MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten AOVV als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Jack White - Blunderbuss (2012)

poster
3,5
Het solodebuut van Jack White, het moest er ooit toch ‘ns van komen. Na 6 platen liet hij vorig jaar weten dat The White Stripes het voor bekeken hielden. Met zijn nevenprojecten The Raconteurs en The Dead Weather heeft hij elk twee platen ingeblikt, en nu is er dus ‘Blunderbuss’, voor het eerst helemaal onder zijn eigen naam. ‘Blunderbuss’ is geen absolute topplaat, maar vooral een mooie synthese van White’s carrière tot nu toe, op muzikaal vlak. Er zitten dingen in die doen denken aan The White Stripes, kalmere dingen doen denken aan The Raconteurs, en ook een vleugje Dead Weather kan men bespeuren. Tot zover de namedropping.

Het meest markante dat mij opvalt, zijn de teksten. Die handelen vaak over wrede, nietsontziende vrouwen, de duivelse verlokkingen van de liefde, en de bodemloze putten die zij voor je delft. Het zou met zijn scheiding te maken kunnen hebben, maar dan is het toch o zo ironisch dat zijn ex-vrouw, Karen Elson, op enkele van de nummers op deze plaat doodleuk meezingt in de achtergrond. Maar dat zou ook o zo typisch Jack White zijn.

In totaal staan er 13 nummers op deze plaat, waarvan 1 niet door White zelf geschreven. ‘I’m Shakin’’ werd geschreven door Rudolph Toombs, een Afro-Amerikaanse singer-songwriter die stierf in 1962. Ik vind het meteen het energiekste en coolste nummer van de plaat, White heeft er echt een geweldig, zinderend spektakel van gemaakt. Mooie achtergrondzang ook van Ruby Amanfu, Karen Elson en Laura Matula. Vooral Amanfu valt op in positieve zin; zij zingt ook mee op ‘Love Interruption’, de eerste single van het album. Een knap nummer, vrij rustig en toch redelijk spannend, en met een meedogenloze tekst: “I want love to murder my own mother; take her off to somewhere like hell or up above”. Nou!

Andere hoogvliegers op de plaat zijn het met voortreffelijk gitaarwerk voorziene, spetterende ‘Sixteen Saltines’, ‘Hypocritical Kiss’, opgesmukt met sterk pianospel van Brooke Waggoner, en het lekker catchy ‘Hip (Eponymous) Poor Boy’. Die “hip eponymous” is trouwens een verbastering van hippopotamus, heb ik gelezen in een interview.

De muziek die White ons presenteert, kan men niet onder één noemer plaatsen; daar is het simpelweg te veelzijdig voor. Kalme stukken waarin de piano de boventoon voert, worden afgewisseld met stomende gitaarexplosies. Blues wordt vermengd met soul, een vleugje folk hier en daar. Nu eens levendig klinkend, dan weer uitgeblust. White ziet er niet bepaald vrolijk uit op de albumhoes, en de grauwe kleuren en half verdoken pikzwarte vogel wijzen ook niet bepaald in de richting van de zevende hemel. Toch weet je het nooit met deze artiest, een zeer eigenzinnig man, die weet wat hij wil. Hij heeft toch maar mooi een eigen label uit de grond gestampt, dat nu heel goed draait.

Het is niet al kommer en kwel in de teksten, maar toch vooral kommer. En kwel. Juist ja. Het gaat er vooral om dat de vrouw de spin is, en de man de hulpeloos in haar web verstrikt geraakte vlieg. Enkele fragmenten:

“Cut off the bottoms of my feet;
Made me walk on salt;
Take me down to the police;
Charge me with assault;
Smile on her face;
She does what she wants to me.” (‘Freedom at 21’)

“You broke your tongue talking trash;
And now you’re trying to bring your garbage to me.” (‘Trash Tongue Talker’)

“You can’t defeat her, when you meet her.” (‘Sixteen Saltines’)

Het waarom van deze plaat, daar hebben wij allen het raden naar. Toch vermoed ik dat White heel wat van zich af heeft geschreven, en een nieuw hoofdstuk kan beginnen in zijn carrière. ‘Blunderbuss’ is in ieder geval een knappe aanzet.

3,5 sterren

Jackson C. Frank - Jackson C. Frank (1965)

Alternatieve titel: Blues Run the Game

poster
4,5
Poeh, behoorlijk schitterende plaat van Jackson C. Frank, die een grote invloed had op artiesten als Nick Drake, Bert Jansch en Paul Simon; die laatste producete dit album overigens.

Tragisch eigenlijk dat deze artiest destijds niet de erkenning kreeg die hij verdiende, want na de release kwijnde hij weg; mentaal stond Frank, mede door een traumatische ervaring tijdens zijn kindertijd (toen een ontploffing in zijn school vijftien kinderen doodde), nooit erg sterk in zijn schoenen.

Opener Blues Run the Game is natuurlijk by far het bekendste nummer op dit album, maar wat mij betreft niet eens het beste (hoewel fantastisch mooi); nummers als Don't Look Back, Milk and Honey, My Name Is Carnival en I Want to Be Alone (Dialogue) verdienen minstens evenveel erkenning. En zelfs bonussongs als Marlene, dat hij schreef voor Marlene du Pont, tijdens de noodlottige ontploffing ook zwaar geraakt (maar het wel overleefd) en destijds zijn vriendinnetje, zijn heel erg mooi en aangrijpend. En een song als The Visit doet me toch ook heel erg vermoeden dat John Darnielle van The Mountain Goats hier goed naar geluisterd heeft.

Simpel op het eerste gehoor, maar het gitaarwerk is erg knap, en de teksten en melancholisch aandoende stem van Frank grijpen steeds weer naar de keel.

4,5 sterren

Jakob Dylan - Women + Country (2010)

poster
3,5
Met deze plaat weet Jakob Dylan mij wel te bekoren. Of dit echt country is, dat weet ik nog zo niet. 'Lend A Hand' bijvoorbeeld is in mijn ogen geen countrysong, maar neigt meer naar een Joe Henry. Sterk nummer, prachtig geïnstrumenteerd vooral.

'Everybody's Hurting' is ook een persoonlijke favoriet van mij op deze plaat. Dit nummer is wel meer country-georiënteerd, maar is vooral een mooi, rustig nummer over pijn.

Het Springsteen-gehalte van 'Yonder Come The Blues' is vrij groot, zoals hierboven reeds schrander werd opgemerkt door Mr. B.

In een eerdere post zei ik dat zijn stem af en toe deed denken aan die van z'n vader, maar na enkele luisterbeurten meer hoor ik dat er toch niet echt meer in.

Dat de productie goed is, is een feit. Een nummer als 'They've Trapped Us Boys' is op zich niet zo speciaal, maar de goeie productie tilt het wel naar een hoger niveau.

Tot slot nog een vermelding voor afsluiter 'Standing Eight Count'; erg fijn nummer, de blazers geven het een apart sfeertje mee.

Aardig album dus van Jakob Dylan, waarmee hij bewijst dat hij toch vooral Jakob Dylan is, en niet de zoon van de oude heer Zimmerman, al komt hij nog niet aan de enkels van deze tweede, maar dat is niet meer dan normaal, als je naar 's mans staat van dienst kijkt.

3,5 sterren

James Taylor - American Standard (2020)

poster
3,5
De klassieke zwart-witte hoes van het album, de vakkundige begeleiding van diverse klasbakken (o.a. Jerry Douglas van Alison Krauss & Union Station, en drummer Steve Gadd, die eerder al met Chick Corea samenwerkte), het rustieke stemgeluid van Taylor zelf, de uitgelezen keuze van de songs... Werkelijk álles aan deze plaat ademt gezelligheid. Dat die gezelligheid niet al te vaak omslaat in gezapigheid, spreekt voor James Taylor; de aandachtigheid wint, afleiding wordt goed in toom gehouden.

Deze plaat kan je zowel intens beluisteren (en dan geniet ik ook van elk aspect), als op de achtergrond opleggen als je met wat anders bezig bent. Maar vooral is dit een ideale plaat om drie kwartiertjes te onthaasten. Het leven is vaak een rollercoaster, terwijl ik een weidse picknick, verspreid over de hele namiddag, prefereer. En dan vind ik het fijn dat je dit soort plaatjes kan beluisteren. Taylor is vorige week 72 geworden, maar zijn stem klinkt nog steeds helder, al zal het bereik wel wat enger zijn. Maar dat heeft ook z'n charme, zoals hij in het mooie Ol' Man River bijvoorbeeld wat dieper durft te zingen.

Men zou verder kunnen ingaan op de songs die Taylor heeft uitgezocht, en over elk liedje kan je wel een deftige alinea neerpennen, dunkt mij. Daar ga ik me echter niet aanzetten, omdat mijn parate kennis daaromtrent geen hoge toppen scheert. Maar ik voel ze wel, die ouwe songs, en dat bezorgt me telkens weer een glimlach.

3,5 sterren

James Vincent McMorrow - Early in the Morning (2010)

poster
4,0
Mooie plaat van James Vincent McMorrow, een mij tot enkele maanden geleden totaal onbekende Ier. Verschillende mooie namen kan je hierbij plaatsen, maar die zijn hier al genoemd. De plaat gaat van start met ‘If I Had A Boat’, en McMorrow laat meteen horen dat hij een geweldige zanger is. Niet het beste nummer op deze plaat, vind ik, maar toch leuk. Het nummer mag nog half openbarsten op het einde.

‘Hear The Noise That Moves So Soft And Low’ is een fraaie folksong. Compleet met samenzang en al. de vrouwenstem past trouwens ook mooi bij de stem van McMorrow. Dan gaan we over naar ‘Sparrow & The Wolf’, dat gelijk een pak vinniger is. Deze song doet mij het meest van al aan Fleet Foxes denken, vermengd met wat Mumford & Sons. Wat niet wegneemt dat het een erg sterk nummer is. Vooral het refrein vind ik geweldig. De man werkt trouwens graag met verschillende refreinen blijkbaar, daar het de tweede keer wat afwijkt van de eerste keer. Zoals ook al op het vorige nummer. Dat vind ik wel mooi gevonden, al is het hem zeker al voorgedaan. Maar het getuigt toch al zeker niet van gemakzucht à la “wat zullen we nu weer eens doen? Ah ja, nog maar eens hetzelfde refrein zeker!”.

‘Breaking Hearts’ kent een lekker bluesy begin, maar laat je niet vangen. Na de eerste strofe loopt het nummer een beetje los, maar het blijft wel vrij zwaarmoedig (vooral tegenover het vorige nummer). Hij heeft niet echt een bluesstem, maar dit klinkt toch erg goed (vooral het refrein toch weer, de man is erg goed in refreintjes!). “See I’ve been breaking hearts, for far too long; loving you, for far too long; making plans now, for far too long”. Wat ook opvalt, is dat de piano hier ook wat meer op de voorgrond treedt. Tekstueel is het ook vrij grimmig bij vlagen (“But when it comes to dying, I’ll do it on my own; I’ve never been too clever, I’ve always just hung on”).

