MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten deric raven als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

I Speak Machine - War (2022)

poster
4,0
Introvert, schuchter en angstig. Opgegroeid in een streng katholieke gemeenschap waar de gedachte aan muziek al als godslastering wordt beschouwd. Verwijzingen in de Beat Down by Heaven elektropunksoul en het hersenspoelende afstotende Dirty Soul roepen dat verschrikte kindbeeld op. EMDR therapeutisch, met het muziekdoosje als triggerpoint. Ruined Me, liefdeloos beschadigd. Kapot gemaakt door opgedrongen geloofsovertuigingen en verdoofd escapisme. The Metal of My Hell agressie. Het hart als een metalen harnas, waar een slijptol wonden in het gepantserde orgaan snijdt. Welkom in de zelf gecreëerde ontnuchterende nuchtere wereld van Tara Busch.

Deze labiele persoonlijkheid maakt kennis met de grunge depressies die ze in haar eigen band Dahli Llama een leefbare plek geeft. In 1995 volgt de roemloze aftocht, het artiestenbestaan dementie waarbij zelfs op internet geen plek voor Dahli Llama is. De zoektocht levert tenminste echter geen bruikbaar materiaal op. Een jaar later verschijnt Antichrist Superstar, de doorbraakplaat van Marilyn Manson. De verzwakte Tara Busch zakt verder weg in de slangenkuil van een eenzame veilige alcoholverslaving, drinkt haar traumatische jeugdherinneringen weg en het is puur afwachten tot het punt waarop ze zal breken. De drankafhankelijkheid wordt verstoord door haar zieke creatieve mentale hersenspinsels. Maf Lewis is haar redding, die dezelfde voorliefde voor het occulte gruwelgenre heeft.

Nadat ze als trio (aangevuld met Rohan Tarry) als Dynamo Dresden het vintage elektro Remember maken, werken ze als tweetal aan het sprookjesachtige toegankelijke Pilfershire Lane, waarop de vriendelijke geest van Kate Bush ronddwaalt. De plaat ligt nog mijlenver van het verknipte duivelse I Speak Machine verwijdert, al lonken de kwaadaardige echo’s hongerig toe. Haar echtgenoot Maf Lewis verdiept zich steeds meer in zijn werk als cineast, en komt op het geniale idee om hun krachten te bundelen. The Silence als eindresultaat, een korte horrorfilm met I Speak Machine als uitvoerende soundtrack artiest genoemd.

Dit van oorsprong gelegenheidsduo krijgt zijn definitieve vorm in het paranoïde beangstigende Zombies 1985, geproduceerd door Benge (Ben Edwards), het maatje van Ultravox legende John Foxx, bedoeld om de audiovisuele apocalyptische filmbeelden te versterken. I Speak Machine komt in het vizier van de iconische Gary Numan, die het tweetal meeneemt op zijn succesvolle revival heldentocht tournee. Het latere Splinter, Savage en Intruder hebben dezelfde zwartdonkere thematische toekomstvisie als War, een wankelende wereld op de rand van de afgrond.

Nietszeggende Santa Monica Californication, verboden vruchten wellust. Het theatrale verval, sterven op het podium. War is vooral een persoonlijke strijd. Burn The Witch, op de brandstapel daarmee. Vernietig die drang tot zelfdestructie. Herrezen uit de dood, de verschroeide brandblaren van een ontvlambare feniks roken in de asresten na. Confronteren en herstructureren. Kies een kant, kies een kleur. De sensuele wraakengel verleidt je met haar dance moves. Draag de ondragelijke pijn, een rugzak aan wezenloze bagage. Sado machistische beats overmeesteren Left for Dead, een slachtveld aan bestraffende dreunslagen. De wederopstanding van de verdoemenis, spittend in het verleden. Een zuigende zwarte weduwe, toebijtend in de sappige Bloodletting (The Vampire Song) cover van de Concrete Blonde klassieker.

Op de albumhoes staat Tara Busch als keizerin van de duisternis afgebeeld, gemarkeerd en gevoed door het presidentschap van Donald Trump. Het Satanische halfzusje van Marilyn Manson, die tijdens de Antichrist Superstar release, de wedergeboorte van het kwaad viert. War is nog elektronischer, nog gestoorder en nog industriëler dan het eerdere werk. De nachtmerrie zet zich voort, Tara Busch kruipt uit haar cocon. Het verleden overwonnen, de demonen zijn niet bestreden, maar voegen zich als een kwelgeesten werkleger bij haar. Dit is pas de start om het doel te bewerkstelligen. Until I Kill the Beast, geëlimineerd en begraven.

I Speak Machine - War | Electronic | Written in Music - writteninmusic.com

Ian Brown - Unfinished Monkey Business (1998)

poster
3,5
Het intro klinkt echt als zo’n muziekje waarna een gigantisch goed concert gaat beginnen.
Gejuich in de zaal als de desbetreffende artiest opkomt.
Lukt het Ian Brown hier ook?
My Star begint in ieder geval hoopvol, en de rest van The Stone Roses wordt nog niet gemist; of toch wel?
De funky basloops zijn er dus niet, net zo min als het aandrijvende ritme en het wah wah gitaarspel.
Wat komt er voor in de plaats?
Oosters klinkende muziek, waarbij ik nog het meeste aan een band als The Mission moet denken, al heb ik bij Ian Brown meer het gevoel dat het allemaal voorgeprogrammeerd uit de computer komt.
Alsof The Chemical Brothers hem een probeersel heeft gegeven; doe er mee wat je wilt.
Can’t See Me heeft wel die Madchester sound; een beetje Fools Gold en One Love van The Stone Roses, maar ook wel in de lijn van The Charlatans.
Dit zou zo een nummer kunnen zijn die op het laatst is afgevallen bij Second Coming.
Zelfs het gitaarspel is typisch The Stone Roses.
Wat volgt met Ice Cold Cube gaat meer richting de nieuwe lichting Britpop, wel een stuk duisterder dan wat we van The Stone Roses gewend waren.
Die duisternis krijgt ironisch gezien zijn vervolg in Sunshine, toch klinkt het ook wel heel erg lo-fi, zeg maar gerust als een veredelde demo.
Lions was zijn tijd aardig vooruit; een band als Radiohead zou later met dit soort experimenteel werk goed weten te scoren.
Vervolgens gaan we weer terug naar een meer zolderkamer achtig geluid, daarna weer naar The Stone Roses, en zo blijven we de rest van het album wat heen en weer stuiteren als een XTC pilletje welke eigenlijk niet de goedkeurende selectie heeft overleeft.
Ian Brown probeert aan de ene kant een eigen geluid neer te zetten, maar om financieel rond te komen, blijft hij leentjebuur spelen bij zijn oude band.
Door deze wisselingen is het helaas niet helemaal een geslaagd solo debuut te noemen.

Ibibio Sound Machine - Doko Mien (2019)

poster
3,5
Dat afrobeat zich prima weet te mengen in de postpunk muziek uit de jaren tachtig is in tal van voorbeelden terug te vinden. The Police deed dit op een commerciële wijze, Talking Heads meer kunstzinnig en dichter bij de basis, maar ook meer excentriekelingen als bij Public Image ltd. maakten hier onbeschaamd gebruik van. Ibibio Sound Machine heeft zijn oorsprong in Nigeria en wordt geleid door vocalist Eno Williams, woonachtig in het muziekcentrum Londen. Natuurlijk vergeet ze haar roots niet, maar op hun derde plaat weten ze de westerse invloeden een steeds meer dominantere rol toe te eigenen. In normale omstandigheden bevolkt de band met acht man het podium, maar sta er niet vreemd van op te kijken als hier zich gedurende het optreden nog een aantal gastmuzikanten bij voegen. Het is een heerlijke kolkende massa, die als een bruistablet alle problemen eventjes naar de achtergrond verband. Dat Eno Williams hier minder politiek getinte teksten geschreven heeft dan op Uyai , is een feit. Allemaal een stuk universeler, de problematiek van haar thuisland staat minder op de voorgrond. Het is voornamelijk een warm tot dansen oproepend gezelschap, die de menigte heerlijk wil laten zweten. Welke hier aangename herinneringen oproept aan de Nijmeegse Zomerfeesten van jaren geleden. Een stuk minder commercieel, en meer gericht op de grote culturele massa, die de stad een week lang bevolkt. Veel meer stonden toen soortgelijke internationale tradities centraal. Met een overschot aan blaasinstrumenten, keyboards en percussie laat deze soulvolle hogepriesteres je kennis maken met deze aangename ceremoniële sessie, genaamd Doko Mien. Ofwel vertaald in het Engels Tell Me.

Het zwaar door eighties keyboards bewerkte I Need You to Be Sweet Like Sugar (Nnge Nte Suka) krijgt een groovend funky vervolg in de herhalende pompende sound. Gitarist Alfred ‘Kari’ Bannerman kan met zijn eigenzinnige spel en ervaring bekende collega’s aardig wat bijleren. Met het nodige gemak mengt hij zich dominerend op de voorgrond. Niet vreemd dus dat hij zich vanaf de jaren zeventig al in de veelzijdigste projecten heeft gestort. De blazers introduceren zichzelf om vervolgens gereed te staan voor hun volgende assistentie. Ondanks dat Williams het niet nodig heeft krijgt ze verbale ondersteuning met soulvolle backings van Jaelee Small en Chantal Brown. Vetter hadden ze niet kunnen starten. Dat ze net zo gemakkelijk kunnen omschakelen naar dansbare souldisco met diepe bas bewijzen ze met Wanna Come Down. Het is bewonderenswaardig dat ze hiermee niet grootheden uit het desbetreffende tijdperk in de weg lopen. Ze onderscheiden zich overduidelijk van andere acts met hun persoonlijke benadering. Disco is al tijden niet meer zo smakelijk geserveerd. Meer vintage achterhaalde futuristische cybergeluidjes versieren als kleurrijke slingers het meer uptempo Tell Me (Doko Mien). Ze weten echte instrumenten te mixen met kunstmatige klanken, waar tussen de scheidingslijn niet te leggen is. Ruimte voor een donkere sfeervolle benadering is er in het dromerige I Know That You’re Thinking About Me. Als eenarmige slagwerkers wordt er een statisch ritme afgeleverd, minder gebruik makend van veelzijdige percussie mogelijkheden, maar alles in dienst van de dreigende track. Max Grunhard gooit er met zijn saxofoon nog de nodige new wave oproepende blaaspartijen door heen, om zorg te dragen dat het niet afsterft in een niks zeggende fade out.

De toekomst wordt vervolgens gecreëerd in de met Where The Street Have No Name, inderdaad van U2, raakvlakken hebbende I Will Run. Je kan het schaamteloos ontkennen, bij mij wordt het binnen gehaald als een groot compliment. Hopelijk doen de heren van de wereldband er niet moeilijk over, maar incasseren ze het met respect en trots. Dat de tango als basis genomen wordt in Just Go Forward (Ka I So) is verrassend, en al snel hoor je er weinig meer van terug. Je struikelt over de Shaft achtige filmtunes die vervolgen. Zo lijkt het dat je opeens midden in een foute nagesynchroniseerde gevechtsfilm bent beland. Dat ook nog Alfred Bannerman ten tonele verschijnt is altijd prachtig. Hij is over de hele linie te weinig in beeld, maar hierdoor zijn de spaarzame optredens alleen maar sterker. De nog in de kinderschoenen staande housebeat van She Work Very Hard zit in het duistere schemergebied tussen postpunk en synthpop. Daarmee lieten nog zoekende wave bands ons jaren geleden kennis mee maken. Zelf nog overrompeld door de mogelijkheden van deze rechthoekige machines. Al snel blijkt het dat het toch weer party time is. Ibibio Sound Machine beschouwt het niet als meerwaarde om in de deprimerende neerslachtigheid te blijven hangen. Een wereld die bewoont wordt door vrouwelijke huishoud robots waarbij rook uit de scharnieren komt, met voor de kunstmatige ogen een rood geletterd balkje met Information Overloaded. De angst voor een maatschappij die teveel eisen aan zichzelf stelt. Om hier dan toch weer die funky twist aan te geven is erg gaaf. De smerige rockende gitaarsound mag het weer allemaal ontregelen.

Nyak Mien is een overvloed aan blijheid en vrolijkheid, misschien net te veel. De stoelendans tussen stukjes ska en Latijns- Amerikaanse fragmenten vergt veel van de danspartners en heeft een vermoeiende werking. Anderzijds, met een paar glazen Malibu Coconut als opwarmertje, hou je jezelf wel staande. Toch krijg ik de indruk dat ze hierbij wel de gemakkelijkste weg hebben vervolgt. Het zweverige intro van Kuka had achterwege mogen blijven, het voegt weinig tot niks toe aan de indringende gothic sound die volgt. Meer psychedelisch wordt er weg gedroomd in de zomerbries van Guess We Found a Way, welke zich met gemak als titelstuk voor een bewerkte vintage James Bond film mag inschrijven. Zwoel, sensueel, maar tevens stoer. De verwijzingen naar Afrika komen nog het beste tot hun recht bij het jazzy Basquiat, waar een vingervlugge pianist het voorbereidend werk mag aanleveren. Het muzikale gevecht dat de bassist met de helder spelende gitarist aan gaat, wordt overtuigend gewonnen door de eerste. Als toegift krijgen we nog een instrumentale introductie van de gehele band. En om eerlijk te zijn, de namen voegen weinig toe, bij de aankondiging van de volgende muzikant, weet het merendeel van het publiek de vorige al niet meer te herinneren. Ibibio Sound Machine is klaar voor het naderende mooie weer. De jurkjes mogen weer uit de kast komen.

