platenlabel, Suburban Records, lag helemaal in de lijn van hun streven naar onafhankelijkheid. Al jarenlang internationaal in het getouw met The Datsuns, White Denim, met topproducenten, gaven ze oren en ogen al die tijd goed de kost, tot ze er zich helemaal klaar voor voelden. Hun boontjes voortaan zelf doppen. Blijkt intussen ook bij de making-of van deze 'Ultra Elektric', hun vijfde: zowat alles hebben ze zelf gefikst. Naast de songwriting ook de opname, productie en de mixing, alles bovendien in de eigen, naar de nieuwe plaat vernoemde Ultra Elektric Studio.

Vrijgevochten groep dus die The Sore Losers. Na 11 jaar weten ze trouwens onderhand wel waar ze zich goed bij voelen en ook hoe die 12 relatief korte songs van hen precies moesten klinken. "Dichter bij Little Richard dan bij Dylan" hoorden we ergens gitarist Cedric Maes gesluierd opmerken. Voeg er prioritair ook maar Jack White en vooral Led Zeppelin aan toe. Wie kwam immers deze week op Radio 1, gitaar in de hand, vlotjes vingeroefeningen overdoen bij 't album 'Led Zeppelin IV', nu precies 50 jaar oud? Jan Straetemans, zanger-gitarist van The Sore Losers. En die riffs en solo's van Zep, hij en z'n gitaarmaat Cedric Maes hebben ze echt wel in de vingers. Niet in het minst dus ook op dit 'Ultra Elektric', met ook de zangstijl van Plant her en der eervol opduikend .

Weer een groep overigens die de isolatie van de lockdown prima heeft benut. Gelukkig juist na hun laatste touren, de gitaarvirtuozen hebben in de gedwongen stilte hun kunde alleen maar kunnen verbeteren. Ook de composities mogen er zo helemaal zijn. Veel minder blues en country nu, maar, om de energie er straks op de podia te kunnen uitrammen, altijd pittige uptempo rock met meezingbare refreinen, scheurende gitaarriffs en vurige vingervlugge solo's. Je hoort het, die mannen staan nu muzikaal zo sterk in de schoenen dat ze het hele bredere rockgenre aankunnen. Net zoals op de hoes, alles gaat in het rood, citeren ze zelf. Alles gepassioneerd vooruit: tempo, energie en geluidsvolume. 't Knalt als een rechttoe rechtaan rockband in zowat alle nummers. Stevige, ruige rock, met toch, uit ervaring, biezondere aandacht voor de song en nog de nodige nuance en afwisseling om het geheel tot het einde spannend te houden.

Sterke nummers levert dat op, die zich ook supersnel nestelen! Catchy toppers als 'Tightrope', het vurige 'Yeah Yeah Yeah', het shakin' 'Heavyweight Champion', zinderende single 'Amy'. Maar evengoed het gedempter 'Birds Of A Feather', speels verkennend openend, maar na de eerste Zeppelinschreeuw net zo leidend tot een meeslepende apotheose van puur rockgeluid. Of wat dacht je van het grootse, zelfbenoemd 'Magnum Epos', rocksong met warempel Beatlesakkoordjes? Kleine complexe Stairway naar de hemel van The Sore Losers. 'Overloadin’, iets bluesier, met onweerstaanbaar refrein. 'To The Well', seventiesrocker met hints naar Zeppelin's 'Black Dog' en mooie solo van Cedric Maes. Met 'Shareek The Greek' wordt de volelektrische rockplaat toch afgesloten in een electronisch jasje.
Twaalf toffe back-to-basics-rocksongs. Inderdaad, weinig tekstgedreven, maar fris als een wervelwind razen ze voorbij. Wat een rockbelevenis, deze band op dreef!

Ja, jammer dus voor de tijger. Vrezen dat ie die stroomstoot van The Sore Losers niet kan hebben overleefd.

The War on Drugs - I Don't Live Here Anymore (2021)

poster
4,5
Het is er, het langverwachte gehypete album van een van dé magische rockgroepen van het moment. Met meesterlijke gitarist nog steeds, Adam Granduciel, perfectionisische rockster zonder capsones. Herwerkt al een aantal platen lang de sound, de riffs, de beats van zijn voorbeelden Dylan, Springsteen, Petty, Wilco, Young en Ferry tot iets unieks, episch, vintage The War On Drugs. Hier lijken bij wijze van bewonderende knipoog zelfs dylaneske of Springsteensongtitels als 'Living Proof', 'Changes' en 'Occasional Rain' te worden opgezogen. In alle geval, net als al die inspiratoren ontvouwt zich in iedere nieuweling telkens weer een schare klassiekers. Niet anders op deze geweldge 'I Don't Live Here Anymore'.

The War On Drugs legde met zijn uit americana voortkomende poprock tot op heden een vlekkeloos parcours af, Granduciel ontwikkelde zich intussen zelf al tot stijlicoon, wiens sfeervolle sound en hemelse riffs door collega's in het wereldje begerig worden geadapteerd. In die zin is deze nieuwe geen maturiteitsproef meer, nee het is bevestiging gewoon van 's mans muzikale volwassenheid en groot talent. Het album bulkt van fris, toegankelijk, kwaliteitsvol werk, met nóg meer finesse en nieuwe wendingen in concept en groepsgeluid. Met die vonkende ingrediënten worden zo al jaren massaal fans aangestoken. Prachtige, ongrijpbare keybord-gitaarsongs met weer die complexe arrangementen en ook nu weer meermaals meeslepende uptempo TWOD-beats.

Neem zo het herkenbare gestroomlijnde geluid van het machtige 'Harmonia's Dream' of dat van pijnlijke powerballad 'Change' met 'I'm on Fire'-vibe en mooie piano in de eindsectie, het woeste scheidingsnummer 'Wasted' of het hypnotiserende 'Victim' : telkens gewoon nostalgisch wegdromen. Of het dreigend gespannen 'I Don't Wanna Wait' beginnend met etherische Roxy Music-sound en met fantastische gitaarsolo weer uitgroeiend in gelukzalige TWOD-bombast.

Maar er zijn nu algemeen ook opvallend meer korte, duidelijke, meer persoonlijke nummers, met daar beduidend minder mist en galm. Op dit album is er vooral meer plaats voor de vocals. Hebben we het bijvoorbeeld over het melancholische 'Living Proof', de ingetogen, uitgesproken dylaneske opener met bevallige pianokkoorden. Of 'I Don't Live Here Anymore' op hartslagbeat, versterkt met sfeervolle backingvocals van Lucius. 'Old Skin', over de pijn van verandering en vruchteloos terugduwen, heeft andermaal die ingetogen petty-dylan-frasering, zelfs met fraaie finale mondharmonicatoets. Met dezelfde stemmige terughoudendheid komt het folky 'Rings Around My Fathers Eyes' binnen, open en blootreflectie van de jonge vader die nu zelf  de beschermende ouderrelatie bekijkt. Of de sobere folkrock van 'Occasional Rain', perfecte afsluiter, stukje opbeurend optimisme na de storm van persoonlijke reflecties en bespiegelingen over tragiek en strijd in een wereld in brand.

Adam Granduciel en zijn groep hebben met andermaal een grote, epische plaat hun begrip van muzikale schoonheid nog verder geperfectioneerd. Ze zijn persoonlijker geworden, regelrechter, rauwer, compacter , maar hun soundscapes bieden gelukzaligheid met een onbepaalde houdbaarheidsdatum. Om zowel langdurig te laten neerdalen in kleine kring als over de grote massa's als niet te missen liveperformance. Ook wat dat laatste betreft... gewoon Springsteen nadoen, Adam.

The Weeknd - Dawn FM (2022)

poster
4,5
Wat een popplaat, wat een topplaat ook om er het jaar 2022 mee in te trappen. The Weeknd, a.k.a. de 31-jarige Canadees Abel Tesfaye, broze man met het gouden Michael Jackson-keelgat, steekt zijn vijfde plaat deze keer helemaal in het format van een jingelend radioprogramma. In de intro (en hij komt er verder nog in een paar interludes mee terug) laat hij op zijn fictieve 'Radio Dawn FM' filmacteur Jim Carrey's dj-stem ons al direct geruststellen. Samen hebben we lang genoeg in het duister gezeten, tijd nu om in het licht te komen en ons lot met open armen te aanvaarden. Na de nog bange nacht van The Weeknd's laatste plaat 'After Hours' komt dus na de quarantaine met dit 'Dawn FM' blijkbaar een nieuwe dageraad eraan, mogen we hierbij zelfs pijnloze begeleiding verwachten...
Of hoe met The Weekend's radiouitzending ieders mogelijke weg naar vrijheid ook muzikaal kan worden onderstut. Tenzij het hier dan als vege dubbele bodem toch, heel misschien, alles samen, veel eerder... over warme palliatieve uitgeleide van een toch verloren leven zou kunnen gaan.

Nu, van Jackson gesproken, we krijgen hier zeker geen 'Thriller'-doorslag, maar hoe dan ook toch een zeer goed doordachte melancholische conceptplaat van een echt supertalent in songwriting, vol charme, soul, r&b en dus losjes volgesprokkeld met all-time synthpophits voor de mainstream. Neem bijvoorbeeld al die extended plaatversie van de à la Daft Punk discoknaller 'Take My Breath'. Nostalgische jaren 80-beat met, vergeleken met de single, een toegevoegde intro en over een verlengde bridge tot het einde bijna zes bruisende minuten non-stop ambiance. Het erop volgende 'Sacrifice', coproductie met Swedish House Mafia, is gewoon even opwindende, stampende eighties elektrofunk.

In zijn duistere lockdown had Abel zich dus eerst teruggetrokken in onzekere, eenzame introspectie en kwam hij tenslotte naar buiten met een emotioneel album vol spijt en zelfrelativering, evenwichtiger verwachtingen en meer zin voor verantwoordelijkheid. We leren zo gaandeweg heel wat meer over zijn warrige persoonlijkheid en ervaringen die een mens voor minder grijs hoeshaar zouden bezorgen. Tegelijk nemen we door de ogen van die overbejaarde frontfiguur een duik in 's mans hervonden kijk op de wereld. Zo heeft het kristallijne 'Gasoline', bewerkt ook door de magische handen van geluidsman Oneohtrix Point Never, het over zijn vastklampen aan een parasitaire relatie als kruk voor een/zijn drugsprobleem. Wat verder, in het intermezzo 'A Tale By Quincy', laat hij beroemde muziekproducent, de 88-jarige Quincy Jones aandoenlijk het hoofdthema van 'Dawn FM' bevestigen, waar hij het heeft over problematische opvoeding en hoe dit uiteindelijk relaties met vrouwen en kinderen vergiftigt.

