MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten erwinz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Wildbirds & Peacedrums - Rhythm (2014)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Wildbirds & Peacedrums - Rhythm - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Het Zweedse duo Wildbirds & Peacedrums draait inmiddels al een aantal jaren mee, maar tot dusver lukte het me niet om chocolade te maken van de muziek van zangeres Mariam Wallentin en drummer Andreas Werliin.

Dat leek in eerste instantie ook weer niet te lukken met het recent verschenen Rhythm, maar na enige gewenning had de nieuwe plaat van het Zweedse duo me toch te pakken.

Rhythm is geen toevallig gekozen titel voor de nieuwe plaat van Wildbirds & Peacedrums, want het drumwerk van Andreas Werliin bepaalt voor een belangrijk deel de instrumentatie op de plaat.

Dat is natuurlijk even wennen, maar het went snel. Andreas Werliin is een buitengewoon inventief drummer, die de meest fascinerende ritmes uit zijn trommels weet te toveren. Het is een jazzy drumgeluid dat breed uitwaait maar op hetzelfde moment ook strak is.

De inkleuring moet vervolgens voor een belangrijk deel komen van de stem van Mariam Wallentin en ook dit blijkt een fenomeen. Mariam Wallentin kan heerlijk jazzy en bluesy zingen, maar kan ook uit de voeten met soul en vult hierna de laatste gaatjes op met meerdere lagen van haar bijzondere stemgeluid.

Wildbirds & Peacedrums is echter op zijn best wanneer de songs worden teruggebracht tot de essentie. Op dat moment hoor je iedere subtiele roffel van Andreas Werliin en komen de vocalen van Mariam Wallentin uit haar tenen. Wat donkere synths maken de magie compleet. De wat meer experimentele songs op de plaat liggen veel zwaarder op de maag, maar deze zijn gelukkig in de minderheid.

Het zal duidelijk zijn dat het niet meevalt om met zinvol vergelijkingsmateriaal op de proppen te komen, maar de plaat die Neneh Cherry maakte met de eveneens Zweedse jazzband The Thing komt zo af en toe aardig in de buurt.

De muziek van Wildbirds & Peacedrums is nog net wat minder conventioneel, maar echt ontoegankelijk is het toch niet. Rhythm van Wildbirds & Peacedrums bevat absoluut popsongs, maar het zijn wel popsongs van een soort dat je waarschijnlijk nog niet kent.

Het is daarom niet eerlijk om een oordeel te vellen op basis van één of twee luisterbeurten. Rhythm is een plaat die moet groeien en doet dat ook. Wat in eerste instantie vervreemdend overkomt, is na verloop van tijd bezwerend en indringend. Rhythm van Wildbirds & Peacedrums blijkt dan een plaat van een bijzondere schoonheid en intensiteit.

Wereldberoemd gaan Mariam Wallentin en Andreas Werliin er echt niet mee worden, maar muziekliefhebbers die niet bang zijn voor platen die vooral buiten de lijntjes kleuren moeten Rhythm toch op zijn minst een kans geven. Ik heb dat gedaan en ben niet alleen onder de indruk van de bijzondere wijze waarop Wildbirds & Peacedrums muziek maakt, maar ook geraakt door de ruwe schoonheid van deze bijzondere plaat. Erwin Zijleman

Wilder Maker - Male Models (2022)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Wilder Maker - Male Models - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Wilder Maker - Male Models
Wilder Maker wilde, samen met een flink aantal gastvocalisten, een album maken dat klinkt als een zeer aangename playlist en is daar met het deze week verschenen Male Models glansrijk in geslaagd

Male Models is mijn eerste kennismaking met de muziek van de Amerikaanse band Wilder Maker en het is een wat atypische kennismaking. Wilder Maker eigent zich op Male Models minder dan de helft van de songs toe en geeft de resterende songs min of meer uit handen aan een imposante lijst gastvocalisten. Die gastvocalisten maken er vooral hun eigen songs van, maar het zijn wel stuk voor stuk mooie songs, die fraai worden ingekleurd door Wilder Maker. Door de grote variëteit aan gastvocalisten en stijlen is Male Models een wat bonte lappendeken geworden, waarop je Wilder Maker af en toe wat mist, maar die wel een geweldige playlist oplevert.

De Amerikaanse band Wilder Maker was tot deze week voor mij een grote onbekende. De band uit New York maakte de afgelopen jaren een aantal albums, die in Nederland volgens mij nauwelijks aandacht hebben gekregen en die ik in ieder geval niet heb beluisterd. Male Models, het deze week verschenen nieuwe album van de Amerikaanse band, trok vooral mijn aandacht vanwege de imposante lijst met gastvocalisten. Het is een lijst waarop de namen prijken van onder andere Felicia Douglas (Dirty Projectors), V.V. Lightbody, Mutual Benefit, Adam Duritz (Counting Crows) en Katie von Schleicher, die in 2020 met Consummation een prachtig soloalbum afleverde.

Ruim de helft van de tracks op Male Models wordt gedomineerd door gastvocalisten, waardoor het nieuwe album van Wilder Maker een album met twee gezichten is geworden. In de tracks waarin de band uit New York er alleen voor staat maakt Wilder Maker voorzichtig ruwe indierock met een randje Amerikaanse rootsmuziek. Het doet af en toe wel wat denken aan Kings Of Leon in haar jonge jaren, maar je hoort ook dat Wilder Maker uit New York komt. Het klinkt bijzonder aangenaam, maar ik denk dat een album met alleen Wilder Maker me uiteindelijk wat zou gaan vervelen door de wat monotone zang. Het is dan ook een goede zet dat de band flink wat gastmuzikanten heeft uitgenodigd voor de zang op haar nieuwe album.

Ik noemde Male Models hierboven een album met twee gezichten, maar het is feitelijk een album met vele gezichten. Alle gastvocalisten die zijn te horen op het album drukken immers nadrukkelijk hun stempel op de songs die ze vertolken en gebruiken Wilder Maker als hun band. Zo duwt Felicia Douglas de muziek van Wilder Maker voorzichtig de kant van de pop of zelfs triphop op, maakt Mutual Benefit er folk-noir van, neemt Yellow Ostrich je mee terug naar de hoogtijdagen van Elliott Smith, terwijl V.V. Lightbody het geluid van de band een subtiele rockinjectie geeft en Katie von Schleicher, die twee keer opduikt, de muziek van de Amerikaanse band juist weer voorziet van impulsen uit de country en de folk.

Male Models klinkt hierdoor meer als een verzamelaar met muzikanten uit New York dan als een bandalbum van Wilder Maker. Het is de vraag of dit erg is, want Male Models is wel een hele lekkere verzamelaar. Het is een verzamelaar waarop het wat zoeken is naar de gemeenschappelijke basis, die misschien vooral in het gitaarwerk van Wilder Maker zit, maar de songs op het album zijn allemaal goed en maken me nieuwsgierig naar de andere verrichtingen van zowel Wilder Maker als de gastvocalisten die zijn te horen op het album.

Dit was volgens Wilder Maker voorman Gabriel Birnbaum ook precies de bedoeling. De Amerikaanse muzikant wilde met Male Models een playlist, de eigentijdse naam voor een verzamelaar, maken die twaalf songs lang niet verslapt. Ik moest wel even wennen aan de wijze waarop Male Models van de hak op de tak springt, maar uiteindelijk kan ik alleen maar concluderen dat Wilder Maker er in is geslaagd om een dozijn songs af te leveren die gezamenlijk een mooie soundtrack vormen, waarop Gabriel Birnbaum ook nog eens mooie verhalen vertelt. Een bijzondere eerste kennismaking met Wilder Maker, dat is zeker. Erwin Zijleman

Will Johnson - Diamond City (2025)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Will Johnson - Diamond City - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Review: Will Johnson - Diamond City
De Amerikaanse muzikant Will Johnson heeft inmiddels een enorme stapel albums op zijn naam staan met zijn bands en als solomuzikant en ook het deze week verschenen Diamond City is weer een prachtig album

Will Johnson stond de afgelopen twee jaar volop in de spotlights als lid van The 400 Unit, de band van Jason Isbell, maar ook met zijn solowerk verdient de Amerikaanse muzikant alle aandacht. Will Johnson dook in de jaren 90 op met zijn band Centro-Matic en later met South San Gabriel, maar ook zijn solowerk is zeer de moeite waard. Diamond City volgt op een aantal geweldige albums en laat goed horen wat Will Johnson te bieden heeft. De muziek is ruw en elementair, de zang doorleefd en de songs prachtig. Will Johnson behoort inmiddels al enkele decennia tot de smaakmakers binnen de Amerikaanse roots- en rockmuziek en laat op Diamond City nog maar eens horen waarom dat zo is.

Ondanks het feit dat de vorige drie albums van de Amerikaanse muzikant Will Johnson (Wire Mountain uit 2019, El Capitan uit 2020 en No Ordinary Crown uit 2023) op deze website konden rekenen op zeer positieve recensies en het laatste album zelfs mijn jaarlijstje haalde, kwam het onlangs verschenen Diamond City vreemd genoeg toch weer op de stapel terecht.

Ik heb sowieso een wat ongelukkige relatie met het solowerk van Will Johnson, want waar ik het werk van zijn bands Centro-Matric en South San Gabriel altijd zeer kon waarderen, was het hierboven genoemde Wire Mountain pas mijn eerste kennismaking met zijn solowerk, hoewel het toch al zijn zesde soloalbum was. Diamond City heeft gelukkig niet heel lang op de stapel gelegen, want ook het negende soloalbum van de muzikant uit Austin, Texas, is weer zeer de moeite waard en mag echt niet ontbreken tussen de krenten uit de pop.

Will Johnson trad twee jaar geleden toe tot The 400 Unit, de band van Jason Isbell, maar schreef eerst nog even een berg songs, waarvan er negen zijn terecht gekomen op Diamond City. Will Johnson maakte zijn nieuwe soloalbum samen met producer, studiotechnicus en multi-instrumentalist Britton Beisenherz, nadat hij eerst een twintigtal ruwe demo’s had opgenomen met zijn tape recorder.

De twee tekenden samen voor alle muziek op het album en net als de vorige soloalbums van Will Johnson klinkt het met redelijk eenvoudige middelen opgenomen album behoorlijk sober. Het is wat mij betreft de setting waarin de songs en de stem van de Amerikaanse muzikant het best tot zijn recht komen, waardoor ik blij ben met het album.

Sober is in het geval van Will Johnson overigens een relatief begrip, want door de inzet van elektrische gitaren, keyboards en spaarzame percussie is Diamond City zeker geen verstild klinkend folkalbum. Met name het elektrische gitaarwerk op het album vind ik erg mooi, zeker wanneer het tempo laag ligt en een subtiel laagje keyboards de gitaarklanken eindeloos ver laat weg zweven, zoals in het echt prachtige en bijna zes minuten durende Unfamiliar Ghost.

Ook wanneer de Amerikaanse muzikant kiest voor slechts een paar gitaarakkoorden, al dan niet gecombineerd met subtiel klinkende synths maakt zijn muziek makkelijk indruk. Dat heeft deels te maken met de bijzondere klanken op het album, maar nog net wat meer met de mooie stem van de muzikant uit Austin. Het is een stem die ook op Diamond City weer kwetsbaar en doorleefd klinkt en hierdoor makkelijk indruk maakt.

Net als de vorige soloalbums van Will Johnson is ook zijn nieuwe album weer een wat lo-fi klinkend singer-songwriter album, maar wat wordt er mooi en subtiel gespeeld op het album, dat vooral uitblinkt door wat ruw maar prachtig gitaarwerk. Het tempo ligt ook dit keer behoorlijk laag, wat in combinatie met de subtiele en atmosferische klanken en de mooie stem van de Amerikaanse muzikant zorgt voor een wat bedwelmende of zelfs hypnotiserende sfeer, die af en toe aan de albums van Sparklehorse doet denken.

Het is de sfeer die ik zo mooi vond op de vorige albums van Will Johnson, die met Diamond City een album heeft afgeleverd dat niet onder doet voor zijn voorgangers. Een heel groot publiek trekt de Amerikaanse muzikant niet met zijn albums en dat moet nu echt maar eens gaan veranderen. Erwin Zijleman

Will Johnson - El Capitan (2020)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Will Johnson - El Capitan - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Will Johnson - El Capitan
Will Johnson imponeerde vorig jaar met het prachtige Wire Mountain en doet nu hetzelfde met het uiterst sobere en tijdens de corona lockdown opgenomen El Capitan

Will Johnson dook ooit op met de geweldige band Centro-Matic, maar de afgelopen jaren was het wat stil rond de Amerikaanse muzikant. Vorig jaar ontdekte ik, min of meer bij toeval, het werkelijk prachtige Wire Mountain, waardoor El Capitan er direct uitsprong in de goed gevulde release lijsten van de afgelopen weken. El Capitan is een uiterst sober album, dat in drie dagen werd opgenomen tijdens de Texaanse lockdown. De instrumentatie is spaarzaam, maar dat komt de intensiteit van het album alleen maar ten goede. Will Johnson grijpt je onmiddellijk bij de strot met zijn wat weemoedige zang en laat pas los wanneer de laatste noten van dit bijzonder fraaie album wegsterven.

Nu de corona pandemie ons al enkele maanden in zijn greep houdt, duiken langzaam maar zeker de eerste corona albums op. Het zijn albums met songs die zijn geschreven tijdens de lockdown of albums die zijn opgenomen tijdens de lockdown, omdat er verder nu eenmaal niet zo gek veel te doen was. El Capitan van de Amerikaanse muzikant Will Johnson valt grotendeels in de laatste categorie. Een aantal songs op het album werd jaren geleden al geschreven, maar het album bevat ook een aantal songs die de sporen van de lockdown wat nadrukkelijker dragen.

Het album werd wel opgenomen tijdens de Texaanse lockdown en stond uiteindelijk in slechts drie dagen op de band. In de anderhalve meter samenleving was er niet veel ruimte om extra muzikanten in te schakelen, wat een behoorlijk sober album oplevert. El Capitan werd gemaakt met producer Britton Beisenherz, die ook een orgel, een eenvoudig keyboard en een piano meenam naar de Ramble Creek Recording Studio in Austin, Texas. Will Johnson, die zelf tekent voor de akoestische gitaar en zang, kreeg hier verder gezelschap van Thor Harris, die de vibrafoon en de klarinet bespeelt en van Lindsey Verrill, die tekent voor spaarzame cello bijdragen en wat vocalen.

Nog geen jaar geleden zou ik een nieuw album van Will Johnson waarschijnlijk over het hoofd hebben gezien, want de Amerikaanse muzikant die vanaf het eind van de jaren 90 indruk maakte met de albums van zijn bands Centro-Matic en South San Gabriel, was de laatste jaren wat van de radar verdwenen. Het vorig jaar verschenen Wire Mountain lag daarom weken op de stapel, maar bleek uiteindelijk jaarlijstjeswaardig.

Dankzij Wire Mountain was ik direct nieuwsgierig naar El Capitan en dat is maar goed ook, want Will Johnson heeft wederom een prachtig album afgeleverd. Het is zoals gezegd een uiterst sober en grotendeels akoestisch album. De basis van de meeste songs bestaat uit het akoestische gitaarspel van de Amerikaanse muzikant en zijn wat melancholisch aandoende stem. Het was misschien al genoeg geweest, maar de fraaie accenten die zijn aangebracht in de instrumentatie geven de songs op El Capitan net wat meer glans.

Het is niet veel muzikanten gegeven om de aandacht vast te houden in een sobere setting als die op El Capitan, maar Will Johnson voelt zich als een vis in het water. El Capitan is een sober en wat weemoedig klinkend album, maar het is ook een album dat opvalt door een enorme intimiteit en intensiteit. Will Johnson was in het verleden geen heel groot zanger, maar de songs op El Capitan vertolkt hij op grootse en meeslepende wijze.

El Capitan is een album dat je vanaf de eerste noten in een wurggreep houdt. Waarom dat zo is, is niet makkelijk uit te leggen of te verklaren. El Capitan is een sober singer-songwriter album zoals er zoveel zijn, maar op een of andere manier doet het album meer met mij dan het gemiddelde album in het genre, ook bij herhaalde beluistering.