Ibibio Sound Machine - Doko Mien | Electronic | Written in Music - writteninmusic.com

Iceage - Seek Shelter (2021)

poster
4,0
Hallelujah! Zijn de punkers van Iceage bekeerd? Shelter Song is ondergedoopt in een flinke dosering aan soul. Ja, zelfs inclusief een prachtig viertallig Portugese Lisboa Gospel Collective koor die nog wat meer dynamische donkere kleuren aan het geheel toevoegt. Een radicale koerswijziging welke buitengewoon goed uitvalt. Sterker nog, je zou niet geloven dat dit dezelfde band is die met de gedrilde militaire hardcore postpunk zo allesvernietigend toesloeg met New Brigade en het nog verwoestendere You’re Nothing.

Op Plowing Into the Field of Love was er al ruimte voor piano melodieën en onderneemt Elias Bender Rønnenfelt al een serieuze poging om te gaan zingen. Toch is het nog allemaal The Birthday Party achtig primitief tragisch en duister, met hier en daar wat rockabilly uitspattingen. Op Beyondless gaat het tempo sterk omlaag en worden er blazers toegevoegd. Toch functioneren ze nog steeds op een totaal ander level als op het nieuwste wapenfeit Seek Shelter.

Ze bewandelen dus tegenwoordig hetzelfde pad als Primal Scream en Spiritualized. Niet vreemd trouwens als je nagaat dat Jason Pierce van laatstgenoemde dezelfde muzikale achtergrond heeft als Peter Kember die als Sonic Boom verantwoordelijk is voor de productie. Ooit in een grijs geestverruimend verleden gingen ze samen als Spacemen 3 helemaal los in een rollercoaster aan psychedelica en drugs.

Ondanks dat Peter Kember tegenwoordig helemaal into elektronica is waagt hij zich toch aan de klus om de Deense rockers van een andere sound te voorzien, en dat geluid ligt behoorlijk dicht bij het werk van zijn voormalige collega. Eventjes een steek onderwater om te laten zien dat hij hiermee ook uit de voeten kan?

Die orkestrale aanpak ligt hem dus wel. Het zijn de subtiele genuanceerde middelen waarmee hij net het verschil weet te maken. Anders P. Jensen, die als een gehuurde pianostemmer binnen wandelt om vervolgens met zijn mellow new age loungeroom toetsenwerk er bij de Burt Bacharach liftmuziek van Drink Rain er speelse vrolijke luchtigheid aan toevoegt.

Love Kills Slowly is bijna episch geïllustreerd, terwijl er juist bij het voort tikkende The Holding Hand gekozen is voor een spookachtige dreiging. Het briljante vioolspel van Nils Gröndahl zorgt voor een meer theatraal jaren zeventig geluid waarbij Peter Kember als dirigent ver boven zichzelf uitstijgt. Tijdens The Wider Powder Blue breekt hij op het einde eventjes met de regels en geeft het stokje over aan de blazers, die het zwaar overspannen mogen uitluiden.

Er staan de nodige stevige rockers op waarbij Dan Kjær Nielsen ouderwets maniakaal tekeer gaat op het drumstel. Zo mag ook Jakob Tvilling Pless zijn bas uitbundig laten funken in de drukkende postpunk van High & Hurt, al worden hier ook de lijntjes met de soul strak aangetrokken. Vendetta en Dear Saint Cecilia hebben de opgefokte arrogantie van nineties Britpop, met heerlijke retro beats en noisy shoegazer ruis.

Het hernieuwde Iceage verrast vriend en vijand met Seek Shelter. Niet alleen de keuze voor Peter Kember dwingt respect af, de band heeft tevens een extra gitarist aan hun bezetting toegevoegd. Met Casper Morilla Fernandez in de line-up is er meer ruimte voor uitwaaiende slidegitaargolven en kan Elias Bender Rønnenfelt zich voornamelijk richten op de zang. Ondanks dat hij absoluut geen denderende vocalist is brengt hij wel de nodige emotie over. Zeker als de depri geblazen mondharmonica in het sentimentele Gold City hem aankondigt, en hij werkelijk diep moet gaan. Iceage schud met deze geslaagde onverwachte stijlbreuk het verleden definitief van zich af.

Iceage - Seek Shelter | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Ideomotor - In and Out of Time (2019)

poster
3,5
In het Finse Helsinki vormen vijf jaar geleden twee jeugdvrienden, Erkka en Kimmo een synthpop duo, waar die goede ouwe tijd centraal staat. Niks eigen geluid, waarom niet dezelfde weg inslaan als de succesvolle voorgangers? Wat heb je er aan als hun baanbrekende werk totaal genegeerd wordt.Tegenwoordig is het normaal dat hedendaagse bands terug grijpen naar de donkere postpunkperiode. Alsof ze strak staan van de Prozac of een ander anti depressie middel. En dan vol blijven houden dat er genoeg eigenheid in de resultaten verwerkt zit. Om zich maar te distantiëren van de al jaren voortwoekerende nieuwe lichting navelstaarders. Ideomotor doet niet mee aan deze onzin. In and Out of Time is een album welke zich schaamteloos kan plaatsen tussen de meer populaire New Wave klassiekers. Kwalitatief wat minder, het gevoel is er wel degelijk.

Het wordt grootst aangepakt. Luchtige songs met een flink aangedikt accent, waardoor de Engelse taal een hoog aaibaarheidsgehalte bezit. Hold On veegt de vloer aan met alle negativiteit, hoopvol wordt er naar de toekomst gekeken, al is het wel vanuit een gedateerd jaren tachtig perspectief. Een retro gevalletje Back To The Future, al zaten in die film genoeg elementen verwerkt, die men jaren later wel in het straatbeeld terug ziet. Dan zijn de dromers van Ideomotor een stuk minder vernieuwend. Maar ik hou hiervan. Een verademing tussen de zware moeilijk te verteren versteende opgebouwde muren. Dit is een smakelijk chocolade pindarotsje, die je vroeger bij je oma op de druilerige zondagmiddag krijgt voorgeschoteld. Een heerlijk tussendoortje. Bij Seven Days wordt er openlijk geflirt met Kraftwerk, een statische track met krautrock invloeden.

Interference heeft genoeg experimenteerdrift en wijkt hierdoor af van de rest. Alsof hier met het cursusboek Synthesizer voor Beginners de handleiding uitgebreid tot een inspectie wordt onderworpen. Bijna mellow wordt het tempo omlaag gehaald, waardoor de song nog langdradiger wordt. Een verkapte versie had zich beter staande gehouden. Pas als de zang zich aandient komt er enigszins beweging in. Met het pluche zachte Hummer blijven we steken in nietszeggende toegankelijkheid. De gitaar wil hier toeslaan, maar komt met moeite boven het liefdadigheidskoortje uit. Gelukkig wordt hij daarin ondersteund door de dreigende stem, die als een stoorzender wel weet te overdonderen. Het wachten is het waard, want Do It Again is een momentje van hit vreugde. Hiermee hadden ze zich een paar decennia geleden standvastig een definitieve plek in de internationale Finse muziekgeschiedenis kunnen opeisen. In 2019 is het niet meer dan een lekker nummertje.

Dat ze zich zelfs twee keer aan een uitgerekt stuk wagen, is tactisch gezien een misstap. Drift, Pt. 2 krijgt nog door gastvocalist Hanna-Maaria Tuomela een reddingsboei toe geworpen, maar verdrinkt uiteindelijk in het overschot van onuitgewerkte ideeën. Gelukkig weten ze deze misstap te corrigeren met het daarop volgende Away from the Streetlights. De vintage grimmigheid laat zich door nieuwere beats de deuren van de jaren 90 openen. Op het moment dat je de club binnen stapt is het helaas afgelopen. Uit die periode stamt ook de coldwave, welke hier zijn invulling krijgt in Helsinki100. Echt neerslachtig wordt het niet, al zit het aardig op het randje. Makebeliever heeft alleen in het begin wat onverwachte stotterende wendingen. Ondanks dat de zang ruim boven gemiddeld klinkt, ontbreekt hier de echte emotie. Die zit wel weg gestopt in het verder vrolijke One Last Time. Helaas is het niet vloeiend genoeg, wat voor ingehouden geremdheid zorgt. In and Out of Time is net zo onvoorspelbaar als een gemiddelde weersverwachting, meer dan een leuk plaatje kan ik er niet van maken.

Ideomotor - In and Out of Time | Electronic | Written in Music - writteninmusic.com

IDLES - A Beautiful Thing (2019)

Alternatieve titel: Live at the Bataclan

poster
4,5
Met de productietechnieken uit de tegenwoordige tijd zijn er genoeg foefjes om een live opname op te schonen en te filteren. Hierdoor is het mogelijk om een band kristalhelder te laten klinken en elk instrument sterk in de mix te zetten. Het risico is wel dat dit ten koste gaat van de opgewekte live beleving. Je hoort verdoofd een zaal uit te lopen, en urenlang die nagalm te ervaren, dan pas komt een registratie enigszins in de buurt van de ultieme zeggingskracht van een optreden.

Bij het Britse Idles staat die dus sterk op de voorgrond. Om zo dicht mogelijk bij het rauwe geluid van hun studio albums te blijven. Op A Beautiful Thing: Idles Live At Le Bataclan is een oververmoeide Joe Talbot hoorbaar, die door het vele toeren enkel in staat is om zijn teksten het publiek in te schreeuwen. Kapot gestreden spreekt hij zijn volgelingen toe. Hierdoor klinkt hij zelfs nog een tikkeltje geleefder en puurder dan op het grensverleggende Joy as an Act of Resistance en hun overrompelende debuut Brutalism. Het is beestachtig instinctief dierlijk gebracht, met een intense interactie met het publiek.

Daarmee weten ze de hedendaagse punkrock een flinke impuls toe te dienen en de uitgehongerde verschoppelingen te bereiken, waardoor er verschillende kansarme jongeren aangezet worden om zich uit te spreken. Ook hiermee plaatsen ze zich in het klassieke punkwereldje. De kettingreactie die Sex Pistols in de jaren zeventig opriep is hiermee op kleinere schaal te vergelijken. Idles heeft live dezelfde onuitputbare energie en loeiharde attitude als die de hardcore beweging aanzette tot daden.

Het is de oerkracht die zover mogelijk tot de basis wordt terug gebracht. Hier druipt het beschimmelde van afgekeurde kraakpanden vanaf. Gedocumenteerd als fundamenteel uitschot welke uitgebraakt wordt door de maatschappij. Rijp voor de sloop. Als opgesloten ratten die koortsig ziektekiemen overbrengen als een besmettelijke vorm van hondsdolheid. Parasieten die zich staande houden in een door commercie verloederende business en het langzaamaan totaal overnemen. Een monument welke de verrotting van de kunstmatige streamingsites probeert tegen te gaan. Geen perfect schoon gepolijste sound, maar eentje doordrenkt van stinkend lichaamsvocht.

A Beautiful Thing: Idles Live At Le Bataclan is een plaat die je moet koesteren. Zelden wordt een band zo treffend geproduceerd. Dit ademt in alle opzichten de intensiteit uit, die je normaliteit alleen maar kan ervaren door er zelf bij aanwezig te zijn geweest. De Do It Yourself houding van deze publiekstrekker maakt van het album een veredelde bootleg. Zo’n eentje die vroeger stiekem onder de toonbank werd verhandeld. Getapet met amateuristisch opname apparatuur van de thuisklusser die bijbeunt en door het boze oog van een Big Brother platenlabel in de gaten wordt gehouden.

In een wereld die geregeerd wordt door selfmade filmpjes op YouTube is dit de nostalgische tegenbeweging. Met de lengte van bijna anderhalf uur wordt het concert geheel weergegeven. Nergens is er in geknipt of geschaafd. Joe Talbot is een stroeve locomotief die geolied steeds meer tot zijn recht komt. Gedurende het concert gaat hij steeds beter zingen, maar nergens komt het geschoold over. Om de avond af te sluiten met een eeuwigdurende drumsolo van Jon Beavis geven ze nog een overtreffende schop na. Waar haalt hij die krachtpatserij vandaan, na al ruim een uur lang het uiterste van zichzelf gevraagd te hebben.

Idles bewijst nogmaals de spreekbuis te zijn voor de arbeidersklasse. Nu er aan alle kanten aan ze getrokken wordt met het boven hun hoofd groeiende Brexit problematiek, worden ze getriggerd en aangezet tot een riot. Idles staat niet zozeer op de barricades, maar zijn duidelijk mede verantwoordelijk voor de bouwstenen hiervan. De onvrede en het uitzichtloze karakter wordt vanuit de krochten van de maatschappij verwoord. Dat strakheid en een vuige sound prima samen gaan wordt hier bewezen. Het enige gemis is het ontbreken van de beelden, want dan proef je niet alleen de sfeer, maar zie je tevens een band die zich voor de volle 100% geeft.

Idles - A Beautiful Thing: IDLES Live at the Bataclan | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

IDLES - Crawler (2021)

poster
4,5
Amper een jaar na het verschijnen van Ultra Mono laten Joe Talbot en de rest van de IDLES mannen weer van zich horen. Vanwege de beperkte mogelijkheden om op te treden, benutten ze de tijd door opnieuw de studio op te zoeken. Crawler is misschien wel minder hard dan het eerdere werk, de confrontatie is er niet minder om. De frustraties tegen de oneerlijke wereld worden op de kritische vlijmscherpe kettingzaag riot punkrock van The New Sensation na niet meer geuit. Blijkbaar hebben ze naar de wisselend ontvangen voorganger iets goed te maken. Het is eenvoudiger om het lontje aan te steken en een bom doeltreffend tot ontploffen te brengen, dan om deze zelf te fabriceren. IDLES verkeert nu in die experimentele laboratoriumfase, en gaat volgens die kernbeginselen te werk.