'Here We Go… Again' is ook Abel's prille samenwerking met een hier heel wijs en bezorgd debiterende rapper Tyler The Creator. Overigens moet het Abel's nieuwe vlammetje Angelina Jolie zijn dat hier opduikt in een kluwen van relationele overpeinsels. Verder evenzeer te ontdekken parels : het ruimtelijke 'How Do I Make You Love Me', het voor de dansvloer pulserende 'Best Friends' met Abel croonend over toxische seks onder vrienden of het wulpse 'I Heard You're Married' met Lil Wayne.

Aldus doet The Weeknd ons hier met altijd schone, supertoegankelijke melodieën op schitterende wijze een aantal barre hedendaagse realiteiten toch omarmen. De carrière van The Weeknd heeft een weg afgelegd. Weer is deze plaat met zijn immer overheerlijk flexibel stemgeluid, en z'n uiterst gevoelige instrumentatie en arrangementen honderd procent efficiënt, maar ze is niettemin weer genoeg vernieuwingsdriftig. Ook is de afwerking van het vijftal producenten, w.o. nog niet genoemde Max Martin en Illangelo, vlekkeloos. 'Dawn FM' bevat zo meer dan voldoende vibes om er lockdowns, quarantaines en nog veel ander naars zeker al een voorjaar lang luchtig mee door te blazen. Desnoods ook maar even heel goed naar The Weekend's louterende slotnummer, het gedicht 'Phantom Regret by Jim' (Carrey) luisteren. En herluisteren tot de bewondering komt. Vroege platina jaarplaat 2022!

Therion - Leviathan III (2023)

poster
4,0
Therion, dat is een Zweedse band die zich met zijn oprichter-gitarist Christofer Johnsson als geniaal grootmeester al jaren  intens uitslooft om ons, bescheiden rock-/metalliefhebbers ook bij de wereld van de ambieuze, grandioze, symfonische rockopera te betrekken. Meer zelfs, hij houdt er een onbevangen vorm van opera buiten categorie op na, die meteen ook verder gaat dan al het in dit wat muffe genre normaal gangbare. Met bekwame hulp daarbij telkens van minstens de hemels hoge vrouwelijke sopraanstem van Lori Lewis, de even geweldige tenor van Thomas Vikström en met veel meerstemmige zang waarmee er altijd weer volmaakt bombastisch over en weer gebotst wordt tussen progrock/-metal en verrukkelijke erupties van klassieke muziek. Zo gaat vooral hun absolute meesterwerk uit 2018, het driedelige neoklassieke 'Beloved Antichrist', buitenbeentje van 46 nummers in een compositie van drie uren (!), hier nog steeds op regelmatige basis in één vloeiende extase-beweging door de boxen. Dit Therion op zijn best, versterkt dus met 29 individuele zangers, orkest en koor, één magistrale onderneming, werd door velen weggehoond en uitgespuwd. Nochtans, parels voor de zwijnen, driemaal helaas.
Sindsdien is het onversaagde Therion weer meer naar de behapbare compacte composities aanleunend bij hun metalroots teruggekeerd, zonder evenwel zijn hang naar het neoklassieke te verloochenen. Tijdens de corona-lockdown zagen zo - verbazend toch andermaal - een massa nieuwe songs het levenslicht, deze keer zonder dat specifiek concept dat het ene netjes met het andere verbindt, maar met zoals zo vaak diverse oude mythologieën en religies als thema. Daarmee zitten ze nu intussen aan het finale derde deel van wat een succesvolle 'Leviathan'-cyclus mag worden genoemd. Met dit laatste album van de trilogie vieren ze overigens ook hun binnenkomst op Napalm Records. Met een perfect geproduceerd avontuurlijk 'Leviathan III' dat met zijn uiteenlopende stijlen zelfzeker danst op de koord van het theatraal symfonische en hardrock met een overschot aan power.

Met een krachtig melodieus 'Ninkigal' als starter kom je dus weer helemaal knus thuis bij Therion. Lekkere, donkere parade van metal-instrumentatie, hete drums, als de bliksem vingervlugge gitaren, flitsend dansende polka's, grunts vanuit het hellegat mogen ook eens weer en als tegengewicht uiteraard die verfijnde sopraan. Kort maar potig en schitterend gearrangeerde opener!

Tweede single, het machtige 'Ruler of Tamag', ten dele met zijn fraaie Turkse koorzang is daaropvolgend een regelrecht hoogtepunt. Een opzwepende song van de hand van het duo Johnsson-Vikström over Tamag, heerser van de Turkse onderwereld - zie hierbij ook de knappe video - en net zo sprookjesachtig ingezet als een folky-akoestische Ayreon. Genieten weer van Lori Lewis' engelenstem. 'Ruler of Tamag' groeit ijzersterk uit tot een duivels symfonisch Oosters miniatuurtje vurig op weg naar zijn bonkende, bruisende finale.

Eveneens juweel van rock, metal en symfonische bravoure is 'An Unsung Lament', een gouden galop van heerlijk pure koorzang recht het morgenlicht in, gaandeweg vervat in een rollercoasterende structuur waarin tussen de melodieuze stijlen, muzikale golven zelfs een elektrisch versterkt bolero-ritme niet ontbreekt. Een progressieve diamant met talloze flitsende kantjes en majestueus zonder meer.

Het levendige 'Maleficium' is een operaduet in regelrechte carmina burana-stijl met vocaal tegen elkaar opstrijdende protagonisten en dit had in zijn grootsheid evengoed op 'Beloved Antichrist' kunnen staan.

Het vurig rituele 'Ayahuasca' dan, derde single, riffend openend met een strakke Purple-hardrockinslag en diep in de song Johnsson warempel met Jon Lord-orgeltje stromend onder het mannenkoor, een rush die openbloeit in een mystieke ceremoniële roes. Want ja, 'Ayahuasca' da's een sterk hallucinogeen goedje, op dit met acht minuten langste nummer ga je er als vanzelf trippend mee de lucht in.

Net zo 'Baccanale', euforische ode aan Dionysios, één doordenderend bacchanaal met hemelse Lori Lewis en haar dramatisch koor in de achtergrond, weer een opera in het klein met zwaar riffende rockopstart, wild erdoorheen beukende drums, fladderende gitaararpeggio's. Kan niet anders dan finaal uitmonden in het magistrale bloedoffer 'Midsommarblot' met zijn meeslepende riffs en agressieve gitaren onder de feilloze zanglagen.

De schitterende complexiteit van 'What Was Lost Shall Be Lost No More' doet die song in alle richtingen uiteenwaaieren, maar fier zijn evenwicht houdend is het een en al dynamiek, harmonie en spanning tot op het einde.

De verrassing van het album landt met het sierlijke folky 'Duende'. Duistere, demonische klassieke flamenco, in het Spaans volbloedig kracht bijgezet door een passioneel uitzingende Rosalía Sairem. 'Duende', of hoe sierlijk een metalgroep als Therion zijn Spaanse nacht inclusief met zuiderse trompetten opzet en er perfect mee wegkomt.

Ook het buitengewone 'Nummo' is buitenaardse opera op speed, over een onbekende Dogon-religie. Klassieke zang, koor, drum- en gitaarexplosies en complexe riffs broederlijk verenigd.

Afsluiten met de apocalyptische eerste single 'Twilight of the Gods', donkere epische compositie gedrenkt in rauw zwalpende doomsound, maar die theatraal geholpen door Lewis' sinister koketterende sopraan , Mats Leven's diepdreigende tenor en het dramatisch aanzwellende koorzang zomaar naar een hoger plan wordt getild. Marsbeats trekken op naar een indrukwekkende finale vol drums, vuur en duisternis en Johnsson's visionaire warriors die uiteindelijk toch de nieuwe era bereiken.

Therion is al 35 jaar een terechte vaandeldrager in het symfonische rock-/metalgenre. Zoveel decennia later blijft Christofer Johnsson zijn muzikale dromen waarmaken. Ook in het luisterrijke slotstuk van deze trilogie, megaproject met 33 songs, blijft Therion experimenteren en op verbluffende wijze grenzeloze creativiteit en passie koppelen aan veelzijdigheid en ervaring. Op deze 'Leviathan III' met zijn elf van elkaar losstaande composities sloeg Therion nog nooit zoveel verrukkelijke kleuren tegelijk uit. Virtuoos en met een geweldige groove doorploegen ze alles wat hen in het verleden al zo groot maakte, een ongelooflijk divers muzikaal landschap vol melodieuze deathmetal, hardrock, gothic, progrock, opera en neo-klassiek. Zoals Johnsson het zelf uitlegde, dit 'Leviathan III' is als een buffet, met een verscheidenheid aan gerechten die allemaal tegelijk worden geserveerd. Een finale van een trilogie dus om dankbaar van te smullen en om heel erg van te houden.

De line-up van Therion op 'Leviathan III' : op gitaar/keyboards Christofer Johnsson. Zang Thoman Vikström en Lori Lewis. Extra tenorvocalen Mats Levén (Candlemass) en Piotr Wawrzeniuk (ex-Therion). Gitaar Christian Vidal. Bas Nalle Påhlsson. Drums Sami Karppinen en Snowy Shaw (Mercyful Fate).

Therion is te zien op 21 februari in Poppodium 013 in Tilburg, op 22 februari in Het Entrepot in Brugge en op 23 februari in Metropool in Enschede.

Tijs Vanneste - Hier Is't Goed (2021)

poster
4,0
Tijs, alter-ego van Van Echelpoel, is momenteel op tv met 'De Kemping' op Eén. De troubleverhalen van de jongeren daar zetten de o zo sympatieke man aan tot het maken van deze 'soundtrack'. Gevarieerd en toch coherent. Mooie introspectieplaat, de sociaal bevlogen teksten beluisteren is dus de boodschap.  't Is wel in  Kempisch Vloms!

