Hier kun je zien welke berichten BoyOnHeavenHill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Linkin Park - Hybrid Theory (2000)

4,0
2
geplaatst: 5 november 2020, 14:11 uur
Vermoedelijk niet als zodanig bedoeld, maar qua uitwerking feitelijk een retecommerciële mix van metal, rap, punk, scratch en pop, met op bijna elk nummer wel een pakkende gitaarhook à la Weezer en een lekker meebrulbaar refrein. Alles gedisciplineerd gespeeld en met een even harde als volle sound die gelukkig nergens over-the-top gaat of murw maakt, met dank aan de rustiger passages en Benningtons verstandige beslissing om af en toe gas terug te nemen en z'n gewone (en mooie) zangstem te gebruiken. Maar waar het toch op neerkomt is dat dit twaalf perfecte dynamietstaafjes zijn, en met sterk materiaal in een overtuigend jasje kun je niet gauw verkeerd zitten. Lekker compacte plaat ook – in meer dan één opzicht doet het me denken aan Therapy?'s Troublegum, ook zo'n tijdloos explosief.
Linkin Park - Meteora (2003)

2,0
0
geplaatst: 8 september 2012, 11:57 uur
Tja, hoewel Forgotten op 7 augustus 2010 schreef dat de hiphopinvloed hier veel meer te horen is, ben ik het toch helemaal eens met wat Don Cappuccinno op 4 augustus 2010 schreef: "Na dat geweldige Hybrid Theory kwam Meteora. Een goed album, maar het is gewoon Hybrid Theory 2.0, het is gewoon een kopie en 1 Hybrid Theory is eigenlijk wel genoeg." Absoluut geen slechte plaat dus, maar "ik hèb al een Linkin Park-plaat".
Lionel Richie - Back to Front (1992)

4,5
2
geplaatst: 12 maart 2021, 22:28 uur
In de jaren waarin minstens vijftig procent van het succes van een liedje leek te worden bepaald door opgeföhnde haren, flitsende videoclips, overstuurde snaredrums, synthesizers en plastic imago's, vormde Lionel Richie voor mij een uitzondering temidden van alle hitparadetroep. Op de één of andere manier kon ik geen hekel aan hem hebben, en hoewel ik er in die jaren nooit ook maar over heb gepíékerd om iets van hem te kopen kan ik achteraf wel beredeneren waarom ik hem toen zo goed kon hebben: hij slaagde erin om succes te hebben met zelf geschreven nummers, uitgevoerd zonder al te veel synthetische poespas, zonder uiterlijk vertoon, zonder overdreven gilletjes of hijgjes, zonder een sound die al binnen een paar jaar op storende wijze gedateerd zou blijken te zijn, zonder sex-appeal, puur op ambachtelijke basis, met gewoon sterke en pakkende composities gezongen met een bijzonder prettige stem, en altijd smaakvol uitgevoerd. (Nou ja, bíjna altijd – laat ik die afschuwelijke sax op Do it to me, dat kinderkoor op Love oh love en, wel, het geheel van Endless love niet vergeten.) Deze compilatie is dan wel niet compleet (en dan te bedenken dat de Amerikaanse versie die Bryan Buss op de All Music-site onder ogen kreeg ook nog eens Dancing on the ceiling en Stuck on you miste!), maar vormt voor mij toch een uitstekende gelegenheid om nu maar eens toe te geven aan mijn sympathie voor deze innemende man die qua verkoop tot de allergrootsten behoort (Wikipedia schat dat hij ongeveer 90 miljoen platen heeft verkocht) maar die zich qua verschijning altijd aangenaam ingetogen heeft gepresenteerd.
Liquid Tension Experiment - 2 (1999)

4,0
0
geplaatst: 24 september 2012, 12:10 uur
Net een fractie minder dan het debuutalbum, met net wat meer matige nummers. Is de titel van When the water breaks een knipoog naar Led Zeppelins When the levee breaks ?
Liquid Tension Experiment - 3 (2021)

3,0
1
geplaatst: 23 augustus 2021, 23:02 uur
Een beetje een tegenvaller. John Petrucci klinkt lekker als altijd, bij Tony Levin blijf ik verbaasd over welke geluiden hij allemaal uit zijn arsenaal aan basinstrumenten tevoorschijn kan toveren, Mike Portnoy speelt behoorlijk functioneel voor zijn doen, en de totaalsound is tiptop, maar ik hoor niet genoeg melodieuze rijkdom, er zitten te weinig nummers met een eigen identiteit bij, en (groot pijnpunt) ik heb onderhand echt meer dan genoeg van die cheesy synthesizer waar Jordan Rudess steeds weer mee op de proppen komt. Nee, voor mij is dit toch allemaal een stuk minder dan LTE1 en LTE2. En wat ze doen met Rhapsody in blue is best grappig, maar voegt voor mij niet zo héél veel toe aan het magnifieke origineel.
Merkwaardig genoeg kan ik met de vijf nummers van de bonus-CD een stuk beter uit de voeten. Natuurlijk zijn die stukken veel minder gevarieerd en afwisselend dan de meer gestructureerde en gecomponeerde nummers van de eerste CD, maar binnen het zoeken naar de volgende verschuiving van tempo, begeleiding en solo's weten alle vier de muzikanten toch vaak een uitweg naar nieuwe mogelijkheden en vergezichten te vinden. Bovendien zet Rudess naast z'n standaard-synth ook vaak piano, Hammond-orgel, string-synthesizer en elektrische piano in, en heeft Petrucci soms de klankkleur van een bij hem niet zo gangbare eighties-gothic-gitaar à la de vroege Cocteau Twins (maar dan een stukje harder), en dat geeft deze Night at the improv aanzienlijk meer smaak wat mij betreft.
Jammer overigens dat Mike Portnoy hier geen uitgebreid en gedetailleerd commentaar bij het opnameproces en de individuele nummers heeft geschreven : dat verhoogde bij mij persoonlijk toch wel de lol (en de betrokkenheid) bij de eerste twee LTE-platen.
Merkwaardig genoeg kan ik met de vijf nummers van de bonus-CD een stuk beter uit de voeten. Natuurlijk zijn die stukken veel minder gevarieerd en afwisselend dan de meer gestructureerde en gecomponeerde nummers van de eerste CD, maar binnen het zoeken naar de volgende verschuiving van tempo, begeleiding en solo's weten alle vier de muzikanten toch vaak een uitweg naar nieuwe mogelijkheden en vergezichten te vinden. Bovendien zet Rudess naast z'n standaard-synth ook vaak piano, Hammond-orgel, string-synthesizer en elektrische piano in, en heeft Petrucci soms de klankkleur van een bij hem niet zo gangbare eighties-gothic-gitaar à la de vroege Cocteau Twins (maar dan een stukje harder), en dat geeft deze Night at the improv aanzienlijk meer smaak wat mij betreft.
Jammer overigens dat Mike Portnoy hier geen uitgebreid en gedetailleerd commentaar bij het opnameproces en de individuele nummers heeft geschreven : dat verhoogde bij mij persoonlijk toch wel de lol (en de betrokkenheid) bij de eerste twee LTE-platen.
Liquid Tension Experiment - Liquid Tension Experiment (1998)

