MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Proto-Kaw - Early Recordings from Kansas 1971-1973 (2002)

poster
3,5
Proto-Kaw staat voor 'oer-Kansas'. Dit is het album van de tweede bezetting van progrockgroep Kansas, oftewel Kansas II. Dit Early Recordings bevat opnamen vanaf drie jaar voor hun lp-debuut in 1974. In 2002 uitgebracht door gitarist en toetsenist Kerry Livgren, bevat het zeven demo- en twee livetracks uit de jaren 1971 - 1973.

Het cd-boekje geeft informatie over de voorgeschiedenis, waarbij ik bovendien Livgrens biografie Seeds of Change (editie 1991) erbij houd.
In 1969 waren er in Topeka, Kansas, drie groepen actief die eigen materiaal schreven in de stijl van de psychedelische/progressieve rock van die dagen. De eerste was Morning Dew, dat in 1970 debuteerde met op de plaat Save Me, een co-compositie van gitarist/zanger Mal Robinson met zijn huisgenoot Kerry Livgren. De tweede werd geleid door Livgren en heette Saratoga, de derde door drummer Phil Ehart en was genaamd White Clover.
Livgren en Ehart besloten in 1970 de beste muzikanten uit hun bands te verenigen. Na twee weken en één optreden werd de bezetting uitgedund tot zeven man: naast Livgren en Ehart zanger Lynn Meredith, bassist Dave Hope die de naam Kansas aandroeg, gitarist/saxofonist Larry Baker, toetsenist/fluitist Don Montre en toetsenist/gitarist Dan Wright.
De groep kreeg een vaste aanhang die ieder optreden bezocht, zodat de regionale zaaleigenaren toch de groep met hun vaak ontoegankelijke of zelfs chaotische muziek boekten: kassa aan de bar!

Hun status groeide, maar een optreden op een festival in de woestijn van Albuquerque, New Mexico, met Deep Purple op de bill valt in het zand als een grote groep bikers amok komt maken, nog voor Kansas op het podium stond. Wel speelde dit Kansas (mark I) in New Orleans in het voorprogramma van wat waarschijnlijk het laatste optreden van The Doors was, waarbij ze met Morrison & co jamden op Livgrens favoriet Light My Fire.

Muzikale meningsverschillen deden in 1971 Kansas I uit elkaar vallen. Ehart maakte een doorstart met White Clover en Kansas II vervolgde met de bezetting die we op Early Recordings aantreffen: gebleven zijn Livgren, zanger Lynn Meredith, pianist/fluitist/altsaxofonist Don Montre en toetsenist Dan Wright. Nieuw zijn bassist Rod Mikinski en drummer Zeke Low (ex-Saratoga); opgevoed met de jazz van zijn vader haalde Livgren bovendien saxofonist/fluitist John Bolton erbij.

Alle muziek werd door Livgren geschreven en staat bol van diens invloeden uit klassieke muziek, rock en jazz, waarbij de groepsleden soms driftig experimenteren. Invloeden van King Crimson zijn hoorbaar en op de rustige delen moet ik denken aan de ingetogen passages in het werk van Uriah Heep in die jaren en als daarbij dwarsfluit klinkt, zijn Focus en Jethro Tull mijn associaties. Opvallenderwijs allemaal Europese groepen, ongewoon voor een Amerikaanse groep in die tijd. Tegelijkertijd is het compositorische genie van Livgren ontegenzeglijk aanwezig, uniek in zijn soort.

Track 1-3 werden opgenomen einde 1971. Favorieten zijn de progopener Hegemonium en het sterk jazzachtige Nactolus 21. Ook komen we een eerste versie van Belexes tegen (later op het debuut van Kansas (III) beland) en hetzelfde geldt voor Incomudro (op Kansas' tweede elpee te vinden). Wel is het juist bij die nummers wennen aan de blazers, die echter verrassend goed werken. Op track 4 - 7, stammend uit eind 1972, speelt nieuwe drummer Brad Schultz.

