MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten SirPsychoSexy als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Bad Religion - Against the Grain (1990)

poster
4,5
Een verrassend verslavende adrenalinestoot die een oprechte punk-mentaliteit uitademt. Greg Gaffin is een intelligent man en weet waarover hij zingt. Denk maar aan bijvoorbeeld het titelnummer, gericht tegen een steeds onverschilliger wordende maatschappij die geen oog heeft voor wereldproblematiek en de toekomstige uitdagingen, maar voort ploetert onder het ondertussen leeg geworden motto van "carpe diem":

There's a common consensus and an uncomfortable cheer,
A reverberating chorus that anyone can hear,
It sings 'leave your cares behind you, just grab tenaciously,'
This lulling sense of purpose will destroy us rapidly


Unacceptable is ook één van mijn favorieten, mede omwille van de boodschap van het nummer.

Irreducible is the word for today
Plastic compounds and nuclear waste
What the hell is the matter with the people on this planet?
Have we all gone insane?
The stigma of industrial progress killing us over and over again

[...]

Inexcusable are the men before our time
I'd like to kick their ass for what they left behind
Cancer-causing chemicals, ozone-depleting aerosols
We're all going to fry
So put your head between your legs and kiss your ass goodbye


Hoewel mijn politieke standpunten afwijken van veel punkbands staan hier waarheden als een koe tussen. Sowieso is dat de charme van dit soort groepen: hard tegen de schenen van het establishment schoppen. Als dat met een gefundeerde mening is, des te beter!

Black Sabbath - 13 (2013)

poster
3,0
Na acht maanden en rond de achtduizend luisterminuten (volgens Spotify) komen we aan bij het einde van mijn ontdekkingsreis door het volledige oeuvre van Black Sabbath. 13 is het enige album waarvan ik de release zelf bewust heb meegemaakt. Twaalf jaar geleden was de opwinding voelbaar: Ozzy voor het eerst sinds de jaren '70 terug op een nieuwe Sabbath-plaat! Echter, na een paar luisterbeurten verdween 13 al gauw weer in de virtuele lade, om daar meer dan een decennium lang stof te vergaren. Bij de herbeluistering snap ik wel waarom.

Laat ik beginnen met de positieve aspecten van dit album. De moderne productie is moddervet en doet de band klinken als een mammoet die door de woonkamer komt gestampt, zelfs op de mindere momenten. De tandem Iommi/Butler, aangevuld met het capabele drumwerk van RATM-drummer Brad Wilk, toont bovendien bij vlagen absoluut flitsen van haar oude klasse en op die momenten zit ik goedkeurend knikkend te genieten.

Daar staan echter ook een paar negatieve punten tegenover. Het grootste euvel van dit album: Butlers teksten zijn hier al te vaak wel heel simpel en nietszeggend. Er wordt veel te veel geleund op cliché rijmpjes met head/dead, lie/sky/die, tears/fears, night/light en gemakkelijke tegenstellingen als begin/einde, duisternis/licht, leven/dood. Ozzy's vaak vlakke voordracht helpt daarbij niet. Het is een wonder dat de beste man nog op deze aardbol rondloopt en het voelt als thuiskomen om hem weer achter de microfoon te horen, maar meer dan vier decennia rock 'n' roll-excessen hebben zijn stem duidelijk geen deugd gedaan.

Daarnaast zijn er zoals gezegd een aantal heel leuke instrumentale passages, maar je moet al te vaak echt wel wat saaie, trage, ongeïnspireerde stukken door om eraan toe te komen. End of the Beginning is daar een goed voorbeeld van. De eerste drie minuten zijn een slap aftreksel van Black Sabbath (het nummer), met niet meer dan dezelfde vier noten die constant worden herhaald. Daarna komen er gelukkig een paar wendingen die het nummer wat tot leven brengen. Mijn tenen krommen elke keer als ik Ozzy onironisch 'You don't want to be a robot ghost' hoor zingen, maar het solowerk van Iommi op het einde is weer betrouwbaar plezierig.

God Is Dead? is over het algemeen een sterkere verzameling muzikale en tekstuele ideeën, maar ook hier stelt zich de vraag of dit nummer per se bijna negen minuten moest aantikken. Met een strofe en refrein minder in het begin had je bijvoorbeeld weinig gemist, en ook het middenstuk sleept wat te lang aan. Pas na zes minuten wordt het gaspedaal eindelijk wat ingedrukt met een heerlijk riffje en korte, maar memorabele solo.

Loner is niet heel bijzonder, maar voelt als een verademing na deze twee kolossen. Puntige riffs, geen poespas, een leuke melodische wending in het refrein en andermaal prima sologitaarwerk. Vijf minuten zijn zo om. Zeitgeist is dan weer emblematisch voor de creatieve bloedarmoede van deze oude knarren, ook al luistert het niet onprettig weg. Het was eerlijker geweest om dit Planet Caravan II te noemen, want werkelijk alle elementen (de vervormde zang, tekstuele inhoud, bongo's, vloeiend samenspel tussen bas en cleane gitaar) zijn een inferieur doorslagje van dat nummer.

Age of Reason zit terug in het schuitje van de eerste twee nummers. De intro doet me direct opveren; jammer dat het vervolgens onmiddellijk weer verzandt in slome riffs en een repetitieve strofe/refrein-structuur. Ongeveer halfweg komt de vaart er weer in en gaan we naar een sterke climax in de laatste 2 minuten, met een zinderende solo ondersteund door epische koorzang die voelt alsof ze op Heaven & Hell had kunnen staan, de beloning voor de geduldige luisteraar.

Live Forever had een bonusnummer mogen zijn voor mij, middelmatig en onopmerkelijk in elk opzicht. Verrassend genoeg hoor ik dan weer weinig mensen positief over Damaged Soul, mijn favoriet van het album. Dat nummer injecteert een stevige dosis rauwe, smeüige stoner-blues in de Sabbath-sound die me terug katapulteert naar het debuutalbum, precies waar ik van hou. Het groovet als een malle, zeker wanneer de mondharmonica invalt (knipoog naar The Wizard?). Tony gaat lekker los vanaf minuut vier en in een intense slotakte schakelen we met een fenomenale riff ineens drie versnellingen hoger om je uit je roes te rukken.

Dear Father mag er een punt achter zetten. Instrumentaal niet het meest boeiende, maar tekstueel wel het krachtigste nummer van het album met bijtende kritiek op kindermisbruik in de katholieke kerk. Ook vocaal komt Ozzy hier het best uit de verf. Hij klinkt venijnig en gefrustreerd, alsof hij een persoonlijke rekening te vereffenen heeft. Het album eindigt abrupt, maar heel gepast met de donder, regen en kerkbellen die drieënveertig jaar eerder de komst van deze legendes inluidden.

13 is niet de beste verzameling songs om je carrière mee af te sluiten, en eeuwig zonde dat Ward niet nog één keer opgetrommeld kon worden, maar het is toch mooi dat Ozzy zijn zwanenzang bij Sabbath alsnog gekregen heeft.

De eindrangschikking ziet er bij mij op dit moment uit als hieronder volgt. Er zijn nog een paar kleine wijzigingen gebeurd: Master of Reality is nog verder gerijpt in mijn waardering en springt over Mob Rules en SBS heen naar de vierde plek. Daarnaast ben ik Tyr nog meer gaan appreciëren, waardoor deze ten koste van zijn broertje Headless Cross nu de zevende plek mag bekleden én op de hielen zit van de drie albums die er onmiddellijk boven staan.

Eigenlijk kun je pal in het midden een scheidingslijn trekken: de bovenste 10 albums zie ik mezelf nog vaker naar terugkomen, van de onderste 10 ben ik blij dat ik ze (beter) heb leren kennen, maar zal het vermoedelijk blijven bij een paar favoriete nummers per plaat die nog weleens de rondjes maken in de toekomst. Ik ben uiteindelijk vooral blij dat Sabbath zo veel interessante muziek heeft kunnen maken in haar verschillende samenstellingen waar wij met zijn allen van mogen genieten!

1. Heaven and Hell
2. Black Sabbath
3. Paranoid
4. Master of Reality
5. Mob Rules
6. Sabbath Bloody Sabbath
7. Tyr
8. Headless Cross
9. Vol. 4
10. Seventh Star
11. The Devil You Know
12. Cross Purposes
13. Dehumanizer
14. Technical Ecstasy
15. The Eternal Idol
16. Never Say Die!
17. Sabotage
18. 13
19. Forbidden
20. Born Again

Black Sabbath - Black Sabbath (1970)

poster
4,5
Het zal nu ongeveer 15 jaar geleden zijn dat ik Black Sabbath leerde kennen en vervolgens de toppers uit de catalogus grijs draaide. Daarvan was dit altijd één van mijn favorieten, zoniet mijn absolute favoriet, en nu ik terugluister, snap ik waarom. Het materiaal is hier sterk over de hele lijn: zwaar, onheilspellend (met als prijsbeest op dat vlak uiteraard het titelnummer), en de logge en snelle stukken wisselen elkaar perfect af. Meer dan de latere albums is dit album ook doorspekt met blues-invloeden, iets wat ik ook bijzonder goed kan smaken. De mondharmonica op The Wizard en de mondharp op Sleeping Village zijn leuke instrumentale vleugjes die het album nog wat extra sonische variatie en sfeer geven.

De productie is ook fantastisch: met name Geezer Butlers fantastische basspel snijdt hier door de mix als een mes door boter. Op N.I.B. en de ellenlange jam Warning beweeg ik haast onvrijwillig mee op de dikke grooves die hij neerlegt. Hetzelfde kan gezegd worden over het immer energieke, maar losse, haast jazzy drumwerk van Bill Ward, dat klinkt alsof hij naast me in de kamer staat te spelen. Deze ritmesectie vormt het stevige fundament waarover zich de iconische riffs en solo's van grootmeester Iommi en de nasale, onmiskenbare stem van Ozzy uitvouwen om een duister meesterwerkje te vormen.

Ook de jazzy bonustrack Wicked World mag er zijn en had eigenlijk gewoon altijd op het normale album moeten staan. Blijft als enige mindere broeder de nog steeds prima cover van Evil Woman, origineel van bluesband Crow, over.

Black Sabbath legde met haar debuut de lat onmiddellijk torenhoog. Gelukkig is de band daar nog een aantal keer behoorlijk dichtbij in de buurt gekomen, zo niet er overheen gegaan.

Black Sabbath - Born Again (1983)

poster
2,5
Oef, wat een koude douche na de sublieme afgelopen 2 platen. Ian Gillan en Black Sabbath, het wil voor mij echt maar niet boteren. Ik heb Gillan in hoog aanzien als zanger, begrijp me niet verkeerd, maar zijn stemgeluid mist het naargeestige van Ozzy en het duistere operatische van Dio. Zijn wat ludieke, down-to-earth teksten komen daarnaast uitstekend tot hun recht bij Deep Purple, maar passen voor mij helemaal niet in dit sonische plaatje. Hij mag dan gillen zoveel hij wil, ik geloof niet dat hij een boosaardig bot in zijn lichaam heeft.

Wat achtergrond bij dit album: tijdens een avond zwaar drinken ging Gillan in op een uitnodiging van Iommi om te komen zingen bij een nieuwe supergroep met hemzelf en Butler. De dag erna wist hij niet meer dat hij dit toegezegd had, maar belofte maakt schuld en aldus geschiedde. Tijdens de opnames verbleef Gillan in een aparte tent terwijl de band in het huis sliep waar de opnames gebeurden, een teken aan de wand dat hij nooit echt onderdeel van de groep zou gaan uitmaken.

Bill Ward kwam terug uit rehab en zweerde dat hij de opnames en een tournee zou kunnen doorkomen, maar dronk zich lazarus met een geheime voorraad vodka elke avond en was alweer out vooraleer het eerste optreden begon. Ondanks dat hij kort hierna de drank voorgoed afzwoer, zou Born Again toch zijn laatste studio-album met de band zijn. Het label stond erop dat het onder de naam Black Sabbath moest uitkomen om te verkopen, dus de groep zwichtte.

