Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Paice Ashton Lord - Malice in Wonderland (1976)

3,0
0
geplaatst: 23 december 2023, 11:48 uur
Een album uit de periferie van Deep Purple. Dit dankzij drummer Ian Paice en toetsenist Jon Lord. Als tiener leek dit me niets. Oor's Popencyclopedie 1982 noteerde namelijk: "...het blijkt nogal 'funky' te zijn". Nu kom ik er alsnog terecht en wel via de biografie van Bernie Marsden, Where's My Guitar? (2020).
De gitarist belandde via een tip van Cozy Powell bij het trio en maakte het nodige mee. De auditie ging voorspoedig en als hij Powell 's avonds belt met het goede nieuws, reageert deze met "Welcome to Deep Pockets". Het blijkt de naam te zijn die de ex-Purpleleden aan de geldmachine geven, die hen rijkelijk voorziet. Powell maakte hetzelfde mee bij het Rainbow van Ritchie Blackmore.
De opnamen vinden plaats in München in de studio van Giorgio Moroder. Marsden vertelt over zijn ontmoeting met Martin Birch, kort na aankomst. Dit in een zwembad op de bovenste etage van een chique hotel in München, waarbij de producer hem in gebroken Engels aanspreekt: "You schwimm gut." Er volgt een conversatie en Marsden veronderstelt met een Duitser te maken te hebben. Eenmaal uit het water openbaart Birch wie hij is en heet hem welkom.
Met de humor van zanger-toetsenist Tony Ashton vermaakt hij zich eveneens goed, bassist Paul Martinez en Paice zijn vriendelijk en toetsenist Jon Lord is blij met Marsdens inbreng: Malice in Wonderland wordt in opperbeste sfeer opgenomen.
Net als in Marsdens vorige groep Babe Ruth klinkt veel funk. Sterker nog, scheurende gitaren hoor ik nauwelijks. Paice Ashton Lord klinken als een dansbare versie van Deep Purple. De stijl ligt namelijk in het verlengde van die groep ten tijde van Come Taste the Band met Tommy Bolin. Niet iets waar de meeste fans in 1976 voor warm liepen. Desondanks hoor je geen zwakke nummers. Mijn favorieten: Ghost Story dat nog het meest aan Purple doet denken en het met blazers gelardeerde Silas & Jerome. Van Paices drumwerk is overigens continu genieten, wat is de man toch veelzijdig!
Tijdens de opnamen komt David Coverdale buurten, hij woont namelijk in de regio. Hij en Marsden kunnen het goed vinden en de kiem voor hun samenwerking in Whitesnake wordt gelegd.
Een geplande Britse tournee wordt ingekort tot slechts zes optredens, waarbij Ashtons dronkenschap tijdens optredens niet helpt. Ondanks dat de BBC een concert van de groep uitzendt, blijft verdere airplay uit. Malice in Wonderland flopt genadeloos.
Voor een opvolger is Birch niet beschikbaar maar desondanks vertrekt de groep naar München voor de opvolger; "We recorded a dozen pieces of music in all, mainly backing tracks with vocals". Gedurende die maanden blijft het buiten de studio stil en uiteindelijk wordt de stekker eruit getrokken. Marsden schat dat Lord en Paice er zo'n kwart miljoen pond in staken.
De gitarist belandde via een tip van Cozy Powell bij het trio en maakte het nodige mee. De auditie ging voorspoedig en als hij Powell 's avonds belt met het goede nieuws, reageert deze met "Welcome to Deep Pockets". Het blijkt de naam te zijn die de ex-Purpleleden aan de geldmachine geven, die hen rijkelijk voorziet. Powell maakte hetzelfde mee bij het Rainbow van Ritchie Blackmore.
De opnamen vinden plaats in München in de studio van Giorgio Moroder. Marsden vertelt over zijn ontmoeting met Martin Birch, kort na aankomst. Dit in een zwembad op de bovenste etage van een chique hotel in München, waarbij de producer hem in gebroken Engels aanspreekt: "You schwimm gut." Er volgt een conversatie en Marsden veronderstelt met een Duitser te maken te hebben. Eenmaal uit het water openbaart Birch wie hij is en heet hem welkom.
Met de humor van zanger-toetsenist Tony Ashton vermaakt hij zich eveneens goed, bassist Paul Martinez en Paice zijn vriendelijk en toetsenist Jon Lord is blij met Marsdens inbreng: Malice in Wonderland wordt in opperbeste sfeer opgenomen.
Net als in Marsdens vorige groep Babe Ruth klinkt veel funk. Sterker nog, scheurende gitaren hoor ik nauwelijks. Paice Ashton Lord klinken als een dansbare versie van Deep Purple. De stijl ligt namelijk in het verlengde van die groep ten tijde van Come Taste the Band met Tommy Bolin. Niet iets waar de meeste fans in 1976 voor warm liepen. Desondanks hoor je geen zwakke nummers. Mijn favorieten: Ghost Story dat nog het meest aan Purple doet denken en het met blazers gelardeerde Silas & Jerome. Van Paices drumwerk is overigens continu genieten, wat is de man toch veelzijdig!
Tijdens de opnamen komt David Coverdale buurten, hij woont namelijk in de regio. Hij en Marsden kunnen het goed vinden en de kiem voor hun samenwerking in Whitesnake wordt gelegd.
Een geplande Britse tournee wordt ingekort tot slechts zes optredens, waarbij Ashtons dronkenschap tijdens optredens niet helpt. Ondanks dat de BBC een concert van de groep uitzendt, blijft verdere airplay uit. Malice in Wonderland flopt genadeloos.
Voor een opvolger is Birch niet beschikbaar maar desondanks vertrekt de groep naar München voor de opvolger; "We recorded a dozen pieces of music in all, mainly backing tracks with vocals". Gedurende die maanden blijft het buiten de studio stil en uiteindelijk wordt de stekker eruit getrokken. Marsden schat dat Lord en Paice er zo'n kwart miljoen pond in staken.
Panic - 13 (1978)

3,5
0
geplaatst: 23 december 2025, 08:59 uur
Op reis door new wave en punk, kwam ik door het overlijdensbericht in Oor van zanger Peter ten Seldam bij dit enige album van zijn groep Panic. 13 had ik gemist, toen (te jong) en later (slechts in 1978 en 2011 verschenen heruitgaves en die laatste alleen in de VS).
Wel kan ik me vaag herinneren destijds over de groep te hebben gelezen. Iets met chaotische concerten en een geduchte livereputatie. 13 is echter compleet nieuw voor me. Geproduceerd door de groep met (KRO-dj en journalist) Peter van Bruggen, die in Oor een vroege chroniqueur van punk was. Rondkoeklend ontdek ik dat Panic ook belangrijk was voor Paradiso, dat in die jaren veranderde van een wat ingedut hippie-etablissement naar een eigentijdse concertzaal.
De hoes is veelzeggend 1978: de kleurige inrichting van de ruimte, veel oranje; de kleding van de dames met onder andere een lange bruine rok en caramelkleurige legging (ik moet denken aan de foto's in Libelle die mijn moeder destijds las). Aan de muur echter de zwart-witposter van de groep. Diezelfde foto staat op de achterkant, waar als bezetting wordt genoemd Peter Penthouse op zang, Mike Decourt (Michiel van 't Hof) op gitaar, Pete Passion (Piet van Dijk) op bas en Rheinhard Roffel (Rein de Graaf) op drums. De eerste persing was meteen op rood vinyl.
Met de oren van toen klonk 13 ongetwijfeld ontzettend rauw en rudimentair, al vermoed ik dat degenen die erbij waren zullen beamen dat ze live pas echt tot hun recht kwamen. Een directe productie zonder toeters en bellen, zes nummers op kant 1 en zeven op 2. Tot op het bot uitgeklede rock 'n' roll zoals punk beoogde te zijn, met Baby Please als duidelijkst voorbeeld dankzij een rockabillyriff.
En verder begint de plaat met het geluid van een rochel, is schuttingtaal niet uitgesloten, waarbij het titellied uitlegt wat een dertienjarige allemaal nog niet mag, verlangend naar het moment dat hij zestien wordt.
Hierboven wordt als grootste favoriet Requiem for Martin Heidegger genoemd, inderdaad de knallende afsluiter van dit album over de Duitse filosoof, tevens NSDAP-lid. Hierna eindigt de elpee met de vervormde en versnelde klanken van de diverse zangsporen, op streaming helaas tot een aparte track gebombardeerd.
Op mijn afspeellijst met wave uit dat jaar, de muziek op chronologische volgorde van verschijnen gezet, staat het titelnummer tussen Wayne County and the Electric Chairs (28 Model T) en Elvis Costello (I Don't Want to Go to) Chelsea. Toen punk en new wave nieuw en vaak onvoorspelbaar waren.
Mijn reis kwam van de live-elpee Hanx! van het Noord-Ierse Stiff Little Fingers uit 1980. Ik keer terug naar waar ik was gebleven: mei 1981 waar qua mode en beleving één en ander is veranderd, single Stand and Deliver van Adam and the Ants.
Wel kan ik me vaag herinneren destijds over de groep te hebben gelezen. Iets met chaotische concerten en een geduchte livereputatie. 13 is echter compleet nieuw voor me. Geproduceerd door de groep met (KRO-dj en journalist) Peter van Bruggen, die in Oor een vroege chroniqueur van punk was. Rondkoeklend ontdek ik dat Panic ook belangrijk was voor Paradiso, dat in die jaren veranderde van een wat ingedut hippie-etablissement naar een eigentijdse concertzaal.
De hoes is veelzeggend 1978: de kleurige inrichting van de ruimte, veel oranje; de kleding van de dames met onder andere een lange bruine rok en caramelkleurige legging (ik moet denken aan de foto's in Libelle die mijn moeder destijds las). Aan de muur echter de zwart-witposter van de groep. Diezelfde foto staat op de achterkant, waar als bezetting wordt genoemd Peter Penthouse op zang, Mike Decourt (Michiel van 't Hof) op gitaar, Pete Passion (Piet van Dijk) op bas en Rheinhard Roffel (Rein de Graaf) op drums. De eerste persing was meteen op rood vinyl.
Met de oren van toen klonk 13 ongetwijfeld ontzettend rauw en rudimentair, al vermoed ik dat degenen die erbij waren zullen beamen dat ze live pas echt tot hun recht kwamen. Een directe productie zonder toeters en bellen, zes nummers op kant 1 en zeven op 2. Tot op het bot uitgeklede rock 'n' roll zoals punk beoogde te zijn, met Baby Please als duidelijkst voorbeeld dankzij een rockabillyriff.
En verder begint de plaat met het geluid van een rochel, is schuttingtaal niet uitgesloten, waarbij het titellied uitlegt wat een dertienjarige allemaal nog niet mag, verlangend naar het moment dat hij zestien wordt.
Hierboven wordt als grootste favoriet Requiem for Martin Heidegger genoemd, inderdaad de knallende afsluiter van dit album over de Duitse filosoof, tevens NSDAP-lid. Hierna eindigt de elpee met de vervormde en versnelde klanken van de diverse zangsporen, op streaming helaas tot een aparte track gebombardeerd.
Op mijn afspeellijst met wave uit dat jaar, de muziek op chronologische volgorde van verschijnen gezet, staat het titelnummer tussen Wayne County and the Electric Chairs (28 Model T) en Elvis Costello (I Don't Want to Go to) Chelsea. Toen punk en new wave nieuw en vaak onvoorspelbaar waren.
Mijn reis kwam van de live-elpee Hanx! van het Noord-Ierse Stiff Little Fingers uit 1980. Ik keer terug naar waar ik was gebleven: mei 1981 waar qua mode en beleving één en ander is veranderd, single Stand and Deliver van Adam and the Ants.
Pat Travers Band - Go for What You Know (1979)

3,5
0
geplaatst: 18 januari 2023, 17:19 uur
Zomerse associaties! Alfred Lagarde draaide in zijn wekelijkse Betonuur vanaf voorjaar of zomer 1978 frequent Boom Boom (Out Go the Lights), waarschijnlijk daarom in Nederland op single verschenen. Het deed hier zelfs qua tipparade niks maar is altijd blijven hangen, omdat ik het op cassette opnam: nog altijd hoor ik in mijn hoofd de enthousiaste aankondiging van Lagarde.
Pas dankzij streaming hoorde ik het volledige album. De single is uiteraard heerlijk, maar de rest deed er wel even over om te landen. De Pat Travers Band bevindt zich qua stijl ergens tussen Rory Gallagher in diens powertriodagen, Thin Lizzy en Frank Marino. Soms powerrock ‘n’ roll, soms hardrock met bluescement tussen de stenen en dankzij de ritmesectie (bassist Mars Cowling en de latere Ozzy- en Whitesnakedrummer Tommy Aldridge) zit daar een vleugje funk bij; op de momenten dat dubbele basdrum klinkt neigt het zelfs naar metal. Qua energie en variatie zit dus wel goed, maar niet alle liedjes zijn even sterk.
De nummers die na herhaaldelijk draaien kwamen bovendrijven: na een dolenthousiaste aankondiging volgt Hooked on Music, dat aanvankelijk midtempo is maar dan versnelt; Stevie opent de B-kant, een powerballad zoals Blue Öyster Cult (intro) en Y&T (de opbouw) die ook konden maken met bovendien prachtig gitaarwerk; Heat in the Street geeft met zijn dubbele gitaren (naast Travers Pat Thrall, tevens bekend van zijn werk met Glenn Hughes) het gevoel alsof Thin Lizzy klinkt en bevat een heerlijke gitaarsolo; afsluiter Makes No Difference heeft tempowisselingen en basspel waarin ik zelfs aan de vroege Iron Maiden moet denken met daarbij knallend basdrumwerk van Aldridge.
Ik vergelijk misschien teveel. Uiteindelijk is dit een plaat waarop een band zich in het zweet werkt en in vijf gevallen sterke composities speelt. Eerlijk en direct. Een hele dikke zeven voor het geheel.
Pas dankzij streaming hoorde ik het volledige album. De single is uiteraard heerlijk, maar de rest deed er wel even over om te landen. De Pat Travers Band bevindt zich qua stijl ergens tussen Rory Gallagher in diens powertriodagen, Thin Lizzy en Frank Marino. Soms powerrock ‘n’ roll, soms hardrock met bluescement tussen de stenen en dankzij de ritmesectie (bassist Mars Cowling en de latere Ozzy- en Whitesnakedrummer Tommy Aldridge) zit daar een vleugje funk bij; op de momenten dat dubbele basdrum klinkt neigt het zelfs naar metal. Qua energie en variatie zit dus wel goed, maar niet alle liedjes zijn even sterk.
De nummers die na herhaaldelijk draaien kwamen bovendrijven: na een dolenthousiaste aankondiging volgt Hooked on Music, dat aanvankelijk midtempo is maar dan versnelt; Stevie opent de B-kant, een powerballad zoals Blue Öyster Cult (intro) en Y&T (de opbouw) die ook konden maken met bovendien prachtig gitaarwerk; Heat in the Street geeft met zijn dubbele gitaren (naast Travers Pat Thrall, tevens bekend van zijn werk met Glenn Hughes) het gevoel alsof Thin Lizzy klinkt en bevat een heerlijke gitaarsolo; afsluiter Makes No Difference heeft tempowisselingen en basspel waarin ik zelfs aan de vroege Iron Maiden moet denken met daarbij knallend basdrumwerk van Aldridge.
Ik vergelijk misschien teveel. Uiteindelijk is dit een plaat waarop een band zich in het zweet werkt en in vijf gevallen sterke composities speelt. Eerlijk en direct. Een hele dikke zeven voor het geheel.
Patti Smith - Horses (1975)