Monotone drums en piano; ‘We Don’t Eat’ zet in. Een nummer dat door velen waarschijnlijk als beste nummer wordt aangestipt (al zijn er tot nu toe 20 stemmen uitgebracht, de mijne meegeteld), omdat het eigenlijk alles heeft wat een goeie song moet hebben. Sterke tekst, geduldige opbouw naar het refrein, de strijkers op de achtergrond die een haast sacrale sfeer neerzetten. En dat refrein, dat is toch weer zo verdomd sterk, je zou haast geloven dat de man een zintuig heeft, speciaal gericht op het bedenken van sterke refreinen. Al is het niet mijn favoriet nummer op deze plaat, daarvoor klinkt het me net iets te bedacht..

‘This Old Dark Machine’ begint ook weer zo bluesy, terwijl het refrein toch weer een tikkeltje anders klinkt. Een koortje komt er ook in voor, en dat is zeker niet voor het eerst; dit is zo’n plaat die daar wel bol van staat, om even te overdrijven. Ook de bridge van dit nummer is fraai zeg; knap gevonden!

‘Follow You Down To The Red Oak Tree’ is een erg fraaie titel. Tekstueel is het een pareltje, en ook muzikaal zit dit erg goed; een rustig nummer, niet teveel gedoe, en dat heb ik misschien nog wel het liefst van al bij dit soort muziek. Maar om nog even op de tekst terug te komen; pure poëzie vind ik dit! Ik schrijf ook wel eens iets als ik daar zin in heb, maar ik kom bijlange na niet aan dit niveau (wat wel normaal is zeker, daarom is hij degene die bekend is, en ik niet )

‘Down The Burning Ropes’ duurt bijna vijf minuten, en kent een goeie spanningsopbouw. Het lijkt of de drums en gitaar steeds een minuscuul tikje sneller en harder gaat spelen, tot het gebroken wordt bij “My love, she’s overboard”. Daarna komt de song weer op gang, net als voor het breekpunt, eigenlijk. Voor het overige is het niet m’n favoriete song, maar kan ik alweer niet ontkennen dat het meer dan goed in mekaar zit.

Het volgende nummer is ‘From The Woods!!’, en daar staan niet voor niets enkele uitroeptekens achter. De aanvang van het nummer is wel rustig, de eerste strofe is kalm. Mooi taalgebruik trouwens. Idem dito voor de tweede strofe. De laatste minuut van de song is wel een stuk harder, McMorrow probeert zijn longen uit zijn lijf te zingen, maar dat zal ‘m nooit lukken, met z’n engelenstem. Al doet hij hier wel een bewonderenswaardige poging, en klinkt het nog altijd erg mooi. Handgeklap is dan ook zijn deel, daarmee eindigt de song.

‘And If My Heart Should Somehow Stop’ is toch weer wat anders dan wat we al eerder hebben gehoord op deze plaat, wat het toch tot een vrij gevarieerd album maakt. Dromerige gitaarklanken, ingehouden akoestische gitaar. Ik weet niet hoe ik deze song precies moet omschrijven, maar hij wijkt toch af van al het voorgaande. Op die manier trekt de song me natuurlijk wel erg aan. De zang doet me hier ook bij vlagen erg veel aan Ray LaMontagne denken, vooral de uithalen. De song klinkt misschien wel als eentje die niet had misstaan op ‘God Willin’ & The Creek Don’t Rise’ van diezelfde Ray LaMontagne.

Afsluiter ‘Early In The Morning’ is een simpele afsluiter, mooi, maar niet geweldig. Vrij minimaal en ingetogen, een beetje een onopvallende afsluiter van een fraai debuut van langere adem. Het doet me ook weer aan Fleet Foxes denken. Ik ben er nog altijd niet uit of ik dit beter vind dan Fleet Foxes. Die laatste ken ik natuurlijk al iets langer, het is afwachten of dit ook zo lang blijft hangen.

4 sterren

Jan Swerts - Weg (2010)

poster
4,5
Jan Swerts is een Belgisch klassiek geschoold pianist, net als Jef Neve dus. ‘Weg’ is zijn debuutplaat, en wat voor één. De titel is al meteen dubbelzinnig. Hij staat ten eerste voor de weg die hij in zijn leven al heeft afgelegd, en daarover gaan zijn soms raadselachtige, maar fraaie teksten ook. Ten tweede staat de titel voor het feit dat alles waarover hij het heeft, in het verleden ligt; het is met andere woorden weg, enkel nog bestaande in zijn herinneringen. Ten derde staat de titel voor de plaatsen waaraan zijn herinneringen refereren; elke songtitel is namelijk een straatnaam en straatnummer (en de laatste heet gewoon ‘Het Holle Weg’, die heeft geen nummer dus).

Deze plaat heeft mijn eindejaarslijstje niet gehaald. De reden daarvoor is simpel; ik heb deze plaat pas op 31 december gekocht, zonder er ook maar een noot van te hebben gehoord. Wel had ik er reeds enkele kritieken over gelezen (overheersend positief, trouwens), en op basis van die kritieken kon ik opmaken dat dit wel iets voor mij zou zijn. ik kocht de plaat dus, en toen ik thuis was, zette ik ‘m op. En ik wist meteen dat het een erg goede keuze van mij was geweest.

Het CD-boekje bevat geen teksten, enkel zwart-witte schetsen van de plaatsen waarnaar de songtitels refereren. Een mooi idee vind ik dat, al is het jammer dat de lyrics er niet instaan. Maar goed, je kan niet alles hebben..

De muziek zelf dan maar. Het album opent met ‘Driekruisenstraat 107’, dat aanvangt met een accordeon, als ik me niet vergis. Na deze korte intro komt het centrale element bovendrijven; de wonderschone klanken die Swerts uit zijn piano weet te halen. Het melancholische pianospel doet in samenwerking met de fragiele zang van Swerts en de belletjes (waarvan ik niet weet welk instrument wordt gebruikt, weet iemand het?) mij een beetje denken aan de IJslandse band Sigur Rós. De muziek roept eenzelfde soort droefheid op, intense tristesse, een vervlogen tijd. De song is zo’n 8 minuten lang, maar blijft je in de greep houden; eigenlijk blijft het album je 70 minuten lang in de greep houden. Het minimalistische pianospel, aangevuld met zang en occasioneel strijkers en blazers. Allemaal in dienst van het geheel, van het kerngevoel: droefenis.

‘Singelstraat 11’ is niet anders. Mooi pianospel, strijkers, het is winter in mijn hart. In de kritieken die ik al over deze plaat heb gelezen wordt de man vergeleken met Max Richter, Jóhann Jóhannsson en Wim Mertens. Ik krijg in elk geval veel zin om die artiesten te gaan ontdekken, want wat Jan Swerts doet, vind ik klasse. Ik kan dus wel niet zeggen of die vergelijkingen terecht zijn, daar ik van vernoemde artiesten weinig tot niets ken.

De IJslander Ólafur Arnalds ken ik wel, van zijn laatste nieuwe. Wat deze twee artiesten gemeen hebben, is de piano. Verder houdt de vergelijking voor mij op; Arnalds gebruikt geen zang, en het gevoel dat Arnalds opwekt is toch nog wat anders.

‘Driekruisenstraat 111’ is een hemelsmooi nummer. Het nummer straalt een kinderlijke onschuld uit, het schetst voor mij een romantisch beeld van deze verloren lopende samenleving. Voor het eerst val mij ook op hoe repetitief het pianospel van Swerts eigenlijk is, en dat er toch genoeg variatie inzit om te blijven boeien. Na dit nummer komt de echte parel van de plaat, een heus meesterwerkje; ‘Bayostraat 42/44’. Op de website van Swerts tref ik een citaat van Joni Mitchell aan, in grote letters: “There’s comfort in melancholy”. Dat citaat drukt wat mij betreft perfect uit welke sfeer deze plaat uitademt. Het nummer doet me reminisceren over mijn eigen korte verleden, het doet me krampachtig zoeken naar mooie herinneringen, en het helpt me uiteindelijk ook om die mooie herinneringen te vinden. Het nummer is volledig instrumentaal, en dat is toch wel speciaal, want buiten de korte afsluiter ‘Het Holle Weg’ komt in alle andere nummers zang voor. De muziek van Jan Swerts is erg filmisch ook; dit nummer zou bijvoorbeeld niet misstaan in een pakweg een film over een Russische man of vrouw die vele jaren na de Tweede Wereldoorlog zijn moeder terugvindt, nadat hij of zij al lang de hoop had opgegeven om die terug te vinden. Ik kan me voorstellen dat de herinneringen je dan om de oren vliegen, en deze 10 minuten durende brok pure schoonheid zou daar erg goed bij passen. Na 7 minuten 30 valt de piano stilletjes weg, en komen de blazers opzetten. Ook dat stuk is overdonderend mooi en uiterst gevoelig. Tranen verdringen zich om uit mijn ooghoeken te mogen dwarrelen. Mocht iemand me vragen: “welk deel vind je het mooist aan die song: het pianogedeelte, of het blazersgedeelte?” Ik zou antwoorden: “het hele nummer.”

Na zo’n prachtig nummer is het logisch dat de volgende song wat minder indrukwekkend is. Maar ook ‘Aalsterweg 10’ is een erg mooi nummer, Swerts weet ze wel te componeren, zeg! Meer weet ik er eigenlijk niet over te zeggen, behalve dat het blijft begeesteren. En dat het motiefje van ‘Lokenstraat 1’ al eens even voorbijkomt. En dat de cello het nummer echt een meerwaarde geeft. Eigenlijk had ik er dus nog best wat over te zeggen. ‘Alkenstraat 9’ doet me ook weer aan de bekende IJslandse band denken, net als het openingsnummer. Ook dit nummer is weer erg mooi, en past ook mooi in het geheel. Maar ik heb ergens gelezen dat Swerts 5 jaar aan deze plaat heeft gewerkt, dus dan mag dat wel.

