MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten BoyOnHeavenHill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Caravan - Waterloo Lily (1972)

poster
4,0
De bonusnummers zijn inderdaad geweldig en vormen voor mij echt een verrijking van de plaat, jammer dat de twee demo's nooit door de hele groep zijn opgenomen (of zou de charme dan verdampt zijn?). En wat de oorspronkelijke plaat betreft, de twee lange nummers zijn natuurlijk de blikvangers, maar persoonlijk vind ik het slotnummer het hoogtepunt dankzij de zeldzaam ontroerende combinatie van de zangmelodie, de simpele maar aandoenlijke tekst en het daardoorheen gespeelde gitaarloopje in het refrein. Prachtig. Wat een sympathieke band is dit toch.
 

Caravan & The New Symphonia - Caravan & the New Symphonia (1974)

poster
3,5
Moeilijk om hier een oordeel over te vellen. De orkestrale arrangementen voegen inderdaad wat toe, maar eigenlijk ook weer niet zoveel als ik had gehoopt, en het koor op The love in your eye vind ik zelfs uitgesproken storend want overdadig. Het voornaamste bezwaar vind ik echter dat deze tracklijst bijna identiek is met die van Live @ Fairfield Halls 1974: zeven van de acht nummers staan op beide platen. Eigenlijk moet ik nu natuurlijk zeggen dat de tracklijst van Fairfield Halls bijna identiek is aan die van Caravan and the New Symphonia, omdat Fairfield Halls nou eenmaal een jaar later werd opgenomen en pas bijna dertig jaar later werd uitgebracht, maar dan geef ik toch de voorkeur aan de iets strakker klinkende versies van Fairfield Halls. Neemt niet weg dat Caravan and the New Symphonia toch ook prima uitvoeringen van diverse Caravan-klassiekers (en dus gewoon heel veel goede muziek) bevat.
        Overigens bevatte de oorspronkelijke vinyl-elpee alleen tracks 4 tot en met 8 van bovenstaande tracklijst, maar voor de CD-uitgave van 2001 werd er een viertal nummers van hetzelfde concert toegevoegd, waarbij op de eerste drie tracks de band nog zonder orkest te horen is. Daarnaast staan er hier twee vrij unieke nummers op, want Virgin on the ridiculous (ook op voornoemd Fairfield Halls-album) en Mirror for the day zijn nooit op een studioplaat verschenen.

Carptree - Emerger (2017)

poster
3,0
Sterke en overtuigende progrock met een vrij aparte stem en intrigerende teksten, maar de muziek is af en toe iets te massief naar mijn smaak, met arrangementen die net te vol zitten en een tamelijk dichtgemetselde produktie. Incidentele Tony Banks-achtige solo's (bijvoorbeeld op het openingsnummer en Porous) zorgen voor wat lucht, en het mooie The river is een emotioneel hoogtepunt, maar het luisterplezier dat ik bij opvolger Subimago bijna meteen had is hier na meerdere draaibeurten nog niet aanwezig, misschien omdat het allemaal teveel op elkaar lijkt en te weinig nummers er echt uitspringen.

Carptree - Subimago (2018)

poster
4,0
Heel aparte plaat: de arrangementen zitten in de vroege symfonische hoek (Genesis is hier al vaker genoemd) maar de zang doet mij naast Fish ook aan zulke uiteenlopende stemmen als Jack Bruce en Lewis Furey denken, de melodieën hebben in vrijwel elk nummer een paar sterke hooks ("When nothing goes your way", "I, I, I remember how it all went down", "you know more than you know"), de teksten zijn afwisselend prachtig concreet (Eye of the storm) en intrigerend abstract zonder onbegrijpelijk te worden (bijvoorbeeld A world without mind en Instead of life), en "I keep hearing the experience is yours / How you decide (that) irrefutably it points you to the truth" (uit Someone else's play) lijken zelfs vooruit te wijzen naar moeizame discussies over zekere pandemieën (hetgeen natuurlijk onzin is gezien het produktiejaar van dit album, maar het blijven sterke regels). Het is, kortom, over de hele linie een sterke en zeer consistente plaat, en zoals helaas wel vaker het geval is bij "kleine" bands is hij, na de eerste berichten van de echte liefhebbers in de eerste anderhalve maand na de release, totaal van de radar verdwenen, getuige het feit dat ik de eerste ben die er in de afgelopen vier jaar over schrijft. Jammer, deze plaat verdient absoluut meer aandacht.

Cat Stevens - Buddha and the Chocolate Box (1974)

poster
3,0
Naar mijn smaak een iets mindere plaat in Stevens' commercieel succesvolle reeks van de jaren 70. Oh very young springt er meteen bovenuit, een song waarin tekst, muziek en arrangement (inclusief perfect gebruik van piano en vrouwenstem) elkaar zó goed aanvullen dat het lijkt alsof het nummer er altijd al is geweest, en King of trees heeft eveneens een geweldige melodie, maar er staan ook teveel flauwe tracks als Ghost town, Jesus en het melige Ready op, nummers waarbij Stevens' normaliter zo betrouwbare oor voor een fraaie melodie en een pakkend refrein hem in de steek lijkt te hebben gelaten, en dan begint het ook op te vallen wat een korte plaat dit is. Hij heeft wel meer albums gemaakt die ruim onder de 35 minuten klokken, maar dat wordt pas storend als de nummers zo voorbijglijden zonder veel indruk te maken. Het is allemaal niet slecht, maar zeker de helft van de plaat sprankelt en flitst niet genoeg.