3,5
2
geplaatst: 3 maart 2024, 09:17 uur
Ben op reis door de albums achter mijn afspeellijstjes met new wave. Begonnen met protowave van het in 1971 verschenen Second Album van Curved Air, beland ik na de protopretpunk van The Dictators bij het debuut van dichteres/muzikante Patti Smith.
Volgens de traditie wordt de geboorte van punk en new wave geplaatst in Londen. Dit met de doorbraak van de genres in het najaar van 1976 bij de doorbraak van de Sex Pistols. Maar eigenlijk is Horses de eerste plaat waarvan ik de muziek als new wave ervaar. Verschenen in november 1975, een jaar eerder.
Gelukkig had het kersverse label Arista vertrouwen in deze groep talenten, dankzij concerten in de regio New York niet geheel groen. Terwijl de Sex Pistols in augustus 1975 voor het eerst bijeenkwamen, stapten Smith en haar bandleden de studio in voor dit debuut. Het kwam met de nodige ruzies tot stand: Smith had geen studio-ervaring maar wantrouwde de door haarzelf uitgekozen producer John Cale. Bovendien konden gastgitaristen Allen Lanier van het "grote" Blue Öyster Cult en Tom Verlaine van het nog onbekende Television elkaar niet uitstaan.
Desondanks is Cale erin geslaagd om het beste uit Smith en haar muzikanten te halen. Het klinkt goed en is gevarieerd. Van het compleet verbouwde Gloria van Them naar de reggae van Redondo Beach naar het negen minuten durende Birdland. Deels geïmproviseerd met die kenmerkende stem van de zangeres en naar een climax toewerkend. Liever hoor ik korter werk, zoals het mooie pianospel in het intro van het kalme Free Money, dat kant 1 afsluit en in een kleine vier minuten steeds intenser wordt.
Kant 2 kent met Kimberly en Break It up (de laatste met een gastrol voor Verlaine) minder contrasten maar wél intense uitvoeringen. Met de negen minuten van Land, dat uit twee delen bestaat, wordt weer het nodige geïmproviseerd.
Mogelijk ontstond omtrent die twee lange nummers de meeste onenigheid tussen Smith en Cale, want voor echte improvisatie is op de beperkte speelduur van een elpee weinig ruimte. En houd zo'n groep met wilskrachtige frontvrouw dan maar eens in toom, zoals bij paarden soms nodig is... Het is een verwijzing naar de albumtitel. Dan het slot met het dromerige Elegie. Hier de gastrol voor Lanier, het lied is kort en ingetogen.
Horses haalde destijds #47 in albumlijst Billboard 200. Smith kreeg in 1976 op haar beurt een gastrol bij Blue Öyster Cult op hun elpee Agents of Fortune. In 2005 verscheen een opgefriste heruitgave met livebonus alias Whocover My Generation, in 2017 gevolgd door dubbelaar Horses/Horses.
Was Smith in 1976 nog behoorlijk negatief over de producersbijdragen van Cale, inmiddels kijkt ze daar anders tegenaan, beseffend dat ze stronteigenwijs en onervaren was. Waarbij Cale alle geduld opbracht om de plaat te doen slagen, wat echter is gelukt.
Mijn reis vervolgt in het Londen van 1975 met Another Green World van Brian Eno.
Volgens de traditie wordt de geboorte van punk en new wave geplaatst in Londen. Dit met de doorbraak van de genres in het najaar van 1976 bij de doorbraak van de Sex Pistols. Maar eigenlijk is Horses de eerste plaat waarvan ik de muziek als new wave ervaar. Verschenen in november 1975, een jaar eerder.
Gelukkig had het kersverse label Arista vertrouwen in deze groep talenten, dankzij concerten in de regio New York niet geheel groen. Terwijl de Sex Pistols in augustus 1975 voor het eerst bijeenkwamen, stapten Smith en haar bandleden de studio in voor dit debuut. Het kwam met de nodige ruzies tot stand: Smith had geen studio-ervaring maar wantrouwde de door haarzelf uitgekozen producer John Cale. Bovendien konden gastgitaristen Allen Lanier van het "grote" Blue Öyster Cult en Tom Verlaine van het nog onbekende Television elkaar niet uitstaan.
Desondanks is Cale erin geslaagd om het beste uit Smith en haar muzikanten te halen. Het klinkt goed en is gevarieerd. Van het compleet verbouwde Gloria van Them naar de reggae van Redondo Beach naar het negen minuten durende Birdland. Deels geïmproviseerd met die kenmerkende stem van de zangeres en naar een climax toewerkend. Liever hoor ik korter werk, zoals het mooie pianospel in het intro van het kalme Free Money, dat kant 1 afsluit en in een kleine vier minuten steeds intenser wordt.
Kant 2 kent met Kimberly en Break It up (de laatste met een gastrol voor Verlaine) minder contrasten maar wél intense uitvoeringen. Met de negen minuten van Land, dat uit twee delen bestaat, wordt weer het nodige geïmproviseerd.
Mogelijk ontstond omtrent die twee lange nummers de meeste onenigheid tussen Smith en Cale, want voor echte improvisatie is op de beperkte speelduur van een elpee weinig ruimte. En houd zo'n groep met wilskrachtige frontvrouw dan maar eens in toom, zoals bij paarden soms nodig is... Het is een verwijzing naar de albumtitel. Dan het slot met het dromerige Elegie. Hier de gastrol voor Lanier, het lied is kort en ingetogen.
Horses haalde destijds #47 in albumlijst Billboard 200. Smith kreeg in 1976 op haar beurt een gastrol bij Blue Öyster Cult op hun elpee Agents of Fortune. In 2005 verscheen een opgefriste heruitgave met livebonus alias Whocover My Generation, in 2017 gevolgd door dubbelaar Horses/Horses.
Was Smith in 1976 nog behoorlijk negatief over de producersbijdragen van Cale, inmiddels kijkt ze daar anders tegenaan, beseffend dat ze stronteigenwijs en onervaren was. Waarbij Cale alle geduld opbracht om de plaat te doen slagen, wat echter is gelukt.
Mijn reis vervolgt in het Londen van 1975 met Another Green World van Brian Eno.
Patti Smith Group - Easter (1978)

3,5
1
geplaatst: 24 mei 2024, 16:27 uur
Mijn eerste kennismaking met Patti Smith kwam via de radio, toen Because the Night een hit werd. Dit was new wave, leerde ik en de mij onbekende Bruce Springsteen had dit liedje voor haar geschreven. Gulzig absorbeerden mijn oren diverse hitparadeliedjes.
Deze haalde in juni 1978 slechts één week #47 in de Nationale Hitparade van de NOS en dat terwijl die op dat moment slechts 30 noteringen telde. Het nummer zal dus aan hun tipparade zijn overgelaten, uitgezonden door de NCRV. De Top 40 haalde het ook niet: slechts vijf weken Tipparade. Daar werd het sowieso niet gedraaid: Veronica was in die periode een aspirant-omroep.
Neemt niet weg dat het regelmatig op Hilversum 3 klonk, vast omdat het een favorietje van menig dj was. Het nestelde zich in mijn brein als pareltje. Van de sensuele tekst begreep ik toen nog he-le-maal niets.
De dichteres-zangeres Patti Smith zette met haar derde album, het tweede als Group uitgebracht, haar meest evenwichtige tot dan toe neer. Geproduceerd door Jimmy Iovine deze keer geen jams die per se op album moesten. Wél afgeronde liedjes. Plus een spoken word performance, het live opgenomen Babelogue, een woordenvloed die overgaat in het (op streaming gecensureerde) stomende Rock 'n' Roll Nigger; meer info in dit bericht, de discussie daarover staat hierboven.
Op de eerste plaatkant zijn dan het sterke uptempo Till Victory, Space Monkey met zijn intrigerende intro, geschreven met Tom Verlaine die inmiddels druk was met Television, daarna de single (in juni '78 #13 halend in de Billboard Hot 100 en daarmee de eerste newwavesingle die zo hoog kwam) en het op akoestische gitaar gebaseerde Ghost Dance voorafgegaan.
Op kant 2 gaat Smith worstelen met religie - of is het God zelf? Wat in Babelogue al begon, vervolgt in Privilege met daarin tekstdelen van Psalm 23. In interviews vertelt ze soms over haar interesse in bijbel en jodendom, zoals in het blad Forward dat een interview met de L.A. Times aanhaalt: “I’ve read the Bible quite a bit, there’s a lot of poetry in it — the Song of Solomon and the Psalms, a lot of poetry in Isaiah. So I tried to find language that wouldn’t be difficult to sing but wouldn’t feel out of place in this biblical setting.” Bij France 3 vertelde ze in 2017 meer, onder andere waarom ze graag in kerken optreedt.
Ballade We Three wordt gedragen door piano en Smiths pakkende zang, 25th Floor is stevig en uptempo, High on Rebellion schuurt muzikaal tegen punk aan en bevat wederom een gesproken voordracht. In afsluiter Easter begint met een eenvoudige maar pakkende orgel met eenvoudige bas-en-drumsbasis, gevolgd door zang en klokken, als een voorloper van het stemmige werk van Nick Cave, zeker met de mystieke tekst en in het slot klokken en doedelzak (gastblazer Jimmy Maxwell).
In 1996 verscheen een editie met extra uitleg van de zangeres plus bonustrack Godspeed, een krachtige ballade.
Voor Smith werd Because the Night onmiddelijk hét nummer over haar toekomstige echtgenoot Fred Smith van de invloedrijke (hard)rockers MC5. Meer over het liedje bij Billboard.
Mijn reis door new wave kwam vanaf het Britse The Only Ones en vervolgt bij een andere plaat uit juni 1978: het debuut van Magazine, de groep van Howard Devoto, ex-Buzzcocks.
Deze haalde in juni 1978 slechts één week #47 in de Nationale Hitparade van de NOS en dat terwijl die op dat moment slechts 30 noteringen telde. Het nummer zal dus aan hun tipparade zijn overgelaten, uitgezonden door de NCRV. De Top 40 haalde het ook niet: slechts vijf weken Tipparade. Daar werd het sowieso niet gedraaid: Veronica was in die periode een aspirant-omroep.
Neemt niet weg dat het regelmatig op Hilversum 3 klonk, vast omdat het een favorietje van menig dj was. Het nestelde zich in mijn brein als pareltje. Van de sensuele tekst begreep ik toen nog he-le-maal niets.
De dichteres-zangeres Patti Smith zette met haar derde album, het tweede als Group uitgebracht, haar meest evenwichtige tot dan toe neer. Geproduceerd door Jimmy Iovine deze keer geen jams die per se op album moesten. Wél afgeronde liedjes. Plus een spoken word performance, het live opgenomen Babelogue, een woordenvloed die overgaat in het (op streaming gecensureerde) stomende Rock 'n' Roll Nigger; meer info in dit bericht, de discussie daarover staat hierboven.
Op de eerste plaatkant zijn dan het sterke uptempo Till Victory, Space Monkey met zijn intrigerende intro, geschreven met Tom Verlaine die inmiddels druk was met Television, daarna de single (in juni '78 #13 halend in de Billboard Hot 100 en daarmee de eerste newwavesingle die zo hoog kwam) en het op akoestische gitaar gebaseerde Ghost Dance voorafgegaan.
Op kant 2 gaat Smith worstelen met religie - of is het God zelf? Wat in Babelogue al begon, vervolgt in Privilege met daarin tekstdelen van Psalm 23. In interviews vertelt ze soms over haar interesse in bijbel en jodendom, zoals in het blad Forward dat een interview met de L.A. Times aanhaalt: “I’ve read the Bible quite a bit, there’s a lot of poetry in it — the Song of Solomon and the Psalms, a lot of poetry in Isaiah. So I tried to find language that wouldn’t be difficult to sing but wouldn’t feel out of place in this biblical setting.” Bij France 3 vertelde ze in 2017 meer, onder andere waarom ze graag in kerken optreedt.
Ballade We Three wordt gedragen door piano en Smiths pakkende zang, 25th Floor is stevig en uptempo, High on Rebellion schuurt muzikaal tegen punk aan en bevat wederom een gesproken voordracht. In afsluiter Easter begint met een eenvoudige maar pakkende orgel met eenvoudige bas-en-drumsbasis, gevolgd door zang en klokken, als een voorloper van het stemmige werk van Nick Cave, zeker met de mystieke tekst en in het slot klokken en doedelzak (gastblazer Jimmy Maxwell).
In 1996 verscheen een editie met extra uitleg van de zangeres plus bonustrack Godspeed, een krachtige ballade.
Voor Smith werd Because the Night onmiddelijk hét nummer over haar toekomstige echtgenoot Fred Smith van de invloedrijke (hard)rockers MC5. Meer over het liedje bij Billboard.
Mijn reis door new wave kwam vanaf het Britse The Only Ones en vervolgt bij een andere plaat uit juni 1978: het debuut van Magazine, de groep van Howard Devoto, ex-Buzzcocks.
Patti Smith Group - Radio Ethiopia (1976)

3,0
1
geplaatst: 19 maart 2024, 11:10 uur
Leuk zo'n Oor-jaarlijstje als in het vorige bericht! Dit is natuurlijk ook maar een momentopname en zegt meteen iets hoe er toen tegenaan werd gekeken. Op dat moment konden we nog niet weten wat de omvang van punk en new wave zouden zijn: de naam van Smith rees hierna snel.
Op reis door de albums achter mijn afspeellijstjes met punk en new wave kom ik van The Saints bij de tweede van Patti Smith, de eerste als Patti Smith Group. Haar debuut is in mijn opinie de eerste pure newwavealbum ooit gemaakt, al is er dat geinige debuut van The Modern Lovers, opgenomen in '71-'72, dat evenwel pas in augustus 1976 verscheen.
Op de tweede plaat van een artiest staan vaak de laatste nummers uit de (oudere) liveset, vaak aangevuld met nieuw werk. Dat is ook op Radio Ethiopia het geval.
De New Yorkse Smith had al een jarenlange carrière als zangeres (was zelfs even beoogd frontvrouw van Blue Öyster Cult) maar prefereerde een solocarrière, waarin ze haar voorliefde voor poëzie kon integreren. Daarnaast was ze journalist voor o.a. Rolling Stone: iemand met een vaardige pen dus. De elpee verscheen in oktober 1976, als de Britse pers in de gaten krijgt dat er sensationele verhalen zijn te schrijven over een nieuw genre, dat inmiddels punk is gedoopt.
Op haar tweede valt op dat de compositorische inbreng van gitarist-bassist Ivan Král groot is én dat er naast kortere nummers driemaal wordt uitgepakt met langer werk. Op kant 1 eentje van een dikke zes minuten en één van zeven minuten, op de tweede helft het titelnummer dat pas na tien minuten zwijgt.
Ask the Angels opent met sterke zang die vast zijn invloed heeft gehad op latere wavenamen als Siouxsie Sioux. Ain't It Strange is de eerste van langere duur en bouwt naar een climax op, met een vrij lang stiller slot. Als Poppies iets soortgelijks doet, verlies ik mijn aandacht, mede door de diverse stemlagen, gezongen en gesproken door elkaar. Tegelijkertijd is dat helemaal prima: de "ijzeren regel" van 'drie akkoorden, kort en bondig' die zo vaak op punk en new wave werd geplakt, is hier zeker níet van toepassing. Leve de artistieke vrijheid.
Pissing in a River is stemmiger en past prima in de kleine vijf minuten. Fraai opgebouwd met ingetogen pianospel in het intro en stevige of juist sferische gitaren.
Kant 2 trapt stevig en uptempo af met Pumping My Heart: heerlijk nummer, waarna Distant Fingers het iets ingetogener opnieuw sterk doet.
Dan het titellied, dat niet voor mij is gemaakt, gebouwd op gitaargeluiden en -effecten en het langzaam naar een climax toegroeien. Een te lange jam. Het gaat verstild over in Abyssinia.
Op haar debuut lag ze vaak in de clinch met de zelfgekozen producer John Cale, die de eigenzinnige artieste evenwel wist te begrenzen. Nieuwe producer Jack Douglas is daar minder in geslaagd, wat leidt tot een enigszins tweeslachtige plaat.
Mijn reis vervolgt in Londen met de tweede van Graham Parker & The Rumour, in diezelfde maand verschenen.
Op reis door de albums achter mijn afspeellijstjes met punk en new wave kom ik van The Saints bij de tweede van Patti Smith, de eerste als Patti Smith Group. Haar debuut is in mijn opinie de eerste pure newwavealbum ooit gemaakt, al is er dat geinige debuut van The Modern Lovers, opgenomen in '71-'72, dat evenwel pas in augustus 1976 verscheen.
Op de tweede plaat van een artiest staan vaak de laatste nummers uit de (oudere) liveset, vaak aangevuld met nieuw werk. Dat is ook op Radio Ethiopia het geval.
De New Yorkse Smith had al een jarenlange carrière als zangeres (was zelfs even beoogd frontvrouw van Blue Öyster Cult) maar prefereerde een solocarrière, waarin ze haar voorliefde voor poëzie kon integreren. Daarnaast was ze journalist voor o.a. Rolling Stone: iemand met een vaardige pen dus. De elpee verscheen in oktober 1976, als de Britse pers in de gaten krijgt dat er sensationele verhalen zijn te schrijven over een nieuw genre, dat inmiddels punk is gedoopt.
Op haar tweede valt op dat de compositorische inbreng van gitarist-bassist Ivan Král groot is én dat er naast kortere nummers driemaal wordt uitgepakt met langer werk. Op kant 1 eentje van een dikke zes minuten en één van zeven minuten, op de tweede helft het titelnummer dat pas na tien minuten zwijgt.
Ask the Angels opent met sterke zang die vast zijn invloed heeft gehad op latere wavenamen als Siouxsie Sioux. Ain't It Strange is de eerste van langere duur en bouwt naar een climax op, met een vrij lang stiller slot. Als Poppies iets soortgelijks doet, verlies ik mijn aandacht, mede door de diverse stemlagen, gezongen en gesproken door elkaar. Tegelijkertijd is dat helemaal prima: de "ijzeren regel" van 'drie akkoorden, kort en bondig' die zo vaak op punk en new wave werd geplakt, is hier zeker níet van toepassing. Leve de artistieke vrijheid.
Pissing in a River is stemmiger en past prima in de kleine vijf minuten. Fraai opgebouwd met ingetogen pianospel in het intro en stevige of juist sferische gitaren.
Kant 2 trapt stevig en uptempo af met Pumping My Heart: heerlijk nummer, waarna Distant Fingers het iets ingetogener opnieuw sterk doet.
Dan het titellied, dat niet voor mij is gemaakt, gebouwd op gitaargeluiden en -effecten en het langzaam naar een climax toegroeien. Een te lange jam. Het gaat verstild over in Abyssinia.
Op haar debuut lag ze vaak in de clinch met de zelfgekozen producer John Cale, die de eigenzinnige artieste evenwel wist te begrenzen. Nieuwe producer Jack Douglas is daar minder in geslaagd, wat leidt tot een enigszins tweeslachtige plaat.
Mijn reis vervolgt in Londen met de tweede van Graham Parker & The Rumour, in diezelfde maand verschenen.
Patti Smith Group - Wave (1979)