‘Lokenstraat 1’ zet in, en blijkt een vertederende wals te zijn van ruim 21 minuten lang. Je zou kunnen zeggen dat dit misschien een beetje teveel van het goede is, doch wees er maar zeker van dat deze artiest exact weet waar hij mee bezig is. De zang van Swerts zet zich treffend vast in het schuchtere pianospel (doet me een beetje aan Satie denken). Het is een erg repetitief nummer, en het vergt daarom wel wat inspanning en goede wil van de luisteraar. Maar als je dat er, zoals ik, voor over hebt, ontvouwt zich een pracht van een nummer. Het is allemaal erg weemoedig, en de blazers brengen daar niet veel verandering in; ze dragen net bij tot die sfeer van algehele verlorenheid. Want dat ademt dit nummer toch wel uit, vind ik. Ik weet niet waar het over gaat, maar het zou zomaar eens over het verlies van een dierbare kunnen gaan. Het enige minpuntje van deze hele plaat is misschien dat ik, als we een kwartier ver zijn in dit nummer, wel zin krijg in iets anders. mijn aandacht verslapt een heel klein beetje, maar gelukkig treden de blazers dan iets meer op de voorgrond, wat mijn aandacht weer verscherpt. Het lijkt alsof Swerts daar bewust heeft op ingespeeld, grote klasse noem ik dat! Want na dat intermezzootje komt de piano weer terug op de voorgrond, en is m’n aandacht ineens weer voor 100 % aanwezig.

‘Het Holle Weg’ sluit deze plaat gepast af. Het meest minimalistische stukje muziek bewaart Swerts voor het laatst. Het lijkt een niemendalletje, maar het is toch ook vooral een prachtig stukje retrospectieve muziek. Jan Swerts lijkt om te kijken, en tegelijk ook vooruit. En zo eindigt deze plaat; in stille schoonheid. Jan Swerts kan ik op de valreep toch nog één van de ontdekkingen van 2010 noemen, al heb ik dit stukje pas in 2011 geschreven. Het is naar mijn mening één van de beste platen van 2010.

4,5 sterren

Jason Molina - Live at la Chapelle (2020)

Alternatieve titel: Toulouse, France, June 7, 2005

poster
4,0
Erg mooi, intimistisch optreden van Molina in een oude kerk ergens in de buurt van Toulouse. We schrijven 7 juni 2005, en Molina heeft zijn alter ego Songs: Ohia net ingeruild; Pyramid Electric Co. bracht hij uit onder zijn eigen naam. Naar het schijnt is het optreden tot stand gekomen na een mail van enkele Franse fans uit dat dorp, met de vraag of Molina daar geen optreden kon geven. Het idee stond Molina wel aan, en van het één kwam het ander.

Het concert werd opgenomen, en begin dit jaar uitgebracht. We horen hier niet veel meer dan de pure essentie; Molina die zijn melancholische vocalen begeleidt op akoestische gitaar. Slechts hier en daar wordt er wat extra opsmuk gebruikt, zoals schuchtere blazers in het verstikkend mooie Nashville Moon.

Molina speelde ook drie covers: East St. Louis Blues van Blind Willie McTell, Trouble in Mind van Johnny Cash en Carmelita van Warren Zevon. Uitstekende keuzes, me dunkt, en hij vertolkt ze hier op intense wijze.

Live at la Chapelle is een mooi document van een prachtige, ons helaas veel te vroeg ontnomen artiest.

4 sterren

Jens Lekman - An Argument with Myself (2011)

poster
3,0
Het gros van de platen die ik in deze periode van het jaar beluister, zijn herfstplaten. Dat is ook logisch, het is herfst. Maar vorige week had ik het er nog over met m'n leerkracht Engels, dat we toch nog te maken konden hebben met een zogenaamde "indian summer". Jens Lekman mag je misschien wel de indian summer in mijn herfst 2011 noemen.

Je kan het saai noemen, maar mij klinkt het gewoon lekker zomers in de oren, veel spelplezier. Hoogstaand is het allemaal niet (al zijn de teksten wel de moeite); gewoon zomerse popliedjes, die bij de meeste mensen wel een glimlach op het gezicht kunnen toveren. Het titelnummer is daar het beste voorbeeld van; op zo'n track kan ik niet stilzitten, werkt bijzonder aanstekelijk.

'Waiting for Kirsten' is vooral interessant dankzij de lyrics. Het is wel duidelijk dat de man goeie teksten weet te schrijven. Erg vermakelijk. Even swingend als de openingstrack wordt het trouwens nergens meer, maar het is toch allemaal net interessant genoeg om me te doen uitkijken naar een eventuele langspeler. 'New Directions' lijkt nog even in de buurt te komen, met die mooie trompetintro, maar jammer genoeg gaat het nummer niet helemaal verder in die richting. Erg jammer, want die intro is echt prachtig, en doet me vaag denken aan 'For No One' van The Beatles, voor het moment mijn favoriete track van dat niet onaardige viertal uit Liverpool.

De afsluiter is heerlijk relaxed, waardoor opener en afsluiter mijn favorieten zijn op deze EP. 3 sterren.

Jerry Lee Lewis - A Taste of Country (1970)

poster
3,0
Aardig plaatje, samengesteld uit oude Sun-opnames van Jerry Lee Lewis door Shelby Singleton, de nieuwe grote man van het label. Dat hij nog munt wilde slaan uit artiesten als Lewis die vroeger bij Sun zaten, is duidelijk; de albumhoes bestaat bijvoorbeeld uit een - toen het album uitkwam - vrij recente foto van Jerry Lee Lewis, wat veel mensen waarschijnlijk de illusie heeft gegeven dat hij nog steeds bij Sun was. Een sluwe zet, zowaar!

Waar de eerste plaat met nummers uit de oude doos op het Sun-label georiënteerd was op de rock 'n roll en boogie woogie in het oeuvre van The Killer, wordt hier meer toegespitst op de country, zoals je uit de titel kan afleiden. Maar ook andere genres worden opgezocht. Zo hoor ik in de opener gospel voorbijkomen, en is Goodnight, Irene vooral bekend van bluesmuzikanten als Lead Belly en Mississippi John Hurt. Vooral de versie van die laatste vind ik - tezamen met die van Tom Waits - een pak indrukwekkender dan deze versie, die vooral op safe speelt.

Zo voelt het gehele album eigenlijk aan; spelen op safe. Want ja, dit zal ongetwijfeld wat opgebracht hebben aan de kassa, op dat vlak was die Singleton zeker geen domoor. Maar de echte begeestering ontbreekt, naar mijn mening.

3 sterren

Jerry Lee Lewis - Another Place Another Time (1968)

poster
4,5
Hoewel ik Jerry Lee Lewis 't best tot z'n recht vind komen als schuimbekkende, hyper-energieke rock 'n roll-artiest, verrast dit album me echt. Het duurt amper zevenentwintig minuten, maar de liedjes zijn mooi en weten me enorm te charmeren; binnen het kader van de country-muziek is vooral Hank Williams een rolmodel voor The Killer, en hij weet eenzelfde gevoel in z'n stem te leggen (of komt daar toch verdomd dicht bij in de buurt). Daarbovenop is de warme, gloedvolle productie van deze plaat absoluut een pluspunt. Ik voel me zowaar veilig en geborgen tijdens het beluisteren van deze plaat. Jerry Lee is ook nog 'ns erg goed bij stem; alles zit dus mee!

Dit album betekende ook een bescheiden comeback voor The Killer, die na zijn succesjaren in de jaren '50 danig was weggezakt. Hijzelf weet dat aan de veranderingen in het muzieklandschap in de VS (in Europa was hij toen volgens mij populairder), en had daar een fijne quote over veil:

When the DJ's stopped playing my records, I never said anything. What could I do? Holler and scream at 'em? For a while they wasn't playing Elvis, Chuck Berry, none of them! You'd think rock 'n roll had died in the night! All they played was them Bobbys - Bobby Vee, Bobby Vinton, Bobby Rydell, Bobby Darin. If your name was Bobby, you were in with a sporting chance.

Droogkomisch zoals altijd, die Jerry Lee. 't Was ook wel zo, maar hij was ook al enkele malen negatief in de media gekomen, onder meer door zijn huwelijk met z'n eigen minderjarige nichtje, en dat had z'n reputatie schade berokkend. Dat vergat hij er natuurlijk wel bij te zeggen.

Nu, alle nevenverhaaltjes buiten beschouwing gelaten, dit is natuurlijk gewoon erg goed. Ik kan ook geen favoriete songs opnoemen, daar het niveau zo constant is; de kwaliteit zo hoogstaand. Niet alleen Jerry Lee doet het hier goed, overigens. Ook zijn band zorgt net voor de juiste toon door niet al te zeer op de voorgrond te treden, en de frontman de nodige ruimte te geven. Dat pakt allemaal fraai uit.

4,5 sterren voor dit juweeltje!

Jerry Lee Lewis - Country Music Hall of Fame Hits Vol. 1 (1969)

poster
3,5
In 1969 dook Jerry Lee Lewis samen met z'n band en producer Jerry Kennedy de studio in. De recente successen die hij had geboekt hadden hem uit het slop gehaald als artiest, en platenlabel Smash, dat later opging in Mercury, wilde daar nog wat munt uit slaan, natuurlijk. Ook Jerry Lee zelf vond hernieuwde goesting dankzij het succes van de twee vorige country-platen. Het zou leiden tot twee platen waarop Jerry Lee Lewis country-klassiekers vertolkte.

Deze eerste volume staat alvast vol met bekende country-deuntjes. Zo horen we twee composities van Hank Williams, waarbij één trager, triester nummer werd uitgekozen (het pareltje I'm So Lonesome I Could Cry, en één snellere song, Jambalaya. Ook van Don Gibson horen we hier twee nummers langskomen, waaronder Oh, Lonesome Me, dat ik vooral ken van Neil Young op diens knappe plaat Harvest. Ook andere klassiekers als Heartaches by the Number, Born to Lose en I Love You Because doen het altijd goed bij mij, en de vertolkingen van Jerry Lee zijn stuk voor stuk oerdegelijk en vatten de juiste sfeer. Daaraan kan je ook merken dat zijn liefde voor het genre waarachtig is.

Afsluiter is het stemmige Jackson, waarop The Killer in duet gaat met zijn zus Linda Gail. Geef mij dan toch maar de tandem Cash/Carter. Maar bon, dit is alvast een goeie eerste, en ik verwacht eerlijk gezegd weinig anders op volume 2.

3,5 sterren

Jerry Lee Lewis - Killer Country (1980)

poster
4,0
Bedoel je dan dat je die twee laatstgenoemde nummers de zwakkere broeders vind, heartofsoul? Of net de sterkhouders?

Voor het overige ben ik het weer met je eens, de sfeer op dit album is erg goed opgebouwd, zal ook wel iets met de producer te maken hebben. Dit was overigens de laatste plaat die Jerry Lee Lewis zou uitbrengen op het Elektra-label. De Nashville-divisie (lees: country) kwam namelijk onder leiding te staan van een zekere Jimmy Bowen, die het niet zo goed kon vinden (een understatement!) met The Killer. Hij probeerde naar verluidt zelfs zijn telefoon af te tappen om belastend materiaal te verzamelen, maar kwam er dan op uit dat de FBI Lewis' telefoon al aftapte. Een sterk verhaal, maar het zou best kunnen kloppen, Jerry Lee's reputatie indachtig.