Times of Grace - Songs of Loss and Separation (2021)

poster
4,0
Hebben ze de voorbije tijd blijkbaar allebei al hun deel van de zorgen gehad, Leach en Dutkiewicz van Killswitch Engage. En zowaar dan, na 10 jaar, door het stilvallen van het tourleven, is er dan eindelijk toch weer de spirit en de tijd voor het warmhartig introspectief project Times of Grace. Vermits barre tijden nu toch al een poos onder ons zijn, wordt daarmee meteen ook 't hele metalgild op een portie louterende 'Times of Grace' getrakteerd, een handvol eerlijke kop-op-songs als balsem bij verlies en scheiding. Leach zelf ziet het zo, " ' 't Is een getuigenis over uiteenvallen, verlies van vertrouwen, loslaten, 't is als uitschakelen en zuiveren van verleden, t is ontrafelen, catharsis en herboren worden."
Als door een gensterende vonk aangestoken zetten al die smeulende gedachten van het duo, na een voor metal bijna atypisch softe, maar toch beresterke rockstart, de hele plaat in brand. Vanaf 'Mend You' - fantastische song!- is het dan voortdurend een blend van voornamelijk rockvibes versus de adrenaline van de metal. En memorabel songmateriaal dat bevat de plaat bij uitstek, melodisch én catchy over de hele lijn. Ijzersterke weemoedige lyrics, perfect op maat gesneden voor de zwarte gruisstem van Leach. Met z'n zangfrazen vol melancholie en zelfbeschouwing, staat ie voortdurend  geweldig op de frontlijn te croonen, nu eens zacht en clean, dan weer brutaler, zoals het bij metalcore past. Daaraan aangepast telkens de wisselende gitaarstijlen, in tal van kleuren, meestal zelfs in éénzelfde song. Want muzikale omnivoren, dat zijn Dutkievicz en Leach. Als vrije vogels pikken ze graantjes bij de Pearl Jam-grunge, Volbeat-heavy rock en... de anthems van Killswitch Engage. In het bloedstollende ''Cold' horen we voor het eerst ook Dutkievicz' vocals prominent contrasteren met die van Leach. 'Medusa', goed halverwege, stormachtig prijsbeest, gaandeweg voortgedreven door beukende Devin Townsend-drums. 'Forever' start sereen als een Metallica-ballad, om dan toch nog, voor een laatste keer weer loos te gaan.
Maar dus echt de héle plaat is een hoogvlieger. Ook voor het hart, aandoenlijk, kostbaar en hoopvol. Ze hadden nood aan een  muzikaal 'corona-experiment', kwamen buiten met stuff bewust buiten hun comfortzone bedacht. Sterk. Hoe dan ook, vrij onwaarschijnlijk dat je Times of Grace straks ooit op de affiches tegenkomt. 't Wordt dus sowieso een heerlijke luisterplaat om te koesteren. Voor de metalfan, voor de rockfan... voor de muziekfan tout court. Brede blik is voldoende, met of zonder nood aan soelaas.

Tin Fingers - Groovebox Memories (2021)

poster
4,0
Eigenlijk toch wel goudvinken die indiepoppers van TF! Ondanks 3 jaar felle groeipijnen en barensweeën samengaand met de geboorte van dit debuut, staan ze er daar op de Werchter Parklife-wei wel al onmiddellijk mee te pronken. Met melancholische stem die het midden houdt tussen die van Antony, Blaudzun en Thom Yorke, bijt zanger Felix Machtelinckx de plaat sterk de spits af. Het zwaarmoedige 'Song for Sons with a Fucked up Dad', loflied voor wie zelf z'n fucked-up vader uit het leven zag stappen, is meer dan 7 schitterende minuten Radiohead waardig. De song verwijst ook meteen naar de dansvloer en dit niet voor het laatst. De frisse ritmiek van Arsenal, Felix' tweede muzikale thuishaven, is nooit veraf. Net zo bij 'Happy Family', waar Felix zich afvraagt of het noodlot van z'n pa hem ook zal overkomen. De plaat zit vol dergelijke persoonlijke mijmeringen. Evenzeer de hang naar 't verleden, "I wish I was born in the past", bedenkt ie sfeervol in het prachtige 'Wish', croonend als Bryan Ferry ten tijde van Avalon. De retro-mind zit er dus goed in, dat hoor je! Pas tijdens de rijping van de plaat was ze er dan plots, die muze van de broodnodige samenhang. In kwam ineens de overspannende sound van de eighties, middels de oude originele groovebox uit de plaattitel. Na even herbronnen, zichzelf ermee terugvinden, is het resultaat dus nu een heel evenwichtige plaat, zowel heerlijk vintage als dromerig futuristisch. Daarop ook de al gekende sterke singles. 'Glow', gelaagde synths, vrolijke dansbeat, festivaltopper. Het schone ''Fomo For Kids', ballade over de hunker naar liefde in kindertijd, heel pakkend met kinderkoortje.
Enfin, voor TF is het dan toch uitgekomen! Song 'July' scandeerde het nog zo vurig : "Juli! Roep me op!". Welnu, staan ze er nu toch? Helemaal en terecht! Heel toepasselijk dan ook, in hun slotsong, als een Triggerfinger vrolijk fluitend kan TF eindelijk tevreden 't doek laten nedergaan. Met applaus!

Tin Fingers - Rock Bottom Ballads (2023)

poster
4,5
2022, The Slope, wat een eer, maar toch niet echt hun biotoop daar op de eerste post-corona-editie Rock Werchter. Een half uurtje Tin Fingers' 'Groovebox Memories' live consumeren en al knap succesvol en belovend ondanks de luimakende zon. Tin Fingers, Antwerpse groep van zanger Felix Machtelinckx, etaleerde er alvast een van Vlaanderens mooiste melancholische falsetstemmen met een zuiverheid zwevend tussen die van Antony, Tamino, Blaudzun en Tom Yorke. Nu is hun moeilijke tweede 'Rock Bottom Ballads' aan de beurt. Trokken ze daarvoor intussen in bij het Unday Records van Vlaamse groten als Bert Dockx, Nordmann, Faces on TV en Het Zesde Metaal.

Cohen achterna, hadden ze die plaat ongetwijfeld ook 'You Want It Darker' kunnen dopen. Want Machtelinckx zang is hier haast wenen geworden, zijn lyrics, die verkondigen, ze zijn donker zoekend uitdagende pogingen om ergens een God te begrijpen, het gaat er over drugs en andere fouten en verkeerd opgevatte rituelen uit hun aller verleden. Machtelinckx' hartenleed bloeit er smartzingend open, fantaserend, in fraaie weelderige melodieën, op pure piano en in pakken sfeer ademende improvisaties. Ja, met de vrienden-geestesgenoten Marnix Van Soom, Quinten de Cuyper en Simen Wouters opgaan in één grote séance samen in een studio. Op hun eerste was het nog een originele groovebox die uiteindelijk de overspannende sound van het album bepaalde, met op loops gebaseerde elektronica die tot improviseren bracht. Nu zijn ze bewust nog een stuk verder gegaan in hun radicale queeste naar dat intuïtieve, dat vloeiende, het spontane. Alles moest er deze keer onvoorbereid uit opborrelen, zonder bewuste referenties naar andere bands. Weg gewoon dus de computer en de schermen. Met in wezen analoge apparatuur eerst de songs gewoon in twee weken de tape op en die tien dan recht afwerken tot een in zijn geheel straight opgenomen album. Geen slopende productiekeuzes, de spontaneïteit van eerste rauwe opnames fixeren, zonder overdubs. Goed idee daarom zeker het betrekken van de New Yorkse D.James Goodwin, net al zij een producer met een even oneerbiedig experimentende manier van werken. De Goodwin die in dezelfde periode overigens ook het lichtjes fantastische 'This Is A Photograph' van Kevin Morby mixte en masterde. Een die er hier mooi in slaagt om Tin Fingers' analoog project met zijn vluchtige ritmes te capteren en de poëzie ervan te bewaren.

De gestripte opener 'Misstep' is een prachtsong. Spaarzame elektronicaflarden, droeve pianoakkoorden, serene percussie en gitaarspel begeleiden Machtelinckx in zijn gewichtssloze herinneringstrip, zijn schreeuw om hulp. Begin van het fragiele, al het melancholische dat het album rijk is, al dat timide met een hoek af. 'Lullabye for Losers', pakkende kale folk over eeuwige verbondenheid. Omwille van al wat slecht geweest is nachtelijk opgejaagd door de duivel belandt 'Drumming' in een mooi reggaeritme, een 'jamming' richting het mogelijk goddelijk mirakel.

'LSD', song met aanhoudend alarmerend aangeslagen pianoakkoorden en de slogan 'Don’t do drugs, do LSD'. De tempowisselingen ervan verhogen lsd-gewijs de hartslag, verwijden de pupillen bij iedere explosie der gitaren. 'Goodnight Piano' is in nachtelijke pianostemming met zijn jazzy ritselende percussie en Machtelinckx die het zelf zingt: he's 'howling fading songs'.

Nog verder het donkere avontuur in met de opgejaagde heartbeat van 'Little More' of duizelig meezoekend naar die schuilplaats in 'Hideout', met sloom psychedelisch solerende 'Dans Dans'-gitaren. Zit de mythe nu in 5G of in God? Hoe dan ook Machtelinckx en band, in '5G' tussen de uitgeklede elektronica en vol sarcasme gevangen als kiekens in een kooi, vinden ze uiteindelijk hun godheid niet. Hetgeen naadloos uitmondt in de titelsong, de clautrofobisch minimalistische jam 'Rock Bottom Ballads' die de plaattitel ontleent. Gevoelsmens Machtelinckx nog één keer ijl wegzingend over de naakte man eenzaam weggestoken in de godverlaten diepe grot. Met als zijn gezel enkel als doodsklokken repetitief indringende pianotoetsen. Een dies irae-mineur en met als een metronoom wegtikkende percussie. Hoogst sombere afsluiter bij deze zeker en vast. Waar Tin Fingers in een niettemin volledig fris van de lever ontwikkelende improvisatie dan toch muzikaal het dichtst tot bij zijn beoogde religieuze ervaring geraakt.

Tin Fingers is een viermansgroep alternatief op weg naar zuiverder leven. Die intussen met dit 'Rock Bottom Ballads' unieke romantische tederheid weet tentoon te spreiden die nog het best gedijt in deze sombere sferen van november. Een album dat poëtisch is en minimalistisch en tegelijk indrukwekkend. Het stijlvolle zwart van hun even experimentele superspitsbroeders Radiohead is hier nooit ver weg. Bezoekje waard bijgevolg dus ook de duistere Tin Fingers'-grot waar die tien fraaie 'Rock Bottom Ballads' glimmend genesteld liggen op hun naakte gitzwarte bodem.

Of ga ze gewoon zien op 9 februari, 13, 18 of 26 maart in Rotterdam, Brugge, Brussel of Antwerpen.

Tindersticks - Soft Tissue (2024)

poster
4,0
Welke richting ze ook uitgaan, toch zal je ze er bij wijze van spreken altijd vanaf hun eerste noot uithalen. Tindersticks, die Britse cultgroep van frontman-eeuwige mompelaar Stuart Staples, al sinds mensenheugenis in de marge grossierend in verstilde, hoogst melancholische, van zon verstoken kamerpop. Commercie is ze daarbij totaal vreemd, integendeel van eigenzinnigheid en filmische soundtracks vol rust én neerslachtigheid maakten ze een onverslijtbaar handelmerk. Wij fans pikken hun kronkels album na album helemaal op, met veel graagte, daarbij ook hun experimenten. Omdat ze met welk nieuw werk ook keer op keer weten te verrassen.