Ik werd vorig jaar enorm verrast door de kwaliteit van Wire Mountain en ook El Capitan is een uitstekend album. Het is een album dat de leegte van de lockdown laat voelen, maar het is ook gewoon een prima album van een singer-songwriter die de laatste jaren niet heel veel aandacht trekt, maar toch heel veel moois op zijn naam heeft staan. Erwin Zijleman

Will Johnson - No Ordinary Crown (2023)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Will Johnson - No Ordinary Crown - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Will Johnson - No Ordinary Crown
Will Johnson trekt helaas niet heel veel aandacht met zijn soloalbums, maar het onlangs verschenen No Ordinary Crown is een mooi en veelzijdig album, dat ik inmiddels best sensationeel goed durf te noemen

Will Johnson, de voormalige voorman van onder andere Centro-Matic en South San Gabriel, maakte de afgelopen jaren al een aantal uitstekende soloalbums, maar hij overtreft ze moeiteloos met zijn nieuwe album No Ordinary Crown. Het is een album dat wat gevarieerder klinkt dan zijn voorgangers en dat ook wat voller en spannender is ingekleurd. Het is een album dat zowel invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek als uit de indierock verwerkt en beide genres vloeien op het album prachtig samen. Het klinkt allemaal prachtig en Will Johnson is goed bij stem, maar hij schreef voor No Ordinary Crown ook een aantal fantastische songs. Geweldig album!

No Ordinary Crown van Will Johnson verscheen een week of twee geleden bijna geruisloos en ontsnapte in eerste instantie daarom ook aan mijn aandacht, maar het is wederom een weergaloos album van de Amerikaanse muzikant. Dat komt zeker niet als een verrassing, want Will Johnson staat inmiddels al heel wat jaren garant voor uitstekende albums. Die maakte hij in de jaren 90 vooral met zijn band Centro-Matic en in de eerste jaren van dit millennium met South San Gabriel, maar sinds 2002 maakt de muzikant, die Denton, Texas, inmiddels heeft verruild voor het eveneens Texaanse Austin, ook soloalbums.

Het zijn albums die ik niet allemaal heb opgepikt en als ik ze wel oppikte deed ik dat vaak met enige vertraging en dat is dit keer niet anders, ondanks de hoge kwaliteit van de vorige twee soloalbums van Will Johnson, Wire Mountain uit 2019 en El Capitán uit 2021. Will Johnson trad eerder dit jaar toe tot The 400 Unit, de band van Jason Isbell, maar laat op No Ordinary Crown horen dat hij ook als solomuzikant met de allerbesten mee kan.

Will Johnson heeft sinds de begindagen van Centro-Matic wat meer ingetogen Amerikaanse rootsmuziek gecombineerd met richting indierock opschuivende klanken en dat doet hij ook weer op No Ordinary Crown. Toch is het nieuwe album van de Amerikaanse muzikant zeker niet meer van hetzelfde, want op No Ordinary Crown kiest Will Johnson in een aantal tracks voor nieuwe wegen. In de meeste tracks op het album kiest de muzikant uit Austin voor een wat voller geluid, waarin aan de ene kant ruimte is voor een wat steviger gitaargeluid en aan de andere kant wordt geëxperimenteerd met soundscape achtige klanken.

Wanneer de gitaren mogen uitpakken hoor je op No Ordinary Crown echo’s van de muziek van Neil Young en Crazy Horse en dat klinkt bijzonder lekker, zeker wanneer er een lekker gruizige gitaarsolo tegenaan wordt gegooid en Will Johnson met veel gevoel zingt. Je hoort het direct in de openingstrack, wat mij betreft een van de prijsnummers op het album, die goed laat horen waartoe Will Johnson in staat is.

Wanneer de gitaren nog wat ruwer klinken begeeft de Amerikaanse muzikant zich op het pad van de indierock, maar in veel tracks zoekt Will Johnson vooral de grenzen van de Amerikaanse rootsmuziek op. Dat doet hij op steeds wat andere wijze, waardoor No Ordinary Crown een lekker veelzijdig album is. Wat niet varieert is de kwaliteit van de songs, want die is zonder uitzondering hoog.

Omdat het ook nog eens songs zijn waarin Will Johnson zijn grenzen opzoekt, is het niet overdreven om te stellen dat hij op No Ordinary Crown dicht bij zijn beste werk in de buurt komt, of dit zelfs overtreft. Ik vond de vorige albums van Will Johnson vooral degelijk, maar zijn nieuwe album is meer dan eens verrassend spannend. Ondertussen strooit de Amerikaanse muzikant ook met bloedmooie songs, die opvallen door betoverend mooie klanken en verrassend goede zang.

De lekker ruwe songs gaan er in als koek, maar ook de met soundscapes verrijkte en fraai beeldende songs maken makkelijk indruk, zeker wanneer de pedal steel wolken met prachtige klanken laat overdrijven. Het is daarom doodzonde dat de muziek van Will Johnson zo weinig aandacht krijgt, want de mix van Amerikaanse rootsmuziek en een vleugje indierock doet niet onder voor het beste dat vooralsnog in 2023 is gemaakt in het genre. Laat je verrassen door het prachtige No Ordinary Crown. Grote kans dat je genadeloos voor de bijl gaat. Erwin Zijleman

Will Johnson - Wire Mountain (2019)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Will Johnson - Wire Mountain - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Will Johnson trekt niet meer de aandacht die hij een jaar of twintig geleden trok, maar zijn nieuwe soloalbum verdient echt alle aandacht

Ik was Will Johnson eerlijk gezegd helemaal uit het oog verloren, maar sinds Wire Mountain hier uit de speakers komt is mijn liefde voor de muziek van de Texaanse muzikant weer helemaal terug. Wire Mountain is een zich langzaam voortslepend en donker album. De gitaren op het album klinken vaak rauw, maar er is ook ruimte voor meer akoestische passages. Het past allemaal prachtig bij de doorleefde stem van Will Johnson en bij de melancholische sfeer van het album. Will Johnson leverde in de jaren 90 en 00 meerdere klassiekers af, maar met Wire Mountain laat hij horen dat hij het nog steeds kan.

Will Johnson stond twee decennia lang in het middelpunt van de belangstelling met bands als Centro-Matic, South San Gabriel en Foxymorons en ook een aantal uitstekende soloalbums van de singer-songwriter uit Texas konden rekenen op veel aandacht en uitstekende kritieken.

Het afgelopen decennium is aandacht voor de muziek van Will Johnson om onduidelijke redenen veel minder vanzelfsprekend, waardoor hij wat uit beeld is geraakt. Ik had zelf eerlijk gezegd ook al een tijdje niet meer gelet op de muziek van Will Johnson, tot zijn nieuwe soloalbum een aantal weken geleden opdook in het lijstje met nieuwe releases.

Het nieuwe album van de muzikant die zijn geboorteplaats Denton inmiddels heeft verruild voor het eveneens Texaanse en wat mondainere Austin, lag een tijdje op de stapel, maar toen ik eenmaal een paar tracks van Wire Mountain had gehoord, was ik snel overtuigd van het nieuwe soloalbum van Will Johnson.

Wire Mountain opent met vrij stevig aangezette gitaarakkoorden en bijpassende drums, maar als Will Johnson gaat zingen klinkt het toch vrij ingetogen. De Texaanse muzikant zocht altijd al naar de balans tussen wat stevigere rockmuziek en ingetogen rootsmuziek en doet dat ook op zijn nieuwe soloalbum. Will Johnson is daarom zeker niet de typische singer-songwriter binnen de Amerikaanse rootsmuziek, maar ook Wire Mountain is een album dat zeker aandacht verdient van liefhebbers van het genre, terwijl ook liefhebbers van een wat steviger geluid het album zullen kunnen waarderen.

De muziek van Will Johnson viel altijd op door de intensiteit en intimiteit van deze muziek en ook Wire Mountain doet dat. Het album klinkt donker en vaak dreigend, wat de impact van de muziek versterkt. Een aantal songs op het album zijn wat steviger aangezet, wat het donkere karakter van de muziek van Will Johnson verder versterkt, maar ook wanneer de instrumentatie uiterst sober is worden de songs op het album gedomineerd door melancholie.

Veel songs op Wire Mountain slepen zich langzaam voort, waarbij het opvalt hoe trefzeker de zang van Will Johnson is. Ik was altijd al een liefhebbers van zijn zang, maar op Wire Mountain hebben de gevoelige vocalen nog wat aan diepgang en doorleving gewonnen.

Wire Mountain is een album dat zich stevig opdringt en het is een album dat alle aandacht opeist. Dat is maar goed ook, want Will Johnson en zijn medemuzikanten hebben veel mooie accenten verstopt in de instrumentatie op het album. Zeker wanneer de gitaren los mogen gaan in bijna Crazy Horse achtig gitaarwerk, maakt Wire Mountain veel indruk, maar ook de accenten in de bijna verstilde akoestische passages op het album, vaak afkomstig van de minimalistische folkband Little Marzarn, zijn van een bijzondere schoonheid.

Hoewel het tempo vrijwel continu laag ligt is en de sfeer steeds donker en dreigend is, is Wire Mountain een veelzijdig album, al zit de veelzijdigheid wel in de nuance. Ik was vrijwel onmiddellijk overtuigd van de kwaliteiten van het nieuwe album van Will Johnson, maar de meeste songs op het album winnen door de subtiele instrumentatie nog lang aan kracht. De afgelopen jaren heb ik niet geluisterd naar zijn muziek, maar dat Will Johnson het nog steeds kan is duidelijk. Het levert een fraai album op dat veel meer aandacht verdient dan het tot dusver heeft gekregen. Erwin Zijleman

Will Kimbrough - I Like It Down Here (2019)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Will Kimbrough - I Like It Down Here - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Will Kimbrough - I Like It Down Here
Will Kimbrough behoort al vele jaren tot de beste gitaristen binnen de Amerikaanse rootsmuziek en laat nu horen dat hij ook als singer-songwriter met de besten mee kan

Luister naar Alabama (for Michael Donald) en de kans is groot dat je het nieuwe album van Will Kimbrough niet meer wilt missen. De muzikant uit Nashville behoort al heel lang tot de beste gitaristen in het genre, maar maakt op zijn nieuwe album minstens evenveel indruk als singer-songwriter. I Like It Down Here staat vol met lekker in het gehoor liggende songs die binnen de Amerikaanse rootsmuziek een breed palet bestrijken. Natuurlijk springt het snarenwerk van Will Kimbrough eruit, maar ook zijn vocalen en songs zijn van een opvallend hoog niveau. Verrassend sterk album van deze rootsveteraan.

De naam Will Kimbrough komt op deze BLOG met enige regelmaat voorbij. De Amerikaanse gitarist speelt op stapels Amerikaanse rootsplaten die ik hoog heb zitten en hoort wat mij betreft bij de betere gitaristen in het genre.

Desondanks komt het solowerk van Will Kimbrough er vooralsnog bekaaid vanaf op de krenten uit de pop. Home Away uit 2002 vond en vind ik een prachtplaat, maar stamt van ver voor het begin van deze BLOG.

Het enige album met de naam van Will Kimbrough op de cover dat een plekje op deze BLOG wist te veroveren was tot voor kort het in 2017 verschenen Mockingbird Soul, dat de gitarist, die werd geboren in Mobile, Alabama, maakte met singer-songwriter Brigitte DeMeyer, maar dat was dan ook direct jaarlijstjesmateriaal.

Onlangs verscheen een nieuw album van Will Kimbrough en I Like It Down Here bevalt me zeer. Het nieuwe album van Will Kimbrough, die al jaren in Nashville, Tennessee, woont en werkt, opent met een lekker in het gehoor liggende song, waarin natuurlijk prima gitaarwerk is te horen.

Will Kimbrough is een gitarist die niet nadrukkelijk op de voorgrond treedt en ook op I Like It Down Here staat het gitaarwerk in dienst van de overigens ook prima vocalen van de Amerikaan. Alle gitaarlijnen die Will Kimbrough om zijn vocalen heen speelt zijn echter wel raak en van een grote schoonheid.

De openingstrack van I Like It Down Here is een track die naar meer smaakt, maar het niveau gaat vervolgens alleen maar omhoog. In de tweede track imponeert Will Kimbrough met laid-back en bluesy gitaarspel, dat je direct meesleept naar de moerassen van Louisiana. Het is een track die doet verlangen naar een veranda aan de oevers van de Mississippi, bij voorkeur met een ijskoud biertje binnen handbereik. Will Kimbrough laat in de bluesy track niet alleen horen dat hij een geweldig gitarist is, maar laat bovendien horen hoe veelkleurig zijn geluid is.

Na twee prima tracks verwacht je van alles van Will Kimbrough, maar misschien nog niet een van de mooiste en meest indringende tracks die je in tijden hebt gehoord. In Alabama (for Michael Donald) keert Will Kimbrough terug naar 1981 en naar zijn geboortestad Mobile, Alabama. Het is het decor van het lynchen van de 19-jarige Afrikaans-Amerikaanse man Michael Donald door de Ku Klux Klan. Will Kimbrough bezingt deze indrukwekkende gebeurtenis uit het verleden in een song van grote schoonheid. Prachtig ingetogen dobro klanken worden omgeven door gitaaruithalen die goed zijn voor koude rillingen en krijgen extra lading door een fantastisch spelende ritmesectie en gastvocalen van Shemekia Copeland.

Het doet wel wat denken aan Daniel Lanois in zijn allerbeste dagen en dat is een associatie die ook opduikt in een aantal tracks die volgen. Will Kimbrough strooit op I Like It Down Here driftig met bijzonder lekker in het gehoor liggende rootssongs, met hier en daar een indringend rustpunt. De muzikant uit Nashville laat horen dat hij als gitarist alle kanten op kan, maar ook qua genres bestrijkt hij een breed palet.

Will Kimbrough put op I Like It Down Here uit de archieven van onder andere de blues, folk, country, rootsrock en lome Southern rock en nagenoeg alles dat hij doet is goed en ademt de sfeer van het diepe Zuiden van de Verenigde Staten. Ik heb Will Kimbrough al heel lang hoog zitten als gitarist, maar op I Like It Down Here laat hij horen dat hij ook als singer-songwriter met de allerbesten mee kan. Erwin Zijleman

Will Stratton - Points of Origin (2025)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Will Stratton - Points Of Origin - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Review: Will Stratton - Points Of Origin
Changing Wilderness was bijna vier jaar geleden mijn eerste kennismaking met de muziek van Will Stratton, die deze week met het prachtige Points Of Origin nogmaals laat horen dat hij een groot singer-songwriter is

Luister naar de muziek van Will Stratton en je waant je even in de jaren 70. Ook zijn nieuwe album doet weer denken aan een aantal grote singer-songwriters uit deze periode, maar de Amerikaanse muzikant is zeker niet blijven steken in het verleden. Wat opvalt bij beluistering van Points Of Origin is dat de muziek van Will Stratton aan de ene kant een tijdloos karakter heeft, maar zijn songs misstaan ook zeker niet in het heden. Ook Points Of Origin is weer voorzien van werkelijk prachtige klanken, staat vol met ijzersterke songs en mooie verhalen en dan is er ook nog eens de stem van Will Stratton, die je definitief de wereld om je heen even laat vergeten. Wat een prachtalbum weer van deze Amerikaanse muzikant.

De Amerikaanse muzikant Will Stratton bracht tot 2017 zes albums uit, maar ik ken hem alleen van het in de zomer van 2021 verschenen The Changing Wilderness, zijn zevende album, dat ik echt een prachtig album vond. Het is een album dat het geweldig deed in een zomer die werd getekend door de covidpandemie en die deze wat troosteloze zomer voorzag van mooie en vooral ook zorgeloze klanken.

The Changing Wilderness van Will Stratton werd in 2021 in het hokje folkje geduwd, maar ik vond het zeker geen typisch folkalbum. Bij folk denk ik aan vrij sober ingekleurde songs, maar Will Stratton kleurde zijn songs op The Changing Wilderness echt prachtig in. De Amerikaanse muzikant combineerde dit met een prachtige stem, die de songs op het album voorzag van heel veel warmte.

Nick Drake werd meer dan eens aangedragen als vergelijkingsmateriaal voor het album van Will Stratton, maar zelf hoorde ik wel wat van Don Mclean, wiens album American Pie op een of andere manier de klassenavonden op mijn middelbare school domineerde en dat ik ondanks het feit dat ik er hierna nooit meer naar heb geluisterd noot voor noot ken.

