Hier kun je zien welke berichten erwinz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
The Equatorial Group - Apricity (2018)

4,5
0
geplaatst: 28 mei 2018, 12:36 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Equatorial Group - Apricity - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
The Equatorial Group is een band uit het Britse Eastbourne, die afgelopen week haar tweede plaat uitbracht.
Heel veel aandacht trekken de Britten tot dusver nog niet met hun muziek, maar toen de woonkamer zich een paar dagen geleden vulde met de ruimtelijke klanken van Apricity, was ik direct verkocht.
The Equatorial Group is zoals gezegd een Britse band, maar de muziek van de band klinkt op Apricity vooral Amerikaans.
De band betovert vrijwel onmiddellijk met ruimtelijke gitaarlijnen, een weemoedige pedal steel en de aangename stem van Helen Weeks. Het is muziek die doet denken aan de pioniersdagen van de alt-country en die je meeneemt naar de woestijn van Arizona, die al zo vaak het toneel is geweest van prachtplaten in het genre.
De criticus zal beweren dat The Equatorial Group niet heel veel toevoegt aan alles dat er al is, maar dat hoor ik toch anders. Zodra de zweverige klanken van Apricity uit de speakers komen, worden op het netvlies fraaie beelden van uitgestrekte Amerikaanse landschappen geprojecteerd, wat de tweede plaat van The Equatorial Group zeer geschikt maakt voor luieren en wegdromen. Met name de pedal steel vult op zeer aangename wijze de ruimte en geeft de muziek van de Britse band iets bijzonders.
Het doet af en toe wel wat denken aan de platen van Cowboy Junkies, maar wanneer Helen Weeks kiest voor wat meer folky vocalen geeft The Equatorial Group toch ook wat hints over de werkelijke thuisbasis van de band.
Ik heb meer platen als Apricity in de kast staan, maar de ruimtelijke klanken van The Equatorial Group bleken bij herhaalde beluistering zeer verslavend en graven bovendien veel dieper dan je bij eerste beluistering zult vermoeden.
De ingetogen Americana met een vleugje folk blijkt steeds vaker van een bijzondere schoonheid en ook het ontspannend vermogen van de tweede plaat van de Britse band wint steeds meer aan kracht. The Equatorial beschikt over het vermogen om de luisteraar te bedwelmen met atmosferische en dromerige klanken, maar de band uit Eastbourne staat ook garant voor hele goede popliedjes.
Het zijn popliedjes die zijn geworteld in de Amerikaanse rootsmuziek, maar zeker wanneer de gitaarlijnen net wat puntiger zijn en de refreinen aanstekelijk klinkt The Equatorial Group ook als Fleetwood Mac dat halverwege de jaren 70 een verkeerde afslag heeft genomen en in plaats van in Los Angeles in de woestijn van California of Arizona is terecht gekomen.
Het gitaarwerk op de plaat wordt bij herhaalde beluistering overigens mooier en mooier en hetzelfde geldt voor de stem van Helen Weeks, die af en toe ook kan opschuiven richting Harriet Wheeler van The Sundays.
Apricity van The Equatorial Group zal de komende weken niet worden overladen met aandacht, maar de Britse band heeft wat mij betreft een prachtplaat afgeleverd. Ik zou hem niet laten liggen. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Equatorial Group - Apricity - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
The Equatorial Group is een band uit het Britse Eastbourne, die afgelopen week haar tweede plaat uitbracht.
Heel veel aandacht trekken de Britten tot dusver nog niet met hun muziek, maar toen de woonkamer zich een paar dagen geleden vulde met de ruimtelijke klanken van Apricity, was ik direct verkocht.
The Equatorial Group is zoals gezegd een Britse band, maar de muziek van de band klinkt op Apricity vooral Amerikaans.
De band betovert vrijwel onmiddellijk met ruimtelijke gitaarlijnen, een weemoedige pedal steel en de aangename stem van Helen Weeks. Het is muziek die doet denken aan de pioniersdagen van de alt-country en die je meeneemt naar de woestijn van Arizona, die al zo vaak het toneel is geweest van prachtplaten in het genre.
De criticus zal beweren dat The Equatorial Group niet heel veel toevoegt aan alles dat er al is, maar dat hoor ik toch anders. Zodra de zweverige klanken van Apricity uit de speakers komen, worden op het netvlies fraaie beelden van uitgestrekte Amerikaanse landschappen geprojecteerd, wat de tweede plaat van The Equatorial Group zeer geschikt maakt voor luieren en wegdromen. Met name de pedal steel vult op zeer aangename wijze de ruimte en geeft de muziek van de Britse band iets bijzonders.
Het doet af en toe wel wat denken aan de platen van Cowboy Junkies, maar wanneer Helen Weeks kiest voor wat meer folky vocalen geeft The Equatorial Group toch ook wat hints over de werkelijke thuisbasis van de band.
Ik heb meer platen als Apricity in de kast staan, maar de ruimtelijke klanken van The Equatorial Group bleken bij herhaalde beluistering zeer verslavend en graven bovendien veel dieper dan je bij eerste beluistering zult vermoeden.
De ingetogen Americana met een vleugje folk blijkt steeds vaker van een bijzondere schoonheid en ook het ontspannend vermogen van de tweede plaat van de Britse band wint steeds meer aan kracht. The Equatorial beschikt over het vermogen om de luisteraar te bedwelmen met atmosferische en dromerige klanken, maar de band uit Eastbourne staat ook garant voor hele goede popliedjes.
Het zijn popliedjes die zijn geworteld in de Amerikaanse rootsmuziek, maar zeker wanneer de gitaarlijnen net wat puntiger zijn en de refreinen aanstekelijk klinkt The Equatorial Group ook als Fleetwood Mac dat halverwege de jaren 70 een verkeerde afslag heeft genomen en in plaats van in Los Angeles in de woestijn van California of Arizona is terecht gekomen.
Het gitaarwerk op de plaat wordt bij herhaalde beluistering overigens mooier en mooier en hetzelfde geldt voor de stem van Helen Weeks, die af en toe ook kan opschuiven richting Harriet Wheeler van The Sundays.
Apricity van The Equatorial Group zal de komende weken niet worden overladen met aandacht, maar de Britse band heeft wat mij betreft een prachtplaat afgeleverd. Ik zou hem niet laten liggen. Erwin Zijleman
The Equatorial Group - Falling Sands (2019)

4,0
0
geplaatst: 30 oktober 2019, 10:53 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Equatorial Group - Falling Sands - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Equatorial Group - Falling Sands
The Equatorial Group imponeerde vorig jaar met een onverwachte jaarlijstjesplaat en herhaalt dit kunstje op de eveneens prachtige opvolger
Apricity van de Britse band The Equatorial Group klonk vorig jaar als Fleetwood Mac dat halverwege de jaren 70 de afslag richting Amerikaanse rootsmuziek had genomen. Het leverde een verrassend sterk album op, dat uiteindelijk terecht mijn jaarlijstje haalde. Opvolger Falling Sands trekt de lijn van de voorganger door en is nog net wat overtuigender. De songs van de Britse band zijn nog net zo mooi en ruimtelijk, maar graven ook net wat dieper, wat de muziek van The Equatorial Group nog wat interessanter maakt. Heel veel aandacht trekt de band tot dusver niet, maar dat moet echt gaan veranderen. Wat een goede band is dit en wat is dit nieuwe album sterk.