5,0
0
geplaatst: 24 september 2012, 12:06 uur
Er even van afgezien dat ik alle Dream Theater-studioplaten in de kast heb staan en dat John Petrucci één van mijn drie favoriete gitaristen is, ben ik absoluut niet bevoordeeld.
Heerlijk album, uit de tijd dat ik nog wel eens moeite had met de stem van James LaBrie, dus zijn afwezigheid hier doet de muziek zeker geen kwaad. Niet alle nummers zijn even sterk, maar de hoogtepunten doen niet onder voor de betere DT-momenten. Hoewel het een geheel instrumentaal album is verveelt het me toch nergens, ook dankzij de afwisseling van bijvoorbeeld het sfeervolle Osmosis en het grappige Chris and Kevin's excellent adventure.
Absoluut hoogtepunt voor mij: het vreugdevol Nietzscheaans-bejahende intro van Universal mind.
Heerlijk album, uit de tijd dat ik nog wel eens moeite had met de stem van James LaBrie, dus zijn afwezigheid hier doet de muziek zeker geen kwaad. Niet alle nummers zijn even sterk, maar de hoogtepunten doen niet onder voor de betere DT-momenten. Hoewel het een geheel instrumentaal album is verveelt het me toch nergens, ook dankzij de afwisseling van bijvoorbeeld het sfeervolle Osmosis en het grappige Chris and Kevin's excellent adventure.
Absoluut hoogtepunt voor mij: het vreugdevol Nietzscheaans-bejahende intro van Universal mind.
Little Feat - Dixie Chicken (1973)

4,0
1
geplaatst: 13 juni 2014, 11:37 uur
Een vriend met wie ik de liefde voor Steely Dan en The Band deelde kon er met zijn pet niet bij dat ik niet ook helemaal gek van Little Feat was (althans van de Lowell George-versie daarvan). Verschillende malen heb ik van hem verschillende platen mee naar huis gekregen, maar het kwartje is nooit gevallen. Net als bij de Stones kan ik heel goed horen wat mensen hier goed aan vinden, en ik vind het ook absoluut niet slecht, maar een emotionele klik heb ik er niet mee. Dixie chicken is daarop misschien een uitzondering vanwege de perfecte verzameling nummers die de ideale "vehikels" vormen voor de virtuositeit die zich als achteloze losheid probeert voor te doen, met de hoofdrollen voor George's innemende stem en zijn soms vunzige en soms dwars door het hart snijdende slide (zonder overigens bijvoorbeeld dat subtiele drumwerk en die warme elektrische piano tekort te willen doen). Ik zal vermoedelijk nooit een echte fan van deze band worden, maar dít vind zelfs ik een prachtige plaat.
[halverwege het draaien van het album klinkt een luide vloek] Potverdriedubbeltjes, moet ik nou tóch hun andere platen weer eens gaan proberen? Want dit is toch wel èrg geweldig. . . (JW, ik zie je nooit meer, maar toch nog altijd mijn dank voor deze plaat!)
[halverwege het draaien van het album klinkt een luide vloek] Potverdriedubbeltjes, moet ik nou tóch hun andere platen weer eens gaan proberen? Want dit is toch wel èrg geweldig. . . (JW, ik zie je nooit meer, maar toch nog altijd mijn dank voor deze plaat!)
Little Richard - The Very Best Of (2008)