Ook dit Kansas II viel uiteen, waarna Livgren zich aansloot bij White Clover. Kort voor het tekenen van het platencontract met Don Kirshner werd de groepsnaam gewijzigd in Kansas en begon een imposante carrière.
Het uitbrengen van Early Recordings in 2002 leidde ertoe dat de bandleden van Kansas mark II weer bij elkaar kwamen, waarmee Proto-Kaw een actieve groep werd. Drie albums volgden in de jaren 2004 - 2011.

Early Recordings is weer zo'n independant uitgebracht schijfje waarvoor veel moet worden betaald. Echter ook op JijBuis te vinden, onder meer hier.

Proto-Kaw - Forth (2011)

poster
3,5
Als groot liefhebber van Kansas en Kerry Livgren lukt het me maar niet om in dit album te komen. Forth, de laatste van zijn groep Proto-Kaw, bevat ontspannen poprock, die weliswaar goed in elkaar zit maar mij te kalmpjes is.
Sterkste troef zijn de blaaspartijen, waar naast John Bolton het nieuwe groepslid Jake Livgren voor verantwoordelijk is. Nou ja, nieuw... Hij werkte al in de jaren '90 bij zijn oom Kerry op de albums onder diens solovlag en nu voor het eerst als lid van deze groep.

Dit album was tegelijkertijd een overwinning voor (de oudste) Livgren. In 2009 had hij een hersenbloeding, waarvan hij echter wonderwel herstelde. Waarschijnlijk slaat de titel daarop: niet alleen is het de vierde Proto-Kaw, met het opnemen van elf nummers, samen meer dan een uur muziek bevattend, ging de componist-gitarist-toetsenist weer verder met zijn leven.
Hoe anders dat had kunnen zijn, blijkt uit het verslag dat hij samen met zijn vrouw in november 2009 deed aan hun kerkelijke gemeente.

De muziek is aanbevolen voor wie van pop met een lichte fusionsaus houdt, aangenaam en relaxt. De eerste vier nummers zijn het stevigst met Pilgrim's Wake als mijn favoriet, mede omdat het toch al sfeervolle nummer met zijn persoonlijke tekst en fraaie dwarsfluitsolo door gastgitarist Steve Morse in het slot naar een nog hoger plan wordt getild.
De melodie van Cold and Clear is fraai en passend bij de pakkende stem van zanger Lynn Meredith. Daarna echter veel kalmte, die wellicht beter binnenkomt op een late winteravond met een glas wijn of whiskey.

De productie is modern, de sfeer heeft iets van de jaren '80. Als een ietwat bezadigd Steely Dan of een ruige Sade klinkt zo een verzameling prima liedjes; desondanks had ik het graag wat pittiger gehoord.

Proto-Kaw - The Wait of Glory (2006)

poster
3,0
De tweede Proto-Kaw in de jaren 2000-bezetting. Hierop goede ideeën, maar omdat het meestentijds langzaam of midtempo is, mis ik pepers in de muziek.
Alle composities zijn van de hand van Kerry Livgren en in tegenstelling tot de voorganger staat hier geen werk uit de jaren '70 op. Die pittige oudjes kwamen voorganger Before Came After ten goede. Op dit The Wait of Glory ontbreekt bovendien een groots magnum opus, iets wat Livgren eigenlijk altijd op zijn albums weet te bereiken.

Opgenomen in het najaar van 2005 trad drummer Mike Patrum toe tot de groep als vervanger van Brad Schulz. Extra bandlid werd gitarist Jake Livgren, waarmee de groep een zevental werd, net als in de jaren '70. De jongste Livgren klonk frequent op soloalbums van zijn oom, waar hij ook leadzang deed. Dat doet hij hier solo op Melicus Gladiator en op On the Eve of the Great Decline voegt zijn stem zich naast die van leadzanger Lynn Meredith.
Ook opvallend is dat John Bolton naast de saxofoons nu frequenter de dwarsfluit erbij haalt. Kerry Livgren speelt niet alleen heerlijk gitaar, hier en daar is hij ook op toetsen te horen naast klavierenman Dan Wright.