4,5
4
geplaatst: 12 september 2024, 21:29 uur
Op reis door de new wave van 1979 werd ik, komend vanaf The Monochrome Set, tot twee weken stilstaan gedwongen. De reden: dit Wave van de Patti Smith Group. Haar vierde album en de derde met de Group bleek van zo'n grote klasse, dat ik na het éénmaal via streaming te hebben beluisterd, de plaat op vinyl heb aangeschaft om die frequent te beluisteren.
Van een verpletterende schoonheid is Frederick, een ode aan haar geliefde Fred Smith, de latere vader van hun twee kinderen. Naast de liefde voor deze muze klinkt een tweede Muze door; met hoofdletter, want gedurende het album krijg ik de indruk dat Smith was aangeraakt door verwondering voor een hogere Persoon. "The music is reconciliation w/ god" lees ik op één het blad in de plaat besloten.
Dancing Barefoot (met mijn gebrekkige Engels dacht ik indertijd dat het over dansende berenvoeten ging) haalde in juni 1979 #39 in de Nationale Hitparade. Tijdloos mooi, geschreven met Ivan Kral.
Dan de gedreven Byrdscover So You Want to Be (A Rock'n Roll Star) en het ingetogen gebed Hymn. Momenteel is veel te lezen over de nieuwe Nick Cave, bij Smith ontdek ik dat zij zich 45 jaar eerder op soortgelijke wijze uitstrekte naar Boven. Hier is de muziek nogal eens energieker, dit waren immers de dagen van new wave.
Op veel elpees uit deze jaren wil de B-kant nogal eens tegenvallen; hier gaat het onverminderd sterk door. Zoals Citizen Ship, waar het statenloze ex-Tsjechoslowaakse bandlid Ivan Kral op het fotovel een bijbeltekst meekrijgt: "And I shall be a fugitive and a vagabond in the earth".
Seven Ways of Going begint sacraal om op te bouwen naar een drukke climax, het met gitarist Lenny Kaye geschreven Broken Flag kent een wonderschone zanglijn. Wave is een bijzonder slotlied; niet het mooiste nummer van de plaat, wel passend-sferisch.
Op streaming kom ik twee bonussen tegen van de heruitgave uit 1996: Fire of Unknown Origin ken ik van Blue Öyster Cult uit 1981, hier klinkt de naakte versie, zoals Smith het oorspronkelijk schreef. Boeiend om te ontdekken hoe BÖC de tekst ombouwde en de muziek elektrificeerde. En een liveversie van het punkachtige 54321 / Wave. Geinig, maar eigenlijk heb ik genoeg aan het originele vinyl, zeker met de prachtige vormgeving.
Het album haalde de albumlijst van VARA/NOS: #16 in juni '79. In de V.S. piekte het in diezelfde maand op #18. Daar was niet Dancing Barefoot, maar Frederick de hitsingle: #90 in augustus.
De Patti Smith Group werd opgeheven en mevrouw Smith stichtte met haar geliefde een gezin. In 1988 keerde ze terug met nieuwe muziek.
En afgelopen week ontdekte ik dat ik bij mijn reis door het land van new wave een belangrijke Belgische groep vergat. Daarom reis ik naar hun twee platen uit 1978, om te beginnen het titelloze debuut: The Kids.
Van een verpletterende schoonheid is Frederick, een ode aan haar geliefde Fred Smith, de latere vader van hun twee kinderen. Naast de liefde voor deze muze klinkt een tweede Muze door; met hoofdletter, want gedurende het album krijg ik de indruk dat Smith was aangeraakt door verwondering voor een hogere Persoon. "The music is reconciliation w/ god" lees ik op één het blad in de plaat besloten.
Dancing Barefoot (met mijn gebrekkige Engels dacht ik indertijd dat het over dansende berenvoeten ging) haalde in juni 1979 #39 in de Nationale Hitparade. Tijdloos mooi, geschreven met Ivan Kral.
Dan de gedreven Byrdscover So You Want to Be (A Rock'n Roll Star) en het ingetogen gebed Hymn. Momenteel is veel te lezen over de nieuwe Nick Cave, bij Smith ontdek ik dat zij zich 45 jaar eerder op soortgelijke wijze uitstrekte naar Boven. Hier is de muziek nogal eens energieker, dit waren immers de dagen van new wave.
Op veel elpees uit deze jaren wil de B-kant nogal eens tegenvallen; hier gaat het onverminderd sterk door. Zoals Citizen Ship, waar het statenloze ex-Tsjechoslowaakse bandlid Ivan Kral op het fotovel een bijbeltekst meekrijgt: "And I shall be a fugitive and a vagabond in the earth".
Seven Ways of Going begint sacraal om op te bouwen naar een drukke climax, het met gitarist Lenny Kaye geschreven Broken Flag kent een wonderschone zanglijn. Wave is een bijzonder slotlied; niet het mooiste nummer van de plaat, wel passend-sferisch.
Op streaming kom ik twee bonussen tegen van de heruitgave uit 1996: Fire of Unknown Origin ken ik van Blue Öyster Cult uit 1981, hier klinkt de naakte versie, zoals Smith het oorspronkelijk schreef. Boeiend om te ontdekken hoe BÖC de tekst ombouwde en de muziek elektrificeerde. En een liveversie van het punkachtige 54321 / Wave. Geinig, maar eigenlijk heb ik genoeg aan het originele vinyl, zeker met de prachtige vormgeving.
Het album haalde de albumlijst van VARA/NOS: #16 in juni '79. In de V.S. piekte het in diezelfde maand op #18. Daar was niet Dancing Barefoot, maar Frederick de hitsingle: #90 in augustus.
De Patti Smith Group werd opgeheven en mevrouw Smith stichtte met haar geliefde een gezin. In 1988 keerde ze terug met nieuwe muziek.
En afgelopen week ontdekte ik dat ik bij mijn reis door het land van new wave een belangrijke Belgische groep vergat. Daarom reis ik naar hun twee platen uit 1978, om te beginnen het titelloze debuut: The Kids.
Paul Di’Anno’s Warhorse - Paul Di’Anno’s Warhorse (2024)

3,0
0
geplaatst: 16 augustus 2024, 18:54 uur
Na 1981 maakte Paul DiAnno melodieuzer en energie-armer werk dan met Maiden het geval was. Ik verloor rap mijn interesse. Veelzeggend is dat het beste wat ik sindsdien van hem hoorde altijd remakes van die eerste twee Maidens waren. In het internettijdperk volgde ik hem van een afstandje. Zo af en toe duikt hij op in het muzieknieuws, zoals de ontmoeting waar Von Helsing laatst over schreef. Nu Paul Di’Anno’s Warhorse online staat, eens op mijn gemakkie tijdens het koken beluisterd.
Dit project kwam in 2023 tot stand met de Kroatische gitaristen Hrvoje Madiraca and Ante Pupačić Pupi. Wat Deranged schreef, onderschrijf ik: "Meer Priestvibe dan Maiden" : stevige metal in de NwoBhm-stijl, gegoten in composities waarvan ik niet steil achterover sla, al staan de twee sidekicks als gitarist hun mannetje.
Noem mij oud en sentimenteel, maar ik mis al sinds 1982 de talrijke en plotse wendingen die indertijd in Maidens muziek zaten. Dit zowel bij zijn oude bandje als hier bij Warhorse. Al weerklinkt iets daarvan na vier robuuste metalnummers vanaf track 5. The Doubt Within is meteen mijn grootste favorietje, mede omdat hij met zijn stem schakelt van rauw naar clean. In de categorie 'helemaal okay' zijn het uptempo Warhorse en Here Comes the Night, net als de semiballade Forever Bound. Te vaak hoor ik echter wat standaardmetal waarbij Di'Anno's stem nét een rauw randje tekort komt om een nummer te laten bijten.
Ronduit overbodig is de cover van surfklassiekertje Tequila. Di'Anno gromt de naam van zijn lievelingsdrankje en even denk ik dat het vooral een instrumentaal nummer vol snarentovenarij zal worden. Het blijkt vlees nog vis.
Als geheel: meestal hard en heavy, in een vrij droge productie en gelukkig niet volgestopt met digitale pro-tools. Het bevalt me het meest bij de keren dat de groep gas terugneemt en met dynamiek gaat spelen. Eigenlijk gun ik Di'Anno wel een serieuze comeback, dus wie mij wil tegenspreken: zéér welkom!
Dit project kwam in 2023 tot stand met de Kroatische gitaristen Hrvoje Madiraca and Ante Pupačić Pupi. Wat Deranged schreef, onderschrijf ik: "Meer Priestvibe dan Maiden" : stevige metal in de NwoBhm-stijl, gegoten in composities waarvan ik niet steil achterover sla, al staan de twee sidekicks als gitarist hun mannetje.
Noem mij oud en sentimenteel, maar ik mis al sinds 1982 de talrijke en plotse wendingen die indertijd in Maidens muziek zaten. Dit zowel bij zijn oude bandje als hier bij Warhorse. Al weerklinkt iets daarvan na vier robuuste metalnummers vanaf track 5. The Doubt Within is meteen mijn grootste favorietje, mede omdat hij met zijn stem schakelt van rauw naar clean. In de categorie 'helemaal okay' zijn het uptempo Warhorse en Here Comes the Night, net als de semiballade Forever Bound. Te vaak hoor ik echter wat standaardmetal waarbij Di'Anno's stem nét een rauw randje tekort komt om een nummer te laten bijten.
Ronduit overbodig is de cover van surfklassiekertje Tequila. Di'Anno gromt de naam van zijn lievelingsdrankje en even denk ik dat het vooral een instrumentaal nummer vol snarentovenarij zal worden. Het blijkt vlees nog vis.
Als geheel: meestal hard en heavy, in een vrij droge productie en gelukkig niet volgestopt met digitale pro-tools. Het bevalt me het meest bij de keren dat de groep gas terugneemt en met dynamiek gaat spelen. Eigenlijk gun ik Di'Anno wel een serieuze comeback, dus wie mij wil tegenspreken: zéér welkom!
Pauline Murray & The Invisible Girls - Pauline Murray & The Invisible Girls (1980)

4,0
0
geplaatst: 30 april 2025, 12:54 uur
Je bent gezegend met een sympathieke stem en zingt in een band die Penetration heet. Als je dan verder wilt in de muziek, is het verstandig om onder een andere naam je carrière te vervolgen. Zeker als zelfs het demo-/livealbum van je oude groep de Britse albumlijst haalde.
Dus ging Pauline Murray onder eigen naam met nieuwe groep The Invisible Girls (allen ♂♂♂♂!) verder. Dit met new wave waar de scherpe kantjes vanaf waren gehaald. Toegankelijke liedjes die me enigszins doen denken aan hetgeen Altered Images een jaar later uitbracht. Moet ook denken aan Feargal Sharkey van The Undertones, toen hij solo van punk naar pop overstapte. In het geval van Murray: licht verteerbare wave of zo u wilt post-punk, lief en charmant.
Smaken verschillen. Hierboven wordt negatief geschreven over Murrays stem; in mijn oren is haar stem wel degelijk aangenaam. Wel herken ik dat gedurende het album een zekere verzadiging optreedt, maar begin de plaat met kant 2 (track 7) en ook die tweede helft blijkt diverse pakkende oorwurmpjes te bevatten.
Favorieten op kant 1: de vlotte opener Screaming in the Darkness met zijn lange zanglijnen, de single Dream Sequence die bij entree in de Britse hitsinglelijst, eind juli 1980, meteen zijn hoogste positie haalde, een uiterst bescheiden #67, het snelle European Eyes en in Shoot You Down meen ik bijna een nummer van The Smiths te herkennen.
Op kant 2 Thundertunes met heerlijke instrumentatie (pianolijnen!) en zang, When Will We Learn is weer alsof het een invloed op The Smiths zou worden en Mr. X heeft iets weg van Siouxsie and The Banshees; in Judgement Day klinkt met de zware baslijn iets door van de doemwave, zoals mijn vriendenkring dit destijds noemde. Even tellen: dat zijn maar liefst acht van de elf nummers.
De drie bonussen die in 1993 op de cd-editie landden, zijn aardig. Beste nummer hiervan is Animal Crazy met een sequencer plus digitale beat á la Giorgio Moroder. Dat Bernard Sumner van Joy Division/New Order met een gitaarsolo op Searching for Heaven en vooral albumproducer Martin Hannet ook een rol vervulden, zijn leuke feitjes.
Toch is het vooral op eigen kracht dat Pauline en de meeste liedjes mij overtuigen. De titelloze elpee haalde in oktober 1980 de Britse albumlijst, piekend op #25. Pas in 1989 bracht Murray opvolger Storm Clouds uit.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave kwam van de tweede van Adam and the Ants en vervolgt in augustus 1980. Een randgeval qua wave: het Nederlandse The Press en hun hit I'm Gonna Shoot the Deejay.
Dus ging Pauline Murray onder eigen naam met nieuwe groep The Invisible Girls (allen ♂♂♂♂!) verder. Dit met new wave waar de scherpe kantjes vanaf waren gehaald. Toegankelijke liedjes die me enigszins doen denken aan hetgeen Altered Images een jaar later uitbracht. Moet ook denken aan Feargal Sharkey van The Undertones, toen hij solo van punk naar pop overstapte. In het geval van Murray: licht verteerbare wave of zo u wilt post-punk, lief en charmant.
Smaken verschillen. Hierboven wordt negatief geschreven over Murrays stem; in mijn oren is haar stem wel degelijk aangenaam. Wel herken ik dat gedurende het album een zekere verzadiging optreedt, maar begin de plaat met kant 2 (track 7) en ook die tweede helft blijkt diverse pakkende oorwurmpjes te bevatten.
Favorieten op kant 1: de vlotte opener Screaming in the Darkness met zijn lange zanglijnen, de single Dream Sequence die bij entree in de Britse hitsinglelijst, eind juli 1980, meteen zijn hoogste positie haalde, een uiterst bescheiden #67, het snelle European Eyes en in Shoot You Down meen ik bijna een nummer van The Smiths te herkennen.
Op kant 2 Thundertunes met heerlijke instrumentatie (pianolijnen!) en zang, When Will We Learn is weer alsof het een invloed op The Smiths zou worden en Mr. X heeft iets weg van Siouxsie and The Banshees; in Judgement Day klinkt met de zware baslijn iets door van de doemwave, zoals mijn vriendenkring dit destijds noemde. Even tellen: dat zijn maar liefst acht van de elf nummers.
De drie bonussen die in 1993 op de cd-editie landden, zijn aardig. Beste nummer hiervan is Animal Crazy met een sequencer plus digitale beat á la Giorgio Moroder. Dat Bernard Sumner van Joy Division/New Order met een gitaarsolo op Searching for Heaven en vooral albumproducer Martin Hannet ook een rol vervulden, zijn leuke feitjes.
Toch is het vooral op eigen kracht dat Pauline en de meeste liedjes mij overtuigen. De titelloze elpee haalde in oktober 1980 de Britse albumlijst, piekend op #25. Pas in 1989 bracht Murray opvolger Storm Clouds uit.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave kwam van de tweede van Adam and the Ants en vervolgt in augustus 1980. Een randgeval qua wave: het Nederlandse The Press en hun hit I'm Gonna Shoot the Deejay.
Penetration - Coming Up for Air (1979)

3,5
0
geplaatst: 22 april 2025, 19:55 uur
Op reis door de wondere wereld van new wave en aanverwanten bleek ik de groep Penetration te zijn vergeten. Een jaar na hun debuut, mijn vorige halte, verscheen Coming up for Air dat begin oktober 1979 tot #36 reikte in de Britse albumlijst.
Hij bestaat verrassenderwijs uit demo's (kant 1) en liveopnamen (kant 2). Centraal staat zangeres Pauline Murray, die met de mannen in haar groep een melodieuze versie van het genre neerzet.
Soms gaat de muziek verder dan punk, zoals Last Saving Grace, dat de kant van new wave opschuift omdat de gitaren minder scheuren. Maar het korte Killed in the Rush gromt dan weer venijnig. En dankzij sommige gitaarsolo's, zoals die in Challenge, neigt het naar (hard)rock. Verantwoordelijk hiervoor is gitarist Fred Purser, die zou opduiken bij metalband Tygers of Pan Tang uit Newcastle als vervanger van John Sykes.
Penetration viel namelijk eind 1979 uit elkaar. Pauline Murray ging verder met Pauline Murray & The Invisible Girls en was in 1980 te horen op album Baby's Got a Gun van The Only Ones.
Overigens vermeldt MuMe bij Coming up for Air veertien nummers, waar Discogs er zestien noteert.
In mijn reis door new wave keer ik terug naar 1980: het debuut van Hazel O'Connor.
Hij bestaat verrassenderwijs uit demo's (kant 1) en liveopnamen (kant 2). Centraal staat zangeres Pauline Murray, die met de mannen in haar groep een melodieuze versie van het genre neerzet.
Soms gaat de muziek verder dan punk, zoals Last Saving Grace, dat de kant van new wave opschuift omdat de gitaren minder scheuren. Maar het korte Killed in the Rush gromt dan weer venijnig. En dankzij sommige gitaarsolo's, zoals die in Challenge, neigt het naar (hard)rock. Verantwoordelijk hiervoor is gitarist Fred Purser, die zou opduiken bij metalband Tygers of Pan Tang uit Newcastle als vervanger van John Sykes.
Penetration viel namelijk eind 1979 uit elkaar. Pauline Murray ging verder met Pauline Murray & The Invisible Girls en was in 1980 te horen op album Baby's Got a Gun van The Only Ones.
Overigens vermeldt MuMe bij Coming up for Air veertien nummers, waar Discogs er zestien noteert.
In mijn reis door new wave keer ik terug naar 1980: het debuut van Hazel O'Connor.
Penetration - Moving Targets (1978)

3,5
0
geplaatst: 22 april 2025, 18:47 uur
Op reis door new wave reis ik van de DDR-groep Silly drie jaar terug naar 22 oktober 1978, als Moving Targets de Britse albumlijst betreedt op #22, namens de groep Penetration. Met zo'n bandnaam zou je kunnen denken dat het hier überseksistische machorock of metal betreft, maar dat zit anders.
Frontvrouwe Pauline Murray werd spoedig bekend als één van de vrouwen in de Britse punk. Een vrouw als een zelfstandige, mondige burger in de popmuziek? Dat was in '78 nog geen vanzelfsprekendheid, leer ik ook van deze foto van de Ladies Tea Party, in 1980 georganiseerd in Londen door Debbie Harry van Blondie. Murray ontbrak hierbij, maar past naadloos in het rijtje namen dat in de tekst langskomt. Penetration was afkomstig uit Ferryhill, ten zuiden van Newcastle.
Hierboven een ietwat curieus bericht over "niet kunnen kiezen tussen". In 1978 waren de genoemde stijlbenamingen nog piepjong en liepen de interpretaties ervan dwars door elkaar. Zelfs het onderscheid tussen punk en new wave was nog niet eensluidend, waarbij de termen new wave en postpunk synoniemen waren.
Penetration stond te boek als punk, waarbij ze musiceerden in de voetsporen van Sex Pistols en vooral Buzzcocks. Behalve een vrouwelijke vocalist is de rol van gitarist Fred Purser afwijkend: hij weet af en toe klassieke rocksolo's in de nummers te smeden.
Wat vooral klinkt is uptempo rock met Murrays expressieve en heldere stem. Felste nummers op kant 1 zijn Life's a Gamble en slotlied Stone Heroes. Op kant 2 heten de punkigste nummers Nostalgia (oorspronkelijk van de Buzzcocks) en (oorspronkelijk van de Patti Smith Group) Freemoney - mijn streaming platform schrijft dat spellingscorrect met twee woorden, maar op het oorspronkelijke vinyl is dat anders, net als op latere uitgaven.
Enigszins afwijkend is Movement, dat kant 2 opent: het heeft een vleugje ska in rock verpakt. Verder dus nogal eens "classic (hard)rock". Leuk dat die genres hier zo door elkaar lopen, als een voorbode van de crossover punk/hardcore die later onder invloed van Motörhead en Discharge zou ontstaan. Vanaf 1990 verschenen van Moving Targets cd-edities met vier bonusnummers.
Ook de opvolger van dit album had ik abusievelijk overgeslagen. Volgende halte is daarom Coming up for Air van het jaar erna.
Frontvrouwe Pauline Murray werd spoedig bekend als één van de vrouwen in de Britse punk. Een vrouw als een zelfstandige, mondige burger in de popmuziek? Dat was in '78 nog geen vanzelfsprekendheid, leer ik ook van deze foto van de Ladies Tea Party, in 1980 georganiseerd in Londen door Debbie Harry van Blondie. Murray ontbrak hierbij, maar past naadloos in het rijtje namen dat in de tekst langskomt. Penetration was afkomstig uit Ferryhill, ten zuiden van Newcastle.
Hierboven een ietwat curieus bericht over "niet kunnen kiezen tussen". In 1978 waren de genoemde stijlbenamingen nog piepjong en liepen de interpretaties ervan dwars door elkaar. Zelfs het onderscheid tussen punk en new wave was nog niet eensluidend, waarbij de termen new wave en postpunk synoniemen waren.
Penetration stond te boek als punk, waarbij ze musiceerden in de voetsporen van Sex Pistols en vooral Buzzcocks. Behalve een vrouwelijke vocalist is de rol van gitarist Fred Purser afwijkend: hij weet af en toe klassieke rocksolo's in de nummers te smeden.
Wat vooral klinkt is uptempo rock met Murrays expressieve en heldere stem. Felste nummers op kant 1 zijn Life's a Gamble en slotlied Stone Heroes. Op kant 2 heten de punkigste nummers Nostalgia (oorspronkelijk van de Buzzcocks) en (oorspronkelijk van de Patti Smith Group) Freemoney - mijn streaming platform schrijft dat spellingscorrect met twee woorden, maar op het oorspronkelijke vinyl is dat anders, net als op latere uitgaven.
Enigszins afwijkend is Movement, dat kant 2 opent: het heeft een vleugje ska in rock verpakt. Verder dus nogal eens "classic (hard)rock". Leuk dat die genres hier zo door elkaar lopen, als een voorbode van de crossover punk/hardcore die later onder invloed van Motörhead en Discharge zou ontstaan. Vanaf 1990 verschenen van Moving Targets cd-edities met vier bonusnummers.
Ook de opvolger van dit album had ik abusievelijk overgeslagen. Volgende halte is daarom Coming up for Air van het jaar erna.
Pere Ubu - Dub Housing (1978)