Will Stratton keert deze week terug met zijn nieuwe album Points Of Origin en ook dit is een album dat zich direct als de spreekwoordelijke warme deken om me heen sloeg. Het album klonk ook direct vertrouwd, want Will Stratton vertrouwt op zijn achtste album op dezelfde sterke punten als op The Changing Wilderness.

Ook Points Of Origin is een album dat een folkalbum kan worden genoemd, al vind ik singer-songwriter pop persoonlijk net zo treffend. Het is wederom een album dat veel voller en smaakvoller is ingekleurd dan een standaard folkalbum. De Amerikaanse muzikant kan zelf op flink wat instrumenten uit de voeten, maar heeft ook nog flink wat gastmuzikanten uitgenodigd, die het klankenpalet op het album nog wat verder verrijken met onder anders blazers, strijker, extra gitaren en de pedal steel.

Het klinkt allemaal zo aangenaam dat je direct tot rust komt wanneer je het album hoort. Die rustgevende werking van Points Of Origin wordt versterkt door de bijzonder mooie stem van Will Stratton. Ook dit keer komt de stem die ik ken van de klassenavonden voorbij en hoor ik meer Don McLean dan Nick Drake in de zang van Will Stratton, wat ik zelf zeker geen minpunt vind.

De muziek van Will Stratton heeft absoluut een jaren 70 vibe, maar ik vind Points Of Origin ook absoluut een album van deze tijd. Zowel de muziek als de zang op het nieuwe album van Will Stratton zijn van een bijzonder hoog niveau, maar de Amerikaanse muzikant maakt wat mij betreft de meeste indruk als songwriter. Ook het nieuwe album van Will Stratton staat weer vol met songs die je bij eerste beluistering al jaren lijkt te kennen en ook al jaren lijkt te koesteren.

Het zijn niet alleen songs die bijzonder aangenaam klinken, maar het zit ook allemaal knap in elkaar, waardoor Points Of Origin me vooralsnog bij iedere nieuwe beluistering weet te verrassen, zeker ook met de prachtige verhalen die worden verteld.

Ik ken Will Stratton pas sinds zijn zevende album, maar dat albums was zo goed dat zijn nieuwe album voor mij verplichte kost was. Het leek me op voorhand niet zo eenvoudig om in de buurt te komen van het prachtige The Changing Wilderness, maar Points Of Origin doet er echt niet voor onder. Een van de mooiste soundtracks van de lente van 2025. Erwin Zijleman

Will Stratton - The Changing Wilderness (2021)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Will Stratton - The Changing Wilderness - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Will Stratton - The Changing Wilderness
De Amerikaanse muzikant Will Stratton imponeert op The Changing Wilderness met prachtige klanken, overtuigende vocalen en songs die alleen maar mooier en indrukwekkender worden

Will Stratton draait al een aantal jaren mee, maar echt opgevallen was hij me tot dusver niet. Ook zijn nieuwe album The Changing Wilderness heb ik maanden laten liggen, maar sinds de eerste beluistering ben ik diep onder de indruk van het album. De Amerikaanse muzikant laat zich beïnvloeden door met name Britse folk van lang geleden, maar geeft ook zijn eigen draai aan deze invloeden. The Changing Wilderness is prachtig ingekleurd, maar ook de zang op het album is van een bijzonder hoog niveau en dan zijn er ook nog eens de songs, die bij de eerste keer horen al van een unieke schoonheid zijn, maar vervolgens eindeloos doorgroeien. Wat een wonderschoon album.

Ik moet eerlijk toegeven dat ik tot voor kort nog nooit van Will Stratton had gehoord. Toen een lezer van deze BLOG mij een week of twee geleden wees op zijn eerder dit jaar verschenen album The Changing Wilderness, ging ik er van uit dat het om een debuut ging, maar dat is zeker niet het geval. De in California geboren, maar inmiddels al een tijd vanuit Beacon, New York, opererende muzikant, debuteerde immers veertien jaar geleden al en heeft inmiddels zeven albums op zijn naam staan.

Van die zeven albums ken ik alleen het genoemde The Changing Wilderness en dat is een werkelijk prachtig album. Will Stratton wordt op de digitale muziekencyclopedie AllMusic.com een discipel van Nick Drake genoemd. Daar valt zo nu en dan wel iets voor te zeggen, maar The Changing Wilderness is zeker geen Brits aandoend folkalbum dat zich volledig heeft laten inspireren door de muzikale erfenis van Nick Drake. Het nieuwe album van Will Stratton past misschien nog net in het hokje folk, maar is zeker geen authentiek klinkend folkalbum.

The Changing Wilderness is zo’n album dat je binnen een paar minuten weet te verleiden met prachtige klanken en dat vervolgens alleen maar mooier en interessanter wordt. Die prachtige klanken komen van alle kanten op je af bij beluistering van het album en iedere keer hoor je nieuwe dingen en maakt de Amerikaanse muzikant nog wat meer indruk.

Will Stratton beschikt over een bijzonder aangename en ook mooie stem, die me heel af en toe doet denken aan Don Mclean. Het is een stem die makkelijk verleidt, wat nog eens wordt versterkt door de wat lome en dromerige manier van zingen. Zeker wat later op de avond vult de stem van Will Stratton op bijzonder mooie wijze de ruimte en slaat de zang op het album zich als een warme deken om je heen.

De Amerikaanse muzikant zingt vrij zacht en wat dromerig, maar de zang op The Changing Wilderness is ook zang vol gevoel. Het klinkt allemaal prachtig en het wordt alleen maar mooier wanneer de stem van Will Stratton op subtiele wijze wordt omgeven door al even dromerige vrouwenstemmen, die vaak opduiken op het album.

Het is niet alleen de zang op het album die onmiddellijk betovert, want ook de muziek op het album is van een bijzondere schoonheid. Het is muziek die in de basis genoeg heeft aan het knappe akoestische gitaarspel van de Amerikaanse muzikant. Zeker wanneer deze akoestische gitaar domineert in de instrumentatie, begrijp ik de vergelijking met Nick Drake, maar de meeste songs op het album zijn voller ingekleurd.

Wanneer de akoestische gitaar gezelschap krijgt van piano, synths, bas, drums, elektrische gitaar en blazers ontstaat keer op keer een prachtig klankentapijt dat bijzonder makkelijk betovert. Het kabbelt allemaal bijzonder aangenaam voort, maar met name het gitaarspel is ook van een zeer hoog niveau. Bovendien is de instrumentatie zeer sfeervol en vaak verrassend.

De songs van de Amerikaanse muzikant liggen lekker in het gehoor, maar prikkelen ook genadeloos de fantasie, waardoor The Changing Wilderness nog lange tijd interessanter wordt en het album bovendien langzaam maar zeker een verslavende werking krijgt, net als het ook dit jaar verschenen en ook wel enigszins vergelijkbare album van Cory Hanson overigens.

Zeker in de kleine uurtjes doet het meest recente album van Will Stratton wonderen en hoe vaker ik naar het album luister, hoe beter ik begrijp dat mijn tipgever The Changing Wilderness van Will Stratton schaart onder de allermooiste albums van 2021. Absoluut een album om eens te proberen de komende dagen. Ik schrijf het album op voor mijn jaarlijstje. Erwin Zijleman

Will Varley - The Hole Around My Head (2021)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Will Varley - The Hole Around My Head - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Will Varley - The Hole Around My Head
Ik had tot voor kort nog nooit gehoord van de Britse muzikant Will Varley, maar wat is het onlangs verschenen The Hole Around My Head een mooi, sfeervol en indrukwekkend album

De Britse muzikant Will Varley draait al een tijdje mee, maar hij was me eerlijk gezegd nog nooit opgevallen. Ook het in oktober verschenen The Hole Around My Head heb ik ten tijde van de release niet opgemerkt. Dat is zonde. Doodzonde zelfs, want het nieuwe album van de Britse singer-songwriter is een hele mooie. De inspiratie door met name Bob Dylan en Bruce Springsteen is heel duidelijk, maar Will Varley doet ook zijn eigen ding met deze invloeden en heeft een album gemaakt vol prachtige klanken, intieme en persoonlijke momenten en doorleefde vocalen. Direct bij eerste beluistering was ik om, maar dit is er ook nog eens een die nog heel lang mooier wordt.

Ik kwam de naam Will Varley de afgelopen week tegen tussen de aanbevelingen van de Britse platenzaak Rough Trade, die zijn in oktober verschenen album nog maar eens onder de aandacht bracht. Het is een naam die ik nog niet eerder was tegengekomen, maar Will Varley is zeker geen nieuwkomer. De muzikant uit Brixton heeft al een aantal albums op zijn naam staan en heeft met het onlangs verschenen The Hole Around My Head een album gemaakt dat niet alleen zeer in de smaak zal vallen bij liefhebbers van singer-songwriters, maar dat bovendien echt veel meer aandacht verdient dan het album vooralsnog heeft gekregen.

Toen de openingstrack Somers Town voor het eerst uit de speakers kwam, had ik onmiddellijk associaties met de muziek van Bruce Springsteen. Denk hierbij niet aan zijn groots klinkende werk met The E-Street Band, maar wel aan een intiem en donker album als Nebraska. Somers Town doet in vocaal opzicht aan Bruce Springsteen denken, maar ook de wat desolate sfeer op The Hole Around My Head herinnert aan het bij vlagen aardedonkere Nebraska.

Will Varley beschikt over een ruw en doorleefd stemgeluid, dat het uitstekend doet in dit genre, maar ook in muzikaal opzicht weet de Britse muzikant onmiddellijk de juiste snaar te raken. De instrumentatie in de openingstrack is sober, maar door de bijzondere accenten op de achtergrond krijgt de openingstrack iets duisters of zelfs spookachtigs. Het doet zoals gezegd wel wat denken aan Bruce Springsteen op een album als Nebraska, maar ik hoor ook wel iets van The Blue Nile; een band waarvan ik de albums iedere winter weer uit de kast trek.

Wanneer de akoestische gitaar de instrumentatie domineert en dat is in flink wat tracks het geval, krijgen de associaties met de muziek van Bruce Springsteen gezelschap van associaties met de muziek van Bob Dylan, maar ook zeker met die van David Gray. Het is inmiddels een fraai rijtje namen dat beluistering van The Hole Around My Head oproept, maar uiteindelijk blijft ook de naam van Will Varley nadrukkelijk hangen.

De Britse singer-songwriter pakt op zijn nieuwe album uit met een serie sterke songs en het zijn songs die zich nadrukkelijk weten te onderscheiden van die van de concurrentie door de doorleefde zang en de bijzondere doeltreffende instrumentatie. The Hole Around My Head valt hiernaast op door een bijna desolate sfeer. Will Varley nam het album afgelopen winter tijdens de zoveelste lockdown op in een afgelegen studio aan de kust en zag vanuit deze studio sneeuwstormen voorbij trekken. Het heeft het album voorzien van nog wat extra melancholie.

De combinatie van de donkere sfeer, de enerzijds eenvoudige maar ook zeer sfeervolle instrumentatie, de persoonlijke songs en teksten en de intense en doorleefde vocalen van de Britse muzikant, maken van The Hole Around My Head van Will Varley een album dat zich, in ieder geval bij mij, steeds nadrukkelijker opdringt en ook maar aan kracht blijft winnen. Het is een album dat in een jaar zonder een nieuw Springsteen of Dylan album zeker in de smaak moet kunnen vallen bij een brede groep muziekliefhebbers, maar vooralsnog lees ik helaas vrijwel niets over dit bijzondere album, dat nu het einde van het jaar nadert volledig lijkt onder te sneeuwen. Dat mag echt niet gebeuren. Erwin Zijleman

Willard Grant Conspiracy - Untethered (2018)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Willard Grant Conspiracy - Untethered - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Untethered lag sinds de trieste dood van Robert Fisher op de plank, maar is nu toch nog het fraaie slotakkoord dat Willard Grant Conspiracy zo verdient

Platen waarop muzikanten het naderende einde bezingen duiken de afgelopen jaren met enige regelmaat op en ook op Untethered van Willard Grant Conspiracy speelt de naderende dood een grote rol. Zijn terminale ziekte heeft voorman Robert Fisher geinspireerd tot een aantal intense en zeer indringende songs vol weemoed en melancholie. Het zeer stemmig ingekleurde Untethered, met strijkers die door de ziel snijden, opent nog rauw en hard maar dompelt je uiteindelijk onder in aardedonkere maar ook wonderschone klanken en nog één keer die fascinerende stem van Robert Fisher.

Willard Grant Conspiracy werd in 1995 opgericht door Robert Fisher en Paul Austin en debuteerde een jaar later. Zelf ontdekte ik de band pas toen in 1999 het prachtige Mojave verscheen. Ik vind het nog steeds een van de betere platen van de band, die met Regard The End uit 2003 echter haar onbetwiste meesterwerk afleverde.

Wanneer ik luister naar de platen van Willard Grant Conspiracy heb ik een voorkeur voor het donkere en vaak zeer melancholische werk, dat je gelukkig in ruime mate tegen komt binnen het oeuvre van de Amerikaanse band.

Ook het deze week verschenen Untethered loopt over van melancholie en dat is natuurlijk ook niet zo gek. Voorman Robert Fisher wist dat hij terminaal ziek was toen de plaat werd opgenomen en overleed uiteindelijk in februari 2017.

Dat er nu toch nog een laatste plaat van Willard Grant Conspiracy is verschenen is een klein wonder. Als sinds de eerste jaren van de band trok Robert Fisher aan alle touwtjes van Willard Grant Conspiracy en omringde hij zich met steeds andere gastmuzikanten. Na de dood van Robert Fisher verdwenen de nog ruwe Untethered tapes dan ook op de plank en leek Ghost Republic uit 2013 de zwanenzang van Willard Grant Conspiracy te worden. Frequent gastmuzikant en vriend David Michael Curry zorgde er uiteindelijk voor dat Untethered van de plank kwam, werd opgepoetst en tot leven werd gewekt.

De muziek van Robert Fisher was altijd al intens, maar op Untethered doet de Amerikaanse singer-songwriter er nog een schepje bovenop. In de openingstrack Hideous Beast schreeuwt Robert Fisher het naderende onheil van zich af en klinkt hij als Nick Cave in zijn jaren vol demonen. Het is een rauwe en indrukwekkende track die gelukkig niet de toon zet voor de rest van de plaat, want ik hoor Robert Fisher nog altijd het liefst donker en ingetogen.

Untethered bevat een groot aantal van de donkere en ingetogen songs waarop Willard Grant Conspiracy al een tijdje het patent heeft. Omgeven door donkere klanken en weemoedige strijkers imponeert Robert Fisher zoals altijd met zijn intense voordracht, die in de loop der jaren dichter naar Nick Cave is toe gekropen, maar ook nog steeds met enige regelmaat herinnert aan Johnny Cash.

De wetenschap dat het einde nabij was heeft Robert Fisher geinspireerd tot een aantal prachtige en uiteraard ook zeer indringende songs. Het zijn songs die het goed doen bij de herfststorm die over raast, maar Untethered is ook een plaat die hoort bij een stille en donkere nacht.

Ik ga Untethered niet direct vergelijken met de andere platen van de band rond Robert Fisher, maar het is absoluut een slotakkoord en een zwanenzang die recht doet aan het bijzondere talent van de Amerikaanse muzikant. David Michael Curry verdient alle respect voor de fraaie wijze waarop de plaat is vervolmaakt, maar het is uiteraard Robert Fisher die je nog eenmaal bij de strot grijpt met zijn intense voordracht en met zijn bijzondere songs. Untethered is hiermee een fraai eerbetoon aan een groot muzikant. Erwin Zijleman

William Bell - This Is Where I Live (2016)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: William Bell - This Is Where I Live - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Er zijn in 2016 meerdere uitstekende soulplaten verschenen, maar in de meeste jaarlijstjes kom ik ze niet tegen.

Als ik al een soulplaat tegenkom in een jaarlijstje is het meestal This Is Where I Live van William Bell en dat is nou net een plaat die ik heb laten liggen vorig jaar.

Ten onrechte naar nu blijkt, want de soulzanger uit Memphis, Tennessee, heeft inderdaad een geweldige plaat gemaakt.