De tournee is een verhaal op zichzelf: Gillan kon zijn teksten niet onthouden en had ze op het podium gelegd om te kunnen spieken, maar in de rook en duisternis lukte dat vaak niet goed. Bovendien sukkelde hij meer dan eens stevig over het pedalenbord van Iommi. De groep had een Stonehenge-decor laten maken dat veel en veel te groot bleek, waardoor het amper te vervoeren of installeren was in de meeste concertzalen. Later hilarisch geparodieerd in de mockumentary van Spinal Tap.

De lelijke, maar ergens wel intrigerende hoes doet je vermoeden dat je een duivelse, onrustwekkende luisterervaring te wachten staat. Bij de eerste noten is het dan onmiddellijk slikken. De amateuristische productie, met gemak de slechtste uit het Sabbath-oeuvre tot dusver, valt onmiddellijk op. Met Dio vertrok ook Martin Birch, die de vorige albums zo fantastisch deed klinken. De groep ging zelf weer achter de mengpanelen zitten, met als gevolg een productie die modderig, vlak en veraf klinkt, alsof men onderwater staat te spelen. De hoge tonen klinken dan weer heel schel, waarbij de overlevering wil dat de tweeter zou zijn opgeblazen van de speaker waarmee men de gitaren opnam zonder dat iemand dit in de gaten had. De masters waren verloren geraakt en zijn terug opgespoord in 2021, dus hopelijk ziet er ooit een nieuwe, betere mix het levenslicht.

De nummers schipperen tussen meer Deep Purple (Trashed, Digital Bitch, Hot Line, Keep It Warm) en meer Black Sabbath (Disturbing the Priest, Zero the Hero, Born Again), waarbij die laatste me instrumentaal nog het meest kunnen bekoren, maar zoals eerder gezegd: de 2 stijlen gaan samen als water en olie, waardoor dit volledige album aanvoelt als mossel noch vis. Ik kan teksten als "Impossibility, impissibolity" of "Take me to the hot line, baby" met de beste wil van de wereld niet serieus nemen in de context van Black Sabbath. Als Gillan zijn mond houdt en de groep lekker aan het jammen gaat zoals op Zero the Hero of het titelnummer, geniet ik nog het meest.

Met afstand de hekkensluiter in de Sabbath-rangschikking tot nu toe.

1. Heaven and Hell
2. Black Sabbath
3. Paranoid
4. Mob Rules
5. Sabbath Bloody Sabbath
6. Master of Reality
7. Vol. 4
8. Technical Ecstasy
9. Never Say Die!
10. Sabotage
11. Born Again

Black Sabbath - Cross Purposes (1994)

poster
3,5
De Mob Rules-reünie van Dehumanizer was geen lang leven beschoren. Dio en Appice eruit, Tony Martin terug van de bank en Bobby Rondinelli (ex-Rainbow) mocht eenmalig als trommelaar optreden. Cross Purposes pikt de draad tot op zekere hoogte terug op waar Tyr opgehouden was, maar heeft toch ook in teksten en sound op sommige nummers zeker de tijdsgeest van de jaren '90 in zich.

Het valt mij in deze luistermarathon op dat Sabbath vanaf midden de jaren '80 geleidelijk aan minder haar eigen paden baande, maar integendeel steeds duidelijker beïnvloed werd door andere hardrock- en metalgroepen. Zo krijg ik van de eerste twee nummers duidelijke vibes van het symfo-powermetalwerk van Savatage, met Tony Martin die als eeuwige kameleon het stemgeluid van Zak Stevens benadert. Overigens wel een prima openingssalvo, waarbij op I Witness het vette baswerk van Butler opvalt en Cross of Thorns een uitstekend epos is met lekkere gitaarsolo. Bij die laatste alleen jammer van de abrupte en vreemd geplaatste fade-out op het einde, ik luisterde hem op mijn telefoon de eerste keer en dacht echt dat iemand me belde. Voelt alsof het nummer nog niet klaar was.

Psychophobia is een korte, maar stevige knaller waarvan de teksten zijn geïnspireerd door de Waco Siege, waarbij de Amerikaanse overheid 51 dagen lang een kamp belegerde van de Branch Davidians (hieraan ontleent ook Davidian van Machine Head zijn naam). Virtual Death is dan weer zo'n voorbeeld van de invloeden overgenomen van andere bands: met dit riffwerk en deze vocale harmonieën had dit zo op een Alice in Chains-plaat kunnen staan. Maar zoals al door anderen benoemd: voor dit soort riffs heeft Alice natuurlijk zelf de mosterd gehaald bij Sabbath, dus het cirkeltje is mooi rond. Maakt allemaal niet uit, Virtual Death is best een lekker loom en onheilspellend beest, al twijfel ik bij de houdbaarheid ervan na veel luisterbeurten.

Immaculate Deception heeft niet de meest interessante strofes, maar komt helemaal tot leven als het gaspedaal wordt ingedrukt bij de refreinen. Rondinelli timmert er duchtig op los en het nummer bereikt haar climax met een gitaarsolo om duimen en vingers bij af te likken. Het rustpunt Dying for Love is een bombastische ballade met grootse refreinen, dik aangezette synths, veel chorus op de gitaren en teksten over de oorlog in het toenmalige Joegoslavië vanuit het perspectief van de burgers daar. Het is me muzikaal net iets te melodramatisch, al kan ik het bluesy solowerk van Iommi in de eerste minuut en het Maiden-achtige intermezzo op 3:40 wel waarderen.

Back to Eden is een oké, maar niet heel echt memorabel nummer met vooral weer Butlers stroperige baslijntjes en Iommi's solo's die lekker wegluisteren. The Hand That Rocks the Cradle schakelt effectief tussen melodische ballade en power-rock, gestoeld op een pittige hoofdriff, en is tekstueel geïnspireerd op het verschrikkelijke waargebeurde verhaal van kinderverpleegster Beverley Allitt, die meerdere baby's onder haar hoede vermoordde.

Bij de strofes van Cardinal Sin moet ik altijd denken aan Kashmir door de 'strijkers' (eigenlijk synth denk ik) die de gitaar accentueren. Halverwege wordt er een tandje hoger geschakeld en wordt de spanning opgebouwd naar een sterk hoogtepunt. Evil Eye is gebouwd op een gespierde hoofdriff zoals alleen Iommi ze schrijven kan. Martin was het volledige album al betrouwbaar sterk, maar hier levert hij zijn beste prestatie van de plaat af met een aantal uithalen om van te smullen. Een stoere basriff stuwt het nummer in de tweede helft naar haar slotfase.

Het gevoel dat overweegt bij dit album is: overal goed, nergens uitmuntend. Het is één van de meest consistente platen uit de volledige catalogus, maar tegelijkertijd is er niet één nummer waarvan ik het echt onder het neusje van de Sabbath-zalm zou scharen. Cross of Thorns komt nog het dichtstbij. Zo landt Cross Purposes onder de Martin-platen voor mij achter Headless Cross en Tyr, maar wel voor The Eternal Idol.

1. Heaven and Hell
2. Black Sabbath
3. Paranoid
4. Mob Rules
5. Sabbath Bloody Sabbath
6. Master of Reality
7. Headless Cross
8. Tyr
9. Vol. 4
10. Seventh Star
11. Cross Purposes
12. Dehumanizer
13. Technical Ecstasy
14. The Eternal Idol
15. Never Say Die!
16. Sabotage
17. Born Again

Black Sabbath - Dehumanizer (1992)

poster
3,5
Het kan verkeren bij Black Sabbath. Door een samenloop van omstandigheden, uitgebreid toegelicht in een eerdere recensie door RonaldjK, viel de vorige line-up uit elkaar en was het Iommi in 1992 gelukt plots weer de volledige bende van The Mob Rules bij elkaar te krijgen. Ook qua sound breekt Dehumanizer met het Martin-tijdperk en worden de laatste sporen van de jaren '80 uitgewist. Geen galmende drums, prominente synths of grootse vocale harmonieën meer, wel een gortdroge, rauwe en vooral loodzware productie met minimale overdubs als muzikale omlijsting voor overwegend maatschappijkritische teksten die passen binnen het tijdperk waarin de plaat is opgenomen.

Op papier lagen alle ingrediënten er dus om met Dehumanizer een derde Dio-klassieker neer te zetten zoals Master of Reality dat was met Ozzy. Toch heeft het mij even geduurd om dit album op waarde te schatten. Aan Dio ligt dat alvast niet: de beste man klinkt op deze plaat meer venijnig en overtuigd dan ooit en schreeuwt geregeld zijn longen eruit. Ook de terugkeer van Butlers stevige maar speelse baswerk is een welkome verrassing. Het zijn vooral de relatieve eenvormigheid van het songmateriaal (veel uniform midtempo en hard) en de lengte van meer dan 50 minuten (de eerste keer dat Sabbath een plaat langer dan drie kwartier laat doorgaan) die ervoor zorgen dat het best een klusje is om dit album in één keer uit te zitten. Ondanks dat Dehumanizer dus geen echt slechte nummers bevat, voelt het geheel zo toch als wat minder dan de som van zijn delen.

Voor mij zijn er drie nummers die eruit schieten op dit album. Computer God hakt er aardig in als opener en bouwt in de tweede helft op van een melodisch interlude, met die karakteristieke vloeiende baslijntjes van Butler, naar een zinderende finale. TV Crimes is één van de zeldzame momenten op dit album waar het gaspedaal ingetrapt wordt en was de logische eerste single om het album te promoten. Zonder twijfel mijn grote favoriet is echter het verpletterende I, met een onverwoestbare hoofdriff, memorabele refreinen en de agressie in Dio's stem die uit de speakers knalt. (Kanttekening: de "nooo, nooo, nooo" op het einde voelt klinkt in mijn oren als een ironische interpolatie van het "yeah, yeah, yeah" uit She Loves You van The Beatles.)

Verder is het songmateriaal zoals gezegd overal minstens degelijk, maar tegelijkertijd ook weer niet zo sterk dat ik het per se opnieuw móet beluisteren, waar ik die onweerstaanbare drang wel had bij de eerste twee albums met Dio. Ik beperk me tot het benoemen van een aantal leuke elementen/passages die mijn aandacht trekken. After All (The Dead) is een slepende, zij het net iets te lang uitgesponnen, mastodont over het mysterie van het hiernamaals die teruggrijpt naar de sfeer en sound van klassieke Sabbath. Master of Insanity opent met een erg gaaf baslijntje, volgt dat op met een aanstekelijke riff in de strofes die geïnspireerd lijkt te zijn op The Wanton Song van de loden zeppelin, en bevat een korte, maar fraaie tempowisseling en gitaarsolo op tweederde van de speelduur. Bij het intro van Too Late ben ik altijd blij dat de oren eindelijk even wat rust krijgen met een bevallig akoestisch gitaarintro en ditto zang. Het nummer bevat verder opnieuw aardig solowerk van Iommi, maar lijkt maar niet goed op gang te komen ondanks de bijna 7 minuten die het uittrekt om zich te ontvouwen.

Mijn eindconclusie is dat dit album vooral wat dynamiek mist in de productie en variatie in de composities om haar speelduur te rechtvaardigen. Niettemin staan er een paar ijzersterke nummers op en slaat de groep nergens de plank echt mis. Dat maakt Dehumanizer lastig te beoordelen. Omdat ik deze samenstelling van de band een warm hart toedraag en Dio en Butler zich overal uitstekend van hun rol kwijten, kan ik er toch nog een weliswaar nipte 7 aan kwijt, ook al ben ik er helaas niet verliefd op geworden zoals ik dat op voorhand wel gehoopt had.