De getraumatiseerde vocalist duikt juist dieper in zijn eigen verleden, en ik kan je verzekeren dat deze alles behalve rooskleurig was. De nadruk ligt dus veel meer op het persoonlijke emotionele vlak. Door deze vorm van zelftherapie komt de zanger veel sterker uit de strijd. Het tempo gaat flink omlaag bij MTT 420 RR. Een momentopname die zich in slow motion in het hoofd van Joe Talbot afspeelt. Drukkend en verdovend, als een hartslag die de adrenaline rondpompt. De kettingreactie welke de radertjes steeds sneller laat draaien. Een frontaal, bijna dodelijk verkeersongeluk met een motorrijder zorgt voor een belangrijk keerpunt in het leven. Are you ready for the storm? Die storm breekt vervolgens los in het brute gitaarspel van de dierlijke oerinstinct oproepende angstkreten van Mark Bowen. Jon Beavis doet daar nog een schepje bovenop en laat op het moment dat hij ze niet meer kan bedwingen, zijn stevig vastgehouden drumpatronen los. Theatraal als verwarrende duistere postpunk. Het roekeloze stuurloze Car Crash is het loeizware ziekelijke verlangen om onder invloed van drugs dit moment te herbeleven en sluit aan op de doelloos rondrijdende clip van het vorig jaar verschenen Grounds.

De sprint is ingezet. The Wheel, met agressieve glamrock gitaarpartijen, 160 kilometer per uur als een spookrijder de snelweg trotseren. De levensklok tikt hol dreigend door in de denderende basslagen van Adam Devonshire. Familiaire verslavingsdrang eist het leven op van een zwaar drinkende moeder. Joe Talbot, als machteloze schoolkind toekijkend om later in diezelfde neerwaartse spiraal weg te zakken. Dezelfde antwoorden zoekende welke het vragende Brutalism oproept. Een blinde vlek die pijn omzet in woede. De lege vintage gothic track When the Lights Come On strijdt tegen de ouderdomsangst. Drugs nemen om je high te voelen en de jongere generatie bij te benen. Dansen is overleven, dansen is escapisme. Geesten uit het verleden, gevoed met zelfvernietigingsdrang.

Is er nog hoop voor Joe Talbot? Natuurlijk, al bungelt hij nog net op het verkeerde randje van de scheidingslijn. De sentimentele emocore zielenknijper The Beachland Ballroom is een heuse om vergeving vragende relativerende soulsong. Crawl! Vallen en opstaan om daarna weer keihard knock-out gaan. Oppeppende vechtersmentaliteit die negatieve energie en overlevingsdrang opwekt. Het leven is verrot, en uiteindelijk ben je zelf degene die de bloedende wonden dicht moet branden. Het eerste gedeelte van Crawler legt de rokende rotzooi bloot, vervolgens kan bij het met iconische freejazz saxofonist Colin Webster versterkte overloaded Meds het puin ruimen beginnen. Medicate, meditate, medicate. Terugvallen in de cocaïne verslavende grootheidswaan van King Snake en de deathmetal grunts die het hellevuur van The End flink opstoken. Bezinking en bezinning. Worstelend en wegglijdend in de deprimerende cold turkey mantra Progress. Crawler is zelfs nog puurder en overtuigender dan Ultra Mono. Zolang de wegen maar dood blijven lopen, levert het genoeg betekeningsvolle waanzin op.

IDLES - Crawler | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

IDLES - TANGK (2024)

poster
4,5
De IDLES tijdbom is tot ontploffing gebracht, en daarachter schuilt de verlichting. Joe Talbot accepteert het leven, legt zich bij het leven neer en zet op Idea 01 de eerste stap om verder te leven. IDLES is het kortzichtige postpunk hardcore etiket beu en besluit om andere wegen te verkennen. Je kan er niet omheen dat Mark Bowen op Idea 01 zijn liefde voor de Radiohead zachtheid opzoekt en zich klaarmaakt voor een meer experimentele doorstart. De fase om hard en meedogenloos te openen hebben ze achter zich gelaten.

Vraag echter nooit Nigel Godrich als producer. Die zit nog in zijn euforische The Smile trip en ervaart dat alle aan Radiohead verwante muziek in goud verandert. Of zit hier juist een uitgekiend plan achter? Joe Talbot is het gewend om diep te gaan, maar blijft dan altijd dicht bij zichzelf. Nu geeft hij zijn ziel in handen van een andere kunstenaar die deze brok graniet tot een fluweelzachte diamant boetseert.

Ik zeg niet dat dit verkeerd is, het voelt alleen zo anders aan. Met lood in de schoenen wordt afgedwongen om zijn stemkwaliteiten te testen. En het blijkt dus dat Joe Talbot weldegelijk een mooi, zelfs hitgevoelig geluid heeft. Struikelt IDLES over dezelfde valkuil die Bono en Chris Martin in het verleden hun eigen identiteit kostte? Krijgt Joe Talbot een op maat gesneden zwart Metallica kostuum aangemeten dat zijn kenmerkende tatoeages camoufleert? Schijnbaar heeft IDLES grote stappen gezet en blijf ik met de nodige vraagtekens achter.

Het is allemaal slechts schijn, ondanks dat het voor de buitenwereld heel gemakkelijk oogt is Tangk de meest lastige en gedurfde plaat van de Britten. Joe Talbot spot met de verworven sterrenstatus en spuugt deze in het tweede gedeelte van Tangk smerig in je gezicht terug. Hij gaat hier wel heel ver in, het contrast geeft een stimulerend paradoxaal effect aan de plaat. Het harde pantser wordt slechts gepolijst, daaronder is het wel degelijk bittere ernst. Tangk wordt in de wandelgangen al de Kid A van IDLES genoemd, maar heb je het dan wel goed begrepen? Vergelijk het dan eerder met een Zooropa of de opvolger Pop! van U2 waarin ze met de ernst van het rockgebeuren dwepen. IDLES zet de duivel op het zijspoor en geeft er een dansbare disco twist aan. IDLES neemt zichzelf niet te serieus, is het een grote overtreffende grap en openbaart zich hier nu de clou van deze Great Rock ‘n’ Roll Swindle? Een echte ejaculatie blijft uit, het is vaak slechts wat impotent nasputteren, zonder het geschreeuw blijft er vooral kwetsbaar hartzeer over. Kruipt Joe Talbot in de ziel van de soulgrunge waarmee Greg Dulli van The Afghan Whigs zichzelf op de kaart zet?

Het is dus een verhaal van uitersten verkennen, jezelf opnieuw uitvinden, en afgebakende grenzen afbreken. Idea 01 dwarrelt als een betoverende paarse regenval omlaag en legt een bedekkend laagje over de persoonlijke shit van de frontman. Op deze surrogaat ondergrond bouwt Gift Horse een hoog roze luchtkasteel voor een jonge heersende koningin. De ontgoocheling van het vaderschap die elke ruwe bolster breekt. Joe Talbot bewaakt die rol in een voor zijn dochter geschreven liefdesliedje, waarbij de omlijsting wel die ouderwetse IDLES drive kenmerkt. Het spelen met contrasten, het spelen met verbijstering door er een onverwachte My Little Pony twist aan te geven. Ja, je vader heeft een stoer nummer voor je gemaakt, baby, het voelt nog wat onwennig, maar het is gemeend.

Bij Pop Pop Pop mengt hiphop producer Kenny Beats zich in het gezelschap. Zorgt hij op de vorige twee platen nog voor een knetterend breakbeat rave geluid, nu krijgt hij de opdracht om dit in opzwepende seks om te zetten. Toch gaat hij niet geheel compromisloos van start, IDLES legt hem wel degelijk beperkingen op door zelf de nodige duistere gothic postpunkgalmen toe te voegen. Het kleurrijke Roy zet alle concurrentie op een zijspoor. Joe Talbot stelt zich ondergeschikt op aan zijn voormalige partners, maar besodemietert ondertussen de boel. De schoonheid van het liefdesbedrog, het verraad in het rockbedrog met prachtige hoge vocalen, bijna engelensoul getinte uithalen. Het blijft wennen, maar wat zet Joe Talbot hier een verbluffende punk croonende performance neer. De punkzanger overstijgt zichzelf als Messias in het door hem gedragen A Gospel leed. Het is de leerschool na het in Roy uitgesproken bedrog. Het klinkt allemaal zo mooi, zo lief, dan kan er dus niks meer kapot gaan.

Dus wel, alle loze beloftes sneuvelen in Dancer, waarbij die onvermijdelijke vergelijking met een expressief hoererende Bono in zijn MacPhisto personage weer opspeelt. Joe Talbot vervult in deze destructieve discodreun het hulpje van de duivel, houdt ons allemaal een lachspiegel voor met daarin zijn egocentrische zelfbeeld.

Het is de kracht van het dansen, een hulpmiddel om alle ellende weg te filteren. Het heelt de pijn niet, het helpt wel. Het enthousiasme van James Murphy en Nancy Whang van LCD Soundsystem verzorgen de backing vocals. Al gaat die gedachte eerder naar de eerste luisterbeurt van het stevig rockende Hall & Oates uit, waarbij je nog sterker de indruk krijgt dat James Murphy hier aan de wurgtouwtjes trekt. Grace ademt de bigbeat erfenis van Kenny Beats uit, het is echter Nigel Godrich die hier de uitdaging aangrijpt om er een swingend geheel aan te geven. Hij drukt de onafgewerkte ideeën van IDLES naar de achtergrond om met die brokken spierinspanning verder aan de slag te gaan. Een onmogelijke opgave met een oorverdovende climax.

Jungle heeft de energie van een cyberpunk klassieker, al houdt IDLES zich hier echt aan zijn eigen ideologie vast. De herhalende hardrock riffs en de Burundi tribal percussie baden de track in eighties nostalgiek. In Gratitude wordt alleskunner Mark Bowen door Nigel Godrich aangemoedigd om zich in de mogelijkheden van vierkwartbeats te verdiepen. Dit levert de nodige tegenspraak binnen IDLES op die een verwrongen duistere antireactie op het geheel geven.

Vreemd genoeg pakt deze boosaardige attitude prachtig uit, natuurlijk mag de spanning voelbaar zijn, zolang deze het krachtige vermogen van de song maar niet in de weg ligt. Het filmische Oosterse Monolith mag het allemaal dichten. IDLES neemt met Tangk cruciale stappen waarbij het een groot gedeelte van de geharde volgelingen in onbegrip achterlaat. Ze schoppen nog lekker eigenzinnig met de afsluitende saxofoon jazzsolo van Colin Webster na, hoe punk kan je jezelf opstellen? Voor mij is dit een terechte omschakeling in hun sound, anders zullen ze altijd vooral aan die oerknal tracks herinnerd worden. IDLES IS meer dan dat, daarachter schijnt het verblindende, net zo gevaarlijke zonlicht.

IDLES - TANGK | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

IDLES - Ultra Mono (2020)

poster
4,5
Dat er iets aan het borrelen was toen Idles in 2017 hun debuutplaat Brutalism uitbracht was al direct duidelijk, maar dat het ontvlammend lontje zijn weg tot het explosieve buskruit zo snel zou vinden, werd toen nog niet aan gedacht. Na de triphop uit de jaren 90 zette Bristol zichzelf opnieuw op de kaart. Die achtergrond hoor je wel degelijk terug bij deze nieuwe lichting punkers.

Dezelfde desillusie en wrangheid vormt de voedingsbodem voor het broeierige geluid, waarbij Idles net wat gemakkelijker die grens openbreekt om er met veel agressie de rauwheid van de conflicterende oerpunk op te zoeken. Met gemak wordt de vaandelpositie hoog gehouden met Joy As An Act Of Resistance. Nu met de vooruitgeschoven singles Grounds, het energieke Mr. Motivator, het oorverdovende A Hymn en de opgefokte seventiespunk van Model Village de lat alweer gigantisch hoog gelegd is, verwacht men uiteraard dat Idles ook met de derde plaat Ultra Mono niet teleur zal stellen.

Laten we eerlijk zijn, met Grounds begeeft Idles zich op het pad van de elektronische cyberpunks, die in de jaren negentig aan de dance een opruiend standje meegeven. Sterker nog, het is bijna een eerbetoon aan de vorig jaar overleden Keith Flint, die steeds meer de rol van boegbeeld van The Prodigy op zich nam. Dat onbegrepen straatschoffie gevoel overheerst nog sterker op Ultra Mono dan op de eerdere albums.

Opeens sta je volledig in the picture en wordt elke (mis)stap gevolgd met uiteindelijk die duidelijke middelvinger houding welke zich richt aan de verziekte wereld. Het is de harde realiteit die Idles behoedzaam en argwanend als nieuwe sterren aan het front moet ondergaan, om zich staande te houden. De muziek business is een rattenval en jij wordt als schilferig knaagdier op jacht gestuurd om de omgeving te verkennen, waarna er hongerige beesten volgen om met verziekte drang hun domein op te eisen.

De geworven sterrenstatus maakt het voor Idles onmogelijk om zich te identificeren met het gewone volk. Juist door deze bewustwording lukt het de punkers om een overtuigende plaat af te leveren. Het is een keiharde klap in het gezicht van de luisteraar, een alarmerende wakkerschudding die oproept om voor zichzelf op te komen en je eigen regels en waardes te benoemen en te volgen. Natuurlijk schopt Idles nog steeds, maar steeds meer met een prikkelende motivatie.

De wereld zal voorlopig wel een gigantische puinzooi blijven, maar de drang om te overleven moet omgezet worden in serieuze stappen om hier een vervolg aan te geven. De band is zich absoluut bewust van hun maatschappelijke positie en motiveert om over te gaan tot daadkrachtige actie. Loze kreten en simplistische slogans hebben maar een beperkte houdbaarheidsdatum. Idles leeft in het nu van de Corona en de Brexit. Het is nu vooral de vraag hoe de vrijgegeven nummers binnen het totaalplaatje passen.