Pas bij track 5 Physic komt er echt vaart in het spel, daarna gaat de voet wederom van het gaspedaal. Dit met de weliswaar fraaie ballade At Morning's Gate met een (digitale?) harp en een koor als in een klassieke Hollywoodfilm.
Andere hoogtepunten: in Relics of the Tempest ontstaat tijdens de gitaarsolo het grootse Kansasgevoel; de oosterse mystiek in de muziek van On the Eve of the Great Decline brengt veel sfeer; het stevige Melicus Gladiator is midtempo en bevat zowel een fraaie toetsensolo als een als viool klinkende gitaarsolo; in Old Number 63 klinken aangename fusioninvloeden.

Buitenbeentjes zijn de prog-met-knipogen van Osvaldo's Groceries met al zijn verschillende delen en tempowisselingen, plus de pop-met-blazers van afsluiter One Fine Day met gasttrompettist en hoornspeler Daryl Batchelor.

Onder het ijs zakt het nergens en fraaie ideeën zijn er genoeg, toch voel ik nergens opwinding. Wie echter van kalmere progrock houdt, kan er zomaar een sterretje meer bijdoen dan ik doe.
Het album verscheen tevens in een editie met bonus-dvd, waarop de nummers The Occasion Of Your Honest Dreaming, Words Of Honor en Skont zijn te zien.

Public Image Ltd. - Flowers of Romance (1981)

poster
2,5
Alsof een audio-expeditie naar de binnenlanden van Londen is getrokken om aldaar tribale muziek vast te leggen. Een plaat in die stijl, opgenomen omdat de bassist was vertrokken. Een vriend van me legde me destijds uit hoe het zat met Jah Wobble: "Die man is zó geniaal dat hij onvervangbaar is. Daarom krijgt hij bij PiL géén opvolger!"
Hij voegde eraan toe dat de bassist inmiddels onder meer samen met Holger Czukay op diens On the Way to the Peak of Normal werkte, waar hij een groot liefhebber van was. En dat terwijl Michael Schenker zijn favoriete artiest was; zijn smaak was volop in beweging.

Nou wordt Wobble wel een beetje vervangen. Op Under the House en Go Back bast Keith Levene, de gitarist die ook aan de wieg van The Clash stond. Maar een aparte plaat is The Flowers of Romance zeker.
We grapten dat de muziek weghad van de tune van KRO's Brandpunt. Als concept vond ik deze romantische bloemenplaat aardig, maar een hele plaat lang? De snerpende stem van John Lydon is fijn, maar ik hoor hem te weinig zingen; de drums van Martin Atkins en de percussie van Lydon staan centraal.
De groove van opener Four Enclosed Walls mag er zijn maar het nummer duurde me te lang. Het titellied nestelde zich echter als oorwurm in mijn brein en van de rollende drumrolls van Under the House hield ik als rechtgeaard hardrocker wel. Herkenbaar is daarbij wat Bert van de Kamp in Oor schreef: "Ik bedoel: Lydon's gezonde gevoel voor humor komt hier niet uit de verf." Het is inderdaad wel erg serieus en kunstzinnig, als u begrijpt wat ik bedoel.

1981 was een jaar dat meer experimenteel werk verscheen, zoals ik recentelijk tijdens mijn reis door new wave ontdekte. Zoals op mijn vorige halte The Birthday Party en Prayers on Fire, één van de albums waarvan ik een nummer op mijn afspeellijsten met 'New wave & co' zette.
Door naar iets heel anders, een album uit diezelfde aprilmaand dat niet op mijn streamingplatform staat en dus (nog?) niet op mijn afspeellijsten voorkomt: het Schotse Scars en Author! Author!