Ook deze keer overvallen ze in nog grotere schoonheid met een intieme nachtplaat helemaal in het midden van het spectrum en nu warempel gevuld met warme retrosoul van het bevalligste soort. Niks geforceerd, gevoelig en alles zo natuurlijk, een pak dat hen past als gegoten. Omdat de sound van Tindersticks daar haast om vraagt zijn hun zijdezachte muzikale lijnen hier bovendien weelderig gearrangeerd, opgesmukt met hoogoplopende blazers, luxueuze strijkers en bevallige achtergrondzang.

Ga er dus maar voor zitten. Voor 'New World', hun tweede single, die komt met veel groove binnen, gedrenkt in de explosieve zwarte soul van Memphis, wentelend in de tollende orgelakkoorden van toetsentovenaar Boulter en verstorend schetterende blazers. Want "Baby, I was falling/ But the shit I was falling through / I thought it was just the world rising", croont Staples, triest omdat we die shit gewoonweg niet zien. Vervolgens brandt hij zijn dubbelzinnige slogan diep je geheugen in, "I won't let my love become my weakness". Die hele instorting van zijn wereld is bovendien knap gevisualiseerd in de kunstvideo van dochter Sidonie. Blijkbaar niet alleen de kunstnaaister van dienst voor de wollige hoes, ook al het keramieken artwork in de video blijkt van haar hand. 'New World' is een heel intense song, net als de honderd seconden kortere edit-versie als bonus achteraan het album.

De eerste single 'Don't Walk, Run' die volgt drijft als in een film op zijn onstuimige strijkers, stekende blazers en droge percussiestrelingen, op kousenvoeten gaat Tindersticks' op zijn grootse élan door. Nog verder, naar het volgende hoogtepunt, het desolate 'Nancy', waar een atmosferisch om vergeving kreunende Staples, op sfeervol latinritme doorheen zijn music hall hinkt.

In het trage 'Falling, the Light' heeft Staples het relaxt over het delicate licht dat op het water valt en de melancholische herinneringen die erdoor oplichten. Een spaarzaam aangeklede song om op weg te dromen.

Weer zo'n spannende hoogvlieger, de mysterieuze single 'Always a Stranger', met huppelende bas als start van een treurig walsende song vol muzikale details die wanhopig om verbinding roepen. Het ritme trekt de song gestaag de hoogte in. Een magische verstrengeling van Staples' emotie met de hem op de voet volgende strijkers, schuinspelende blazers en weer dat allesverzachtend elektrisch orgel.

Voor stiltezoekers is het een en al stemmigheid in het fragiele 'The Secret of Breathing' waar fluisterende Staples het geheim van het geloven probeert te achterhalen.

Nog zo'n hoogtepunt, het sprankelende, zelfs swingende 'Turned My Back', Staples' sensuele duet met Gina Foster, met constant sterk in de achtergrond presterende bassist McKinna en met verheffende vocale ondersteuning van het Foster's vrouwenkoor.

Afsluiten finaal met het wat positiever klinkende 'Soon to Be April', Tindersticks hopend op vreugde. Staples' delicate parlando een laatste maal omgeven door die filmische strijkers en gitaren.

Een indrukwekkende groep toch dat Tindersticks dat met introspectieve thema's als gebrokenheid, pijn en verwarring toch steevast op indrukwekkend esthetische albums weet uit te komen. Deze eerste post-pandemische, in Spanje gerijpte 'Soft Tissue' is zonder meer een nieuw hoogtepunt in hun carriére, een echte groepsplaat bovendien van met plezier weer samenkomende, elkaar goed aanvoelende muzikale persoonlijkheden.

Breng je ervoor in de stemming, voor acht sterke songs vol romantiek, pit en wiegende orkestraties. Met weliswaar opnieuw een hoofdrol voor Stuart Staples die als steeds helemaal zijn introverte zelve mag zijn en wiens wonderlijke etherische stem zich in dit weldadig soulbad voelt als een vis in de Mississippi.
Fans van de unieke pracht en praal van Tindersticks, hier mogen weer naar hartelust 'Tiny Tears' worden verpinkt. Met deze ingetogen, verdiepende veertiende gaan ze gegarandeerd meer dan dertig jaar later opnieuw zieltjes winnen.

Line-up:
Stuart Staples - zang
Neil Fraser - gitaar
Dan McKinna - bas
David Boulter - toetsen
Earl Harvin - drums
Julian Siegel - koperintrumenten
Gina Foster - achtergrondzang

Tiny Legs Tim - Sing My Title (2023)

poster
4,5
Eens de alom aangekondigde Radio1-sessies op de Vlaamse radio als haastige novemberwolken waren voorbijgetrokken - Warhaus, Brihang, Merol telkens samen met hun eigen muzikale vrienden - was daar stillerweg, slechts enkele dagen later, de 28ste, in een uitverkochte Gentse Handelsbeurs ook een nog intenser bruisende muzikale verbroedering. 'Celebrating Tiny Legs Tim - Sing My Title', met op de bühne alle maten van de overleden Vlaamse bluesman Tim Degraeve, alias Tiny Legs Tim. Vooraf was het al duidelijk, de hele kaartjeszoekende meute kon onmogelijk onthaald worden in het vertrouwde knusse Gentse blues- en rootscafé de Missy Sippy, waar de man zelf al die tijd meer dan kind aan huis was, waar hij zijn muziek schreef, waar hij jamde. Helaas, Tim leed van jongs af aan aan een ernstige leveraandoening. Hij vertelde me vele jaren geleden onomwonden eerlijk dat zijn artiestennaam gewoon hintte op zijn belabberde medische voorgeschiedenis. Vandaar z'n driedelige naam als Vlaamse Blind Willy Johnson. Bovendien had Tim de jagende dood al echt diep in de ogen gezien, hetgeen de blues bij hem meer dan bij veel anderen zoveel persoonlijk doorleefder maakte. Uiteindelijk haalde die dood, zo aanwezig in zijn lyrics en titels, hem dan toch geheel onverwacht in, op 25 mei 2022, hij pas 44 en verzwakt na de zoveelste transplantatie.

Tributeconcert nu voor hem dus in Gent op zijn verjaardag. Tegelijk is er evenwel ook de release van dit fraaie 'Sing My Title'. Is dit een zevende regulier album? Op zich misschien een moeilijk te catalogeren plaat, want zeker geen echte best-of met loutere sprokkeling uit 's mans voorbije studio- of livealbums met enkel het klassieke extraatje voor de verkoop. Veeleer is hier gewerkt, onder impuls van muzikale zielsgenoot-drummer Bernd Coene en Tim's familie, aan een zowel postume verderzetting van Tiny Legs Tim als aan een losse bloemlezing, artistieke anthologie van zijn werk in zijn meest representatieve songs. Je hoort ze hier allemaal evolueren. Nu, toevallig en gelukkig voor het album, die terugkijk deed Tim zelf ook al, voor een vriend die hem zou voorstellen aan een Amerikaanse artiest. Een klein usb-stickje werd een goede hulp bij de finale selectie van de huidige 15 nummers, singles en onuitgegeven materiaal. Waaronder de drie songs waar hij in maart voor zijn overlijden voor weer een nieuw album in de Gentse Room 13 nog mee bezig was, die werden volledig afgewerkt en met verdere toevoegingen als 'Drama' en 'Soundtrack', outtakes van het album 'Elsewhere Bound', waarop Tiny Legs Tim vooruitziend al aangaf meer songgericht ook op weg te zijn naar de americana.

Precies door zijn ziekte was Tiny Legs Tim pas laat voor het voetlicht gekomen en dan nog werd hij de Vlaamse coming bluesman. Hij, West-Vlaming uit Westouter die na studies in Gent was blijven plakken werd warempel de stem die er de bluesscene van nieuw bloed voorzag. Die van daaruit als een apostel zijn passie voor blues en roots ook aan beloftevolle anderen doorgaf, in navolging van de glorieuze generaties vóór hem met blueskleppers als Roland, Big Bill of Steven Deneckere. Hij wist daartoe ook zijn eigen platenlabel 'Sing My Title' - anagram van Tiny Legs Tim - uit de grond te stampen, labelnaam die nu als aanvurende albumtitel een bijkomend leven krijgt.

Op dit 'Sing My Title' dus nu zijn muzikale erfenis, ingebed in de traditie van de blues uit New-Orleans, maar gaandeweg heel divers uitwaaierend van een verscheidenheid van Mississippi-grooves tot en bij de snaren en de ritmes van de Afrikaanse Mali- en Toearegblues.

Hij is er met zijn blues eerst lange tijd als one man band opuit getrokken, tot we hem ineens met zijn toevallige ontmoeting Steven Troch en diens massa harmonicaatjes op het podium zagen verschijnen. Van dan af plooiden zijn bands van uitgekleed akoestisch tot groot en vol, in verschillende formaten van vier en tot zelfs negen. En bleef daarbij Tim steeds Tiny Legs Tim. Voor de rigoureuze afwerking van dit 'Sing My Title' tekenden de laatste formatie, naast drummer Bernd Coene, Toon Vlerick, eertijds jazzgitarist en ook gekend van Absynthe Minded en bassist Mattias Geernaert, met ook al een respectabel jazzverleden.

Het postume album 'Sing My Title' nu, met als opener de eerste postume single 'Death Bells Ringing'. Tiny Legs Tim die nachtelijk de gevreesde doodsklokken al hoort en wenend beseft dat die nu wel eens echt voor hemzelf konden luiden. Die dan daaronder subliem een repetitief voortkabbelende elektrische gitaar legt en dan toch zo swampy en hortend zelfzeker doortrekt als ware het een zomerse John Lee Hooker-song. Net zo'n gedreven ritme op 'Ain't Build for Speed'. No speed! Tim's stoombluestrein dendert onverminderd fluitend verder.

'Walk with the Devil' is daarop ineens die gezellig pompende tempowisselaar, met het hemels topduet gitarist-zanger Tiny Legs Tim en Steven Troch, laatste als de besten improviserend op bluesharmonica. Leuk om terug te horen zeker de boter- en kaasmakende 'Poor Boy' van zijn debuutalbum 'One Man Blues' en zowaar daaropvolgend dan de allereerste, mooi door bas ondersteunde, heet transcenderende Afrikaanse vibes van 'Sad Sad'.

In 'One More Chance' gaat Tiny Legs Tim dan soleren middenin weer een schitterende groepsprestatie, met blazers incluis, ebbend en vloeiend zoals het elke klassieke Mississippi-bluessong past. De lui wentelende 'Big City Blues' van ooit op 'Stepping Up' zijn hier vervolgens live weer aan zet vanaf het Gentse Sint-Jacobs. Met een vet wegslidende Tiny Legs Tim als volleerd Muddy Waters-adept en met weer die hoog- en laagsolerende harmonica van Steven Troch.