Cat Stevens - Matthew & Son (1967)

poster
4,0
Ik kan het natuurlijk niet bewijzen, maar ik durf te wedden dat, als Cat Stevens in de jaren 70 niet zo'n spectaculaire comeback met een uiterst succesvolle songwriter-carrière zou hebben gemaakt, de twee albums van "Cat Stevens Mk 1" nu zouden gelden als semi-klassiekers uit het genre van de barokke psychedelisch-romantische pop. Een uit duizenden herkenbare stem, een enorm reservoir pakkende melodieën, teksten die afwisselend gevoelig, geestig en satirisch zijn, en alles gebed in die typische sixties-arrangementen waar ik zo dol op ben, met een strakke band (inclusief geprononceerde bas) aangevuld met blazers en/of strijkers waar nodig. Zeker, in de geschiedenisboekjes zal Stevens herinnerd worden vanwege zijn dromerige en kwetsbare albums (en singles!) uit de eerste helft van de jaren 70, maar op de beste momenten (het titelnummer, het up-tempo maar verdrietige Here comes my baby, het extreem pakkende I've found a love) is dit album mij als liefhebber van sixtiespop eigenlijk even dierbaar.
        Prachtige CD-release van Decca/Deram uit 2003, met naast het complete album in stereo (inclusief Stevens' eerste twee singles) ook de stereo-versie van de derde single (tracks 15 en 16) plus de lekker "punchy" monoversies van de A- en B-kantjes van alle drie de singles (tracks 17 t/m 22), met prima geluid en een aardig essay.

Cat Stevens - Mona Bone Jakon (1970)

poster
4,5
De eerste plaat van Cat Stevens nieuwe stijl, als de ultieme introspectieve singer-songwriter op zoek naar spirituele verlossing (en getooid met exotische krullen en een sexy baardje die hem bij de vrouwelijke fans ongetwijfeld geen kwaad zullen hebben gedaan). Het openingsnummer gaf al aan dat hij zijn gevoel voor een pakkende melodie nog bepaald niet kwijt was, maar de rest van de plaat maakte vooral duidelijk dat hij nu niet meer in Matthew & son-pop-modus zat maar in de folky luistermuziek met (grotendeels) kleine arrangementen. Voornaamste handlanger daarbij was de superbe gitarist Alun Davies, maar Stevens zelf verzorgde ook de broodnodige variatie met kleurige keyboards (volgens het CD-boekje door hemzelf bespeeld) en een slim gebruik van zijn fraaie hese stem in incidentele koortjes op bijvoorbeeld Lady d'Arbanville, Trouble en Fill my eyes. Voornaamste troeven: kleine luisterliedjes, een gevoel van intimiteit die gelukkig nergens humorloos wordt, uitstekende melodieën en een prachtige en onmiddellijk herkenbare stem die zowel romantiek als spiritualiteit belooft. (En die romantiek is dan niet per se van de spirituele soort, anders vernoem je je album niet naar, wel, laat Stevens het maar zelf vertellen : "Mona bone jakon is another name for my penis. It's the name I give it. It's not some sort of secret vocabulary, it's just something I made up.")

Cat Stevens - New Masters (1967)

poster
3,5
Deze opvolger ligt in de lijn van Stevens' debuut Matthew & Son, met ook weer leuke barokke semi-psychedelische en romantische popliedjes gearrangeerd voor band met waar nodig strijkers en blazers. De gemiddelde kwaliteit van de liedjes is net wat minder dan op de voorganger, op sommige nummers lijkt de melodie af en toe wat te laag voor Stevens' zangstem, de teksten zijn soms een beetje te hippie-feëriek (een lachend appeltje!) en er staat geen hitsingle op, dus dat deze plaat geen succes werd is begrijpelijk, hoewel het voor de oren van déze sixties-liefhebber absoluut geen slechte plaat is. De prima Decca/Deram-CD-release uit 2003 bevat als bonus de A- en B-kantjes van één eerdere en drie latere singles, geen van allen een hit, maar ironisch genoeg allemaal minstens zo interessant als het materiaal op New masters (met uitzondering van Image of Hell, geschreven als een bluesje, een songvorm die ik eigenlijk niet met Cat Stevens associeer). Natuurlijk zou twee jaar later de echte roem van Stephen Demetre Georgiou pas echt beginnen (en ten tijde van Mona bone jakon was hij nog altijd maar 22!), maar stiekem luister ik eigenlijk liever naar deze eerste twee platen.

Cat Stevens - Tea for the Tillerman (1970)

poster
5,0
Eén van die zeldzame platen zonder één slecht of zelfs maar mínder nummer. Elf geweldige melodieën, smaakvol gearrangeerd, prachtig gezongen en met teksten die uitnodigen tot nadenken zonder dat ze opdringerig worden of een oplossing in een bepaalde richting aandragen, alsof de vragen in deze periode van Cat Stevens' leven nog belangrijker waren dan de antwoorden (en misschien was dat ook wel zo). Een perfecte plaat die tegelijkertijd intiem en toegankelijk is.
        Beluisterd via de geremasterde Deluxe-editie uit 2008, met op de tweede CD elf demo- en live-versies van tien van de elf nummers van het oorspronkelijke album, allemaal aardig en gevarieerd maar niet essentieel. Het fraai verzorgde boekje bevat terugblikken en commentaar van (inmiddels) Yusuf Islam, producer Paul Samwell-Smith en gitarist Alun Davies, plus alle teksten en de credits van de bonustracks. Een mooi verzorgde uitgave, waarbij het dan wel weer onbegrijpelijk is waarom het boekje nèt een paar millimeter te groot is, waardoor het na verloop van tijd enigszins "gekromd" uit het kartonnen hoesje komt, alsof het ooit waterschade heeft opgelopen.
        Grappig toeval: in datzelfde jaar 1970 verscheen er naast Father and son nóg een nummer over het generatieconflict waarin eveneens op het einde de twee generaties door elkaar heen zingen: Teach your children.