War is een driedimensionale geluidservaring waarin de opgekropte woede van de afgelopen twee jaar zijn weg naar buiten vindt. De gitaar maakt als een schuurmachine de weg vrij voor de in therapeutische openbaring verkerende vocalen van Joe Talbot, die volledig opgeladen in standje rood zijn onvrede eruit schreeuwt. Het samenspel tussen bas en drum levert een continu in beweging zijnde ondergrond op, die al dreigend de wereld toelacht.

Idles is terug, de riot sound is nog harder dan op de vorige albums, en balanceert op het randje van de donkere industrial No Wave waarmee de verketterde outlaw van de art punk zich eind jaren zeventig vanuit New York presenteert. Het beklemmende deprimerende van de postpunk hangt daar als een paars gedrapeerd baarkleed overheen. Een commerciële zelfmoord, waarmee ze zich duidelijk op de serieuze liefhebbers richten. Kill Your Idols, Idles is geen muziek voor brave volgelingen.

Alleen de rustgevende pianoklanken in het intro van Kill Them with Kindness laten je in verwarring achter. Gelukkig worden die al snel opgevolgd door het compromisloze hardcore punkgeluid en andere smerigheid. Alles moet kapot, en de sloophamer wordt symbolisch overhandigd om aan de slag te gaan. Natuurlijk zal het label Partisan hiervan smullen, doordat ze Idles maar lekker heen laten klooien ontstaat er een eigen identieke sound, waarbij duidelijk is dat ze zich niet laten omkopen om een toegankelijkere richting in te slaan.

Een onbedorven ruwere punkhouding kun je je vrijwel niet voorstellen. Zelfs rond 1980 zwikten veel puristen voor het grote geld, en pasten hun attitude daar op aan. Ultra Moon bestaat uit militante bommenwerpers die de boel flink in de fik zetten. En wij? Wij dansen vrolijk door op die vuurspugende vulkaan.

IDLES - Ultra Mono | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Iggy Pop - American Caesar (1993)

poster
3,5
Wel een goed album.
Ik weet wel dat deze via bladen als de OOR werd gepresenteerd als het antwoord op de gitaarpunk van dat moment door de oerpunker himself.
Hij ziet er natuurlijk op de hoes uit als de vader van Kurt Cobain (inclusief de drugs), hij zou zo langs een vuilnisvat in Seattle weg geplukt kunnen zijn, zich verwarmend aan een ontstoken vuurtje.
Toch zit dit album niet ver verwijderd van Brick By Brick; best commercieel te noemen.
Nee, dit is net zoveel punkrock als Monster van REM , met af en toe een Pixies achtige uitschieter als Plastic & Concrete of Sickness en Beside You heeft Ramones klinkende zangpartijen.

Iggy Pop - Brick by Brick (1990)

poster
4,0
Iggy is bezorgd.
De Verenigde Staten raken in verval.
Niet alleen in Berlijn valt de muur.
Ook hier vormt de democratie flinke scheuren.
De strijd van de Koude Oorlog heeft zijn wonden achter gelaten.
Er helpt geen pleistertje tegen.
Blijkbaar heeft Iggy de drugs af gezworen.
Zijn ogen gaan in ieder geval open.
Verwacht geen tweede Born In The USA van Bruce Springsteen.
Iggy blijft Iggy.
Dus een vrij hard taalgebruik.
Als bouwvakker staat hij boven op de steigers.
Het podium om de Working Class toe te spreken.
Klaar om Amerika steen voor steen op te bouwen.

Welcome To The Jungle.
Wat ik vrijwel niet terug hoor is de samenwerking met Duff McKagan en Slash van Guns N' Roses.
Ze zijn hier op een prettige manier ondergeschikt aan de zanger.
Duidelijk hun plekje gevonden.
Kate Pierson is wel op een prettige overheersende manier aanwezig.
Ze is de verwoording van een verslaving.
Iggy gaat dus eigenlijk een duet aan met de donkere kant van zichzelf.
Die lief klinkende zangeres is gewoon het duiveltje op zijn schouder.
Zijn persoonlijke strijdtoneel.

Ondanks een succesvol album ontbreekt hier de samenwerking met David Bowie.
Ironisch genoeg zijn er voor mijn gevoel genoeg raakvlakken.
Zo ook met Lou Reed.
De drie doorleefde generatiegenoten.
Bowie bracht een jaar eerder het eerste Tin Machine album uit.
Lou Reed komt met New York.
Ook daar wordt regelmatig een link gelegd naar de ondergang van een grote stad.
Alleen presenteren David Bowie en Lou Reed zich steeds vaker als geleerde heren.
Iggy blijft trouw aan zijn achtergrond.
De jaren 60 en 70 hebben hem geestelijk en lichamelijk behoorlijk toegetakeld.
Pop hoeft zich niet te verschuilen achter een net pak.
Hij blijft die jongen van de straat.
Met vieze vette lange haren.

Iggy Pop - Free (2019)

poster
4,0
Het is eigenlijk wonderbaarlijk te noemen dat een Iggy Pop zich vol energie nog steeds staande houdt. Het ruige leven heeft zijn littekens gevormd in gelaat en ziel, maar verder is er bar weinig veranderd. Hij klinkt met zijn donkere warme stem nog hetzelfde als toen hij met The Stooges 50 jaar geleden hun debuut afleverde.

De vitale godfather of punk gaat onverstoorbaar door, maar wel met wisselend succes. Zo waren daar de geslaagde samenwerkingen met Queens Of The Stone Age welke de stevige rockplaat Post Pop Depression opleverde en de sterke retro synth song Stray Dog op Music Complete van New Order en de met de house pioniers van Underworld voltooide Teatime Dub Encounters. Daar tegenover staat het op zoutloos dieet staande Préliminaires en het afgeraffelde coveralbum Après.

In een periode van een decennia vielen de afgelopen jaren belangrijke figuren in zijn leven weg, zoals de Asheton broers Ron en Scott, Lou Reed en David Bowie. Het gemis van Lou Reed komt memorabel sterk naar voren in het op een gedicht van deze grootheid gebaseerde We Are The People wat in spoken word versie wordt voorgedragen. De enige keer dat de 72 jarige leeftijd in zijn stem hoorbaar is. De voorliefde die Bowie voor de jazzmuziek en blazers had zweeft als een geest over de hele plaat heen, al wil Iggy Pop nergens uitgestreden en vol berusting klinken. Toch zou een Sonali zich prima staande gehouden hebben op Blackstar.

Met Free zet hij een forse stap in de goede richting. Als er iemand is die het leven met zijn ups-and-downs lichamelijk heeft ondervonden is het Iggy Pop wel. De zelfkant met het duistere stadsleven lijkt zich om zijn persoon omwikkeld te hebben. Dat hier een sfeervolle kale jazz begeleiding het beste bij past mag voor iedereen duidelijk zijn. Op Free wordt de rol als ondersteunende muzikant opgeëist door Leron Thomas. Deze veelbelovende jazztrompettist mag de treurnis van de straat verwoorden in zijn prachtige emotionele spel. Naamsbekendheid bouwde hij op als sfeermaker bij Erykah Badu en Kanye West. Verder wordt er op de plaat een elftal aan inwisselbare sterspelers ingezet om het geheel vorm te geven, al ontbreken echte grote namen.

Maar goed, de hoofdrol is natuurlijk weggelegd voor Iggy Pop. Nadat hij in het titelstuk eerst zichzelf mede deelt dat hij vrij wil zijn gaat na de verlossende bevestiging Leron Thomas al helemaal op in het donkere bestaan van de metropool bezoeker. Hierbij wordt er minimaal onderscheid gemaakt tussen de digitale en fysieke wereld. Hij geeft de heimelijke nachtbezoeker van het internet een naam in het fictieve Dirty Sanchez, waarbij een zin als This Online Porn Is Driving Me Nuts een stuk minder fictief en duidelijker is.

Een duistere samenleving, waar het deprimerende bestaan van de nachtclubstripper bezongen wordt in Love Missing om later als Femme Fatale op het podium te verschijnen in het seventies getinte James Bond. Met een Faith Verne van het toepasselijk genoemde damescollectief PINS die in de huid kruipt van het verleidelijke vrouwelijke personage. Iggy Pop is zich nog steeds maatschappelijk bewust, de centrale rol van de vrouw en de albumtitel zijn eenvoudig te herleiden naar het hele #MeToo gebeuren. De zanger plaatst ze niet zozeer in het zich als slachtoffer, maar geeft ze naam als een krachtig evenbeeld van de man.

Met een speelduur van net over het half uur is alles gezegd wat de zanger mede wil delen. Gedragen teksten worden afgewisseld met popsongs en een aardig staaltje sfeervolle jazz. Er wordt gespeeld met spanning en sfeer. Free is een avondplaat waarbij vanachter een gordijn de nacht toeloert om de luisteraar te verwelkomen.

Iggy Pop - Free | Jazz | Written in Music - writteninmusic.com

Iggy Pop - Lust for Life (1977)

poster
4,5
Iggy Pop ging met David Bowie in zee.
Bowie had al bewezen bij Transformer van Lou Reed dat hij een artiest de juiste impuls kon geven.
Het resultaat hier was het zwaardere The Idiot, en het toegankelijkere Lust For Life.

Lust For Life zal ik altijd blijven zien als de (Z)iggy Stardust van Iggy Pop.
Er werd vaak gezegd dat Ziggy Stardust autobiografisch zou zijn.
Ik denk dat Bowie toen nog niet bewust was van zijn eigen opkomst en ondergang, maar dus iemand anders als voorbeeld nam; namelijk Lou Reed of Iggy Pop.
Ik heb Bowie namelijk nooit gezien als frontman van een band.

Het nummer Lust For Life gaat net als Succes over het omgaan met roem.
Zijn sterrendom.
De drugs die er bij horen.
Het letterlijk en figuurlijk bloot geven aan het publiek.
Het is een grote dierentuin; men komt voornamelijk aapjes kijken.

Sixteen en Tonight gaat over sex met minderjarige tieners, die als groupies achter de artiesten aan lopen.
Het misbruik wat er van gemaakt wordt.
Gouden bergen beloven.
Ontmaagding.
Sixteen heeft raakvlakken met Venus In Furs van Velvet Underground.
De flirt met leer.

The Passenger is het leven in een toerbus.
Elke avond een andere stad.
De passagier op doorreis.

Dat David Bowie later ook nog zijn vruchten uit deze periode plukt blijkt uit de hitsuccessen van Tonight en China Girl.
Zijn versie van Tonight mist duidelijk de kracht vanwege het ontbreken van het sterke begin.
Met China Girl pakt hij het waardiger aan.

Bowie had vaker met artiesten mogen samen werken in de rol van producent.
Hij weet namelijk zeer goed hun kwaliteiten te benutten.
Transformer, The Idiot en Lust For Life dragen zijn stempel als handelsmerk.

Iguana Death Cult - Nude Casino (2019)

poster
4,0
Iguana Death Cult slaagt er in om voor de tweede keer een album te vullen met catchy veelzijdige popdeuntjes. Met de opvolger van The First Stirrings of Hideous Insect Life bewandelen ze een minder rommelig pad. Nude Casino blinkt nog steeds uit in veelzijdigheid, maar mist het energieke urgente van het debuut. Werd er daar nog compromisloos geragd en geramd, nu komt het allemaal een stuk strakker en gestructureerd over. Het is niet echt muziek die vraagt om een glasheldere productie, maar het laat hierdoor wel een groei horen.

De frisse gejaagdheid is grotendeels vervangen door een lazy laidback uitstraling. Werd er op het debuut nog voornamelijk gevist in de Amerikaanse rockabilly surfgarage school, nu zit hier veel meer de nonchalante Britse houding in verwerkt, al dan wel met een vette knipoog. De verschuiving is een gedurfde evolutie, waardoor er in de breedte meer nieuwe mogelijkheden en variatie ontstaat. Een ding is in ieder geval duidelijk. De Rotterdammers weten er wederom in te slagen om een verdomd lekker internationale sound te presenteren, eigenlijk verraadt alleen de titel van Half Frysian dat het om een Nederlandse band gaat. Wel eentje die een contract bij het Amerikaanse Innovative Leisure label heeft binnen gehaald, en daar terecht trots op mag zijn.

Na het dromerige nonchalante gefloten Prelude wordt er vervolgens nog eventjes teruggeblikt naar de eerste plaat in het titelstuk Nude Casino, met scary psychobilly gitaaruitbarstingen. Die jammerende uithalen roepen beelden op van foute sixties horror movies gevuld met nepbloed en overdreven veel bloot. Jeroen Reek heeft een clichématig, enigszins voorspelbaar verhalend stemgeluid, waarmee gemakkelijk te identificeren valt. Geen arrogante pophouding, maar bereikbaar en begrijpbaar voor het publiek. Het siert hem dat hij deze gebrekkige eigenschap weet om te zetten tot iets krachtigs. De geloofwaardigheid van deze hardwerkende band betaald zich dubbel en dwars terug.

Het is de rol van de basgitaar van Justin Boer die hierbij langzaamaan al de nodige postpunk vervoegingen er tussen stopt, om vervolgens de gitaristen het duel aan te laten gaan met deze twee genres. Aan de ene kant nog dat hoge tegen de garage aanleunende hardheid, omgeven door de dromerige luchtige tegenpool van de postpunk. Het wordt allemaal wat potiger en gaat meer naar de skapunk en andere typische Britse gekte die zich eind jaren zeventig op het overzeese vasteland openbaarde. Met aanstekelijke hoekige funkriffs en zenuwachtig gitaargepiel wordt er juist een feestgevoel gecreëerd, waarmee ze enigszins afwijken van de serieuze aanpak.