5,0
1
geplaatst: 29 april 2022, 22:06 uur
Als er ooit een plaat het verdiende om op 11 te worden afgespeeld, dan is het wel déze uitstekende compilatie verzorgd door het label waarop Little Richard praktisch al zijn succesvolle singles had, met daarop alle hits die hij scoorde tijdens zijn gloriejaren van tussen 1955 en 1964 (met als enige afwezige één klein Engels hitje uit 1962 op het Mercury-label). Een vrij onwaarschijnlijke reeks van high-energy-klappers, gekenmerkt door instant-meezingbare refreinen, onweerstaanbare ritmesecties, een licht hese maar altijd soepele en suggestieve stem en teksten die de geneugten van rock & roll en aanverwante bezigheden bejubelen.
Tegelijkertijd is het opmerkelijk hoeveel verschil er kan zitten tussen iemands historische status en zijn commerciële impact, want terwijl Little Richard wordt beschouwd als één van de belangrijkste namen uit de oertijd van de rock & roll, heeft hij in de praktijk niet meer dan vier Amerikaanse en vijf Engelse top-10-hits gehad, met in Amerika de zesde en in Engeland de tweede plaats als hoogste notering. Dat heeft er ook mee te maken dat zijn formule op een gegeven moment wel sleetse plekken gaat vertonen: heel veel nummers zijn in feite opgepimpte bluesschema's met de vier coupletregels vaak gezongen tegen een begeleiding van slechts één of twee beats per regel en in het refrein een explosie van muzikale energie, en dat vele malen herhaald met hier en daar een saxsolo om maar aan een acceptabele speelduur te komen (de gemiddelde lengte van de 25 nummers op deze compilatie ligt nog onder de 2½ minuut).
Het gevolg is tevens dat vanaf 1958 de stroom aan hits ook wel was opgedroogd, hetgeen er bij deze compilatie toe leidt dat de laatste acht nummers bestaan uit een rare mix van pogingen om van stijl te veranderen (Baby face, By the light of the silvery moon), halfslachtige covers van andermans hits (Whole lotta shakin' goin' on, Hound dog) en een laatste en misschien wel niet meer verwachte Engelse hit (Bama lama bama loo), aangevuld met een oude pre-Tutti frutti-demo en een korte live-medley uit 1964. Bovendien kondigde Little Richard in oktober 1957 aan dat hij zich aan het priesterschap wilde wijden, hetgeen zijn carrière als rock & roller geen goed deed, en latere pogingen om een seculiere comeback te maken hadden weinig succes. (Het fraaie Send me some lovin' suggereert dat hij ook een uitstekende soulzanger had kunnen worden, maar daar is het nooit van gekomen.)
Ach, als je een artiest moet beoordelen op basis van zijn beste momenten, dan is dit gewoon een 5-sterren-compilatie van iemand die als een komeet aan het rock-&-roll-firmament verscheen (of beter gezegd iemand die zelf mede de fundamenten voor dat firmament legde), en wiens snelle opbranden verder niets aan zijn enorme verdiensten afdoet.
Tegelijkertijd is het opmerkelijk hoeveel verschil er kan zitten tussen iemands historische status en zijn commerciële impact, want terwijl Little Richard wordt beschouwd als één van de belangrijkste namen uit de oertijd van de rock & roll, heeft hij in de praktijk niet meer dan vier Amerikaanse en vijf Engelse top-10-hits gehad, met in Amerika de zesde en in Engeland de tweede plaats als hoogste notering. Dat heeft er ook mee te maken dat zijn formule op een gegeven moment wel sleetse plekken gaat vertonen: heel veel nummers zijn in feite opgepimpte bluesschema's met de vier coupletregels vaak gezongen tegen een begeleiding van slechts één of twee beats per regel en in het refrein een explosie van muzikale energie, en dat vele malen herhaald met hier en daar een saxsolo om maar aan een acceptabele speelduur te komen (de gemiddelde lengte van de 25 nummers op deze compilatie ligt nog onder de 2½ minuut).
Het gevolg is tevens dat vanaf 1958 de stroom aan hits ook wel was opgedroogd, hetgeen er bij deze compilatie toe leidt dat de laatste acht nummers bestaan uit een rare mix van pogingen om van stijl te veranderen (Baby face, By the light of the silvery moon), halfslachtige covers van andermans hits (Whole lotta shakin' goin' on, Hound dog) en een laatste en misschien wel niet meer verwachte Engelse hit (Bama lama bama loo), aangevuld met een oude pre-Tutti frutti-demo en een korte live-medley uit 1964. Bovendien kondigde Little Richard in oktober 1957 aan dat hij zich aan het priesterschap wilde wijden, hetgeen zijn carrière als rock & roller geen goed deed, en latere pogingen om een seculiere comeback te maken hadden weinig succes. (Het fraaie Send me some lovin' suggereert dat hij ook een uitstekende soulzanger had kunnen worden, maar daar is het nooit van gekomen.)
Ach, als je een artiest moet beoordelen op basis van zijn beste momenten, dan is dit gewoon een 5-sterren-compilatie van iemand die als een komeet aan het rock-&-roll-firmament verscheen (of beter gezegd iemand die zelf mede de fundamenten voor dat firmament legde), en wiens snelle opbranden verder niets aan zijn enorme verdiensten afdoet.
Lloyd Cole - Don't Get Weird on Me Babe (1991)

4,5
0
geplaatst: 27 juni 2011, 11:39 uur
johan de witt schreef:
Bij mij ook. Ik vermoed dat dit een foutje is van de invoerder.
(quote)
Bij mij ook. Ik vermoed dat dit een foutje is van de invoerder.
Toen dit album net uit was nam een vriend het voor me op een bandje op, en daarop stonden eerst de zes rocknummers en daarna de zes orkestrale, hetgeen ik heel juist vond omdat die tweede categorie voor mij hier duidelijk het hoogtepunt vormt. Maar toen ik een paar jaar later de CD vond stond achterop: "SIDE ONE - Butterfly [enz.] SIDE TWO - Tell your sister [enz.]". Dus misschien waren er twee verschillende versies, en is de ene al vrij spoedig vervangen door de andere?
De rockkant is niet onaardig, de orkestrale kant is prachtig. Ik ken niet al het solowerk van Cole, en ben er mee gestopt toen het steeds Amerikaanser leek te worden, maar van wat ik ken is déze de enige die de moeite waard is -- en hoe. Voor mij is Half of everything het absolute hoogtepunt.
Nou ja... net even in de PC gestopt om te kijken wat mijn tweede en derde favoriete nummers zijn, en prompt genereert Windows Media Player de titels in de rock-orkest-volgorde, dus niet kloppend met hoe ze op mijn CD staan... Deze wereld is vol ondoorgrondelijke wegen...
Lloyd Cole & The Commotions - Easy Pieces (1985)

3,0
0
geplaatst: 27 juni 2011, 11:13 uur
Om maar eens een draai aan een cliché te geven, het geheel is minder dan de som der delen. De nummers apart zijn stuk voor stuk best goed, maar als ik de plaat als geheel draai blijft hij toch niet tot het einde boeien, zoals wèl gold voor de twee andere (geweldige) platen van LC&tC. Moeilijk om de vinger op de wonde plek te leggen, want nogmaals, ik kan er eigenlijk verder weinig tegenin brengen.
Vroeger had ik een C90-cassettebandje voor in de auto, met op kant 1 het beste van Lloyd Cole: vijf nummers van Rattlesnakes, vier van Mainstream, en met daar tussenin van dít album Why I love country music en het meeslepende Perfect blue. Dat zijn ook nu nog de nummers die ik het meeste draai.
Vroeger had ik een C90-cassettebandje voor in de auto, met op kant 1 het beste van Lloyd Cole: vijf nummers van Rattlesnakes, vier van Mainstream, en met daar tussenin van dít album Why I love country music en het meeslepende Perfect blue. Dat zijn ook nu nog de nummers die ik het meeste draai.
Lloyd Cole & The Commotions - From the Hip. E.P. (1987)