1. Heaven and Hell
2. Black Sabbath
3. Paranoid
4. Mob Rules
5. Sabbath Bloody Sabbath
6. Master of Reality
7. Headless Cross
8. Tyr
9. Vol. 4
10. Seventh Star
11. Dehumanizer
12. Technical Ecstasy
13. The Eternal Idol
14. Never Say Die!
15. Sabotage
16. Born Again

Black Sabbath - Forbidden (1995)

poster
3,0
Ik was al even benieuwd naar studio-album nummer achttien van deze heren. Zoals ik het lees is Forbidden blijkbaar aardig verguisd door de meeste fans en zelfs metal-Godfather Iommi zelf. Dat soort controverse wekt altijd mijn nieuwsgierigheid op: kan het zo slecht zijn als men erover schrijft?

Over de productie is al de nodige digitale inkt gevloeid, het meeste in de negatieve zin. Omdat ik toevallig net het geluk heb enkel de gloednieuwe remix van dit jaar te kennen, heb ik op dat vlak geen klachten: alles klinkt krachtig en mooi in balans. Ik heb wel één of twee nummers in de oorspronkelijke versies gehoord, dus ik snap waar die negativiteit vandaan kwam, maar in mijn beoordeling speelt dat verder geen rol.

De line-up van Tyr mocht hier opnieuw aanrukken; dat betekent ten eerste Neil Murray terug op de viersnaar, die zich weer prima vlijt in zijn rol als ritmische ruggengraat en ondersteuning voor Iommi. Cozy Powell zit opnieuw achter de trommels waar hij thuishoort en drukt geregeld zijn stempel met creatieve fills en stevig dubbel baswerk.

Illusion of Power bijt de spits prima af met die typische slepende, omineuze melodieën en gruizige riffs die we van Iommi gewoon zijn. Opvallende dictie van Martin op de strofes, maar het went na een paar keer luisteren, evenals de korte gesproken passage door Ice-T, die niet misstaat in het geheel. Het ontbreekt wel aan een hoogtepunt in de vorm van een gitaarsolo. Get a Grip lijkt qua riffwerk duidelijk geïnspireerd door Zero the Hero (van Born Again). De korte solo halverwege en de versnelling in de laatste minuut zijn de momenten die het meest opvallen.

Can’t Get Close Enough begint met wat saai gitaarwerk en zeurderige zang in de strofes, maar de hoofdriff die ingezet wordt na tachtig seconden is vintage Sabbath. Had zo op Sabotage kunnen staan. Het enige jammere is dat het nummer instrumentaal verder niet veel te bieden heeft. De gitaarfills en -solo zijn dan nog het snuifje peper dat voorkomt dat het nummer flets wordt. Shaking Off the Chains heeft mij vanaf het begin wél kunnen bekoren. Hier gooit de creepy openingsriff me terug naar de eerste twee albums, met Martin die zoals Ozzy zijn zanglijn volledig afstemt op de gitaar. Waar ik helemaal los ga, is bij die snelle riff: wat een beest, zeker wanneer Powell dan nog eens het tempo verdubbelt op de drums!

I Won’t Cry for You toont dat Forbidden eigenlijk een mengelmoes is van de verschillende tijdperken en stijlen van de groep. Deze past in het rijtje ‘power ballads’ die vooral sinds midden de jaren ’80 opduiken op Sabbath-platen, zoals bijv. Dying for Love op de voorganger. Dit zijn gewoonlijk niet mijn favoriete songs en ook hier is dat niet het geval, met Martin die bij momenten weer zijn innerlijke Coverdale kanaliseert, al maakt een geladen solo van Iommi zoals we er hier weer een kleintje krijgen gauw veel goed. Guilty as Hell trapt met een vette hoofdriff de deur in en is verder best prettig om naar te luisteren, maar maakt niet helemaal de belofte van de eerste seconden waar.

Sick and Tired is met afstand het meest puur bluesy nummer van het album, en ook de plek waar Iommi het meest de ruimte krijgt om als solist los te gaan (zoals bijv. Heart Like a Wheel op Seventh Star), ruimte die hij gretig benut vooral in de tweede helft en waar ik van geniet met volle teugen. Rusty Angels heb ik niet zo veel over te melden: een aardig, maar eerder onopmerkelijk nummer.

Het titelnummer is een vinnige knaller, met vooral die riff na het refrein (en de oerkreet van Martin) die hard binnenkomen. Het is echter Kiss of Death dat zich mag kronen tot mijn favoriet van het album. Prachtig samenspel tussen akoestische gitaar, bas en de stem van Martin contrasteert met het hardere riffwerk waar het mee wordt afgewisseld, vooral vanaf minuut vier wanneer het echt ontbrandt. Alleen: daar had écht een scheurende solo moeten staan na het laatste refrein, wat een zonde! In plaats daarvan maken we de cirkel rond met de mooie coda, maar toch blijf ik een beetje op mijn honger zitten.

Nu ik Forbidden een tiental luisterbeurten gegeven heb en de tijd om te bezinken, moet ik besluiten: het valt met de songkwaliteit best wel mee. Meer nog, Cross Purposes ontloopt Forbidden eigenlijk niet enorm (dat zegt voldoende over hoe dicht albums 11 t.e.m. 17 in onderstaande rangschikking voor mijn gevoel bij elkaar zitten). Beide albums hebben eigenlijk geen echt slechte songs; het voornaamste euvel is dat het zelden veel meer wordt dan gewoon prima, zeker bij Forbidden. Daarom blijft het ook niet echt hangen, noch nodigt het uit om terug te komen voor de zoveelste luisterervaring.

Jammer dat Tony Martin niet nog één hoogvlieger als laatste wapenfeit op zijn naam mocht zetten, maar tegelijkertijd vind ik ook niet dat dit album het verdient om als zwart schaap uit het Sabbath-oeuvre bestempeld te worden, toch niet in de remix-versie van dit jaar. Voor mij blijft die titel gereserveerd voor Born Again – ten minste tot ook dat album een facelift krijgt, wie weet?

1. Heaven and Hell
2. Black Sabbath
3. Paranoid
4. Mob Rules
5. Sabbath Bloody Sabbath
6. Master of Reality
7. Headless Cross
8. Tyr
9. Vol. 4
10. Seventh Star
11. Cross Purposes
12. Dehumanizer
13. Technical Ecstasy
14. The Eternal Idol
15. Never Say Die!
16. Sabotage
17. Forbidden
18. Born Again

Black Sabbath - Headless Cross (1989)

poster
4,0
Na bijna een decennium als carrousel voor topmuzikanten te dienen bereikte Sabbath eind jaren '80 eindelijk wat stabiliteit in de line-up, gevormd rond de harde kern van Iommi, Nicholls en Martin. Nieuw in de gelederen zijn rockdrumlegende Cozy Powell en jazzbassist Lawrence Cottle (die als sessiemuzikant enkel dit album zou inspelen, waarna de plichten op de viersnaar werden overgenomen door Neil Murray, ex-bassist van o.a. Whitesnake en Gary Moore).

Ik herinner me dat ik dit album vele jaren geleden al een paar keer opgelegd heb zonder ooit iets te horen van Sabbath zonder Ozzy of Dio. Toen viel het me tegen omdat ik er met het verkeerde verwachtingspatroon aan begon: de hoes doet vermoeden dat de groep terugkeert naar zijn roots uit de vroege jaren '70, maar Headless Cross klinkt net heel eighties. Zo krijgen we veel galm op de drums en zang (bovendien veel vocale harmonieën op de refreinen, ook typisch voor die tijd), een prominente rol voor de synths, en staan de gitaren en zeker de bas wat naar achteren gedrukt. Daar heb ik ook nu moeten aan moeten wennen, en ik denk toch dat dit album met een productie door Martin Birch nog een stuk krachtiger had geklonken, maar mettertijd is mijn weerstand op dit vlak gebroken.

Dat heeft alles te maken met de sterke songkwaliteit op dit album. Klinken veel nummers op The Eternal Idol in mijn oren nogal eenvormig en gezapig, op Headless Cross barst de groep van de energie en het spelplezier. Powells robuuste drumwerk stuwt de groep voort, Iommi groeit verder in zijn rol als echte metalgitarist, en Martin lijkt met een pak meer overtuiging en eigen identiteit te zingen op nummers waar hij voor het eerst ook een hand heeft gehad in het schrijfproces. Het resultaat is een best glad klinkende, maar toch ook intrigerende plaat die bol staat van memorabele refreinen, gedreven riff- en solowerk en emotioneel geladen songs vol wendingen die je bij de les houden.

Het spookachtige Gates of Hell mag het imposante titelnummer inluiden, een begrijpelijke cultklassieker onder de Martin-fans. Daarna gooit Devil & Daughter het in de volgende versnelling, met een onweerstaanbare drive in de ritmesectie en Martin die steeds meer los gaat met indrukwekkende uithalen als voorzet voor een gespierde shred-solo. Nog beter is When Death Calls, dat heel ingetogen en diep melancholisch begint en constant momentum verzamelt om uit te monden in verschroeiend intense passages en schitterend gitaarwerk met niemand minder dan Brian May te gast die de eerste gitaarsolo verzorgt.

Bij de volgende 3 nummers dipt het niveau een beetje, maar niet veel. Kill in the Spirit World heeft een opvallend vrolijke riff tijdens de strofes, maar ik zou liegen als ik zeg dat ik er niet van geniet in afwisseling met het wat meer onheilspellende refrein en de huilende gitaarsolo van Iommi zoals ik ze zo graag hoor. Call of the Wild zit redelijk in hetzelfde straatje, niet de grote uitschieter van dit album maar niettemin een oerdegelijk nummer met voldoende interessante wendingen. Mindere broeder Black Moon doet me eindelijk beseffen dat ik in Martins stem ook een flinke dosis David Coverdale terughoor. Had je mij gezegd dat dit een B-side was uit de catalogus van Whitesnake anno 1987, ik had het zomaar geloofd. Zo flirt Sabbath hier toch, de teksten uitgezonderd, echt wel met de glam metal van die tijd.

Afsluiten doen we met misschien wel hét hoogtepunt van het volledige album, het majestueuze Nightwing. Geweldig, die fretloze bas in de introductie, eigenlijk de enige keer op Headless Cross dat Cottle als bassist echt zijn stempel kan drukken. Tony Martin perst elke zin uit zijn tenen en wat is het genieten als zijn crescendo eindigt in 'Nightwing flies again!', gevolgd door de meest Sabbath-achtige beukriff van de volledige plaat. Prachtige akoestische en elektrische gitaarsolo in het middenstuk ook. Alleen een klein beetje jammer dat we afsluiten met een fade-out, net wanneer de groep - en zeker Powell - de intensiteit nog verder opschroeft. Voor mij mochten ze nog wel even doorgaan. Het bluesy bonusnummer Cloak and Dagger is tot slot een plezierige toevoeging, had zo op het gewone album kunnen staan.

De rangschikking wordt nu stilaan echt wel appelen met peren vergelijken, maar ik doe toch een poging om dit album ergens een plekje te geven dat het eer aandoet. Boven Vol. 4, een 'klassieke' Ozzy-plaat? Jazeker, dat verdient Headless Cross gewoon.

1. Heaven and Hell
2. Black Sabbath
3. Paranoid
4. Mob Rules
5. Sabbath Bloody Sabbath
6. Master of Reality
7. Headless Cross
8. Vol. 4
9. Seventh Star
10. Technical Ecstasy
11. The Eternal Idol
12. Never Say Die!
13. Sabotage
14. Born Again

Black Sabbath - Heaven and Hell (1980)

poster
4,5
In de ruimere context van de Sabbath-catalogus is Heaven and Hell niet minder dan een wonderbaarlijke wederopstanding te noemen. Leek de groep nog volledig het noorden kwijt te raken op de vorige albums met steeds meer bijna wanhopige uitstapjes naar andere genres om creatief niet leeg te lopen, zo scherp en gefocust komt de groep hier ineens terug met een 'klassieke' hard rock / heavy metal-sound alsof de laatste 5 jaar nooit gebeurd zijn.