Het is een schappelijke mengelmoes van klantvriendelijkheid, gericht op het grotere alternatieve publiek. Als hedendaagse fitnessgoeroes weten ze met beperkte middelen de meute in beweging te brengen. Niet voor niks zijn ze nu al veel geziene gasten in het buitenland, een status waar veel collega’s jaloers en minachtend op neer kijken. Dat er met gemak overgeschakeld wordt naar Krautrock getuigt ervan dat de bandleden het uiterste van zichzelf vragen, en niet kiezen voor de gemakkelijkste weg. De kunst is echter om het niet zo te laten over komen. De perfecte springerige popliedjes ademen zoveel variatie uit dat het allemaal zo vanzelfsprekend klinkt. Oké, je hoort in elk nummer wel de grote voorbeelden door, maar dan wel op een wijze gepresenteerd dat ze niet passen in het repertoire van de voorgangers.

De kunst van creatief shoppen, en laten we eerlijk zijn elke band haalt wel ergens de inspiratie vandaan. De mannen van Iguana Death Cult zijn overduidelijk muziekliefhebbers die zich niet beperken tot simpel eenrichtingsverkeer. Met alleen een zelfverzekerde houding red je het niet, en daar zijn de muzikanten zich absoluut van bewust. Nude Casino verbergt allemaal potentiële hitjes op de plaat, en als er een tussen zit die massaal wordt opgepakt, dan hebben ze genoeg bruikbaar materiaal om hier op voort te borduren. De gunfactor is in ieder geval groot. Na het luisteren van de plaat heb ik zin om vervolgens veel klassiekers uit de jaren tachtig op te zetten, en dat mag als een groot compliment beschouwd worden.

Iguana Death Cult - Nude Casino | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Ikon - A Moment in Time (1995)

poster
3,0
Borrelhapjes klaar; wijntje in geschonken, kussens van de bank op geschut, en ik ben er helemaal klaar voor.
Mijn eerste kennismaking met Ikon.
En ik ben zeker niet teleur gesteld. Bij de eerste tonen van Reality Is Lost klinkt heel duidelijk het geluid van Pink turns Blue en The Search in door; de zang neigt erg veel naar Ian Curtis van Joy Division, zo ook de teksten.
Het dramatische van Joy Division ontbreekt echter wel, dit is zeker een copie, maar wel een redelijk geslaagde; de muzikale vorming spreekt me meer aan.
Ach; een schilderij koop je meestal voor het plaatje, soms voor de lijst. Hierbij is het plaatje leuk; maar de lijst blijkt meer waard.

iLiKETRAiNS - Elegies to Lessons Learnt (2007)

poster
5,0
Om Elegies to Lessons Learnt beter te begrijpen heb ik me verdiept in de achtergronden van de nummers.
Het is allemaal vrij heftig, maar juist gedragen door iLiKETRAiNS.

We All Fall Down gaat over een grote pest epidemie in 1665 in Eyam een klein dorpje in Derbyshire.
Na de kleermaker stierf het dorpje grotendeels uit.
Men zat gewoon op het einde der leven te wachten, vandaar het klagend slepend gezongen We All Fall Down door Guy Bannister, die hier klinkt als de Britse Nick Cave.
De muziek wordt steeds grilliger, en de stem verdwijnt naar de achtergrond, als een sterfproces.

Twenty Five Sins handelt over de bekende grote brand van Londen in 1666.
De brand duurde 3 dagen, en verwoeste ruim 13.000 huizen.
Vreemd genoeg wordt er vermeld dat er maar negen tot zestien slachtoffers vielen.
This Town Is Burning Down.

The Deception is het verhaal achter De Sunday Times Golden Globe Race in 1968 en 1969.
Een zeilrace over de wereld overschaduwd door corruptie en een zelfmoord van een van de deelnemers; Donald Crowhurst die krankzinnig werd.

De moordpoging op koning George de Derde door James Hadfield in 1800, is het onderwerp van The Voice Of Reason.
James Hadfield toont hier berouw, en spreekt het verzoek uit om opgehangen te worden aan een hoge boom.
Hij overleed 41 jaar later in een gekkenhuis aan tuberculose.

Het Britse parlementslid John Stonehouse zette zijn eigen dood in scene vanwege financiële problemen in bedrijven waar hij een groot aandeel in had.
Vervolgens vluchtte John naar Australië in 1974.
Daar werd hij door Interpol op gespoord.
En vormde jaren later het onderwerp voor Death Of An Idealist.

William Brydon was de enige overlevende van de Elphinstone's Army, een Britse legereenheid bestaande uit 16.500 soldaten en werklieden die in 1842 in de val liepen bij Kabul, en werden af geslacht door Afghanen.
hold back the cavalry, maar in Remnants of an Army was er weinig meer te redden.

De grote heksenjacht in 1692 en het dodelijk berechten van deze meisjes vormden het zware onderwerp in We Go Hunting.
Samuel Parris, de Minister van Salem beschuldigde zijn eigen dochter, en zag toe bij het doodsvonnis.
And I won't rest until oh, these Sisters of the devil
Burn in hell.

Conrad Schuman was een Duitse soldaat, die in 1961 toen de Berlijnse Muur net gebouwd was, de overstap doeltreffend waagde naar het Westen.
Bezongen in Come Over.
De blaasinstrumenten geven het een beladen sfeer; alsof Conrad bezongen wordt door een militaire kapel.

De moord op Spencer Perceval in 1812 verteld vanuit het oogpunt van dader John Bellingham.
Een gefrustreerde koopman, die onschuldig in Rusland in het gevang had gezeten.
Hij verwachtte een vergoeding van de Britse regering.
Toen hij deze niet kreeg, besloot hij de premier te vermoorden, omdat zijn leven al genoeg geruïneerd was.
I Am Murdered waren Percevals laatste woorden.

Epiphany is een aansluitend sfeervol instrumentaal nummer; zeg maar de outtake van Spencer Perceval.

Afsluiter Death Is The End is een conclusie die hier tevens ontkracht wordt.
De meeste nummers gaan over gebeurtenissen met dodelijke afloop.
iLiKETRAiNS zorgt er bij dit album juist voor dat deze gebeurtenissen en personen in herinnering blijven door dit tijdloos document.

Soms verdient een album een diepere uitleg, om de schoonheid daarvan nog meer te waarderen.
Elegies to Lessons Learnt is daar een duidelijk voorbeeld van.

Illiterate Light - Sunburned (2023)

poster
3,5
Met goede positieve ingestelde intenties kun je veel bereiken, al moeten de doelen wel haalbaar blijven. Het uit Virginia afkomstige Illiterate Light duo worstelt met dat gegeven, waardoor ze zichzelf soms behoorlijk in de weg zitten. Jeff Gorman bezit een ultra licht breekbaar hoog stemgeluid, en wil het liefste zachte dromerige indiepop liedjes maken, waarbij hij zich tevens door het gevoelige Americana geluid laat leiden. Jake Cochran is een ander verhaal, deze drummer mept het liefste hard van zich af, en wekt de indruk dat hij zich meer in een stevige powerpop rockband thuis voelt. Op het podium leven ze in hun eigen geïsoleerde wereldje, en raken de twee losstaande individuen halverwege het contact met elkaar en publiek kwijt en gaan ze ieder hun eigen weg. Hierdoor is het gelijknamige debuut een los zand plaat, met genoeg uitgewerkte ideeën, maar zonder echte binding.

Ook op Sunburned heersen er twee kapiteins, maar wel met een eigen boot gezegend. Jeff Gorman dobbert voorzichtig op de geluidsgolven rond, maar wordt bruut door mammoettanker Jake Cochran omver gevaren. Het beste stuurlui staan aan wal verhaal biedt hierbij uitkomst. Nog steeds terroriseren de loeizware mokerslagen van Jake Cochran het geheel, daaronder zijn prachtige verfijnde songlijnen voelbaar. Het enthousiasme van producent Adrian Olsen sluit hier lekker tegendraads op aan. Ook hij voegt weer nieuwe ideeën toe, waardoor er nog een chaotischere uitwerkend geheel ontstaat. Technisch staat het als een huis, al zijn de liedjes zelf onbereikbare eilandjes, die zich niet aan elkaar laten hechten.

Sunburned is niet alleen op muzikaal vlak een ware zoektocht, ook de herziende geloofsovertuiging van Jeff Gorman vervult een grote rol in het geheel. De psychedelische Wake Up Now shoegazer folk trip maakt het hoofd vrij van alle negativiteit en trapt letterlijk en figuurlijk bij dat nulpunt af. De innerlijke ziel sterft, alle voedingsrijke verbindingslijnen sluiten zich, en uit dat dode ijkpunt ontstaat de wedergeboorte. De deprimerende Light Me Up grunge onrust toont weer andere facetten in de veelzijdigheid van het koppel. Onder de grijstinten wacht in alle rust het doordringende zonlicht om wat warmte te schenken. Het verlossende antwoord openbaart zich in de discodreunen van Heaven Bends, de definitieve loskoppeling van lichaam en geest. Het hysterische ritmische Feb 1st springt volledig uit de bocht, en maakt schoon schip met het melancholische afgesloten verleden. Eigenlijk zegt de Hellraiser clip meer dan genoeg, zo mooi kan ik dat gevoel niet weergeven.

Het uptempo Hellraiser keyboardtrack heeft niks met deathmetal of gabberhouse te maken, al kan je op Sunburned van alles verwachten. Dit is het soort van tragikomische onoverzichtelijke humor waarmee ze de verbittering bestrijden. Jammer eigenlijk, want qua compositie overtuigt Hellraiser meer dan het overige achttal. Op de fragiele sferische Closer mini eighties rockopera probeert Jeff Gorman de eenzaamheid te verdringen, totdat hij beseft dat hij alleen in zijn eigen wereldje bivakkeert. Och, die nostalgische benadering heeft wel wat, Automatic blikt tevens op die veelzeggende jeugdjaren terug. Fuck LA meet zich tekstueel met de opgefokte Rage Against The Machine of The Prodigy product attitude, al geven ze er ondanks de doeltreffende tekst juist een kerstvriendelijke winterse twist aan. Hier werkt het grappige effect dus wel, maar meer dan een onverwachte glimlach wekt het niet op. Het sentimentele gelukzalige eeuwige verbintenis van Luckiest Man Alive sluit passend af. We fluiten ons gewoon door de ellende heen, hoe simpel kan het zijn.

Onder toeziend oog van een controlerende studio curator en hier en daar wat aanpassingen en afvlakkingen, komt Sunburned waarschijnlijk beter tot zijn recht. Op dat gebied is er nog steeds meer dan genoeg winst te behalen. De songstructuren zijn stukken evenwichtiger, Sunburned is stiekem best wel een leuke dynamische plaat. Blijkbaar hebben Jeff Gorman en Jake Cochran elkaar gevonden en de chemie tussen het tweetal ontdekt. Het werkt in ieder geval stukken effectiever. Illiterate Light is net zo onvoorspelbaar als een neurotische politici in verkiezingsstrijd, uiteindelijk weet je nog niet welke richting deze opgaat, en maken ze de belofte net niet waar.

Illiterate Light - Sunburned | Rock | Written in Music - writteninmusic.com

Imagine Dragons - Mercury - Act 1 (2021)

poster
3,5
Als het bestaan in zo’n neerwaartse spiraal terecht is gekomen, en er geen uitweg bestaat om hieruit overeind te krabbelen, wens je iemand een vredig verlossend einde van het lijden toe. Can I wish on a star for another life? De eeuwige rust als je de oneerlijke strijd tegen kanker of een drugsverslaving verloren hebt. Dit is een bepalende factor in My Life van Imagine Dragons zanger Dan Reynolds, die stil staat bij zijn aan kanker overleden schoonzus en weggevallen vrienden die dan wel bewust of onbewust een overdosis genomen hebben. Het is dan ook niet van belang of de op tafel uitgestalde pillen in het openingsnummer te herleiden zijn tot de chemokuren of de drugsconsumptie, het gaat meer om het trieste ongemakkelijke gevoel wat de uit het leven gegrepen song oproept.

Dan Reynolds geeft zijn ziel bloot, en bewijst nogmaals dat hij een goede tekstschrijver is, die het aandurft om zijn persoonlijke shit in zijn verhalen te vermelden. Een groot voorrecht, waarmee hij fans zeker steun betuigt. Toch is Mercury Act 1, de vijfde studieplaat van Imagine Dragons een moeilijk te plaatsen geheel, en dat ligt vooral door de ongemakkelijke keuzes van de producenten. Imagine Dragons duikt net met wat te veel verschillende namen de studio in. De meest opvallendste is Rick Rubin, die in het verleden als ceremonie meester optrad om het huwelijk tussen metal en hiphop in te leiden, en vervolgens voor een fragiele oude Johnny Cash mede zijn muzikale testament uitschrijft. Haaks daar tegenover staan Jesse Shatkin en oudgedienden Brandon Darner en Joel Little die zich meer met commerciële acts bezig houden.

De invloed van Joel Little is zeer sterk hoorbaar. Door zijn recente werk met singer-songwriters als Lorde, Taylor Swift en Ellie Goulding hoor je een soortgelijke opbouw van structuur terug. Het zijn veelal popliedjes, waarbij de melodielijnen van Dan Reynolds vrouwelijk aandoen, en bij een zangeres een betere uitwerking hebben. Door de veelzijdige vocale krachtpatserij van Dan Reynolds kan hij in principe alles aan, en komt hij er wel goed mee weg. Geladen schreeuwerige emo uithalen, hoge softpop uithalen, en hier en daar een geïmproviseerde rap-line, het mooie aan een kneedbare artiest. Het publiek zal het zeker weer allemaal omarmen. Imagine Dragons is megagroot en ook de speelse hitsingle Follow You heeft dat catchy melodietje waardoor deze zich ontwikkelt heeft tot een mee neuriënde oorwurm. Een stuk gedurfder en interessanter is het tevens op de plaat terecht gekomen B-kantje Cutthroat, met het van Talk Talks gesampled (of geleende) Life What’s You Make It pianospel.