De Britse band The Equatorial Group leverde vorig jaar met Apricity een ijzersterk album af. Het officiële debuut van de band uit het Britse Eastbourne klonk verrassend Amerikaans en herinnerde zowel aan de hoogtijdagen van de Amerikaanse countryrock en alt-country als aan de perfecte pop van Fleetwood Mac, maar dan wel met een rootsy twist.
Apricity klonk alsof Fleetwood Mac halverwege de jaren 70 een verkeerde afslag had genomen en in plaats van in Los Angeles in de woestijn van California of Arizona was terecht gekomen. Het is een omschrijving die ook weer van toepassing is op het nieuwe album van de Britse band.
Ook op Falling Sands verrast The Equatorial Group met ruimtelijk klinkende Amerikaanse rootsmuziek en een goed gevoel voor perfecte popliedjes. Het nieuwe album van de Britse band gaat verder waar Apricity bijna anderhalf jaar geleden ophield, maar zet ook een aantal stappen.
Falling Sands werd in slechts drie dagen opgenomen, maar dat is niet te horen. Ook het nieuwe album van The Equatorial Group klinkt prachtig en vult de ruimte met warme en beeldende klanken. Ik was vorig jaar zeer gecharmeerd van het snarenwerk van de Britse band en van de zang van Helen Weeks en beiden keren op Falling Sands prominent terug.
Zeker wanneer wordt gekozen voor ingetogen songs en Helen Weeks de zang voor haar rekening mag nemen, hoor ik raakvlakken met bands als Cowboy Junkies en 10,000 Maniacs en dat is vergelijkingsmateriaal waarvoor The Equatorial Group zich niet hoeft te schamen. Ook met de songs waarin wordt gekozen voor mannelijke vocalen is overigens niets mis, zeker niet wanneer Helen Weeks tekent voor fraaie harmonieën.
Vergeleken met Apricity klinkt Falling Sands nog wat veelzijdiger en smaakvoller en is de Britse band wat verder opgeschoven richting een eigen geluid met wat dieper gravende songs. Het is een geluid dat meer aandacht verdient dan het vorige album van The Equatorial Group uiteindelijk kreeg.
Falling Sands staat vol met songs die ik na één keer horen wilde koesteren. Deels vanwege het prachtige ruimtelijke geluid van de band met hier en daar een fraaie hoofdrol voor de pedal steel, deels vanwege de prachtige stem van Helen Weeks en deels vanwege het mooie evenwicht tussen roots en pop op het album. The Equatorial Group klinkt ook op Falling Sands weer vooral Amerikaans, maar het steekt de meeste Amerikaanse bands in het genre moeiteloos naar de kroon.
Net als Apricity is ook Falling Sands geen album dat zich heel nadrukkelijk opdringt wanneer je de band niet kent, maar wanneer je eenmaal bent gevallen voor de muziek van de Britse band, wint ook het nieuwe album van The Equatorial Group snel aan kracht. De songs van de Britse band blijken keer op keer knap in elkaar te steken en vol fraaie nuances te zitten, maar ondertussen voelen de songs op Falling Sands ook stuk voor stuk aan als een warm bad.
Het is een paar dagen na de release nog redelijk stil rond het nieuwe album van The Equatorial Group, maar Falling Sands verdient, net als zijn voorganger, alle aandacht. Apricity ontdekte ik vorig jaar nog min of meer bij toeval, maar met het nieuwe album schaart de band zich wat mij betreft onder de smaakmakers binnen de Britse (en Amerikaanse) rootspop. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Equatorial Group - Falling Sands - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Equatorial Group - Falling Sands
The Equatorial Group imponeerde vorig jaar met een onverwachte jaarlijstjesplaat en herhaalt dit kunstje op de eveneens prachtige opvolger
Apricity van de Britse band The Equatorial Group klonk vorig jaar als Fleetwood Mac dat halverwege de jaren 70 de afslag richting Amerikaanse rootsmuziek had genomen. Het leverde een verrassend sterk album op, dat uiteindelijk terecht mijn jaarlijstje haalde. Opvolger Falling Sands trekt de lijn van de voorganger door en is nog net wat overtuigender. De songs van de Britse band zijn nog net zo mooi en ruimtelijk, maar graven ook net wat dieper, wat de muziek van The Equatorial Group nog wat interessanter maakt. Heel veel aandacht trekt de band tot dusver niet, maar dat moet echt gaan veranderen. Wat een goede band is dit en wat is dit nieuwe album sterk.
De Britse band The Equatorial Group leverde vorig jaar met Apricity een ijzersterk album af. Het officiële debuut van de band uit het Britse Eastbourne klonk verrassend Amerikaans en herinnerde zowel aan de hoogtijdagen van de Amerikaanse countryrock en alt-country als aan de perfecte pop van Fleetwood Mac, maar dan wel met een rootsy twist.
Apricity klonk alsof Fleetwood Mac halverwege de jaren 70 een verkeerde afslag had genomen en in plaats van in Los Angeles in de woestijn van California of Arizona was terecht gekomen. Het is een omschrijving die ook weer van toepassing is op het nieuwe album van de Britse band.
Ook op Falling Sands verrast The Equatorial Group met ruimtelijk klinkende Amerikaanse rootsmuziek en een goed gevoel voor perfecte popliedjes. Het nieuwe album van de Britse band gaat verder waar Apricity bijna anderhalf jaar geleden ophield, maar zet ook een aantal stappen.
Falling Sands werd in slechts drie dagen opgenomen, maar dat is niet te horen. Ook het nieuwe album van The Equatorial Group klinkt prachtig en vult de ruimte met warme en beeldende klanken. Ik was vorig jaar zeer gecharmeerd van het snarenwerk van de Britse band en van de zang van Helen Weeks en beiden keren op Falling Sands prominent terug.
Zeker wanneer wordt gekozen voor ingetogen songs en Helen Weeks de zang voor haar rekening mag nemen, hoor ik raakvlakken met bands als Cowboy Junkies en 10,000 Maniacs en dat is vergelijkingsmateriaal waarvoor The Equatorial Group zich niet hoeft te schamen. Ook met de songs waarin wordt gekozen voor mannelijke vocalen is overigens niets mis, zeker niet wanneer Helen Weeks tekent voor fraaie harmonieën.
Vergeleken met Apricity klinkt Falling Sands nog wat veelzijdiger en smaakvoller en is de Britse band wat verder opgeschoven richting een eigen geluid met wat dieper gravende songs. Het is een geluid dat meer aandacht verdient dan het vorige album van The Equatorial Group uiteindelijk kreeg.