Zelf vind ik de afsluiter een erg knappe, eigenwijze adaptatie van de bekende klassieker, en wijkt ook Lewis' versie van Folsom Prison Blues erg af van het origineel van Johnny Cash (die vind ik dan weer wat minder geslaagd). Het zijn echter de wat minder bekende songs I'd Do It Again en Change Places with Me die me het meest kunnen bekoren; traag, slepend, bovenal ontroerend.

4 sterren

Jerry Lee Lewis - Last Man Standing (2006)

poster
4,5
Erg leuk album van Jerry Lee; deze eersteling na de eeuwwisseling is een spetterende comeback. Dit is voor een groot deel te danken aan de gastartiesten, natuurlijk. De opzet van het album is namelijk simpel: The Killer + een gastvedette (incidenteel zelfs twee, want op het prachtige Evening Gown doet naast Mick Jagger ook Ronnie Wood mee) brengen een bekende song uit de immense catalogus die de muziekgeschiedenis anno 2006 alreeds was.

Voor het merendeel pakt dit goed uit, en ik meen dat het album vooral in de Amerikaanse lijsten meer dan behoorlijk scoorde. Dat niet elke song even goed is, spreekt voor zich, en is wellicht ook subjectief. Voor mij springt Honky Tonk Woman er in negatieve zin uit, maar ik heb dan ook helemaal niets met Kid Rock. Ook het duet met Rod Stewart is niet al te geweldig, al ligt dat vooral aan de vocale prestatie van Stewart (van zijn stem ben ik eigenlijk ook nooit fan geweest). Jammer, want de song die zij getweeën brengen, vind ik een juweeltje.

Tegenover die paar mindere broeders staat echter een heel kroost toppers. Het begint al met Rock and Roll, dat voor een vlammende start zorgt. Daarna passeren grootheden als B.B. King, Bruce Springsteen en Neil Young, ook allemaal met overtuigende bijdrages. That Kind of Fool is een volgend hoogtepunt, met Keith Richards. Na nog een aantal prima songs volgt dan het tweetal bescheiden missers uit de vorige alinea, gevolgd door een geweldig hoogtepunt. George Jones is nochtans verre van de bekendste naam in het rijtje, maar die song is een toonbeeld van waar Jerry Lee Lewis voor staat: lekker doen waar je zin in hebt en je te pletter amuseren. De amicale sfeer spat er ook vanaf.

Couple More Years met Willie Nelson heeft hetzelfde effect als de song ervoor, maar dan iets minder briljant. Ondertussen passeert er ook nog een sprankelende gitaarsolo van Eric Clapton, en is het rocken geblazen met die andere levende legende, Little Richard. Een laatste hoogtepunt is de afsluiter: een spaarzaam, waardig besluit met Kris Kristofferson.

Als je weet dat er, naast al de genoemde namen, ook nog plaats was voor o.a. oudgediende Kenny Lovelace op gitaar en Jim Keltner op drums, dan weet je dat voor deze plaat een heel consortium aan muzikaal talent werd ingeschakeld. Het resultaat is dan ook vaneigens. Dit kan wel 'ns de beste plaat zijn die ik van The Killer heb gehoord!

4,5 sterren

Jerry Lee Lewis - Live at the Star Club, Hamburg (1964)

poster
4,5
Superieur, dit werk. Ik heb hem ooit in Brussel 'ns live aan het werk gezien (zo'n tien jaar geleden, schat ik), en toen was hij uiteraard reeds op leeftijd, maar er zat nog altijd schwung in. Maar dit...

Jerry Lee kronkelt, vibreert, verleidt, inspireert. Sensationeel, de manier waarop hij het publiek duidelijk naar z'n hand weet te zetten met klassiekers als Great Balls of Fire, Good Golly, Miss Molly en Hound Dog. Bovendien brengt hij een razende, kolkende, tweeledige versie van What'd I Say, die fantastische song van Ray Charles.

Hoewel dit live-album bestaat uit dertien nummers, werden er die avond eigenlijk zestien nummers opgenomen. Down the Line werd later nog als bonustrack aan een andere uitgave toegevoegd, de opnamen van You Win Again en I'm on Fire zijn hoogstwaarschijnlijk jammer genoeg zoek geraakt.

Afijn, dit live-album is eigenlijk van begin tot eind puur genieten van deze pittige artiest, die - figuurlijk, 'k mag het graag geloven - de club in lichterlaaie zette.

4,5 sterren

Jerry Lee Lewis - She Still Comes Around (To Love What's Left of Me) (1969)

poster
4,0
Raar dat hier wat minder animo is dan bij voorganger Another Place Another Time, want de plaat volgt krek hetzelfde stramien, en haalt ongeveer hetzelfde niveau. Toch geef ik dit album een halfje minder dan de voorganger, en dat omwille van het feit dat ik de uitgekozen songs net wat minder vind. En dat is puur subjectief, natuurlijk.

Jerry Lee covert hier o.a. Glenn Sutton, Otis Blackwell en Merle Haggard. Ook brengt hij een mooi nummer van Kenny Lovelace, Out of My Mind. Belangrijk detail is dat Lovelace één van de trouwe kompanen van Lewis is geweest, op gitaar.

De country-vibe is duidelijk voelbaar op deze plaat, compleet met steel guitar en fiddle, en Lewis' archetypische pianospel er als toetje bovenop. Today I Started Loving You Again spant wat dat betreft op majestueuze wijze de kroon.

Release Me is bij mij vooral bekend van de crooner met de gezegende naam Engelbert Humperdinck, maar deze versie vind ik eigenlijk beter. De Hump doet met zijn versie vooral een gooi naar grootsheid, terwijl Jerry Lee het hier opvallend ingetogen houdt, en dat pakt mooi uit. En wat je dan krijgt, is gewoon een mooie country-ballad.

En daar staat het album eigenlijk bol van. Afsluiter Echoes werd mede geschreven door zijn zus, de zangeres Linda Gail Lewis. Daarmee probeerde hij haar aspiraties als artieste meer in de verf te zetten, maar daar is eigenlijk nooit al te veel van in huis gekomen. Jerry Lee bracht - ook in 1969 - wel een album uit samen met z'n zuster.

Ik kende Jerry Lee Lewis vooral als rock 'n roll-artiest, maar begin zijn country-platen meer en meer te waarderen, moet ik erkennen!

4 sterren

Jerry Lee Lewis - There Must Be More to Love Than This (1971)

poster
4,0
Een bekoorlijke deerne aan de telefoon in het knusse bed.. Een glaasje Coke op een half verborgen tafeltje.. Een dwarrelende, vergelende foto van een man op de voorgrond.. Een albumtitel die boekdelen spreekt..

De albumcover vat het plaatje in dit geval goed samen; Jerry Lee Lewis spitst zich hier toe op een aantal songs over overspel en... spel in 't algemeen. Hij doet dat eens fluks (luister maar 'ns naar het vinnige Sweet Georgia Brown, met een glansrol voor de fiddle van Kenny Lovelace), dan weer op 't gemakje, wat het geheel een rustieke toets geeft, een beetje in de stijl van Hank Williams. Met Kenny Buttrey horen we hier, occasioneel op drums, nog een grote naam uit de muziekwereld; de man was te horen op o.a. Blonde on Blonde van ome Baawb, en Harvest van der junge Naehlis.


Maar het draait toch weer vooral om The Killer zelf, die eind jaren '60, begin jaren '70 écht een patent had op potente country-platen. En jawel hoor, hier flikt hij het 'm opnieuw. Het titelnummer, Bottles and Barstools, One More Time, Woman, Woman (Get Out of Our Way)… Ik kan ze haast allemaal opnoemen as songs die erg aangenaam de oorschelpen binnenkomen. Ook deze kan ik dus weer niet anders dan een uitermate positief cijfer toebedelen. En zo zie je, eens te meer, dat het toch fijn is het oeuvre van zo'n coryfee uit te spitten.

4 sterren

Jerry Lee Lewis - Young Blood (1995)

poster
4,0
Van 1967 tot en met 1980 bracht Jerry Lee Lewis minstens één - en vaak meerdere - plaat uit per jaar. De meeste bij Mercury Records; de laatste drie bij Elektra Records. Daarna bleef het - op dit vlak dan toch - een hele tijd stil rond deze markante artiest. Tot Sire Records in 1995 verraste met deze opvallend frisse plaat. Young Blood is een wat atypische titel op 't eerste zicht (Jerry Lee Lewis zou later dat jaar zijn zestigste verjaardag vieren), maar als je hem zo bezig hoort, is er niet veel verval te horen. Hij blijft kwiek en energiek overkomen, en de songs zijn hem op het lijf geschreven. Single Goosebumps swingt als de neten, het titelnummer is een klasse apart en songs als High Blood Pressure en Gotta Travel On luisteren ook erg fraai weg, waar Lewis' bovendien ook nog 'ns regelmatig weet te ontroeren.

Na dit album zou het alweer een tijdje duren alvorens de volgende studioplaat werd uitgebracht, maar de eerlijkheid gebiedt ook om toe te geven dat men in de jaren '90 en verder niet meteen zat te wachten op nieuw werk van The Killer. Desalniettemin: fijn plaatje!

4 sterren

Jerry Lee Lewis & Linda Gail Lewis - Together (1969)

poster
2,5
Ik zie dat hier zowaar twee berichten staan, wat bij het merendeel van Jerry Lee's soloplaten volgens mij niet eens het geval is. Toch was het Jerry Lee die met deze plaat vol duetten zijn zuster's carrière een boost wilde geven, en niet andersom natuurlijk.

Ik moet wel zeggen dat ik het vooral met Shaky eens ben. De helft van de duetten wordt een beetje versjteerd door Linda Gail, wiens stem inderdaad wat aan de schreeuwerige kant is, en niet zo goed past bij die van haar broer. Het klinkt af en toe ook wat geforceerd, alsof het van moeten is. Dan klinkt een lied als Jackson toch vele malen beter en geïnspireerder, gebracht door Johnny Cash en June Carter, bijvoorbeeld.

Toch is het niet al kommer en kwel, want een aantal songs zijn best goed. Zo klinkt Cryin' Time aandoenlijk en raakt die wel een gevoelige snaar. En Roll Over Beethoven is natuurlijk een klassieker en wordt hier goed gebracht, maar de versie van Berry zelf overtreft dit duet met gemak. Al bij al brengt deze plaat toch te weinig bij, en is het vooral The Killer zelf die de boel nog wat overeind houdt met zijn frivole pianospel en toch wel goeie stem.