Cat Stevens - Teaser and the Firecat (1971)

poster
4,5
Een prachtige plaat die z'n voorganger naar de kroon steekt qua kwetsbaarheid en intimiteit, met de bijna ondraaglijke breekbaarheid van The wind, If I laugh en How can I tell you tegenover het vrolijke Moonshadow en het opzwepende Peace train. Gevoelsmatig geef ik hier 4½* aan zonder dat ik precies kan zeggen waarom ik die laatste ½* niet uitdeel, maar als ik ga proberen om daar een reden voor op te dreggen kom ik er op uit dat Changes IV met z'n stop-start-ritme, Tuesday's dead met z'n Caribische invloeden en Bitterblue met z'n schelle zang mij niet veel doen. Drie van de tien nummers matig beoordeeld – kun je nagaan hoe goed de rest is dat ik er toch bijna de volle score voor over heb.

Cat Stevens - The Very Best Of (1990)

poster
5,0
Gekocht in een tijd dat ik dacht dat ik hier wel mee zou kunnen volstaan voor wat betreft de hoogtepunten uit dit oeuvre. Sindsdien heb ik echter Stevens' eerste vijf platen stuk voor stuk apart aangeschaft, dus inmiddels is deze verzameling enigszins overbodig in mijn collectie, maar dat maakt hem op zichzelf verder natuurlijk niet minder waard. Op de achterkant van de CD is producer Paul Samwell-Smith vol lof over de eerste drie platen die hij met Stevens voor Island Records maakte (Mona bone jakon, Tea for the tillerman en Teaser and the firecat), en hij wijst er op dat op deze compilatie 11 van de 18 nummers van dat trio platen komen. Sterker nog, de twee Tea–platen zijn samen al goed voor tien nummers hier, en hoewel elke selectie natuurlijk willekeurig en subjectief is geeft dat al aan waar in zowel artistiek als commercieel opzicht het zwaartepunt van Stevens' carrière lag. Van zijn zeven latere platen staan er hier nog maar 3 nummers + 1 nooit op een studioplaat verschenen single op, en buiten het fraaie Oh very young gaat daar wat mij betreft niet veel mee verloren.
        Een prima best-of-compilatie dus, niet chronologisch geordend (met drie nummers uit Stevens' sixties-pop-periode her en der tussen het singer-songwriter-materiaal gepropt) en zonder enige vermelding van muzikanten, maar wel met zo ongeveer alle hits (met uitzondering van Banapple gas [alleen in Nederland een hit] en I'm gonna get me a gun) en diverse geweldige albumtracks (inclusief een perfect slotnummer), en als zodanig een prima overzicht voor wie daar behoefte aan heeft en verder geen geld aan die twee Tea–platen uit wil geven.

Catapult - Catapult (1976)

poster
3,5
Hun officiële eerste elpee was volgens mij meteen ook hun énige elpee, want daarna ging het bergafwaarts met het succes. Die eerste elpee was geproduceerd door Jaap Eggermont en klonk dan ook behoorlijk goed, half glamrock (Let your hair hang down was hun grootste hit, nummer 5 in de zomer van 1974) en half Earth & Fire-achtige symfo (met name in langere nummers als Midsummer switch, nog steeds sterk).

De Rotation-CD die musician hierboven noemt bevat 16 nummers, te weten de acht nummers van die elpee (met de nummers in een andere volgorde) en nog wat losse singles en B-kantjes. Déze CD hier bevat de zes beste nummers van de elpee en wat losse nummers, waaronder de latere single-hitjes, en is dus best een aardig alternatief.

Althans, als je überhaupt wat van deze band wilt hebben. In mijn puberteit was ik hier helemaal gek van, en ik kan het nog steeds niet echt slecht vinden, maar de reacties van mijn toenmalige klasgenoten daarentegen...

Nee, eerlijk zijn: ik vind dit nog steeds een ontzettend leuke jeugdzonde.

O ja, nog een grappig detail: leden van deze band doken ook nog op bij Greenfield & Cook, waar ze in 1974 een stevige begeleiding bij hun Maybe a lifetime verzorgden.

Catapult - Let Your Hair Hang Down (1999)

poster
4,5
Deze vrij ultieme compilatie is opgebouwd rond de acht nummers die samen de enige officiële elpee van deze band vormden, opgenomen in augustus en september 1974 en geproduceerd door Jaap Eggermont. Voor wie in dat album geïnteresseerd is zag het er als volgt uit:

Kant A : 1 Teenybopperband (in de top-40 een nummer 8-hit), 2 Accident, 3 Nightrake en 4 Back on the road again; kant B : 1 Let your hair hang down (#5), 2 Midsummer switch, 3 Springtime ballyhoo en 4 Hit the big time (de debuutsingle, #16, tjongejonge wat heeft de kleine Boy dit singletje vaak gedraaid, met Let it be true als B-kantje).

Daarnaast staan hier nog vier latere (kleine) hitjes op: Seven eleven (#12), The stealer (#18) (beide uit 1975), Remember September (#20) en Here we go (#22) (allebei uit 1976), plus nog vier losse nummers en/of B-kantjes. En voor de volledigheid, de band bestond uit Cees Bergman (zang), Aart Mol (basgitaar), Geert Jan Hessing (drums), Erwin van Prehn (gitaar) en Elmer Veerhoff (toetsen, solina).

Na die laatste minimale succesjes was het afgelopen voor deze band. Achter de schermen bleven ze echter nog wel degelijk actief, waarvoor ik verwijs naar de bijdrage van kareltjemusic van 13 mei 2011 bij deze Catapult-verzameling.