Dat heeft natuurlijk niet in het minst te maken met het inruilen van Ozzy voor Dio achter de microfoon. Dio had er net een uitstekende tenure bij Rainbow op zitten en achteraf gezien bleek alles wat hij aanraakte in de periode 1975-1984 in goud te veranderen. Toch was hij lang geen voor de hand liggende keuze voor een groep als Black Sabbath: Dio is meer een klassieke zanger met een heel ander stemgeluid (wat dieper en minder nasaal) dan Ozzy. Ook zijn teksten zijn doorgaans veel meer op het mystieke of fantastische gericht dan de bijtende maatschappijkritiek die vaak centraal staat in de teksten van Black Sabbath. Het maakte allemaal niet uit: Dio bleek als gegoten te passen in het plaatje van deze band en tilde ze schijnbaar moeiteloos terug naar het niveau van hun gouden tijdperk.

Vanaf de eerste tonen van dit album valt me onmiddellijk op hoeveel zin werkelijk ieder bandlid erin heeft én hoe glashelder en subliem de productie is. Krediet hiervoor gaat naar legendarische producer Martin Birch, 'meegebracht' door Dio na de samenwerking in Rainbow. Butlers opzwepende bas heeft nooit beter haar plaatsje in de mix gevonden dan op dit album, Iommi's gitaar klinkt gepast potig wanneer hij aan het riffen is en oorstrelend zoet wanneer hij de hoogte in gaat voor de vele geweldige gitaarsolo's die dit album rijk is. Dio's stem weergalmt machtig alsof hij vanop de hoogste bergtop de mensheid toe aan het prediken is en Bill Ward, hier helaas voor de voorlaatste keer achter de trommels bij Sabbath, is zoals immer de betrouwbare vakman die met een losse groove de boel smaakvol dicht timmert.

Het openingssalvo van het scheurende Neon Knights en het fijngevoelige Children of the Sea zet onmiddellijk de toon. Nu ik alle albums van de band chronologisch aan het luisteren ben, bedenk ik me trouwens dat de 'koorzang' in die laatste misschien wel geïnspireerd zou kunnen zijn door Supertzar van op Sabotage... ? Soit, met dit een-tweetje rolt de groep direct haar muzikale spierballen en toont ze haar muzikale bereik.

Lady Evil is volgende op de tracklist. Een prima bluesrock-nummer met prettige gitaarsolo's, robuuste bas en bevlogen zang (ook al kan ik Dio niet heel serieus nemen als hij het over een 'magical mystical woman' heeft), niet meer en niet minder. Dan komt echter het klapstuk van de plaat, een monument in de metalgeschiedenis. Heaven and Hell is een nummer waaraan alles klopt: de epische onheilspellende hoofdriff, de weergaloze baslijn in de strofes die de cryptische tekst ondersteunt, de hemelse gitaarsolo's en de helse versnelling in de slotfase, zelfs de melancholische middeleeuwse akoestische coda klinkt alsof het nummer op geen andere manier had kunnen eindigen. Meesterwerkje.

Wishing Well is een stevige, uptempo opener van de tweede kant van dit album. Mooie boodschap: je kunt niet zomaar verwachten dat je geluk gaat keren door een muntje in een put te gooien; wees tevreden met wat je hebt en blijf niet hangen in ijdele dromen. Die Young opent sfeervol en rustgevend met synths en huilende gitaren, maar trapt na minder dan een minuut keihard het gaspedaal in en neemt je mee op een achtbaanrit waarbij je steeds hoger en hoger gestuwd wordt tot een adembenemende climax. Live for today, tomorrow never comes! Die young! Wat een bom energie.

Het voorlaatste nummer, Walk Away, plaats ik in hetzelfde bakje als Lady Evil: een degelijke song die weliswaar niet aan de hoogtepunten van deze plaat kan tippen, maar ook helemaal niet stoort omdat het een genot is om de groep aan het werk te horen en de productie helemaal top is. Gelukkig krijgen we met Lonely Is the Word nog één laatste grote hoogtepunt. Ik schreef al onder Technical Ecstasy dat het me opviel dat Iommi zijn vaardigheden als solist steeds verder aan het aanscherpen was. Op dit album, en zeker dit slotepos, komt hij helemaal tot wasdom als sologitarist: de laatste vier minuten zijn één extatische vlucht op zijn zessnaar waarbij ik me waan alsof ik gewichtloos door de nachtelijke wolken heen zweef op een wit gevleugeld ros.

Heaven and Hell heeft mij vanaf de eerste luisterbeurt altijd al bevallen. Het is echter pas nu, wanneer ik de volledige discografie van Black Sabbath grondig aan het uitpluizen ben, dat ik besef hoe goed dit album werkelijk is. Ja, er zijn een paar mindere broeders (Lady Evil en Walk Away), maar geen enkel album van deze groep bestaat uitsluitend uit hoogtepunten en de kwaliteit is op geen enkele Sabbath-plaat zo consistent hoog als hier. Ik had het niet verwacht, maar dit album kaapt mooi de eerste plaats in de rangschikking weg!

P.S. Geweldige hoes ook, die perfect aansluit bij de thema's en contrasten in het titelnummer.

1. Heaven and Hell
2. Black Sabbath
3. Paranoid
4. Sabbath Bloody Sabbath
5. Master of Reality
6. Vol. 4
7. Technical Ecstasy
8. Never Say Die!
9. Sabotage

Black Sabbath - Master of Reality (1971)

poster
4,5
Vijftien jaar geleden zal het ongeveer zijn dat ik Master of Reality voor het eerst hoorde. Dat was best even wennen na verstokt te zijn geraakt aan de eerste twee platen van de groep. De gitaren zijn hier lager gestemd en rijkelijk bestrooid met een berg fuzz, waarbij de bas en gitaar vaak bewust samensmelten tot één doffe brij van geluid.

De invloed van dit album op latere, meer extreme stromingen in de rock- en metalmuziek kan niet worden overschat. Sweet Leaf mag gerust het allereerste stoner-nummer ooit genoemd worden, met zijn lekker lompe riffs en teksten over het heilige groene blad. After Forever is een nummer waar ik nooit echt helemaal in ben gekomen: de enigszins pro-christelijke tekst clasht voor mij met de ronkende duivelse sound waar de band hier hun handelsmerk van maakt. Het komt na al deze jaren helaas nog steeds niet echt binnen bij mij zoals dat bij andere mensen blijkbaar wel het geval is.

Embryo is dan weer een naargeestig akoestisch stukje dat als perfecte opmaat dient voor het sombere, energieke Children of the Grave (wat een sinistere titel alleen al), over de wereld die naar de knoppen gaat en de jongere generatie die de keuze heeft om zich te verzetten of ten onder te gaan. Nog steeds relevant anno nu. De hoofdriff is spectaculaire begeleidingsmuziek voor de kinderen die hun onzekere, onafwendbare lot tegemoet marcheren. Halverwege krijgen we een spookachtige wending, met een uiterst effectief ingezette synthesizer die de sfeer nog wat donkerder maakt. Steenkoude klassieker.

De tweede kant begint opvallend genoeg ingetogen met Orchid, een tweede akoestisch intermezzo dat even adempauze biedt, maar tegelijkertijd de beklemmende sfeer vasthoudt vooraleer we in het zompige Lords of This World duiken. Dit is weer vintage Sabbath, met Ozzy die reflecteert over Satan die zich manifesteert als het kwade in de mens. De breakdowns halverwege en op het einde, waarbij Butler los gaat op de bas terwijl Iommi zijn solo’s neerlegt, zijn mijn favoriete stukken uit dit verder enigszins ondergewaardeerde nummer.

Buitenbeentje Solitude treedt in de voetstappen van Planet Caravan uit de voorganger: de bas weeft zich met finesse rond een delicate akoestische melodie, terwijl Ozzy een weemoedige treurdicht te berde brengt en lichte percussie en een fluit het geheel sfeervol inkleuren. Prachtig hoe deze groep op eenzelfde plaat van bruut en lomp naar breekbaar en gevoelig kan schakelen.

Het is allemaal om je op het verkeerde been te zetten, want hierna komt de monsterriff van doom-bulldozer Into the Void de kamer binnen gewalst. De mensheid tracht met ruimteschepen te ontsnappen aan een Aarde die zichzelf verscheurt met haat en oorlog, om zo een meer hoopvolle toekomst te vinden. Of hen dat lukt, daar hebben we het raden naar. Een korte tempowisseling halverwege houdt je bij de les als je zou gaan wegdromen. Fantastische afsluiter, die ik eerder al kende in de Kyuss-versie. Beide vertolkingen zijn toppers.

Het is lastig om dit album te beoordelen in verhouding tot zijn twee onmiddellijke voorgangers. Master of Reality is wat kaler en monotoner naar mijn gevoel. De blues-invloeden die vooral de eerste plaat nog tekenden, zijn hier grotendeels naar de achtergrond verdwenen. Deze zaken zorgen ervoor dat ik het album meer intrigerend vind dan dat ik er verliefd op ben, ondanks dat ik het een uniek werkstuk vind met een heel duidelijk smoelwerk ten opzichte van de rest van de catalogus van de band. Er ligt nog groeiruimte voor dit album in mijn beleving, maar op datum van schrijven moet hij toch de duimen leggen voor zijn twee oudere broers. Dat kan altijd nog veranderen.

Tot slot nog één tip: dit album moet je knetterhard afspelen op een geluidsinstallatie met een dikke subwoofer! Enkel op die manier komt hij echt tot zijn recht.

1. Black Sabbath
2. Paranoid
3. Master of Reality

Black Sabbath - Mob Rules (1981)

poster
4,0
Mob Rules heeft een wat ondankbare status als het kleine broertje van Heaven and Hell, in wiens kielzog dit tweede album met Dio anderhalf jaar later verscheen. Aan een kant zijn de onvermijdelijke vergelijkingen niet onlogisch: zo borduurt dit album productiegewijs naadloos voort op de kwaliteiten van haar voorganger.

Ook wat de tracklist betreft zijn de parallellen niet moeilijk te trekken: Neon Knights is hier Turn Up the Night (beiden knallende openers), The Sign of the Southern Cross kan gezien worden als de evenknie voor het titelnummer van de voorganger (en de akoestische intro laat echo's horen van Children of the Sea), Falling Off the Edge of the World heeft in de opbouw duidelijk een en ander gemeen met Die Young, en zinderende emotionele solo's vormen de hoeksteen van de afsluiters op beide platen.

Toch doet het Mob Rules wat tekort om het te bestempelen als louter een doorslagje van haar voorganger. Zo klinkt Dio hier geregeld gemener en kwader dan we hem tot nu toe gehoord hebben, wat uitstekend past bij een aantal wat grimmigere composities. Vinny Appice kleurt als nieuwe trommelaar van dienst deze nummers in met een andere, wat strakkere en lompere maar daarom zeker niet minder smakelijke feel dan Bill Ward. Een sfeerscheppend intermezzo als E5150 (voor degenen die de inside joke in de titel niet snappen: zoek de Romeinse cijfers op voor 5-1-50) had niet in het strakke plaatje van de vorige plaat gepast, maar komt zo uit het draaiboek van het Ozzy-tijdperk. The Sign of the Southern Cross, topper van formaat, bevat dan weer die heerlijke boosaardige sloomheid die Sabbaths vroege materiaal zo kenmerkte en nu pas voor het eerst in het Dio-tijdperk écht aan bod komt.

Het songmateriaal op Mob Rules doet uiteindelijk weinig onder voor haar voorganger. Meer nog, een aantal gebruikers hier geven zelfs de voorkeur aan deze wat meer broeierige en stemmige verzameling songs. Het is een kwestie van smaak. Zo vind ik dat hier andermaal geen slechte nummers op staan, maar de hoogtepunten van Heaven and Hell brengen mij in hogere sferen dan zelfs de beste nummers van dit album. Ondertussen zijn Voodoo, Country Girl en het wat lichtvoetige Slipping Away (zeg maar de Walk Away van dit album), prima als ze zijn, toch net niet van hetzelfde kaliber als de rest van het album.