De band verkeert in tweestrijd. De teksten zijn uitermate volwassen en vragen om een intiemere kale benadering. Imagine Dragons is toe aan deze volgende stap, maar lopen hiermee wel het risico om een groot gedeelte van hun stadionpubliek te verliezen. Om het onsamenhangende gevoel van Mercury Act 1 te vermijden zou het slimmer zijn om zich te beperken tot een enkele producer, en samen de verwachtingen en ideeën op papier te zetten. Op Mercury Act 1 zijn geen slechte songs terug te horen, maar er valt nog zoveel meer winst in de uitwerking te behalen. Nu komt de angst voor een vervagende wereld, de afgebakende geïsoleerde eenzaamheid en het persoonlijke leed onvoldoende tot zijn recht. Het inspirerende zelfmedelijden zit nog gevangen in een afgesloten cocon, break down the wall!

Imagine Dragons - Mercury Act 1 | Rock | Written in Music - writteninmusic.com

Imarhan - Aboogi (2022)

poster
4,0
Het is te triest voor woorden dat een Algerijnse band als Imarhan een Europees platenlabel nodig heeft om hun platen uit te brengen, maar anderzijds is het natuurlijk geweldig dat het Duitse City Slang hiervoor open staat. Investeer juist in de mogelijkheden om vanuit het thuisfront plaatselijke muzikanten een kans te bieden om zelf aan hun albums te verdienen. Bouw geen onbereikbare luchtkastelen, maar zorg voor geschikte zelfredzame materialen. Aboogi is veel meer dan de derde Imarhan plaat. Aboogi is het broeinest van voltooide ideeën, de in Tamanrasset gevestigde opnamestudio, de trots, vastgelegde ziel, met Iyad Sadam als muzikaal spreekbuis voor de vergeten jonge Toeareg generatie.

Achinkad, de nomadetocht van een naar vrijheid verlangende gazelle. Sierlijk en met opgeheven kop paraderen de inheemse ritmes als eigenwijze bokkesprongen door de song heen. Een koor aan vocale beschermheren en zorgelijke dames voegen zich bij de ophitsende gitaarpartijen en laten de song in een opzwepend feestgedruis naar het einde toe galopperen. De natuur is beweging, boze demonische geesten overwonnen door een puurheid in opgewekte vreugde, al blijven de achtergrondstemmen de duisterheid bewaken. Vreugde en verdriet liggen daar zo dicht bij elkaar, een wereld van verschil met de rouwende Westerse soberheid en die massale publiekelijke partydrang. De muzikale emotie is in deze cultuur een belangrijk onderdeel van het dorpse leven, geen opgekropte woede of ingehouden verliefdheid. Een aanstekelijke puurheid uitnodigend om te dansen.

Aboogi laat zich niet analyseren. De krachtige Derhan jamsessie ademt het gemak van een aanvullend groepsgebeuren uit. Handjeklap ritmes, folky grooves, een leidende basgitaargids en pingelende gitaarpartijen met daarin zelfs verborgen jatwerk van Westerse gitaarhelden. Natuurlijk bereiken de oeroude blues, de sixties psychedelica, seventies rock en zelfs de eighties wave ook het traditionele Algerije. Muziek is universeel en laat zich van oorsprong niet in hokjes plaatsen. Het etiketteren is pas later begonnen om houvast te bieden, maar wat blijft er over zonder dat naamkaartje? Precies dezelfde muziekbeleving. Juist de beste muzikanten gaan met andere stromingen een buitenechtelijke relatie aan, staan open voor die verbreding.

Met dit gegeven in je achterhoofd is het eenvoudiger om je op die hete kale woestijnvlaktes midden in de kernziel van de Sahara thuis te voelen. Mee te reizen met de verhalende rondspokende Tindjatan overdracht, te wandelen over de luchtig sluierende slidegitaarakkoorden en soms dat afwijkende sprongetje richting die hypnotiserende droomwereld te maken. Het is een kwestie van loslaten, gedachtes, omgeving en de haastigheid elimineren. Geleefde klaagzang opent dicht gebrande littekens, en laat ze helend ademen. Assossam geeft de funk een naam, en verpakt deze in broeierig gitaarspel. Ouderwets primair tokkelwerk maakt van Laouni een eigenzinnige stoere ondergrondbasis, donkere ska wolken ontfermen zich over Asof en de tussenstoppauze Imaslan N’Assouf vervolgt loom sjokkend de bloedhete kruistocht naar de overstemmende effectenpedalen.

Het surrealistisch verraderlijke Taghadart weegt toekomstperspectieven en kansberekeningen af. Hoe ver moet je gaan om je wensen te kunnen veroorloven, offer je hiervoor vrienden en familiebanden op? Juist die betrokkenheid met het inheemse thuisfront maakt Imarhan zo krachtig. De Soedanese zangeres Sulafa Elyas vervult een moederlijke gewetensrol, tranen vloeien in haar tegen de fado leunende overdracht. Ook de breed sociaal georiënteerde Super Furry Animals zanger Gruff Rhys staat open voor een gastrol op Aboogi en sluit een multicultureel huwelijk met het ontwakende Adar Newlan af. Hees van doorleefde levenservaringen, dromerig vermoeid omver gespeeld door de energieke altijd in beweging zijnde ritmeaanvallen van een bedreven eindeloos doordravende Imarhan. Aboogi is een natuurlijke medicinale oppeppende booster om voorbereid de zomer binnen te stappen.

Imarhan - Aboogi | World | Written in Music - writteninmusic.com

Immaterial Possession - Mercy of the Crane Folk (2023)

poster
4,0
Het commune buitenleven straalt romantiek uit. Toch wordt het vaak als een luie gemeenschap gezien die zich overdag suf blowt en niet vooruit te branden is. In de nachten bewegen ze zich in maanlicht al dansend in een heksenkring rond een groot hellevuur voort. Het heeft iets occults, angstaanjagend zelfs. In de hippietijd zit er een vrede, vrijheid en gelukzaligheid ideologie achter. Later neemt de minder zorgvuldig opererende kraakbeweging het over, en zoekt het uitschot van de maatschappij daar hun heil. Het uit het Amerikaanse Anthens afkomstige Immaterial Possession leeft volgens die commune principes en is een bijzonder kleurrijk gekleed gezelschap, welke het alles omarmende jaren zestig flowerpower gevoel met mystieke gothic zwartgalligheid, en absurde bubblegum gekte mengt, net zolang totdat er een griezelig pruttelend aardedonker residu overblijft.

Mercy Of The Crane Folk volgt amper een paar maanden later het Immaterial Possession debuut op. De creativiteit komt tot een kookpunt, het oogstseizoen is reeds begonnen, en er valt nog meer dan genoeg winst te behalen. Immaterial Possession is een vrijblijvend instapmodel, waarin een veelvoud aan muzikanten welkom geheten worden. Ze spelen met de innerlijke illusiebeleving en wekken een vreemd soort bedwelmende sfeer op. Het is allemaal zwaar geestverruimend, zwaar druggy trippend maar ook soms juist behoorlijk toegankelijk catchy. Madeline Polites en Cooper Holmes vormen de kernleden die elkaar in de zangpartijen afwisselen. Een klassieke Dead Can Dance bezetting, met als enig verschil dat Lisa Gerrard een bovenaards stemgeluid heeft, en Madeline Polites de beneden aardse postfolk diepte induikt.

Het is allemaal cultureel verantwoord ambitieus, met klassieke middeleeuwse instrumentatie en het krachtig gedragen marcherende percussiedrumwerk van John Spiegel. John Vogt wisselt hem bij het Mercy Of The Crane Folk titelstuk en de aan Jefferson Airplane memorerende lugubere Birth Of Queen Croaker af. Hedendaagse minstreel Kiran Fernandes behandelt de vergeten afgeschreven instrumenten als fluit en klarinet, en neemt tevens het keyboard toetsenwerk voor zijn rekening. Als een jammerend geestverschijning zweeft de moderne dolende ziel Madeline Polites Chain Breaker binnen. Het postpunk stemgeluid hecht zich aan het spookstad toetsenwerk van Kiran Fernandes welke er een heerlijke jaren tachtig twist aan geeft. Fraai hoe hij hier met gemak naar het bezwerende rondtrekkende nomaden circus beleving omschakelt. Chain Breaker breekt met oeroude tradities, maar laat die basiskern wel in ere.

Het gezelschap landt in het uptempo cinematische inbeeldende Mercy of the Crane Folk Wilde Westen decor. Deze opzwepende country hallucinaties vragen om een ronkende punkbasgitaar, surfende stoere gitaarakkoorden, percussie exotica en verdwaalde The Doors woestijnorgel psychedelica. Madeline Polites stelt zich gelijkwaardig aan Siouxsie Sioux op, en misschien past deze indianen geuzennaam zelf wel beter bij haar bijna identieke sound in het laag gezongen Ancient Mouth. Met de To the Fete party popper verwelkomen ze de jaren zeventig disco. Een alternatieve dansvloerkiller waar in extase rakende bongoritmes hartslagen er een hete lading aan gepeperde Zuid Amerikaanse saus overheen gieten en de soulsaxofoon er de nodige ziel gebonden emoties in blaast.

Met gemak bewandelen ze in Medieval Jig het zonnige Middellandse Griekse kustgebied, al houden ze er de binding met de dreigende duisternis bewust vast. Zoeken ze het postpunk grensgebied op, dan plaatsen ze de bas op de voorgrond. Dit instrument mag de Oosterse Siren’s Tunnel surfpunk inluiden, waarin de woordloze fado klaagzang van Madeline Polites een afdwingende treurige naargeestig hulpvraag opwekt. Het afdwalende Red Curtain is een sterk staaltje aan verduisterende sfeerbepaling. Het theatrale Mercy of the Crane Folk is groots in opzet, Immaterial Possession bespeelt de melodramatische tragiek met verve, en komt hier bijzonder goed mee weg.

Immaterial Possession - Mercy of the Crane Folk | Rock | Written in Music - writteninmusic.com

Imperial Teen - Now We Are Timeless (2019)

poster
3,5
Op het moment dat Faith No More hardnekkig aan het kwakkelen is, en het geloof in het voortbestaan steeds onzekerder aanvoelt, kijken de bandleden al voorzichtig verder naar een nieuw project. Keyboardspeler Roddy Bottum gaat zich verdiepen in het spelen van gitaar. Samen met gitarist Will Schwartz, de van Sister Double Happiness afkomstige Lynn Truell achter het drumstel en bassist Jone Stebbins start hij Imperial Teen op. Nog voordat Faith No More definitief de stekker er uit trekt komt in 1996 het debuut Seasick al uit. Als Faith No more vanaf 2009 weer actief is met tournee en een nieuwe plaat uitbrengt, verslapt de aandacht voor Imperial Teen. Zelfs zo erg dat men zich afvraagt op de groep nog steeds bestaat. Geheel onverwachts verschijnt er na een pauze van zeven jaar dan toch deze zomer Now We Are Timeless van het uit San Francisco afkomstige gezelschap.

Met I Think That’s Everything plaatst Imperial Teen zich direct tussen de synthpop van de jaren tachtig. Waar bands uit die periode krampachtig een comeback proberen op te eisen, haken deze indie rockers moeiteloos in op deze sound. Het is misschien net wat minimalistischer van opzet, maar het is stukken pakkender dan de probeersels van de helden uit vergaande tijden. Jammer dat Roddy bij Faith No More nooit de mogelijkheid kreeg om met zijn dromerige zang tegengas te geven bij het verbale geweld van Mike Patton. Ook bij Imperial Teen plaatst hij zichzelf vervolgens op de achtergrond om ruimte te maken voor de twee vrouwen. Sporadisch eist hij de hoofdrol nog op zoals in het sixties achtige Parade.

Toch laten ze zichzelf net als Faith No More niet in een hokje onderbrengen. De gekte is aanwezig vanaf We Do What We Do Best. Zware postpunk dreunen mengen zich met harmonieuze bubblegum zang en instrumentatie. Prachtig hoe hier de keyboard meer aanwezig is. Flink afgestoft heeft deze zijn dienst bewezen in de tour van Faith No More. Het voegt net genoeg veelzijdigheid toe om met kille klanken de strijd aan te gaan met de brutale meerstemmige vocalen, die dan weer stoer, dan weer liefdevol klinken. Ondanks de trutterige burgerlijke uitstraling van de bandleden wil het muzikaal onverwacht jong overkomen. De ingelaste pauze heeft zijn vruchten afgeworpen. Het is allemaal even energiek en overtuigend. Het spacende Timeless laat de akkoorden zweven in een zwaartekrachtloze ruimte. Het is een clichématige afsluiter, maar wel een die perfect past op het rustige Now We Are Timeless. Nu Faith No More schijnbaar weer ten ruste is maakt Roddy Bottum een voortreffelijke doorstart met zijn Imperial Teen.

Imperial Teen - Now We Are Timeless | Rock | Written in Music - writteninmusic.com

Inadream - No Songs for Lovers (2019)

poster
2,5
Halverwege de jaren negentig kon je jezelf elk weekend in de omgeving goed vermaken bij de een of andere plaatselijke jeugdsoos waar vrijwilligers met trots het bandje van de buurjongen introduceerden. De herwaardering voor de punkrock was opnieuw in opkomst, en de regionale acts overspoelden het afgebakende speelgebied.