Dat is een prestatie van formaat, want William Bell (echte naam William Yarborough) draait al een eeuwigheid mee als muzikant. De zanger, die dit jaar zijn 77e verjaardag vierde, werd aan het eind van de jaren 50 ingelijfd door het fameuze Stax label, maar schreef in eerste instantie vooral songs voor anderen (en met succes).

In 1967 verscheen zijn solodebuut The Soul Of A Bell en dat is een plaat die inmiddels tot de kroonjuwelen van Stax Records (en de 60s soul) moet worden gerekend. Gezien het succes van zijn eigen songs en de songs die hij schreef voor anderen verliet William Bell aan het eind van de jaren 60 de stal van Stax en begon hij een eigen label.

Heel succesvol was het allemaal niet en de carrière van William Bell ging dan ook als een nachtkaars uit, al stopte hij nooit met het maken van platen en zat er af en toe een plaat tussen die net wat beter was, al kwamen ze nooit in de buurt van het niveau van zijn memorabele debuut.

Stax Records werd een paar jaar geleden weer tot leven gewekt en William Bell sloot zich uiteindelijk aan bij zijn oude liefde. Deze oude liefde combineerde de soulzanger op leeftijd met topproducer en multi-instrumentalist John Leventhal, die vooral countryplaten op zijn naam heeft staan. De samenwerking tussen William Bell en John Leventhal pakt uitstekend uit, want This Is Where I Live is een geweldige plaat.

De twee schreven samen de meeste songs op de plaat en het zijn songs die klinken als soulklassiekers uit vervlogen tijden. Het zijn soulklassiekers die hier en daar zijn verrijkt met wat invloeden uit de blues, maar soul staat centraal op de comebackplaat van William Bell.

Het is een plaat met geweldige songs en een heerlijk soulvol spelende band, maar This Is Where I Live is vooral een plaat van een geweldige zanger. William Bell is misschien 77, maar hij klinkt op zijn nieuwe plaat nog als een jonge god. Hier en daar komt hij dicht in de buurt van zijn oude held Sam Cooke, maar de stem van William Bell doet me ook met enige regelmaat denken aan die van een jonge (!) Robert Cray.

Met de geweldige vocalen op This Is Where I Live kun je al geen slechte plaat meer maken, maar omdat verder ook alles klopt op deze plaat, durf ik het inmiddels een prachtplaat te noemen. Het is een prachtplaat die gehakt maakt van de andere soulplaten van het afgelopen jaar, al komt collega oudje Lee Fields wel in de buurt.

Mooi toch die ouwe rotten die mooie muziek blijven maken tot ze er bij neervallen. Dat mag voor William Bell nog wel even duren, want volgens mij kunnen er nog wel wat geweldige soulplaten volgen. Erwin Zijleman

William Doyle - Great Spans of Muddy Time (2021)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Wiliam Doyle - Great Spans Of Muddy Time - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Wiliam Doyle - Great Spans Of Muddy Time
William Doyle maakte met Great Spans Of Muddy Time een van de vergeten parels van 2021 en het is er een die in eerste instantie flink wat energie kost, maar het album betaalt het uiteindelijk ruimschoots terug

Great Spans Of Muddy Time van William Doyle is nog een album dat ik er in 2021 heel vaak bij heb gepakt en net zo vaak weer terzijde heb geschoven. Het is een album dat aan de ene kant makkelijk overtuigt met redelijk toegankelijke songs vol interessante invloeden, maar dat aan de andere kant ook lastig is te doorgronden wanneer de Britse muzikant vol kiest voor het experiment. William Doyle laat zich beïnvloeden door Krautrock en de arty pop uit de late jaren 70, maar kan ook overweg met invloeden uit de elektronische muziek van de afgelopen decennia. Ik kon er een maand of negen geleden niet direct mee overweg, maar inmiddels is het kwartje gevallen en vind ik het album van de Britse muzikant steeds interessanter worden.

Great Spans Of Muddy Time van de Britse muzikant William Doyle verscheen aan het begin van 2021 en is een paar weken lang in beeld geweest voor een plekje op de krenten uit de pop. Waarom het album in die paar weken steeds afviel weet ik niet meer, al heb ik wel een vermoeden. De concurrentie was in de betreffende weken behoorlijk groot, maar met de kennis van nu zou ik het album zeker een plekje op mijn BLOG hebben gegund.

De Britse muzikant William Doyle debuteerde in 2014 onder de naam East India Youth met een album dat zich liet inspireren door Krautrock, de elektronische Britse dansmuziek van dat moment en door de muziek die David Bowie maakte in zijn Berlijnse periode. William Doyle maakte uiteindelijk twee albums onder de naam East India Youth en maakte er inmiddels ook al een handvol onder zijn eigen naam. Great Spans Of Muddy Time was desondanks pas mijn eerste kennismaking met de muziek van de Britse muzikant en het was begin 2021 een kennismaking die net wat te ingewikkeld bleek.

Ook op zijn laatste album is William Doyle niet vies van invloeden uit de Krautrock en experimenteert hij er hier en daar driftig op los. Great Spans Of Muddy Time bevat ook een aantal veel toegankelijkere songs en hierin hoor je nog steeds invloeden van de muziek van David Bowie in zijn Berlijnse periode. Als William Doyle had gekozen voor een album vol met dit soort net wat toegankelijkere songs, was Great Spans Of Muddy Time hoog geëindigd in mijn jaarlijstje, maar zo makkelijk maakt de Britse muzikant het ons niet.

William Doyle heeft een bijna overdadig ingekleurd album gemaakt, waarop zoveel gebeurt dat je het houvast snel kwijt bent. De elektronische klanken op het album zijn zo nu en dan wonderschoon en wanneer de Britse muzikant dan ook nog eens kiest voor songs met een kop en een staart hoor je iets tussen Marc Almond en de Pet Shop Boys in, met hier en daar een vleugje Bowie. Het is muziek met invloeden uit de jaren 80 en 90, maar William Doyle geeft altijd een bijzondere draai aan zijn muziek.

Die eigen draai is het duidelijkst hoorbaar in de instrumentale stukken op het album, die behoorlijk experimenteel of zelfs volstrekt ongrijpbaar zijn. Het contrasteert prachtig met de veel toegankelijkere songs op het album, maar hier en daar zijn de barrières die William Doyle opwerpt voor mij behoorlijk hoog. Die barrières waren een maand of negen geleden overigens nog een stuk hoger dan bij de hernieuwde kennismaking met de muziek van de Britse muzikant, want Great Spans Of Muddy Time overtuigde mij deze hernieuwde kennismaking opeens een stuk makkelijker.

Zeker de wat meer experimentele stukken op het album citeren hier en daar uit de archieven van de Krautrock, maar ik hoor ook wel flarden uit de pioniersdagen van de elektronische popmuziek en uit de wat meer freaky symfonische rock uit dezelfde periode. William Doyle kan met al zijn elektronica vervolgens moeiteloos een paar decennia opschuiven in de tijd.

Van de pioniersdagen van de elektronische popmuziek in de vroege jaren 70 naar de Berlijnse muziekscene van David Bowie een half decennium later. En van de 80s synthpop naar de experimentele elektronische popmuziek van nu. Lichte kost is het zeker niet, maar geef dit album een kans en de schoonheid overwint uiteindelijk. Erwin Zijleman

William The Conqueror - Maverick Thinker (2021)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: William The Conqueror - Maverick Thinker - dekrentenuitdepop.blogspot.com

William The Conqueror - Maverick Thinker
Maverick Thinker is mijn eerste kennismaking met de muziek van de Britse band William The Conqueror, die stevig vermaakt met krachtige songs met vooral invloeden uit de bluesrock

Het derde album van William The Conqueror is een album dat stilzitten onmogelijk maakt, zeker wanneer de Britse band grossiert in lekker rauwe bluesrock, maar Maverick Thinker is ook een veelzijdig album dat iedere keer net een andere invalshoek kiest en ondertussen meedogenloos vermaakt. In muzikaal opzicht is het smullen, vooral dankzij het geweldige gitaarwerk van Ruarri Joseph, die ook als zanger behoorlijk wat indruk maakt. William The Conqueror vindt haar inspiratie vooral in het verleden, maar het derde album van de band klinkt echt geen seconde gedateerd of gezapig. En Maverick Thinker wordt alleen maar beter.

Tussen het aanbod van deze week viel Maverick Thinker van William The Conqueror me onmiddellijk op. Move On, de openingstrack van het album, opent met heerlijk gitaarspel, dat vervolgens flink ontspoort, waarna de band toch gas terug neemt in een song die zowel in muzikaal als in vocaal opzicht makkelijk heel weet te verleiden.

William The Conqueror is voor mij een nieuwe naam, maar het is al het derde album van de band, die naast voorman Ruarri Joseph bestaat uit Naomi Holmas en Harry Harding. Eerstgenoemde heeft een aantal soloalbums op zijn naam staan, maar die zijn me, net als de eerste twee albums van de band, eerlijk gezegd nooit opgevallen. Maverick Thinker van William The Conqueror had er daarentegen maar heel weinig tijd voor nodig.

De band uit het Britse Cornwall maakt muziek met een stevige hang naar het verleden, waarbij invloeden uit de folkrock en bluesrock domineren. De Britse band haalt haar inspiratie niet uitsluitend van eigen bodem, maar put ook uit de folkrock en bluesrock die een aantal decennia geleden in de Verenigde Staten werd gemaakt.

De Britse band maakt muziek die af en toe heerlijk rauw kan rocken , maar ook voor laid-back blues ben je bij William The Conqueror aan het juiste adres. Maverick Thinker is een album zonder al teveel opsmuk en het is hierdoor een album waarvan er tegenwoordig veel te weinig worden gemaakt.

Maverick Thinker werd, vlak voor de komst van corona, opgenomen in de fameuze Sound City studio in Los Angeles en heeft meestal genoeg aan de drie-eenheid van gitaar, bas en drums, met incidenteel een piano of een orgeltje.

De drie leden van de band maken met veel energie en passie muziek, waarbij de ritmesectie vooral strak en degelijk speelt en het gitaarwerk hier en daar flink mag vlammen. Ruarri Joseph is een uitstekend gitarist die heerlijk kan soleren, maar ook volledig in dienst van de band kan spelen, waardoor Maverick Thinker de songs met een kop en een staart altijd in het achterhoofd blijft houden.

In de meer ingetogen momenten herinnert de muziek van William The Conqueror voorzichtig aan J.J. Cale of aan Dire Straits in haar jonge jaren, al is dat vloeken in de kerk, maar de Britse band kan ook de pannen van het dak spelen met onweerstaanbaar lekkere bluesrock, waarin Ruarri Joseph niet alleen laat horen dat hij een geweldig gitarist is, maar bovendien een zeer verdienstelijk zanger. De muziek van de Britse band klinkt ook nog eens gruizig en drassig (swampy), waardoor het album vrij makkelijk drie kwartier vermaakt, wat zeker niet alle bands in het genre lukt.

William The Conqueror vindt haar inspiratie zoals gezegd vooral in het verleden, maar Maverick Thinker bevat zeker geen gezapige bluesrock en folkrock. De songs van de band klinken ook fris en eigentijds en vinden, met name wanneer de gitaren nog wat steviger mogen uitpakken, ook aansluiting bij de rockmuziek van dit moment.

Maverick Thinker van William The Conqueror is geen album vol geheimen, maar desondanks groeit het album na eerste beluistering nog wel even door, wat iets zegt over de kwaliteit van de songs van de Britse band. Ik luister niet al te vaak naar dit soort muziek, maar dit album maakt me keer op keer blij. Heel blij zelfs. Erwin Zijleman

William Tyler - Modern Country (2016)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: William Tyler - Modern Country - dekrentenuitdepop.blogspot.nl


Gitarist William Tyler draait al een tijdje mee in de muziek scene van Nashville, Tennessee. Hij stond op het podium met onder andere Lambchop, The Silver Jews en Bonnie Prince Billy, timmerde kort aan de weg met zijn band The Paper Hats en maakte de afgelopen jaren ook al twee soloplaten.

De derde, het onlangs verschenen Modern Country, is zijn meest ambitieuze plaat tot dusver en het is bovendien een plaat van een bijzondere schoonheid.

William Tyler liet zich voor Modern Country inspireren door het veranderende Amerika dat hij zag tijdens talloze roadtrips door het uitgestrekte land.

Hij dook uiteindelijk in Wisconsin de studio in met multi-instrumentalist Phil Cook, bassist Darin Gray en meesterdrummer Glenn Kotche, waarna de plaat in Nashville werd afgemaakt.

Modern Country opent met het maar liefst 9 minuten durende Highway Anxiety dat direct laat horen wat je van William Tyler moet verwachten op Modern Country. De instrumentale track wordt gedragen door veelkleurig en ruimtelijk gitaarwerk, dat rondzweeft op atmosferische klanken. Het is muziek die onmiddellijk beelden op het netvlies tovert en het zijn in mijn geval beelden van uitgestrekte Amerikaanse landschappen.

William Tyler heeft een bijzondere stijl, die af en toe wel wat doet denken aan die van Bill Frisell. Zijn medemuzikanten zorgen voor een fraaie en gloedvolle basis, waarna William Tyler de weidse vlakken op fraaie wijze inkleurt met zijn gitaren.

Door het repeterende gitaarspel roept de muziek van de Amerikaan ook associaties op met de minimale muziek van onder andere Steve Reich en de ambient van Brian Eno en consorten, maar van moeilijkdoenerij is gelukkig nergens sprake.

Ook in de 31 minuten die volgen moet Modern Country het doen zonder vocalen, maar dat is nergens een gemis. William Tyler laat zijn gitaren steeds net iets anders klinken en zijn medemuzikanten vullen op fraaie en avontuurlijke wijze de ruimtes die de gitarist uit Nashville open laat.

Bij iedere track lijk je weer een andere staat in te rijden en verandert langzaam maar zeker het landschap. Het gitaarspel op de plaat is zo mooi dat je geen moment verlangt naar vocalen, waar ook helemaal geen ruimte voor zou zijn. Het is soms onnavolgbaar, soms experimenteel, soms heerlijk rootsy, maar altijd sfeervol en zeer functioneel.

Bij instrumentale platen heb ik altijd wat reserves, maar Modern Country van William Tyler is een instrumentale plaat om zielsveel van te houden en om heerlijk bij weg te dromen. Keer op keer en de dromen worden alleen maar mooier. Erwin Zijleman

Willie Nelson - God's Problem Child (2017)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Willie Nelson - God's Problem Child - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Als er een centraal thema is op God’s Problem Child, de nieuwe plaat van Willie Nelson, moet het de dood zijn. Zijn eigen dood om precies te zijn.

Willie Nelson staat in de teksten van zijn nieuwe songs meerdere keren stil bij zijn eigen sterfelijkheid en kijkt hiernaast terug op zijn bijzondere leven.

Nu hebben we na het dramatische muziekjaar 2016 slechte ervaringen met muzikanten die hun eigen sterfelijkheid bezingen, maar aan de andere kant heeft Willie Nelson inmiddels een leeftijd bereikt waarop de man met de zeis zomaar kan toeslaan.

De in Texas geboren singer-songwriter is de afgelopen decennia enorm productief geweest en heeft een oeuvre waarmee je meerdere planken in de platenkast kunt vullen. Deze enorme productiviteit ging in het recente verleden soms wel eens wat ten koste van de kwaliteit, maar God’s Problem Child is een hele mooie plaat.

Ook op zijn nieuwe plaat werkt Willie Nelson weer samen met producer Buddy Cannon, met wie hij iets meer dan de helft van de songs op de plaat schreef. Voor de andere helft deed de Amerikaan een beroep op een aantal gelouterde songwriters, waardoor het met de kwaliteit van de songs wel goed zit op God’s Problem Child.

Ook de instrumentatie van de plaat, die over het algemeen netjes binnen de lijntjes van de Amerikaanse countrymuziek kleurt, is meer dan eens van grote schoonheid en is ondanks de beperkingen die het genre oplegt verrassend veelzijdig. Het is de verdienste van flink wat ouwe rotten, onder wie Tony Joe White, die garant staat voor geweldig gitaarwerk.

De grootste verrassing op God’s Problem Child is wat mij betreft de stem van Willie Nelson. De Amerikaan klonk op een aantal van zijn vorige platen wel erg krakerig, maar op zijn nieuwe plaat zingt Willie Nelson mooi en ingetogen.