Falling Sands staat vol met songs die ik na één keer horen wilde koesteren. Deels vanwege het prachtige ruimtelijke geluid van de band met hier en daar een fraaie hoofdrol voor de pedal steel, deels vanwege de prachtige stem van Helen Weeks en deels vanwege het mooie evenwicht tussen roots en pop op het album. The Equatorial Group klinkt ook op Falling Sands weer vooral Amerikaans, maar het steekt de meeste Amerikaanse bands in het genre moeiteloos naar de kroon.
Net als Apricity is ook Falling Sands geen album dat zich heel nadrukkelijk opdringt wanneer je de band niet kent, maar wanneer je eenmaal bent gevallen voor de muziek van de Britse band, wint ook het nieuwe album van The Equatorial Group snel aan kracht. De songs van de Britse band blijken keer op keer knap in elkaar te steken en vol fraaie nuances te zitten, maar ondertussen voelen de songs op Falling Sands ook stuk voor stuk aan als een warm bad.
Het is een paar dagen na de release nog redelijk stil rond het nieuwe album van The Equatorial Group, maar Falling Sands verdient, net als zijn voorganger, alle aandacht. Apricity ontdekte ik vorig jaar nog min of meer bij toeval, maar met het nieuwe album schaart de band zich wat mij betreft onder de smaakmakers binnen de Britse (en Amerikaanse) rootspop. Erwin Zijleman
The Equatorial Group - Sea (2023)

4,0
0
geplaatst: 28 september 2023, 15:57 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Equatorial Group - Sea - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Equatorial Group - Sea
De Britse band The Equatorial Group levert met Sea haar derde uitstekende album op rij af en slaagt er wederom in om Amerikaanse rootsmuziek prachtig te laten samenvloeien met tijdloze popmuziek
Met Apricity en Falling Sands heeft de Britse band The Equatorial Group al twee albums op haar naam staan die niet misstonden in jaarlijstjes. Het onlangs verschenen Sea bleek een serieuze horde, want de band werkte maar liefst drie jaar aan haar derde album. Het resultaat is er naar, want Sea doet niet onder voor zijn twee voorgangers en maakt indruk met een mooie mix van Amerikaanse rootsmuziek en zonnige popmuziek. In muzikaal opzicht klinkt het allemaal heerlijk, met een eervolle vermelding voor het gitaarwerk, en ook in vocaal opzicht kan de band met een aantal mooie mannenstemmen en een prachtige vrouwenstem aan boord prima uit de voeten. Geweldige band, heerlijk album.
De vorige twee albums van de Britse band The Equatorial Group, Apricity uit 2018 en Falling Sands uit 2019, omschreef ik op de krenten uit de pop als albums die Fleetwood Mac zou hebben gemaakt als het begin jaren 70 een verkeerde afslag had genomen en in plaats van in Los Angeles in de woestijn van California of Arizona was terecht gekomen. The Equatorial Group had op haar eerste twee albums een uitstekend gevoel voor lekker in het gehoor liggende popliedjes, maar verwerkte naast invloeden uit de pop ook flink wat invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek in haar muziek, wat een zeer aangenaam geluid opleverde.
Het leverde twee geweldige albums op, die helaas niet zoveel aandacht kregen als ze verdienden. Dat geldt helaas ook weer voor het deze maand verschenen Sea, want vooralsnog blijft het behoorlijk stil rond het derde album van The Equatorial Group, al heeft dat vast ook te maken met het feit dat Google bij zoeken vooral links naar studies over het opwarmen van de oceanen rond de evenaar presenteert. Met de kwaliteit van het album heeft het gebrek aan aandacht in ieder geval niets te maken, want ook op Sea steekt de band uit het Britse Eastbourne in een blakende vorm.
De band heeft de tijd genomen voor haar derde album en nam Sea, mede door de beperkingen van de coronapandemie, gedurende een periode van maar liefst drie jaar op in de huizen van de bandleden en in repetitieruimtes. Het bewijst maar weer eens dat je tegenwoordig geen dure studio meer nodig hebt om een goed klinkend album te maken, want het derde album van The Equatorial Group klinkt echt fantastisch.
Ook Sea klinkt weer als een album dat Fleetwood Mac zou hebben gemaakt als het in haar hoogtijdagen meer invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek had toegelaten in haar muziek. The Equatorial Group heeft zich absoluut laten inspireren door de tijdloze popsongs van Fleetwood Mac en haar tijdgenoten, maar kan ook de Americana niet los laten. Het is een combinatie die geweldig uitwerkt.
De band beschikt over meerdere goede stemmen en maakt daar op Sea stevig gebruik van. Dat is aan de ene kant jammer, want persoonlijk veer ik vooral op wanneer zangeres Helen Weeks de leadzang voor haar rekening neemt, maar aan de andere kant zorgt het afwisselen van mannen- en vrouwenstemmen wel voor wat meer variatie, net als Fleetwood Mac dat deed op haar beste albums.
In vocaal opzicht is Sea een prima album, want ook de mannelijke bandgenoten zingen uitstekend, maar ook in muzikaal opzicht staat het album als een huis, waarbij dit keer vooral het gitaarwerk opvalt. Dit gitaarwerk is af en toe net wat gruiziger dan op de vorige twee albums en neemt hier en daar de tijd voor solo’s en dat bevalt me wel. Het gitaarwerk wordt hier en daar mooi aangevuld door de door zangeres Helen Weeks bespeelde pedal steel, die het geluid van de band wat meer de kant van de Amerikaanse rootsmuziek op trekt, terwijl synths de songs van The Equatorial Group een aangename popinjectie geven.
Ook met Sea heeft The Equatorial Group weer een album gemaakt dat direct bij eerste beluistering vertrouwd klink en dat is een bijzondere gave. Net als de vorige albums van de Britse band wordt ook Sea bovendien beter bij herhaalde beluistering, wat een extra reden is om ook dit derde album van de Britse band van harte aan te bevelen. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Equatorial Group - Sea - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Equatorial Group - Sea
De Britse band The Equatorial Group levert met Sea haar derde uitstekende album op rij af en slaagt er wederom in om Amerikaanse rootsmuziek prachtig te laten samenvloeien met tijdloze popmuziek
Met Apricity en Falling Sands heeft de Britse band The Equatorial Group al twee albums op haar naam staan die niet misstonden in jaarlijstjes. Het onlangs verschenen Sea bleek een serieuze horde, want de band werkte maar liefst drie jaar aan haar derde album. Het resultaat is er naar, want Sea doet niet onder voor zijn twee voorgangers en maakt indruk met een mooie mix van Amerikaanse rootsmuziek en zonnige popmuziek. In muzikaal opzicht klinkt het allemaal heerlijk, met een eervolle vermelding voor het gitaarwerk, en ook in vocaal opzicht kan de band met een aantal mooie mannenstemmen en een prachtige vrouwenstem aan boord prima uit de voeten. Geweldige band, heerlijk album.