Hoogtepunten die nog even de aandacht verdienen: het vlammende titelnummer, dat nog steeds brandend actueel is. Denk maar aan de opstanden van 6 januari 2021 in het Amerikaanse Capitool. If you listen to fools, the mob rules! Daarnaast hulde voor het afsluitende tweeluik, dat voor mij altijd samen geluisterd moet worden en een gepast episch slotakoord vormt voor deze helaas kortstondige line-up van de Prinsen der Duisternis, die elkaar gelukkig in de toekomst nog tweemaal terug zouden vinden voor albums die ik nog helemaal niet zo goed ken op datum van schrijven.

De eerste helft van de Sabbath-catalogus zit er alweer op, tijd om onbekend terrein in te duiken en de stormachtige tweede helft te trotseren...

1. Heaven and Hell
2. Black Sabbath
3. Paranoid
4. Mob Rules
5. Sabbath Bloody Sabbath
6. Master of Reality
7. Vol. 4
8. Technical Ecstasy
9. Never Say Die!
10. Sabotage

Black Sabbath - Never Say Die! (1978)

poster
3,0
Ten tijde van Never Say Die! hing de originele line-up van Black Sabbath aan een zijden draadje, ten gevolge van interne spanningen versterkt door een goddeloze hoeveelheid drugs en alcohol. De tank was fysiek, mentaal en creatief zo goed als leeg na 10 jaar rock 'n' roll-excessen. In hartje winter 1978 in Canada dook Sabbath een onherbergzame studio in om snel nog één laatste plaat eruit te persen. De opnames waren rommelig, waarbij Ozzy geregeld weigerde om bepaalde teksten of over bepaalde nummers (Breakout) te zingen omdat hij het nergens naar vond klinken. Iommi getuigde later dat hij zelf geen idee had of wat ze aan het opnemen waren, eigenlijk wel deugde of niet.

Gegeven deze context is het eigenlijk een klein wonder dat Never Say Die! nog helemaal niet zo slecht is als je zou verwachten. Goed, de doffe, vlakke productie met schel gitaargeluid werkt niet mee en het bizar lage volume aan het begin van nummers 3 en 4 haalt me telkens wat uit de luisterervaring. Maar ondanks dat kan ik het merendeel van het album best wel smaken, ondanks de hoorbare identiteitscrisis die de band onderging in deze periode.

Zo klinkt het titelnummer meer als Thin Lizzy dan Black Sabbath, maar is het een gedreven, puntige song met een positieve boodschap. De keyboards zijn een leuke toets (pun intended) op Johnny Blade, waar zeker in het middenstuk wat Sabbath-waardige riffs tevoorschijn worden getoverd. Iommi begon op het vorig album zijn vleugels al te spreiden als solist en ook hier kleurt hij de laatste anderhalve minuut in met een opzwepende solo.

Junior's Eyes is mijn favoriet van het album. Heerlijk aanstekelijk baslijntje en zweverig gitaarwerk in de strofes, afgewisseld met een stevig refrein waar Ward er lekker op los ramt. Ozzy vertelt met emotie een aangrijpend verhaal over het vroegtijdige overlijden van zijn vader. A Hard Road kan ik dan weer helemaal niks mee, dendert eindeloos en doelloos door op dezelfde 2 akkoorden en klinkt ondanks zijn bitterzoete tekst veel te opgewekt om uit de koker van Sabbath te komen.

De tweede helft trapt af met Shock Wave, dat me een stuk beter bevalt. De riffs in de openingsfase hakken er best stevig in. Halverwege gaat het tempo een tandje omlaag en krijgen we een lekkere jamsectie voorgeschoteld. De akoestische gitaar is een opvallend accent. Het melodische Air Dance kan mij ook bekoren, met de gitaarharmonieën in het hoofdtthema en de mijmerende piano en gitaar in de strofes en refreinen. De tweede helft is jazzy en progressief, iets wat Ozzy zelf vreselijk vond want het enige waar hij jaloers op was bij jazzmuzikanten, aldus zijn eigen woorden, was hoeveel ze konden drinken. Ik hou echter van dit soort creatieve uitspattingen (bossanova op een Sabbath-album?!) en vind het best een geslaagd experiment. Alleen jammer van de fade-out op het einde. Die komen wel vaker voor op dit album en verraden het gebrek aan richting dat de groep plaagde in deze periode.

Het afsluitende drieluik dan. Over to You heeft een prima tekst over sociale indoctrinatie, maar is muzikaal wat te vrolijk en gezapig om echt te beklijven. Breakout is opnieuw een verrassend en plezierig experiment, deze keer met dreigende blazers a la King Crimson, en dient als inleiding voor afsluiter Swinging the Chain, een vuig bluesrocknummer met Bill Ward achter de microfoon en een gastpartij op de mondharmonica. Klinkt meer als Cream dan Black Sabbath, maar het luistert prima weg tot de - opnieuw - onfortuinlijke fade-out.

En zo komt een onceremonieel en anticlimactisch einde aan de klassieke Sabbath line-up. In 1979 werd de band helemaal disfunctioneel door ontsporend drugsgebruik en stuurde de rest van de groep een ontoerekeningsvatbare Ozzy met pijn in het hart de laan uit. Nooit zouden deze 4 heren nog samen een studio-album opnemen (enkel het grotendeels live-album Reunion 20 jaar later). Gelukkig krabbelden zowel Sabbath als Ozzy hierna helemaal terug recht en vuurden ze elk een klassieker op de wereld af in 1980.

Wat de rangschikking betreft, was het lastig om te oordelen of deze nu wel of niet onderaan de lijst thuishoort. Uiteindelijk heb ik Never Say Die! genade getoond: hoewel er geen hoogtepunten als Hole in the Sky dan wel Symptom of the Universe op staan, luister ik nog net iets liever dit album van begin tot einde af dan Sabotage vanaf Megalomania.

1. Black Sabbath
2. Paranoid
3. Sabbath Bloody Sabbath
4. Master of Reality
5. Vol. 4
6. Technical Ecstasy
7. Never Say Die!
8. Sabotage

Black Sabbath - Paranoid (1970)

poster
4,5
Wat valt er nog meer te zeggen over Paranoid? Het album is een universeel geliefde klassieker en een hoeksteen van het metalgenre, en als je kijkt naar de tracklist is het niet moeilijk om in te zien waarom. War Pigs is een meesterwerk in sfeer (die sirene! die teksten!) en songopbouw. Paranoid is een kort maar krachtig lijflied en veruit het bekendste Sabbath-nummer: zo staat de teller op Spotify op datum van schrijven maar liefst op meer dan een miljard(!) plays. De legendarische riffs van Iron Man staan dan weer in het geheugen van elke metalliefhebber gegrift. Daar tussenin staat het sombere, spacey, meditatieve Planet Caravan, de eerste en zeker niet de laatste vreemde eend in de bijt waarop Ozzy & co. aantonen van alle markten thuis te zijn en met succes andere genres en experimenten te kunnen opzoeken. Dat kunstje zou men nog meermaals herhalen op volgende albums, en ik vind het absoluut een dimensie toevoegen aan de sound van deze band.

Kortom: de eerste helft van het album verdient de volle mep wat mij betreft. Paranoid heeft uiteraard ook nog een tweede helft. Electric Funeral drijft vooral op een sfeervol, maar repetitief doom-riffje dat net wat te lang wordt herhaald om de volledige speelduur te beklijven; gelukkig zit er een heerlijke versnelling in het midden die voor de nodige afwisseling zorgt. Hand of Doom volgt enigszins diezelfde structuur, maar met wat meer verschillende passages waarbij snel/traag en hard/zacht elkaar afwisselen als de highs en lows van een heroïneroes. Rat Salad is voor dit album wat Moby Dick is voor Led Zeppelin II: een prima drumsolo verpakt in een paar swingende riffs. Fairies Wear Boots is een geinige, tekstueel simpele afsluiter die de spot drijft met skinheads waar de groep het na een optreden mee aan de stok kreeg.

Mijn afdronk van dit album is dat het een terechte klassieker is, maar dat er wel een zeker onevenwicht in de songkwaliteit zit tussen kant A en B. Hoezeer ik de laatste 4 nummers ook kan waarderen, de lat ligt zo hoog in de eerste helft dat de tweede helft daar wat bij afsteekt. Daarom heb ik toch een lichte voorkeur voor het meer consistente debuutalbum boven deze. Toch kom ik in de eindbalans uit op 4,5* voor dit monument in de metalgeschiedenis.

1. Black Sabbath
2. Paranoid

Black Sabbath - Sabbath Bloody Sabbath (1973)

poster
4,0
In haar vijfde uiting toont Black Sabbath dat het kruit nog helemaal niet is verschoten. Sabbath Bloody Sabbath is kwalitatief consistenter dan haar onmiddellijke voorganger en vindt een uitstekende balans tussen allerhande progressieve uitstapjes en memorabele, sfeervolle songs. De groei van de verschillende bandleden als professionele muzikanten is hier duidelijk hoorbaar.

De opener is direct een hoogtepunt, zowel op dit album als in het gehele oeuvre van de band. Een scheurende, instant-legendarische riff en een Ozzy die zich opvallend goed staande houdt in de hogere vocale registers stelen de show. Als een achtbaan gaan we van de ene in de andere intrigerende passage over. A National Acrobat pikt het stokje naadloos over en volgt enigszins dezelfde formule, tot de opvallende wending in de slotfase, waar de spanning steeds verder opgevoerd wordt tot een abrupte finish je doet smachten naar meer.

Fluff heeft haar naam niet gestolen: dit lieflijk walsje gedanst door akoestische gitaar, piano, klavecimbel (allemaal gespeeld door Iommi nota bene) en bas is een klassieke troef uit de Sabbath-trukendoos om je als luisteraar helemaal zen te krijgen na het afgelopen gitaargeweld. Het is het muzikale equivalent van een netjes onderhouden Engelse bloementuin die zich na een aprilse plensbui reikhalzend opent naar de zon die haar eerste stralen door het grijze wolkendek boort. Het is de opmaat naar het heerlijk vuige, rockende Sabbra Cadabra. Rick Wakeman van Yes voegt op de piano en Moog een verfrissende muzikale dimensie toe. Geleidelijk gaat het nummer over in wat als een geïmproviseerde maar strakke jam aanvoelt, vooraleer drummer Bill Ward er een uitroepteken achteraan mag zetten.

De tweede helft van het album wordt geopend door het stevige Killing Yourself to Live. Opnieuw tast Ozzy de grenzen van zijn stembanden af: de hoge uithalen in het refrein worden bijna geschreeuwd, wat het nummer de nodige dosis venijn meegeeft. In de tweede helft krijgen we een tempowisseling naar een bijna funky passage vooraleer het tempo en de spanning geleidelijk terug worden opgeschroefd tot de laatste noot.

Tot dusver kent het album eigenlijk geen missers. Helaas worden we hierna getrakteerd op het duffe Who Are You?, aangedreven door een repetitief synthloopje dat voor mysterieus en sfeervol moet doorgaan, maar al heel snel vooral saai en uiteindelijk irritant wordt. Een kleine zijsprong naar een wat symfonisch aandoende passage ongeveer halverwege is nog het meest interessante wat het nummer te bieden heeft. Looking for Today stoort minder, maar is in vergelijking met het overige songmateriaal op dit album opvallend lichtvoetig en bijna vrolijk te noemen. De handklapjes en fluit helpen daarbij niet echt. Het refrein is ook best zwak. Gelukkig maakt de solo in de laatste minuut nog een en ander goed.

Spiral Architect voorkomt dat het album als een nachtkaars uitgaat. Van de spookachtige intro tot de beeldende teksten en de smaakvolle strijkersarrangementen, dit is Sabbath op zijn sfeerscheppend best. Een creatief, ambitieus en geslaagd experiment.

Jammer dat dit album in de tweede helft wat steken laat vallen. De rest van het album kan namelijk de eerste (en m.i. beste) twee platen gerust naar de kroon steken. Lof ook voor de iconische, duivelse hoes.