Déze compilatie is dus vrij compleet, en naast de hitjes vallen vooral de twee ruim zeven minuten lange nummers met symfonische invloeden op, die suggereren dat deze nooit serieus genomen band misschien wel een interessante richting had kunnen inslaan. Met name Midsummer switch heeft een prachtig Earth & Fire-achtig intro en een zeer spannende opbouw die in niets doen denken aan Teeny bopper band en Let your hair hang down, toch de belangrijkste uithangbordjes van deze band. Die koerswijziging heeft nooit plaatsgevonden, en het heeft ook weinig zin om te speculeren over wat had kunnen zijn, maar de hoogtepunten van deze compilatie (zoals de hits, de twee symfonische nummers en het sluwe Seven eleven) vind ik ook nu nog erg leuk. Het zal wel jeugdsentiment van de ergste soort zijn, maar ik kan me er nog steeds niet voor schamen.
 

Charley Patton - Hang It on the Wall: Complete Blues (2004)

poster
4,0
Charley Patton (1887?-1934) is één van de essentiële figuren –en volgens sommigen zelfs dé centrale performer– van de vroege akoestische Delta-blues. Deze compilatie is een zeker niet complete maar toch aardige dwarsdoorsnede van de opnames die hij tijdens een half dozijn sessies in 1929 en 1934 maakte, inclusief een paar van zijn "bekendste" nummers als Pea vine blues, Pony blues, Tom Rushen's blues (over de onfortuinlijke ontmoeting van de dronken Patton met een ambitieuze deputy-sheriff), het beklemmende Prayer of death ("If I never, never see you any more / I'll meet you on that other shore") en de twee delen van High water everywhere over de desastreuze overstromingen, tornado's en daaropvolgende rassenrellen van 1927, een inspiratie voor Dylans High water (for Charley Patton) op zijn Love and theft. En voor alle duidelijkheid, er staan geen nummers dubbel op de CD, wel twee titels elk in twee (duidelijk verschillende en apart bedoelde) "parts".
        Het geluid is krakerig maar meestal acceptabel, zeker gezien de ouderdom en het medium van de opnames waarmee moderne compilaties moeten worden samengesteld, en zelfs bij dit matige geluid hoor je nog de handigheid waarmee Patton ritmegitaar, solo's en ijzersterke korte riffs op zijn gewone akoestische dan wel slide-gitaar afwisselt. Een belangrijke troef is zijn enigszins norse en grofkorrelige maar sympathieke en "individuele" stem, een beetje die van een brombeer die toch veel moeite doet om zijn verhaal over te brengen en te communiceren met zijn publiek.
        Het bijbehorende boekje bevat een kort maar aardig essay'tje over Pattons leven en carrière, alsmede de data en de lokaties (steden) van de opnames van de twintig titels op deze CD. (Storend detail : in dat overzicht staat één titel dubbel en bovendien is één titel daaruit niet op de CD opgenomen, zodat ik van twee nummers op de CD zelf niet weet waar en wanneer ze zijn opgenomen. Maakt verder niet uit, gewoon een stom klein foutje waarbij Pattons discografie op Wikipedia wel uitsluitsel geeft, maar irritant.) Al met al een mooie en sfeervolle introductie van dit Delta-blues-kopstuk.

Chicago - Chicago (1970)

Alternatieve titel: Chicago II

poster
4,0
Net als het debuut een heerlijke plaat, nu niet ontsierd door een overdaad aan wat mij betreft oninteressante gitaarexplosies, en met opnieuw zeer zorgvuldige arrangementen en een rijke produktie. De eerste helft vind ik het sterkste, met een zeer swingende kant 1 en een prima Ballet op kant 2; de Memories of love-suite vind ik een beetje melig, en de zang op het titelstuk daarvan klinkt mij als een slechte Ray Charles-imitatie in de oren, maar kant 4 pikt het niveau weer redelijk goed op en rondt de plaat ijzersterk af met een mooi sobere ballade (die bij mij overigens associaties met The weight van The Band oproept – en grappig genoeg zou The Band het jaar hierna eveneens een nummer getiteld Where do we go from here opnemen). Het leukste van dit album (en van het debuut) vind ik nog de onvoorspelbaarheid: Fancy colours begint lekker apart met dat slepende ritme, dan krijg je opeens een Caraïbisch getint stukje, daarna schakelt het weer terug naar een vieze fuzzgitaarsolo, en dan eindigt het met een serie drums-plus-blazers-accenten die nergens op slaan maar wel vreselijk spannend zijn. Zo is dit feitelijk een groeiplaat waar ik steeds weer wat nieuws aan ontdek.

Chicago - The Very Best Of (1996)