De vorige twee albums van de Britse band The Equatorial Group, Apricity uit 2018 en Falling Sands uit 2019, omschreef ik op de krenten uit de pop als albums die Fleetwood Mac zou hebben gemaakt als het begin jaren 70 een verkeerde afslag had genomen en in plaats van in Los Angeles in de woestijn van California of Arizona was terecht gekomen. The Equatorial Group had op haar eerste twee albums een uitstekend gevoel voor lekker in het gehoor liggende popliedjes, maar verwerkte naast invloeden uit de pop ook flink wat invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek in haar muziek, wat een zeer aangenaam geluid opleverde.
Het leverde twee geweldige albums op, die helaas niet zoveel aandacht kregen als ze verdienden. Dat geldt helaas ook weer voor het deze maand verschenen Sea, want vooralsnog blijft het behoorlijk stil rond het derde album van The Equatorial Group, al heeft dat vast ook te maken met het feit dat Google bij zoeken vooral links naar studies over het opwarmen van de oceanen rond de evenaar presenteert. Met de kwaliteit van het album heeft het gebrek aan aandacht in ieder geval niets te maken, want ook op Sea steekt de band uit het Britse Eastbourne in een blakende vorm.
De band heeft de tijd genomen voor haar derde album en nam Sea, mede door de beperkingen van de coronapandemie, gedurende een periode van maar liefst drie jaar op in de huizen van de bandleden en in repetitieruimtes. Het bewijst maar weer eens dat je tegenwoordig geen dure studio meer nodig hebt om een goed klinkend album te maken, want het derde album van The Equatorial Group klinkt echt fantastisch.
Ook Sea klinkt weer als een album dat Fleetwood Mac zou hebben gemaakt als het in haar hoogtijdagen meer invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek had toegelaten in haar muziek. The Equatorial Group heeft zich absoluut laten inspireren door de tijdloze popsongs van Fleetwood Mac en haar tijdgenoten, maar kan ook de Americana niet los laten. Het is een combinatie die geweldig uitwerkt.
De band beschikt over meerdere goede stemmen en maakt daar op Sea stevig gebruik van. Dat is aan de ene kant jammer, want persoonlijk veer ik vooral op wanneer zangeres Helen Weeks de leadzang voor haar rekening neemt, maar aan de andere kant zorgt het afwisselen van mannen- en vrouwenstemmen wel voor wat meer variatie, net als Fleetwood Mac dat deed op haar beste albums.
In vocaal opzicht is Sea een prima album, want ook de mannelijke bandgenoten zingen uitstekend, maar ook in muzikaal opzicht staat het album als een huis, waarbij dit keer vooral het gitaarwerk opvalt. Dit gitaarwerk is af en toe net wat gruiziger dan op de vorige twee albums en neemt hier en daar de tijd voor solo’s en dat bevalt me wel. Het gitaarwerk wordt hier en daar mooi aangevuld door de door zangeres Helen Weeks bespeelde pedal steel, die het geluid van de band wat meer de kant van de Amerikaanse rootsmuziek op trekt, terwijl synths de songs van The Equatorial Group een aangename popinjectie geven.
Ook met Sea heeft The Equatorial Group weer een album gemaakt dat direct bij eerste beluistering vertrouwd klink en dat is een bijzondere gave. Net als de vorige albums van de Britse band wordt ook Sea bovendien beter bij herhaalde beluistering, wat een extra reden is om ook dit derde album van de Britse band van harte aan te bevelen. Erwin Zijleman
The Equatorial Group - Sunseeker (2025)

4,0
0
geplaatst: 4 oktober 2025, 21:46 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: The Equatorial Group - Sunseeker - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Equatorial Group - Sunseeker
De Britse band The Equatorial Group is niet heel erg bekend en dat is jammer, want ook op haar vierde album maakt de band uit Sussex weer makkelijk indruk met muziek die ergens tussen Californische pop en roots in zit
Na Apricity, Falling Sands en Sea verwachte ik een uitstekend vierde album van de Britse band The Equatorial Group en die verwachting is uitgekomen bij beluistering van Sunseeker. Het geluid van de Britse band is inmiddels bekend, maar het vierde album van The Equatorial Group borduurt zeker niet fantasieloos voort op zijn drie voorgangers. De Britse band laat ook op Sunseeker weer invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek en invloeden van de jaren 70 albums van Fleetwood Mac horen, maar wat zitten de songs knap in elkaar en wat klinkt het zowel in vocaal als in muzikaal opzicht weer aangenaam. Hopelijk trekt de band met Sunseeker de aandacht die het zo verdient.
De naam klinkt misschien een beetje als de naam van een wat obscuur bedrijf of een dubieuze bedrijvengroep, maar achter The Equatorial Group gaat een Britse band schuil. Het is een band die de afgelopen jaren drie werkelijk uitstekende albums heeft uitgebracht, waardoor ik heel nieuwsgierig was naar het deze week verschenen Sunseeker.
Ik ontdekte de band uit het Britse Eastbourne in het voorjaar van 2018, toen het album Apricity verscheen. Apricity slaagde er in om internationaal de aandacht te trekken en kreeg een aantal zeer positieve recensies. Apricity bleek inderdaad een geweldig album en wat mij betreft was het zelfs een jaarlijstjeswaardig album. The Equatorial Group is een Britse band, maar op Apricity klonk de muziek van de band wat mij betreft vooral Amerikaans, met zowel invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek als invloeden uit de Californische pop van bijvoorbeeld Fleetwood Mac.
Apricity werd in 2019 gevolgd door Falling Sands, dat ik bijna net zo mooi vond en dat bij mij ook associaties opriep met de muziek van Cowboy Junkies en 10,000 Maniacs. Na Falling Sands was het een tijdje stil rond The Equatorial Group, maar in 2023 verscheen het tijdens de coronapandemie opgenomen Sea, dat net als zijn twee voorgangers van hoog niveau was en dat weer een wat hoger Fleetwood Mac gehalte had.
Deze week is de opvolger van Sea verschenen en ook Sunseeker is weer een album dat veel meer aandacht verdient dan de muziek van The Equatorial Group tot dusver krijgt. In muzikaal opzicht is er niet zo gek veel veranderd. Ook Sunseeker herinnert weer meer dan eens aan de muziek die Fleetwood Mac halverwege de jaren 70 maakte, al is het wel Fleetwood Mac dat niet in Los Angeles maar in Nashville is neergestreken.
De associaties met de muziek van Fleetwood Mac worden versterkt door het feit dat The Equatorial beschikt over zowel mooie vrouwenstemmen als aansprekende mannenstemmen. Als groot liefhebber van vrouwenstemmen veer ik vooral op als Helen Weeks, die overigens ook tekent voor bijdragen van gitaren en de pedal steel, plaats neemt achter de microfoon en dat is gelukkig heel vaak het geval, maar ook de zang van de mannelijke leden van de band zijn zeer de moeite waard.