'Better Man', andermaal een nieuw nummer met Tiny Legs Tim in de viermansband van 'Call Us When It Is Over'. Het universele 'Better Man', ingekapseld in een relatiesong, de tragiek van het te laat beseffen van fouten, inzicht, wil te veranderen en finaal, beter worden door uit fouten te leren. Ook muzikaal klinkt de song als Tiny Legs Tim on the run, niet het klassieke bluesnummer, want hij omarmt andermaal met graagte de invloed van de Noord-Afrikaanse woestijnblues van Tinariwen.

Het haastig handklappende 'Drama' is een waardige outtake van 'Elsewhere Bound'. Tim blijkbaar in een relationeel moeilijke situatie, maar geen drama graag, vragend om een tweede kans, uitmondend in een heerlijk aanhoudend nog vuriger salsaritme. Mocht hier ook niet ontbreken: 'Half the Plan'. Als een mijmerende Derroll Adams live vanuit The Rua Room, het YouTubekaal van Ier Daithi Rua, waarop zeker ook Tiny Legs Tim moest gespeeld hebben wilde hij er op de Gentse scene echt bijhoren.

In de traagtrekker 'Nowhere My Home' wordt Tiny Legs Tim heel in de verte met z'n achten ondersteund. Tim intussen heel eenzaam croonend, breekbaar fingerpickend. De even trage blues 'Soundtrack' dan, weer een outtake van 'Elsewhere Bound'. Sfeervolle blues waarbij in volle eenzaamheid Tim de stille overpeinzingen des levens komen te overvallen. Volgt netjes daarop het vrolijke huppelend 'Hard to Admit' van het memorabele 'Melodium Rag', een van Tim's aanstekelijkste, met enkel dansende gitaar, vintage blueszang en Steven Troch's altijd sierlijk bijkleurende mondharmonica.

Het muzikale duo opnieuw aan zet op 'Future Poets', Tim's fingerpincking, Tim's hoogsnijdende zang en Peter Troch's trouw meevolgende harmonica. Moet er toch niks meer zijn!

De filmisch instrumentale afsluiter 'It's All Over Now' komt hier nu in al zijn desolate sereniteit nog pakkender binnen dan op het album 'Call Us When It's Over'. Slepend langstekende gitaarnoten en enkel nog één keer Tiny Legs Tim's woordenloos pijnlijke klaagzang als een voorgoed in de eeuwige leegte wegdeemsterend saluut.

Tiny Legs Tim was een professional en een extreme plannenman die altijd, tot op zijn ziekbed, wel wat in de maak had. Prachtige songschrijver van sterke melodieuze songs. Eens eruitgerold, zong hij ze met een klokklare Jake Bugg-verwante stem. Met een gitaartechniek, op slidegitaar of zijn fingerpicking, die almaar verbeterde per plaat, terwijl tegelijk door nooit verminderende nieuwsgierigheid zijn horizonten alleen verbreedden. In goeie navolging van de gouwe ouwe bluesmannen zocht hij voor zijn blues minimalistisch alleen naar de pure essentie. Alles het liefst op één microfoon live op een tapemachine, zonder mengtafel of computers.

In zijn artwork dook heel vaak de kraai op. Tiny Legs Tim kroop bij leven al helemaal in de huid van die mysterieuze zwarte vogel die naar verluidt ooit al de grens heeft overgestoken en ons altijd ergens herinnert aan de ongecontroleerde duisternis in ons leven. Want Tim die heeft zijn blues al volop gehad en met veel positieve energie en als een perfectionist heeft hij zijn eigen muzikale bluessongs rond die breekbaarheid verweven. Wederzijds werd hijzelf daarmee tot in het hart geholpen. Of zoals broer Wies het nadien ook aangaf, de Tiny Leg Tim-blues kunnen levensliederen worden van troostende onsterfelijkheid, met betekenissen die veranderen naargelang ook je eigen leven verandert.

Zal bijaldien de legacy van deze al bij leven Vlaamse blueslegende nu na dit 'Sing My Title' ook de plaats krijgen die ze verdient? Tiny Legs Tim was gericht op zijn voorbeelden een growing man. Al heeft hij het einde van zijn voortreffelijk muzikaal verhaal niet kunnen schrijven, zijn steen in de bluesrivier op aarde heeft hij al op grootse wijze verlegd. Belpoppers bijgevolg, zoek je nog een man, een rusteloze muzikale topsporter, om straks op het scherm in zijn bio nog te vereeuwigen? Come. And. Sing. His. Titles!

Tiwayo - Desert Dream (2023)

poster
4,5
Hij debuteerde in 2019 zomaar met een heel goed ontvangen eerste album op het fameuze Blue Note-label, daarbij geholpen door de Mark Neill die ook platen van The Black Keys produceerde. En dan, na lange coronastilte, komt nu ineens Tiwayo met dit fragiele, verfijnde 'Desert Dream' voorbij.

Is de man ook voor jou nog een nobele onbekende, mogelijks brengt hij je hier bij het eerste gehoor helemaal terug naar, zeg maar, die zwoele tijd van Trouble van Ray Lamontagne of naar de eerste platen van Chris Isaac. Net zo word je onmiddellijk door de natuurlijkheid van die gesluierde karakterstem van hem meegezogen. Hypnotiserend, verbazend. Ergens ook hangt zelfs Nebraska van Bruce Springsteen in de lucht.

Maar wie dan toch is Tiwayo? Jawel, een dertigjarige fransman, hij heeft een artiestennaam uitgeschreven naar de Amerikaanse initialen T.Y.O. Wat dan op zijn beurt slaat op 'the young old' omwille van, haha, de roepnaam die ze de jonge kerel met zijn tijdloze stem daar in Amerika al vlug gaven. Hij lanceerde zich als singersongwriter-gitarist-multi-instrumentalist met een eigen stijl met uitlopers in de blues, soul, rock en reggae van de sixties en de seventies. Maar hier, op 'Desert Dream', evenwel is Tiwayo's sound vooral gevormd door de roadmovies in zijn hoofd, door de stilte en de vrijheid die hij opzocht tijdens zijn zwerftochten in desolate woestijnen, in blanke nachten ook als lonesone cowboy met gitaar 'on the wide roads' van het stoffige, eindeloos weidse Amerika.

Inderdaad, je hoort dit dus allemaal zo direct in die muziek van hem en hij komt er, wars van vele trends van de dag, zo persoonlijk en tijdloos mee voor de dag als indertijd, toen Wilco, Sufjan Stevens of Bon Iver zich presenteerden. Een man met een uitzonderlijk persoonlijk geluid, intiem, zacht, met milde kracht, die met uitgepuurde nummers regelrecht het muzikale hart en het diepe innerlijke weet te beroeren.

Alles aan dit 'Desert Dream' is deze keer huisarbeid - coronatijden weetjewel -, alles zelf thuis in zijn studio ingeblikt, georkestreerd tot en met de arrangementen. Tiwayo zingt, speelt gitaar en bas, drumt soms. Helpt alleen Eli Drot op keyboards of Olivier Lude op drums.

Tiwayo, ja niet onbegrijpelijk daarmee, in de Franse 'New Scene' is hij een complete outsider. Want is ie dan al geboren in de suburbs van Parijs, toch hoor je, wonderlijk, in wat hij maakt niet de geringste zweem van Franse roots. Neen integendeel, Tiwayo klinkt door en door verworteld in de beste Amerikaanse songwriterstraditie. Het is nog hoogst onduidelijk, maar misschien heeft hij dat dan wel mee van zijn vader, een meer dan fervent blues- en jazz-fan. Alle trekkersensaties en -beelden, 'dreams', uit Tiwayo's twintiger jaren, na zijn bluesbedevaarten naar New York, Chicago, Nashville, Memphis, die tracht ie nu verder een plaats te geven in zijn huidige Parijse realiteit. Geen sinecure dit zeker met zijn blik op de wereld: nee aan het lawaai, stop de tijd, trek nog veel liever de woestijn in, geniet van een zonsondergang, stroom zo wild en vrij als een rivier en loop zo hoopvol een serenere toekomst tegemoet...

Beginnen alvast dus maar met die tien prachtsongs van hem, vol liefde (het rasta 'Soldiers of Love' met de zware Neil Young-gitaren), of vol zon en sterren (het magistrale sternummer 'Daughter of the Stars', 'Lost in the Sun'...), vol blauwe hemels, onweer en zonsop- en zonsondergangen ('Blue Perfection', 'New Dawn'...), vol nachtelijke vogelgeluiden en gitaarsolo's ('Wait')...

Een plaat krijg je die muziekliefhebbers al na de eerste draaibeurt, haast sacraal, als vanzelf aan elkaar doorgeven. Zo kwam Tiwayo ook hier de muziekamer ingewaaid. Laat Tiwayo's schelpjes vanaf nu maar wijdopen staan, er zitten schitterende muzikale parels erbinnenin en die mogen, nee, die moeten gehoord en gezien worden.

Tom Jones - Surrounded by Time (2021)

poster
4,0
Nee, zet je niet schrap, Tom de 'sexbomb' is de laatste jaren echt wél goed bezig! Hij blikt hier met klasse terug op 60 jaar popmuziek. Geef deze 80-jarige sir met de krachtige gouden voice een oud nummer en hij zingt het beter. Cat 'Yusuf' Stevens, Dylan, Kiwanuka of The Waterboys... wat een bevlogenheid weer. Beluister op 't einde zeker ook het introspectieve 'I'm Growing Old' en 'Lazarus Man'. Dàt is waardig oud worden.

Tom McRae - Étrange Hiver (2024)

poster
4,0
Tom McRae op weg om zijn nieuwe album 'Étrange Hiver' voor te stellen ...
Een avondje Tom Mc Rae in de schouwburg in Roeselare. Waar wel eerst - met verve - een zekere Lowri Evans er de avond mag openbreken. De Welshe en haar compaan gitarist Lee Mason hebben een bijzondere band met Tom McRae. Zij schreef immers al nummers samen met hem voor hun gezamenlijk album 'Only Skin' uit 2021. Met veel finesse sprokkelen ze daar nu 'Eddie' uit en het titelnummer, dat hier ook een stevige elektrische gitaarsolo van Mason meekrijgt. Hoe uitmuntend Evans met haar krachtig stemgeluid wel is als zangeres horen we in het prachtige 'One More Ride On The Radio', over hoe zij haar moeder voor haar zangkunsten won. Van eenzelfde intensiteit is 'Merch y Myny', in het Welsh gezongen, en 'Leave You Alone', andermaal in mooie tweestemmigheid met Mason.
Zonder meer een hoogstaand voorgerecht dus.

Dan komt Tom McRae. Straks 25 jaar op de planken en in zijn thuisland Engeland ooit een Mercury Prize-nominatie gekregen, komt daar in Roeselare in een verlegen half gevulde zaal in zijn eentje het podium op, waar eenzaam enkel nog een akoestische en één elektrische gitaar en een keyboard op hem wachten. Tom McRae, folkman in het zwart, met zijn gitaar nu voortbewegend in het halfduister, troubadour met een gouden herfst in die geweldige wat klagende stem van hem, met die expressieve heesheid. Die evenwel heel hoog en bochtend kan opschieten en die tijdens het zingen van die vele muzikale parels op zijn palmares telkens een heel register aan emoties doorloopt.