poster
4,0
Een rare compilatie: er is ruim geput uit de veelgeprezen eerste twee albums (6 nummers, samen goed voor 33 van de 76 minuten), de rest van het materiaal stamt uit de jaren 70, en de periode na 1979 wordt geheel genegeerd. Zo is dit een mooi overzicht van de belangrijkste periode van de Chicago-discografie, en als zodanig verdient het zijn titel ook wel echt, maar aan de andere kant negeert deze plaat zo ook een paar enorme hits uit de jaren 80 (met name de Amerikaanse nummer-1-hits Hard to say I'm sorry en Look away). Wat mij betreft verder geen probleem, maar het vermelden waard.
        Alle nummers hierop zijn Amerikaanse singles geweest (hoewel niet allemaal even succesvol), zodat ik me afvraag of er niet ook een paar essentiële albumstracks over het hoofd zijn gezien, maar daarvoor ken ik de Chicago-discografie niet goed genoeg, dus daar moet iemand anders misschien z'n licht maar over laten schijnen. Aan de andere kant staan alle nummers op deze compilatie op MusicMeter bij hun respectieve platen bovenaan de lijst met Favoriete Tracks, dus de samensteller heeft in ieder geval goed naar de gebruikers op zijn favoriete site geluisterd. Deze compilatie is dan ook naar ik aanneem speciaal voor de Nederlandse markt opgezet (een Arcade-TV-CD met een hoesontwerp van eigen bodem), en het begint dan ook met de enige twee top-10-hits die Chicago in Nederland had.
        Dat zijn de feitjes. De indruk van de muziek: het openingsnummer is in die 44 jaar dat ik het nu ken niet minder afschuwelijk geworden, in het midden van de tracklist zit een iets minder interessant trio (9-10-11, inclusief de disco-invloeden van Street player), en de twee bonustracks zijn vreselijke softrock van een totaal andere band, maar zetten zich in je geheugen vast als een teek op een onbedekt lichaamsdeel – bijzonder ongewenst maar helaas voorzien van uiterst effectieve weerhaakjes. De overige nummers (gedeeltelijk al bekend, gedeeltelijk geheel nieuw voor mij) hebben mij helaas genoopt om onmiddellijk Chicago Transit Authority en Chicago II in de bestelling te zetten. Zo gaat een voor €1 bij de kringloop gekochte tweedehands CD ("dan heb ik in ieder geval Wishing you were here en Feelin' stronger every day in huis") nog aardig in de papieren lopen. Zang, composities, gitaar, blazers, totaalsound, allemaal heerlijk. Weer een nieuwe ontdekking van 50 jaar geleden, en dan te bedenken dat ik vroeger een vriend had die alles van Chicago (in ieder geval t/m 1980) in huis had...

Chicago Transit Authority - Chicago Transit Authority (1969)

poster
4,0
Kijk, zo moet dat dus: beginnen met een geweldige staalkaart van je kunnen, en terwijl de luisteraar dan zou kunnen denken dat je daarmee al je kruit hebt verschoten ga je gewoon met dezelfde kwaliteit verder, met meer song-georiënteerde structuren maar ook met dezelfde stevige sound en vette blazersarrangementen en met bovendien een paar uitstekende singles.
        Was het hele album van het niveau van pakweg de eerste vier nummers geweest, dan was dit een eenvoudige 5*-score geworden. Ik vind Free form guitar echter echt, ècht afschuwelijk, en het daaropvolgende South California purples is een in beginsel enigszins clichématige blues die door het arrangement wel íéts maar niet héél veel beter wordt, en dat zorgt toch wel voor een kuil in het midden. Nog erger vind ik het dat Terry Kath ook in het slotnummer de gelegenheid krijgt om bijna negen minuten lang te soleren tegen een niet erg gevarieerde begeleiding; ook ik heb de (uitstekende) Rhino-remaster met het boekje waarin hij de "resident guitar god" van deze band wordt genoemd, en op de meeste nummers van deze plaat speelt hij functioneel, explosief en inderdaad uitstekend, maar bij zo'n lange solo vind ik hem gewoon niet interessant, en dat slaat het nummer toch wel dood.
        Een album dat bij mij voor gemengde gevoelens zorgt dus. Na een fantastisch begin helaas diverse momenten waarop mijn aandacht diep wegzakt, maar door het spelplezier, de energie, de kleurige arrangementen, de prettige stemmen van Robert Lamm en Peter Cetera en de onverwacht lekkere wandelende bas van de laatste maak ik hier toch 4* van.

Chris Smither - Hundred Dollar Valentine (2012)

poster
4,0
Mooie plaat, af en toe tegen het oubollige aan door de down-home-feel en het krakkemikkige mondharmonicaatje dat soms een beetje teveel doorzeurt, maar op essentiële momenten wonderschoon, zoals het gevoel van verlatenheid op Feeling by degrees. Zijn stem lijkt af en toe op die van de afgeleefde Gene Clark, voor mijzelf bepaald geen diskwalificatie. Absoluut hoogtepunt wat mij betreft is All we need to know, waarbij Smither tijdens het couplet zijn prachtige zangmelodie begeleidt met een klaaglijk gitaarloopje dat z'n weerga niet kent.
 

Chris Squire - Fish Out of Water (1975)

poster
4,5
Yes heb ik pas in 1980 leren kennen, en omdat ik The fish (shindleria praematurus) nooit leuk heb gevonden kwam ik ook nooit in de verleiding om met terugwerkende kracht Fish out of water te gaan ontdekken. Geheel ten onrechte, naar nu blijkt, want wat is dit over de volle lengte een geweldige plaat. Het begint al meteen met het openingsnummer dat een perfecte mix van pop, prog en powerbas is, en daarna wordt het zelfs alleen maar beter, met de twee nummers van "kant 2" wat mij betreft als hoogtepunt. Geen sologefreak op vier of zes snaren, maar lang uitgesponnen en warm gearrangeerde composities waarin alles steeds meer op z'n plaats valt en die ook na herhaalde luisterbeurten niets van hun avontuurlijkheid verliezen. In de (vrij korte) tijd dat ik (heel matig) gitaar speelde heb ik ook een basgitaar gekocht en me daar een poosje op uitgeleefd (tot zowel de vier- als de zessnarige gitaren uit de berging gestolen werden), en ik herinner me weer dat Chris Squire mij tot die overstap inspireerde: in mijn muziekbeleving was híj het die de basgitaar voorgoed uit het verdomhoekje haalde. Waar de bas in de popmuziek van de jaren zestig bij de meeste bands voor mijn gevoel vooral aanwezig was enkel doordat je hem zou missen wanneer je hem uit de muziek zou filteren, ging ik vanaf déze man steeds meer op prominent aanwezige bassen als enorme verrijking van de muziek letten. En ook als componist en arrangeur blijkt hij dus een serieus en groot muzikant te zijn. Yes blijft één van mijn favoriete bands aller tijden, en dit album past naadloos in hun rijtje "klassieke" albums uit de eerste helft van de jaren 70. R.I.P. Chris Squire, je hebt mij na je dood nog een mooie verrassing bereid. (Geen vijf maar slechts vier-en-een-halve ster omdat zijn zang zo af en toe toch wel héél matig is – ik hou van de plaat als geheel en stoor me er dus niet zo erg aan, maar als ik er echt op ga letten schiet die stem toch wel ernstig tekort.)
        Overigens meldt Wikipedia dat "a melodic passage from Yes' song Close to the edge re-appears in the finale of Safe (canon song)." Heeft iemand een idee welk stukje van Safe hier bedoeld wordt? De allerlaatste wegstervende minuut misschien? Zelf moet ik bij dat slotnummer vanwege de blazers vooral denken aan Atom heart mother.