3,5
0
geplaatst: 3 april 2020, 21:29 uur
Een EP waarvan de titeltrack afkomstig is van Mainstream, het derde en laatste album van LC&tC. Dat titelnummer is volgens een toenmalige recensent een klaagzang van Cole over zijn hulpeloosheid tegenover geweld en misbruik, maar je mag je afvragen of die mening op rekening van Cole of van de verteller van dit nummer moet worden geschreven. Het is in elk geval een mooi en melancholisch nummer, hoewel misschien niet echt geschikt om een grote hit te worden: het kwam in de Engelse hitlijsten dan ook niet hoger dan de 59ste plaats. Van de overige drie nummers is Please is een enigszins melig liefdesliedje ("You know I'm not your sign / But I'm not the hurting kind"), en Love your wife een wrange terugblik op een gemiste kans met verschillende laagjes solo- en tokkelgitaar, maar het echte hoogtepunt hier is Lonely mile, met een donkere Chris Isaak-achtige twangy gitaarpartij, onheilspellende drums, een verteller die zich met een gebroken hart uit de voeten moet maken, een aangesprokene ("Mister") die mij vanwege de "crossroads" uit de eerste regel onontkombaar aan de duivel van Robert Johnson doet denken, en een heel geheid trucje dat toch altijd weer werkt: de refreinregel "Anywhere but here" die bij de tweede herhaling plotseling heel climactisch een octaaf hoger wordt gezongen. Meesterlijk, en eeuwig zonde dat dit nummer geen regulier album van Cole heeft gehaald.
Lloyd Cole & The Commotions - Mainstream (1987)

4,5
2
geplaatst: 1 april 2020, 23:36 uur
Wat leuk, zes jaar lang geen berichten bij deze plaat en dan nu opeens twee binnen een week. Ik deel ieders enthousiasme hier: ik was hier wel enigszins huiverig voor na de teleurstellende tweede plaat, maar omdat ik die ook weer niet echt slecht vond (het grote probleem was juist dat ik niet precies kon zeggen waaróm ik hem minder vond dan het debuut) heb ik me hier toch maar aan gewaagd, en daar heb ik nooit spijt van gehad. In muzikaal opzicht liggen de janglepop van Rattlesnakes en de blazers en strijkers van Easy pieces nu achter ons, en daarvoor in de plaats hoor ik hier een sober bandgeluid waarin de compositie centraal staat en geen enkel instrument echt de hoofdrol krijgt, met teksten die meer bespiegelend en melancholisch zijn en die het album daardoor een gevoel van volwassenheid (en misschien ook wel iets van desillusie) geven.
Zo’n serieuze insteek misstaat Cole geenszins, maar ik moet toegeven dat dat tijdens de eerste helft van het album niet steeds goed uitpakt, met de plaatopener die voorbijglijdt zonder te beklijven (misschien had dít nummer dan nog wel geprofiteerd van een janglegitaar...), 29 dat wat te lang doorgaat, en het titelnummer dat nergens los komt. Maar dan krijg je opeens het extreem aanstekelijke Jennifer she said waar Johnny Marr zich niet voor zou hebben geschaamd, en vanaf dat moment is de plaat op gang en kakt hij nergens meer in. Sean Penn blues scheurt er lekker op los, en These days is van een troosteloze schoonheid, maar de hoogtepunten zijn voor mij toch Big snake en Hey Rusty.
Wat dat eerste nummer betreft, wie had er ooit kunnen denken dat twee zulke sonore stemmen als die van Cole en Tracey Thorn samen zo hemels zouden klinken? Ik in ieder geval niet – ik viel haast van mijn stoel toen ik in het boekje zag wie er verantwoordelijk was voor die prachtige harmonieën, en ook na tientallen malen luisteren ontroert de samenzang mij nog altijd. Natuurlijk is dat maar één van de sterke punten van dit nummer, want de trompet van Jon Hassell is minstens zo belangrijk (ik zit meteen weer in David Sylvian-Brilliant trees-sferen), en van het oorwurm-loopje waarmee het nummer begint en dat op het einde steeds weer herhaald wordt kan ik geen genoeg krijgen. En wat Hey Rusty betreft, TEQUILA SUNRISE heeft daar hierboven al mooie woorden aan gewijd; toen ik dat nummer voor het eerst hoorde had ik nog geen berouwde verloren vriendschappen, maar toen al sprak het enorm tot mijn verbeelding, en die zo prachtig verhalende tekst (Cole op z’n best) komt bovendien op superbe wijze tot leven door het stevige en stuwende arrangement.
Hoe fantastisch ik Rattlesnakes (het album) ook vond en vind, met déze twee nummers bevond Cole zich toch op een ander niveau qua zeggingskracht en intensiteit, en ik deel dan ook Rainmachine’s verzuchting dat deze band zich nog wel degelijk verder had kunnen ontwikkelen en een hoop mooie muziek had kunnen maken. Commercieel was Mainstream ook zeker geen misser (de plaat reikte tot de negende plaats van de Engelse albumlijsten), maar de koek was kennelijk op. Spijtig, omdat juist deze zwanezang zulke mogelijkheden voor de toekomst leek te bieden.
Zo’n serieuze insteek misstaat Cole geenszins, maar ik moet toegeven dat dat tijdens de eerste helft van het album niet steeds goed uitpakt, met de plaatopener die voorbijglijdt zonder te beklijven (misschien had dít nummer dan nog wel geprofiteerd van een janglegitaar...), 29 dat wat te lang doorgaat, en het titelnummer dat nergens los komt. Maar dan krijg je opeens het extreem aanstekelijke Jennifer she said waar Johnny Marr zich niet voor zou hebben geschaamd, en vanaf dat moment is de plaat op gang en kakt hij nergens meer in. Sean Penn blues scheurt er lekker op los, en These days is van een troosteloze schoonheid, maar de hoogtepunten zijn voor mij toch Big snake en Hey Rusty.
Wat dat eerste nummer betreft, wie had er ooit kunnen denken dat twee zulke sonore stemmen als die van Cole en Tracey Thorn samen zo hemels zouden klinken? Ik in ieder geval niet – ik viel haast van mijn stoel toen ik in het boekje zag wie er verantwoordelijk was voor die prachtige harmonieën, en ook na tientallen malen luisteren ontroert de samenzang mij nog altijd. Natuurlijk is dat maar één van de sterke punten van dit nummer, want de trompet van Jon Hassell is minstens zo belangrijk (ik zit meteen weer in David Sylvian-Brilliant trees-sferen), en van het oorwurm-loopje waarmee het nummer begint en dat op het einde steeds weer herhaald wordt kan ik geen genoeg krijgen. En wat Hey Rusty betreft, TEQUILA SUNRISE heeft daar hierboven al mooie woorden aan gewijd; toen ik dat nummer voor het eerst hoorde had ik nog geen berouwde verloren vriendschappen, maar toen al sprak het enorm tot mijn verbeelding, en die zo prachtig verhalende tekst (Cole op z’n best) komt bovendien op superbe wijze tot leven door het stevige en stuwende arrangement.
Hoe fantastisch ik Rattlesnakes (het album) ook vond en vind, met déze twee nummers bevond Cole zich toch op een ander niveau qua zeggingskracht en intensiteit, en ik deel dan ook Rainmachine’s verzuchting dat deze band zich nog wel degelijk verder had kunnen ontwikkelen en een hoop mooie muziek had kunnen maken. Commercieel was Mainstream ook zeker geen misser (de plaat reikte tot de negende plaats van de Engelse albumlijsten), maar de koek was kennelijk op. Spijtig, omdat juist deze zwanezang zulke mogelijkheden voor de toekomst leek te bieden.
Lloyd Cole & The Commotions - Rattlesnakes (1984)