De associaties met de muziek van Fleetwood Mac dringen zich vooral op bij het horen van het gitaarwerk en bij beluistering van de mooie koortjes op het album, maar Sunseeker is ook zeker een rootsalbum. Het is een album dat absoluut in de smaak moet kunnen vallen bij een breed publiek, want zowel in muzikaal als in vocaal opzicht klinkt het weer bijzonder lekker, waarbij vooral het gitaarwerk en de stem van Helen Weeks opvallen, en ook de songs van de Britse band spreken makkelijk aan.
Ik hou wel van het Fleetwood Mac sfeertje in de muziek van The Equatorial Group, maar de Britse band is zeker niet blijven steken in het verleden en laat ook op haar vierde album weer een frisse mix van roots en pop horen. Het is een mix die aan de ene kant heerlijk loom en laidback klinkt, maar de band uit Sussex maakt ook muziek die knap in elkaar zit en niet bang is voor verrassende wendingen.
Ik kreeg het album een paar weken geleden al toegestuurd, waardoor Sunseeker inmiddels vertrouwd klinkt, maar ik ben nog lang niet uitgekeken op het vierde album van The Equatorial Group, dat zeker niet onder doet voor zijn drie uitstekende voorgangers. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: The Equatorial Group - Sunseeker - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Equatorial Group - Sunseeker
De Britse band The Equatorial Group is niet heel erg bekend en dat is jammer, want ook op haar vierde album maakt de band uit Sussex weer makkelijk indruk met muziek die ergens tussen Californische pop en roots in zit
Na Apricity, Falling Sands en Sea verwachte ik een uitstekend vierde album van de Britse band The Equatorial Group en die verwachting is uitgekomen bij beluistering van Sunseeker. Het geluid van de Britse band is inmiddels bekend, maar het vierde album van The Equatorial Group borduurt zeker niet fantasieloos voort op zijn drie voorgangers. De Britse band laat ook op Sunseeker weer invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek en invloeden van de jaren 70 albums van Fleetwood Mac horen, maar wat zitten de songs knap in elkaar en wat klinkt het zowel in vocaal als in muzikaal opzicht weer aangenaam. Hopelijk trekt de band met Sunseeker de aandacht die het zo verdient.
De naam klinkt misschien een beetje als de naam van een wat obscuur bedrijf of een dubieuze bedrijvengroep, maar achter The Equatorial Group gaat een Britse band schuil. Het is een band die de afgelopen jaren drie werkelijk uitstekende albums heeft uitgebracht, waardoor ik heel nieuwsgierig was naar het deze week verschenen Sunseeker.
Ik ontdekte de band uit het Britse Eastbourne in het voorjaar van 2018, toen het album Apricity verscheen. Apricity slaagde er in om internationaal de aandacht te trekken en kreeg een aantal zeer positieve recensies. Apricity bleek inderdaad een geweldig album en wat mij betreft was het zelfs een jaarlijstjeswaardig album. The Equatorial Group is een Britse band, maar op Apricity klonk de muziek van de band wat mij betreft vooral Amerikaans, met zowel invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek als invloeden uit de Californische pop van bijvoorbeeld Fleetwood Mac.
Apricity werd in 2019 gevolgd door Falling Sands, dat ik bijna net zo mooi vond en dat bij mij ook associaties opriep met de muziek van Cowboy Junkies en 10,000 Maniacs. Na Falling Sands was het een tijdje stil rond The Equatorial Group, maar in 2023 verscheen het tijdens de coronapandemie opgenomen Sea, dat net als zijn twee voorgangers van hoog niveau was en dat weer een wat hoger Fleetwood Mac gehalte had.
Deze week is de opvolger van Sea verschenen en ook Sunseeker is weer een album dat veel meer aandacht verdient dan de muziek van The Equatorial Group tot dusver krijgt. In muzikaal opzicht is er niet zo gek veel veranderd. Ook Sunseeker herinnert weer meer dan eens aan de muziek die Fleetwood Mac halverwege de jaren 70 maakte, al is het wel Fleetwood Mac dat niet in Los Angeles maar in Nashville is neergestreken.
De associaties met de muziek van Fleetwood Mac worden versterkt door het feit dat The Equatorial beschikt over zowel mooie vrouwenstemmen als aansprekende mannenstemmen. Als groot liefhebber van vrouwenstemmen veer ik vooral op als Helen Weeks, die overigens ook tekent voor bijdragen van gitaren en de pedal steel, plaats neemt achter de microfoon en dat is gelukkig heel vaak het geval, maar ook de zang van de mannelijke leden van de band zijn zeer de moeite waard.
De associaties met de muziek van Fleetwood Mac dringen zich vooral op bij het horen van het gitaarwerk en bij beluistering van de mooie koortjes op het album, maar Sunseeker is ook zeker een rootsalbum. Het is een album dat absoluut in de smaak moet kunnen vallen bij een breed publiek, want zowel in muzikaal als in vocaal opzicht klinkt het weer bijzonder lekker, waarbij vooral het gitaarwerk en de stem van Helen Weeks opvallen, en ook de songs van de Britse band spreken makkelijk aan.
Ik hou wel van het Fleetwood Mac sfeertje in de muziek van The Equatorial Group, maar de Britse band is zeker niet blijven steken in het verleden en laat ook op haar vierde album weer een frisse mix van roots en pop horen. Het is een mix die aan de ene kant heerlijk loom en laidback klinkt, maar de band uit Sussex maakt ook muziek die knap in elkaar zit en niet bang is voor verrassende wendingen.
Ik kreeg het album een paar weken geleden al toegestuurd, waardoor Sunseeker inmiddels vertrouwd klinkt, maar ik ben nog lang niet uitgekeken op het vierde album van The Equatorial Group, dat zeker niet onder doet voor zijn drie uitstekende voorgangers. Erwin Zijleman
The Essex Green - Hardly Electronic (2018)

4,0
1
geplaatst: 7 juli 2018, 10:17 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Essex Green - Hardly Electronic - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Essex Green kwam op deze BLOG nog niet eerder langs, terwijl ik de vorige drie platen van de band uit Brooklyn, New York, zeer kon waarderen. Toch wel enigszins tot mijn verbazing stamde het laatste wapenfeit van de band tot voor kort uit 2006, maar gelukkig is The Essex Green terug.
In mijn herinnering maakte de band op Everything Is Green uit 1999, The Long Goodbye uit 2003 en Cannibal Sea uit 2006 een onweerstaanbaar zonnige mix van psychedelica, West Coast pop, soft rock, chamber pop, folk, country en indiepop en dat is een mix die het uitstekend doet bij de zomerse temperaturen van het moment.
Het was zeker tien jaar geleden dat ik voor het laatst luisterde naar de muziek van de Amerikaanse band, maar hun nieuwe plaat, Hardly Electronic, had echt maar een paar noten nodig om me te overtuigen. Ook op hun vierde plaat strooit The Essex Green immers met geweldige popliedjes en het zijn stuk voor stuk popliedjes die de zon nog net wat feller laten schijnen.