1. Black Sabbath
2. Paranoid
3. Sabbath Bloody Sabbath
4. Master of Reality
5. Vol. 4

Black Sabbath - Sabotage (1975)

poster
3,0
Sabotage wordt in het algemeen beschouwd als de afsluiter van het gouden tijdperk van Black Sabbath, een reeks van zes albums die allemaal een klassiekerstatus aangemeten krijgen. Wat Sabotage betreft kan ik daar voor het eerst helaas niet in meegaan; ik vind het een rommelig en inconsistent album waarbij voor mij de eerste barsten in het Sabbath-blazoen duidelijk zichtbaar worden.

Aan het eerste kwartaal ligt het alvast niet. Hole in the Sky is een prima agressieve, rechttoe-rechtaan knaller die de spits mag afbijten. Via een abrupte stop en een akoestisch niemendalletje gaan we door in het intense Symptom of the Universe, veruit hét hoogtepunt van de plaat. De eerste twee derde van het nummer bestaan uit snijdende riffs en bulderend drumwerk, vooraleer er een scherpe bocht wordt gemaakt en we een heerlijk jazzy outro voorgeschoteld krijgen. Ozzy's vocalen zijn op beide nummers van topniveau, zoals trouwens ook op de rest van het album. Erg knap hoe hij als zanger gegroeid is door de jaren heen.

Tot dusver dus geen vuiltje aan de lucht. Dan komt echter Megalomania en smelt mijn enthousiasme als sneeuw voor de zon. Dit nummer had echt geen tien minuten uitgesponnen moeten worden. Er wordt geopend met een lome openingsfase waarbij de groep een mysterieuze, onheilspellende sfeer wil neerzetten, maar het komt bij mij net niet goed binnen en balanceert net op het randje van saaiheid. Vanaf ongeveer drieënhalve minuut gaat het beetje opgebouwde spanning en duisternis er dan nog volledig uit wanneer een koebel een heel middelmatige riff mag inleiden. Deze riff wordt als centraal thema in de rest van het nummer tot in den treure herhaald alsof Iommi van mening is dat hij hiermee het warm water uitgevonden heeft. De passage op ongeveer tweederde met de gitaarsolo doet me even opveren, maar in de laatste drie minuten krijgen we vervolgens bijna niks anders dan een eindeloze loop van eerder genoemde riff, met wat symfonische toetsen er overheen om je toch te overtuigen dat je echt wel naar een episch meesterwerkje aan het luisteren bent. Helaas raakt het mijn koude kleren niet. De overgave waarmee Ozzy zijn teksten voordraagt en zijn stembanden bijna eruit schreeuwt op het einde (zeker dat dit Robert Plant niet is?), is ook niet voldoende om de boel te redden.

Op naar de tweede helft dan maar. The Thrill of It All opent heel aardig, maar na een minuut sijpelt alle spanning eruit als een leeglopende ballon, eerst door nogmaals een ongeïnspireerd en hakkelig riffje, vervolgens door een melodische wending halverwege het nummer waardoor de tweede helft veel en veel te opgewekt klinkt voor een Sabbath-compositie. Supertzar krijgt niet zo veel liefde hier, maar vind ik nog best origineel en vermakelijk als intermezzo. De gitaar, koorzang en orkestrale elementen wisselen elkaar goed af en vormen een warm, sfeervol geheel.

Dan volgt helaas het dieptepunt van het album. Waar Sabbath gewoonlijk voor op zijn tijd was, voelt Am I Going Insane als een oubollig overblijfsel uit de psychedelica van eind jaren '60. Het is een bevreemdend en kitscherig experiment dat voor mij gewoon niet in het DNA van deze groep past. Afsluiter The Writ trekt het niveau gelukkig terug een stuk naar boven. Met haar vele wendingen en progressieve tintjes (zoals iets wat lijkt op klavecimbel en xylofoon na ongeveer vijf minuten) had dit nummer zo op de voorganger kunnen staan. Gelukkig is het niet enkel toeters en bellen: halverwege en in de laatste minuut wordt er gewoon heerlijk gebeukt als we van oudsher van deze groep gewend zijn. Niet per se een hoogvlieger in de Sabbath-catalogus, wel een van de lichtpuntjes van deze plaat.

De eindbalans: twee steengoede nummers mogen de plaat openen, waarna het een achtbaan wordt van relatieve hoogtepunten en een paar stevige dieptepunten. Het grootste euvel voor mij is dat het bij vlagen helemaal niet meer als Black Sabbath klinkt. Waar de vorige plaat de grenzen van het experiment grotendeels met zinderend succes opzocht, is men er hier bij momenten te ver in doorgeschoten. Een klassieker zoals de vorige vijf albums kan ik Sabotage dan ook echt niet noemen.

En dan nu op naar onontgonnen terrein: het voor mij onbekende Technical Ecstasy...

1. Black Sabbath
2. Paranoid
3. Sabbath Bloody Sabbath
4. Master of Reality
5. Vol. 4
6. Sabotage

Black Sabbath - Seventh Star (1986)

poster
3,5
Seventh Star is een vreemde eend in de Sabbath-bijt. Na Ozzy en Ward gaf ook Butler er na de Born Again-tour voor het eerst de brui aan, waardoor Iommi alleen overbleef en ervoor koos om een andere richting uit te gaan qua stijl en sound. Dit album was dan ook bestemd als Iommi's eerste soloproject, maar werd onder druk van het label uitgebracht onder de naam Black Sabbath, zoals ook bij de voorganger het geval was. Zo krijg je de bizarre betiteling "Black Sabbath featuring Tony Iommi" op de hoes, alsof Iommi gastmuzikant is bij zijn eigen band die al volledig de deur uit was!

Enfin, om maar te zeggen: de Sabbath-bril afzetten helpt om dit album te beluisteren voor wat het is. Met uitzondering van wat smakelijke synthesizers en een aantal karakteristieke Iommi-solo's heeft dit namelijk weinig meer met Sabbath van doen. Seventh Star ademt meer de sfeer van de hard rock uit de jaren '80 uit, met de typische galmende (maar, althans in de remaster op Spotify, ook wel warme en dynamische) productie en spierballen-rockers afgewisseld met de occasionele melodramatische ballade. Hoeveel je geniet van dit album, zal behoorlijk afhangen van de mate waarin je muzikale smaakpalet ruimte heeft voor dit tijdperk en deze sound. Voor mij roept het een soort nostalgie op naar een glorieus tijdperk dat ik als kind van de jaren '90 niet heb mogen meemaken. Met andere woorden: ik kan het prima hebben.

Glenn Hughes verdeelt hier de meningen als zanger, maar voor mij geldt: als hij zijn rauwe strot opentrekt, ga ik spontaan breed glimlachen. De beste man heeft zijn roeping als rockster niet gemist. Een volledig album met hem achter de microfoon werkt wel vermoeiend op de trommelvliezen, dus ik ben blij dat dit album slechts 35 minuten aantikt.

In for the Kill hakt er stevig in als opener. Heerlijk, die vibrato en harmonieën van Hughes op het refrein en de gedreven solo's van Iommi. De intro van No Stranger to Love is een soort herhalingsoefening van het begin van Die Young, waarna we een zeemzoete ballade voorgeschoteld krijgen. De videoclip is een hilarisch stukje jaren '80 kitsch waarin Iommi doet alsof hij iets heeft met een blonde Barbiepop met te veel haarlak en iedereen lang en ongemakkelijk in de camera staat te kijken. Behoorlijk dertien-in-een-dozijn nummer, maar ik stoor me er niet aan.

Turn to Stone schroeft het tempo gelukkig weer op met een stevig drumintro en gaat naadloos voort op het elan van de opener. Voor mij hadden er zo nog meer op mogen staan. Iommi toont dat hij zich prima staande kan houden tussen de jonge generatie rockgitaargoden die in dit decennium in het kielzog van Van Halen is opgestaan. Hierna krijgen we met Sphinx een sfeervol synth-interlude als introductie voor het epische titelnummer. Geweldige groove en hoofdriff heeft dit nummer. Halverwege krijg ik Kashmir-vibes van de oosters getinte melodieën en de koorzang op de achtergrond heeft wat weg van Supertzar en Children of the Sea uit eerdere projecten. Absoluut een ondergewaardeerde topper wat mij betreft.

De tweede helft van het album trapt af met Danger Zone (voor alle duidelijkheid géén cover van Kenny Loggins uit de Top Gun-soundtrack van datzelfde jaar), een degelijke maar niet opmerkelijke midtempo rocker die uit de koker van Thin Lizzy had kunnen komen. Heart Like a Wheel is pure zompige blues waarbij Iommi minutenlang heerlijk losgaat met gitaarsolo's. Ik heb het al eerder gezegd: ik ben onder de indruk van de groei die hij als melodische sologitarist heeft doorgemaakt sinds de eerste albums, waar hij nog heel repetitieve en rudimentaire solo's speelde. Zesenhalve minuten zijn hier om vooraleer ik er erg in heb. Afsluiten doen we met Angry Heart/In Memory, dat van robuuste rocksong in gevoelige, slepende ballade overgaat. De tweede helft beklijft hierbij meer dan de eerste.

Seventh Star scheert als geheel misschien niet de hoge toppen van het beste werk uit het Sabbath-oeuvre, maar er is hier voldoende te genieten dat ik zeker meer positief gestemd ben over dit werkje dan de gemiddelde luisteraar hier. In for the Kill en Turn to Stone doen het testosteron rijkelijk vloeien, Sphinx/Seventh Star is een schitterend mini-epos, en Heart Like a Wheel toont dat Iommi de voeling met de blues nog helemaal niet is verloren. Ik zet 'm net onder Vol. 4 in de rangschikking, maar eerlijk: hij zou er zomaar nog overheen kunnen wippen afhankelijk van hoe hij rijpt in mijn beleving.

1. Heaven and Hell
2. Black Sabbath
3. Paranoid
4. Mob Rules
5. Sabbath Bloody Sabbath
6. Master of Reality
7. Vol. 4
8. Seventh Star
9. Technical Ecstasy
10. Never Say Die!
11. Sabotage
12. Born Again

Black Sabbath - Technical Ecstasy (1976)

poster
3,0
Het zal vloeken in de duivelse kerk zijn, maar ik vind Technical Ecstasy een beter album dan Sabotage.

Ik lees als groot kritiekpunt op dit album dat Sabbath bij vlagen te mainstream zou klinken, dat ze te veel haar typerende sound en sfeer opgeeft. Ik snap waar die kritiek vandaan komt, maar voor mij stoort het helemaal niet, want ik kan gewoon genieten van elk van deze acht nummers. Deze iets lichtere, meer toegankelijke sound leunt voor mij aardig aan bij het solodebuut dat Ozzy 4 jaar later de wereld in zou gooien, en daar hoor ik mensen ook niet over klagen.

Wat mij in eerste instantie in heel positieve zin opvalt aan dit album, is de groei van Iommi als niet enkel riffmeister, maar ook solist. Het is hier merkbaar dat zijn gitaarsolo's steeds meer melodisch en fijnbesnaard werden ten opzichte van de eerdere jaren, wat uiteindelijk tot volle wasdom zou komen op Heaven & Hell. Back Street Kids, You Won't Change Me, Gypsy en zeker Dirty Women huisvesten allemaal minstens één gitaarsolo om duimen en vingers bij af te likken. Laatstgenoemde song is een uitstekende afsluiter en stond in de live setlists zonder problemen schouder aan schouder met het oudere materiaal.

Zelfs het heel on-Sabbath-achtige It's Alright doet voor mij zijn naam best eer aan (opnieuw een aardige akoestische gitaarsolo op het eind) en She's Gone kan ik ook prima pruimen, met het gevoelige gitaarwerk en ditto strijkers. Goed, Rock 'N' Roll Doctor is na de lekkere intro wel een behoorlijk dertien-in-een-dozijn honkytonk rocker met die barpiano, koebel en cliché teksten, maar doe mij maar veel liever dit dan bijvoorbeeld een Who Are You? of Am I Going Insane? van de vorige albums. Ozzy's teksten zijn ook op de rest van het album niet per se van de hoogste kwaliteit, maar dat is voor mij bij Sabbath en Ozzy altijd redelijk bijzaak geweest, dus ik stoor me er eigenlijk niet aan.