Chuck Berry - Hail! Hail! Rock 'N' Roll (1988)

poster
5,0
Hoewel dit album één jaar na Taylor Hackfords gelijknamige muziekfilm uitkwam, is het daar niet de soundtrack van (dat is dit album uit 1987). Wat dit wèl is is een uitstekende verzameling van Berry's beroemdste opnames voor het Chess-label van 1955 tot en met 1964, alles keurig op chronologische volgorde en met een prima geluid. De annotatie is helaas uiterst summier en behelst enkel informatie over het labelnummer, het jaartal van release en de positie in de Amerikaanse R&B- en pophitlijsten van elk nummer, dus geen begeleidende tekst en geen informatie over opnamedata, producers of muzikanten. En aangezien deze compilatie dus tot 1964 loopt staat hier ook niet zijn enige nummer-1-hit (in zowel Engeland als Amerika) op, maar de afwezigheid van het suffe My ding-a-ling (1972) hoeft niemand te berouwen.
        Hoe dan ook een geweldige verzameling van één van de grondleggers van rock & roll; wie denkt dat hij nog nooit iets van Chuck Berry heeft gehoord hoeft enkel maar naar de tracklisting te kijken om te beseffen dat dat bijna onmogelijk is - zo niet in de originele versies, dan toch wel in de talloze covers van de Beatles, de Stones, de Kinks, Dave Berry, Jimi Hendrix, The Band, Emmylou Harris, ELO. . . (De huiskamervraag: bij hoeveel nummers op dit album gebruikt Berry een variatie op zijn beroemde intro van Johnny B. Goode ?)
        Overigens bevat mijn in 1988 aangeschafte CD niet 27 maar 28 tracks, met als slotnummer Promised land, en staan tracks 21 en 22 er in omgedraaide volgorde op.

Clannad - Magical Ring (1983)

poster
4,5
Volgens de AllMusic Guide is dit "The best Clannad record [...] bound to become a personal favorite for many." Hier op MusicMeter is het niet de hoogst gewaardeerde plaat van Clannad, maar wel degene waarop het meest is gestemd, hetgeen ook al iets zegt. En die bevoorrechte positie lijkt me terecht, want dit is een foutloze plaat met prachtige zang, intieme arrangementen en sfeervolle nummers. In de jaren 80 misschien een vreemde eend in de bijt, want niet aangehaakt bij de folk van Fairport en Steeleye Span maar ook een decennium te vroeg om door de new-age-gemeenschap omarmd te kunnen worden, maar op de één of andere manier komt deze muziek nú des te tijdlozer over, want eigenlijk niet onder één enkele genre-aanduiding te vangen.
        De 2003-remaster heeft als bonustrack een remix van Coinleach glas an fhónhair door Cantoma alias de Londense DJ Phil Mison. Niet onaardig, met een ander arrangement met elektrische piano, sequencer, handclaps en zacht slagwerk, ongeveer alsof Air zich over deze remix had ontfermd, en dus aardig om een keertje te horen, maar uiteindelijk is en blijft het heilige origineel toch ongenaakbaar.

Clannad - PastPresent (1989)

Alternatieve titel: Past Present

poster
5,0
Een band die ik indertijd helemaal gemist heb, maar deze compilatie is een mooie manier om dat verzuim goed te maken. Bikkel2 heeft het op 22-11-2008 over Clannads "sferische keltische stijl met de nodige pop/rock randjes", maar ik hoor hier zelf eerder voornamelijk warmbloedige pop waarbij de bandleden hun achtergrond gebruiken om met zowel traditionele als moderne (digitale) instrumenten de nummers wat Keltische sfeer mee te geven en mistige contreien te suggereren. Er staan ook wel een paar akoestische ballades op, maar voor mijn gevoel zijn de meeste composities toch in het klassieke popidioom geschreven, en daar is niets mis mee, want de melodieën zitten goed in elkaar, de arrangementen zijn gevarieerd, Maire Brennan heeft een puike stem en de diverse gastmuzikanten voegen echt wat toe, met name de onvolprezen saxofonist Mel Collins. (De enige onwelkome gast is wat mij betreft Bono met zijn valse lucht ("Ah, whegin aghain") en gemaniëreerde dramatische zang ("unless iiiiit disappears").) En misschien is het onvermijdelijk dat popmuziek uit deze tijd lijdt onder die gedateerde jaren-80-produktie met cheesy keyboards, echoënde drums en elektronische percussie, maar dat blijft hier allemaal redelijk binnen de perken, en de zorg en de liefde waar deze muziek mee wordt uitgevoerd is verder evident. Grappig dat Stepping stone op het album van oorsprong gewoon halverwege staat maar hier juist een perfecte afsluiter is : het "wandelende" ritme laat mij als het ware naar meer verlangen.