Net als op haar vorige platen kijkt The Essex Green op Hardly Electronic niet op een invloed of inspiratiebron meer of minder. De band wordt op Allmusic.com vooral vergeleken met een hele batterij wat obscuurdere bands, maar als ik luister naar de nieuwe plaat van de band blijf ik invloeden herkennen. The Mamas And The Papas, The Bangles, Lush, Neutral Milk Hotel, The Beatles, The Carpenters, 10cc, The New Pornographers; het zijn maar een paar van de vele namen die op komen wanneer ik naar de nieuwe plaat van The Essex Green luister. Hier moet ik absoluut de namen van Belle And Sebastian en Camera Obscura toevoegen, want de band uit New York heeft net als de Schotse voorbeelden een zwak voor lekker vol klinkende en bitterzoete indiepop.
The Essex Green gooit alle hierboven genoemde invloeden op één hoop en mengt er vervolgens nog van alles doorheen. De band klinkt het ene moment zonnig en opgewekt, maar klinkt net zo makkelijk donker en melancholiek. Ook qua tempo kan het alle kanten op en hetzelfde geldt voor de instrumentatie en de vocalen (die worden gedragen door zanger Chris Ziter of zangeres Sasha Bell).
Hardly Electronic van The Essex Green springt ook nog eens kris kras door een aantal decennia popmuziek, wat het veelkleurige karakter van de muziek van de band nog eens verder versterkt. Het is razend knap dat een band zoveel invloeden kan verwerken in haar muziek, maar nog steeds een herkenbaar eigen geluid kan hebben. Het is nog veel knapper dat The Essex Green er in slaagt om een serie songs te produceren die het oor niet alleen bijzonder aangenaam strelen, maar er ook in slagen om de fantasie genadeloos te prikkelen.
Eigenzinnig en aanstekelijk gaan op Hardly Electronic hand in hand en zorgen er voor dat de vierde plaat van de band uit Brooklyn bij iedere beluistering nog net wat lekkerder, indrukwekkender en verslavender klinkt. Nu de plaat voor de zoveelste keer uit de speakers komt hoor ik weer totaal andere invloeden dan de invloeden die ik hierboven heb genoemd en ben ik nog wat gekker op de geweldige popliedjes van deze al weer bijna vergeten band. Nog een soundtrack voor een prachtige maar ook avontuurlijke zomer. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Essex Green - Hardly Electronic - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Essex Green kwam op deze BLOG nog niet eerder langs, terwijl ik de vorige drie platen van de band uit Brooklyn, New York, zeer kon waarderen. Toch wel enigszins tot mijn verbazing stamde het laatste wapenfeit van de band tot voor kort uit 2006, maar gelukkig is The Essex Green terug.
In mijn herinnering maakte de band op Everything Is Green uit 1999, The Long Goodbye uit 2003 en Cannibal Sea uit 2006 een onweerstaanbaar zonnige mix van psychedelica, West Coast pop, soft rock, chamber pop, folk, country en indiepop en dat is een mix die het uitstekend doet bij de zomerse temperaturen van het moment.
Het was zeker tien jaar geleden dat ik voor het laatst luisterde naar de muziek van de Amerikaanse band, maar hun nieuwe plaat, Hardly Electronic, had echt maar een paar noten nodig om me te overtuigen. Ook op hun vierde plaat strooit The Essex Green immers met geweldige popliedjes en het zijn stuk voor stuk popliedjes die de zon nog net wat feller laten schijnen.
Net als op haar vorige platen kijkt The Essex Green op Hardly Electronic niet op een invloed of inspiratiebron meer of minder. De band wordt op Allmusic.com vooral vergeleken met een hele batterij wat obscuurdere bands, maar als ik luister naar de nieuwe plaat van de band blijf ik invloeden herkennen. The Mamas And The Papas, The Bangles, Lush, Neutral Milk Hotel, The Beatles, The Carpenters, 10cc, The New Pornographers; het zijn maar een paar van de vele namen die op komen wanneer ik naar de nieuwe plaat van The Essex Green luister. Hier moet ik absoluut de namen van Belle And Sebastian en Camera Obscura toevoegen, want de band uit New York heeft net als de Schotse voorbeelden een zwak voor lekker vol klinkende en bitterzoete indiepop.
The Essex Green gooit alle hierboven genoemde invloeden op één hoop en mengt er vervolgens nog van alles doorheen. De band klinkt het ene moment zonnig en opgewekt, maar klinkt net zo makkelijk donker en melancholiek. Ook qua tempo kan het alle kanten op en hetzelfde geldt voor de instrumentatie en de vocalen (die worden gedragen door zanger Chris Ziter of zangeres Sasha Bell).
Hardly Electronic van The Essex Green springt ook nog eens kris kras door een aantal decennia popmuziek, wat het veelkleurige karakter van de muziek van de band nog eens verder versterkt. Het is razend knap dat een band zoveel invloeden kan verwerken in haar muziek, maar nog steeds een herkenbaar eigen geluid kan hebben. Het is nog veel knapper dat The Essex Green er in slaagt om een serie songs te produceren die het oor niet alleen bijzonder aangenaam strelen, maar er ook in slagen om de fantasie genadeloos te prikkelen.
Eigenzinnig en aanstekelijk gaan op Hardly Electronic hand in hand en zorgen er voor dat de vierde plaat van de band uit Brooklyn bij iedere beluistering nog net wat lekkerder, indrukwekkender en verslavender klinkt. Nu de plaat voor de zoveelste keer uit de speakers komt hoor ik weer totaal andere invloeden dan de invloeden die ik hierboven heb genoemd en ben ik nog wat gekker op de geweldige popliedjes van deze al weer bijna vergeten band. Nog een soundtrack voor een prachtige maar ook avontuurlijke zomer. Erwin Zijleman
The Feelies - Crazy Rhythms (1980)

5,0
3
geplaatst: 1 januari 2023, 19:41 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Feelies - Crazy Rhythms (1980) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Feelies - Crazy Rhythms (1980)
De Amerikaanse band The Feelies was haar tijd ver vooruit op haar fantastische debuutalbum Crazy Rhythms uit 1980, dat ruim veertig jaar na de release nog minstens net zo fris en urgent klinkt
Crazy Rhythms van The Feelies was lange tijd een nergens verkrijgbaar cultalbum, maar inmiddels is het album uit 1980 gelukkig weer binnen ieders bereik. Het is een album dat in 1980 terecht de hemel werd in geprezen, maar de cultstatus ontsteeg de band er nauwelijks mee. Crazy Rhythms is nog altijd een fascinerend album met fantastisch gitaarwerk en stekelige songs. Het is een album vol invloeden uit de jaren 60 en 70, maar dan verpakt in de ruwe energie van de punk en new wave van de late jaren 70. Het is helaas een album dat bij het grote publiek onbekend is gebleven, maar Crazy Rhythms van The Feelies is wat mij betreft een onbetwiste klassieker.