Het had allemaal hun eenvoudige charme, lekker ergens achteraf repeteren in een oude vervallen boerenstal. Thuis werd er vervolgens met overgave geknutseld aan de eigen tracks, die zorgvuldig op tape werden geplaatst.

Sporadisch lukte het zelfs om het met liefdevolle hulp op een compact disc te zetten. Soms via een onafhankelijk platenlabel, meestal met het hoognodige Do It Yourself plakwerk. Achteraf werd er met regelmaat beschamend teruggekeken op deze mooie periode, meestal ook met een grote brede glimlach.

Och, natuurlijk waren de teksten vaak wat amateuristisch van opzet. Wat wil je, met hooguit wat MAVO Engels op zak, en dan duidelijk niet accentloos uitgesproken. Maar achteraf gezien was het een geweldige leerzame en boeiende tijd.

Het kleine Echozone Records bied een spontane groep als Inadream de mogelijkheid om een volwaardige plaat op te nemen. Hoe wonderbaarlijk is het om nu nog dat pretentieloze gevoel op te roepen. En om eerlijk te zijn, No Song For Lovers is niet eens zo’n beroerde plaat geworden. Het is echter wel erg simplistisch qua opzet.

Door het speeltempo redelijk laag te houden is het allemaal goed uit te voeren. Hiermee sluiten ze niet echt aan bij de gejaagde, puntige punksongs. Het is net wat aan de voorzichtige amateuristische kant, maar de trouwe vriendengroep zal de band bij elk concert op handen dragen, en er met volle overtuiging in blijven geloven.

Laat ik mij dus niet teveel laten beïnvloeden door het enthousiasme van deze uit het Duitse Bochum afkomstige groep jongelingen. Natuurlijk is de gunfactor erg groot, en bestaat er wel degelijk de mogelijkheid om vervolgens door te groeien tot een volwaardig geaccepteerde band.

Nu staan ze echter nog in de kinderschoenen, en ondanks dat deze flink beginnen te knellen, zullen ze het voorlopig nog met die status moeten doen. Hopelijk ontmoedigt het andere beginnende bands niet, maar een realistische, kritische kijk is ook van groot belang in het leerproces.

Inadream - No Songs for Lovers | Rock | Written in Music - writteninmusic.com

Indian Askin - Another Round (2019)

poster
4,0
Indian Askin werd met Sea of Ethanol al gelijk in een toppositie geplaatst in het lijstje veelbelovende nieuwe bands. Als dan ook nog bekend is dat de leden aardig wat tijd in de Amsterdamse cafés doorbrengen, lijkt het lastig om met deze druk om te gaan. Hoeveel binnenlandse acts zijn wel niet ten onder gegaan doordat ze zich lieten voeden door de toereikende genotsmiddelen. Om eerlijk te zijn waren de verwachtingen na hun eerste plaat net zo beneveld als de uitstraling van frontman Chino Ayala. Juist het feit dat hij zichzelf niet zo serieus lijkt te nemen is waarschijnlijk zijn redding. De psychedelische sixties zijn er nog steeds, maar lang niet meer zo dominerend. Nog meer is het nachtleven en de opgepikte culturen van het hedendaagse straatbeeld aanwezig. Hierdoor heeft het iets van internationale allure in zich. Hiermee weten plaatsen als Brussel en Antwerpen zich al jaren te onderscheiden, blijkbaar is er nu iets soortgelijks gaande in Amsterdam. In Vlaanderen heerst meer dat kunstacademie gevoel, hier meer dat ordinaire rockende van uitgerangeerde muzikanten. Het eigenzinnige karakter plaatst ze tussen de gitaarbands die zich halverwege de jaren tachtig wisten te ontwikkelen. Vergeet niet dat er een mooie opbloeiende scene was, totdat België halverwege de jaren 90 alles overnam.

Blijkbaar hebben ze aan Dennis van Leeuwen een goede manager. Alle valkuilen waar Kane in dreigde te vallen, worden nu vakkundig zoveel mogelijk vermeden. Daar werden ze na hun tweede album in het alles opslurpende gat genaamd mediacircus gezogen, en verdween steeds meer het eigen karakter. Ego’s die boven zichzelf uit stijgen, en daardoor op het randje balanceren. Deze gevaarlijke eigenschap moet je ook wel hebben, wil je wat bereiken, maar is vaak ook risky. Ondanks de overvloed van drank is Indian Askin daar te nuchter voor. Het grote verschil met Sea Of Ethanol is een ruimere kijk op het gebeuren. De psychedelica blijft aanwezig, maar het is allemaal een stuk gelaagder en donkerder. Zo hoort een rockband hedendaags te klinken te klinken, alsof ze zojuist uit een smerige oefenruimte zijn geplukt. Niks gepolijst en over geproduceerd. Juist die puurheid is zo heerlijk.

Een forse stap vooruit met gelijk al meer noise invloeden in de dromerige opener Another Round. Maar pas daarna hoor je de grote stappen die genomen worden. De gitaar is smerig aanwezig en mag ongegeneerd grooven in het funky On and On, een track duidelijk gericht op onze Zuiderburen. Duister laat de bas van zich horen in Keep It to Myself. Dezelfde postpunk invloeden waar een Nirvana duidelijk naar terug greep, maar totaal eigen gemaakt. For You is zelfs nog meer retro New Wave. Cyberpunk zit verwerkt in het swingende een tikkeltje over the top I Know How to Party en het Plastic Bertrand achtige Wheels. Niet echt serieus te nemen, daarvoor is het te vrolijk. Lome country sijpelt er door in het onder invloed klinkende orkestrale Beat74. Een nummer als I Feel Something zou zich nog kunnen nestelen op het debuut, al heeft het wel een andere benadering door de kinky beat. Gimme A Sign pakt alles samen; psychedelica, dreampop, postpunk, zuigende bas en wah-wah gitaarspel. Seperation is een hedendaagse catchy club stamper. Lekker voor diep in de zaterdagnacht, als alle lichten en hersencellen gedoofd zijn. Behave gaat geleidelijk vanuit de psychedelica de hardere rockkant op. Nog eventjes zittend op kussens after party trippen met Mr. Nick op de achtergrond. Een waardige afsluiter. Another Round is de goede tweede plaat van Indian Askin. Het gepraat tussendoor had achterwege moeten blijven, niet echt een meerwaarde en wat flauw, dan zou het allemaal nog beter op zijn plek vallen.

Indian Askin – Another Round | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Indigo De Souza - All of This Will End (2023)

poster
3,5
Ondanks dat Indigo De Souza uit North Carolina afkomstig is, stralen haar albumhoezen juist een Mexicaanse Día de Muertos kilheid uit. Op de eerste twee platen I Love My Mom en Any Shape You Take staan moeder en dochter afgebeeld. Tenminste dat lijkt mij wel de gedachte hierachter, wetende dat haar moeder Kimberly Oberhammer de prachtige indrukwekkende afbeeldingen geschilderd heeft. Ook bij All of This Will End verzorgd deze het artwork. Met een beetje inbeelding zie je twee vluchtfiguren in een woestijn stranden. Een abrupte afloop van een bijna fataal roadmovie verhaal. Haar vader is een Braziliaanse gitarist die veel van huis is en zich minimaal om zijn gezin bekommerd, geen wonder dus dat de hechte familieband met haar moeder centraal staat. Toch is het vooral het gemis van die vaderfiguur welke in het destructieve van zich afschreeuwende hardcore punk uitspattingen in Always door merg en been gaan.

Dat is het mooie van een kunst, iedereen haalt er weer wat anders uit. Dan zijn de teksten van Indigo De Souza stukken abstracter, maar ook hier bepaald je eigen inlevingsvermogen wat je precies uit de zinnen haalt. Elk liedje schetst een andere situatie, steeds weer in een verschillend decor. De singer-songwriter beperkt zich niet aan een enkele stijl, en speelt net als haar moeder met kleuren. Heeft een vertelling aan twee minuten genoeg, dan volgt er geen onnodige verdere invulling. Kost het meer tijd, dan voldoen vier minuten, maar verwacht geen uitgebreide sfeeraankleding. Eigenlijk verft elke muzikant de eigen verhaallijnen in, dan weer verleidend rood, lentegroen, herfstig bruin, schemerig grijs of juist avondblauw. Hierdoor kan je jezelf gemakkelijker met de verscheidenheid identificeren, al mengt Moody Indigo De Souza het geheel vaak tot uitzichtloos zwart, met paarse tranendal klodders.

Natuurlijk vormt de pandemie eenzaamheid ook de leidraad op All of This Will End. Met een beetje inzicht merk je dat in het geval van de zwaarmoedige Indigo De Souza een soort van pleinvrees hierin meespeelt. De overvolle supermarkt angst in Parking Lot, weegt zwaar tegen het veilige leefklimaat op. Verder zijn er de nodige verwijzingen naar control freak autistische zekerheden, dreigende zenuwinzinkingen en depressieve burn-out neigingen. Een misconnectie met haar bestaan, elke dag is een traumatische Groundhog Day, gemaakte misstappen blijven zich herhalen. Altijd lastig, zeker voor een muzikant waarbij het contact met het publiek zo essentieel is. Het bijna vrolijke Time Back handelt over dat moment van thuiskomen. De vervreemding zit hem in de afsluitende claustrofobische paniekaanval maar ook in je eigen Not My Body lichaam afzondering, waar de zangeres het overzicht kwijt raakt en de controle verliest, en rondspokende geluiden het schild verscheuren. Zelf beschouwt Indigo De Souza All of This Will End als een bewustwording van haar sterfelijkheid, toch ervaar ik het meer als een excuusbrief om andermans fouten goed te praten.

Het zelfverzekerde krachtig rockende You Can Be Mean is juist bijna feministisch van aard. Fluitend werkt ze zich in volle overtuiging door de #MeToo song heen. Vervolgens is ze weer kwetsbaar in de Losing synthpop. Je kan wel stoer elke man de deur wijzen, uiteindelijk heb je toch behoefte aan geborgenheid. Als je te hard tegen een flipperkast aanschopt, slaat deze op tilt en vallen uiteindelijk alle functies uit. Indigo De Souza is zo’n speelautomaat, die het nodige te verwerken krijgt, en dan totaal dicht slaat. Het laaghangende grijze Smog gebied kleurt alleen maar grijzer. Een naïeve jeugdige persoonlijkheid met Younger and Dumber country pedal steel gitaar tienerverdriet, die in de Wasting Your Time grunge al struikelend de finishlijn haalt. Indigo De Souza is een einzelgänger die in de nachtelijke uren onder haar steen vandaan komt om dan aan haar nummers te werken. De confrontatie met de maatschappij is dan het gemakkelijkste te vermijden. Toch is All of This Will End geen zware moeilijke plaat, maar onder die manische uitspattingen ligt meer dan genoeg twijfel verborgen. Het eindresultaat is echter net te fragmentarisch.

Indigo De Souza - All of This Will End | Pop | Written in Music - writteninmusic.com

Interpol - Interpol (2010)

poster
3,0
Wat wil je nog meer?
Een meesterlijk debuut afleveren, waarmee je gelijk met Joy Division wordt vergeleken.
Hoeveel meer eer kan een band toegediend krijgen.
Echter na drie albums volgens hetzelfde recept was de koek aardig op.
Die overwaardering kan tegen je gaan werken.
Misschien is het daarom wel een goede stap geweest om als zanger een solo album te maken.
Zou de wisseling van bassist mee gespeeld hebben?
Ik weet het niet?

Hun vierde album klinkt een stuk frisser en gedurfder.
Meer Joy; minder Division.
Het depressieve karakter is meer op de achtergrond geraakt.
Variatie in kleurklanken.
Ik geef toe , Interpol zal nooit een boyband worden met gebloemde bloesjes en gebleekte spijkerbroeken.
De basiskleur zal zwart blijven.
Al zullen vele volgelingen van het eerste uur afhaken, ik hoor bij het selectieve groepje welk deze koerswisseling wel kan waarderen.

Joy Division luidde de trieste jaren 80 in.
Koude oorlog en hoge werkeloosheid.
Hopelijk wordt er vanaf 2010 een positiever beeld geschetst.
Meer werkgelegenheid en samenwerking op wereldniveau.
Laten we het hopen.

Interpol - Marauder (2018)

poster
3,0
In het begin is het erg wennen, de productie klinkt vreemd, alsof het in een zwembad is opgenomen; Paul Banks zittend in een bubbelbad, met een wijntje in zijn hand, terwijl de rest speelt in een leeg gelopen bad.
Jammer, want ik vind vooral de wat snellere nummers erg de moeite waard.
Flight Of Fancy heeft nog wel de sound van de Interpol van voorheen.
Stay in Touch is echt kapot gemaakt door de productie, want eigenlijk is dat een behoorlijk goed nummer, maar hier is iets heel vreemds gebeurd bij de drumpartijen, die klinken echt heel raar.
Ik sluit mij aan bij het merendeel hier, er had meer in gezeten met een andere productie.
Bij Nysmaw werkt het wel, al klinkt de zang nog steeds niet zoals het hoort, de muziek zit hier wel lekker in de mix.
Verder het meest gevarieerde werk van Interpol, met een aantal zeer sterke nummers.
Niet hun beste album, dat weer zeker niet, maar daar kan de band zelf weinig aan doen.
Live zal het allemaal wel weer kloppen.