3,5
1
geplaatst: 15 juli 2024, 13:14 uur
De tweede langspeler van Pere Ubu verscheen in november 1978. bart1989 schreef in 2012: "Een 3, waar zat ik met mijn hoofd? Mijn scores op de hieropvolgende pere ubu albums ook maar eens proberen te verhogen zeker.. Soms schaam ik mij voor mijn kortzichtigheid, maar ik ben bezig met herbeluistering!"
Ik glimlachte bij het lezen. Het is bij Dub Housing zoals captain scarlet bij het debuut noteerde: "Opvallend dat veel stemmers hiervoor aanvankelijk een lagere waardering hebben gegeven en deze later hebben verhoogd. Blijkbaar typisch 'n album dat even moet indalen." Alleen al de fladderende, hoge zang van David Thomas behoeft enige gewenning, waarbij menigeen bij voorbaat zal afhaken.
De albumtitel verwijst niet alleen naar de huizenblokken op de hoes, maar ook naar Thomas' jaren bij de Jehovah's getuigen, blijkens dit artikel in online magazine Rock and Roll Globe uit 2023. De schrijver ervan was dertien toen hij de groep voor het eerst hoorde. Ik hoorde hen pas in het streaming tijdperk; was al die jaren in de veronderstelling dat Pere Ubu een naam uit de reggaewereld was, zoals Lee Perry...
Dub Housing beleef ik als iets minder avant-gardistisch dan het debuut. De eerste drie nummers bijvoorbeeld: weliswaar niet het reguliere kopje thee, maar saxofoonpartijen met piep-piep-knor-jazz blijven achterwege. Navvy leunt zowaar op een rockende gitaarriff, waar Tom Herman een heerlijk absurdistische solo aan toevoegt. Het ijle orgellijntje in On the Surface is eveneens toegankelijk (dank fatima voor de transcriptie van de gesproken tekst!) en na deze twee uptempo nummers volgt het langzamere titellied, met bedachtzame piano én eigenwijze sax.
Dan is het alsof het viertal elkaar aankijkt, toeknikt en voor experimenteler vaarwater kiest. Caligari's Mirror met zijn atonale, soms verstilde geluiden. De noiseachtige geluiden en soundscapes van Thriller! doen de titel eer aan, een filmisch slot van kant 1. Zo gaat het op diverse wijzen door, muziek die tevens geschikt is om het meeste ongewenste bezoek te verjagen.
Jazzachtige sferen worden aan het begint van de tweede plaatkant gecombineerd met een rockritme en -gitaar. Lekker hoor! Met (Pa) Ubu Dance Party, halverwege kant 2, wordt het iets toegankelijker, Blow Daddy-O is weer avant-gardistisch en met de Ubureggae van Codex wordt afgesloten. "I think about you all the time", Thomas zingt het op een wijze die menig potentiële geliefde zou doen weglopen - ik proef enige ironie.
Waarschijnlijk zijn er twee categorieën reacties. Ofwel je wordt hier dolenthousiast van, ofwel je duwt Pere Ubu met een vies gezicht weg. Ik snap beide reacties en maak er (laf, ik weet het) 3,5 ster van. Maatje JeKo zal hier op een veel hogere score uitkomen, vermoed ik.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave kwam van Pere Ubu's debuut. Die lijst had ook Natürträne van het debuut van de Nina Hagen Band moeten bevatten, maar die ontbreekt bij mijn streamingdienst. Bovendien schreef ik daar vorig jaar al over. Dus vervolg ik bij (The) Subway Sect, Londense punkpioniers met een hectische geschiedenis.
Ik glimlachte bij het lezen. Het is bij Dub Housing zoals captain scarlet bij het debuut noteerde: "Opvallend dat veel stemmers hiervoor aanvankelijk een lagere waardering hebben gegeven en deze later hebben verhoogd. Blijkbaar typisch 'n album dat even moet indalen." Alleen al de fladderende, hoge zang van David Thomas behoeft enige gewenning, waarbij menigeen bij voorbaat zal afhaken.
De albumtitel verwijst niet alleen naar de huizenblokken op de hoes, maar ook naar Thomas' jaren bij de Jehovah's getuigen, blijkens dit artikel in online magazine Rock and Roll Globe uit 2023. De schrijver ervan was dertien toen hij de groep voor het eerst hoorde. Ik hoorde hen pas in het streaming tijdperk; was al die jaren in de veronderstelling dat Pere Ubu een naam uit de reggaewereld was, zoals Lee Perry...

Dub Housing beleef ik als iets minder avant-gardistisch dan het debuut. De eerste drie nummers bijvoorbeeld: weliswaar niet het reguliere kopje thee, maar saxofoonpartijen met piep-piep-knor-jazz blijven achterwege. Navvy leunt zowaar op een rockende gitaarriff, waar Tom Herman een heerlijk absurdistische solo aan toevoegt. Het ijle orgellijntje in On the Surface is eveneens toegankelijk (dank fatima voor de transcriptie van de gesproken tekst!) en na deze twee uptempo nummers volgt het langzamere titellied, met bedachtzame piano én eigenwijze sax.
Dan is het alsof het viertal elkaar aankijkt, toeknikt en voor experimenteler vaarwater kiest. Caligari's Mirror met zijn atonale, soms verstilde geluiden. De noiseachtige geluiden en soundscapes van Thriller! doen de titel eer aan, een filmisch slot van kant 1. Zo gaat het op diverse wijzen door, muziek die tevens geschikt is om het meeste ongewenste bezoek te verjagen.
Jazzachtige sferen worden aan het begint van de tweede plaatkant gecombineerd met een rockritme en -gitaar. Lekker hoor! Met (Pa) Ubu Dance Party, halverwege kant 2, wordt het iets toegankelijker, Blow Daddy-O is weer avant-gardistisch en met de Ubureggae van Codex wordt afgesloten. "I think about you all the time", Thomas zingt het op een wijze die menig potentiële geliefde zou doen weglopen - ik proef enige ironie.
Waarschijnlijk zijn er twee categorieën reacties. Ofwel je wordt hier dolenthousiast van, ofwel je duwt Pere Ubu met een vies gezicht weg. Ik snap beide reacties en maak er (laf, ik weet het) 3,5 ster van. Maatje JeKo zal hier op een veel hogere score uitkomen, vermoed ik.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave kwam van Pere Ubu's debuut. Die lijst had ook Natürträne van het debuut van de Nina Hagen Band moeten bevatten, maar die ontbreekt bij mijn streamingdienst. Bovendien schreef ik daar vorig jaar al over. Dus vervolg ik bij (The) Subway Sect, Londense punkpioniers met een hectische geschiedenis.
Pere Ubu - New Picnic Time (1979)

3,0
0
geplaatst: 7 oktober 2024, 17:34 uur
In de reis door new wave van 1979 kom ik van de activistische muziek van de Tom Robinson Band bij de vreemde eend in de bijt: Pere Ubu. Hun eerste uit 1978 was vrij avant-gardistisch, de tweede uit datzelfde jaar vond ik verrassend wat conservatiever. Met New Picnic Time rekte vadertje Ubu de grenzen echter op én stopt daarin de nodige humor.
Die klinkt meteen in opener The Fabulous Sequel, waarin frontman David Thomas ons met zijn hoge fladderstem enthousiast toezingt "It's me again! Hey, it's me again!". Meer pret in 49 Guitars and One Girl met de woorden "It was the sound he heard. It was a very funny feel. (...) Bubbles, bubbles of air".
In A Small Dark Cloud ontbreekt een muziekmaat en ontstaat een geluidscollage. Hierboven beschreven sommigen het als muziek bij een horrorfilm; ik denk eerder aan muziek in een centrum voor moderne kunsten. Niet griezelig, maar buiten de kaders van een ritme, al klinkt wel degelijk percussie.
Small Was Fast is dan iets toegankelijker, waar bij de pseudo-native American zang met "ha-wa-wa-wa" in grappig contrast staat met Thomas' kopstem. De volgende stap in atonaal landschap is All the Dogs are Barking. Ja, nu snap ik waarom aan horrorfilms wordt gedacht! Je zou het inderdaad als griezelig kunnen ervaren, voor mijn ogen zie ik echter witte muren in een steriel museum.
Een zelfde variatie tussen de vrolijk geflipte composities en soundscapes volgt op de tweede plaatkant, met als grootste verrassingen het hoorspel The Voice of the Sand, dat 87 seconden duurt, is gebaseerd op een gedicht van de Amerikaan Vachel Lindsay (1879 - 1931) en klinkt als een oorlog die op een strand wordt gevoerd, gevolgd door de titel Jehovah's Kingdom Come! dat op de heruitgave uit 1989 is hertiteld tot Hand a Face a Feeling en vanaf 1999 als Kingdom Come werd vermeld.
Luistert dit album makkelijk? Neen. Maar dat was ook nooit de bedoeling. Met de soundscapes heb ik niet veel, laat onverlet dat dit een lekker eigenwijs album is, slechts geschikt voor een klein publiek. Waar ik dus niet bij hoor...
Mijn reis door new wave vervolgt met het debuut van The Fall.
Die klinkt meteen in opener The Fabulous Sequel, waarin frontman David Thomas ons met zijn hoge fladderstem enthousiast toezingt "It's me again! Hey, it's me again!". Meer pret in 49 Guitars and One Girl met de woorden "It was the sound he heard. It was a very funny feel. (...) Bubbles, bubbles of air".
In A Small Dark Cloud ontbreekt een muziekmaat en ontstaat een geluidscollage. Hierboven beschreven sommigen het als muziek bij een horrorfilm; ik denk eerder aan muziek in een centrum voor moderne kunsten. Niet griezelig, maar buiten de kaders van een ritme, al klinkt wel degelijk percussie.
Small Was Fast is dan iets toegankelijker, waar bij de pseudo-native American zang met "ha-wa-wa-wa" in grappig contrast staat met Thomas' kopstem. De volgende stap in atonaal landschap is All the Dogs are Barking. Ja, nu snap ik waarom aan horrorfilms wordt gedacht! Je zou het inderdaad als griezelig kunnen ervaren, voor mijn ogen zie ik echter witte muren in een steriel museum.
Een zelfde variatie tussen de vrolijk geflipte composities en soundscapes volgt op de tweede plaatkant, met als grootste verrassingen het hoorspel The Voice of the Sand, dat 87 seconden duurt, is gebaseerd op een gedicht van de Amerikaan Vachel Lindsay (1879 - 1931) en klinkt als een oorlog die op een strand wordt gevoerd, gevolgd door de titel Jehovah's Kingdom Come! dat op de heruitgave uit 1989 is hertiteld tot Hand a Face a Feeling en vanaf 1999 als Kingdom Come werd vermeld.
Luistert dit album makkelijk? Neen. Maar dat was ook nooit de bedoeling. Met de soundscapes heb ik niet veel, laat onverlet dat dit een lekker eigenwijs album is, slechts geschikt voor een klein publiek. Waar ik dus niet bij hoor...
Mijn reis door new wave vervolgt met het debuut van The Fall.
Pere Ubu - The Art of Walking (1980)

3,5
0
geplaatst: 13 april 2025, 20:54 uur
Onderweg door de gevarieerde wereld van new wave in de zomer van 1980. Van de somberheid van Joy Divisions afscheidssingle Love Will Tear Us Apart naar de gekte op The Art of Walking, de vierde elpee van Pere Ubu. Nieuw in die groep was gitarist Mayo Thompson.
In hun avant-garderock werd voorheen nogal wat jazz gesmeed. Zou ik dat hier weer tegenkomen? Het begint echter met de (weliswaar eigenwijze) funkrock van Go, waarna het op twee akkoorden leunende Rhapsody in Pink, waar zanger David Thomas vertelt hoe hij hij als paarse bal in het water verdween waar de vissen hem aankeken op de bodem van de zee. Dankzij de pianopartij klinkt hier voor het eerst jazz.
Dan volgt muziek met rare toetsenpartijen van Thompson, Thomas, soms bassist Tony Maimone maar vooral Allen Ravenstine, zoals het instrumentale Arabia. Met de daarop volgende nummers wordt geprobeerd om muziek te laten versmelten met hoorspelen, de audiospeelfilm die zo populair was in de radiodagen vóór televisie. Voorbeelden hiervan zijn Tribute to Miles, nadien Young Miles in the Basement genoemd en Loop, de opener van kant 2. Met in beide nummers die vervreemdende zang en eigenzinnige percussiepatronen.
Tussendoor staat Misery Goats, een soort postrock met Thomas' kenmerkende fladderzang. Met alle mallotigheden zou je gaan denken dat deze heren niet konden spelen, maar met Rounder staat er opeens een groove om u tegen te zeggen. En in Horses zingt Thompson en wordt het plotseling melodieus-vrolijk tot en met fluiten toe. Niet-passend in deze context en juist daarom extra leuk.
Slotlied Crush This Horn is alsof je op een ouderwetse radio tussen twee stations zit met irritant gepiep tot gevolg. Ach ja, als alles kan, waarom dat niet?
Kortom: onvoorspelbaarheid troef. Doen waar je ZIN in hebt. Volgende halte in het land van new wave: het vrolijke The Story So Far van de Londense Mo-dettes, een album dat ik al eerder tegenkwam.
In hun avant-garderock werd voorheen nogal wat jazz gesmeed. Zou ik dat hier weer tegenkomen? Het begint echter met de (weliswaar eigenwijze) funkrock van Go, waarna het op twee akkoorden leunende Rhapsody in Pink, waar zanger David Thomas vertelt hoe hij hij als paarse bal in het water verdween waar de vissen hem aankeken op de bodem van de zee. Dankzij de pianopartij klinkt hier voor het eerst jazz.
Dan volgt muziek met rare toetsenpartijen van Thompson, Thomas, soms bassist Tony Maimone maar vooral Allen Ravenstine, zoals het instrumentale Arabia. Met de daarop volgende nummers wordt geprobeerd om muziek te laten versmelten met hoorspelen, de audiospeelfilm die zo populair was in de radiodagen vóór televisie. Voorbeelden hiervan zijn Tribute to Miles, nadien Young Miles in the Basement genoemd en Loop, de opener van kant 2. Met in beide nummers die vervreemdende zang en eigenzinnige percussiepatronen.
Tussendoor staat Misery Goats, een soort postrock met Thomas' kenmerkende fladderzang. Met alle mallotigheden zou je gaan denken dat deze heren niet konden spelen, maar met Rounder staat er opeens een groove om u tegen te zeggen. En in Horses zingt Thompson en wordt het plotseling melodieus-vrolijk tot en met fluiten toe. Niet-passend in deze context en juist daarom extra leuk.
Slotlied Crush This Horn is alsof je op een ouderwetse radio tussen twee stations zit met irritant gepiep tot gevolg. Ach ja, als alles kan, waarom dat niet?
Kortom: onvoorspelbaarheid troef. Doen waar je ZIN in hebt. Volgende halte in het land van new wave: het vrolijke The Story So Far van de Londense Mo-dettes, een album dat ik al eerder tegenkwam.
Pere Ubu - The Modern Dance (1978)