Het publiek weet het bij voorbaat, van zodra hij zijn gitaar beroert zal vooral de somberte en de melancholie van zijn songbook heersen. Maar op het podium wordt McRae tegelijk ook een en al charme, een warmhartige performer met veel gevoel voor Britse humor en wrange zelfspot. Die bezorgd waarschuwt voor de intensiteit die je te wachten staat. Of, hintend op waarom hij hier dan toch alleen staat, wijst naar zijn hele goeie vrienden-bandleden die na 25 jaar 'nog steeds willen betaald worden'...

Hij levert in die te grote zaal niettemin een prestatie om u tegen te zeggen. Hij ontpopt zich als een intelligente bandensmeder die, hoe klein ook, zijn publiek betrekt, het in tweeën deelt en het in harmonie laat meezingen. Desnoods duikt hij daarvoor op gevaar voor lijf en leden de zaal in om de boel te enthousiasmeren. Een paar nummers brengt hij op verzoek, een paar doet hij zonder microfoon of juist met versterking van looperpedalen. Overwegend staat hij er, tegen het licht, met zijn akoestische Gibson, dan weer eens met de keyboard of een enkele keer op elektrische gitaar. In 'Mend Your Heart' verschijnt zelfs een paukenstok als slaginstrument tijdens zijn gitaarspel. Eén nummer, 'Etrange Hiver' van zijn recent verschenen duettenplaat met Franse musici, moet hier uiteraard solo en in een verengelst Franse tongval. McRae heeft Frankrijk, het land waar zijn succes het eerst echt van de grond kwam, hiermee goed in zijn hart gesloten.

Tom McRae blijkt een op en top energizer die de duisterste zalen kan doen oplichten, die met zijn perfecte liedjes de beloofde intensiteit ook brengt, gedrenkt als ze zijn in zijn authenticiteit, intimiteit en gevoeligheid.
Hij brengt ze daar vrijwel allemaal, zijn grootste kleppers, meedogenloos, verschroeiend, vaak dolksteken in het hart. Zeven daarvan, zoals het publiek verwacht, komen uit het succesvolle titelloze debuutalbum. Daarbij het tijdloze 'Bloodless' dat zijn tweede leven kreeg sedert het heerlijke Westvlaamse duet alternerend in twee talen, met streekgenoot Wannes Cappelle van Het Zesde Metaal.

Tom McRae, die zachte wijze bard van 55 die ooit meegolfde in de schaduw van tijdsgenoten als Damien Rice en David Gray, al die jaren bleef hij trouw aan zijn geluid. Daarbij was hij ook nog eens zo oncommerciëel dat de grote massa's aan zijn neus voorbijgingen en dat hij nu in moeilijker tijden zoveel mogelijk solo op pad moet. Maar solo of niet, gelukkig heeft deze zoon van twee dominees niemand nodig om zijn publiek met veel respect voor zijn genialiteit en zijn wijze kijk op het leven te overtuigen. Een gepassioneerde performer daar in Roeselare die een staaltje leverde van eenvoud en klasse.

Tomahawk - Tonic Immobility (2021)

poster
4,0
Fans van Faith No More of Mike Patton : groot feest! Tomahawk, de groep van de grote Mike heeft een knaller van een plaat gemaakt. Tomahawk, geen zijproject meer van F.N.M, nee, Tomahawk is here to rock!

Tony Joe White - Smoke from the Chimney (2021)

poster
4,0
Een kleine 3 jaar na 't overlijden van deze grote blueszanger/swamprocker met de gekende donkere, lage stem krijgen de fans met deze 9 nagelaten songs verrassend een echt bedwelmend fraaie plaat voorgeschoteld. De door Tony Joe ingezongen, onafgewerkte demo's veranderen in de handen van Dan 'Black Keys' Auerbach & Friends in puur goud, vintage Tony Joe White. Wat een eresaluut!

TORRES - Thirstier (2021)

poster
4,0
Zo, deur ingetrapt met straffe, wiegende opener, 'Are You Sleepwalking'!... Ook zin in een gespierd indierockplaatje? Probeer dus gerust maar Torres aka MacKenzie Scott eens uit. Je ziet ze al op de plaatcover van haar nieuwe 'Thirstier' - uitdagend viriel geschilderd door haar vriendin-partner! - 'n female singer-songwriter prominent in aanslag met haar gitaar. Met duidelijk herwonnen assertiviteit, joie de vivre gaat ze er hier dan ook vol explosief tegenaan. Zowel professioneel als relationeel weer onder dak, ziet ze 't na 'n periode van kop- en hartzorgen weer helemaal zitten, "I swear, from here on out, I'm swimming" klinkt het op 'Don't go putting wishes in my head'. Op haar plaat onderstreept ze 't nu bovendien des te meer met de elektrische snaren en de geweldige hooks, vaak uitlopend in distortion.  Haar catchy zwierende, vaak bombastische  rocksound brengt je bij Garbage, met wie ze nog tourde, maar door haar presence des te meer ook bij vervlogen gitaargrootheid Melissa Auf Der Maur. 'Are You Sleepwalking', 't sprankelende 'Don't Go Puttin Wishes In My Head' , 't grungy 'Hug From a Dinosaur', 'Hand in The Air' en ook de eerst zoetjes ingeleide titeltrack zijn fraai ingekleurde bangers. Om daarbij dan nog 't schurende industrialafsluitingsnummer 'Keep the Devil Out' niet onvermeld te laten. Zeker ook de begeleidende synths en de drumcomputers blijven sterk van de partij als sfeermakers, neem zo maar eens het zenuwachtig stuiterende 'Kiss The Corners'. Ze combineert het allemaai tot één grote passende bevalligheid. Een enkele keer, in 't trieste  poplied 'Big Leap' gaat ze haar idool Brandi Carlile achterna, mooi ingetogen en hemels inzingend, over de grote dodelijke sprong van een geliefde. Dat innemend, veelzijdig stemgeluid van haar, 't vergroot maar h'r meerwaarde. Die gevoelige Torres, met de zon dus weer in haar leven overwint ze coronatijden. Hoe hoog ook de volumeknop, ze bezingt idealistisch vooral 't fijne van geborgen zijn, eerder dan te verliezen in 'n zoveelste negatieve gedachtenstroom. Met 'n dergelijke fascinerend energieke, esthetische act heeft ze ogenblikkelijk je aandacht beet...
The more of you we drink, the thirstier we get, baby!

Tremonti - Marching in Time (2021)

poster
4,0
Tremonti, zijproject van Mark Tremonti voor werk dat te zwaar zou zijn voor Alter Bridge? Nee, niet geheel overtuigd. 'Marching in Time' is een klein uur boeiende creativiteit in een album dat gezwind, kundig en vol power balanceert tussen heavy rock en metal. Gevarieerd, melodieus, bombastisch, maar soms ook bluesy  en eigenlijk best even toegankelijk als Alter Bridge.

Ja, Mark Tremonti is Grammy-Awardwinnaar. Wat doet hij zijn naam als virtuoos hier alle eer aan. Wat een gitarist horen we weer! Solo moet ie bij Tremonti bovendien in de kleren van de frontman, maar ook met zijn cleane vocalen scoort hij wel degelijk als zanger. Wat een stemprestatie bv. in 'Bleak'.

Tremonti wil onmiddellijk je aandacht. Bijt af met een hoogtepunt, het fameuze drumsgedreven 'A World Away', bijna een hardcore breakdown, die geleidelijk via een thrashy riff en emotionele solo uitwaaiert tot een echte Tremonti-klassieker. Lekker gespierde heavy rock op deze plaat, maar evengoed dus ook spectaculaire riffs en flitsende gitaarsolo's die de metalfan zullen verblijden. Soms gaat het dan weer even enkele versnellingen lager, zoals in 'The Last One Of Us' of 'Not Afraid To Loose', maar stuk voor stuk blijven het pakkende, goed opgebouwde nummers.

De band Tremonti maakt hem, naast gitarist en zanger, hier ook een onbetwist sterke, reflecterende songwriter. Met songs uit zijn recente leven gegrepen maakt hij, de plaattitel getrouw, een reis door de tijd. Zoals het lange epische titelnummer, de afsluiter. Vader met pasgeboren dochter, hoopvol het leven trotserend in tijden van pandemie. Nergens een luide, gefrustreerde Munch-schreeuw, wel een positieve eindboodschap. Bovendien is dit slotnummer het onbetwiste muzikale hoogtepunt van de plaat, organisch uitgegroeid tot een majestueuze zeven en een halve minuut. Je hoort een strak spelende band al zijn kunde perfect samenbrengen in z'n onmiskenbare Tremonti-sound.

De pandemie, ieders gesel alom , voor Tremonti zowel privé, als voor zijn scheppingskracht toch de start van een enorme boost.  Na een uitstekende Myles Kennedy van Alter Bridge met 'The Ides Of March' al eerder dit jaar, maakt ook hij met dit 'Marching in Time' nu een geweldige beurt. Met straks de heropstart van Alter Bridge wordt het beslist drummen en lastig organiseren in de drie diverse tourschema's.

Trivium - In the Court of the Dragon (2021)

poster
4,5
Je kan er niet omheen, het indrukwekkende speciaal voor het nieuwe album 'In The Court Of The Dragon' van Trivium uitgewerkte olieverfschilderij van de Fransman Mathieu Nozières is een onthutsend 'The Gladiator' meets 'The Game Of Thrones'. Het adembenemende epische werk met  prominent een gouden dragon-exemplaar brengt de sound van het tiende album van Trivium perfect tot beeld. Precies zoals de groep het zich voor de plaat ook had voorgesteld.

So what about the music? Na de sinister dreigende opstart van 'X' met in een anderhalve minuut tot pauken opzwellende drums, rolt en roffelt al gelijk machtige drummer Alex Bent en met hem meteen het hele fantastische Trivium met het imponerende titelnummer binnen. Zo lusten fans uitmuntende thrash en metalcore anno 2021 wel! Onvergetelijke bombast met flitsend drumwerk, onophoudelijk wervelende riffing, verpletterend soleren en energieke vocale krachtpatserij van soms zelf als brullende draak croonende Matt Heafy.

Even ritmisch, gejaagd, hard en melodisch neemt energiebom 'Like A Sword Over Damocles' naadloos van de opener over, verduiveld catchy stuk, blastbeats, bijtende vocals, onvolgbare solo's, gedroomde stuff voor luchtgitaristen. Thrashmeesterwerk!