In de eindbeoordeling is Technical Ecstasy dus verrassend genoeg geen hekkensluiter bij mij. Degelijk album dat niet per se grote klassiekers herbergt of mijn eerste keuze gaat worden als ik in de toekomst in de stemming ben voor wat Black Sabbath, maar ook zeker niet de grote misstap waarvoor het soms wordt uitgemaakt.

1. Black Sabbath
2. Paranoid
3. Sabbath Bloody Sabbath
4. Master of Reality
5. Vol. 4
6. Technical Ecstasy
7. Sabotage

Black Sabbath - The Eternal Idol (1987)

poster
3,0
Midden jaren '80 was Black Sabbath een draaideur geworden waar onder leiderschap van Tony Iommi allerlei (top)muzikanten binnen en buiten liepen. Tony Martin was zanger nummer tien(!) die achter de microfoon mocht gaan staan en na Ozzy, Dio, Gillan en Hughes de vijfde en laatste 'nieuwe' wiens stem ook effectief te horen is op een officieel studio-album. Martin zou later nog vier platen met de groep opnemen en daarmee na Ozzy de langstdienende Sabbath-zanger worden, hoewel hij daar nooit echt de erkenning voor gekregen heeft.

Zijn hier verder van de partij: Bob Daisley, die op Ozzy's eerste twee soloplaten de bas voor zijn rekening nam en onmiddellijk hierna in de band van Gary Moore ging spelen. Eric Singer, die ook op Seventh Star al drumde en daar zeker op het titelnummer een prima indruk maakte bij mij. En tot slot toetsenist Geoff Nicholls, die al sinds Heaven and Hell een stille maar belangrijke vaste waarde was geworden in de groep door altijd de nodige smakelijke accenten en kleur toe te voegen. Uiteindelijk zou hij op niet minder dan tien Sabbath-albums een bijdrage leveren, eentje meer dan zelfs Ozzy. Alleen Geezer Butler (15 albums) en natuurlijk Tony Iommi zelf (alle 20 albums) gaan hem voor.

Eternal Idol is, zoals ook zijn voorganger, geproduceerd door de Amerikaan Jeff Glixman die zijn faam maakte als producer van de meest succesvolle albums van Kansas. Dat is hoorbaar aan de productiestijl, die op en top jaren '80 Amerikaans is, nog meer dan Seventh Star. De zang en instrumenten galmen alsof de band in een arena staat te spelen voor tienduizend man. Op zich is daar niks mis mee, temeer omdat het geheel (in de remaster op Spotify althans) gebalanceerd, vol en warm klinkt. Alleen mist het wat identiteit en krijg ik meer dan eens het gevoel naar een wat doorsnee Amerikaanse metalband te luisteren dan naar Black Sabbath.

Het album opent nochtans schitterend met The Shining. Wat een moddervette, vintage Sabbath hoofdriff en spetterend, aanstekelijk refrein heeft dit nummer! Martin brengt met overgave zijn beste Dio-impressie en komt daar uitstekend mee weg. Het middenstuk is een smaakvolle opbouw naar een fijne melodische gitaarsolo en het refrein knalt door tot de fade-out aan het einde. Zonder meer een indrukwekkende opener die veel meer liefde verdient binnen het Sabbath-oeuvre. Hulde!

Helaas heb je hiermee ook direct hét hoogtepunt van het album te pakken. Wat volgt, is een reeks stevige midtempo nummers die allemaal wel degelijk, maar ook niet heel onderscheidend zijn. Ancient Warrior springt er nog het meest uit met zijn wat oosters klinkende riffs, koortjes en mysterieuze zang in de strofes door Martin, maar gaat ook wat lang door voor wat het te bieden heeft. Dat geldt wel voor meer nummers hier, die telkens bijna vijf minuten aantikken en waarbij ik geregeld al halverwege op de klok zit te kijken. Zo is dit album, in combinatie met de in-your-face productie, best een vermoeiende zit.

Martin is verder wel een versatiele en technisch begaafde zanger, maar hij is ook niet per se uit de duizenden te herkennen zoals al zijn voorgangers bij deze band. Je zou hem op Glory Ride of Born to Lose bijvoorbeeld zonder veel problemen kunnen inruilen voor de zanger van Tesla of Europe zonder dat je een groot verschil zou merken. Ik mis wat diepte en ruwheid in zijn stem. Verder is die typische, blues-geïnspireerde riff- en solostijl van Iommi op dit album grotendeels ingeruild voor meer generiek rechttoe-rechtaan shredwerk, en dat vind ik jammer.

Pas bij het fraaie akoestische Scarlet Pimpernel wordt mijn aandacht eigenlijk weer echt getrokken. Lost Forever injecteert het album wel met wat nieuw leven en gooit het tempo eindelijk wat omhoog, al is het nog niet te vergelijken met In for the Kill of Turn to Stone van de voorganger. Het album sluit gelukkig nog sterk af met het tweede grote hoogtepunt: het trage, griezelige titelnummer met lugubere riffs en teksten die Sabbath ten voeten uit zijn. Ik vraag me af of Iommi zat te luisteren naar Candlemass rond deze periode, want dit nummer zou zo ook op één van hun albums passen. Genieten geblazen.

Zo krijg je een album dat vooral erg sterk opent en afsluit. Tussenin zakt het nergens in, maar merk ik toch dat het gebodene me niet voldoende pakt om de aandacht erbij te houden. Ik zie mezelf dan ook niet vaak terugkomen naar dit album, met uitzondering van dus de opener en afsluiter.

1. Heaven and Hell
2. Black Sabbath
3. Paranoid
4. Mob Rules
5. Sabbath Bloody Sabbath
6. Master of Reality
7. Vol. 4
8. Seventh Star
9. Technical Ecstasy
10. The Eternal Idol
11. Never Say Die!
12. Sabotage
13. Born Again

Black Sabbath - TYR (1990)

poster
4,0
De line-up Iommi / Martin / Nicholls / Powell had de smaak goed te pakken en kwam na amper iets meer dan een jaar al met de opvolger voor het artistiek succesvolle Headless Cross. Neil Murray, die er al sinds de vorige tournee bij was, mag ook hier de baspartijen verzorgen.

Ondanks de bijna identieke line-up en de korte tijd tussen de twee albums voelt Tyr toch behoorlijk afwijkend van zijn voorganger. De productie is wat moderner dan zijn voorganger; de galm op de zang en drums is een stuk teruggeschroefd en de voller klinkende gitaar en bas komen een stuk beter tot hun recht, althans op de remaster uit 2024 die ik beluister. Tekstueel mag Martin meer zijn vleugels spreiden, nadat het bijna onophoudelijk over demonen en Lucifer ging op de vorige plaat. Door deze aanpassingen voelt Tyr voor mij kleurrijker dan het bijna gitzwarte Headless Cross, terwijl het niets aan karakter en heaviness heeft ingeboet.

Het epische, sfeervolle Anno Mundi mag de spits afbijten. Geen idee waar het over gaat (de kruistochten?), maar wat brengt Martin zijn teksten hier met overgave. Sowieso lijkt hij op dit album iets minder de hoogste regionen op te zoeken, waardoor zijn stem wat meer body heeft. Instrumentaal wordt er piekfijn opgebouwd vanaf een akoestische introductie naar robuust riffwerk in de strofes, een ingetogen interlude en een intense finale met Powell die de boel geweldig dichttimmert over een bijna wanhopig refrein.

The Law Maker valt niet bij alle gebruikers hier in de smaak, maar ik hou van snelheid in mijn metal en dat is hier niet anders. Heerlijk gedreven, NWOBHM-achtige knaller waar ik onmogelijk bij stil kan zitten. Martin kanaliseert zijn innerlijke Dio met verve en refereert met een knipoog ook aan zijn twee grootste voorgangers: 'Silver mountains won't save you from Hell / The Prince of Darkness, inside you will dwell'. Het gitaarwerk doorheen het nummer en zeker de harmonieën op het einde klinken alsof ze uit de stal van Iron Maiden ten tijde van Killers zijn weggelopen en daar heb ik helemaal geen problemen mee.

Jerusalem neemt wat gas terug en schotelt ons een meer dan verdienstelijke snede powermetal voor met abstracte, maar aanstekelijke teksten. Onmiddellijk daarna komt het slepende, loodzware The Sabbath Stones, waarin de groep uit hetzelfde vaatje tapt als het eveneens uitstekende Eternal Idol (het nummer). De ruimtelijke strofes worden ingekleurd met heel smaakvolle baslijntjes, waarna het refrein extra hard binnenkomt. Na vijf minuten de spanning op te bouwen breekt de storm helemaal los op het einde, met een strakke, opnieuw Maiden-achtige riff en een vintage Iommi gitaarsolo als kers op de taart.

De tweede helft opent met een mythologisch epos van achteneenhalve minuut bestaande uit drie onderdelen. Via orkestrale pauken en keyboards (Battle of Tyr) en een melancholisch stukje gitaar- en baswerk (Odin's Court) worden we achterop de strijdwagen van Thor met de koude wind in de rug Valhalla binngeblazen, laatste rustplaats van moedige gevallen krijgers. Mijn beperkte kennis van Noorse mythologie doet me vermoeden dat de teksten handelen over de gebeurtenissen die de aanleiding zouden vormen voor Ragnarok, de grote godenoorlog en het einde van de wereld. De muziek doet de tekst geen oneer aan; de groep raast als een goed geoliede machine door de stevige riffs en solo's heen.

Feels Good to Me is, zoals No Stranger to Love op Seventh Star, de onfortuinlijke vreemde eend in de bijt die als single voor het album moest dienen. Op zich niet eens een heel slecht nummer, waarbij met name Iommi's gitaarsolo een lichtpunt is, maar met zijn hoge Skid Row-gehalte past deze 'power-ballade' gewoon niet binnen het plaatje van dit album. De videoclip is trouwens lachwekkend cliché. Heaven in Black zet de trein weer op het goede spoor om af te sluiten. Na iets meer dan tweeënhalve minuut komt er voor de derde en laatste keer een prettig riffje voorbij dat leentjebuur speelt bij Iron Maiden. Voor de rest geen uitschieter, maar wel een prima afsluiter.

Al met al dus een heel solide album, waarbij enkel de laatste 2 nummers even een dipje betekenen. In de rangschikking staan deze en zijn onmiddellijke voorganger nek aan nek, waarbij Headless Cross grotere uitschieters heeft (Nightwing!), maar Tyr over de hele lijn het niveau net wat consistenter houdt. Beiden verdienen absoluut hun plekje tussen de Ozzy- en Dio-albums.

1. Heaven and Hell
2. Black Sabbath
3. Paranoid
4. Mob Rules
5. Sabbath Bloody Sabbath
6. Master of Reality
7. Headless Cross
8. Tyr
9. Vol. 4
10. Seventh Star
11. Technical Ecstasy
12. The Eternal Idol
13. Never Say Die!
14. Sabotage
15. Born Again

Black Sabbath - Vol. 4 (1972)

poster
4,0
Na een onheilige drievuldigheid albums over de wereld uitgestort te hebben bleef Black Sabbath niet op haar doornige lauweren rusten, maar dook men onmiddellijk weer de studio in voor de vierde ronde. Vol. 4 ziet de band een stuk terugkeren naar de bluesy sound en feel van de eerste 2 platen na het geweld van Master of Reality, al is er ook hier voldoende ruimte voor experiment en progressie.

Wheels of Confusion opent de plaat opvallend: een korte bluessolo leidt ons richting de hoofdriffs en thema's van het nummer, over het verlies van onschuld als we opgroeien en de gevoelens van verwarring en depressie die daarmee gepaard kunnen gaan. Klassenummer, met als climax een uitstekend outro (The Straightener) dat de intensiteit geleidelijk aan opvoert en waar Iommi lekker los mag gaan op het einde.