4,5
2
geplaatst: 21 maart 2020, 21:52 uur
Toen ik deze plaat ten tijde van de release liet horen aan een vriend die mijn muzieksmaak deelde, zei hij: "Dit zou een geweldige debuutplaat zijn als het niet gewoon een geweldige plaat-zonder-meer was, want het klinkt zó volwassen dat het lijkt alsof deze jongens al járen platen maken." En zo is het precies, ook 35 jaar later. Lou Reed meets The Byrds, zoiets, met teksten propvol literaire en popculturele verwijzingen maar zó sardonisch gebracht dat het nergens pretentieus wordt, en met een sound die nog steeds heerlijk en helder is, met dank aan de produktie die geen spatje gedateerd is. Toen een dikke favoriet, nu nog steeds een muzikale oase uit de jaren 80, en dat ik Rattlesnakes nèt geen 5* geef is omdat kant 2 na Charlotte Street enigszins inzakt – er staat geen enkel slecht nummer op, maar zelfs de beste van de laatste vier tracks vind ik nog minder dan de minste van de eerste zes (en die eerste zes vind ik zelfs zó goed dat ik werkelijk niet weet welk nummer ik het "slechtst" vind). Maakt niet uit, als geheel blijft dit een formidabel album.
Na de vinylversie heb ik deze plaat later in z'n eerste CD-release gekocht, met de vier bonustracks Sweetness, Andy's babies, The sea and the sand en You will never be no good. Daarmee is het één van de weinige CD's waarvan de bonustracks echt wat toevoegen en ook het niveau van het oorspronkelijke album zeer dicht benaderen (en in het geval van The sea and the sand zelfs overstijgen wat LP-kant 2 betreft). En één van mijn meest teleurstellende aankopen ooit was de eerste CD-versie van Paul Youngs No parlez omdat daar de walgelijk opgerekte 12"-versies van Come back and stay en Wherever I lay my hat (that's my home) op stonden in plaats van de originele (single-)versies; ik zou er dan ook op tegen moeten zijn dat op Rattlesnakes hetzelfde is gebeurd met (mijn favoriete track) Forest fire, maar met die 40 extra seconden gitaarsolo ben ik hier juist bijzonder blij.
Na de vinylversie heb ik deze plaat later in z'n eerste CD-release gekocht, met de vier bonustracks Sweetness, Andy's babies, The sea and the sand en You will never be no good. Daarmee is het één van de weinige CD's waarvan de bonustracks echt wat toevoegen en ook het niveau van het oorspronkelijke album zeer dicht benaderen (en in het geval van The sea and the sand zelfs overstijgen wat LP-kant 2 betreft). En één van mijn meest teleurstellende aankopen ooit was de eerste CD-versie van Paul Youngs No parlez omdat daar de walgelijk opgerekte 12"-versies van Come back and stay en Wherever I lay my hat (that's my home) op stonden in plaats van de originele (single-)versies; ik zou er dan ook op tegen moeten zijn dat op Rattlesnakes hetzelfde is gebeurd met (mijn favoriete track) Forest fire, maar met die 40 extra seconden gitaarsolo ben ik hier juist bijzonder blij.
Lonnie Donegan - Lonnie (1957)

4,0
0
geplaatst: 17 maart 2020, 11:59 uur
Lonnie Donegan (1931-2002) was de ongekroonde koning van de skiffle, de eenvoudige maar aanstekelijke muziekstijl waarmee hij tussen 1955 en 1962 vele successen in de Engelse hitparade boekte. Op deze opvolger van zijn succesvolle albumdebuut Showcase bestrijkt hij een nog breder spectrum van genres en stijlen, met vrolijke folk (Sally don't you grieve), onderkoelde en bijna spookachtige folkblues (Whoa back van Leadbelly), gospel die ofwel als uptempo-pop wordt gespeeld (Lonesome traveller, Ain't you glad you've got religion, Light from the lighthouse) ofwel bijna als gipsy-jazz (The sunshine of his love), trieste "prison worksong blues" (Ain't no more cane on the Brazos), sociale vignetten (Woody Guthrie's Grand Coulee dam), blues (I've got rocks in my bed) en vrolijke pop (de opzwepende afsluiter Long summer day van Donegan zelf). De nummers zijn dikwijls bewerkingen van traditionals, de begeleiding is kaal zoals het een klassieke skiffle-bezetting betaamt (gitaar, bas, drums), en Donegans stem geeft overal een vriendelijk enthousiasme aan. Een leuke plaat van een man op het hoogtepunt van zijn kunnen, vóórdat hij langzaam maar zeker meer in de richting van de music-hall ging met titels als Does your chewing gum lose its flavour on the bedpost overnight? en My old man's a dustman; op déze plaat graaft hij nog met veel plezier in de rijke Amerikaanse folk- en bluestraditie en geeft daar op innemende wijze een eigen draai aan, met een nog altijd beluisterbaar album als resultaat.
Lonnie Donegan - Lonnie Rides Again (1959)