3,5
0
geplaatst: 14 juli 2024, 13:43 uur
Op reis door new wave kom ik van het debuut The Scream van Siouxsie and the Banshees bij het debuut van Pere Ubu, dat tien maanden eerder verscheen. Eind 1977 opgenomen, verschenen in januari 1978. De grenzen van tonaliteit en (pop)compositie worden opgezocht, zodat het voor mijn oren soms vals - sorry: atonaal - is. Doet me denken aan jazz, waar geleidelijk ook de tonale en compositorische grenzen werden opgezocht en overschreden; heftiger dan hier bij deze groep uit Cleveland, Ohio.
Leuk is de opmerking in het vorige bericht; helemaal waar, deze muziek moet indalen! Als maatje JeKo en ik in een platenzaak komen, plukken we steevast andere elpees uit de bakken; Pere Ubu is meer zijn pakkie an. Tegelijkertijd bevat dit debuut de nodige momenten waarbij ik aandachtig luister, zoals je een schilderij niet per se mooi, maar wél interessant kunt vinden: wat gebeurt hier eigenlijk?
Wel, dat is steeds weer anders. Een nummer-voor-nummer-beschrijving behoeft te veel ruimte, maar zowel in vocalen (dun-hoge zang met uithalen, soms spreken, of hummen, of... ), als de rare toetsengeluiden (het is 1978, hoe flikte Allen Ravenstine dat?), als de her en der opduikende saxofoon met de nodige invloeden uit free jazz (eveneens Ravenstine), als de vaak vreemde gitaarpartijen van Tom Herman is het verre van standaard.
Probeer dat als ritmesectie (bassist Tom Maimone, tevens op piano en drummer Scott Krauss) maar eens te begeleiden. Net als bij jazz: goed kijken en luisteren naar wat de ander doet en daarop reageren. Chinese Radiation (slechts 3'28") is een goed voorbeeld hiervan. Als een mini-minisymfonie in drie delen, eindigend met stemmige piano waarna onmiddellijk de furie van Life Stinks volgt.
En buiten de instrumentatie: het ruim zes minuten durende Sentimental Journey eindigt met de geluiden van brekend glas, naadloos overgaand in de reggae van Humor Me. Daarin de veelzeggende verontschuldiging "It's just a joke, man!"
Is The Modern Dance eigenlijk een reeks grappen? Als dat zo is, dan wél om serieus te nemen. En is dit eigenlijk wel new wave? Daar werden ze gemakshalve ingedeeld, maar laten we dan new wave als een stroming zien en niet als muzikaal genre of stijl.
Pere Ubu was in de eerste maand van '78 meteen een groep die de kaders van de nog jonge new wave ver overschreed, met de art rock en experimentele jazz van daarvoor als startpunt, van Captain Beefheart via Roxy Music naar John Coltrane. Muziek als kunst, niet bedoeld voor massaconsumptie.
Ik vervolg mijn muzikale reis door wave met Pere Ubu's tweede album, dat reeds in november van hetzelfde jaar uitkwam.
Leuk is de opmerking in het vorige bericht; helemaal waar, deze muziek moet indalen! Als maatje JeKo en ik in een platenzaak komen, plukken we steevast andere elpees uit de bakken; Pere Ubu is meer zijn pakkie an. Tegelijkertijd bevat dit debuut de nodige momenten waarbij ik aandachtig luister, zoals je een schilderij niet per se mooi, maar wél interessant kunt vinden: wat gebeurt hier eigenlijk?
Wel, dat is steeds weer anders. Een nummer-voor-nummer-beschrijving behoeft te veel ruimte, maar zowel in vocalen (dun-hoge zang met uithalen, soms spreken, of hummen, of... ), als de rare toetsengeluiden (het is 1978, hoe flikte Allen Ravenstine dat?), als de her en der opduikende saxofoon met de nodige invloeden uit free jazz (eveneens Ravenstine), als de vaak vreemde gitaarpartijen van Tom Herman is het verre van standaard.
Probeer dat als ritmesectie (bassist Tom Maimone, tevens op piano en drummer Scott Krauss) maar eens te begeleiden. Net als bij jazz: goed kijken en luisteren naar wat de ander doet en daarop reageren. Chinese Radiation (slechts 3'28") is een goed voorbeeld hiervan. Als een mini-minisymfonie in drie delen, eindigend met stemmige piano waarna onmiddellijk de furie van Life Stinks volgt.
En buiten de instrumentatie: het ruim zes minuten durende Sentimental Journey eindigt met de geluiden van brekend glas, naadloos overgaand in de reggae van Humor Me. Daarin de veelzeggende verontschuldiging "It's just a joke, man!"
Is The Modern Dance eigenlijk een reeks grappen? Als dat zo is, dan wél om serieus te nemen. En is dit eigenlijk wel new wave? Daar werden ze gemakshalve ingedeeld, maar laten we dan new wave als een stroming zien en niet als muzikaal genre of stijl.
Pere Ubu was in de eerste maand van '78 meteen een groep die de kaders van de nog jonge new wave ver overschreed, met de art rock en experimentele jazz van daarvoor als startpunt, van Captain Beefheart via Roxy Music naar John Coltrane. Muziek als kunst, niet bedoeld voor massaconsumptie.
Ik vervolg mijn muzikale reis door wave met Pere Ubu's tweede album, dat reeds in november van hetzelfde jaar uitkwam.
Perfect Crime - Blonde on Blonde (1990)

3,0
0
geplaatst: 25 januari 2024, 08:02 uur
De Noorse hardrock-/aor-/poprockgroep Blonde On Blonde doopte zich na één plaat om tot Perfect Crime en noemde de opvolger Blonde on Blonde. Lekker verwarrend.
Net als op hun debuut klinkt hier gelikte hardrock, geschikt voor een poppubliek. Toch is het nu aangenamer: de composities zitten namelijk beter in elkaar. Jimmy Iversen is daarbij een bekwaam gitarist en de stem van Bente Smaavik maakte op het debuut al indruk.
Geproduceerd door Bernie Marsden (ex-Whitesnake) en opgenomen in Engeland, werden de toetsen bespeeld door Don Airey, Marsdens maatje, bekend van onder meer Rainbow. Zijn bijdragen zijn belangrijk en hij en Marsden gaven Love Me or Leave Me zelfs een opvallend digitaal blazersarrangement.
Am I Right is de voorspelbare ballade van het kaliber 'overslaan', al zullen popliefhebbers daar anders over denken; het verscheen in Noorwegen op single maar flopte. De beste nummers zijn het slepende Perfect Crime, het door Marsden geschreven Liar en het van een swingende shuffle voorziene Stripped to the Bone.
De groep valt uit elkaar, maar Marsden is inmiddels bevriend met drummer Willy Bendiksen en ontdekt tien jaar later via hem zanger Jørn Lande. Het leidt tot oprichting van The Snakes en het album Once Bitten....
Smaavik begon een succesvolle solocarrière en beperkte zich daarbij niet tot rock. Ze is nog altijd actief met zowel eigen als andermans werk. In 2021 bracht ze een geslaagde jazzcover van Motörheads Ace of Spades uit, het jaar erop eentje van Thin Lizzy's Dancing in the Moonlight en in 2024 kun je haar in Noorwegen zien met een ode aan The Carpenters.
Bendiksen drumde onder meer in de groep van Jørn Lande en werkte met grote hardrocknamen als Ken Hensley, John Norum, Brian Robertson en vooral Bernie Marsden, met wie hij in de jaren '90 regelmatig zou optreden.
Net als op hun debuut klinkt hier gelikte hardrock, geschikt voor een poppubliek. Toch is het nu aangenamer: de composities zitten namelijk beter in elkaar. Jimmy Iversen is daarbij een bekwaam gitarist en de stem van Bente Smaavik maakte op het debuut al indruk.
Geproduceerd door Bernie Marsden (ex-Whitesnake) en opgenomen in Engeland, werden de toetsen bespeeld door Don Airey, Marsdens maatje, bekend van onder meer Rainbow. Zijn bijdragen zijn belangrijk en hij en Marsden gaven Love Me or Leave Me zelfs een opvallend digitaal blazersarrangement.
Am I Right is de voorspelbare ballade van het kaliber 'overslaan', al zullen popliefhebbers daar anders over denken; het verscheen in Noorwegen op single maar flopte. De beste nummers zijn het slepende Perfect Crime, het door Marsden geschreven Liar en het van een swingende shuffle voorziene Stripped to the Bone.
De groep valt uit elkaar, maar Marsden is inmiddels bevriend met drummer Willy Bendiksen en ontdekt tien jaar later via hem zanger Jørn Lande. Het leidt tot oprichting van The Snakes en het album Once Bitten....
Smaavik begon een succesvolle solocarrière en beperkte zich daarbij niet tot rock. Ze is nog altijd actief met zowel eigen als andermans werk. In 2021 bracht ze een geslaagde jazzcover van Motörheads Ace of Spades uit, het jaar erop eentje van Thin Lizzy's Dancing in the Moonlight en in 2024 kun je haar in Noorwegen zien met een ode aan The Carpenters.
Bendiksen drumde onder meer in de groep van Jørn Lande en werkte met grote hardrocknamen als Ken Hensley, John Norum, Brian Robertson en vooral Bernie Marsden, met wie hij in de jaren '90 regelmatig zou optreden.
Pete Way - Acoustic Animal (2004)

3,0
0
geplaatst: 29 oktober 2024, 12:49 uur
Feestbeest en bassist Pete Way bracht in 2004 Acoustic Animal uit, waarvan de titel duidelijk is over zijn intenties. Anders dan als bassist bij UFO, Waysted of Mogg/Way, anders dan zijn andere solowerk zoals voorganger Amphetamine, klinken naast de stem van Way alleen akoestische gitaren van hem en Michael Christian. In datzelfde jaar verschijnt van UFO You Are Here, waarop we hem in een heel andere rol horen.
Nou valt het "animalgehalte" wel mee. Hij zingt emotioneel, zeker, maar zonder elektrische gitaren en ritmesectie is het een rustig plaatje. Een enkele keer wordt akoestisch gerockt zoals in Hangin' Out, maar over het geheel is het mij te kalm. Neemt niet weg dat soms mooie loopjes klinken, zoals in Hole in My Heart en Hand to Hold, die hij eerder met zijn powertrio elektrisch speelde.
Fooled Again is een eigen compositie, dus niet die van The Who en mijn hoogtepunt van dit album. Slotlied Working Class Hero van John Lennon is de enige cover en in de versie van Way heel intens; kennelijk een lijflied.
Ook te vinden in verzamelbox Pete Way: Solo Albums 2000-2004 (2022). Aanbevolen voor wie van een ruigere troubadour houdt. Ik besef vooral hoezeer ik van elektrische gitaren, bas en drums houd...
Nou valt het "animalgehalte" wel mee. Hij zingt emotioneel, zeker, maar zonder elektrische gitaren en ritmesectie is het een rustig plaatje. Een enkele keer wordt akoestisch gerockt zoals in Hangin' Out, maar over het geheel is het mij te kalm. Neemt niet weg dat soms mooie loopjes klinken, zoals in Hole in My Heart en Hand to Hold, die hij eerder met zijn powertrio elektrisch speelde.
Fooled Again is een eigen compositie, dus niet die van The Who en mijn hoogtepunt van dit album. Slotlied Working Class Hero van John Lennon is de enige cover en in de versie van Way heel intens; kennelijk een lijflied.
Ook te vinden in verzamelbox Pete Way: Solo Albums 2000-2004 (2022). Aanbevolen voor wie van een ruigere troubadour houdt. Ik besef vooral hoezeer ik van elektrische gitaren, bas en drums houd...
Pete Way - Alive in Cleveland (2003)
Alternatieve titel: Live at the Revolution, 4 October 2002

3,5
0
geplaatst: 29 oktober 2024, 12:22 uur
Pete Way viel als bassist van UFO op als een enorm podiumbeest. Hij wilde de muziek rauw, reden om de groep na het album Mechanix (1982) te verlaten en na een kort verblijf bij Fastway zijn eigen Waysted te beginnen, waarmee hij vreemd genoeg gepolijstere muziek maakte.
Fouten maak je om van te leren, moet hij hebben gedacht. Zijn solowerk dat vanaf 2000 verscheen, bevat dan ook meestal stevige hardrock 'n' roll. Op Alive in Cleveland, opgenomen op 4 oktober 2002, hoor je hoezeer het podium zijn natuurlijke omgeving was. Hierop speelt hij net als op Amphetamine als powertrio met gitarist Walt James en drummer Scott Phillips. Ways stem schuurt aangenaam.
Het werk dat ze spelen komt van zijn solodebuut én van het studioalbum dat hij onder de naam The Plot in datzelfde 2003 zou uitbrengen met Michael Schenker als gitarist.
In de uitgerekte liveversie van That's Tuff klinken in James' spel vleugjes Jimi Hendrix en in de tekst de woorden van The Doors' Jim Morrison, dankzij de regel "Riders on the storm". Van UFO wordt Too Hard to Handle gespeeld.
Bij het luisteren zie je de heren bijna zweten in The Revolution, Parma, Ohio, waarbij de spontaniteit eraf spat. Je hoort een goed ingespeelde groep, vaardig op hun instrumenten. You & Me is opgedragen aan Michael Schenker, Bon Scott en "especially to mister Philip Lynott", met als boodschap "Never drink on your own". Met ballades Hole in My Heart en Hand to Hold kan Way dankzij zijn hese zang goed uit de voeten, hetzelfde geldt voor het akoestische slotlied Paradise, zonder bas of drums.
Pete Way solo is anders dan UFO, dat veel melodieuzere hardrock maakte. In 2022 verscheen Alive in Cleveland nogmaals, toen in verzamelbox Pete Way: Solo Albums 2000-2004. Daarin zit ook zijn volgende soloalbum, dat dan toch verrassend bleek: Acoustic Animal.
Fouten maak je om van te leren, moet hij hebben gedacht. Zijn solowerk dat vanaf 2000 verscheen, bevat dan ook meestal stevige hardrock 'n' roll. Op Alive in Cleveland, opgenomen op 4 oktober 2002, hoor je hoezeer het podium zijn natuurlijke omgeving was. Hierop speelt hij net als op Amphetamine als powertrio met gitarist Walt James en drummer Scott Phillips. Ways stem schuurt aangenaam.
Het werk dat ze spelen komt van zijn solodebuut én van het studioalbum dat hij onder de naam The Plot in datzelfde 2003 zou uitbrengen met Michael Schenker als gitarist.
In de uitgerekte liveversie van That's Tuff klinken in James' spel vleugjes Jimi Hendrix en in de tekst de woorden van The Doors' Jim Morrison, dankzij de regel "Riders on the storm". Van UFO wordt Too Hard to Handle gespeeld.
Bij het luisteren zie je de heren bijna zweten in The Revolution, Parma, Ohio, waarbij de spontaniteit eraf spat. Je hoort een goed ingespeelde groep, vaardig op hun instrumenten. You & Me is opgedragen aan Michael Schenker, Bon Scott en "especially to mister Philip Lynott", met als boodschap "Never drink on your own". Met ballades Hole in My Heart en Hand to Hold kan Way dankzij zijn hese zang goed uit de voeten, hetzelfde geldt voor het akoestische slotlied Paradise, zonder bas of drums.
Pete Way solo is anders dan UFO, dat veel melodieuzere hardrock maakte. In 2022 verscheen Alive in Cleveland nogmaals, toen in verzamelbox Pete Way: Solo Albums 2000-2004. Daarin zit ook zijn volgende soloalbum, dat dan toch verrassend bleek: Acoustic Animal.
Pete Way - Amphetamine (2000)

3,0
0
geplaatst: 29 oktober 2024, 11:33 uur
Eerste soloalbum van UFO-bassist Pete Way, nadat deze in de jaren '80 enkele jaren de groep Waysted had aangevoerd. Sinds 1992 is hij terug in het ruimteschip, maar pure hardrock 'n roller als hij is, kan hij daarin niet alles kwijt.
Amphetamine werd in september 1999 opgenomen in de Rockfield Studio in Wales met de getalenteerde Amerikanen Walt James op gitaar en Scott Phillips op drums. Met een dikke 33 minuten duurt het album precies lang genoeg. Way is niet de meest getalenteerde zanger, maar dit soort rechttoe rock is hij echter goed geschikt, alsof een punkzanger overstapte op hardrock. Sterker nog, soms verrast hij me.
Hangin' Out klinkt alsof hij het liedje van Motörhead kreeg en in Fooled Again klinkt een mandoline, wat verbazingwekkend goed werkt. En verder niet opzienbarende maar goudeerlijke rock 'n' roll, de natuurlijke habitat van de lange man die op het podium zoveel energie bracht.
Op Hand to Hold rockt hij langzamer, blijkt James opnieuw een bekwaam gitarist en moet ik aan Bernie Tormé denken, de gitarist die na Gillan soortgelijke muziek als die van Way onder eigen naam maakte.
Sympathiek, niet spectaculair, zoals bijna alles wat de bassist buiten UFO deed. Phil Aston bespreekt onder meer dit album in zijn vlog Now Spinning, als hij verzamelbox Pete Way: Solo Albums 2000-2004 (2022) bespreekt, te zien vanaf 2'01".
In 2003 bracht Way Alive in Cleveland uit, in 2004 gevolgd door Acoustic Animal.
Amphetamine werd in september 1999 opgenomen in de Rockfield Studio in Wales met de getalenteerde Amerikanen Walt James op gitaar en Scott Phillips op drums. Met een dikke 33 minuten duurt het album precies lang genoeg. Way is niet de meest getalenteerde zanger, maar dit soort rechttoe rock is hij echter goed geschikt, alsof een punkzanger overstapte op hardrock. Sterker nog, soms verrast hij me.
Hangin' Out klinkt alsof hij het liedje van Motörhead kreeg en in Fooled Again klinkt een mandoline, wat verbazingwekkend goed werkt. En verder niet opzienbarende maar goudeerlijke rock 'n' roll, de natuurlijke habitat van de lange man die op het podium zoveel energie bracht.
Op Hand to Hold rockt hij langzamer, blijkt James opnieuw een bekwaam gitarist en moet ik aan Bernie Tormé denken, de gitarist die na Gillan soortgelijke muziek als die van Way onder eigen naam maakte.
Sympathiek, niet spectaculair, zoals bijna alles wat de bassist buiten UFO deed. Phil Aston bespreekt onder meer dit album in zijn vlog Now Spinning, als hij verzamelbox Pete Way: Solo Albums 2000-2004 (2022) bespreekt, te zien vanaf 2'01".
In 2003 bracht Way Alive in Cleveland uit, in 2004 gevolgd door Acoustic Animal.
Peter Magnee - Voodoo Play (1993)