Door alle aandacht voor een naderende dood is God’s Problem Child een plaat vol melancholie, maar Willie Nelson blikt ook terug op een mooi leven en kan zijn naderende dood op heerlijk cynische wijze relativeren, zoals in het geestige Still Not Dead, waarin hij ook het fake news even aanpakt.

Willie Nelson is zelf gelukkig nog springlevend, maar de dood heeft vorig jaar flink huis gehouden in zijn omgeving en heeft hem ook muzikale vrienden als Leon Russell en Merle Haggard ontnomen. De muzikale vrienden worden geëerd, maar Willie Nelson is gelukkig nog niet oud genoeg om ook een sneer uit te delen naar de nieuwe president van zijn vaderland.

Ik moet eerlijk toegeven dat ik de afgelopen jaren niet zo gek veel kon met de platen van Willie Nelson, maar het wonderschone en emotionele God’s Problem Child weet me wel te raken en groeit inmiddels al een tijdje flink door.

Verwacht in muzikaal opzicht geen hele spannende dingen van de Amerikaanse muzikant op leeftijd, maar verder valt er op God’s Problem Child helemaal niets aan te merken. Integendeel zelfs. Willie Nelson heeft een verrassend sterke plaat afgeleverd en hopelijk is het niet zijn laatste. Erwin Zijleman

Willow Avalon - Southern Belle Raisin' Hell (2025)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Willow Avalon - Southern Belle Raisin' Hell - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Review: Willow Avalon - Southern Belle Raisin' Hell
Er verschijnen de afgelopen jaren heel erg veel countrypop albums, waardoor het niet meevalt om nog op te vallen, maar de jonge Amerikaanse countryzangeres Willow Avalon slaagt hier wat mij betreft glansrijk in

Southern Belle Raisin’ Hell van Willow Avalon is een album waarover je zeker niet te snel moet oordelen. Bij snelle beluistering was ik zelf niet zo gecharmeerd van de stem van de jonge Amerikaanse muzikante, terwijl dit na gewenning een van de sterke wapens van Willow Avalon is. Andere sterke wapens zijn haar aanstekelijke songs, haar bijzondere teksten en de voorliefde voor countrymuziek uit het verre verleden, waardoor Southern Belle Raisin’ Hell enerzijds klinkt als een countrypop album van deze tijd, maar anderzijds als een oorspronkelijk klinkend countryalbum uit de jaren 70. Als liefhebber van het genre ben ik benieuwd wat 2025 ons gaat brengen, maar de start met Willow Avalon is absoluut veelbelovend.

Ik had lange tijd niet zo heel veel of zelfs helemaal niets met countrypop. De met flink wat pop aangelengde countrymuziek was me meestal wat te glad, te zwaar aangezet en te plastic en had wat mij betreft te weinig te maken met de pure Amerikaanse rootsmuziek en alternatieve country die destijds mijn voorkeur hadden. Sinds een jaar of wat heb ik echter een enorme liefde ontwikkeld voor het genre en die is met name de afgelopen twee jaar alleen maar sterker geworden, waardoor countrypop albums de hoogste regionen van mijn jaarlijstje weten te bereiken

Ook deze week verscheen er weer een album dat ik een jaar of tien geleden waarschijnlijk onmiddellijk aan de kant zou hebben geschoven, maar waar ik nu als een blok voor viel. Het gaat om Southern Belle Raisin’ Hell van de Amerikaanse muzikante Willow Avalon. Willow Avalon, geboren als Willow Martin, is de dochter van de eigenzinnige muzikant Jim White, waardoor ze de muziek met de paplepel kreeg ingegoten, al kwam haar muzikale talent vooral bij het lokale kerkkoor tot bloei.

Ze groeide op in een ruraal deel van Georgia maar verliet het weinig stabiele ouderlijk huis al op 15-jarige leeftijd om haar geluk uiteindelijk in Los Angeles te zoeken. We zijn inmiddels ruim tien jaar verder en Willow Avalon lijkt haar geluk te hebben gevonden in de muziek. Na het uitstekende minialbum Stranger, dat begin vorig jaar verscheen, is er nu het debuutalbum Southern Belle Raisin’ Hell, dat wat mij betreft het eerste memorabele countrypop album is dat in 2025 is verschenen.

Hoewel ik het genre de afgelopen jaren steeds meer ben gaan waarderen, kan ik zeker niet uit de voeten met alle soorten countrypop. De verhouding tussen country en pop moet in balans zijn, wat in mijn geval betekent dat er meer country dan pop is te horen op het album. Dat zit in het geval van Willow Avalon wel goed, want de muziek van de jonge Amerikaanse muzikante heeft zich stevig laten beïnvloeden door de countrymuziek die in de jaren 60 en 70 werd gemaakt door zangeressen als Dolly Parton, Tammy Wynette, Loretta Lynn en Lynn Anderson.

Zeker de stem van Willow Avalon herinnert aan de grote countryzangeressen uit de jaren 60 en 70, maar ook in muzikaal opzicht lijkt ze meer te hebben met de countrymuziek uit het verleden dan met de met pop geïnjecteerde country uit het heden. Southern Belle Raisin’ Hell zit daarom dichter tegen Sierra Ferrell aan dan tegen Kacey Musgraves, maar toch vind ik het label countrypop wel passen bij de muziek van Willow Avalon. De songs van de Amerikaanse muzikante hebben immers iets lichtvoetigs en achter alle invloeden uit de country van weleer zit wel degelijk een randje eigentijdse pop.

Zeker bij eerste beluistering vond ik de zang van Willow Avalon op het randje van country en kitsch, zeker wanneer ze wat bibbert met haar stem, maar inmiddels ben ik zeer gecharmeerd van haar stem. Southern Belle Raisin’ Hell is een album dat echt steeds beter wordt en dat is zowel de verdienste van de zang en de muziek als van de songs op het album.

Ook in tekstueel opzicht heeft Willow Avalon wat te bieden. Ze citeert op fraaie wijze uit een aantal country clichés, maar heeft ook humor, getuige haar ode aan Dolly Parton die opent met de fraaie zin “Hey there, Dolly, I'm just like you, Got big titties and a big heart too”. En zo valt er steeds weer wat te beleven op het album, dat op fraaie en zeer aangename wijze een brug slaat tussen de countrymuziek uit vervlogen tijden en de countrypop van het moment. Ik kan er wel wat mee. Erwin Zijleman

Wilsen - Ruiner (2020)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Wilsen - Ruiner - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Wilsen - Ruiner
De Amerikaanse band Wilsen kruipt na twee toch wat gezapige albums uit haar schulp met een album dat woest betovert, ingetogen streelt en stevig imponeert

Het nieuwe album van Wilsen doet me af en toe wel wat aan Big Thief denken en laat dat nu net de band zijn die vorig jaar met maar liefst twee albums opdook in de top tien van mijn jaarlijst. Net als Big Thief maakt Wilsen muziek vol subtiele dynamiek, maar verder lijken de bands eigenlijk niet eens zoveel op elkaar. Ruiner is een album vol prachtige gitaarlijnen, schurende synths en honingzoete vocalen en dit alles is verpakt in songs die zich steeds wat nadrukkelijker opdringen. De vorige albums van de band maakten op mij nauwelijks indruk, maar het derde album van Wilsen is een voltreffer.

De uit Brooklyn, New York, afkomstige band Wilsen bracht de afgelopen jaren al twee albums en twee EP’s uit, maar deze maakten op mij zeker geen onuitwisbare indruk. Het Amerikaanse trio maakte op deze albums en EP’s voornamelijk ingetogen popliedjes, waarin vooral de stem van zangeres Tamsin Wilson opviel. Slecht was het zeker niet en bij vlagen zelfs heel aardig, maar ik vond het uiteindelijk niet voldoende onderscheidend en bovendien niet spannend genoeg om de aandacht lang vast te houden.

De openingstrack van het deze week verschenen derde album van Wilsen bevalt me direct een stuk beter. Het is een track waarin een, zeker voor Wilsen begrippen, flinke muur van geluid wordt afgewisseld met meer ingetogen klanken. Mooie gitaren en stevig aangezette drums trekken de aandacht, waarna meer ingetogen klanken en de mooie stem van Tamsin Wilson je betoveren. De openingstrack van Ruiner klinkt enigszins bekend in de oren, maar het is ook een track vol dynamiek en een track waarin Wilsen laat horen dat het een flinke stap heeft gezet.

De prima Britse muzieksite The Line Of Best Fit noemt het nieuwe album van Wilsen “a quietly tumultuous storm of a record” en dat is een mooie beschrijving. Ook op haar derde album vertrouwt Wilsen voor een deel op ingetogen en wat zoet klinkende popliedjes, maar waar deze popliedjes in het verleden vaak wat gezapig voortkabbelden, is de muziek van Wilsen op Ruiner licht ontvlambaar. Zoete akoestische gitaarakkoorden kunnen zomaar omslaan in fraaie elektrische gitaarloopjes met een dreampop feel en hier en daar voert Wilsen het tempo flink op en klinkt het voorzichtig gruizig.

De voorzichtige uitbarstingen in het nieuwe geluid van Wilsen voorzien het album niet alleen van dynamiek, maar zorgen er ook voor dat de meer ingetogen passages beter tot zijn recht komen. Met name de zang van Tamsin Wilson maakt veel meer indruk dan in het verleden en draagt stevig bij aan het verslavende karakter van het nieuwe album van de band uit Brooklyn.

Het prachtige geluid is overigens deels de verdienste van producer Andrew Sarlo, die eerder indruk maakte met Bon Iver en vooral Big Thief. Het nieuwe album van Wilsen heeft soms wel wat van Big Thief, al is Tamsin Wilson een totaal andere zangeres dan Adrienne Lenker van Big Thief. Andrew Sarlo heeft ervoor gezorgd dat de zwoele vocalen prachtig centraal in de mix staan, maar het prachtige gitaarwerk op het album is minstens even sfeerbepalend en ook de bezwerende werking van de synths mag niet worden uitgevlakt.

Ik vond de vorige albums van Wilsen wat saai, maar Ruiner houdt de aandacht makkelijk vast met een serie uitstekende popliedjes. Het geldt zeker niet alleen voor de songs waarin de band hier en daar kiest voor een wat voller geluid, maar ook voor de uiterst ingetogen songs die folky klinken en weer een andere kant van Wilsen laten horen.

Gezien mijn eerdere ervaringen met de band had ik geen hoge verwachtingen rond het nieuwe album van het Amerikaanse trio en was het bijna onbeluisterd op de stapel beland. Wat ben ik blij dat dit niet gebeurd is, want Ruiner van Wilson wordt me bij iedere luisterbeurt dierbaarder. Kan zomaar een Big Thiefje worden dit album. Erwin Zijleman

Wilson Phillips - Wilson Phillips (1990)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Wilson Phillips - Wilson Phillips (1990) - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Review: Wilson Phillips - Wilson Phillips (1990)
Wilson Phillips werd na de release van haar debuutalbum verguisd door de critici, maar op de bij vlagen wonderschone harmonieën van Carnie Wilson, Wendy Wilson en Chynna Phillips is echt niet zoveel aan te merken

Kinderen van beroemde muzikanten zijn vrijwel nooit zelf succesvol in de muziek en kunnen niet rekenen op de sympathie van de critici. Dat laatste ondervonden Carnie Wilson, Wendy Wilson en Chynna Phillips toen ze in 1990 de krachten bundelden. Het debuutalbum van Wilson Phillips was wel heel succesvol, maar het succes van de drie duurde niet lang. Het Internet staat nog vol met recensies waarin het debuutalbum van het drietal wordt gefileerd, maar ik vond het destijds zelf een aangenaam album en dat vind ik nog steeds. Het is een album met degelijke maar fraai uitgevoerde popsongs, met de prima zang en de geweldige harmonieën van Carnie Wilson, Wendy Wilson en Chynna Phillips als de kers op de taart.

Carnie Wilson, Wendy Wilson en Chynna Phillips groeiden op als kinderen van beroemde muzikanten. Brian Wilson, de vader van Carnie en Wendy, was het brein achter The Beach Boys, terwijl John en Michelle Phillips, de ouders van Chynna, de basis vormden van The Mamas & The Papas. Als kind van een beroemde muzikant kun je maar beter geen carrière in de muziek ambiëren en dat deden Carnie, Chynna en Wendy dan ook niet, tot ze besloten om naast hun werk als model of actrice na te denken over het maken van een album voor een goed doel.

Dat album kwam er niet, maar in 1990 debuteerden ze wel als Wilson Phillips. Een low profile project was het op dat moment al lang niet meer. De drie werkten met producer Richard Perry, een van de belangrijkste producers uit de jaren 70, en vonden in muzikant Glen Ballard een talentvolle songwriter, die een paar jaar later met het debuutalbum van Alanis Morissette zijn grootste successen zou vieren.

Glenn Ballard schreef samen met de drie een aantal potentiële hits, waarna het materiaal voor het debuutalbum werd aangevuld met onder andere het door Tim Hardin geschreven A Reason To Believe. De platenmaatschappij zag wel brood in het project en haalde flink wat topmuzikanten naar de studio. Het bleek een goede investering, want het debuutalbum van Wilson Phillips ging in grote aantallen over de toonbank.

De critici moesten er echter niets van hebben. Allmusic.com kan er nog steeds niet over uit en heeft de volgende zinnen ingetypt over het album: “Sugary, commercial pop/rock isn't necessarily a bad thing, and in fact can be fairly enjoyable in the right hands, but Wilson Phillips are much too sweet for their own good” en “Compared to Phillips' saccharine performances on You're In Love and A Reason To Believe, even Tiffany and Debbie Gibson's debut albums have some bite.” Een Canadese recensent deed er nog een schepje bovenop met “slick production and the fact the gals harmonize nicely can't mask a shallowness so profound, it makes Martika seem deep”.

Ik luisterde in 1990 nog niet zo heel veel naar vrouwelijke muzikanten, maar ik vond het debuutalbum van Wilson Phillips een heerlijk album. De songs zijn goed en de muziek en de productie klinken prachtig. Natuurlijk klinkt het allemaal behoorlijk gepolijst en is het weinig avontuurlijk, maar Carnie Wilson, Wendy Wilson en Chynna Phillips hebben op hun titelloze debuutalbum een geweldig wapen. Met genen die zijn gerelateerd aan The Beach Boys en The Mamas & The Papas verwacht je mooie harmonieën en die leveren de drie.

Ik vond de harmonieën van Carnie Wilson, Wendy Wilson en Chynna Phillips in 1990 ijzersterk en bijzonder mooi en dat vind ik eigenlijk nog steeds. Ook met de rest van het debuutalbum van Wilson Phillips vind ik nog steeds niet zo veel mis. Het is pop, dat klopt, maar het klinkt allemaal behoorlijk muzikaal en de zang is fantastisch. Radiovriendelijke Amerikaanse popmuziek zoals radiovriendelijke Amerikaanse popmuziek destijds moest klinken wat mij betreft.

Wilson Phillips bleek ook nog eens behoorlijk invloedrijk, want vrouwelijke harmonieën werden na 1990 langzaam maar zeker gemeengoed. Wilson Phillips kon zelf nauwelijks profiteren van haar eigen voorbeeld. Het in 1992 verschenen tweede album was weinig succesvol, waarna de drie uit elkaar gingen. Ook een reünie vanaf 2004 was weinig succesvol en dat was niet voor niets. Voor hun debuutalbum hoeven Carnie Wilson, Wendy Wilson en Chynna Phillips zich echter zeker niet te schamen. Erwin Zijleman

Wings - Venus and Mars (1975)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Wings - Venus & Mars / Wings At The Speed Of Sound, Deluxe Editions - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Het is een prachtig stapeltje reissues dat de afgelopen jaren in de serie Paul McCartney Archive Collection is verschenen. Nu is het natuurlijk ook makkelijk scoren met klassiekers als McCartney, Ram en Band On The Run, maar de reissues voegden ook nog wat toe aan de al zo mooie originelen en dat was knap.

Inmiddels is de Archive Collection beland bij platen die onder de naam Wings werden uitgebracht en zijn we terecht gekomen bij twee platen die binnen het oeuvre van Wings over het algemeen worden gerekend tot de mindere goden. Het gaat om Venus & Mars uit 1975 en Wings At The Speed Of Sound uit 1976.