Interpol - The Other Side of Make-Believe (2022)

poster
4,0
Als er een band is die treffend dat claustrofobische gevoel van leegte, eenzaamheid en vervreemding kan weergeven is dat Interpol wel. Turn on the Bright Lights is stagnatie, dertig jaar aan vooruitgang in een stap teruggezet naar 1980. Untitled, de beklemmende openingstrack, Paul Banks de belichaming van dat rusteloze opzuigende neerslachtigheidsgevoel, een schaduwdanser die de muren grijs kleurt. Vergelijkbare bands volgen, waarvan Editors het meest succesvol is. An End Has a Start, die aftrap ligt dus eind jaren negentig in New York. Het begrip postpunk krijgt een herziende naam, en die erfenis levert nog steeds prachtige cadeautjes af. Sterker nog, die herziende opmars begint al ruim voor het hele corona gebeuren in het Verenigde Koninkrijk. Het maatwerk is uitgesneden, woest met klodders zwarte verf ingekleurd en het belang is in deze onzekere tijd groter dan ooit.

En Interpol? Tja, eigenlijk hebben we ze niet echt gemist. Na het veelbelovende Turn on the Bright Lights, Antics en Our Love to Admire drieluik volgen langere periodes van stilte. Paul Banks/Julian Plenti brengt twee goed ontvangen soloplaten uit en verrast twee jaar geleden met het meer dan fraaie Muzz project. Interpol experimenteert er op los en voegt op de gelijknamige Interpol album meer dance toe. Het kan absoluut de afwezigheid van bassist Carlos Dengler niet vervangen, daarbij is de eindmix van de plaat te gedempt en te voorzichtig. Alan Moulder heeft al een grote staat van dienst, maar krijgt het onmogelijk voor elkaar om meer dieptes toe te voegen. Het vertrouwen in deze producer is echter zo groot dat ze hem ook voor de helder krassende El Pintor gitaarplaat vragen. Na zijn afwezigheid op de Marauder wederopstanding, waar Dave Fridmann die rol overneemt, is Alan Moulder weer prominent voor The Other Side of Make-Believe beschikbaar. Bij die wereldklus om Interpol weer op de voorgrond te plaatsen, schakelen ze tevens de hulp van duistere postpunk legende Flood in. Een beter team is amper voorstelbaar.

Groots pakken ze met de hedendaagse West Side Story videoclip van Toni uit. Filmproducent Van Alpert zet Paul Banks als een afwachtende ruzie negerende politieagent neer. Romeo en Julia romantiek, typerende Lana Del Rey personages, opgepoetste Beat It (Michael Jackson) choreografie en hippe Netflix omlijsting. De prachtige geschoten beelden leiden je aandacht af, waardoor het pas op het einde doordringt hoe sterk de track eigenlijk in elkaar steekt. Treurende verzurende regen klaagzang met daarachter het logge zandzakkenachtige slagwerk van Sam Fogarino. Scheurende oorlogsgitaarsalvo’s die de dreigende zwarte pianotoetsen overstemmen totdat deze zich overwinnend terugvechten. Een geslaagde eerste singlekeuze, waarmee Interpol weer die piekpositie opeist.

Als de Something Changed video verschijnt, blijkt dat dit de voortzetting van het Toni verhaal is. Net zo indrukwekkend, met misschien nog wel meer vraagtekens. Letterlijk naakt en kwetsbaar, en in die hoedanigheid vervolgt het opjagende geheel. Je krijgt onderhand een gruwelijke hekel aan de sadistische achtervolgende Paul Banks, zijn filmrol ijzingwekkend uitspelend. De dictatorangst van een controlerend Amerika, die het recht op vrijheid volgens aanvullende regels in de grondwet vastlegt. Ook hier zit die tragische duisternis in de somberheid van het pianospel gevangen, waardoor Interpol volwassener en ervaringsrijker klinkt dan de huidige generatie.

Fables en het eerder deze week verschenen Gran Hotel werken naar de The Other Side of Make-Believe releasedatum toe. Deze keer zonder een speelfilm introductie, maar puur winnende op de kracht van de songs. Fables is valse hoop, luchtig in gedurfde geleende hiphop beats en dromerige new wave psychedelica verpakt. Het mist de zeggingskracht van die andere twee singles en het kost een aantal luisterbeurten voordat hij enigszins aardt. Gran Hotel is dan weer geweldig. De zonlicht vermijdende echo’s uit het verleden gecombineerd met de mysterieuze tekstflarden van Paul Banks schetsen genoeg deprimerende twijfels om een hongerige luisteraar mee te voeden. Drie veelbelovende singles en een kleine misstap dus, de grondwortels van The Other Side of Make-Believe, die nu volledig het licht mag aanschouwen. Turn on the Bright Lights.

People lie in the ground
We saw their shade
People lie in the ground
They saw the other way

Into the Night, het donkere pandemie verlies, met gevallen slachtoffers, abrupt afgesloten toekomstdromen, verscheuring en het eenzame sterven. Muzikaal wat rommelig met het drummer Sam Fogarino en gitarist Daniel Kessler samenspel die elkaar op een vervelende manier dwarsliggen. Blijkbaar hebben ze beide een andere invulling voor ogen, waardoor de samenwerking stroef verloopt. Paul Banks speelt al langer de baspartijen in, maar ook hier heeft het wat onwennigs en amateuristisch. Het trio mist op dit soort momenten nog steeds een katalysator van het Carlos Dengler kaliber. Mr. Credit heeft dezelfde hoekige stroperigheid, modder dik besmeerd, lastig verteerbaar en zwaar op de maag liggend. Het onheilspellende grimmige Greenwich lift hierop mee, maar worstelt zich uiteindelijk revancherend boven de middenmoot uit. Reinigende rockexorcisme, welke de demonen van de Evil waanzin verlossen.

De instrumentenbalans van het uitgewrongen Passenger duikt duizelingwekkend dieper die neerwaartse spiraal in. Hier is de stekende zielenpijn, het wereldvreemde onbegrip en die poëtische verfraaiing wel overtuigend voelbaar. Eigenwijs funkend stappen ze met Renegade Hearts van het klassieke betegelde Interpol pad af. Ritmisch, dansbaar, opbeurend en zelfs sexy. Daniel Kessler heeft dat ontsporende sabotage talent om te kronkelen, te fileren en ontregelt prettig de songstructuren om zich triomfantelijk de verblindende hoogte in te werken. Optimistisch, draagkrachtig overheersend. Go Easy (Palermo) als de meer realistische grote broer, zelfverzekerd, strak de toekomst inkijkende.

De stormvloed lijkt in het heerlijke lichtvoetige Big Shot City te gaan liggen, maar onder die vlakke rimpeligheid loert het wakende gitaargedrocht. Explosief aanvallend grijpt hij op het einde zijn allesverslindende kans om de boel te ontwrichten en te ontregelen. The Other Side of Make-Believe heeft genoeg potentie met een paar memorabele klassiekers in spe, maar verbergt ook een paar kleine misstappen en onnodige schoonheidsfoutjes. Het blijft echter een genot om die gedragen Paul Banks te horen. De urgentie van de Interpol vaandeldragers is dan wel grotendeels afgezwakt, afgeschreven zijn ze zeker niet.

Interpol - The Other Side of Make-Believe | Alternative | Written in Music - writteninmusic.com

Interpol - Turn On the Bright Lights (2002)

poster
3,5
Het kostte mij jaren om Interpol los te zien van Joy Division, als het mogelijk was zou ik ervoor in therapie gaan.
In hypnose gebracht worden door het tikkende geluid van een klok om vervolgens de demonen te lijf te gaan.
Mijn innerlijke strijd met deze vooroordelen zouden mij geen rust brengen, maar juist twijfel en verwarring.
Het gitaarspel van Obstacle 1 brengt mij in trance, en als de overgave er dan daadwerkelijk is, kan ik eindelijk aan de rest van Turn on the Bright Lights beginnen.
Kijk voor de laatste keer in dit felle licht om vervolgens met de psycholoog de reis voort te zetten.
En bij NYC maakt de kilheid plaats voor een soort van warme liefde.
Ik besluit om mij te concentreren op mijn ademhaling, en het geruis in mijn hoofd eventjes los te laten.
Een moment van gewichtloosheid, en mijn hart probeert het ritme van Leif Erikson te pakken.
Eerst voelen mijn voeten zwaar aan, dan lijk ik te zweven.
Het realistische besef van dat dit onmogelijk is, maakt zich meester van mijn gedachtes.
Opeens ben ik weer totaal in het Nu.
Tegenover mij het schokkende lichaam van mijn observator.
Alsof het overgenomen wordt door een epileptische aanval.
Glimlachend moet ik weer aan Ian Curtis denken.
She’s Lost Control .
Haar hoofd hangt scheef als een geknakte tak van een treurwilg.
Kwijl loopt uit haar mond.
Met een kort hard hoestje breng ik haar terug in het heden.
Geschrokken strijkt ze de vouwen uit haar kleding.
Ik heb geleerd om Interpol los te zien van Joy Division, een ervaring dat ieder muziek anders interpreteert is mij rijker.
Voor mij geen Say Hello to the Angels met Interpol, maar The Eternal van Joy Division.

Into Orbit - Kinesis (2019)

poster
4,0
Nieuw Zeeland maakte bij ons koningspaar veel indruk door de boos uitziende culturele welkomstceremonie van de Maori. Flink geschrokken vervolgden ze hun bezoek. Deze energie en woestenij hoor je ook terug in Into Orbit. Hoe krijgen ze het voor elkaar om met twee man sterk zo’n geweldig geluid neer te zetten. Het uit hoofdstad Wellington afkomstige duo bestaat uit gitarist Paul Stewart die als een jonge tovenaarszoon van Gandalf de meest waanzinnige akkoorden tevoorschijn laat komen, en drummer Ian Moir met zijn bezetene slagvaardig vakmanschap. Het ontbreken van zang is geen gemis, en valt dan niet eens direct op. Kinesis is ondertussen hun derde instrumentale trashende postrock plaat. Ouderwetse melodieuze headbanger muziek voor gevaarlijk uitziend langharig tuig. Al weten ze zich duidelijk te onderscheiden door doordachte geschoolde onverwachte wendingen, welke de geniale unieke sound nogmaals benadrukken.

Het epische Shifter gaat gelijk voluit als een veldslag sage van start, al is er halverwege ruimte voor aangename melodieuze Metallica achtige riffs en soleerwerk die zich prima kunnen meten met Ride the Lightning. Plaats jezelf 35 jaar terug in de tijd, bedenk er wat krachtpatserig drumwerk bij, en je komt een heel eind bij Kinesis uit. Dat het vervolg nog een stuk steviger is blijft mij verbazen. Niet dat ik dit niet gewend ben, maar puur vanwege het onbegrip van hoe twee muzikanten in staat zijn om zoiets grootst neer te zetten. Steeds maar krijg je de indruk dat hier minstens een vierkoppige muzikale vuurspugende draak aan het werk is. Zo strak zijn ze op elkander ingespeeld. Met aangenaam inheems geroffel vestigen ze de aandacht op het door meerdere gitaren overgedubde Between Stars. Zo bijzonder dat ze door de hardere drone achtige passages steeds aan de rockzijde verblijven, en niet de industriële kant op gaan. Natuurlijk laat Paul Steward de effectenpedalen het nodige werk verrichten, maar de katalysator is wel zijn vingervlugge gitaarspel.

Toch is er meer dan genoeg ruimte voor afwisseling. Met het funkende Crystallise wordt er gekozen voor een fraai rustige uitbouwende geheel, halverwege kunnen ze het toch niet laten om volledig los te gaan. Die variatie is ook terug te horen in het zwaardere brokstuk Summoning, wat ergens in de krochten van de aarde lijkt open te scheuren. Het verlichtende soleerwerk zorgt voor de nodige tegengas. Het korte Nil ademt de opnamestudio uit, nog behoorlijk clean zonder veel toevoegingen heeft het de basis van een ongepolijste demoversie. Emergence wil zich traag opdringen tot een dynamische kernexplosie. Hoe gedurfd is het dan om met Burial Mask de postpunk kant op te gaan. Met typerend hoge gitaarsluiers en doffe slagen wanen we ons weer eventjes in de jaren tachtig. Dit alles onder toeziend oog van de metal goden. Het compactere symfonische Pale Sky heeft zelfs nog meer hit potentie. Ergens wordt er een aangename basliin tevoorschijn getoverd, die er nog meer swing aan geeft. Het theatrale gotische van Horus is een machtige eindstuk met hoofdzakelijk doommetal invloeden. Zwaar drukkend sluit Into Orbit hiermee hun voortreffelijke derde langspeelplaat af.

Into Orbit - Kinesis | Rock | Written in Music - writteninmusic.com

Into Paradise - Churchtown (1991)

poster
4,0
Into Paradise; oftewel het laatste bewaarde postpunk geheim uit de jaren 90.

Ooit gehoord op het Ein Abend In Wien album, en vervolgens te lang links laten liggen.
Tot vandaag.
Gevonden voor een paar Euro.

Vanaf het eerste nummer kun je al horen dat Adrian Borland (The Sound) de productie doet.
Het is geen 1991 meer, maar we gaan 10 jaar terug in de tijd.
Het is weer 1981.

Alle grootheden uit begin jaren 80 zijn terug te horen.

Rain Comes Down en Burns My Skin is een mix tussen Echo & The Bunnymen en The Waterboys, maar dan op gepoetst met jaren 90 smeersels.
Hoor ik daar ergens ook The Cult?
Jawel!!


I’m Still Waiting doet mij denken aan The Smiths.
Weer zo’n sterk nummer.

Maar Deric, die vergeten parels uit de jaren 80 zoals Comsat Angels, Psychedelic Furs en Modern English worden zeker door deze band vergeten?
Na 2x luisteren blijkt dit zeker weer gewoon een mindere Joy Division kopie te zijn.
Zoals al die gehypte bandjes van tegenwoordig?

Nee, dit ligt echt wel een nivo’tje hoger.

Dus hier moeten we echt naar luisteren?
Wel als je van postpunk houdt en overrompeld wilt worden.

Anders?????
Anders niks.
Gewoon doen.