Clap Your Hands Say Yeah - Clap Your Hands Say Yeah (2005)

poster
4,0
Indertijd aangeprezen als een groep die door veel mensen werd vergeleken met de (vroege) Talking Heads. Qua stem hoor ik er soms ook wel wat David Thomas (Pere Ubu) in. Maar de stem willen loszien van de muziek (zoals veel Ounsworth-haters schijnen te willen) lijkt mij net zoiets als een fan van Captain Beefheart zijn terwijl je niet van diens stem houdt. Eigenzinnige, sterke, speelse plaat.

Clark - Turning Dragon (2008)

poster
3,5
Beetje bizar: de eerste 18 berichten bij deze plaat komen in de eerste drie maanden, dan in de daaropvolgende anderhalf jaar nog maar drie berichten, en sindsdien al ruim vier jaar radiostilte. Hebben de echte liefhebbers en/of de Clark-watchers dit album onmiddellijk ontdekt en is er daarna geen vers bloed meer bijgekomen? Jammer, want dit is een lekker hectische sfeerplaat, half abstract half four-to-the-floor, maar kennelijk enigszins vergeten. Moet wel zeggen dat ik de algemene mening deel over de hoogtepunten hier: na de eerste vier nummers glipt mijn aandacht af en toe een beetje weg, en eigenlijk ben ik pas tijdens de laatste twee nummers weer geheel bij de les.
 

Clive Nolan & Oliver Wakeman - The Hound of the Baskervilles (2002)

poster
1,5
Ik heb de roman vele malen gelezen, er staan drie vaak bekeken verfilmingen in mijn DVD-kast, en ik heb bewondering voor het enthousiasme waarmee Dielie deze MusicMeter-pagina bijna in z'n eentje in leven houdt, maar qua oordeel moet ik me helaas toch bij Casartelli aansluiten. Flauw als een smakeloos aftreksel van The war of the worlds en Journey to the centre of the earth, met nergens echt goede songs maar wel vele tamme orgelloopjes, met een melige instrumental (Three broken threads) die node de hand van een Jeff Lynne mist, een Bat out of Hell-outtake (Shadows of fate), een oubollig powerduet (Run for your life) en een gênante ballade waar ze kennelijk Neil Diamond niet voor konden strikken (Picture of a lady), en als dieptepunt die zouteloze instrumentaaltjes die worden gebruikt als achtergrond voor de verteller (zoals The curse of the Baskervilles, Second light en Death on the moor).
        En dan dat laatste nummer: het spannende einde van het verhaal met legio dramatische mogelijkheden (de hond die Sir Henry aanvalt, Holmes die het beest neerschiet, Stapleton die in Grimpen Mire omkomt) wordt niet eens in een spectaculair slotnummer bezongen maar door de verteller tegen weer die stomvervelende muzak-achtergrond naverteld, gevolgd door een pseudo-majestueuze finale die voorbij is voordat je beseft dat je zit te luisteren naar wat de climax van het geheel zou moeten zijn. Nee, voor mij doet deze plaat geen recht aan de oorspronkelijke roman. (Extra half sterretje voor de gitaarsolo van Arjen Lucassen in Seldon, misschien niet echt briljant maar in ieder geval een spaarzaam moment waarin de muziek éven los van de aarde komt.) 

Cockney Rebel - The Human Menagerie (1973)

poster
4,0
Zó enthousiast was ik indertijd over Sebastian dat ik mijn aangeboren bleuheid overwon en een recensie van de bijbehorende LP voor de schoolkrant schreef – ik heb die twee bladzijdes hier nog voor mij liggen, gered uit de massa's papier die in de halve eeuw daarna door mijn huishouden zijn gestroomd. Als ik dat stukje nu herlees is wel duidelijk dat ik als puber met weinig kennis van de popgeschiedenis deze muziek niet helemaal op waarde kon schatten; het aparte instrumentarium met mandoline en viool in plaats van elektrische gitaar dat deze nummers zo'n aparte kleur geeft ging geheel aan mij voorbij, en de sfeer die oprees uit de teksten met hun uitgebreide vocabulaire en de vele verwijzingen naar mysterieuze vrouwen en even decadente als schimmige society-figuren voelde ik wel aan maar kon ik niet onder woorden brengen (daarvoor ontbrak mij nu juist het vocabulaire).
        46 jaar later kan ik de teksten nog altijd bijna woordelijk meezingen. De afsluiters van beide plaatkanten staan nog altijd overeind als de absolute hoogtepunten van de plaat, de slimme plaatopener en het melancholische Loretta's tale zijn nog altijd favoriet, en Chameleon heeft mede vanwege zijn intrigerende tekst nog altijd veel meer impact dan de uiterst beperkte speelduur zou kunnen doen vermoeden. Aan de minzijde vind ik Mirror freak met dat gebroken ritme nog altijd een beetje saai, Muriel the actor blijft irritant met dat steel-drum-geluidje, en Crazy raver is nog steeds uitgesproken stomvervelend. Wat mij echter nu meer dan vroeger is gaan tegenstaan is de stem van Steve Harley: zijn enigszins wijsneuzerige voordracht past weliswaar perfect bij de teksten waarin hij vaak een afstandelijke en soms sardonische observator is (ergens tussen Bowie, Cohen en Jobriath in), maar na verloop van tijd word ik wel een beetje moe van de manier waarop hij bijna elk woordje op letterlijk eigen-aardige wijze uitspreekt/zingt. Een puur persoonlijke kwestie uiteraard, maar het verklaart wellicht ook waarom ik na The human menagerie eigenlijk alleen nog maar Judy Teen en The best years of our lives van deze band in huis haalde.
        Ik kan er dus niet meer zo enthousiast als vroeger over zijn, maar toch is dit een plaat die dankzij de eigenzinnigheid van de persoonlijkheid áchter de nummers op knappe wijze de jaren getrotseerd en overleefd heeft; The human menagerie klinkt nog altijd als weinig andere albums, en in een rechtvaardiger wereld waren Sebastian en Death trip onomstreden klassiekers geweest (met op het laatste nummer een fraai arrangement van Andrew Powell als vingeroefening voor zijn latere werk met Alan Parsons).