4,0
0
geplaatst: 16 mei 2025, 21:30 uur
Schafte deze in maart aan via internet, waarna de verkoper 'm ultrarap op zijn hardlooprondje kwam brengen. Kijk, zó kan het ook gaan!
De reden dat ik dit album aanschafte was overigens een rare: ik dacht dat dit een bekende van een bekende was, maar de Magnee van Voodoo Play blijkt een naamgenoot te zijn. Een vergissing die echter een leuke cd in huis bracht.
Gitarist (en soms toetsenist) Peter Magnee werkt hier samen met drummer Ernst van Ee; beiden waren al jaren actief in de Nederlandse metalwereld - de eerste bij Impact, de tweede bij Helloïse en Threnody. Instrumentale snarenkunsten van Magnee, gevarieerd ondersteund door Van Ee. Het album kan zó aansluiten bij de albums die het Amerikaanse Shrapnel uitbracht vanaf de tweede helft van de jaren '80. Dan kun je dit zien als een polderkopie, maar dát klopt niet.
Magnee komt namelijk met veel variatie aanzetten en schreef sterke nummers met gevoel voor melodie. Bovendien duren de nummers niet te lang. Vaak uptempo met razendsnel shredwerk, maar in het dansende Nbr. X hoor ik Van Halen terug en in het midtempo Don't Push It speelt hij lange noten op prominente toetsen; muziek die meer naar progrock neigt of het werk van Steve Morse. En in alle metal is de fusionfunk van Roadhouse een welkome afwisseling.
Arabica (vernoemt naar de koffieboon?) begint met een dreigende metalriff en wordt dan melodieuzer met de nodige shredding en afsluiter Dreamstate doet wat de titel belooft op sfeervolle wijze, maar nog altijd stevig.
Vol geproduceerd bovendien is dit een dikke 8, heerlijk voor onderweg en ook in de huiskamer werkt dit goed. Zó goed dat het lastig is een favoriet te kiezen. Dat verschilt per draaibeurt waarbij steeds andere details opvallen: een groeiplaatje bovendien!
De reden dat ik dit album aanschafte was overigens een rare: ik dacht dat dit een bekende van een bekende was, maar de Magnee van Voodoo Play blijkt een naamgenoot te zijn. Een vergissing die echter een leuke cd in huis bracht.
Gitarist (en soms toetsenist) Peter Magnee werkt hier samen met drummer Ernst van Ee; beiden waren al jaren actief in de Nederlandse metalwereld - de eerste bij Impact, de tweede bij Helloïse en Threnody. Instrumentale snarenkunsten van Magnee, gevarieerd ondersteund door Van Ee. Het album kan zó aansluiten bij de albums die het Amerikaanse Shrapnel uitbracht vanaf de tweede helft van de jaren '80. Dan kun je dit zien als een polderkopie, maar dát klopt niet.
Magnee komt namelijk met veel variatie aanzetten en schreef sterke nummers met gevoel voor melodie. Bovendien duren de nummers niet te lang. Vaak uptempo met razendsnel shredwerk, maar in het dansende Nbr. X hoor ik Van Halen terug en in het midtempo Don't Push It speelt hij lange noten op prominente toetsen; muziek die meer naar progrock neigt of het werk van Steve Morse. En in alle metal is de fusionfunk van Roadhouse een welkome afwisseling.
Arabica (vernoemt naar de koffieboon?) begint met een dreigende metalriff en wordt dan melodieuzer met de nodige shredding en afsluiter Dreamstate doet wat de titel belooft op sfeervolle wijze, maar nog altijd stevig.
Vol geproduceerd bovendien is dit een dikke 8, heerlijk voor onderweg en ook in de huiskamer werkt dit goed. Zó goed dat het lastig is een favoriet te kiezen. Dat verschilt per draaibeurt waarbij steeds andere details opvallen: een groeiplaatje bovendien!
Phil Lynott - Yellow Pearl (2010)
Alternatieve titel: A Collection

4,0
1
geplaatst: 3 mei 2023, 16:16 uur
Ik ben in bezit van de twee soloalbums van Philip Lynott, vooral bekend als frontman van Thin Lizzy. De lange versie van zijn voornaam gebruikte hij voor solowerk. De reden dat ik deze verzamel-cd kocht, zit 'm in de extra's, die ik in de volgspot zet.
Track 1 bevat de singleversie van Yellow Pearl, tevens de openingstune van de Britse chart-tv-show Pop of the Tops, waarop de invloed van Midge Ure zich laat gelden. Deze ex-gitarist en -toetsenist van Thin Lizzy trad omstreeks de tijd van de opname (1979) toe tot Ultravox, dat met hem in de gelederen grote successen zou beleven. Yellow Pearl klinkt alsof Lynott de zanger van Ultravox was.
Track 16 is Somebody Else's Dream, dat B-kant was van single Together. Het zit prominent in de documentaire 'Songs for While I’m Away' (2020), onderdeel van deze box. Een liedje waarin hij openlijk over zijn innerlijke strijd en twijfels zingt.
Beat of the Drum, track 17, was de B-kant van hitsingle Old Town. Een sterke B-kant op basis van drumcomputer en synthesizers, waarna percussie en folkaccordeonspel bijvallen. Het werkt ook nog! Vermoedelijk is het Brian Downey die hier drumt, ik meen zijn stijl te herkennen.
Track 18: na het stoppen van Thin Lizzy en het mislukken van zijn doorstart met Grand Slam, ging Lynott solo. Ooit had ik de 12" van Nineteen (1985) op vinyl, maar helaas is die in de troebelen van het leven verloren gegaan. Geproduceerd door Paul Hardcastle die eveneens een hit met deze titel scoorde, maar dat was een andere compositie. Een drumcomputer en enkele geluidjes die indertijd modieus waren in de dance, klinken hier dankzij de producer, verder rockt het nummer stevig. Niet zijn briljantste nummer, maar verre van onaardig. Fijn dat ik 'm met deze cd weer in huis heb! De clip is overigens leuk om te zien.
Track 19 is de bluesballade Parisienne Walkways en afkomstig van Gary Moores Back on the Streets (1978). Bepaald niet nieuw voor mij, maar relevant voor deze verzamelaar: de tekst verhult een verwijzing van Lynott naar zijn vader, die hij pas zou zien toen hij als jong-volwassene in Londen was.
De inlay bevat een nuttig overzichtsverhaal van de hand van journalist Malcolm Dome, die in menig hardrock-/metaldocumentaire opduikt en anderhalf jaar geleden overleed.
Track 1 bevat de singleversie van Yellow Pearl, tevens de openingstune van de Britse chart-tv-show Pop of the Tops, waarop de invloed van Midge Ure zich laat gelden. Deze ex-gitarist en -toetsenist van Thin Lizzy trad omstreeks de tijd van de opname (1979) toe tot Ultravox, dat met hem in de gelederen grote successen zou beleven. Yellow Pearl klinkt alsof Lynott de zanger van Ultravox was.
Track 16 is Somebody Else's Dream, dat B-kant was van single Together. Het zit prominent in de documentaire 'Songs for While I’m Away' (2020), onderdeel van deze box. Een liedje waarin hij openlijk over zijn innerlijke strijd en twijfels zingt.
Beat of the Drum, track 17, was de B-kant van hitsingle Old Town. Een sterke B-kant op basis van drumcomputer en synthesizers, waarna percussie en folkaccordeonspel bijvallen. Het werkt ook nog! Vermoedelijk is het Brian Downey die hier drumt, ik meen zijn stijl te herkennen.
Track 18: na het stoppen van Thin Lizzy en het mislukken van zijn doorstart met Grand Slam, ging Lynott solo. Ooit had ik de 12" van Nineteen (1985) op vinyl, maar helaas is die in de troebelen van het leven verloren gegaan. Geproduceerd door Paul Hardcastle die eveneens een hit met deze titel scoorde, maar dat was een andere compositie. Een drumcomputer en enkele geluidjes die indertijd modieus waren in de dance, klinken hier dankzij de producer, verder rockt het nummer stevig. Niet zijn briljantste nummer, maar verre van onaardig. Fijn dat ik 'm met deze cd weer in huis heb! De clip is overigens leuk om te zien.
Track 19 is de bluesballade Parisienne Walkways en afkomstig van Gary Moores Back on the Streets (1978). Bepaald niet nieuw voor mij, maar relevant voor deze verzamelaar: de tekst verhult een verwijzing van Lynott naar zijn vader, die hij pas zou zien toen hij als jong-volwassene in Londen was.
De inlay bevat een nuttig overzichtsverhaal van de hand van journalist Malcolm Dome, die in menig hardrock-/metaldocumentaire opduikt en anderhalf jaar geleden overleed.
Philip Lynott - Solo in Soho (1980)

4,0
4
geplaatst: 4 maart 2022, 16:25 uur
Vanaf 1978 zocht Phil Lynott aansluiting bij nieuwe muziektrends, zoals punk en new wave. Ook begon hij liedjes te schrijven die niet geschikt waren voor de stadionhardrock van zijn Thin Lizzy, met wie hij overigens in de eerste jaren al rockloze liedjes opnam, Dublin bijvoorbeeld.
Het hardrocklabel opgeplakt krijgen, dat was hem te beperkt. Zo verscheen november 1979 kerstsingle A Merry Jingle met The Greedies met daarin twee ex-Sex Pistolsleden.
Tijdens de opnamen van Black Rose, een jaar eerder, viel het de bandleden op dat je opeens niet meer wist waarvoor een liedje werd opgenomen: voor Thin Lizzy of Phil solo?
Dat blijkt inderdaad op zijn solodebuut, april 1980 verschenen, vernoemd naar een Londense wijk, net als het Lizzyalbum Chinatown dat later dat jaar uitkwam.
Het is een komen en gaan van ex- en nieuwe bandleden, aangevuld met vrienden.
Het Thin Lizzy van dat moment (naast Lynott: Brian Downey, Scott Gorham en Snowy White) hoor je het vaakst; zoals in de stevigste track, opener Dear Miss Lonely Hearts.
Ex-leden: Midge Ure, gitarist tijdens het tweede deel van de Black Rose Tour in 1979, speelt synthesizers op Yellow Pearl, dat hierop lange tijd de herkenningstune van BBC's Top of the Pops was.
Mark Nauseef, drummer tijdens de Australische tour in 1978, speelt op Ode to a Black Man en Talk in '79.
Gary Moore, gitarist bij Lizzy van half '78 tot half '79, speelt op Jamaican Rum een wonderzoete solo.
Enkele vrienden: Bobbie Benberg van Supertramp, zwager van Lizzygitarist Scott Gorham, speelt met onder meer bassist Jimmy Bain op Girls, een compositie van Bain, Lynott en ex-Lizzyaan Brian Robertson.
Huey Lewis speelt mondharmonica op Tattoo en Ode.
Mark Knoflook van Diarree Straits, zoals Urbanus hem ooit noemde, speelt gitaar op King's Call, na Lynotts dood een hitje, hierboven door kaztor al vermeld.
Fiachra Trench hoorden we al jarenlang op platen van Lizzy voor orkestrale arrangementen, hij keert hier terug voor A Child's Lullaby en Tattoo.
Muzikaal gaat het ook diverse kanten op; Lynott biedt een gevarieerd tapasmenu met allerlei hapjes. Van rock via reggae naar synthesizerpop, plus nog meer. Heel smakelijk, mede omdat het goede composities zijn die fraai worden gespeeld, bijeengehouden door de productie van o.m. Kit Woolven, Tony Visconti en Will Reid Dick en het grootste bindmiddel: de warme stem van de zwarte man.
Die laatste term diept hij uit in Ode To a Black Man, resultaat van zijn zoektocht naar zijn afkomst en identiteit.
Op King's Call verwoordt hij fraai zijn gevoelens na het overlijden van Elvis Presley in 1977, een onderwerp dat op Do Anything You Want To van album Black Rose ook al langskwam.
Talk in '79 is een poëtische samenvatting van het popjaar 1979, waaruit zijn dichterlijke talent blijkt.
Met die teksten was hij overigens ook aan het schuiven: delen van de tekst van Ode hoorden we het jaar ervoor op het zojuist genoemde Do Anything.
Heerlijk popplaatje, dat mij van tijd tot tijd toeroept dat het wil worden gedraaid, waaraan ik dan blijmoedig toegeef.
Het hardrocklabel opgeplakt krijgen, dat was hem te beperkt. Zo verscheen november 1979 kerstsingle A Merry Jingle met The Greedies met daarin twee ex-Sex Pistolsleden.
Tijdens de opnamen van Black Rose, een jaar eerder, viel het de bandleden op dat je opeens niet meer wist waarvoor een liedje werd opgenomen: voor Thin Lizzy of Phil solo?
Dat blijkt inderdaad op zijn solodebuut, april 1980 verschenen, vernoemd naar een Londense wijk, net als het Lizzyalbum Chinatown dat later dat jaar uitkwam.
Het is een komen en gaan van ex- en nieuwe bandleden, aangevuld met vrienden.
Het Thin Lizzy van dat moment (naast Lynott: Brian Downey, Scott Gorham en Snowy White) hoor je het vaakst; zoals in de stevigste track, opener Dear Miss Lonely Hearts.
Ex-leden: Midge Ure, gitarist tijdens het tweede deel van de Black Rose Tour in 1979, speelt synthesizers op Yellow Pearl, dat hierop lange tijd de herkenningstune van BBC's Top of the Pops was.
Mark Nauseef, drummer tijdens de Australische tour in 1978, speelt op Ode to a Black Man en Talk in '79.
Gary Moore, gitarist bij Lizzy van half '78 tot half '79, speelt op Jamaican Rum een wonderzoete solo.
Enkele vrienden: Bobbie Benberg van Supertramp, zwager van Lizzygitarist Scott Gorham, speelt met onder meer bassist Jimmy Bain op Girls, een compositie van Bain, Lynott en ex-Lizzyaan Brian Robertson.
Huey Lewis speelt mondharmonica op Tattoo en Ode.
Mark Knoflook van Diarree Straits, zoals Urbanus hem ooit noemde, speelt gitaar op King's Call, na Lynotts dood een hitje, hierboven door kaztor al vermeld.
Fiachra Trench hoorden we al jarenlang op platen van Lizzy voor orkestrale arrangementen, hij keert hier terug voor A Child's Lullaby en Tattoo.
Muzikaal gaat het ook diverse kanten op; Lynott biedt een gevarieerd tapasmenu met allerlei hapjes. Van rock via reggae naar synthesizerpop, plus nog meer. Heel smakelijk, mede omdat het goede composities zijn die fraai worden gespeeld, bijeengehouden door de productie van o.m. Kit Woolven, Tony Visconti en Will Reid Dick en het grootste bindmiddel: de warme stem van de zwarte man.
Die laatste term diept hij uit in Ode To a Black Man, resultaat van zijn zoektocht naar zijn afkomst en identiteit.
Op King's Call verwoordt hij fraai zijn gevoelens na het overlijden van Elvis Presley in 1977, een onderwerp dat op Do Anything You Want To van album Black Rose ook al langskwam.
Talk in '79 is een poëtische samenvatting van het popjaar 1979, waaruit zijn dichterlijke talent blijkt.
Met die teksten was hij overigens ook aan het schuiven: delen van de tekst van Ode hoorden we het jaar ervoor op het zojuist genoemde Do Anything.
Heerlijk popplaatje, dat mij van tijd tot tijd toeroept dat het wil worden gedraaid, waaraan ik dan blijmoedig toegeef.
PiL - End of World (2023)

3,5
0
geplaatst: 26 november 2023, 18:03 uur
John Lydon ging muziek uitbrengen vanaf het moment dat ik popmuziek ging luisteren en voelt als iemand van mijn generatie.
Eerst de Pistols, toen P.i.L. en via met name de VPRO volgde ik hem zo'n beetje. Via internet maakte ik decennia later kennis met zijn nevenactiviteiten, zoals deze hilarische boterreclame. Plus dat daar talrijke hilarische interviews met het enfant terrible zijn te vinden. Dit jaar kwam het nieuws van het overlijden van zijn echtgenote, waarbij hij in een interview voor een ontbijtshow zijn kwetsbare kant toonde.
Sinds verschijnen draai ik End of World regelmatig via streaming. Het is niet een briljant maar wel een vermakelijk album. Soms superlekker (gitaarwave in Penge, synthwave in Car Chase en Being Stupid Again), soms mwâh (de lompe gitaarriff in het titelnummer).
Soms verrassend licht (Walls) of juist indringend (Strange), soms dansbaar-monotoon (Down on the Clown).
Afsluiter is het weemoedige Hawaii, hun inzending namens Ierland voor het Eurovisie Songfestival; douze points van mij. Lydons herkenbare stem smeedt de liedjes aaneen en wat speelt de band lenig-knap.
Maatje JeKo zal dit album ook kunnen waarderen maar haalt er dan ongetwijfeld hele andere favorieten uit. Dat is het leuke van deze PiL: op een slimme wijze veelzijdig.
Eerst de Pistols, toen P.i.L. en via met name de VPRO volgde ik hem zo'n beetje. Via internet maakte ik decennia later kennis met zijn nevenactiviteiten, zoals deze hilarische boterreclame. Plus dat daar talrijke hilarische interviews met het enfant terrible zijn te vinden. Dit jaar kwam het nieuws van het overlijden van zijn echtgenote, waarbij hij in een interview voor een ontbijtshow zijn kwetsbare kant toonde.
Sinds verschijnen draai ik End of World regelmatig via streaming. Het is niet een briljant maar wel een vermakelijk album. Soms superlekker (gitaarwave in Penge, synthwave in Car Chase en Being Stupid Again), soms mwâh (de lompe gitaarriff in het titelnummer).
Soms verrassend licht (Walls) of juist indringend (Strange), soms dansbaar-monotoon (Down on the Clown).
Afsluiter is het weemoedige Hawaii, hun inzending namens Ierland voor het Eurovisie Songfestival; douze points van mij. Lydons herkenbare stem smeedt de liedjes aaneen en wat speelt de band lenig-knap.
Maatje JeKo zal dit album ook kunnen waarderen maar haalt er dan ongetwijfeld hele andere favorieten uit. Dat is het leuke van deze PiL: op een slimme wijze veelzijdig.
PiL - Metal Box (1979)
Alternatieve titel: Second Edition