'Feast Of Fire', na het anthem dat er mid-tempo uit opstijgt schieten Trivium's coole feestvuurstokers met verschroeiende breaks, killerriffs, solo's, met om elkaar heen walsende screams en cleane zang, alles in vuur en vlam. Modern en solide is dit, catchy en zonder meer sterk.

Headbanger 'A Crisis Of Revelation', weer een beresterke, krijsende, explosieve wervelwind. Met episch refrein, supersnel snaarwerk en halsbrekend dodelijke drumfusillades.

'The Shadow of The Abattoir' start traagbrandend proggy, zacht georchestreerd,  ontspannende folky gitaren, lieflijk kwelende Heafy. Het evolueert groots in steeds agressievere drumpolka's, flitsend riffwerk, indrukwekkende solo, grimmig kerende vocals, om finaal filmisch lang uit te dijen naar sereniteit, melancholie.

Het melodische, verleidelijk clean en catchy  gezongen 'No Way Back Just Through', is één onverbiddelijke door krachtig donderende drums voortgedreven onstuimige rit. Wat een riffs en capriolerende gitaren, wat een drums, door en door virtuositeit!

In de intro van klapstuk 'Fall Into Your Hands' toont andermaal fabuleuze drummer Bent je zijn visitekaartje. Volgt een aangrijpend razend acht minuten-pronkjuweel met enkel technisch verbluffende passages met thrashriffs en solo's, denderend slagwerk en erbovenop het furieus samenzingend trio Heafy, Beaulieu en Gregoletto. Uitgeteld na het stuk? Engelachtig louterende orkestratie voert af naar de exit.

Dan een superhard heavy doordravend 'From Dawn To Decadence' waarin enkel zuurstofbrengend repeterende vocals en weer dat memorabel refrein ietwat weten te reanimeren.

Het geweldige slotstuk is die zogenaamd heropgeviste song, 'The Phalanx'. Een episch,  proggy nummer, vanaf de inkom met deinend pompende Metallica-riff tot aan de filmische outro extreem strijdbaar herschreven tot een zalige zeven minuten Trivium-meandering. Trivium, vier bandleden in bloedvorm vatten alles nog een laatste keer samen met fenomenale vocals, excellent gitaarwerk, onnavolgbare drums. En vergeten we ook de prachtige 'The Phalanx'-video niet!

Een indrukwekkend subtiel en hoogwaardig album hier van een gefocust en begeesterd Trivium. Met prachtige moderne heavy metal waarin we trash en metalcore harmonieus in elkaar zien overlopen, waar er naast technische deathmetal vooral ook progmetal vlekkeloos wordt omarmd. Zoveel diversiteit met alleen maar één groot massief kwaliteitslabel : Trivium. Ze bevestigen zich hier op hun tiende als een topband uit de Metal Premier League.

Trivium's donkere silhouetten tekenden zich daar, op het muisstille eind van de 'Feast Of Fire'-video, af in beate bewondering voor Nozière's prachtwerk The Court Of The Dragon... Tegenover hun uitzonderlijk album 'The Court Of The Dragon' kunnen de verblufte fans voortaan alleen maar hetzelfde doen.

Trivium -Feast Of Fire

Tuff Guac - Swanky Love (2024)

poster
4,0
Inmiddels ook last van chronische grijs- en regensomberte, met daarbij inclusief ook dat problematisch vitamine D-tekort? Probeer dan toch maar eens, helemaal op tijd nog, een Tuff Guac-kuur met twaalf dosissen uit het 'Swanky Love'-pakket. Vanzelfsprekend volledig uit te nemen.

Vanaf Rafael Valles Hilario, manusje-van-alles, kom je als vanzelf uit bij het Belgische Tuff Guac: muzikant, begenadigd tekenaar, man ook nog steeds baas in zijn eigen Belly Button Records. Met Tuff Guac was vroegere garagepunker Raf eerder al tot zijn huidige gedaante verveld en ook nu met zijn nieuwe album 'Swanky Love' gaat hij weer helemaal solo de psychedelische wietrook in. Met allemaal korte en puntige jukebox-nummers volledig van zijn hand, zelf ingezongen, ingespeeld en gemixt in eigen Antwerpse Tooth Mountain-studio. Geheel volgens het motto 'analoog is het nieuwe digitaal'. Dat hij daarmee heel wat kan bewees hij in België al wel vaker, niet in het minst in de finale van Humo's Rock Rally 2022 en als Belofte van Radio Willy.

Kenmerkend op dit 'Swanky Love' na Raf's ook al superieure voorganger 'Green and Handsome' is weer dat melodische amalgaam van catchy, met reverb overschilderde dreampop recht uit de garage, die pakkende funk, soul of rock'n' roll. Hij maakte zo sedert de pandemie alweer een nieuwe liedjeskast vol demo's. Daarvan werden nu de allerbeste, de spannendste, de ondeugendste gewikt en gewogen met het oog op straks de dansvloer helemaal vol.

Hij komt binnen als regelrecht vanuit vervlogen tijden, met de oude galm en die nodige vleug pittige kruiden die alles energiek en verplicht nostalgisch maakt. Iedere van zijn songs heeft zo ergens wel iets, een warme hook of een onmisbaar vuilkrakend solootje met de klassieke overdrive pedal open.

Tuff Guac jumpt in variaties van hoe dan ook verslavende decibels vrolijk van de ene naar die andere hoorklare melodieuze song. Het openend titelnummer 'Swanky Love' zal je al niet stil houden, een zalige kruising van echoënde The Raveonettes, dEUS-mantriek en The Eagles of Death Metal. In het even dansbare 'Pretty Bitchin'' zit de geest van The Eagles of Death Metal nogmaals, nu doen ze het van intro tot fade-out met The Beatles en T-Rex. Uitstekende eerste single 'My Fear' laat zich dan ontdekken als een tot vandaag onbekende sixties-cowboyrocker op speed. Fraai opgebouwd van kop tot staart, opbloeiend tot meerstemmigheid, groovy as hell, met als bewust gevolg het aanstekelijk swingende dansje uit de clip en het na afloop tevreden uitdeinend The Doors-orgeltje.

Nog meer hoogzwevende psychedelica en ritmewisselingen in 'Thrift  Store'. Pure Cream-allures hand in hand met ouwe The Who-agressiviteit tot alles weer wegdeemstert.
Volgt de tweede single van de blue-eyed cowboy, de opzwepende klepper 'I'm Not a Man', gehuld in stofferige westernnevels en met grappig Morricone-persiflerende achtergrondvocals. Een 'crocodile tearjerker' om live samen goed op mee te janken.

Het duchtig bassend en roffelend anderhalf minuutje 'Sweet Suckamaholic' gaat erin als koek, The Go-Beweens hevig met Ben Folds op honky-tonky-tour. Terwijl in het meeslepende 'Trucker Hall' The Shins een als van duizelend vette riffs voorziene oerversie van Black Lips inblikken. Het aantrekkelijke 'All I Want Is To Lay Down' is dan weer een portie slomere kampvuurblues in een mélange van zeg maar Big Thief en Pavement. Stemmig onderonsje vooral tussen gitaar en synths in de uitgeleide. Net zo zit in het beresterk up-tempo 'Wake Up' alles weer volledig juist en het voortdurend hilarisch opduikend veelstemmig 'tadada'-koortje krijgt zelfs de hoofdrol.

Met de nodige drumsalvo's vuurt 'Terry's Rubber' op, springerig en dramatisch. Fuzzy en huilend overstuurde gitaren en dan schakelt Raf's sneltrein halverwege helemaal over op kruissnelheid naar de creepy finale in warmbloedig zuiders piña colada-parlando.

Nog een 'cowboyliedje', 'Naked Gun'. Zo bubblegum pretententieloos als wat met die steeds weer resonerende reverbgitaar en Raf's verderop heerlijk rondfladderende solo. In het allerkortste, afsluitende 'My Head Is Like A Cloud' mijmert hij met een stemmetje à la John Lennon. In die prachtige minuut betrekt hij in zijn muzikale séance bovendien Syd Barrett en The Mountain Goats.

Kortom, Tuff Guac ontvouwt zich op 'Swanky Love', open en bloot, in vrijheid-blijheid, al graaiend in het rond. Met altijd iets heel moois, iets nieuws dat zich uit die spontaneïteit weet geboren te worden. Die gezellige creativiteit die ook de besten weten te cultiveren, weetjewel, van The Beatles, Costello tot Ty Segall of King Gizzard & The Lizard Wizard.

Laat je dus voor een keer zelf ook maar eens heerlijk gaan in je eigen name-dropping. Deze twaalf verbeten staaltjes van guitige rudimentaire garagerockwriting in een walm van terugkijkende weemoed vanaf de sixties tot nu, ze lenen er zich nu eenmaal schitterend toe.

Daarmee is Tuff Guac trouwens ook al op de Vlaamse Radio 1 en op Willy aangeland. Laat het nog wat obscuur klinken, althans toch met die helende haast medicinale bandnaam, maar charismatische Raf verdient zeker dat alles waarmee hij nu bezig is nog veel verder gaat. Zo nu ook al dat er tijdens zijn 'swanky' liveshows, op zijn infectueuze garagerock'n'roll, hoofd in de wolken, massaal in een trance van peace en love, wordt meegekweeld en dito meegejived. Het pak lentefrisse pareltjes als die op 'Swanky Love' horen nu eenmaal niet ondersneeuwd onder de massaal opgewaaide voorjaarsbloesems.

Line-up voor de Europese tournée:
- Rafael Valles Hilario - zang
- Wim De Busser (The Colorist Orchestra,  Zita Swoon, Helmut Lotti …), gitaar, keyboards
- Jasper Suys (Jerry Lada), bas
- Gert-Jan Van Damme, drums.

Turnstile - GLOW ON (2021)

poster
4,5
Turnstile !

Jongens, wat een felle gozers die vijf van Turnstile uit Baltimore, doen werkelijk alles waar ze goesting in hebben op dit verbluffend opwindende 'GLOW ON'!

Wat namedropping voor een keertje. Nirvana, At The Drive-In, Weezer, Beastie Boys, Rage Against The Machine ... Maar vul gerust zelf verder in, op deze plaat sprokkel je vrij en eindeloos.

Nieuwe creatieve injectie in de gitaarmuziek?

Jawel en toch is 't nog altijd en eerst vinnige, agressieve hardcore. Een aantal zware kanjers van dat slag staan er dus mooi weer op, edoch, er is een serieuze grens verlegd, door de sound is een onweerstaanbaar frisse wind gaan waaien! Samen met full-speed ritmes, pompende riffs en mokerende drums gaat het vanaf nu altijd hand in hand met verrassing en ijzersterke melodie. Altijd ergens ook is er iets bestrooid met supercatchy kleurige confetti, een overlappend conversatietje, tot holle koebellen toe.