Public Image Ltd. - Public Image - First Issue (1978)

poster
2,5
Met de Sex Pistols was het begin van een muzikale ommezwaai binnen de popmuziek gemaakt, maar als in juli 1978 de eerste single van hun tweede album verschijnt, is frontman Johnny Rotten al vertrokken, klaar met het circus en de bemoeienissen van manager Malcolm McLaren.
Onder eigen naam John Lydon begint hij Public Image Ltd en als in december '78 debuutelpee Public Image: First Issue verschijnt, weet iedereen bij voorbaat dat hij zéker geen poging zal doen om eerder succes en eerdere muziek te kopiëren.
In die tijd las ik als jonge tiener over punk, maar Hilversum 3 draaide het nauwelijks, afgezien van een enkel programma bij KRO, VARA en VPRO. En bovendien was mijn smaak nog niet gerijpt voor dit soort avondshows. En dus hoorde ik dit debuut pas in het streamingtijdperk.

Dan valt op dat dit veel meer avant-gardistisch is dan zijn vorige werk. Opener Theme leunt met zijn dikke negen minuten, logge ritme en rauwe gitaar op een schema van slechts vier akkoorden, Religion I is spoken word waarin Lydon vertelt wat hij van het onderwerp vindt en in Religion II herhaalt hij dat met zijn groep op gezongen wijze. We zijn al een dik kwartier onderweg als het eerste echte liedje zich aandient: het felle Annalisa heeft een riff, coupletten en refreinen. De tekst handelt over een meisje dat in het nieuws kwam nadat ze met haar epilepsie de verkeerde begeleiding kreeg van een priester. Gezellig is het niet, boos wél.

Op kant 2 volgen drie korte nummers. Eerst stelt Lydon in Public Image zijn nieuwe koers voor, het meest melodieuze nummer van de plaat met prachtig zwevend gitaarwerk van Keith Levene; een stijl die ik herken van later werk bij onder meer Echo & The Bunnymen en U2. Op Low Life meer gitaarwave met de kenmerkende fladderzang van Lydon en Attack klinkt als een nummer uit zijn dagen bij Sex Pistols. Met de bijna acht minuten drumcomputer en andere vrolijke ongein van Fodderstomf sluit de plaat af, hierboven schreven anderen waarom ze dit zo'n heerlijk nummer vinden.

Ik geef 2,5 ster, omdat ik als liefhebber van mooie melodietjes uitga van de pakkende liedjes. Maarrrr... wie dit bekijkt als was het een kunstwerk, bedoeld om te vernieuwen - raken - shockeren - confronteren, zou zomaar veel hoger kunnen uitkomen. Staar je niet blind op de puntenwaarderingen op MuMe en elders, maar laat je oren het werk doen en probeer iets te begrijpen van de bedoelingen van de makers. In ieder geval een monument(je) in de pophistorie, deze First Issue.

Mijn muzikale reis door new wave & co kwam vanaf Subway Sect alias Vic Godard en Tubeway Army en omdat ik het debuut van The Cure al besprak, keer ik nog één keer terug naar het Nederlandse Gruppo Sportivo, dat 1978 qua wave afsluit.

Pure Hell - Noise Addiction (2006)

poster
4,0
Muziekmaatje Edo leest graag Pitchfork en dergelijke sites. Zo komt hij info tegen die ik mis, zoals die over het mij onbekende Pure Hell. Opgericht in Philadelphia in 1974, verhuist de groep, luider en sneller dan andere harde rockgroepen, het jaar erop naar New York. Daar duikt het viertal in de ontspruitende punk- en newwavescene. Zo komen ze in het gespreide bedje van de eerste punkgolf en krijgen snel succes.

Vuile leugenaar dat ik ben: die vorige zin is volledig naast de feiten. In New York zoeken én vinden ze Curtis Knight, die voorheen met Jimi Hendrix speelde, en bombarderen hem tot manager. Via zijn contacten wordt in Londen een album opgenomen, waarvan single These Boots Are Made for Walkin' verschijnt. Een megaluide versie van het origineel van Nancy Sinatra, met op de B-kant No Rules. Ook wordt er opgetreden en bovendien volgen optredens in Nederland, waarvan ik deze foto tegenkwam in punkmagazine Pin op bacteria.nl.