2,5
2
geplaatst: 21 januari 2025, 17:56 uur
De tweede van PiL ging bij verschijning in november 1979 behoorlijk geruisloos langs mij heen. Deze puber was afhankelijk van radio. Daar was de geoormerkte omroep voor dit soort muziek de VPRO, toen echter nog een miniomroepje met de C-status, waar de andere alternativo's VARA en KRO hun uitzendtijd voor dit soort muziek tot de avonduren beperkten en in mijn beleving andere namen belangrijker vonden. Maar wie weet, was daar wél aandacht voor PiL en was ik er simpelweg niet rijp voor.
Meer nog dan op PiL's voorganger verwijdert John Lydon zich hier van de muziek van Sex Pistols, die tegelijkertijd - 1979 - nog altijd de Britse hitlijst haalden met singles van hun tweede worp The Great Rock 'n' Roll Swindle.
Zuchtend heeft Lydon hen de rug toegekeerd: hij wilde vooral verder en had al helemaal geen zin in de commerciële plannen van manager Malcolm McLaren. Dat doet Lydon op een album vol onderkoelde, repetitieve en alternatieve rock, onder meer geholpen door het bassende talent Jah Wobble. Een naam die ik in de jaren daarna wel degelijk in de avonduren bij VPRO (Bram van Splunteren was daar mijn gids) zou tegenkomen.
Dat betekent echter niet dat ik enthousiast ben over dit album. Te vaak duren de zich herhalende riffs / thema's te lang, zoals in opener Albatross met zijn dikke tien minuten. Wel pakkend is het daaropvolgende Memories, waarop Lydons stem weer heerlijk de lucht in schiet en de productie aangenaam onderscheid aanbrengt tussen koele en warmere andere delen. Bijna had ik 'coupletten en refreinen' geschreven, maar zulke structuren worden zoveel mogelijk vermeden.
Toch vind ik slechts twee nummers écht goed: Careering dankzij de dreigende synths en bassende dublijnen en het licht neurotische, instrumentale The Socialist, mede door de synthbliepjes van tevens gitarist Keith Levene en de stuwende percussie van Richard Dudanski. Het nummer doet enigszins denken aan de stijl van Devo.
En los van hoe de muziek bij mij binnenkomt: prijzenswaardig is de vernieuwingsdrang van Lydon en zijn kompanen, waarmee de frontman opnieuw een waardig volgend hoofdstuk in zijn discografie schreef.
Mijn reis door new wave blijft nog even in het zeer creatieve én productieve 1979. Ik kwam van het debuut van de net-zo-eigenwijze-maar-dan-anders The Soft Boys. Omdat ik Reproduction van The Human League al eerder besprak, beland ik bij het debuut van Cabaret Voltaire.
Meer nog dan op PiL's voorganger verwijdert John Lydon zich hier van de muziek van Sex Pistols, die tegelijkertijd - 1979 - nog altijd de Britse hitlijst haalden met singles van hun tweede worp The Great Rock 'n' Roll Swindle.
Zuchtend heeft Lydon hen de rug toegekeerd: hij wilde vooral verder en had al helemaal geen zin in de commerciële plannen van manager Malcolm McLaren. Dat doet Lydon op een album vol onderkoelde, repetitieve en alternatieve rock, onder meer geholpen door het bassende talent Jah Wobble. Een naam die ik in de jaren daarna wel degelijk in de avonduren bij VPRO (Bram van Splunteren was daar mijn gids) zou tegenkomen.
Dat betekent echter niet dat ik enthousiast ben over dit album. Te vaak duren de zich herhalende riffs / thema's te lang, zoals in opener Albatross met zijn dikke tien minuten. Wel pakkend is het daaropvolgende Memories, waarop Lydons stem weer heerlijk de lucht in schiet en de productie aangenaam onderscheid aanbrengt tussen koele en warmere andere delen. Bijna had ik 'coupletten en refreinen' geschreven, maar zulke structuren worden zoveel mogelijk vermeden.
Toch vind ik slechts twee nummers écht goed: Careering dankzij de dreigende synths en bassende dublijnen en het licht neurotische, instrumentale The Socialist, mede door de synthbliepjes van tevens gitarist Keith Levene en de stuwende percussie van Richard Dudanski. Het nummer doet enigszins denken aan de stijl van Devo.
En los van hoe de muziek bij mij binnenkomt: prijzenswaardig is de vernieuwingsdrang van Lydon en zijn kompanen, waarmee de frontman opnieuw een waardig volgend hoofdstuk in zijn discografie schreef.
Mijn reis door new wave blijft nog even in het zeer creatieve én productieve 1979. Ik kwam van het debuut van de net-zo-eigenwijze-maar-dan-anders The Soft Boys. Omdat ik Reproduction van The Human League al eerder besprak, beland ik bij het debuut van Cabaret Voltaire.
Plasmatics - New Hope for the Wretched (1980)

2,5
0
geplaatst: 28 mei 2025, 19:18 uur
Minder snel dan mijn vorige halte in de wereld van new wave en aanverwanten, die van de Circle Jerks, is het debuut van de Plasmatics. Al is dit allesbehalve langzaam. Qua stijl staat het dichter bij de Engelse punk met opvallend melodieus baswerk van Jean Beauvoir en zangeres Wendy O. Williams, die haar teksten niet zingt maar spuugt.
New Hope for the Wretched kwam je destijds wel eens tegen in de platenbakken, maar alhoewel ik nieuwsgierig was naar dat ene nummer met cirkelzaag, waarover ik had gelezen, was dit allesbehalve verleidelijk. Natuurlijk: lachen die tutu die gitarist Richie Stotts draagt, maar dat mevrouw Williams zo met haar twee andere kwaliteiten poseerde wekte juist argwaan bij mij op. Goede muziek heeft dat niet nodig vond ik en bovendien paste het niet bij de geëmancipeerde houding die ik bij haar vrouwelijke collega's zag.
Pas in het streamingtijdperk kwam het ervan de plaat eens helemaal te beluisteren, op zoek naar dat nummer met cirkelzaag. Dat bleek Butcher Baby te zijn en het is inderdaad het beste nummer van de plaat.
En verder snelle punk die me meestal niet raakt. Dat zit 'm in de riffs, die weliswaar snel zijn maar de noodzakelijke hooks missen. Opvallend genoeg lukt dat wel in het langzamere Concrete Shoes dat metal uitstraalt. Maar ondanks de scheurende gitaren, snelheid en zang pakt het me niet. Het lange kakofonische deel in Dream Lover is zelfs ronduit saai, net als het kalmere Sometimes I.
Corruption is dan wél lekker, het duurt bovendien met z'n 2'40" korter dan veel ander werk. Heeft de muziek nodig, zelfs al begint het nummer na 100 seconden opnieuw. Had van mij niet gehoeven.
De volgende halte ligt in West-Duitsland en na het gezaag van Butcher Baby op mijn afspeellijst, volgt daar het boren van Abwärts.
New Hope for the Wretched kwam je destijds wel eens tegen in de platenbakken, maar alhoewel ik nieuwsgierig was naar dat ene nummer met cirkelzaag, waarover ik had gelezen, was dit allesbehalve verleidelijk. Natuurlijk: lachen die tutu die gitarist Richie Stotts draagt, maar dat mevrouw Williams zo met haar twee andere kwaliteiten poseerde wekte juist argwaan bij mij op. Goede muziek heeft dat niet nodig vond ik en bovendien paste het niet bij de geëmancipeerde houding die ik bij haar vrouwelijke collega's zag.
Pas in het streamingtijdperk kwam het ervan de plaat eens helemaal te beluisteren, op zoek naar dat nummer met cirkelzaag. Dat bleek Butcher Baby te zijn en het is inderdaad het beste nummer van de plaat.
En verder snelle punk die me meestal niet raakt. Dat zit 'm in de riffs, die weliswaar snel zijn maar de noodzakelijke hooks missen. Opvallend genoeg lukt dat wel in het langzamere Concrete Shoes dat metal uitstraalt. Maar ondanks de scheurende gitaren, snelheid en zang pakt het me niet. Het lange kakofonische deel in Dream Lover is zelfs ronduit saai, net als het kalmere Sometimes I.
Corruption is dan wél lekker, het duurt bovendien met z'n 2'40" korter dan veel ander werk. Heeft de muziek nodig, zelfs al begint het nummer na 100 seconden opnieuw. Had van mij niet gehoeven.
De volgende halte ligt in West-Duitsland en na het gezaag van Butcher Baby op mijn afspeellijst, volgt daar het boren van Abwärts.
Plastic Bertrand - An 1 (1977)
Alternatieve titel: Ça Plane pour Moi

3,5
0
geplaatst: 21 september 2023, 17:33 uur
Enkele dagen geleden overleed Lou Deprijck, van wie vele jaren na de eerste platen van Plastic Bertrand bekend werd dat hij degene was die diens eerste vier albums had ingezongen. Hierboven gaat het gesprek eigenlijk alleen maar daarover. Wie meer wil weten kan deze dikke 7 minuten van docuserie Belpop bekijken bij Dailymotion én deze minidocu van de Top 2000 á Gogo. Zullen we het over de muziek van An 1 hebben?
Het overlijdensbericht leidde ertoe dat ik mijn exemplaar (vinyl, klaphoes) uit de kast haalde. Want in het zonnige voorjaar van 1978 stond Ça Plane pour Moi één week #2 in de Nationale Hitparade (juni) en twee weken op die plek bij de Top 40 (mei-juni). Hard (vond ik toen) en onweerstaanbaar meezingbaar (oehóéhoehoe!) stond het vier weken op #1 in mijn persoonlijke top 15, die ik als prepuber wekelijks in een oude agenda van mijn vader noteerde.
Later nam ik van krakende middengolf via zeezender Radio Mi Amigo het steviger Le Petit Tortillard op, dat in Nederland niet eens de tipparades haalde, maar nog wat steviger was en het in mijn top 15 ook goed deed.
Hits uit mijn prille popjaren, waar ik veel later aan zou worden herinnerd: in 1997 coverden de pretpunkers van Presidents of the U.S.A. Ça Plane pour Moi en rond datzelfde jaar speelde ik voor mijn kinderen een videoband af van de tekenfilm Astérix et la surprise de César / Asterix contra Ceasar (1985). Bij de aftiteling klonk Asterix est la van Plastic Bertrand en deze keer was het Roger Jouret zelf die zong.
Kortom, toen ik drie jaar geleden in het Brabantse Deurne An 1 voor een prikkie tegenkwam in een platenbak, was er geen twijfel. Wat klinkt is opgewekte punk. De Grote Hit (bestverkochte punksingle ooit volgens Belpop) is één van de prijsnummers, maar er is meer. Op de A-kant vooral de punk-met-mandoline (!) van Bambino en reggae in Naif Song.
Op de B-kant hoor ik ska in Dance Dance; mét saxofoon, een instrument dat wel vaker opduikt op dit album. Op 5.4.3.2.1.0. het gitaargeluid van de Sex Pistols, meer monotone en vrolijke punk op Pogo Pogo en op Solo Naif Song keert Naif Song van de A-kant kort terug in een komisch jasje.
Te simpel-monotoon maar wel vermeldenswaardig is Wha ! Wha ! met zijn hondengeblaf en later kippengekakel en paardengehinnik (Nina Hagen deed zoiets in 1980 met Wau Wau).
Zeven-en-een-half lekkere klapkauwgompunk met soms toegevoegde ska of reggae. An 1 is weliswaar niet briljant, maar op z'n tijd helemaal fijn!
Tenslotte nog 'n opvallend feitje: Ça Plane pour Moi werd door componist Deprijck ook verkocht aan de Britse punkband Elton Motello, die er Jet Boy, Jet Girl (ook uit '78) van maakte: dezelfde muziekopname met andere zang. Zanger Alan Ward speelde voordien in de groep Bastard met de latere Damnedgitarist Brian James. En dan zijn we bij de oorsprong van de Londense punkscene.
Niet slecht voor Deprijck, die eveneens internationale pophits scoorde onder de namen Two Man Sound en Lou and The Hollywood Bananas.
Het overlijdensbericht leidde ertoe dat ik mijn exemplaar (vinyl, klaphoes) uit de kast haalde. Want in het zonnige voorjaar van 1978 stond Ça Plane pour Moi één week #2 in de Nationale Hitparade (juni) en twee weken op die plek bij de Top 40 (mei-juni). Hard (vond ik toen) en onweerstaanbaar meezingbaar (oehóéhoehoe!) stond het vier weken op #1 in mijn persoonlijke top 15, die ik als prepuber wekelijks in een oude agenda van mijn vader noteerde.
Later nam ik van krakende middengolf via zeezender Radio Mi Amigo het steviger Le Petit Tortillard op, dat in Nederland niet eens de tipparades haalde, maar nog wat steviger was en het in mijn top 15 ook goed deed.
Hits uit mijn prille popjaren, waar ik veel later aan zou worden herinnerd: in 1997 coverden de pretpunkers van Presidents of the U.S.A. Ça Plane pour Moi en rond datzelfde jaar speelde ik voor mijn kinderen een videoband af van de tekenfilm Astérix et la surprise de César / Asterix contra Ceasar (1985). Bij de aftiteling klonk Asterix est la van Plastic Bertrand en deze keer was het Roger Jouret zelf die zong.
Kortom, toen ik drie jaar geleden in het Brabantse Deurne An 1 voor een prikkie tegenkwam in een platenbak, was er geen twijfel. Wat klinkt is opgewekte punk. De Grote Hit (bestverkochte punksingle ooit volgens Belpop) is één van de prijsnummers, maar er is meer. Op de A-kant vooral de punk-met-mandoline (!) van Bambino en reggae in Naif Song.
Op de B-kant hoor ik ska in Dance Dance; mét saxofoon, een instrument dat wel vaker opduikt op dit album. Op 5.4.3.2.1.0. het gitaargeluid van de Sex Pistols, meer monotone en vrolijke punk op Pogo Pogo en op Solo Naif Song keert Naif Song van de A-kant kort terug in een komisch jasje.
Te simpel-monotoon maar wel vermeldenswaardig is Wha ! Wha ! met zijn hondengeblaf en later kippengekakel en paardengehinnik (Nina Hagen deed zoiets in 1980 met Wau Wau).
Zeven-en-een-half lekkere klapkauwgompunk met soms toegevoegde ska of reggae. An 1 is weliswaar niet briljant, maar op z'n tijd helemaal fijn!
Tenslotte nog 'n opvallend feitje: Ça Plane pour Moi werd door componist Deprijck ook verkocht aan de Britse punkband Elton Motello, die er Jet Boy, Jet Girl (ook uit '78) van maakte: dezelfde muziekopname met andere zang. Zanger Alan Ward speelde voordien in de groep Bastard met de latere Damnedgitarist Brian James. En dan zijn we bij de oorsprong van de Londense punkscene.
Niet slecht voor Deprijck, die eveneens internationale pophits scoorde onder de namen Two Man Sound en Lou and The Hollywood Bananas.
Pretenders - Pretenders (1980)

3,5
1
geplaatst: 16 januari 2025, 22:35 uur
Na enkele weken pauze vervolg ik mijn reis door het land van new wave. Mijn vorige album was het debuut van The Durutti Column en mijn volgende stamt eveneens uit januari 1980.
Single Brass in Pocket van de Pretenders betrad in februari 1980 de Nationale Hitparade. In mijn herinnering destijds te vaak gehoord op Hilversum 3, waar het kennelijk een favoriet was bij zowel de alternatievere (KRO, VARA) als de commerciëlere omroepen (AVRO, TROS).
Net zo tot vervelens toe las en hoorde ik het verhaal dat de Amerikaanse Hynde in Engeland als rockjournalist was begonnen en zo haar kennis van de muziekwereld had opgedaan, alvorens in Londen zelf een groep te beginnen.
En de hit? Noch met de melodie, noch met de muziek, noch met de stem van frontvrouw Chrissie Hynde kon ik iets. Bovendien was ik in lichte verwarring: waar media dit bij new wave indeelden, beleefde ik dit vooral als saaie poprock, ook al gezien het uiterlijk van de groepsleden, waarvan één een vetkuif á la de heren van Stray Cats had. En 45 jaar later?
Het staat op het titelloze debuut, verschenen op 11 januari 1980. Op kant A zeven, op kant B vijf nummers, waarvan A de steviger helft is; zoals de felle opener Precious, die ik destijds wél waardeerde - opgenomen van de VARA-radio. Extra opvallend is het inventieve gitaarwerk van James Honeyman-Scott, ondersteund door de slaggitaren van Hynde.
Zo zitten er leuke details in het vreemdsoortige The Phone Call en is het instrumentale Space Invader een pakkende aanloop naar The Wait. Een combinatie van traditionelere (pub)rock met frisse scheutjes punk. Ook is de tekst van Tatooed Love Boys over plastische chirurgie verrassend actueel.
Vanaf Stop Your Sobbing van Ray Davies van The Kinks, gestoken in jaren '60 wall of sound, wordt het echter kalmer en traditioneler. Al is de reggae in Private Life herkenbaar uit die periode - vergelijkbaar met wat Fischer-Z en The Police deden. Goed gedaan, waarbij Hyndes stem goed past, al duurt het me met z'n dikke zes minuten te lang. Pretenders sluit af in de felle stijl van kant A met het uptempo Mystery Achievement.
Britse wave begon door te dringen tot de Amerikaanse verkooplijsten. Twee weken vóór The Clash en London Calling betraden Pretenders het Amerikaanse Billboard en overtroffen het succes van die klassieker. De single (daar Brass in Pocket (I'm Special) gedoopt) reikte er tot #14, het album haalde er in juni #9.
Een knappe prestatie, ik geef het graag toe. Als liefhebber van felle gitaarliedjes bevalt de helft van hun debuut mij goed, het laat zich raden dat het gros van de mensen daar positiever in zit.
Mijn reis door new wave vervolgt en omdat ik - wederom - ontdekte dat ik enkele albums had gemist, moet ik terug naar 1977, voordat ik verder kan met 1980. Op naar het debuut van Throbbing Gristle, waar ik me ver buiten mijn comfortzone begeef.
Single Brass in Pocket van de Pretenders betrad in februari 1980 de Nationale Hitparade. In mijn herinnering destijds te vaak gehoord op Hilversum 3, waar het kennelijk een favoriet was bij zowel de alternatievere (KRO, VARA) als de commerciëlere omroepen (AVRO, TROS).
Net zo tot vervelens toe las en hoorde ik het verhaal dat de Amerikaanse Hynde in Engeland als rockjournalist was begonnen en zo haar kennis van de muziekwereld had opgedaan, alvorens in Londen zelf een groep te beginnen.
En de hit? Noch met de melodie, noch met de muziek, noch met de stem van frontvrouw Chrissie Hynde kon ik iets. Bovendien was ik in lichte verwarring: waar media dit bij new wave indeelden, beleefde ik dit vooral als saaie poprock, ook al gezien het uiterlijk van de groepsleden, waarvan één een vetkuif á la de heren van Stray Cats had. En 45 jaar later?
Het staat op het titelloze debuut, verschenen op 11 januari 1980. Op kant A zeven, op kant B vijf nummers, waarvan A de steviger helft is; zoals de felle opener Precious, die ik destijds wél waardeerde - opgenomen van de VARA-radio. Extra opvallend is het inventieve gitaarwerk van James Honeyman-Scott, ondersteund door de slaggitaren van Hynde.
Zo zitten er leuke details in het vreemdsoortige The Phone Call en is het instrumentale Space Invader een pakkende aanloop naar The Wait. Een combinatie van traditionelere (pub)rock met frisse scheutjes punk. Ook is de tekst van Tatooed Love Boys over plastische chirurgie verrassend actueel.
Vanaf Stop Your Sobbing van Ray Davies van The Kinks, gestoken in jaren '60 wall of sound, wordt het echter kalmer en traditioneler. Al is de reggae in Private Life herkenbaar uit die periode - vergelijkbaar met wat Fischer-Z en The Police deden. Goed gedaan, waarbij Hyndes stem goed past, al duurt het me met z'n dikke zes minuten te lang. Pretenders sluit af in de felle stijl van kant A met het uptempo Mystery Achievement.
Britse wave begon door te dringen tot de Amerikaanse verkooplijsten. Twee weken vóór The Clash en London Calling betraden Pretenders het Amerikaanse Billboard en overtroffen het succes van die klassieker. De single (daar Brass in Pocket (I'm Special) gedoopt) reikte er tot #14, het album haalde er in juni #9.
Een knappe prestatie, ik geef het graag toe. Als liefhebber van felle gitaarliedjes bevalt de helft van hun debuut mij goed, het laat zich raden dat het gros van de mensen daar positiever in zit.
Mijn reis door new wave vervolgt en omdat ik - wederom - ontdekte dat ik enkele albums had gemist, moet ik terug naar 1977, voordat ik verder kan met 1980. Op naar het debuut van Throbbing Gristle, waar ik me ver buiten mijn comfortzone begeef.
Promises - Promises (1978)