Waar Wings in eerste instantie niet veel meer was dan de begeleidingsband van Paul McCartney, was het in 1976 een band die opereerde op basis van min of meer democratische processen. Hierdoor mochten ook de andere leden van de band songs aandragen voor de platen van de band en een hoofdrol opeisen. Je kunt je nu afvragen waarom je dat zou doen als je een levende legende als Paul McCartney in de gelederen hebt (alsof Barcelona Messi de helft van de tijd op de bank zou zetten of in de verdediging zou opstellen), maar in 1976 was het kennelijk heel normaal.

Het had absoluut effect op de platen van Wings en het is zeker geen positief effect. Linda McCartney had ongetwijfeld haar kwaliteiten, maar songwriting hoorde daar zeker niet bij. Zingen evenmin.

Toen in 1975 Venus & Mars verscheen was het proces van democratisering nog niet helemaal voltooid. De plaat werd feitelijk gemaakt door Paul McCartney en rechterhand Denny Laine, die echt wel wat kon. Ook Linda was van de partij, maar haar bijdrage lijkt op Venus & Mars beperkt.

Ik had Venus & Mars al heel lang niet meer gehoord en had de plaat in het geheugen opgeslagen als een draak van een plaat. Dat blijkt in de praktijk heel erg mee te vallen. Natuurlijk is Venus & Mars niet zo goed als voorgangers Band On The Run en Red Rose Speedway, maar is Venus & Mars een slechte plaat? Nee, zeker niet.

Venus & Mars is een plaat zoals Paul McCartney er zoveel heeft gemaakt tijdens zijn inmiddels al bijna 45 jaar durende solocarrière. Het is een plaat met een aantal schoonheidsfoutjes, een aantal aardig maar niet direct opzienbarende tracks, een aantal echt goede songs en een beperkt aantal tracks die de geniale songwriting skills van Paul McCartney aan het licht brengen. De laatste tracks zouden niet hebben misstaan op de platen van The Beatles, de rest doet niet onder voor de tracks op de betere, maar niet de beste, Paul McCartney soloplaten.

Venus & Mars is een lekker afwisselende plaat die het bijna 40 jaar na dato eigenlijk best aardig doet. Zelfs al McCartney in een wat mindere vorm opereerde schreef hij nog popliedjes zoals die tegenwoordig nauwelijks meer worden gemaakt. Het geheel doet daardoor wat gedateerd aan, maar het klinkt hierdoor ook wel weer lekker. En omdat ik Venus & Mars de afgelopen 39 jaar compleet genegeerd heb, is het voor mij ook een plaat met relatief onbekend 70s werk van Paul McCartney en daarvan wil ik in principe alles ontdekken. Dat geldt vast voor meer lezers van deze BLOG.

Inmiddels komt Venus & Mars voor de zoveelste keer voorbij en begin ik zelfs enthousiast te worden over deze plaat, zeker als McCartney strooit met zijn uit duizenden herkenbare popsongs en deze zoals altijd voorziet van heerlijke baslijnen. Zo zie je maar dat muziekgeschiedenis niet in beton gegoten is.

Wings At The Speed Of Sound is, nog meer dan Venus & Mars, een echte groepsplaat. Niet direct een pré zoals eerder bleek. De plaat leverde twee hits op: Let ‘Em In en Silly Love Songs. Destijds bestempeld als lichtgewicht songs, maar inmiddels vind ik het toch McCartney songs waarvoor de oude meester zich zeker niet hoeft te schamen. Hij heeft ze minder gemaakt.

En zo heeft Wings At The Speed Of Sound meerdere goede momenten, maar ook een aantal tenenkrommende momenten, met name wanneer Linda de vocalen voor haar rekening mag nemen.

De echt goede momenten, She’s My Baby en Beware My Love zijn echt goed (let weer op het geweldige baswerk en de prima zang van McCartrney), terwijl de echt slechte momenten ook echt slecht zijn. Wings At The Speed Of Sound is hierdoor wat minder geschikt voor volledige beluistering of beluistering op de achtergrond, maar is een plaat waar je de goede momenten uit moet pikken.

Het is misschien wel de slechtste plaat die Wings heeft gemaakt, als was Back To The Egg misschien nog wel slechter, maar het blijft werk van McCartney en dat is op één of andere manier altijd de moeite waard.

De luxe edities bevatten een schat aan bonusmateriaal, maar dit is uiteindelijk toch vooral interessant voor de echte fan, maar dat is mijn mening. Dit betekent overigens niet dat er geen parels verstopt zitten tussen alle outtakes en ook de DVD is het bekijken meer dan waard.

Conclusie: zeker niet het beste werk van Wings, maar nog altijd beter dan heel veel andere platen en onmisbaar om de prachtige ontwikkelingen in de archieven van Paul McCartney goed te kunnen volgen. Beide platen staan in de boeken als matige Wings platen, maar Venus & Mars heeft me absoluut aangenaam verrast. Erwin Zijleman

Wings - Wings at the Speed of Sound (1976)

poster
3,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Wings - Venus & Mars / Wings At The Speed Of Sound, Deluxe Editions - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Het is een prachtig stapeltje reissues dat de afgelopen jaren in de serie Paul McCartney Archive Collection is verschenen. Nu is het natuurlijk ook makkelijk scoren met klassiekers als McCartney, Ram en Band On The Run, maar de reissues voegden ook nog wat toe aan de al zo mooie originelen en dat was knap.

Inmiddels is de Archive Collection beland bij platen die onder de naam Wings werden uitgebracht en zijn we terecht gekomen bij twee platen die binnen het oeuvre van Wings over het algemeen worden gerekend tot de mindere goden. Het gaat om Venus & Mars uit 1975 en Wings At The Speed Of Sound uit 1976.

Waar Wings in eerste instantie niet veel meer was dan de begeleidingsband van Paul McCartney, was het in 1976 een band die opereerde op basis van min of meer democratische processen. Hierdoor mochten ook de andere leden van de band songs aandragen voor de platen van de band en een hoofdrol opeisen. Je kunt je nu afvragen waarom je dat zou doen als je een levende legende als Paul McCartney in de gelederen hebt (alsof Barcelona Messi de helft van de tijd op de bank zou zetten of in de verdediging zou opstellen), maar in 1976 was het kennelijk heel normaal.

Het had absoluut effect op de platen van Wings en het is zeker geen positief effect. Linda McCartney had ongetwijfeld haar kwaliteiten, maar songwriting hoorde daar zeker niet bij. Zingen evenmin.

Toen in 1975 Venus & Mars verscheen was het proces van democratisering nog niet helemaal voltooid. De plaat werd feitelijk gemaakt door Paul McCartney en rechterhand Denny Laine, die echt wel wat kon. Ook Linda was van de partij, maar haar bijdrage lijkt op Venus & Mars beperkt.

Ik had Venus & Mars al heel lang niet meer gehoord en had de plaat in het geheugen opgeslagen als een draak van een plaat. Dat blijkt in de praktijk heel erg mee te vallen. Natuurlijk is Venus & Mars niet zo goed als voorgangers Band On The Run en Red Rose Speedway, maar is Venus & Mars een slechte plaat? Nee, zeker niet.

Venus & Mars is een plaat zoals Paul McCartney er zoveel heeft gemaakt tijdens zijn inmiddels al bijna 45 jaar durende solocarrière. Het is een plaat met een aantal schoonheidsfoutjes, een aantal aardig maar niet direct opzienbarende tracks, een aantal echt goede songs en een beperkt aantal tracks die de geniale songwriting skills van Paul McCartney aan het licht brengen. De laatste tracks zouden niet hebben misstaan op de platen van The Beatles, de rest doet niet onder voor de tracks op de betere, maar niet de beste, Paul McCartney soloplaten.

Venus & Mars is een lekker afwisselende plaat die het bijna 40 jaar na dato eigenlijk best aardig doet. Zelfs al McCartney in een wat mindere vorm opereerde schreef hij nog popliedjes zoals die tegenwoordig nauwelijks meer worden gemaakt. Het geheel doet daardoor wat gedateerd aan, maar het klinkt hierdoor ook wel weer lekker. En omdat ik Venus & Mars de afgelopen 39 jaar compleet genegeerd heb, is het voor mij ook een plaat met relatief onbekend 70s werk van Paul McCartney en daarvan wil ik in principe alles ontdekken. Dat geldt vast voor meer lezers van deze BLOG.

Inmiddels komt Venus & Mars voor de zoveelste keer voorbij en begin ik zelfs enthousiast te worden over deze plaat, zeker als McCartney strooit met zijn uit duizenden herkenbare popsongs en deze zoals altijd voorziet van heerlijke baslijnen. Zo zie je maar dat muziekgeschiedenis niet in beton gegoten is.

Wings At The Speed Of Sound is, nog meer dan Venus & Mars, een echte groepsplaat. Niet direct een pré zoals eerder bleek. De plaat leverde twee hits op: Let ‘Em In en Silly Love Songs. Destijds bestempeld als lichtgewicht songs, maar inmiddels vind ik het toch McCartney songs waarvoor de oude meester zich zeker niet hoeft te schamen. Hij heeft ze minder gemaakt.

En zo heeft Wings At The Speed Of Sound meerdere goede momenten, maar ook een aantal tenenkrommende momenten, met name wanneer Linda de vocalen voor haar rekening mag nemen.

De echt goede momenten, She’s My Baby en Beware My Love zijn echt goed (let weer op het geweldige baswerk en de prima zang van McCartrney), terwijl de echt slechte momenten ook echt slecht zijn. Wings At The Speed Of Sound is hierdoor wat minder geschikt voor volledige beluistering of beluistering op de achtergrond, maar is een plaat waar je de goede momenten uit moet pikken.

Het is misschien wel de slechtste plaat die Wings heeft gemaakt, als was Back To The Egg misschien nog wel slechter, maar het blijft werk van McCartney en dat is op één of andere manier altijd de moeite waard.

De luxe edities bevatten een schat aan bonusmateriaal, maar dit is uiteindelijk toch vooral interessant voor de echte fan, maar dat is mijn mening. Dit betekent overigens niet dat er geen parels verstopt zitten tussen alle outtakes en ook de DVD is het bekijken meer dan waard.

Conclusie: zeker niet het beste werk van Wings, maar nog altijd beter dan heel veel andere platen en onmisbaar om de prachtige ontwikkelingen in de archieven van Paul McCartney goed te kunnen volgen. Beide platen staan in de boeken als matige Wings platen, maar Venus & Mars heeft me absoluut aangenaam verrast. Erwin Zijleman

Winter - Adult Romantix (2025)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Winter - Adult Romantix - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Review: Winter - Adult Romantix
Direct vanaf de eerste noten van Adult Romantix is duidelijk dat Samira Winter met haar project Winter een zwak heeft voor jaren 90 shoegaze, maar naarmate het album vordert kiest ze steeds meer en op fraaie wijze haar eigen weg

Dat de Amerikaanse website Paste enthousiast is over een shoegaze album verbaast me niet, want ze hebben al vele jaren een zwak voor het genre. Ik ben zelf soms wel wat uitgekeken op het genre en hoorde in eerste instantie ook niet veel bijzonders op Adult Romantix van Winter, maar naarmate het album vordert zoekt Samira steeds meer haar eigen weg in het genre. De eerste songs op het zesde album van Winter klinken vooral bekend, maar hierna wordt de muziek van de muzikante uit New York steeds interessanter. Op basis van vooroordelen en een te snelle conclusie na vluchtige beluistering van de eerste twee tracks had ik Adult Romantix zomaar kunnen laten liggen, maar daarmee zou ik Winter en mezelf te kort hebben gedaan.

Met name de Amerikaanse website Paste was de afgelopen week bijzonder enthousiast over Adult Romantix van Winter. Nu heeft Paste over het algemeen een zwak voor shoegaze en dreampop albums en dat zijn de hokjes waarin het album van Winter over het algemeen wordt geplaatst.

Ook ik heb een zwak voor shoegaze en dreampop albums, maar merk ook dat er de afgelopen jaren maar heel weinig albums in het genre zijn verschenen die kunnen tippen aan de hoogtijdagen van de shoegaze en dreampop in met name de jaren 90. Paste merkt echter terecht op dat Winter geen 13 in een dozijn shoegaze album heeft gemaakt en dat maakt het album wat mij betreft interessanter dan de meeste andere albums van het moment in dit genre.

Winter is een project van Samira Winter, die naast Amerikaans ook Braziliaans bloed heeft. Als Winter heeft ze tot mijn verbazing al zes albums gemaakt, waarvan Adult Romantix de meest recente is. Het is een album dat in eerste instantie vrij dicht bij de inmiddels bekende kaders van de shoegaze en dreampop blijft.

Na een intro met zweverige gitaarlijnen en subtiele synths wordt het album al snel wat steviger met gruiziger gitaarwerk en een wat steviger spelende ritmesectie. Het herinnert ook wel wat aan de indierock die in de jaren 90 werd gemaakt, zeker wanneer de stem van Samira Winter wat zachter en verleidelijker klinkt.

Zeker in de eerste tracks op Adult Romantix hoorde ik niet heel veel nieuws, maar de muziek van Winter klinkt niet alleen bekend maar ook zeer aangenaam. De wat meisjesachtige stem van de Amerikaanse muzikante contrasteert fraai met het net wat stevigere gitaarwerk en de songs van Winter zijn heerlijk melodieus.

Volgens Paste maakt Samira Winter op haar nieuwe album geen geheim van haar Braziliaanse wortels, maar dat vraagt om aandachtige beluistering. Hier en daar gooit Samira Winter er wat woordjes Portugees doorheen en verder klinkt haar shoegaze net wat zonniger dan de vaak wat gedeprimeerde shoegaze uit het verleden.

Naarmate het album vordert laat Samira Winter het vaste stramien van het genre wat los en experimenteert ze met uitstapjes naar omliggende genres. Vooral de experimenten met wat avontuurlijkere en minder monotone ritmes geven haar songs een aangename impuls en zorgen er voor dat Adult Romantix wel degelijk iets toevoegt aan alles dat er al is. Ook de flirts met jangle pop maken de shoegaze van de muzikante uit New York net wat minder zwaar en hierdoor wat geschikter voor het huidige seizoen.

Nu ik Adult Romantix wat vaker heb gehoord ben ik alleen maar meer onder de indruk van het album. Samira Winter beschikt over een mooie stem en speelt zeer verdienstelijk gitaar. Ze heeft haar songs verder voorzien van mooie arrangementen, die soms subtiel en soms wat duidelijker buiten de hokjes van de shoegaze kleuren.

Met name wanneer ze op de tweede helft van het album wat meer gas terug neemt hoor je dat ze met haar project een duidelijk eigen geluid heeft gecreëerd, dat in muzikaal en vocaal opzicht makkelijk overtuigt. Ik heb het vijf albums lang over het hoofd gezien, maar na het omarmen van Adult Romantix ga ik me ook zeker verdiepen in het andere werk van Samira Winter, al lijken de critici overtuigt van het feit dat haar nieuwe album vooralsnog haar beste is. Erwin Zijleman

Wire - 10:20 (2020)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Wire - 10:20 - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Wire - 10:20
Het herbewerken van oud materiaal is maar zeer zelden geslaagd, maar de Britse band Wire laat op het uitstekende en aanstekelijke 10:20 horen dat het ook anders kan

Wire leek lange tijd veroordeeld tot een plekje in de geschiedenisboeken met haar drie klassiekers uit de late jaren 70, maar de afgelopen jaren timmert de Britse band weer met veel succes aan de weg. Een paar maanden na het uitstekende Mind Hive worden de fans van de band verblijd met een uitstekend tussendoortje. 10:20 bevat herbewerkingen van oude songs, waaronder flink wat live-favorieten. Ze knallen stuk voor stuk uit de speakers en klinken verrassend aanstekelijk, al is het eigenzinnige Wire geluid nooit heel ver weg. Tussendoortjes zijn meestal voor de echte fans, maar dit kan wel eens een hele aantrekkelijke kennismaking met de muziek van Wire zijn.

Herinneringen aan de Britse band Wire waren lange tijd beperkt tot de drie baanbrekende albums die de band uit Londen tussen 1977 en 1979 opnam. Pink Flag (1977), Chairs Missing (1978) en 154 (1979) zijn albums die sindsdien talloze bands hebben beïnvloed en die inmiddels geschaard moeten worden onder de klassiekers uit tweede helft van de jaren 70 en onder de kroonjuwelen van de Britse postpunk, al deed je de band met dit label altijd wel wat te kort.