Dan krijgt de groep onenigheid met Knight, die vervolgens hun album in de kluis houdt. Volgens dit artikel in Dazed is het racisme (de leden zijn zwart) dat de groep van een nieuw contract weerhoudt: zwarte jongens moeten zwarte muziek maken, is de teneur bij platenbazen. Een soortgelijk verhaal kwam ik tegen bij die andere zwarte punkpioniers van Death uit Detroit.

Het is punkarcheoloog Henry Rollins, dezelfde persoon als de zanger, die de groep helpt uit de vergetelheid te komen. In 2006 verschijnt Noise Addiction alsnog. Opvallend is dat de groep nogal heftiger klinkt dan de meeste andere punkpioniers, sowieso minder melodieus.
Drummer Michael 'Spider' Sanders heeft zijn bijnaam ongetwijfeld te danken aan zijn speelstijl: het is alsof hij met acht armen speelt, waarbij ik moet denken aan het werk van Clive Burr op de eerste twee albums van Iron Maiden. Ieder gaatje wordt dichtgemept, fills en rolls tuimelen over elkaar heen.
Gitarist Lenny Boles scheurt niet alleen op z'n punks, hij gebruikt in de voetsporen van Hendrix af en toe wahwah en is bepaald niet bang voor (korte) solo's, waarbij de zware stem van Kenny Gordon de groep een ruiger geluid geeft dan dat van hun tijd- en genregenoten.
Op Noise Addiction zijn de oorspronkelijke elf tracks, ze knallen allemaal de speakers uit, aangevuld met demomateriaal. Hoe is het toch mogelijk dat dit indertijd niet doorbrak? Juist punk beoogde de heersende orde te veranderen.

Kortom een sterk album, ook qua stijl een eigen geluid in de punk. Fijn dat dit pareltje kwam bovendrijven! Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave van 1978 kwam van The Shirts en vervolgt bij een groep die op dezelfde dag als Pure Hell (10 november 1978) plaatwerk uitbracht: op naar The Clash.

Pylon - Gyrate (1980)

poster
3,5
Omdat de groep uit Athens, Georgia komt, wordt Pylon steevast vergeleken met stadsgenoten The B-52's en R.E.M. - met als tweede overeenkomst dat hun muziek in de categorie 'alternative' thuishoort. Maar dan houden de overeenkomsten op.

Opvallend is het contrast tussen enerzijds de cleane gitaarpartijen van Randy Bewley met de groovende ritmes van bassist Michael Lachowski en drummer Curtis Crowe, anderzijds de felle, nogal eens boze grom-tot-schreeuwzang van Vanessa Ellison, die in haar paspoort Vanessa Briscoe Hay heeft staan. Denk aan een boze kostschooljuf in een Amerikaanse film.
De lome start van opener Volume verhult dit, maar al spoedig is daar haar snauw. Het sterkst werkt dat in het bij uitzondering gejaagde Precaution, gevolgd door de kalmere nummers The Human Body en Read a Book, waar pop botst met de stem van Ellison.
Driving School gonst door een synthesizer, Working Is No Problem is het rauwste nummer van de plaat en Stop It bevat een simplistische anti-boodschap: "Hey kids! Don't rock 'n' roll, no!"

Eénmaal mag Ellison niet meedoen: Weather Radio is dan ook meteen lieflijk. Het zijn vooral haar stem en zangstijl die Pylon tot een alternatieve groep maken; liefhebbers van bijvoorbeeld Siouxsie kunnen met Gyrate een aangenaam uurtje beleven. Een andere groep waaraan ik moet denken: het Oost-Duitse Silly waar ook een contrast tussen muziek en zang klinkt, daar dankzij zangeres Tamara Danz.

De Amerikaanse variant van de hoes van Gyrate is overwegend zwart, je zou ook een Europese of Canadese variant in het blauw kunnen tegenkomen. In 2007 verscheen een cd-editie met bonussen, getiteld Gyrate Plus.

Mijn reis door new wave vervolgt. Ik bevind me in november 1980 en kwam vanaf de derde van The Fall. Volgende nummer op mijn afspeellijst is single Lively Arts van The Damned van The Black Album. Omdat ik die al besprak is de volgende halte Mondo Bongo van The Boomtown Rats.