2,0
0
geplaatst: 22 juli 2022, 12:29 uur
Ben ik indertijd op het verkeerde been gezet! Tussen Sinterklaas 1978 en Carnaval 1979, de winter dat het zo bizar heftig ijzelde, was duet Baby It’s You van eendagsvlieg Promises een bescheiden hitje in Nederland (#20 in de Nationale Hitparade). Rock zoals die in die dagen ook klonk bij The Babys, Heart of Foreigner: stevig, melodieus, met gepassioneerde zang en in dit geval zelfs violen.
Toen ik afgelopen voorjaar de bijbehorende elpee voor een prikkie tegenkwam, heb ik die gekocht. Op het album stonden naast dit “vergeten pareltje” vast meer AOR-schoonheden.
Nog vóórdat ik die zou draaien, zocht ik alvast meer informatie over de band op. Twee broers en een zus, de familie Knauer, opgegroeid in Canada maar met een Duitse vader. De band opereerde vanuit de regio Los Angeles. Hierna nog één (geflopt) album gemaakt. Leslie Knauer werd in de jaren ’80 zangeres bij Precious Metal, een naam die mij vaag bijstaat. Vooral in Duitsland herinnerd, waarschijnlijk omdat de drie ook Duitstalig waren, vergelijkbaar met de connectie Van Halen - Nederland. Ik was benieuwd wat de plaat, met op de voorzijde zo'n fraai bandlogo in jaren ’70-stijl, te bieden had.
Tsja. Ik krijg het gevoel dat ik als prille puber naar het Hilversum 3 van dat jaar luister, met name de dagen dat de hitparadegerichte omroepen uitzonden. Wat wordt geboden is namelijk een allegaartje van popstijlen, vaak in disco gemarineerd.
Na de hit (in Duitsland #4, in Zwitserland #11, in Zweden #2 en in Nieuw-Zeeland zelfs #1) komt een uptempo popsong: Let’s Get Back Together heeft naast een saxsolo wederom de rauwe stem van Leslie, op bezoek bij Toppop gefilmd. Het haalde in Duitsland #18, bij ons niet één van de twee tipparades die Nederland toen kende.
Op derde nummer Who's Givin' It To Ya zingt broer Benny én klinkt een derde stijl: discopop. I’m Sleeping Over is een midtempo liefdesliedje in popstijl. Kant A sluit af met Step by Step, waarin tweede broer Leslie zingt, opnieuw klinkt een mengeling van pop en disco.
Op de B-kant ontbreekt elk spoor van rockende gitaren, het is discopop wat de klok slaat. Coffee Shop is zelfs funky. Radio’s On is een aardige ballad, romantisch gedrenkt in violen en blazers. Na nóg een popsong met dikke discosaus wordt afgesloten met beschaafde poprock in Jubilation.
De meeste nummers van deze plaat waren geschikt geweest voor de Soulshow van Ferry Maat bij de TROS, zoals die in die dagen op de donderdagavond klonk. Daarnaast klinkt driemaal hapklare pop en dat ene briljante liedje in AOR-stijl. De drie konden musiceren, alles klinkt smeuïg, maar op die ene hit na pakt het me nergens. Hun breedheid was meteen de zwakte.
Om daar pas in 2022 achter te komen is wel ráárrr. Ik ben ondertussen wel nieuwsgierig geworden of ze op de opvolger een duidelijker muzikale identiteit aannamen. Die staat nog op streaming ook: wordt vervolgd.
Toen ik afgelopen voorjaar de bijbehorende elpee voor een prikkie tegenkwam, heb ik die gekocht. Op het album stonden naast dit “vergeten pareltje” vast meer AOR-schoonheden.
Nog vóórdat ik die zou draaien, zocht ik alvast meer informatie over de band op. Twee broers en een zus, de familie Knauer, opgegroeid in Canada maar met een Duitse vader. De band opereerde vanuit de regio Los Angeles. Hierna nog één (geflopt) album gemaakt. Leslie Knauer werd in de jaren ’80 zangeres bij Precious Metal, een naam die mij vaag bijstaat. Vooral in Duitsland herinnerd, waarschijnlijk omdat de drie ook Duitstalig waren, vergelijkbaar met de connectie Van Halen - Nederland. Ik was benieuwd wat de plaat, met op de voorzijde zo'n fraai bandlogo in jaren ’70-stijl, te bieden had.
Tsja. Ik krijg het gevoel dat ik als prille puber naar het Hilversum 3 van dat jaar luister, met name de dagen dat de hitparadegerichte omroepen uitzonden. Wat wordt geboden is namelijk een allegaartje van popstijlen, vaak in disco gemarineerd.
Na de hit (in Duitsland #4, in Zwitserland #11, in Zweden #2 en in Nieuw-Zeeland zelfs #1) komt een uptempo popsong: Let’s Get Back Together heeft naast een saxsolo wederom de rauwe stem van Leslie, op bezoek bij Toppop gefilmd. Het haalde in Duitsland #18, bij ons niet één van de twee tipparades die Nederland toen kende.
Op derde nummer Who's Givin' It To Ya zingt broer Benny én klinkt een derde stijl: discopop. I’m Sleeping Over is een midtempo liefdesliedje in popstijl. Kant A sluit af met Step by Step, waarin tweede broer Leslie zingt, opnieuw klinkt een mengeling van pop en disco.
Op de B-kant ontbreekt elk spoor van rockende gitaren, het is discopop wat de klok slaat. Coffee Shop is zelfs funky. Radio’s On is een aardige ballad, romantisch gedrenkt in violen en blazers. Na nóg een popsong met dikke discosaus wordt afgesloten met beschaafde poprock in Jubilation.
De meeste nummers van deze plaat waren geschikt geweest voor de Soulshow van Ferry Maat bij de TROS, zoals die in die dagen op de donderdagavond klonk. Daarnaast klinkt driemaal hapklare pop en dat ene briljante liedje in AOR-stijl. De drie konden musiceren, alles klinkt smeuïg, maar op die ene hit na pakt het me nergens. Hun breedheid was meteen de zwakte.
Om daar pas in 2022 achter te komen is wel ráárrr. Ik ben ondertussen wel nieuwsgierig geworden of ze op de opvolger een duidelijker muzikale identiteit aannamen. Die staat nog op streaming ook: wordt vervolgd.
Promises - Real to Real (1979)

2,0
0
geplaatst: 5 augustus 2022, 09:13 uur
Nadat ik door hun ene hitsingle compleet op het verkeerde been was gezet en dat 44 jaar lang, werd ik warempel nieuwsgierig naar de opvolger. Aangezien zangeres Leslie Knauer met haar fantastische stem in de jaren '80 frontvrouw was van het stevige Precious Metal, was er wellicht toch iets leuks te vinden op Promises' tweede plaatje.
Real to Real. Waar de muziek op het debuut veelal in discosaus is gesmoord, is die invloed verdwenen. Op de opvolger klinkt pop, in het stevigste geval powerpop (Lucky in Love, Jets & Copters en Bad Guys). Tijdens het luisteren kreeg ik associaties met pianomannen als Elton John en Billy Joel. Ook een vergelijking met de kwaliteitspop van 10CC drong zich soms op.
Twee broers en een zus, zingen en componeren konden ze. Bovendien door studiomuzikanten vakkundig ingespeeld. Dit alles in een warme jaren '70-productie, waar ik zo van houd. Maar nergens pakt het me. Misschien dat het wél iets is voor fans van de namen die ik noemde, mijn smaak is nu eenmaal anders.
Vanaf 1985 keerde Leslie terug aan het front met Precious Metal, waarmee drie platen werden gemaakt. Heb even gekoekeld: ze zijn nog altijd actief, zij het niet meer als all-female band. Muziek die niet is te vergelijken met hetgeen je bij Promises hoort.
Op Precious Metals derde, titelloze album staat een nummer dat Leslie met Ann en Nancy Wilson van Heart schreef: Trouble is op streaming te vinden.
Real to Real. Waar de muziek op het debuut veelal in discosaus is gesmoord, is die invloed verdwenen. Op de opvolger klinkt pop, in het stevigste geval powerpop (Lucky in Love, Jets & Copters en Bad Guys). Tijdens het luisteren kreeg ik associaties met pianomannen als Elton John en Billy Joel. Ook een vergelijking met de kwaliteitspop van 10CC drong zich soms op.
Twee broers en een zus, zingen en componeren konden ze. Bovendien door studiomuzikanten vakkundig ingespeeld. Dit alles in een warme jaren '70-productie, waar ik zo van houd. Maar nergens pakt het me. Misschien dat het wél iets is voor fans van de namen die ik noemde, mijn smaak is nu eenmaal anders.
Vanaf 1985 keerde Leslie terug aan het front met Precious Metal, waarmee drie platen werden gemaakt. Heb even gekoekeld: ze zijn nog altijd actief, zij het niet meer als all-female band. Muziek die niet is te vergelijken met hetgeen je bij Promises hoort.
Op Precious Metals derde, titelloze album staat een nummer dat Leslie met Ann en Nancy Wilson van Heart schreef: Trouble is op streaming te vinden.
Proto-Kaw - Before Became After (2004)

3,5
1
geplaatst: 22 oktober 2023, 12:39 uur
In 2002 ontstond muzikale opwinding in Topeka, Kansas dankzij demo-opnamen van een eerdere bezetting van proggroep Kansas. Uitgebracht onder de groepsnaam Proto-Kaw als Early Recordings from Kansas 1971-1973, besloten de oudgedienden om nieuwe muziek vast te leggen.
Blijkens het verhaal van ex-radioman Steve Jack in het cd-boekje van Before Came After werden hiervoor vier oude nummers opgenomen plus vijf nieuwe, allen van de hand van Kerry Livgren. Van externe liedschrijvers werd Greensburg, Glickstein, Charles, David, Smith and Jones gebruikt.
Op Livgren na had de bezetting van de jaren '71-'73 het leven vervolgd met reguliere banen. In 2002 keerden de mannen terug naar de muziek, minus de overleden pianist/fluitist/altsaxofonist Don Montre, die niet werd vervangen. Originele bassist Rod Mikinski is slechts te horen op Axolotl, zijn vervanger is Craig Kew. In de bezetting verder zanger Lynn Meredith, toetsenist Dan Wright, saxofonist/fluitist John Bolton en drummer Brad Schultz.
Waar Livgrens soloalbums veelal via zijn eigen label verschenen en daardoor in Europa slechts duur verkrijgbaar zijn, verscheen deze Proto-Kaw bij het Duitse proglabel Inside Out, tussen grote namen als Ayreon, Evergrey en Spock's Beard.
De grootste verschillen met dit originele Kansas en het Kansas dat vanaf '74 furore maakte, vormen het gebruik van blaasinstrumenten en de prominentere aanwezigheid van jazz/fusion. Livgren kreeg van zijn vader jazz met de paplepel ingegoten; dit klinkt door in met name de delen met blaasinstrumenten. Voor sommige (prog)rockliefhebbers is dit wellicht wennen.
Wat geboden wordt is niet drukke wiskundeprog, maar een kalmer variant. In eerste instantie vond ik het te kalm of zelfs saai, mede omdat de eerste twee nummers vrij tam zijn. Opener Alt. More Worlds Than Known heeft een veel te korte climax (maar wat een sterke zang in dat slot!) en Words of Honor start eveneens moeizaam. Het zit 'm in de composities, niet het spel.
Track 3 Leaven is de eerste compositie waarin het spannend wordt. Bovendien blijkt dat vaker draaien wordt beloond: het album groeit dankzij verborgen details. Een zang- of instrumentenlijn bijvoorbeeld, of de contrasten in een nummer.
Sterkste nummers op de eerste helft: Leaven met rustige gesproken delen en harde rock, inclusief de sax; het heftigste nummer Axolotl, waarschijnlijk één van de nummers uit de beginperiode met een tekst over zingeving en zoeken; de fusion van Quantum Leapfrog.
Meer sterks op de tweede helft: het "grote Kansas" echoot het nadrukkelijkst in het rijk georkestreerde Gloriana, dat waarschijnlijk uit de oerdagen stamt; Heavenly Man met korte gitaar- en toetsensolo's plus een vleugje reggae, naar een mooi slot opgebouwd; het bijna twaalf minuten durende Theophany sluit het album af en is opgebouwd in de beste Livgreniaanse traditie met donkere en lichte delen, inclusief een altsaxofoonsolo in lichte fusionstijl. Fris buitenbeentje is The Occasion of Your Honest Dreaming, een meerstemmig gezongen popnummer op singlelengte: heerlijk!
De stem van Lynn Meredith is verrassend jong gebleven, je zou 'm op gehoor dertig jaar jonger schatten. Hij is geen powerzanger maar zijn stembanden zijn krachtig en lenig, passend bij de muziek. Wat bovendien opvalt: de meeste heren mogen dan jarenlang geen actieve muziekcarrière hebben gevolgd, het muzikale niveau is hoog.
Is vergelijken verstandig? Een poging: een ingetogen Kansas? Sommige muziek van het Deep Purple met Steve Morse? Hoe dan ook, Before Came After is een prima debuut, ondanks een wat stroef begin. Met een toepasselijke titel waarover je even moet nadenken.
Blijkens het verhaal van ex-radioman Steve Jack in het cd-boekje van Before Came After werden hiervoor vier oude nummers opgenomen plus vijf nieuwe, allen van de hand van Kerry Livgren. Van externe liedschrijvers werd Greensburg, Glickstein, Charles, David, Smith and Jones gebruikt.
Op Livgren na had de bezetting van de jaren '71-'73 het leven vervolgd met reguliere banen. In 2002 keerden de mannen terug naar de muziek, minus de overleden pianist/fluitist/altsaxofonist Don Montre, die niet werd vervangen. Originele bassist Rod Mikinski is slechts te horen op Axolotl, zijn vervanger is Craig Kew. In de bezetting verder zanger Lynn Meredith, toetsenist Dan Wright, saxofonist/fluitist John Bolton en drummer Brad Schultz.
Waar Livgrens soloalbums veelal via zijn eigen label verschenen en daardoor in Europa slechts duur verkrijgbaar zijn, verscheen deze Proto-Kaw bij het Duitse proglabel Inside Out, tussen grote namen als Ayreon, Evergrey en Spock's Beard.
De grootste verschillen met dit originele Kansas en het Kansas dat vanaf '74 furore maakte, vormen het gebruik van blaasinstrumenten en de prominentere aanwezigheid van jazz/fusion. Livgren kreeg van zijn vader jazz met de paplepel ingegoten; dit klinkt door in met name de delen met blaasinstrumenten. Voor sommige (prog)rockliefhebbers is dit wellicht wennen.
Wat geboden wordt is niet drukke wiskundeprog, maar een kalmer variant. In eerste instantie vond ik het te kalm of zelfs saai, mede omdat de eerste twee nummers vrij tam zijn. Opener Alt. More Worlds Than Known heeft een veel te korte climax (maar wat een sterke zang in dat slot!) en Words of Honor start eveneens moeizaam. Het zit 'm in de composities, niet het spel.
Track 3 Leaven is de eerste compositie waarin het spannend wordt. Bovendien blijkt dat vaker draaien wordt beloond: het album groeit dankzij verborgen details. Een zang- of instrumentenlijn bijvoorbeeld, of de contrasten in een nummer.
Sterkste nummers op de eerste helft: Leaven met rustige gesproken delen en harde rock, inclusief de sax; het heftigste nummer Axolotl, waarschijnlijk één van de nummers uit de beginperiode met een tekst over zingeving en zoeken; de fusion van Quantum Leapfrog.
Meer sterks op de tweede helft: het "grote Kansas" echoot het nadrukkelijkst in het rijk georkestreerde Gloriana, dat waarschijnlijk uit de oerdagen stamt; Heavenly Man met korte gitaar- en toetsensolo's plus een vleugje reggae, naar een mooi slot opgebouwd; het bijna twaalf minuten durende Theophany sluit het album af en is opgebouwd in de beste Livgreniaanse traditie met donkere en lichte delen, inclusief een altsaxofoonsolo in lichte fusionstijl. Fris buitenbeentje is The Occasion of Your Honest Dreaming, een meerstemmig gezongen popnummer op singlelengte: heerlijk!
De stem van Lynn Meredith is verrassend jong gebleven, je zou 'm op gehoor dertig jaar jonger schatten. Hij is geen powerzanger maar zijn stembanden zijn krachtig en lenig, passend bij de muziek. Wat bovendien opvalt: de meeste heren mogen dan jarenlang geen actieve muziekcarrière hebben gevolgd, het muzikale niveau is hoog.
Is vergelijken verstandig? Een poging: een ingetogen Kansas? Sommige muziek van het Deep Purple met Steve Morse? Hoe dan ook, Before Came After is een prima debuut, ondanks een wat stroef begin. Met een toepasselijke titel waarover je even moet nadenken.