3,5
0
geplaatst: 27 maart 2020, 21:11 uur
Hoewel dit album volgens de hoes nog wordt toegeschreven aan Lonnie Donegan and his Skiffle Group, lijkt het kwartet hiermee toch meer te mikken op de Amerikaanse countrymarkt, getuige ook de titel en de hoesfoto met hun western-folklore-associaties. Bij de muziek zelf hoor ik af en toe zo'n Johnny Cash-achtige "twangy" gitaar, de tempi en de ritmes hebben vaker wat country-invloeden, en het boekje bij mijn CD noemt expliciet de invloed van mensen als Hank Snow, Burl Ives en de Carter Family. You pass me by is zelfs een ouderwetse country-tranentrekker, in San Miguel komt er nog zo'n Spaanse gitaar bij om wat zuidelijke passie te suggereren, en zelfs Miss Otis regrets van Cole Porter krijgt een onderkoeld en bijna landelijk arrangement. Allemaal niets mis mee, maar de folk en de blues die Donegans eerdere muziek kenmerkten raakt zo een beetje verdund, en dat levert niet altijd spannende muziek op. Belangrijkste uitzondering is Donegans versie van The house of the rising sun, dat hij schijnbaar van een plaat van Josh White leerde kennen; alle uitvoeringen van dit nummer moeten natuurlijk opboksen tegen de lange schaduw van de Animals, maar Donegan weet zijn eigen versie een mooie onderhuidse spanning mee te geven, met dank aan het sterke gitaarspel vol reverb van Les Bennetts. Al met al een aardig album, gevarieerd opgezet en met zorg gearrangeerd en uitgevoerd, maar het mist een beetje het eigenzinnige en onvoorspelbare van Donegans allervroegste opnames.
Beluisterd in de Lonnie 2000-rerelease-reeks van Sequel Records (een sublabel van Castle Music), met daarop de twaalf nummers van de oorspronkelijke elpee, aangevuld met drie alternatieve versies, de vier nummers van de EP Yankee doodle Donegan (opgenomen in maart 1960 met Jerry Leiber en Mike Stoller in New York), en zes "losse" nummers van tussen 1959 en 1961, een mooie verzameling bonustracks waarop al te horen is hoe Donegan langzaam maar zeker richting MOR-pop gaat. Prima geluid, zeer goed geannoteerd en met een uitgebreid informatief essay.
Het enige merkwaardige van die Sequel-uitgave is dat de volgorde van de nummers van het oorspronkelijke album om onnaspeurbare redenen is omgegooid, met eerst de zes nummers van kant 2 door elkaar gehusseld en daarna de zes nummers van kant 1 idem. Misschien is daarbij de volgorde van een Amerikaanse release aangehouden, hetgeen ook zou verklaren waarom bij die eerste twaalf tracks de Amerikaanse versie staat van Talking guitar blues (waarin de verteller uit Missouri komt), terwijl de Engelse versie (met een verteller uit Woodford nabij Londen) tot de bonustracks is veroordeeld. Ik kan op internet echter nergens een vermelding van een Amerikaanse release met een afwijkende tracklisting vinden, terwijl de Engelse hoes gewoon bovenstaande (juiste) tracklisting heeft.
Beluisterd in de Lonnie 2000-rerelease-reeks van Sequel Records (een sublabel van Castle Music), met daarop de twaalf nummers van de oorspronkelijke elpee, aangevuld met drie alternatieve versies, de vier nummers van de EP Yankee doodle Donegan (opgenomen in maart 1960 met Jerry Leiber en Mike Stoller in New York), en zes "losse" nummers van tussen 1959 en 1961, een mooie verzameling bonustracks waarop al te horen is hoe Donegan langzaam maar zeker richting MOR-pop gaat. Prima geluid, zeer goed geannoteerd en met een uitgebreid informatief essay.
Het enige merkwaardige van die Sequel-uitgave is dat de volgorde van de nummers van het oorspronkelijke album om onnaspeurbare redenen is omgegooid, met eerst de zes nummers van kant 2 door elkaar gehusseld en daarna de zes nummers van kant 1 idem. Misschien is daarbij de volgorde van een Amerikaanse release aangehouden, hetgeen ook zou verklaren waarom bij die eerste twaalf tracks de Amerikaanse versie staat van Talking guitar blues (waarin de verteller uit Missouri komt), terwijl de Engelse versie (met een verteller uit Woodford nabij Londen) tot de bonustracks is veroordeeld. Ik kan op internet echter nergens een vermelding van een Amerikaanse release met een afwijkende tracklisting vinden, terwijl de Engelse hoes gewoon bovenstaande (juiste) tracklisting heeft.
Lonnie Donegan - Showcase (1956)

3,5
0
geplaatst: 6 maart 2020, 11:17 uur
Goede inleiding van L_T_B hierboven. Al die invloeden (folk, blues, country, en op I shall not be moved ook gospel) leveren een merkwaardige smeltkroes op, en hoewel Donegans commerciële succes inderdaad vanaf ongeveer 1962 voorbij was bleef zijn invloed feitelijk onverminderd voelbaar, want vanaf dat moment begonnen mensen als Alexis Korner, Cyril Davies en John Mayall (en in hun voetsporen de Stones, de Animals, de Yardbirds en Cream) eveneens grote Amerikaanse zwarte (blues)voorbeelden te imiteren en vervolgens naar Amerika terug te exporteren.
Los van zijn historische belang vind ik Donegan ook nu nog leuk om naar te luisteren: zijn songkeuze is breed en afwisselend, zijn arrangementen zijn licht en strak, en zijn interesse in deze muziek is (of althans líjkt) oprecht. Boven alles is er zijn stem: die is misschien niet heel bijzonder, maar op de één of andere manier kan hij zowel het vrolijker werk als de zwaardere ballades met evenveel overtuiging brengen. Plaatafsluiter Frankie and Johnny is bepaald niet mijn favoriete folknummer (met dat suffe refrein vol "He was her man, but he done her wrong"-variaties), maar doordat Donegan in de loop van het nummer (en dus gedurende de ontwikkeling van het tamelijk gepassioneerde en gewelddadige verhaal) steeds intenser en gedrevener gaat zingen komen die 5½ minuten ook steeds meer tot leven. Mooi debuut.
Los van zijn historische belang vind ik Donegan ook nu nog leuk om naar te luisteren: zijn songkeuze is breed en afwisselend, zijn arrangementen zijn licht en strak, en zijn interesse in deze muziek is (of althans líjkt) oprecht. Boven alles is er zijn stem: die is misschien niet heel bijzonder, maar op de één of andere manier kan hij zowel het vrolijker werk als de zwaardere ballades met evenveel overtuiging brengen. Plaatafsluiter Frankie and Johnny is bepaald niet mijn favoriete folknummer (met dat suffe refrein vol "He was her man, but he done her wrong"-variaties), maar doordat Donegan in de loop van het nummer (en dus gedurende de ontwikkeling van het tamelijk gepassioneerde en gewelddadige verhaal) steeds intenser en gedrevener gaat zingen komen die 5½ minuten ook steeds meer tot leven. Mooi debuut.
Lonnie Donegan - The Best Of (1988)
Alternatieve titel: 22 Skiffle Greats