Het is lastig om te zeggen wat mijn favoriete cultalbum aller tijden is, maar als ik een lijstje met mijn tien favoriete cultalbums moet maken staat Crazy Rhythms van The Feelies daar waarschijnlijk altijd in. De Amerikaanse band The Feelies werd halverwege de jaren 70 opgericht in New Jersey, maar de jaren 80 waren net begonnen toen het debuutalbum van de band, die inmiddels deel uit maakte van de underground scene van New York, verscheen.
Ik weet niet meer wie of wat mij destijds op het spoor van het album zette, maar ik weet nog wel dat alles aan Crazy Rhythms me direct hopeloos intrigeerde. Allereerst de hoes met de wat nerdy types op de cover en vervolgens een aantal van de songtitels, maar The Feelies maakten de meeste indruk met hun muziek. De meeste songs op Crazy Rhythms bevatten inderdaad bijzondere en wat springerige ritmes, maar het was het gitaarwerk op het album dat op mij de meeste indruk maakte. Het is van dat heerlijk jengelende gitaarwerk dat pas gedurende de jaren 90 echt populair zou worden, maar Crazy Rhythms staat ook vol met wonderschone gitaarlijnen en puntige solo’s.
Het gitaarwerk was voor mij het meest aansprekende onderdeel van de muziek van The Feelies, maar er viel veel meer te genieten op het debuutalbum van de Amerikaanse band. De songs op Crazy Rhythms klonken anders dan vrijwel alles dat ik in 1980 had gehoord, al maakte de band geen groot geheim van haar belangrijkste inspiratiebronnen. Crazy Rhythms had niet gemaakt kunnen worden zonder het voorwerk van Television, Talking Heads, The Velvet Underground en The Modern Lovers, maar zeker met de oren van nu zijn er nog veel meer invloeden te horen op het debuutalbum van The Feelies.
Crazy Rhythms was, zeker in 1980, een vat vol tegenstrijdigheden. De songs van de band waren soms rechttoe en rechtaan en toegankelijk, maar de band zocht ook het experiment in navelstarende passages. Crazy Rhythms was absoluut beïnvloed door de ruwe energie van de punk en new wave, maar The Feelies schaamden zich ook zeker niet voor alles dat voor de geboorte van de punk werd gemaakt.
Crazy Rhythms werd in 1980 de hemel in geprezen, maar het werd ook al snel een cultalbum en bovendien een cultalbum dat nauwelijks meer te krijgen was. Dat veranderde eigenlijk pas in 2009 toen het album eindelijk opnieuw werd uitgebracht, waarna nog een release op de streaming media diensten volgde. Voor de originele versie op vinyl moet inmiddels overigens flink in de buidel worden getast.
The Feelies zouden veel later in de jaren 80 nog twee albums maken, waarna het na een album aan het begin van de jaren 90 stil werd rond de band. In 2011 en 2017 volgden nog twee albums, maar geen van de latere albums van The Feelies zorgde voor dezelfde magische luisterervaring als Crazy Rhythms.
Het bijzondere is dat de acht eigen songs van de band en de bijzondere Beatles cover Everybody's Got Something To Hide Except Me And My Monkey ruim veertig jaar later nog net zo fris klinken als op de dag van de release. Crazy Rhythms is haar tijd ook aan het begin van 2023 nog ver vooruit en op hetzelfde moment is het een album dat ongelooflijk veel invloed heeft gehad op de popmuziek in met name de jaren 90, waarbij bijvoorbeeld gedacht moet worden aan R.E.M. (fun fact: R.E.M. gitarist Peter Buck produceerde in 1986 het tweede album van The Feelies).
Het was best een tijd geleden dat ik naar het debuutalbum van The Feelies had geluisterd, maar ik vond het direct weer een fantastisch album en bij herhaalde beluistering wordt het debuut van The Feelies alleen maar beter. Zoals gezegd een van mijn favoriete cultalbums, maar ook absoluut een klassieker uit de geschiedenis van de popmuziek. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Feelies - Crazy Rhythms (1980) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Feelies - Crazy Rhythms (1980)
De Amerikaanse band The Feelies was haar tijd ver vooruit op haar fantastische debuutalbum Crazy Rhythms uit 1980, dat ruim veertig jaar na de release nog minstens net zo fris en urgent klinkt
Crazy Rhythms van The Feelies was lange tijd een nergens verkrijgbaar cultalbum, maar inmiddels is het album uit 1980 gelukkig weer binnen ieders bereik. Het is een album dat in 1980 terecht de hemel werd in geprezen, maar de cultstatus ontsteeg de band er nauwelijks mee. Crazy Rhythms is nog altijd een fascinerend album met fantastisch gitaarwerk en stekelige songs. Het is een album vol invloeden uit de jaren 60 en 70, maar dan verpakt in de ruwe energie van de punk en new wave van de late jaren 70. Het is helaas een album dat bij het grote publiek onbekend is gebleven, maar Crazy Rhythms van The Feelies is wat mij betreft een onbetwiste klassieker.
Het is lastig om te zeggen wat mijn favoriete cultalbum aller tijden is, maar als ik een lijstje met mijn tien favoriete cultalbums moet maken staat Crazy Rhythms van The Feelies daar waarschijnlijk altijd in. De Amerikaanse band The Feelies werd halverwege de jaren 70 opgericht in New Jersey, maar de jaren 80 waren net begonnen toen het debuutalbum van de band, die inmiddels deel uit maakte van de underground scene van New York, verscheen.
Ik weet niet meer wie of wat mij destijds op het spoor van het album zette, maar ik weet nog wel dat alles aan Crazy Rhythms me direct hopeloos intrigeerde. Allereerst de hoes met de wat nerdy types op de cover en vervolgens een aantal van de songtitels, maar The Feelies maakten de meeste indruk met hun muziek. De meeste songs op Crazy Rhythms bevatten inderdaad bijzondere en wat springerige ritmes, maar het was het gitaarwerk op het album dat op mij de meeste indruk maakte. Het is van dat heerlijk jengelende gitaarwerk dat pas gedurende de jaren 90 echt populair zou worden, maar Crazy Rhythms staat ook vol met wonderschone gitaarlijnen en puntige solo’s.
Het gitaarwerk was voor mij het meest aansprekende onderdeel van de muziek van The Feelies, maar er viel veel meer te genieten op het debuutalbum van de Amerikaanse band. De songs op Crazy Rhythms klonken anders dan vrijwel alles dat ik in 1980 had gehoord, al maakte de band geen groot geheim van haar belangrijkste inspiratiebronnen. Crazy Rhythms had niet gemaakt kunnen worden zonder het voorwerk van Television, Talking Heads, The Velvet Underground en The Modern Lovers, maar zeker met de oren van nu zijn er nog veel meer invloeden te horen op het debuutalbum van The Feelies.
Crazy Rhythms was, zeker in 1980, een vat vol tegenstrijdigheden. De songs van de band waren soms rechttoe en rechtaan en toegankelijk, maar de band zocht ook het experiment in navelstarende passages. Crazy Rhythms was absoluut beïnvloed door de ruwe energie van de punk en new wave, maar The Feelies schaamden zich ook zeker niet voor alles dat voor de geboorte van de punk werd gemaakt.