Ze dalen in 'Mystery' vredig neer uit de wolken met het eerste electronisch tirlantijntje, beuken dan groots en niet voor het laatst binnen met een regelrechte Nirvana-grungeriff en hup... volop adrenaline, headbangen en stagediven maar. Zullen dit daarna met exploderende oerkracht nog een aantal keren fraai overdoen, op 'Blackout',  op 'Don't Play' en 'Holiday'. Of op 'T.L.C. (Turnstile Love Connection)', waar ook daar links en rechts tussen de power chords wat synthy patchwork in het hardcoregeweld wordt verweven.
 
Maar tussenin tegelijk avonturieren ze met verrassend loungy interludia, zoals in het geestverruimende 'Underwater Boi', het even kosmische met synthetische watervalnoten opgefleurde 'Alien Love Call' (ft. Blood Orange!) of de orgelende 45 seconden van 'No Surprise'.  Die clair-obscursongs brengen wat poppy lucht in de wilde tracklist, de energieke vocals van de kronkelende frontman en de punkrockanthems. In een mum van tijd, tegen de volgende draaibeurt dus, zijn ze 'r al gewoon onmisbaar mee vergroeid.

Turnstile shakete je hier met hun ogenschijnlijke klankenchaos een heerlijk gelukzalige coctail. Turnstile, een groovy liveband die je met unieke muzikale ideeën, harmonisch vanuit de onderbuik, totaal onvoorspelbaar een nieuwe hardcore gitaarsound weet te serveren. Een even meeslepende ervaring als bij de jonge, driest rond zich heen slaande grunge-honden van toen. Dat ze hiermee ook veel vurige zieltjes  zullen winnen, tot ver buiten de moshpit! Zeg dat we 't hier geheel onder de indruk op MusicMeter gezegd hebben.

PS... Nu ook op YouTube, Turnstile's bruisende video waarop ze op 28 augustus 2021 'GLOW ON' integraal live brachten in Baltimore's Clifton Park Bandshell, voor een wildenthousiast stagedivend publiek.

Turnstile - Never Enough (2025)

poster
4,5
Jammer voor Brady Ebert, een van de founding fathers van de intussen succesband Turnstile, na hun GLOW ON uit 2021 hield hij het voor bekeken, waarna met de glimlach tourgitariste Meg Mills het vijftal mocht vervoegen en de continuïteit verzekerde. Na hun opzienbarend, voor verschillende singles Grammy-genomineerd lefalbum konden onze springers uit Baltimore gewoon op hun élan door. Ze blijken nu zelfs in staat dit met nog even wilde haren te overtreffen.

Toch begonnen ze hun publieke jaar hun sociale inborst getrouw in thuisstad Baltimore met, net vóór de release van het nieuwe album, een drukke live-performance helemaal ten voordele van de lokale daklozen.

Het geluid van dit nieuwe NEVER ENOUGH hebben ze nog grensverleggend grootser gemaakt. Inderdaad, want er is verduiveld goed nagedacht over hun uiteindelijk hardcore-regels verbrekend concept. Alhoewel in het verlengde van GLOW ON is dit bijna een escape geworden, waarmee nogal wat hardcorepuristen nu dus moeite kunnen hebben. But who cares.

Met al die blitse elektronica erin klinkt er vooral veel meer ruimtelijke ambient doorheen het album. Alsof ze tussen de songs telkens even een verplicht anticiperende golf van melancholische reflection time willen laten doorstromen om zo de punches van hun hardcore des te harder te doen aankomen. NEVER ENOUGH lijkt op die manier op een vanuit de kosmos gestuurde hardcoreplaat of eentje omgeven door oneindig water.

Neem nu gewoon die dreigend wijd aftikkende intro van BIRDS met Daniel Fang's geweldige percussie. Beginnen doen ze daar met iets wat zelfs bij Pink Floyd helemaal niet had misstaan. Een pak belendende flarden sfeer en emotie telkens juist tot op het moment dat weer een heavy eruptie zich begint te roeren. Om die zich dan ook iedere keer weer woest divend het hardcorewater in te zien storten.

Zoiets krijg je al vanaf de sterk openende titelsong. Terwijl die ondanks al zijn punkenergie op zich ook net zo goed als één lange aanloop mag doorgaan naar song twee, het op oldskool wijze ademloos jumpende SOLE.

Maar tegelijk krijg je ook bevallige songs als I CARE waarin Turnstile heerlijk rondflaneert als waren ze een regelrecht onderdeel van The Police, met de gecultiveerde stem van frontman Brendan Yates als nieuwste poprocker Sting voortdurend in de hoogste regionen. Vanuit hetzelfde keelgat komt evenwel wat verder ook de ruigere mega-poppunk van TIME IS HAPPENING.

Een plaat dus boordevol verrassingen. Het geheel atypische DREAMING begint zelfs plechtig met de blazers van BADBADNOTGOOD en die gaan Turnstile's geselende hardcore met een plejade van fladderende trompetgeluidjes mooi omkaderen.

Dan weer duikt de knoestige nu-metal van DULL op, om op te rocken als de beesten. Alhoewel, ook hier in de geest van het NEVER ENOUGH-concept gehuld in een harnas van onwennige elektrische knispering.
Of in SUNSHOWER gaan de duivelse drumpolka's vloeiend over in die etherisch mooie fluitsolo van Shabaka Hutchings van Sons of Kemet. In één ruk verglijdt ook die dan naadloos in LOOK OUT FOR ME. Dat start op als Frankie Goes To Hollywood in zijn beste dagen. Turnstile zal in de bijna zeven volgende weelderige minuten vol breed gearrangeerde elektronica, triphop en samples uit The Wire, hoe dan ook, ook hier, de headbangers vriendelijk bedienen.

Ook is er het SEEIN' STARS dat warempel aftrapt met een funky beat uit het vaatje van David Bowie. Met een onmiskenbare hoofdrol voor de ijl smachtende Yates, al wordt die tegenwoordig met plezier geruggesteund door gerenommeerde backers als Hayley Williams van Paramore en Dev Heynes van Blood Orange.

Ja, het is niet evident de positie waar dat intussen door de wol geverfde Turnstile vijftien jaar na hun oprichting uiteindelijk staat. Maar met de ernst waarmee hun NEVER ENOUGH is gemaakt moest het toch op die ultieme grote ontbolstering uitkomen. Hun sound lijkt eindelijk in een geheel eigen, definitieve plooi te zijn gevallen en ze lijken er, gegeven de plaatsen die ze al krijgen op de affiches, ook helemaal bovengronds mee te staan. Waar de roem van de duizenden lonkt. Met andere woorden hier een met de jaren geperfectioneerd collectief, omdat het aan de weg van hun eigenheid bleef doortimmeren, een vriendengroep die intussen emotioneel alleen maar is gegroeid, professionals vandaag die helemaal blaken van zelfvertrouwen en ambitie.

Ondanks al die aangename ritmes, tempowisselingen, vervaarlijk overstuurde riffs en luidkeels geschreeuwde refreinen voor de furieuze moshpits en crowdsurfers gaat het huidige Turnstile er toch compromisloos mee zijn eigen weg en, het moet gezegd, ze rijden het parcours foutloos.

NEVER ENOUGH is een massieve plaat die je best in één rush consumeert. Met al die songs die vloeien, wentelen en draaien in hun totaalexplosie van stijlen. Vijftig tinten Turnstile, een cross-over van toetsen van, naast ambient, pop, funk, soul, dance, rock en metal. En dan in zijn geheel toch nog evenwichtig en samenhangend overeind blijven staan als de nieuwe vaandeldragers van frisse en melodische hardcore. Turnstile, groep bovendien niet in het minst samengehouden door het branie en de sterke performances van meester-zanger Brendan Yates, die zowel vocaal als in zijn in volume dik aangegroeide keyboardpartijen zijn stempel drukt.

Zet je dus maar schrap voor NEVER ENOUGH, een masterpiece, de soundtrack van je zomer. Of omgekeerd, voor het zomertje helemaal van Turnstile.

Line-up:
- Brendan Yates, zang, percussie, keyboards
- Pat McCrory, leadgitaar, ritmegitaar, zang
- Meg Mills, slaggitaar, zang
- Franz Lyons, bas, percussie, zang
- Daniel Fang, drums, programmering, percussie

Tyler, the Creator - Call Me If You Get Lost (2021)

poster
4,0
Fenomenale rapperplaat hier van TTC! 16 fantastische, als patchwork met gouddraad aan elkaar gemixtapete songs in verblindend flashy multicolor. Tyler is al lang niet meer 't verguisde, gore vuilbekje van z'n beginjaren, wilde hiphopper soms nog, dat wel, maar intussen ontbolsterd als een uniek, modern multitalent en bovendien zelfs gekend tot ver buiten de grenzen van z'n muziek. In de hip-hop hoort ie al bij de allergrootsten. Al jaren geduldig met zijn ideeën aan de slag, heeft ie invloeden allerhande opgezogen, verschillende stijlen afgetoetst. Alles is nu slim, vakkundig en met veel gevoel en humor ingenaaid in 't concept van wat nu z'n zelf geproduceerd meesterwerk blijkt. Deze keer draait het rond z'n typetje Tyler Baudelaire, opschepperige superrijkaard die rappend verhaaltjes debiteert of waarover verteller, Tyler's gedroomde DJ Drama zich uitlaat. Voelt zich vis in 't water in de weelderige jetset vol uitspattingen, maar ervaart evengoed de keerzijde van de glamour. Komt er tegelijk en onverwacht, ook zichzelf tegen, zijn gevoelsleven in totale openheid in de lyrics, een liefdespuinhoop, jongens! Voor de creatie van dat muzikaal blinkende fakewereldje behoefde ie nog een paar featuring guests, Lyl Wayne, Pharrell Williams, 42 Dugg en nog zo wat anderen. Tyler zelf, met z'n eigen vocals, springt er zeker uit als dirigent eerste klas die alles bijeenhoudt, maar ook uit de job van de vrienden flitst dezelfde frisse energie. Verfijning dus en klasse, in de instrumentals, zowel als in de gezongen stukken. Tussen vele kortere erupties ook twee heerlijke meesterlijk lange Tylersonates : 'Sweet/I Wanted To Dance' en 'Wilshire'.
'Call Me If You Get Lost' is een schitterende, gelaagde, melodische plaat, 't nerveus harde constant tegenover 't lieflijk zachte. Smeltkroes van oldskool hip-hop, vocale improvisaties, smachtende jazzy ballades, fluitjes en statige blazers, betoverende synth pop, r&b, soul, reggae, bossa nova, toffe hooks, samples, drumbreaks, kloppende beats. Wat een complexiteit, wat een weelde! Tyler's eigenzinnige spraakwaterval stroomt er klaterend overheen, over zichzelf, de stand van de wereld nu, de slavernij van toen.
Meeslepend mooie plaat dus, maar zo heeft ie er zeker nog wel in  petto. TTC, big star! Call him if you get lost.