Tomorrow's Dream is prima, maar niet uitzonderlijk. Het volgende nummer, Changes, springt er wel weer uit: na Planet Caravan en Solitude voor mij het sluitstuk van een trilogie waarbij Sabbath haar veelzijdigheid en gevoelige kant laat zien. Een simpele, maar aangijpende pianoballade over het verlies van liefde (geïnspireerd door de echtscheiding van drummer Bill Ward) waarbij een huilende mellotron en de spookachtige uithalen van Ozzy je in een staat van diepe melancholie achterlaten. Vier decennia later nog heerlijk soulvol gecoverd door Charles Bradley, ook een aanrader.

FX is de eerste keer dat ik een nummer standaard skip op een Sabbath-album: dit vervelende experiment is ontstaan doordat men met allerlei objecten op een elektrische gitaar met veel reverb ging kloppen. Anderhalve minuut plaat verspild wat mij betreft.

Gelukkig spoelen we dat direct door met de beste tien minuten van het volledige album. Supernaut was bij de eerste luisterbeurt al mijn favoriet, met dank aan een opzwepende, swingende hoofdriff, een intense gitaarsolo halverwege en een funky, bijna samba-achtig stuk er achteraan, en Ozzy die vol overtuiging een oproep eruit gooit dat we in het leven het onderste uit de kan moeten halen. Bill Ward geeft zijn drumstel er zo hard van langs dat het voelt alsof hij elk moment door zijn trommels heen gaat slaan.

Het boosaardige Snowblind dat de tweede kant mag aftrappen, had eigenlijk het album haar naam moeten geven, maar het label stelde daar een veto tegen. Het lag net té veel voor de hand naar welke sneeuw er in de titel en teksten gerefeerd wordt. Gelukkig kon de groep wel vrijelijk haar ding doen in het schrijven van de muziek en teksten, want dit is een regelrechte Sabbath-klassieker, met dank aan een robuuste hoofdriff en een aantal heerlijke muzikale uitstapjes. Zo is er het melodische middenstuk waar het tempo omlaag gaat vooraleer Iommi een smaakvolle solo neerlegt, de versnelling die in tweederde van het nummer even wordt ingezet voor het gas weer wordt gelost, en het orkest dat het gitaarwerk in de slotfase met de nodige epiek ondersteunt.

Cornucopia had op Master of Reality niet misstaan. De riff die het nummer aftrapt is één van de zwaarste die Sabbath ooit heeft opgenomen en de bassen staan zo dik in de mix dat de luidsprekers onder het gewicht kreunen. De oren mogen hierna even ontspannen met het zoetgevooisde Laguna Sunrise, dat beelden van een tropische lagune oproept waarbij het donkerblauw en zwart van de nacht doorkliefd worden door het oranjerood van de zon die haar eerste stralen over de horizon werpt. Prachtig sfeerscheppend gebruik van strijkers.

St. Vitus' Dance is voor mij, zoals Tomorrow's Dream en Cornucopia, vermakelijk maar niet echt uitzonderlijk. Under the Sun is wel een waardige afsluiter, vergelijkbaar met Into the Void van de voorganger (al sla ik die laatste nog wel wat hoger aan). Ook hier wordt met trage, loodzware, slepende doom-riffs een gitzwarte sfeer neergezet, het podium voor een dosis religieuze kritiek. Zoals op de opener is het hier een sterke instrumentale outro die het nummer vakkundig afwerkt.

Vol. 4 heb ik altijd wat lastig te beoordelen gevonden. Hoewel er voldoende toppers op staan die ik mettertijd steeds meer ben gaan waarderen en ik er respect voor heb dat de band haar muzikale grenzen steeds bleef verleggen, zijn er hier ook een aantal songs die me nog steeds heel weinig doen, en dat speelt het album toch parten in de eindbeoordeling. Nog steeds een meer dan waardige toevoeging aan de Sabbath-catalogus, maar de eerste barstjes begonnen hier wel te verschijnen wat mij betreft.

1. Black Sabbath
2. Paranoid
3. Master of Reality
4. Vol. 4

blink-182 - Greatest Hits (2005)

poster
4,0
Wie in de jaren '90 is opgegroeid, kon simpelweg niet om Blink-182 heen. Hitje na hitje sprokkelden ze bijeen met hun unieke mix van pop-rock en punk en hoewel ze in hardcore-middens verguisd werden omwille van hun commercieel appeal, verkochten ze zo veel miljoenen platen dat het hen waarschijnlijk toch niet kon deren. De bankrekening zal er evenmin om gelogen hebben.

Deze best-of, uitgebracht vlak na hun hiatus in 2005, is een chronologische greep uit hun eerste 5 studio-albums (debuutplaat 'Buddha' niet meegerekend), met een extraatje (Man Overboard) uit hun liveplaat, één nieuw nummer (Not Now) en een cover van groep The Only Ones (Another Girl, Another Planet). Wat mij betreft, is het tevens een nagenoeg perfecte dwarsdoorsnede van hun carrière minus de recente comeback. Alle welbekende singles van de hoogtijdagen zijn hier terug te vinden, en dat zijn er heel wat.

In ware punkstijl blinkt het geheel uit in zijn simpliciteit. Zo leerde ik als middelmatig gitarist ongeveer de helft van deze plaat spelen op anderhalf uur tijd. De kunst zit er hem echter in dat dit trio met slechts drie à vier akkoorden keer op keer enorm aanstekelijke riffjes en hooks wist te schrijven. Zelfs een decennia na dato blijft dit voor een millennial als mezelf dan ook een feest der herkenning waarbij het onmogelijk is om stil te blijven zitten en niet mee te zingen, luchtgitaarspelen, luchtdrummen, etc.

Op de eerste twee vermakelijke nummers, die de sterkste punkinvloeden dragen, is het duidelijk dat de Blink-formule nog een ruwe diamant was. Met Dammit krijgen we echter al direct de eerste echte oorworm voorgeschoteld. Kort daarna trapt What's My Again? één grote aaneenschakeling van hits af: All the Small Things, Rock Show, First Date, Stay Together for the Kids, ... Ik verbaasde mij er zelf, na zoveel jaar, over dat deze nummers zo goed in mijn geheugen waren blijven hangen.

Het valt ook op dat de groep gaandeweg zijn punkroots beetje bij beetje ontgroeit, het gaspedaal al wat meer durft te lossen en volop de richting van de pop-rock omarmt. Dit zorgt ervoor dat deze 17 nummers allerminst aanvoelen als eenheidsworst, maar een duidelijke trend vertonen richting meer songs gedreven door melodie en harmonieën, getuige o.m. de dromerige en (het moet gezegd) aandoenlijke ballades I Miss You en Always.

De sound van Blink-182 klinkt voor een trio ook opvallend vol: zo vullen Mark en Tom elkaar zowel instrumentaal als vocaal sterk aan. Tom's hoge, nasale zang wordt perfect ondersteund door de warme, diepere stem van Mark. Feeling This is hier een heerlijk voorbeeld van, met de zanglijnen die elkaar op doeltreffende wijze doorkruisen.

Travis (en op de eerste 4 nummers Scott Raynor) vult het geheel uit met robuust, energiek drumwerk. Hoewel hij al te vaak tot de "beste drummer ter wereld" wordt uitgeroepen in middens waar je het in Keulen hoort donderen als je de naam Neil Peart, Danny Carey of Buddy Rich noemt, trekt hij zich uitstekend uit de slag (pun intended) zonder in overdaad te vervallen.

Alles samengevat is dit een mooi gebalanceerde verzamelaar en dé essentiële Blink-182-plaat voor de luisteraar die het niet ziet zitten om hun studio-albums door te spitten, maar genoegen neemt met de grootste krakers. Een nostalgische 'guilty pleasure' waar ik opvallend geregeld naar teruggrijp!

Bruce Dickinson - Tyranny of Souls (2005)

poster
4,0
Accident of Birth en Chemical Wedding sla ik heel hoog aan en hebben al vaak de rondjes gedraaid bij mij. Vreemd is het dan ook dat het kwartje bij deze nog niet eerder was gevallen, want deze moet eigenlijk amper (of misschien zelfs niet?) onderdoen voor zijn twee onmiddellijke voorgangers. Dickinson mag zijn creatieve vleugels andermaal een stuk wijder spreiden op zijn solomateriaal en dat leidt tot ander, maar zeker niet minder songmateriaal dan bij moederschip Maiden.

Op dit album serveren Bruce en Roy Z opnieuw warme, kleurrijke teksten en composities die variëren van prachtig ingetogen (prijsbeest Navigate the Seas of the Sun) tot slepend episch (Tyranny of Souls, River of No Return, Kill Devil Hill) of gewoon lekker snoeihard (Abduction, Soul Intruders, Power of the Sun). Alleen bij Devil on a Hog / Believil kent het album een klein dipje om vervolgens weer sterk te eindigen.

Bruce Springsteen - Greetings from Asbury Park, N.J. (1973)

poster
3,5
Na het opnieuw magistrale optreden van Bruce en de zijnen op TW Classic 10 dagen geleden heb ik me voorgenomen om nog eens wat dieper in de hoekjes van het oeuvre van deze man te duiken waar ik nog te weinig voeling mee heb. Te beginnen dus met deze, een verrassend volwassen debuutplaat vol met beeldende verhalen over romances, onbezonnen jeugdigheid en de underdogs van de maatschappij, zoals we het ondertussen heel erg gewoon zijn van hem.

Het ambitieniveau van een hier piepjonge 23-jarige Bruce is bewonderenswaardig: de arrangementen zijn rijk en minstens even jazzy als rockend, de nummers uitgesponnen en filmisch, en 's mans stem klinkt doorleefd voorbij zijn jaren zoals ook een Tom Waits dat heel goed deed vanaf datzelfde jaar 1973. Ik waan me in de ongure steegjes van New Jersey met een flesje bier in de hand en een troupe kleurrijke figuren een hete zomernacht in lopend op zoek naar spanning en geluk.

Waarom is mijn score dan niet hoger dan ze is? Dat heeft te maken met het ontbreken van nummers die me echt emotioneel ook raken zoals een Thunder Road, The River of zelfs een You're Missing om maar even een minder voor de hand liggende te noemen. Dit is een respectabele plaat met veel nummers die hun plek hier zeker verdienen (eigenlijk alles behalve nummer 3, 4 en 6, drie nummers die me nog niet zijn bijgebleven), maar echt verliefd ben ik er niettemin voorlopig nog niet op.

Ik vermoed dat de studio-uitvoeringen hier debet aan zijn. Lost in the Flood komt in de live-versie in het Hammersmith bijvoorbeeld een stuk beter tot zijn recht, waar het hier op de studioversie in verhouding vrij terughoudend is ingespeeld. Misschien is dat wel het grote euvel van dit album: het collectief kan bij gebrek aan ervaring de live-energie nog niet goed genoeg overbrengen in de studio, waardoor het allemaal net wat te zoutloos klinkt om zich te kunnen meten met het beste uit de latere catalogus.

Samengevat: een prima debuutplaat en een mooi startschot van een legendarische carrière waar de grootste hoogtepunten gauw zouden volgen.

Bryan Adams - Live! Live! Live! (1988)

poster
4,0
Heerlijk album dat absoluut een hogere score verdient, en ik ben doorgaans allerminst een Bryan Adams-fan. Dit is oerdegelijke stadionrock die met veel overgave wordt gebracht. Adams zingt en schreeuwt zijn strot uit alsof zijn leven er vanaf hangt, het songmateriaal is over heel de linie beklijvend en strak gespeeld, en de geluidskwaliteit is uitstekend.

Naar ik het begrijp is dit net op het artistieke hoogtepunt van 's mans carrière opgenomen, waardoor deze plaat als een soort live "best of" kan worden beschouwd. Dat het een concert van op eigen bodem is, is nog eens een leuk pluspuntje. Ondanks de gietende regen geniet het publiek er duidelijk met volle teugen van, getuige het spontane gezang dat losbreekt op het einde van Somebody. 4 dikverdiende sterren, met kansje op verhoging.