4,0
0
geplaatst: 18 september 2018, 11:42 uur
Een aardige compilatie van het werk van Lonnie (Anthony) Donegan (1931-2002), de man die vanaf eind jaren veertig invloeden uit de folk, de jazz en de Amerikaanse blues combineerde tot een geheel eigen geluid en daarmee in de tweede helft van de jaren vijftig een enorm succes had en de Engelse hitlijsten domineerde. Zijn populariteit berustte daarbij niet alleen op zijn muzikale kunnen, maar ook op het feit dat de bezetting van zijn ensemble (kleine drumset of "wasbord", contrabas, gitaar en/of banjo) zó simpel en goedkoop was dat beginnende muzikanten daarin al gauw de inspiratie vonden om met beperkte financiële middelen toch een eigen groep op te kunnen richten. Zo begon bijvoorbeeld ene John Lennon in maart 1957 een skifflebandje genaamd The Quarrymen, maar ook Jimmy Page zag het licht toen hij eind 1955 Donegans eerste hit Rock island line op de radio hoorde, en Jon Anderson begon zijn muzikale carrière op het wasbord in Little Johns Skiffle Group.
Voor de luisteraar van nú is dit misschien muziek uit een voorbije tijd, want aan de overkant van de oceaan waren Elvis Presley, Chuck Berry, Buddy Holly en Jerry Lee Lewis op dat moment al bezig om het aanzien van het muzikale landschap definitief te veranderen, en toen de Beatles eenmaal doorbraken was het met het top-40-succes van Donegan praktisch afgelopen. Toch is deze muziek nog altijd zeer beluisterbaar vanwege de frisse en scherpe arrangementen, de respectvolle behandeling van Amerikaanse traditionals, en Donegans heldere en levenslustige stem die mij steeds weer in een opperbeste stemming brengt, zodat ik zelfs om comedy-songs als Does your chewing gum lose its flavour on the bedpost overnight? en My old man's a dustman wel kan lachen.
Deze CD bevat 11 van Donegans 16 Engelse top-10-hits van tussen 1955 en 1962 (inclusief zijn drie nummer-1-hits), aangevuld met 4 albumtracks van zijn debuutalbum Lonnie Donegan showcase (1956), 4 B-kantjes, een #14, een #19 en een flop. Als zodanig geen ultiem hitoverzicht, maar wel een aardige verzamelaar die een goed idee geeft van waarom deze man en deze muziekstijl ooit zo beroemd waren – en eigenlijk ook nog steeds beroemd zouden moeten zijn. (Mijn Windows Media Player haalt bij deze CD trouwens de gegevens van een ander album op, Lonnie Donegan – king of skiffle, hoewel dát album in sommige versies slechts 19 nummers in een andere volgorde heeft, en sowieso zullen er van deze man wel talloze budgetcompilaties met de woorden king en skiffle in de titel bestaan.)
Voor de luisteraar van nú is dit misschien muziek uit een voorbije tijd, want aan de overkant van de oceaan waren Elvis Presley, Chuck Berry, Buddy Holly en Jerry Lee Lewis op dat moment al bezig om het aanzien van het muzikale landschap definitief te veranderen, en toen de Beatles eenmaal doorbraken was het met het top-40-succes van Donegan praktisch afgelopen. Toch is deze muziek nog altijd zeer beluisterbaar vanwege de frisse en scherpe arrangementen, de respectvolle behandeling van Amerikaanse traditionals, en Donegans heldere en levenslustige stem die mij steeds weer in een opperbeste stemming brengt, zodat ik zelfs om comedy-songs als Does your chewing gum lose its flavour on the bedpost overnight? en My old man's a dustman wel kan lachen.
Deze CD bevat 11 van Donegans 16 Engelse top-10-hits van tussen 1955 en 1962 (inclusief zijn drie nummer-1-hits), aangevuld met 4 albumtracks van zijn debuutalbum Lonnie Donegan showcase (1956), 4 B-kantjes, een #14, een #19 en een flop. Als zodanig geen ultiem hitoverzicht, maar wel een aardige verzamelaar die een goed idee geeft van waarom deze man en deze muziekstijl ooit zo beroemd waren – en eigenlijk ook nog steeds beroemd zouden moeten zijn. (Mijn Windows Media Player haalt bij deze CD trouwens de gegevens van een ander album op, Lonnie Donegan – king of skiffle, hoewel dát album in sommige versies slechts 19 nummers in een andere volgorde heeft, en sowieso zullen er van deze man wel talloze budgetcompilaties met de woorden king en skiffle in de titel bestaan.)
Lou Reed - Rock n Roll Animal (1974)

5,0
0
geplaatst: 1 augustus 2014, 09:39 uur
Ik zou hier makkelijk tien kantjes over vol kunnen schrijven, maar laat ik voor nu volstaan met te zeggen dat dit misschien wel de belangrijkste plaat is die ik ooit heb beluisterd, omdat hij in mijn jeugd de sleutelplaat was voor mijn begrip van wat rockmuziek kan zijn. Helaas heeft deze plaat wèl het eeuwige leven, maar de makers ervan niet. Na een klein jaar geleden Lou Reed :
R.I.P. Dick Wagner, 14 december 1942 – 30 juli 2014
R.I.P. Dick Wagner, 14 december 1942 – 30 juli 2014
Love - Forever Changes (1967)