2,5 sterren

Jethro Tull - Minstrel in the Gallery (1975)

poster
3,5
Deze plaat werd deze week door BeatHoven aangeraden, en ik heb 'm eruit gepikt (elke week 3 albums). Waarom ik dat deed, is vrij eenvoudig uit te leggen. De twee andere platen spraken me niet meteen aan, en van Jethro Tull kende ik al het één en ander ('Thick As A Brick' en 'Aqualung'). De muziek op deze plaat ligt wel in het straatje van bovengenoemde platen, maar toch ook weer niet. Dat wijst erop dat Jethro Tull een vrij eigenzinnige band was, met een geheel eigen benadering van muziek.

De opener bewijst dat meteen, een sprookjesachtig begin met fluitjes en melodieuze zang, waarna het nummer eensklaps openbarst en allerlei gitaargeweld wordt ingezet. Even later wordt het beginthema wederom ingezet, met vette gitaar. Dan zijn we half, en komen de fluitjes er weer in, het geheel wat, zoals aERodynamIC het ooit noemde, zwieresque te doen klinken. Enorm divers, maar vooral smakelijk nummer. Tekstueel weet ik trouwens niet wat ik van deze plaat moet maken, maar het zou wel eens redelijk middeleeuws kunnen zijn. Soit, ik heb er niet echt op gelet, en daar zit de muzikale veelzijdigheid voor een groot stuk tussen. Mijn excuses.

Die opener staat kwalitatief wel een trapje hoger dan de volgende nummers. 'Cold Wind To Valhalla' is een aardig nummer, weer opgesmukt met fluitjes en nu ook viool, en jankende gitaren. 'Black Satin Dancer' is een zich langzaam (helaas net iets te langzaam) ontvouwende ballade met wat rock 'n roll-invloeden. De fluitjes zorgen ook weer voor een middeleeuws sfeertje, enkele versnellingen en vertragingen proberen de boel draaiende te houden, en uiteindelijk lukt dat wel. Wendingen, geef mij wendingen!

Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat dit allemaal erg middeleeuws aandoet, en dat is dan geenszins als belediging bedoeld. Ik hoor die zwierige, onvoorspelbare, gevarieerde muziek wel graag. 'Requiem' is bijvoorbeeld van een heel andere strekking; rustig, akoestisch gitaartje en bijna fluisterende zang. Strijkers erbij (de titel van de song geeft het al een beetje weg, natuurlijk), mooi opgebouwd ook. Erg mooi nummer, punt uit. Klassieke muziek, we schrijven 1975. Natuurlijk zijn er wel meer van dit soort bands die zich lieten inspireren door klassieke muziek (Led Zeppelin, Deep Purple, to name a few), maar bij deze band is de inslag nog net wat groter. 'One White Duck...' is een song die een beetje passeert, zonder echt iets los te maken bij mij. Verraderlijk dan ook om voorbij te gaan aan het compositorische vernuft dat deze band met deze song toch ook weer etaleert. Het zit gewoon enorm goed in mekaar, en de plaat vormt mijns inziens ook gewoon één geheel.

Het magnum opus van dit album is 'Baker Street Muse', en duurt een slordige 16 en halve minuut. Het ligt ook weer volledig in de sfeer van het hele album, maar steekt er toch een beetje bovenuit, vind ik. Oké, samen met de opener dan. Natuurlijk heeft het in dit geval z'n lengte mee, waardoor er gewoon enorm veel kan gebeuren. En dat er enorm veel gebeurt, dat is een feit, zou ik zo denken. De gitaarsolo's zijn geweldig, en dat fluitje! Geniaal. De klassieke inslag die aan dit nummer mee wordt gegeven, is echt geweldig.

Met 'Grace' kent het album een korte outro; een waardige outro ook. Akoestische gitaar, en een aandoenlijke viool. En dat betekent dan het einde van deze plaat, een goeie hoor, met een paar uitschieters, en voor de rest best aardig allemaal, maar toch ook weer niet helemaal wat ik ervan had verwacht.

3,5 sterren

Jimmy Reed - I'm Jimmy Reed (1958)

poster
4,0
Eergisteravond luisterde ik voor de eerste maal naar Rough and Rowdy Ways op mijn grammofoon (had 'm wel reeds diverse malen via Spotify tot mij genomen), de nieuwe Dylan, en daarop staat het nummer Goodbye Jimmy Reed, over - u raadt het nooit - Jimmy Reed. Ik moest - jongens toch, wat ben ik compleet onvoorspelbaar vandaag! - spontaan denken aan Jimmy Reed.

Welaan dan, vandaag, met een dagje respijt, deze maar 'ns opgezocht, en blijkbaar had ik dat al eens eerder gedaan, getuige mijn bericht hierboven van alweer bijna 7 jaar geleden. De tijd staat niet stil, en veel materie vervliegt dan ook nog 'ns.

Goed, dit album dus. Een stemmige bluesplaat, die bij momenten zelfs weet op te monteren, en vooral fel indruk maakt dankzij het gitaarspel van Reed. Veel bands en artiesten die in de jaren '60 en '70 furore maakten, zowel in Amerika zelf als over de grote oceaan (ik denk dan met name aan het Verenigd Koninkrijk), zijn schatplichtig aan deze man, en steken hun adoratie ook niet onder stoelen of banken. Zo coverden bijvoorbeelde The Rolling Stones diverse nummers van Reed, waaronder Honest I Do, de opener van deze plaat. Ook mannen als Eric Clapton en Steve Miller haalden de mosterd deels bij Reed. En de albumhoes doet me best denken aan die van Howlin' Wolf's tittelloze, die in 1962 uitkwam.

Kortom: een prachtig plaatje, dat zich doorheen het gehele jaar (of het nu smoorheet, killig of doornat is) zonder moeite laat beluisteren.

4 sterren

Joe Henderson - Canyon Lady (1975)

poster
4,0
Joe Henderson leerde ik alweer enige jaartjes geleden kennen dankzij Inner Urge, en het nummer El Barrio vind ik nog steeds één van de onverwoestbare hard bopklassiekers uit de jaren '60.

"El barrio", dat is de buurt/buitenwijken/omgeving" in het Spaans, wat op een soort gemeenschap duidt, een gevoel dat je ook erg sterk in die compositie terughoort. De link met Canyon Lady is dan ook, als je naar de eerste twee tracktitels kijkt, gauw gelegd.

Qua geluid wijkt Henderson anno 1973 (dit album bleef na de opnamesessies nog even op de plank liggen) wel af van zijn klassieke werk, hier is meer ruimte voor experiment, met een flinke latin & fusion-onderlaag. Wat wel weer aanwezig is: de onweerstaanbare groove van Henderson's machtige tenor sax. De bandleider vormt dé constante, de scheppende kracht en leidende hand tijdens deze sessies, hij klinkt geïnspireerd. Tel daar de broeierige passages met conga's en timbales bij, en je krijgt gewoon een frisse, energieke, levenslustige plaat.

4 sterren

Joe Henry - Invisible Hour (2014)

poster
4,5
Ik kan nu toch stilaan gaan beweren dat Joe Henry één van mijn favoriete artiesten van de 21ste eeuw is. Ook in de jaren ’90 heeft hij enkele fraaie plaatjes gemaakt, maar toch vooral in deze eeuw, met onder andere ‘Tiny Voices’, ‘Scar’, ‘Reverie’ en vooral ‘Civilians’. En aan dat indrukwekkende rijtje heeft Henry nu ook ‘Invisible Hour’ toegevoegd; alweer een plaat die de luisteraar tot kroongetuige maakt van Henry’s onbetwiste vakmanschap, passie en zijn gave om excellente songs te smeden.

De albumhoes kan soms een weerspiegeling zijn van de inhoud van het pakje, en toen ik die onder ogen kreeg, wist ik dan ook dat het meer dan goed zat. Weer donkere, wat grauwe kleuren (ik herken er vaak een soort moedeloze hoop in), geen gebruik van hoofdletters. Het woordje songs op de achterkant tussen haakjes, met een witte, nieuwsgierige ezel waar de prikkeldraad dwars doorheen lijkt te lopen. Een illusie, uiteraard, maar welke van de twee is de illusie, de ezel of de draad? De hoes alleen al houdt me even zoet.

Goed, dat was een eerste indicatie. Laat de muzikale voorbode, ‘Lead Me On’, een tweede zijn, een forse aanwijzing in de richting van een geweldige plaat. Zoals één zwaluw nog geen zomer maakt, maakt ook één nummer nog geen plaat, maar de voortekenen waren er, net zoals goed drie jaar eerder, toen het erg mooie ‘Odetta’ (dat ik destijds helemaal plat heb gedraaid) het album ‘Reverie’ voorafging. Dat was toen een soort ode aan de folkzangeres Odetta, ditmaal krijgen we een wat lichtvoetig duet met de immer bekoorlijke Lisa Hannigan te horen. Het nummer doet me in de verte wat denken aan ‘Somethin’ Stupid’ van Frank & Nancy Sinatra, maar dan zonder de klefheid. Verder niets slechts over Sinatra, natuurlijk.

Een albumpie van 35 à 40 minuten hoef je van Henry niet te verwachten, en dat is voor sommigen onder ons misschien wel een reden om hem te weren, of toch wat minder hoog te waarderen. De beroemde spanningsboog, zullen we zeggen, blijft dan niet voor de volle duur overeind. Alleen, Joe Henry werkt niet met een spanningsboog. Hij hoeft dat in mijn ogen niet te doen, omdat hij één van die songsmeden is die louter met woorden een luisteraar als ik al een goed uur weet te boeien. Neem nu bijvoorbeeld ‘Sign’, waarop Henry rustig z’n tijd neemt, en in goed 9 minuten een fascinerend verhaal vertelt. De instrumentale ondersteuning is bovendien ook fantastisch, een combinatie van verschillende instrumenten die elk hun eigen rol spelen (de akoestische gitaar van Henry die de basis legt, samen met de bas en wat spaarzaam drukwerk nu en dan; een flukse klarinet; de mandoline). Het nummer begint al met de mooie, poëtische zinsnede “I was born in Montreal; A winter’s slip that bloomed in fall”, wat slechts de opmaat is voor één van de beste nummers van het jaar.

Henry zegt in zijn liner notes dat al deze songs misschien nog het meest van al over het huwelijk gaan, “marriage as a verb, not a noun” – over alle aspecten en de vreemde aantrekkingskracht van dit toch wel bloedserieuze verbond. Specifieke verwijzingen hiernaar heb ik niet meteen teruggevonden in de teksten, maar het gaat ‘m meer over het grote geheel, denk ik. Joe Henry is er ook niet de man naar om recht voor de raap te spreken, en verhult zijn ideeën, gevoelens en gedachten meestal in een stralend kleedje van poëzie en metaforen. Al vind je in het themanummer misschien nog wel een vrij duidelijk verwijzing terug:

“Oh, I’ve come back to plead and dance;
To forgive us both all in advance.”

Dit lijkt me een variant op de huwelijksgelofte, maar het is voor mij ook maar gissen en interpreteren, natuurlijk. Ieder maakt er, zoals zo vaak, toch het zijne van. Van elke versie bestaan er miljoenen versies.