Het zijn klassiekers die destijds helaas nauwelijks verkochten, waardoor Wire na haar derde meesterwerk 154 zonder platenmaatschappij zat. De band dook halverwege de jaren 80 alweer op, maar zelf herontdekte ik Wire pas vijf jaar geleden toen het titelloze album van de band verscheen. Sindsdien steekt de Britse band in een uitstekende vorm en volgen de uitstekende albums elkaar in behoorlijk tempo op. Aan het begin van dit jaar verscheen nog het uitstekende Mind Hive en nu ligt er alweer een nieuw album van Wire in de winkel.

Het deze week verschenen 10:20 moet gezien worden als een tussendoortje of als extraatje. Het is echter wel een aangenaam of zelfs zeer aangenaam tussendoortje of extraatje. Op 10:20 herbewerkt Wire oud materiaal, waarbij de band terug gaat tot de sessies van haar tweede album uit 1978. Het gaat voor een belangrijk deel om live-favorieten die wat de band betreft nog niet in een goede of nog niet in de ultieme studioversie beschikbaar waren. Het herbewerkte materiaal werd de afgelopen tien jaar opgenomen wat de titel van het album verklaart.

Wanneer het gaat om nieuwe bewerkingen van oud materiaal ben ik meestal op mijn hoede. Nieuwe versies van oude songs zorgen over het algemeen voor een flinke teleurstelling, al zijn er wel wat uitzonderingen. De nieuwe versies van oude songs op 10:20 van Wire zijn wat mij betreft zo’n uitzondering. Het tussendoortje van Wire laat zich beluisteren als een verzamelaar van het werk van de band, al is het wel een verzamelaar met deels minder bekend materiaal.

Wire is altijd een band van uitersten geweest en dat hoor je ook weer op 10:20, dat een aantal wat tegendraadse songs bevat, maar ook een aantal songs die zomaar alternatieve wereldhits hadden kunnen worden. Omdat het in veel gevallen gaat om live-favorieten zijn de alternatieve wereldhits veruit in de meerderheid op 10:20, waardoor het album toegankelijker is dan de meeste Wire albums. Het bevalt me uitstekend.

Op 10:20 komen een aantal verrassend aanstekelijke popsongs voorbij, al is de eigenzinnige Wire twist nooit ver weg. Waar herbewerkingen van oud materiaal vaak wat gezapig klinken, komen de songs op 10:20 vol energie en urgentie uit de speakers, wat nog eens wordt versterkt door het feit dat het album echt geweldig klinkt. Met name het gitaarwerk is van hoog niveau, maar ook de zang op het album klinkt uitstekend, net als de diepe bassen en de wat onderkoelde synths.

Voor de Wire fan die het oeuvre van de band op zijn duimpje kent ligt het misschien anders, maar ik geniet enorm van de serie songs op dit tussendoortje, dat de uitstekende vorm waarin Wire de afgelopen jaren steekt nog maar eens onderstreept. De live-favorieten zijn voorlopig waarschijnlijk niet op het podium te horen, maar knallen nu prachtig uit de speakers thuis. Erwin Zijleman

Wire - Mind Hive (2020)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Wire - Mind Hive - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Wire - Mind Hive
De Britse band Wire gaat inmiddels ruim 40 jaar mee, maar laat op haar nieuwe album horen dat het er nog altijd toe doet en dat het zichzelf nog steeds weet te vernieuwen

Wire leverde aan het eind van de jaren 70 een perfecte trilogie af, verdween vervolgens even uit beeld en bleef vervolgens wat anoniem opereren. De band bleef echter al die jaren actief, wat resulteerde in een aantal prima albums. Met het titelloze album uit 2015 begon Wire wat mij betreft pas echt aan haar tweede jeugd en die tweede jeugd bereikt nu haar hoogtepunt met het bijzonder fraaie Mind Hive. Wire schakelt tussen aanstekelijke gitaarpop, psychedelische songs en wat zwaarder en donkerder werk, maar het blijft in alle gevallen Wire. Ruim 40 jaar na haar debuut klinkt de Britse band fris en urgent, wat maar heel weinig voormalige tijdgenoten kunnen zeggen.

De Britse band Wire dook op in de hoogtijdagen van de punk, maar liet direct op het in 1977 verschenen debuut Pink Flag horen dat het veel meer was dan het zoveelste punkbandje. De muziek van de band uit Londen stak veel knapper in elkaar en sloeg uiteindelijk een brug richting de post-punk.

Met Chairs Missing en 154 voltooide de band in 1978 en 1979 een bijzonder fraaie en zeer invloedrijke trilogie, maar vervolgens was het bijna acht jaar stil rond Wire. Aan het eind van de jaren 80 pakte de band de draad weer op, maar het hoge niveau van de eerste drie albums werd niet direct gehaald.

Persoonlijk verloor ik Wire na die fenomenale eerste drie albums uit het oog en was ik pas met het in 2015 verschenen titelloze album weer bij de les. Dit album markeerde wat mij betreft het begin van de tweede jeugd van Wire, die met het in 2017 verschenen Silver/Lead een passend vervolg kreeg (in de tussentijd verscheen nog het bijna volwaardige album Nocturnal Koreans, dat ik voor het gemak maar als EP bestempel). De trilogie van de wederopstanding van Wire wordt deze week voltooid met Mind Hive en het is, net als aan het eind van de jaren 70, het beste album van de drie.

Mind Hive opent verrassend lichtvoetig. De Britse band maakte nog niet eerder gitaarsongs die zo zonnig en aanstekelijk klinken als de eerste vier songs op het nieuwe album. Het is een verrassende, maar wat mij betreft ook uitstekende openingszet. Mind Hive opent voor Wire begrippen misschien toegankelijk, maar de songs houden iets eigenzinnigs, hoekigs en stekeligs. Het zijn bovendien songs die bij herhaalde beluistering beter en beter worden.

Na vier verrassend toegankelijke gitaarpopsongs trekt een mistwolk over het album. Het tempo gaat flink omlaag en Wire klinkt opeens dromerig of zelfs psychedelisch. Het is een mistwolk die twee tracks aanhoudt en die aangenaam benevelt. Ook in de wat psychedelisch aandoende tracks blijft Wire natuurlijk gewoon Wire, wat je onder andere hoort in het bijzondere gitaarspel.

Hierna gaat het roer weer om en horen we de meer experimentele kant van Wire, dat flarden van de muziek uit haar eigen beginjaren combineert met invloeden uit de Berlijnse jaren van Bowie. Wire klinkt twee tracks lang wat donkerder, broeieriger en experimenteler dan op de rest van het album en het zijn absoluut de spannendste momenten op het album. Toch vallen deze twee tracks wat mij betreft niet uit de toon. Wanneer Wire in de slottrack terugkeert naar melodieuze en zweverige klanken, vallen ook deze klanken weer op zijn plek.

Als het album er na zo’n 35 minuten op zit heb je een album met drie gezichten gehoord. Op zich niet gek voor een band als Wire die altijd al de grenzen opzocht, maar zo dromerig, melodieus en toegankelijk als op Mind Hive klonk de band nog niet vaak. Het bevalt me persoonlijk wel. Wanneer Wire de lijn van de twee wat experimentelere tracks op het album had doorgetrokken was het een loodzwaar album geworden. Nu schiet de band van lichtvoetig naar dromerig naar zwaar om dromerig te eindigen.

Het springt op een of andere manier zeker niet van de hak op de tak, want het is in alle gevallen Wire en het is wat mij betreft Wire in een uitstekende vorm. Van de bands die vanaf 1977 opdoken in de Britse muziekscene is vrijwel niets meer over, maar Wire klinkt nog altijd urgent en op Mind Hive nog net wat urgenter dan de afgelopen jaren. Erwin Zijleman

Wire - Silver / Lead (2017)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Wire - Silver/Lead - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

De Britse band Wire zette tussen 1977 en 1979 de postpunk op de kaart met haar eerste drie platen Pink Flag, Chairs Missing en 154.

Het zijn platen die inmiddels volkomen terecht zijn uitgegroeid tot klassiekers (en niet alleen binnen de postpunk) en die de lat ontzettend hoog hebben gelegd voor de band uit Londen.

Het heeft Wire er niet van weerhouden om stug door te gaan met het maken van platen en met name de laatste jaren levert dit weer uitstekende platen op.

Voorlopig hoogtepunt uit de tweede jeugd van Wire was tot voor kort de in 2015 verschenen titelloze plaat, maar ook het nu verschenen Silver/Lead is weer een verrassend sterke plaat van de Britten en wat mij betreft is het een plaat die beter is dan zijn voorganger (en ook beter is dan het vorig jaar verschenen mini-album Nocturnal Koreans).

Wire grijpt in haar muziek nog altijd terug op de hoogtijdagen van de eerste drie albums, maar de wilde haren is de band inmiddels wel wat kwijt. Wire klonk in haar eerste jaren vooral rauw en stekelig, maar laat op Silver/Lead een opvallend melodieus geluid horen.

Het is geluid waarin hier en daar flarden van de postpunk en de avant garde van weleer zijn te horen, maar pop en rock domineren op de nieuwe plaat van de Britten. Het is pop en rock die zich langzamer voortsleept dan we van de band gewend zijn en ook wat melancholischer klinkt dan de platen uit het verleden van de band.

Silver/Lead kabbelt misschien verrassend aangenaam voort, maar bij wat aandachtigere beluistering hoor je ook weer veel van het moois waarop de band inmiddels al zo lang het patent heeft.

Ook Silver/Lead valt weer op door fraaie gitaarminiaturen, afwisselend rauw en opvallend melodieus gitaarspel, uitermate subtiel drumwerk, bezwerende synths, volop uitstapjes buiten de gebaande paden, een prachtig opgebouwde spanning en de nooit verdwenen liefde voor minimalisme. Het geeft de aangenaam klinkende songs op de nieuwe plaat van Wire veel extra glans.

Ik ben nog nooit zo makkelijk verleid door de songs van Wire, maar het zit allemaal ook weer razendknap in elkaar. Silver/Lead voldoet daarom uitstekend op de achtergrond en is voer voor heerlijk luieren, maar het is ook een plaat die het verdient om volledig uitgeplozen te worden. In beide gevallen levert het een zeer bevredigende luisterervaring op.

Wire viert dit jaar haar veertigste verjaardag, maar maakt nog steeds muziek die er toe doet. De band uit Londen maakt bovendien nog steeds muziek die zich ontwikkelt en steeds weer weet te verrassen.

Silver/Lead is dankzij het zeer toegankelijke geluid een bijzonder aangename verrassing, al is het maar omdat de combinatie van dit soort lome en dromerige muziek en flink wat muzikaal avontuur een betrekkelijk zeldzame is.

Dat Wire bezig is met een buitengewoon sterke serie platen zal niemand de afgelopen jaren zijn ontgaan, maar dit schepje er bovenop had ik toch niet meer van de band verwacht. Knappe prestatie. Bijzonder knappe prestatie zelfs. Erwin Zijleman

Wire - Wire (2015)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Wire - Wire - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Als ik aan Wire denk, denk ik vooral aan Pink Flag uit 1977 en 154 uit 1979. Het debuut van de band uit London verscheen in het jaar waarin de punk definitief doorbrak en staat ook bol van de invloeden uit de punk.

Toch was Pink Flag van Wire zeker geen dertien in een dozijn punkplaat. Daarvoor stak de muziek van Wire te knap in elkaar en daarvoor was de muziek van Wire vooral te veelzijdig. Wire stond met haar debuut midden in de punk, maar maakte ook muziek die de basis zou vormen voor de postpunk.

Pink Flag is met zijn ruim 20 songs in maar net een half uur nog altijd een plaat die aanspreekt en dat geldt in nog veel sterkere mate voor 154; de derde plaat van Wire.

Op 154 was de punk grotendeels verdwenen uit de muziek van Wire en had de band de postpunk definitief uitgevonden en bovendien een niveau bereikt dat sindsdien nog maar zelden is evenaart.

Na 154 werd het helaas lang stil rond Wire en hoewel de band in de tweede helft van de jaren 80 weer opdook, duurde het tot het begin van huidige millennium tot Wire weer platen begon te maken die enigszins in de buurt kwamen van de prachtplaten uit de late jaren 70.

Met het onlangs verschenen Wire zet de band een volgende stap en het is een stap die mij voor het eerst eens niet doet grijpen naar de klassiekers van weleer, die de lat nu eenmaal ontiegelijk hoog hebben gelegd.

Wire maakte de afgelopen jaren prima platen, maar het waren ook platen die nadrukkelijk teruggrepen op de oude glorie. Ook Wire bevat elementen die ook op 154 al aanwezig waren, maar de plaat klinkt absoluut niet als een herhalingsoefening.

De titelloze nieuwe plaat van Wire valt op door behoorlijk toegankelijke en vaak ook verrassend ingetogen en gepolijste songs. Het zijn songs waarin ingrediënten uit het verleden absoluut een rol spelen, maar ze zijn niet leidend.

Natuurlijk zijn er de donkere bassen, de ijle synths, de eenvoudige drumpartijen en de mooie gitaarlijnen, maar de muziek van Wire is dit keer minder makkelijk in een hokje te duwen dan in het verleden, al is het maar omdat korte en puntige songs dit keer ook gezelschap krijgen van een songs die meer dan 7 minuten duurt.

De nieuwe plaat van de band klinkt verrassend toegankelijk, maar duik wat dieper in de songs en je hoort dat er toch weer veel in zit en je hoort bovendien dat Wire nog steeds durft te experimenteren en in veel gevallen genoeg heeft aan minimale middelen.

Veel songs op deze plaat hebben een psychedelisch tintje, dat fraai kleurt bij de nog altijd aanwezige invloeden uit de postpunk en dat ook prima past bij het gevoel voor aangename popliedjes, dat altijd hoog in het vaandel van Wire heeft gestaan.

De nieuwe plaat van Wire is er een die vrij makkelijk overtuigt, maar het duurt even voor je door hebt hoe goed en hoe bijzonder deze plaat is. Wire draagt al meer dan 35 jaar een erfenis uit het verleden met zich mee, maar durft hier nu afstand van te nemen met een plaat die niet onder doet of zelfs veel beter is dan die van menige grote belofte van het moment. Erwin Zijleman

Wisp - If Not Winter (2025)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Wisp - If Not Winter - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Review: Wisp - If Not Winter
De uit San Francisco afkomstige muzikante Natalie Lu hoorde een paar jaar geleden een shoegaze album en was verkocht, wat uiteindelijk heeft geleid tot het prachtige debuutalbum van Wisp dat de shoegaze van weleer doet herleven

Iedereen die in de jaren 90 het genre shoegaze omarmde heeft waarschijnlijk al een flinke stapel favoriete albums in het genre. Een nieuwe generatie maakt op TikTok kennis met het genre via het debuutalbum van Wisp. De Californische muzikante Natalie Lu kent haar klassiekers in het genre en doet eigenlijk alles goed. De gitaarmuren zijn hoog en gruizig, de gitaarakkoorden prachtig, de wolken synths dik en dreigend en de bas en drums loodzwaar. Wisp combineert het muzikale geweld met meisjesachtige zang die zorgt voor het dromerige sfeertje dat hoort bij shoegaze en dreampop. If Not Winter komt misschien beter tot zijn recht wanneer we de zomer achter ons hebben gelaten, maar alle lof voor het debuutalbum van Wisp is volkomen terecht.

Midden in de zomer verschijnen over het algemeen albums met een zomers tintje, maar de Amerikaanse muzikante Wisp wil hier niets van weten. Wanneer de eerste noten van If Not Winter uit de speakers komen wordt de zomer van het moment onmiddellijk verruild voor de winter. De zon maakt plaats voor donkere wolken en de temperatuur daalt tot onder het vriespunt. Het is in augustus misschien even wennen, maar het debuutalbum van Wisp is ook wonderschoon.

Wisp is het alter ego van de in San Francisco geboren en getogen muzikante Natalie Lu, die op jonge leeftijd viool speelde, maar toen in aanraking kwam met muziek die haar leven zou veranderen. Toen Natalie Lu voor het eerst naar een shoegaze album had geluisterd wist ze wat ze wilde en begon ze met het maken van haar eigen muziek in het genre.