Cosmograf - When Age Has Done Its Duty (2011)

poster
4,0
Beluisterd via de remix uit 2017/8 van Robin Armstrong zelf, waarbij hij niet alleen een "more dynamic low level master" verzorgde, maar ook nog eens "Many of my original performances were re-recorded including bass and guitar work, vocals, and new instrumentation was added", dus over in hoeverre hier sprake kan zijn van "hetzelfde" album als de oorspronkelijke versie kan nog wel een aardige boom worden opgezet. In het bijbehorende CD-boekje licht Armstrong bovendien elk nummer apart toe, waardoor ik nog meer respect kreeg voor zijn ambitie en visie (en uiteraard voor zijn instrumentele capaciteiten). keijzm73 hierboven vindt het geen deprimerend album, maar dat ben ik niet helemaal met hem eens, want tegenover de onloochenbare vitaliteit van hoe Armstrong zijn thematiek muzikaal en tekstueel heeft vormgegeven klinkt hierin toch ook heel sterk het besef van vergankelijkheid, de eenzaamheid van de achtergeblevene (Aunt Mollie) en de onzekerheid omtrent wat er na de dood voor de zelfs de meest gelovige en godvruchtige wacht, en anders is daar wel het sombere gedicht van Matthew Arnold aan het begin van het titelnummer: "What is it to grow old? […] It is to spend long days / And not once feel that we were ever young; [...] It is –last stage of all– when we are frozen up within, and quite the phantom of ourselves".
        Muzikaal is er verder niets mis hiermee, hoewel de geesten van Pink Floyd en Steven Wilson nooit ver weg zijn, en de niet altijd even sterke stem van Armstrong doet me soms onaangenaam denken aan Bill Fay, maar de indruk die uiteindelijk toch overblijft is er één van kwaliteit, kwetsbaarheid en intimiteit, alles gegoten in de vorm van een prachtige conceptplaat die nog wel even blijft nazinderen.

Crazy Horse - Crazy Horse (1971)

poster
4,5
Ik wilde hier eigenlijk iets schrijven in de trant van "een leuke lappendeken van nummers met muzikanten van divers kaliber waarbij het geheel groter is dan de som der delen", maar wat me bij herhaalde luisterbeurten eigenlijk steeds weer opvalt is hoe de grote diversiteit van deze plaat nergens afbreuk doet aan de eenheid en de samenhang ervan. Eerder geeft deze plaat de indruk van een enorme ketel vol smakelijke soep van Americana, rock, blues en country waar vier zangers, vijf componisten en zeven muzikanten hun eigen ingrediënten aan toevoegen. Het niveau van de composities is steeds hoog (geen enkele misser), de ritmesectie verzaakt nergens, het gitaarwerk is subliem zoals te verwachten was met een line-up met Danny Whitten, Ry Cooder en Nils Lofgren (typerende solo's van de laatste op Look at all the things en I'll get by, en Nobody heeft een sterke Grin-vibe), en terwijl sommigen de stem van Danny Whitten misschien onvast of dun zouden noemen vind ik hem zelf soms dezelfde hogelijk gewaardeerde kwetsbaarheid als Richard Manuel van The Band uitstralen (dit nog los van het feit dat de samenzang op dit album ook dik in orde is). Voeg daaraan toe de kleine produktionele slimmigheidjes (de "overlopende" koortjes op Look at all the things, de phasing op Beggars day), de superbe strakke sound en de warme sfeer van vijf mannen die gewoon samen ongecompliceerd maar gedisciplineerd muziek aan het maken zijn, en je komt wat mij betreft uit op een heerlijke plaat met een onwaarschijnlijk hoge draaibaarheidsfactor.

Cream - BBC Sessions (2003)

poster
4,5
"All right, all you groovy tuned-in turned-on way-out fans!" Lekker hoor, ik luister hier liever naar dan naar die eindeloos uitgesponnen solo's van Live Cream of Live Cream volume II. Biedt misschien weinig nieuws, maar klinkt allemaal als een klok, is heerlijk puntig uitgevoerd en barst van de energie.
 

Cream - Disraeli Gears (1967)

poster
4,5
Zeven prachtige en intense nummers op een bijzonder sterke plaat waar helaas tijdens de slottrits de spanning een beetje uit wegvloeit, en aan dat nummer van Ginger Baker wil ik maar helemaal geen woorden vuil maken, want met nóg minder kraak of smaak komt muziek toch niet gauw. Gelukkig blijft de voornaamste algehele indruk toch die van aan album dat afwisselend opwindend, mistroostig en onheilspellend op mijn gemoed werkt, met net zoals op het debuut de zang, de composities en het drumwerk als voornaamste troeven, maar met nu bijna alleen maar eigen composities, hetgeen de band de gelegenheid geeft om een beetje uit de twelve-bar-blues-structuur richting psychedelische rock te bewegen, en de vrijheid die dat oplevert grijpen ze met alle zes handen aan (of beter gezegd ácht, gezien de inbreng van producer Felix Pappalardi). Jammer dat de plaat maar zo kort duurt, maar voor langere Cream-nummers hebben we altijd nog de concerten.