Af en toe moet ik ook aan andere artiesten denken, hoewel Joe Henry zeer herkenbare en eigen muziek maakt. Twee namen: Laura Marling en Elvis Costello. Niet de meest voor de hand liggende namen, waarschijnlijk, maar sta me toe om dit even toe te lichten. Het wervelende gitaarspel in ‘Grave Angels’ doet me namelijk wat denken aan een nummer van Laura Marling (kan er niet meteen opkomen, vermoedelijk een nummer op ‘A Creature I Don’t Know’). Diezelfde jongedame komt mijn gedachten nog eens binnenzweven bij ‘Every Sorrow’, met alweer zo’n gitaarriedel die me aan haar doet denken. Bovendien doen vers 2 tot en met 6 van elke strofe me qua intonatie erg aan Elvis Costello denken, zoals bijvoorbeeld het onderstaande fragment:

“Memories of the cold Decembers;
Tramples roses, cloves and embers;
Gone the shadows deep divisions;
That trade on hopes with steep conditions.”

‘Alice’, het kortste nummer op de plaat, is, volgens het CD-boekje, opgedragen aan Alice Munro, oftewel de winnares van de Nobelprijs voor de Literatuur 2013. Ik kan, als leek wat het werk van Munro betreft, geen linken leggen, maar kan wel zeggen dat het, in al z’n eenvoud, ergens in mij iets losmaakt, waar ik de vinger niet goed op kan leggen. De tekst is ogenschijnlijk simpel, een beetje nietszeggend, zou je zelfs kunnen denken, maar Henry zingt het met zulk een gevoel, dat ik er elke keer weer intens van kan genieten. Als ‘Alice’ een ode is aan Alice Munro, laat deze alinea dan gerust een ode zijn aan Joe Henry.

Niet alleen Henry verdient lof op deze plaat, natuurlijk. Ik vernoemde eerder al Lisa Hannigan, die er zeker voor de helft voor verantwoordelijk is dat ik ‘Lead Me On’ zo knap vind, en die ook meeschreef aan de tekst van het titelnummer. Ook klasse-muzikanten als Greg Leisz (een befaamd sessie-muzikant, eerder ook al op o.a. ‘Civilians’ van de partij) en vaste waarden Jay Bellerose (drums), David Piltch (upright bass) en Levon Henry (klarinet en saxofoon, en tevens de zoon van Henry met zijn vrouw Melanie Ciccone, jawel, de zus van Madonna) doen hier hun spreekwoordelijke duit in het zakje. Tot slot moet ik ook zeker The Milk Carton Kids vermelden, die met hun – soms wat bevreemdende – achtergrondzang de nodige accenten verleggen. Goeie zet van Henry!

Maar natuurlijk komt de hoogste eer Joe Henry te beurt. Een groot deel van de mooie, grauw-melancholische foto’s die in het CD-boekje te vinden zijn, heeft hij zelf geschoten, waaronder een machtig beeld van een boom met ontzettend veel vertakkingen.

In afsluiter ‘Slide’ wordt er op een serene, rustige manier afscheid genomen van de luisteraar, beginnend met een vermaning (“Oh, cursed morning; who told you to rise?”), voortzettend met een aanmaning (“Oh, take my shoulders; and square them to the wind.”) en afsluit met voldongen feiten (“We’re dying to be other; but we’d kill not to become.”).

En, over de Nobelprijs Literatuur gesproken; in het CD-boekje draagt Henry zijn album ook nog op aan Seamus Heaney, een Noord-Iers dichter die de prestigieuze prijs won in 1995, en onlangs overleden is.

Dedicated to the memory of Seamus Heaney, who stood not only as Ireland’s “national lighthouse” but as a beacon to all of us skirting stones in rough water at the border of our hearts and minds – a division uncharted, unguarded, and ever-shifting. The treacherous beauty of that crossing is where we meet and abide and suffer and love, the man knew, and he kindly told us so.

Ik ben niet gelovig, maar: Amen.

4,5 sterren

Joe Henry - Reverie (2011)

poster
4,5
Sinds dit jaar staat Joe Henry in mijn top 10 overall, met ‘Civilians’. Die krijgt van mij de maximumscore, en ik acht het dan ook zo goed als onmogelijk dat hij dat album nog ooit gaat overtreffen voor mij. Hiermee begin ik mijn betoog maar, om aan te geven dat hij op ‘Reverie’ gevaarlijk dicht bij het niveau komt dat hij op ‘Civilians’ presteerde. ‘Reverie’ duurt een vol uur, verdeeld in 14 nummers, waarvan er na een behoorlijk aantal luisterbeurten geen enkel door de mand valt. Integendeel zelfs.

Uiteraard heb ik dit album aangeschaft. Van Joe Henry heb ik inmiddels drie platen, en ik zou er liever nog meer hebben, maar ze zijn vrij moeilijk te vinden. Erg jammer, want net het artwork (hoes, boekje) is altijd de moeite bij Henry; ook dit keer. De hoes is grauwgekleurd, met een soort ventilator. De albumtitel staat in grijsblauwe letters op de hoes geschilderd; het ziet er allemaal erg expressief uit. De binnenkant van de hoes toont ons het onderstel van twee mensen op gezegende leeftijd, zittend op een bank; de man (denk ik toch) heeft zijn hand op het been van de vrouw gelegd. Een innig en ontroerend beeld, dat symbool staat voor Henry’s muziek. Op de achterkant van de hoes zien we op de voorgrond een schoen die aan een prikkeldraad gebonden is, door middel van de veter. In de verte staat een mistroostige, eenzame boom, gescheiden van het bos. De weide geeft een desolate indruk.

Het boekwerk verdient ook een aparte paragraaf, dunkt mij. Donkere kleuren domineren, een griezelige boom staat centraal. Alle teksten staan in het boekje, dat mag geen verrassing zijn. Verder heb je ook enkele fraaie, donkere illustraties, en interessante notes, waar enkele songs volgens mij wel op geïnspireerd zijn, en waar Henry als hij zou willen zo nog een paar songs uit zou kunnen puren. Hij bedankt ook omstandig zijn medemuzikanten, vrienden en familie – in het bijzonder zijn ouders, zoals uit dit tekstje op te maken:

“This album is dedicated to my parents.
It is a raucous and fractured and noisy affair, yes,
But it is for them just the same.

I offer this in gratitude for a lifetime of encouragement,
Which they continue to provide; for their example that good faith
Is both hard-won and free; that true love and real forgiveness
Are verbs and not nouns.

I offer this because they are here, still living in forward motion.
Because I am here and can.”

Daar word ik toch even stil van. Erg mooi van Henry, en tegelijkertijd vat het ook de essentie van ‘Reverie’. Je moet er het beste van maken, voor de mensen die het meest van je houden. Henry houdt ook van gezelligheid. Zo bedankt hij Hugh Laurie (wiens plaat hij eerder dit jaar producete) voor de Macallan “21” (whisky, by all means).

Joe Henry bouwt voort op zijn vorige plaat, ‘Blood from Stars’, en gaat nog meer de kant van de blues en de jazz op. Hij heeft er ook een uitstekende stem voor; doorleefd, een beetje croonend, bovenal bomvol emotie. Opener ‘Heaven’s Escape’ is meteen een fantastisch nummer, met zijn trage tempo, de mooie, ietwat losse instrumentatie (een element dat wel meer zal terugkomen) en natuurlijk de tekst; ik heb altijd al een zwak gehad voor de teksten van Henry, die er in slaagt om de luisteraar in zijn wereld te trekken, hem deel te maken van zijn kleine verhalen.

‘Odetta’ werd al eerder vrijgegeven, en het is op mijn Last.FM account het nummer dat ik het meest heb beluisterd, veruit zelfs. Desondanks ben ik het nog lang niet beu gehoord, dat zegt genoeg. Het nummer is een soort ode aan de folklegende Odetta, en klinkt ook wel wat folky. ‘After the War’ is ook een nummer dat ik graag mag opzetten, pianist Keefus Ciancia speelt ingetogen, maar weergaloos. Een akoestisch nummer, en wat ook opvalt is het soms zenuwachtige drumwerk van Jay Bellerose. Een hond laat zich op het eind huilend horen.

‘Sticks & Stones’ is een nummer waar ik aanvankelijk wel wat moeite mee had, maar eigenlijk is het gewoon een fantastische song. De passage waar de muzikanten (en vooral de drummer dan) eens gek mogen doen, is verworden tot één van m’n favoriete passages op het album. Het nummer heeft ook een lekkere drive (refrein), ondanks zijn relatief trage tempo. Deze song verenigt de blues- en jazzwortels van Joe Henry met elkaar. ‘Grand Street’ begint wederom rustig, met wederom een markante rol voor de drummer. De melodie van het nummer houdt zich moeiteloos staande. Gaandeweg wordt de instrumentatie wat onrustiger en jazzier, wat zorgt voor een heerlijk loom gevoel. ‘Grand Street’ is groots in zijn kleinheid; iets waar Joe Henry heer en meester in is. Deze keer doet hij het zonder echt refrein, en ook dat verloopt perfect.

Het gepiel waarmee ‘Dark Tears’ opent, trekt meteen de aandacht. Daarna wordt een ijzersterke bluesy melodielijn opgezet, ondersteund door de ritmesectie. Henry begint te zingen, traag en bluesy. Jawel, dit is pure blues op z’n Henry’s. De overgang van nummer naar nummer is trouwens naadloos. Vaak met behulp van de natuur (wind, water), eindigt het ene nummer, om voort te vloeien in het andere. Zo ook bij ‘Strung’. De tekst heeft veel weg van een mooi gedicht, en staat bol van die typische volkse dingen waarmee Henry doorgaans zijn teksten doorspekt. Het grote publiek zal hij waarschijnlijk wel nooit bereiken, maar dat hoeft ook helemaal niet; Joe Henry is goed zoals hij is, en hoeft van mij absoluut niet groter te worden; dat zou de charme alleen maar weghalen.

Marc Ribot is hot bij de sterke singer-songwriters, lijkt het. Hij speelt mee op ‘Bad As Me’ van Tom Waits, maar ook op deze plaat van Joe Henry is hij te horen. Op ‘Tomorrow Is October’ heeft Ribot een klein aandeel, hij speelt ingetogen akoestische gitaar. Fantastisch nummer trouwens, Henry slaagt er helemaal in om je mee te sleuren in zijn relaas. Op ‘Piano Furnace’, een lieflijk nummer waarop de piano natuurlijk een belangrijke rol speelt, horen we ook Lisa Hannigan meezingen. Of meefluisteren, het is maar wat je verkiest. Dat Henry haar net voor dit nummer heeft uitgekozen, bewijst zijn onbetwist vakmanschap; het is de ideale stem voor dit nummer.