3,5
3
geplaatst: 26 februari 2024, 13:10 uur
De AllMusic-recensie van Mark Denning, het commentaar van Stewart Mason en Matthew Greenwald bij de individuele nummers (ook op AllMusic) en het uitgebreide essay van Ben Edmonds in het boekje bij de "expanded" CD-remaster uit 2001 geven een zeer gedetailleerd beeld van hoe Arthur Lee het concept en de teksten van dit album heeft bedoeld c.q. hoe je ze zou kunnen interpreteren, hetgeen een interessant biografisch en culturhistorisch perspectief op deze plaat biedt. Des te jammerder vind ik het dan dat ik dit album nooit helemaal met volle overtuiging heb kunnen omarmen, hoe boeiend bovenstaande interpretaties ook zijn en hoe eindeloos fascinerend deze periode van de popmuziek ook is.
Ik denk toch dat dat te maken heeft met hoe de composities vorm zijn gegeven, want hoewel ik heel veel platen uit deze periode echt geweldig vind zitten er bepaalde dingen in Forever changes die ik gewoon niet goed kan vinden. Vooral stoor ik me aan het feit dat dit eigenlijk grotendeels folky nummers voor twee akoestische gitaren en een sixties-ritmesectie zijn, maar de strijkers en vaak ook de blazers komen zó vaak de helpende hand toesteken dat ik haast zou gaan denken dat de kale sound van de band te licht is en dat die orkestrale arrangementen nodig zijn om de nummers op te blazen en body te geven, hetgeen voor mijn gevoel niet strookt met het persoonlijke karakter van de vrij ingetogen muziek. Los daarvan hebben sommige nummers een structuur met "left turns" die ik gewoon niet begrijp, bijvoorbeeld dat aflopende klavecimbel na het eerste couplet van The red telephone dat in melodisch opzicht niets met het voorafgaande te maken heeft, of wanneer er na het herhaalde intro op 2:12 van The daily planet opeens een heel fragmentarisch gedeelte volgt alsof Lee niet wist hoe het nu verder moest en daarom maar wat Syd Barrett-achtige twists en breaks heeft gebruikt. Wellicht zeggen veel gebruikers hier dat dat nu juist de kern van deze grillige muziek is, maar ik heb deze plaat in de loop van de afgelopen vijfentwintig jaar misschien wel vijftig keer gedraaid en nog steeds klinken zulke wendingen me niet "natuurlijk" in de oren.
Er staat verder ook geen enkel slecht nummer of zelfs maar brak moment op de plaat, en toch ook wel genoeg leuks (aangevinkte favorieten: A house is not a motel, Maybe the people would be... en Live and let live), dus misschien dat bij mij in de komende vijfentwintig jaar etc., maar vooralsnog vind ik dit zeker een interessante plaat maar kan ik net als mijn voorganger niet horen waar dit album zijn klassieke status (en zijn plaats in de MusicMeter-top-250) precies aan verdient.
Ik denk toch dat dat te maken heeft met hoe de composities vorm zijn gegeven, want hoewel ik heel veel platen uit deze periode echt geweldig vind zitten er bepaalde dingen in Forever changes die ik gewoon niet goed kan vinden. Vooral stoor ik me aan het feit dat dit eigenlijk grotendeels folky nummers voor twee akoestische gitaren en een sixties-ritmesectie zijn, maar de strijkers en vaak ook de blazers komen zó vaak de helpende hand toesteken dat ik haast zou gaan denken dat de kale sound van de band te licht is en dat die orkestrale arrangementen nodig zijn om de nummers op te blazen en body te geven, hetgeen voor mijn gevoel niet strookt met het persoonlijke karakter van de vrij ingetogen muziek. Los daarvan hebben sommige nummers een structuur met "left turns" die ik gewoon niet begrijp, bijvoorbeeld dat aflopende klavecimbel na het eerste couplet van The red telephone dat in melodisch opzicht niets met het voorafgaande te maken heeft, of wanneer er na het herhaalde intro op 2:12 van The daily planet opeens een heel fragmentarisch gedeelte volgt alsof Lee niet wist hoe het nu verder moest en daarom maar wat Syd Barrett-achtige twists en breaks heeft gebruikt. Wellicht zeggen veel gebruikers hier dat dat nu juist de kern van deze grillige muziek is, maar ik heb deze plaat in de loop van de afgelopen vijfentwintig jaar misschien wel vijftig keer gedraaid en nog steeds klinken zulke wendingen me niet "natuurlijk" in de oren.
Er staat verder ook geen enkel slecht nummer of zelfs maar brak moment op de plaat, en toch ook wel genoeg leuks (aangevinkte favorieten: A house is not a motel, Maybe the people would be... en Live and let live), dus misschien dat bij mij in de komende vijfentwintig jaar etc., maar vooralsnog vind ik dit zeker een interessante plaat maar kan ik net als mijn voorganger niet horen waar dit album zijn klassieke status (en zijn plaats in de MusicMeter-top-250) precies aan verdient.
Lunatic Soul - Lunatic Soul II (2010)
Alternatieve titel: The White Album

2,5
1
geplaatst: 12 maart 2016, 16:35 uur
Ik kan dit absoluut niet slecht noemen, maar het zegt me gewoon niet zo veel. Beetje folky, beetje elektronica, impressionistische soundscapes achter introspectieve liedjes, allemaal zeer zorgvuldig gearrangeerd, maar het beklijft allemaal niet bij mij. Te los, te atmosferisch-impressionistisch voor mijn huidige smaak, te weinig nummers met "vlees" zoals de tweede helft van Transition. Echo's van Sylvian en de late Talk Talk – mooi, maar als het afgelopen is zet ik weer iets anders op zonder hier aan terug te denken.
Lynyrd Skynyrd - (Pronounced 'Lĕh-'nérd 'Skin-'nérd) (1973)

5,0
0
geplaatst: 19 augustus 2013, 21:13 uur
Het vervelende van deze plaat is dat ik er nooit mee klaar ben, want hoewel mij in het begin wel duidelijk was wat de goede en wat de matige nummers waren, werden na verloop van tijd ook die mindere nummers opeens favoriet, zodat na voorspelbare "vroege" toppers als Free bird en Simple man (even niet naar de tekst luisteren) plotseling ook I ain't the one (geweldige gitaarpartij) en het pompende Poison whiskey op kwamen zetten, en nu vind ik uiteindelijk alleen Gimme three steps nog een minder nummer (maar ook dat kan morgen anders zijn, want ik draai dit album momenteel heel veel). Raar hoe een plaat met zulke redelijk eenvoudige songstructuren toch zo kan blijven groeien – kennelijk zit er een sterke onderstroom in. Veel fraaie afwisseling ook met de soms onverwachte instrumentatie van Tuesday's gone, Things goin' on en Missisippi kid. Van de bonustracks is Mr Banker ook niet mis. Geweldig krachtige plaat vol zelfvertrouwen en overtuiging.