Met haar alter ego Wisp was de Amerikaanse muzikante met Thaise en Taiwanese roots vrijwel direct succesvol. Haar eerste songs werden omarmd op TikTok, waar een jonge generatie waarschijnlijk voor het eerst kennis maakte met het genre dat in de jaren 80 ontstond en in de jaren 90 werd geperfectioneerd en op de kaart gezet door bands als My Bloody Valentine.

Voor iedereen die opgroeide met de shoegaze albums uit de jaren 90 klinkt de muziek van Wisp grotendeels bekend. Ook op If Not Winter worden gruizige gitaarmuren gecombineerd met betoverend mooie gitaarakkoorden en een dik wolkendek van ijle synths. Wanneer de ritmesectie opduikt speelt deze over het algemeen loodzwaar, maar bas en drums kunnen ook achterwege blijven op het debuutalbum van Wisp.

Het klinkt allemaal bekend, maar het klinkt ook bijzonder mooi. Door de populariteit op TikTok kon Natalie Lu voor het opnemen van haar debuutalbum beschikken over een flink budget. Ze schakelde meerdere producers in voor haar debuutalbum, waardoor If Not Winter mooier klinkt dan de shoegaze albums uit de jaren 90. De Amerikaanse muzikante noemt haar muziek zelf shoegaze, maar ook invloeden uit de dreampop spelen een voorname rol in het geluid op If Not Winter.

In muzikaal opzicht klinkt het allemaal fantastisch, zeker als alle instrumenten voluit mogen gaan, al zijn ook de meer ingetogen passages op het album bijzonder mooi. Bij al het gitaargeweld, de dikke lagen synths en de stevig aangezette ritmesectie hoort in de shoegaze wat dromerige en onderkoelde zang en hiervoor ben je ook bij Wisp aan het juiste adres. Natalie Lu doet er vergeleken met de shoegaze en dreampop helden uit de jaren 90 nog een flinke schep bovenop, want haar lome en meisjesachtige zang contrasteert nog wat heftiger met de zwaar aangezette muziek.

Zeker bij beluistering met de koptelefoon of bij een wat hoger volume komt If Not Winter heerlijk binnen, maar je hoort dan ook hoe knap het allemaal in elkaar zit. Het debuutalbum van Wisp klinkt bij oppervlakkige beluistering als een heerlijke shoegaze luistertrip die over je heen walst, maar Natalie Lu heeft ook wel degelijk subtielere details toegevoegd aan haar songs.

Het is voor shoegaze fans van het eerste uur misschien even wennen aan de zang van Natalie Lu, die klinkt als een piepjonge versie van Mazzy Star’s Hope Sandoval met een trekje helium, maar ik vind de zang zelf inmiddels prachtig. Het is grappig dat een platform als TikTok ook de shoegaze weer op de kaart zet, maar Wisp heeft absoluut veel te bieden en levert een van de betere shoegaze albums van de laatste jaren af. Erwin Zijleman

Wobbler - Dwellers of the Deep (2020)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Wobbler - Dwellers Of The Deep - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Wobbler - Dwellers Of The Deep
De Noorse band Wobbler levert met Dwellers Of The Deep een Yes album af dat de Britse band zelf niet maakte aan het begin van de jaren 70, maar waarvoor het zich niet had hoeven schamen

Er zijn maar weinig bassisten die zo spelen als Chris Squire van Yes dat kon, maar de bassist van de Noorse band Wobbler doet het. De band uit Oslo heeft sowieso goed geluisterd naar het oudere werk van Yes, maar klinkt absoluut niet als een Yes tribute band. Dwellers Of The Deep is een album dat imponeert met 45 minuten lang muzikaal vuurwerk, maar ook met mooie en bijzondere songs waarin de spanning fraai wordt opgebouwd. Het ademt de muziek van Yes uit de vroege jaren 70, maar Wobbler voegt ook absoluut iets toe aan alle invloeden uit het verre verleden. Liefde voor Yes helpt absoluut, maar ook liefhebbers van modernere progrock vallen zich geen buil aan dit geweldige album.

De afgelopen jaren deed de Noorse band Motorpsycho mijn oude liefde voor de muziek van Yes herleven met een indrukwekkende trilogie waarop het werk van de Britse symfonische rockband absoluut invloed heeft gehad. Invloeden van Yes zijn nog veel sterker hoorbaar op Dwellers Of The Deep van de eveneens Noorse band Wobbler. Het vijfde album van de band uit Oslo klinkt zelfs meer als Yes dan de Britse band zelf de afgelopen decennia deed.

Direct vanaf de eerste noten dacht ik naar niet eerder uitgebracht werk van Yes uit de vroege jaren 70 te luisteren. Dat effect bereikt Wobbler vooral met het geweldige baswerk op Dwellers Of The Deep, dat absoluut schatplichtig is aan dat van meesterbassist Chris Squire. Het baswerk zou niet hebben misstaan op het beste werk van Yes, maar ook in het toetsenwerk en in de zang, hoor ik flink wat van Yes in haar jonge en beste jaren.

Zonder liefde voor de muziek van Yes is Dwellers Of The Deep waarschijnlijk zware kost, maar ik vind het prachtig. Het vijfde album van Wobbler bevat absoluut elementen uit de muziek van Yes, maar de band uit Oslo voegt ook eigen invloeden toe aan haar muziek. Zo mag het gitaarwerk af en toe stevig ontsporen en is de muziek van de band bij vlagen ook behoorlijk psychedelisch, zeker als het orgel de hoofdrol opeist.

Voor popsongs met een kop en een staart ben je in dit genre vaak aan het verkeerde adres en dat geldt ook voor Dwellers Of The Deep van Wobbler. Het album bevat drie kwartier muziek, maar bevat slechts vier songs, waarvan de eerste en de laatste respectievelijk 14 en 19 minuten klokken. Toch kiest Wobbler niet voor eindeloos gepiel in de ruimte. Net als Yes in haar jonge jaren verliest de band de structuren van de popsong nergens volledig uit het oog, maar zeker in de wat langere tracks is er natuurlijk wel alle ruimte voor muzikaal vuurwerk en experiment.

Dat vuurwerk komt vooral van de toetsenist, die het geluid van Wobbler voor een belangrijk deel vult, maar ook de andere leden van de band spelen de pannen van het dak. De gitarist moet af en toe even op zijn beurt wachten, maar trekt vervolgens alle registers open. Minstens net zo goed is de ritmesectie, waarin met name de eerder al genoemde bassist imponeert met baswerk dat alleen de krachtpatsers onder de bassisten gegeven is.

Dwellers Of The Deep is door alle associaties met het werk van Yes een feest van herkenning, maar Wobbler voegt met haar vijfde album ook iets toe aan de symfonische rock uit de vroege jaren 70. Het is knap hoe de Noorse band niet onmiddellijk doet verlangen naar de klassiekers van weleer, maar het is nog veel knapper hoe Dwellers Of The Deep aan de ene kant herinnert aan muziek van zo’n 50 jaar geleden, maar aan de andere kant toch ook fris en zeker urgent klinkt.

Zeker in de laatste track gaan 19 minuten lang alle remmen los en krijg je een portie muzikaal vuurwerk over je heem gestort dat voor liefhebbers met een oude of jonge liefde voor symfonische rock of progrock maar lastig te weerstaan is. Motorpsycho leverde de afgelopen jaren drie prachtalbums vol invloeden uit de archieven van Yes op, maar dit album mag er best naast staan. Ik bak de geweldige box-set met de Steven Wilson remixes van Yes er maar weer eens bij, maar eerst nog een keer genieten van Dwellers Of The Deep van Wobbler. Erwin Zijleman

Wolf Alice - Blue Weekend (2021)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Wolf Alice - Blue Weekend - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Wolf Alice - Blue Weekend
Wolf Alice klinkt op haar derde album wat dromeriger en minder stevig dan op de twee voorgangers, maar de prachtig ingekleurde songs zijn stuk voor stuk van hoog niveau

Blue Weekend van Wolf Alice wordt de afgelopen week ontvangen met superlatieven of krijgt er stevig van langs. Dat laatste heeft vooral te maken met het nieuwe geluid van de band, dat wat toegankelijker en minder stevig klinkt. Het pakt wat mij betreft geweldig uit, want de songs op album nummer drie zijn stuk voor stuk sterk, terwijl de dromerige en fraai geproduceerde klanken de stem van frontvrouw Ellie Rowsell nog wat verder optillen. Wolf Alice is wat mij betreft zichzelf gebleven, maar slaat een net wat andere weg in. Het is even slikken voor de liefhebber van het stevigere werk van de band, maar er valt nog steeds heel veel te genieten op Blue Weekend.

Blue Weekend is alweer het derde album van de Britse band Wolf Alice. De vorige twee albums van de band, My Love Is Cool uit 2015 en Visions Of A Life uit 2017, vond ik erg goed, waardoor mijn verwachtingen ten opzichte van het derde album van de band uit Londen hooggespannen waren.

De eerste recensies van Blue Weekend zijn of heel positief of behoorlijk negatief. Ik kon mezelf direct bij eerste beluistering in het kamp van de positivo’s scharen en dat is bij herhaalde beluistering zeker niet veranderd. Wolf Alice blijft gelukkig een band die zich niet laat beperken tot één genre en het blijft verder een band die zowel met aanstekelijke als met avontuurlijke songs uit de voeten kan.

Vergeleken met de vorige twee albums van de band slaat Wolf Alice op Blue Weekend wel een andere weg is. Er is absoluut minder ruimte voor stevige rock op het nieuwe album van de Britse band, terwijl muziek met een wat dromerig karakter flink aan terrein heeft gewonnen. Critici die beweren dat Wolf Alice de stevige rock van het vorige album heeft verruild voor gezapige droompop hebben het wat mij betreft echter bij het verkeerde eind. Wolf Alice put nog altijd uit de archieven van de shoegaze, maar de scherpe kantjes zijn er in de meeste tracks wat af. Wolf Alice is voor mij echter nog steeds een rockband, alleen een wat minder stevige, al gaat de band in twee songs nog behoorlijk los en komt zelf de punky kant van de band weer naar boven.

Zelf hou ik wel van het dromerige geluid op Blue Weekend. Het is een geluid waarin de vaak in meerdere lagen opgenomen stem van frontvrouw Ellie Rowsell net wat beter tot zijn recht komt en het is bovendien een geluid dat goed past bij de mooie zomer die hopelijk voor ons ligt.

Vergeleken met de vorige albums van de band is de rol van de producer wat gegroeid. Blue Weekend is geproduceerd door Markus Dravs, die eerder werkte The Arcade Fire, Coldplay en Mumford & Sons. Hij heeft het derde album van Wolf Alice voorzien van een groots en meeslepend geluid, waarin zowel ruimte is voor mooie en dromerige passages als voor gestapelde lagen van geluid. Het kleurt allemaal prachtig bij de stem van Ellie Roswell, die nog beter is gaan zingen en hier en daar zelfs een vleugje Kate Bush laat horen.

Het past ook uitstekend bij de songs van de Britse band, die nog net wat zelfverzekerder klinken. Het nieuwe geluid van Wolf Alice is een geluid dat in theorie al snel over the top is, maar op Blue Weekend vliegt de Britse band wat mij betreft nergens uit de bocht. Ik noemde Blue Weekend hierboven groots en meeslepend, maar Wolf Alice is ook nog altijd een avontuurlijk klinkende band die allerlei invloeden uit het verleden combineert in een eigentijds geluid.

Hier en daar schuift Wolf Alice wat op richting pop, maar ook de wat meer ingetogen en net wat lichtvoetiger klinkende tracks op het album zijn van een prima niveau, zeker als hier en daar ook nog de folkie in Ellie Roswell opduikt. Natuurlijk heb ik makkelijk praten als iemand die niet vies is van pop en een dromerig geluid prefereert boven een bak herrie, maar daar sta ik vast niet alleen in. Wolf Alice gaat absoluut fans verliezen met dit derde album, maar het gaat er waarschijnlijk nog veel meer winnen. Ik heb na Blue Weekend ook de eerste twee albums van Wolf Alice nog een paar keer beluisterd, maar ik vind het derde album van de band echt de beste van het stel. Erwin Zijleman

Wolf Alice - My Love Is Cool (2015)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Wolf Alice - My Love Is Cool - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Het uit Londen afkomstige Wolf Alice kan momenteel, met name in het Verenigd Koninkrijk, rekenen op recensies vol superlatieven, zodat de hype machines weer op volle toeren draaien.

Wanneer tijdschriften als NME gaan roepen dat HET debuut van het afgelopen decennium is afgeleverd, ben ik meestal op mijn hoede, maar op de superlatieven voor het debuut van Wolf Alice valt echt maar heel weinig af te dingen.

Wolf Alice laat zich op haar debuut My Love Is Cool inspireren door zeer uiteenlopende invloeden, die allemaal wel vaker een grote rol spelen, maar de mix van invloeden waarmee de band uiteindelijk op de proppen komt is behoorlijk uniek.

Wolf Alice heeft in de persoon van zangeres Ellie Rowsell een heel bijzonder en uitermate doeltreffend wapen in handen. Ellie Rowsell begon ooit als folkie en dat hoor je heel duidelijk in een aantal tracks op het debuut van Wolf Alice, waarin de zang bij pastoraal is en herinnert aan de grote folkies uit het verre verleden.

De band uit Londen heeft de folk echter voor een belangrijk deel vaarwel gezegd en gaat op My Love Is Cool ook aan de haal met invloeden uit onder andere de shoegaze en de dreampop. Dat zijn invloeden die inmiddels aardig zijn uitgekauwd, maar Wolf Alice verwerkt ze op geheel eigen en bijzonder creatieve wijze.

Hier blijft het niet bij, want My Love Is Cool is een nog veel gevarieerdere smeltkroes van invloeden. Het ene moment neemt de band je mee terug naar de hoogtijdagen van de Britse folk uit de jaren 70, het volgende moment hoor je shoegaze en dreampop uit de jaren 90, maar ook invloeden uit de new wave, de noiserock, de indierock en de psychedelica hebben hun weg gevonden op het debuut van Wolf Alice.

Het knappe van het debuut van Wolf Alice is dat al deze invloeden elkaar steeds maar weer afwisselen en deels door elkaar lopen, wat het debuut van Wolf Alice een heel bijzonder geluid geeft. Het is een geluid vol dynamiek, want Wolf Alice heeft op My Love Is Cool over het algemeen maar een paar noten nodig om haar geluid van uiterst ingetogen te transformeren in zwaar aangezet en stevig en vice versa. Wolf Alice schuwt hierbij het maken van grootse en meeslepende popsongs niet, maar de band houdt haar muziek net zo makkelijk uiterst klein.

Beluistering van My Love Is Cool van Wolf Alice is aan de ene kant een feest van herkenning, maar als je na gaat denken over wat je hoort, moet je concluderen dat de mix van invloeden die de band uit Londen ons voorschotelt echt nieuw is. Zeker wanneer je de plaat aandachtig beluistert hoor je hoe knap Wolf Alice buiten de lijntjes kleurt, maar My Love Is Cool is ook een plaat vol meedogenloze pop- en rocksongs die even meedogenloos vermaken.

Het ene moment schuurt Wolf Alice aan tegen bands die de jaren 90 in artistiek opzicht kleur hebben gegeven, maar de band rond Ellie Rowsell is ook niet band voor schaamteloos toegankelijke popliedjes waarvoor de Miley Cyrussen van deze wereld een moord zouden doen of voor muziek waarvoor Mazzy Star of het juist weer zeer eigentijdse The Xx zich niet zouden schamen.

De stem van Ellie Rowsell speelt in dit alles een hoofdrol, want hoeveel zangeressen zijn er die net zo makkelijk pastoraal kunnen fluisteren als het uit kunnen schreeuwen op een manier om bang van te worden. De rest van de band past zich aan en zorgt steeds voor de perfecte omlijsting van deze geweldige vocalen.

Het debuut van het decennium is misschien wat veel eer, maar dat Wolf Alice een verdomd goed debuut heeft afgeleverd is zeker. Goed genoeg voor de jaarlijstjes? Het zou zomaar kunnen. Ik ben vanaf nu fan, dat is zeker. Erwin Zijleman