‘Deathbed Version’ klinkt een beetje afwijkend, omwille van zijn speelse melodielijn; hier hoor je echt dat Henry en kompanen zich lustig amuseren. Ribot speelt ukelele, een instrument dat ook weer perfect past bij dit nummer. Het plaatje klopt gewoon, van begin tot eind. Ik raak er steeds meer van overtuigd dat dit ‘Reverie’ een geniale plaat is, van één van de beste en meest onderschatte singer-songwriters van het moment.

‘Room at Arles’ is een prachtige, tot tranen toe bewegende ode aan Vic Chesnutt, zijn betreurde collega artiest. Ingetogenheid troef op deze song, en de laatste regels van het nummer, “every song I’ve ever sung, has been a song for going”, liegen er niet om. Een kort, ingetogen nummer, maar de intensiteit en inleving druipen er van af. Met ‘Eyes Out for You’ zijn we inmiddels al aanbeland bij het twaalfde nummer, en dat is het twaalfde geweldige nummer op rij. Te uwer informatie: ja, de overige twee zijn ook de moeite. De instrumentatie varieert op dit nummer, van rustig tot drukkend. Erg jazzy nummer.

Dat Henry een meester is in het uitvlooien van meeslepende melodielijnen, bewijst ook ‘Unspeakable’ weer. Hij zorgt er altijd voor dat het timbre van zijn stem past bij de melodie, dat de frasering niet botst met de instrumentatie, kortom; hij zorgt ervoor dat alles perfect klinkt, zonder dat het geforceerd gaat klinken. Dat is erg knap; op dat punt gaan veel artiesten in de fout, terwijl Joe Henry erg spontaan en eerlijk klinkt. Dat heeft natuurlijk ook veel te maken met zijn teksten, zijn aparte stemgeluid en de vaklui waarmee hij zich heeft omringt. Afsluiter ‘The World and All I Know’ doet denken aan ‘Pretty World’ van Sam Baker, vooral dankzij het nonchalante gitaarspel van Henry en de pump organ van Patrick Warren. De tekst is ook weer fantastisch. Een fragment:

“The dark great river bends below me;
A void of light now tells me so;
Where tiny towns crowd its shoulders;
Between the world and all I know…”

Dit beeld is treffend voor Joe Henry; met albums als ‘Tiny Voices’ en ‘Civilians’ bleek hij een artiest die zingt over gewone mensen, en wat zij meemaken, en wat er in hen omgaat. Over hun leefwereld, en hoe die langzaam naar de filistijnen wordt geholpen. Een rivier, ooit puur en ongerept, nu verstoord door licht en bebouwing, moet dit alles dragen op zijn frêle schouders, als een Atlas. Joe Henry maakt ons bewust van de omvang van de hedendaagse situatie, en geeft ook aan waar de oorzaken voor al deze problemen in schuilen.

Omdat de teksten van Joe Henry weergaloos zijn, zou ik graag mijn betoog beëindigen met enkele tekstflarden:

“A dog-eared mind sniffed my heart;
Like a pocket full of German marks;
Long after the war was through” (‘After the War’)

“I keep wooden boxes like traps strung with wire;
In the light of old tires, piled and on fire;
Wearing their smoke like a flower in bloom;
Cut like the thread in a pipe fitter’s room” (‘Strung’)

“And giving in to evening, who has beat him like a brother” (‘Room at Arles’)

“Oh, farewell to arms and to all we might be;
Farewell to this endless confused reverie” (‘Heaven’s Escape’)

4,5 sterren

John Coltrane - A Love Supreme: Live in Seattle (2021)

poster
4,5
Deze ochtend besloten om het nieuwe jaar met Trane in te zetten, en na Sun Ship eerder vandaag (geweldige plaat overigens) me nu eindelijk overgegeven aan deze live-plaat. En het is toch wel een spektakel!

Vooreerst: de geluidskwaliteit stoort me hier allerminst. De drums klinken inderdaad erg luid en bij momenten overheersend, maar volgens mij ligt dat ook wel een beetje aan Elvin Jones zelf, een onnavolgbaar beest - de machtige solo die hij in de eerste interlude, als ik me niet vergis, speelt, spreekt boekdelen!

Verder is het vooral Trane zelf die schittert, natuurlijk, met Sanders aan zijn zijde. We horen wel wat onderlinge duels, maar de twee meesters gunnen elkaar vooral de ruimte, wat erg goed werkt. Nu, aan de studio-opname kan deze performance vooralsnog niet tippen (dat zal ook wel een sentimentele factor hebben), maar bij momenten word ik hier compleet weggeblazen door Trane en zijn band. Het spirituele meesterschap van de leider zelf, het woeste uitvaren van Sanders, de machtige roffels en combinaties van Jones.. En daartegenover de contemplatieve Garrison en een bescheidener klinkende McCoy Tyner (al hoor je het technisch meesterschap in alles terug).

Deze vrije interpretatie van zijn eigen meesterwerk, maar dan een jaar of wat na dato, leunt tegen de perfectie aan voor mij, zoals wel meer werk van Trane. Hopelijk wordt de rest ook eindelijk 'ns van de verstofte archiefplanken gevist, zodat wij er allemaal van kunnen genieten!

4,5 sterren

John Coltrane - Expression (1967)

poster
4,0
Eerste postuum uitgebrachte plaat van John Coltrane, naar het schijnt heeft hij in de laatste dagen van zijn veel te korte leven met producer Bob Thiele nog meerdere gesprekken gehad over het album, waarbij onder andere de titel door Trane werd geopperd, en ook zijn wens op de LP-hoes zo min mogelijk woorden te verspillen aan de plaat. Trane vond dat de muziek voor zichzelf moest spreken, en dat doet ie zeker!

Expression is een treffende titel, want vooral de langere nummers drukken gevoel en geladenheid op erg intense wijze uit. Pharoah Sanders speelt mee op To Be, een schitterende compositie van ruim een kwartier waarop Trane en Sanders beiden fluit spelen, en we ook een geweldige Alice Coltrane horen (dat is trouwens over het gehele album zo). Toch wel één van de vele hoogtepuntjes in het oeuvre van John Coltrane, en het doet me ook het volgende verzuchten: "Man, wat hadden Trane en Sanders nog voor moois kunnen uitbrengen samen!"

De titeltrack mag het album afsluiten, nog eenmaal de machtige Coltrane op zijn altsax, in vol ornaat. De tracks zijn opgenomen begin 1967, toen hij al even leed aan leverkanker, waar hij uiteindelijk aan tenonder zou gaan, en het is dus des te verbazender dat ie nog zo krachtig en vitaal klinkt.

Dit album is gewoon 40 minuten genieten geblazen, maar doet me toch ook weer terugkomen bij mijn eerdere verzuchting: deze man heeft een veel te kort leven geleid (al zal zijn drugsgebruik daar ook wel een rol in hebben gespeeld). We kunnen echter enkel accepteren dat dit zo is, en van 's mans muziek genieten. En dat doe ik met volle teugen..

4 sterren

John Coltrane - Meditations (1966)

poster
4,5
Waanzinnige plaat, in alle opzichten. Ik heb de "originele" versie (later uitgebracht als First Meditations) zonder Sanders en Ali nog niet beluisterd, maar het lijkt me sterk dat die hieraan kan tippen, want het toevoegen van bovengenoemde heren aan het kwartet om er zodoende een sextet van te maken, is een schitterende ingeving geweest van Coltrane, of die nu uit authentieke vernieuwingsdrang of het eerder clichématig willen doorbreken van de sleur ontstond.

De plaat opent meteen als een stoomtrein - neen, een stoomwals! - met Coltrane en Sanders die hun tenor sax systematisch mishandelen om elkaar naar de kroon te steken. Op de achtergrond zorgen Ali en Jones aan hun drumstels voor een volle zaal (lees: geluid), en zweeft Tyner er energiek doorheen met zijn zwierig pianospel. En dat ruim 12 minuten lang! Dit is ook, dacht ik, een compositie die op de kwartetversie (die ik dus nog moet beluisteren!) ontbreekt. Het zou ook niet werken zonder Sanders en Ali, denk ik.

Zo gek en druk wordt het nergens meer, maar dat betekent geenszins dat we met die fenomenale opener meteen alles hebben gehad, integendeel zelfs. Ook de vier daaropvolgende composities zijn behoorlijk straffe kost, met heel wat afwisseling. Love is een wondermooi rustpunt, even op adem komen en intens genieten van de klanken die Coltrane uit zijn sax weet te toveren; "Love" is wellicht één van de vaakst voorkomende zelfstandige naamwoorden in songtitels, maar zelden voelt het zo juist aan als hier. Dat dit puur instrumentaal is, spreekt wat mij betreft nog een boekdeel of 5 meer bovenop de hele cyclus die zich ondertussem al over de kamervloer uitspreidt.

En zo kan ik aan elk nummer wel een enthousiaste alinea wijden, maar dat is, de puike schrijfsels hierboven lezend, niet bepaald nodig. Deze wordt de spirituele opvolger van het bejubelde A Love Supreme (hier: dikke 5 sterren) genoemd, en daar kan ik me wel bij aansluiten. Er zit echt een coherent idee achter, ondanks de chaos die soms (schijnbaar?) regeert. De enige reden waarom ik deze niet van de volle mep voorzie, is dat het een voor mij nog relatief recente ontdekking is, en ik praktisch nooit instant 5 sterren uitdeel. Nog niet. Want die kans zit er wel dik in.

4,5 sterren

John Cougar Mellencamp - Scarecrow (1985)

poster
3,5
John Mellencamp is een artiest met een volgens sommigen indrukwekkend, doch jammer genoeg veel te onbekend oeuvre. Ik durf daar wel in mee te gaan. Mellencamp doet immers niets fundamenteel anders dan bijvoorbeeld een Bruce Springsteen, en qua stem komt hij ook wel eens in de buurt van The Boss.

Dit album is er eentje met twee gezichten, vind ik. Enerzijds heb je de hoorbaar aanwezige klasse die Mellencamp uitstraalt, en zich uit in songs zoals 'Small Town', 'Between A Laugh And A Tear' en 'Rain On A Scarecrow'. Anderzijds heb je de simpele ziel, met zijn meer rechtoe-rechtaanliedjes, zoals 'The Face Of The Nation'. Dat pakt niet altijd even goed uit, er staan wel enkele minder sterke nummers op 'Scarecrow'. Daarbij denk ik vooral aan 'R.O.C.K. In The U.S.A.' en 'Rumbleseat'.

Het gitaarspel van Mellencamp is nooit moeilijk, maar meestal wel efficiënt. Enkele keren slaagt Mellencamp er zelfs in om mij echt te raken, zoals Springsteen dat kan. Het verschil tussen beide heren is dat het Springsteen een pak meer lukt om me te raken. Geen schande voor John Mellencamp, die gewoon een erg goede artiest is, die z'n vak kent, en naar mijn mening nu op een even hoog niveau staat als toen. 'No Better Than This', zijn laatste plaat (uit 2010) bestaat immers voor het merendeel uit erg mooie, ontroerende dan weer betoverende songs.

'Scarecrow' is een zomerplaat. In het zonnetje genieten van deze plaat levert voor mij gegarandeerd een meerwaarde. Voor wie kennis wil maken met John Mellencamp is dit volgens mij een geschikte plaat om mee van start te gaan. Is het niet, ArthurDZ?

3,5 sterren

John Grant - Queen of Denmark (2010)

poster
3,5
John Grant, ik werd op de hoogte gesteld van zijn bestaan dankzij een interview en cd-recensie in HUMO. Maar eens wat van beluisteren, zei ik tegen mezelf. En ik ben blij dat ik dat gedaan heb.

Die eerste drie nummers zijn erg mooi, maar vooral op 'I Wanna Go To Marz' hoor je begeleidingsband Midlake duidelijk (dat fluitje!).

'Sigourney Weaver' doet me niet zoveel eigenlijk. Het is wel een goed nummer, maar mist dat tikkeltje extra dat de drie eerste nummers wel hebben.

'Chicken Bones' en 'Silver Platter Club' zijn iets luchtiger dan voorgaande nummers, een welkome afwisseling toch wel, al zijn ze kwalitatief toch minder goed dan die eerste drie, die ik werkelijk geweldig vind. 'Silver Platter Club' doet me in de verte wat denken aan Maxwell Silver Hammer' van The Beatles. In de verte.

'It's Easier' klinkt gelijk weer wat zwaarmoediger, Grant denkt dat de luisteraar na twee minder zware nummers weer klaar is om het wat meer desolate werk tot zich te nemen. Dat lukt toch wel, dit nummer is ontroerend, en heeft een trieste ondertoon.

'Outer Space' vind ik het minste nummer van de plaat, Grant zingt een beetje zeurderig op dit nummer, en ook dat synth-achtige geluid staat me niet aan.

'JC Hates Faggots', een nummer waarin Grant afrekent met z'n verleden en z'n geaardheid. Het schijnt (en door aERo hierboven reeds vermeld) dat hij als homoseksueel jongetje opgroeide in een streng christelijke omgeving, en dat de Kerk het niet echt begrepen heeft op dat soort individuen, dat weten we allemaal.

Op 'Caramel' horen we de piano weer, en dat bevalt me wel. Grant's zang is mijns inziens weer net wat beter dan op twee voorgaande nummers.

'Leopard And Lamb' is weer een song dat het niveau van de eerste drie nummers kan halen, voor een groot deel te danken aan de geweldige instrumentatie van Midlake, die mij met hun 'The Courage Of Others' eerder dit jaar ook al erg goed meevielen. 'Queen Of Denmark' is weer een pianoballad, zoals er wel meer op deze plaat staan.

John Grant is een aangename ontdekking geweest voor mij, hij is een singer-songwriter met een speciale persoonlijkheid, die zich uit in zijn soms satirische teksten, en enige ironie en zelfspot zijn nooit ver weg. Ik lees hier dat hij in een band zat/zit(?), The Czars, misschien daar ook maar 'ns wat van opzoeken.

3,5 sterren

John Hiatt - Dirty Jeans and Mudslide Hymns (2011)

poster
4,0
Geweldige plaat van John Hiatt. Hij is bij het grote publiek vooral bekend ban 'Have a Little Faith in Me', maar geef alstublieft ook ander werk van deze mens de kans! En waarom niet meteen 'Dirty Jeans and Mudslide Hymns', een plaat die bol staat van de mooie melodieën, weemoed en occasioneel rockplezier.

Hiatt is niet van de generatie Dylan - Young, maar komt daar achter. In de voetsporen van Bruce Springsteen, zeg maar. Zijn muziek heeft echter niet veel feeling met Springsteen, dan associeer ik 'm toch eerder met Dylan. Af en toe wat countryinvloeden ook. John Hiatt is de simpele jongen die opgroeide om een oudere wijze man te zijn, vol nostalgie. Dit hoor je terug in nummers als 'Til I Get My Lovin' Back' en 'Hold On for Your Love'.

Niet elk nummer is een trage, Hiatt zorgt ook voor een vrolijke noot met uptempo nummers. En voor een moeilijk te plaatsen gevoel daar tussenin. 'Damn This Town' is een verhaal waarvan de verteller niet te benijden is; 'Train to Birmingham' raakt bij mij exact de juiste snaar; een pracht van een nummer, er zijn er maar weinig die ze zo af kunnen maken. Vooral volgend fragment raakt me:

"I never get to Birmingham;
But gettin' there ain't the plan;
I just like the feel of going home."

In enkele simpele zinnetjes, die, zo lijkt het (maar dat is bedrieglijk), iedereen had kunnen bedenken, drukt Hiatt een gevoel uit dat universeel is; heimwee. De gedachte is soms krachtiger dan de daad, en als je genoeg fantasie hebt, dan loopt alles wel los.

En het spelplezier mag er uiteraard ook wel 'ns afspatten. 'Detroit Made' is onbezorgde, leuke rockmuziek, zonder veel pretentie. 'Adios California' zegt de zonnige sfeer voorgoed gedag, want afsluiter 'When New York Had Her Heart Broke' is één en al introspectie over 9/11. De song lag al van net na de ramp op Hiatt's plank, maar hij besloot om het nummer te bewaren tot de tijd daar was, de gepaste tijd. Niet net na de ramp even een gevoelig nummertje uitbrengen en cashen, zoals sommigen dat ongetwijfeld wel deden.

John Hiatt mag op dit elan gerust nog wat doorgaan, en inspiratie halen uit de prestaties van nog oudere oudjes als Leonard Cohen, Bob Dylan, Neil Young en Tom Waits. Ook zij weten nog altijd geweldige platen te maken.

Voor ik het nog vergeet, wens ik mijn betoog af te sluiten met felicitaties: gelukkige 60ste verjaardag, John!

4 sterren

Johnny Cash - American II: Unchained (1996)

poster
3,5
In 1994 kwam het eerste album in de illustere American Recordings-serie van Johnny Cash uit. De liedjes werden, op één na, opgenomen in december 1993, een kleine tien jaar voor het overlijden van Cash, en zo vormde dat album het beginpunt van de laatste fase van zowel Cash’s leven als carrière.

Wat die plaat kenmerkt, is de bijna pijnlijk breekbare soberheid van de nummers. Cash bracht, in zeer intieme setting (op zijn eentje, met akoestische gitaar) 13 nummers (waarvan 2 opgenomen voor een live publiek), en de algehele teneur trof mij als in mineur. Deze opvolger hebben producer Jack Rubin en Cash het geheel anders aangepakt. Op American II: Unchained wordt Cash bijgestaan door niemand minder dan Tom Petty & The Heartbreakers. Deze klasbakken zorgen voor veel meer schwung en leven in de brouwerij, en Cash zelf klinkt ook veel energieker. Enkele andere opmerkelijke gasten zijn Lindsey Buckingham en Mick Fleetwood, bekend van Fleetwood Mac, op de tweede track; en Flea, de bassist van Red Hot Chili Peppers, op de zevende track. Toegegeven: ik had hen er ook niet uit herkend zonder de liner notes te lezen.

De intieme setting werd dus ingeruild voor een rijker, weidser geluid. Dit komt het tempo van de plaat ten goede, vind ik, want het plaatje is voorbij voor je ’t beseft. Tegelijkertijd weten de songs net daardoor minder te begeesteren, al is dat helemaal mijn eigen mening natuurlijk. Ik vind Cash in zijn nadagen nu eenmaal het best tot zijn recht komen in alle soberheid, denk ik; de gebroken klank in zijn stem, de intensiteit van zijn woorden; om koude rillingen van te krijgen.

De hoes bestaat uit een foto waarop Cash tegen een houten schuurtje of iets dergelijks geleund staat, geheel in het zwart natuurlijk, met naast hem een gitaarkoffer. Het is een wat verwaaide zwart-witfoto met enige grijstinten, wat in schril contrast staat met de net erg kleurrijke songs op het album. Op de achterzijde staat een miniatuurtje van het Vrijheidsbeeld. Het mist wel een arm (de geheven rechterarm).

Wat de songkeuze betreft, past dit album perfect binnen de serie: een aantal liedjes geschreven door Cash zelf het kwieke Country Boy en Meet Me in Heaven zijn behoorlijk fraai) en voor het overige heel wat covers. Het album opent met Rowboat, meteen één van de sterkste songs op het album. Ik ken het origineel van Beck niet (moet ik toch ‘ns opzoeken), maar dit is gewoon erg goed gedaan. De volgende songs gaan wat aan me voorbij, maar dan is er plots rustpunt The One Rose, dat de juiste snaar weet te raken met geijkte precisie.

Het heftige Spiritual en de vinnigheid en spitsvondige tekst van The Kneeling Drunkard’s Plea vormen de volgende hoogtepunten. Met name op deze laatste track klopt alles, en smaakt de samenwerking met Petty en zijn kornuiten me het best. Mooie samenzang met Petty zelf, en Mike Campbell en Benmont Tench zorgen voor schitterende muzikale accenten op de achtergrond. Daarna volgt een ingetogen versie van het door Petty geschreven Southern Accents. De kwaliteiten van Petty als songschrijver en van Cash als meesterlijk interpretator van andermans songs indachtig, spreekt het voor zich dat deze voor mij meer dan geslaagd is.

Van de laatste 5 songs op het album blijft er slechts eentje me steevast bij, maar die is dan ook enorm de moeite. Ik heb het dan over het reeds eerder vernoemde Meet Me in Heaven, dat Cash naar verluidt schreef voor zijn broer Jack, die een tragische dood stierf toen hij nog jong was: hij raakte op één of andere manier verstrikt in een grote zaagmachine, en liet het leven na een doodsstrijd van ongeveer een week. Onder zware verdoving sprak Jack de woorden “Will you meet me in heaven?”, wat Cash zoveel jaren later inspiratie gaf voor de titel van dit aangrijpende nummer.

De afsluiter mag de plaat met een frivole, vrolijke toets afsluiten, maar behoort niet tot mijn favorieten; wat mij betreft was het titelnummer een waardiger afsluiter geweest. Toch werkt het best aanstekelijk en opzwepend, zeker met de geweldige ondersteuning van The Heartbreakers.

Ik vind deze de minste in de hele serie, maar dat wil niet zeggen dat het een zwakke plaat is. Unchained is een album dat voller klinkt dan zijn kale voorganger, en vrolijker en levendiger dan zijn sombere maar indrukwekkende opvolgers, waar de laatste ademtocht steeds voelbaarder zou worden.

3,5 sterren