Crazy Rhythms werd in 1980 de hemel in geprezen, maar het werd ook al snel een cultalbum en bovendien een cultalbum dat nauwelijks meer te krijgen was. Dat veranderde eigenlijk pas in 2009 toen het album eindelijk opnieuw werd uitgebracht, waarna nog een release op de streaming media diensten volgde. Voor de originele versie op vinyl moet inmiddels overigens flink in de buidel worden getast.
The Feelies zouden veel later in de jaren 80 nog twee albums maken, waarna het na een album aan het begin van de jaren 90 stil werd rond de band. In 2011 en 2017 volgden nog twee albums, maar geen van de latere albums van The Feelies zorgde voor dezelfde magische luisterervaring als Crazy Rhythms.
Het bijzondere is dat de acht eigen songs van de band en de bijzondere Beatles cover Everybody's Got Something To Hide Except Me And My Monkey ruim veertig jaar later nog net zo fris klinken als op de dag van de release. Crazy Rhythms is haar tijd ook aan het begin van 2023 nog ver vooruit en op hetzelfde moment is het een album dat ongelooflijk veel invloed heeft gehad op de popmuziek in met name de jaren 90, waarbij bijvoorbeeld gedacht moet worden aan R.E.M. (fun fact: R.E.M. gitarist Peter Buck produceerde in 1986 het tweede album van The Feelies).
Het was best een tijd geleden dat ik naar het debuutalbum van The Feelies had geluisterd, maar ik vond het direct weer een fantastisch album en bij herhaalde beluistering wordt het debuut van The Feelies alleen maar beter. Zoals gezegd een van mijn favoriete cultalbums, maar ook absoluut een klassieker uit de geschiedenis van de popmuziek. Erwin Zijleman
The Feelies - In Between (2017)

4,5
1
geplaatst: 6 maart 2017, 15:08 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Feelies - In Between - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De uit Hoboken, New Jersey, afkomstige band The Feelies debuteerde in de lente van 1980 met het volstrekt briljante Crazy Rhythms.
Het was een plaat die het beste van de muziek van The Velvet Underground en Talking Heads leek te verenigen en imponeerde met stekelige gitaarsongs, een vleugje van het ongrijpbare van Jonathan Richman en (natuurlijk) krankzinnige ritmes.
Het was helaas ook een plaat die vooral door de critici de hemel in werd geprezen, maar niet werd opgepikt door een breed publiek.
The Feelies maakten gedurende de jaren 80 nog twee platen en aan het begin van de jaren 90 ook nog een, maar deze waren niet zo indrukwekkend als Crazy Rhythms (maar nog altijd de moeite waard) en trokken nog minder aandacht. In de jaren die volgden groeide Crazy Rhythms echter uit tot een nauwelijks verkrijgbare klassieker, waarvoor steeds hogere bedragen moesten worden betaald (ik telde er zelf ooit 80 dollar voor neer).
Toen The Feelies in 2011 weer opdoken met het sterke Here Before, was het briljante debuut van de band gelukkig weer gewoon verkrijgbaar en was ook het andere werk van de band te beluisteren via de streaming media. Hierop dook vorige week ook In Between op; het eerste levensteken van The Feelies in een jaar of zes.
De plaat begint een knisperend kampvuur, fluitende vogels en sjirpende krekels. Het is een voorteken van hetgeen dat komen gaat, want de gitaarmuziek van The Feelies is op In Between wat minder stekelig dan we van de band gewend zijn. Op In Between domineren akoestische gitaren, lome vocalen en zonnig klinkende songs. Dat ligt direct bijzonder lekker in het gehoor, maar van The Feelies verwacht je net wat meer.
Dat meer krijg je ook, want onder de warme deken van akoestische gitaren zit ook dit keer het zo bijzondere geluid van The Feelies verstopt. Gitaristen Glenn Mercer en Bill Million draaien ook dit keer hun repeterende gitaarloopjes op bijna onnavolgbare wijze in elkaar en waar het er in eerste instantie op lijkt dat In Between grossiert in zonnige klanken, hoor je bij herhaalde beluistering toch ook weer het stekelige dat alle platen van The Feelies typeert.
In Between is meer laid-back dan Crazy Rhythms en lijkt de invloeden van Talking Heads dit keer te hebben verruild voor invloeden van R.E.M, maar invloeden van The Velvet Underground zijn daarentegen gebleven, zeker wanneer het stekelige het warme en zonnige even overheerst.
Crazy Rhytms is uiteindelijk een baanbrekende en uiteindelijk ook invloedrijke plaat gebleken, maar ook ruim 35 jaar later maken The Feelies nog muziek die veel interessanter is dan die van de meeste andere gitaarbands. In Between begint misschien als kampvuurplaat, maar is uiteindelijk een plaat waarop The Feelies bijna net zoveel indruk maken als op hun onvolprezen debuut uit 1980. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Feelies - In Between - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De uit Hoboken, New Jersey, afkomstige band The Feelies debuteerde in de lente van 1980 met het volstrekt briljante Crazy Rhythms.
Het was een plaat die het beste van de muziek van The Velvet Underground en Talking Heads leek te verenigen en imponeerde met stekelige gitaarsongs, een vleugje van het ongrijpbare van Jonathan Richman en (natuurlijk) krankzinnige ritmes.
Het was helaas ook een plaat die vooral door de critici de hemel in werd geprezen, maar niet werd opgepikt door een breed publiek.
The Feelies maakten gedurende de jaren 80 nog twee platen en aan het begin van de jaren 90 ook nog een, maar deze waren niet zo indrukwekkend als Crazy Rhythms (maar nog altijd de moeite waard) en trokken nog minder aandacht. In de jaren die volgden groeide Crazy Rhythms echter uit tot een nauwelijks verkrijgbare klassieker, waarvoor steeds hogere bedragen moesten worden betaald (ik telde er zelf ooit 80 dollar voor neer).
Toen The Feelies in 2011 weer opdoken met het sterke Here Before, was het briljante debuut van de band gelukkig weer gewoon verkrijgbaar en was ook het andere werk van de band te beluisteren via de streaming media. Hierop dook vorige week ook In Between op; het eerste levensteken van The Feelies in een jaar of zes.
De plaat begint een knisperend kampvuur, fluitende vogels en sjirpende krekels. Het is een voorteken van hetgeen dat komen gaat, want de gitaarmuziek van The Feelies is op In Between wat minder stekelig dan we van de band gewend zijn. Op In Between domineren akoestische gitaren, lome vocalen en zonnig klinkende songs. Dat ligt direct bijzonder lekker in het gehoor, maar van The Feelies verwacht je net wat meer.
Dat meer krijg je ook, want onder de warme deken van akoestische gitaren zit ook dit keer het zo bijzondere geluid van The Feelies verstopt. Gitaristen Glenn Mercer en Bill Million draaien ook dit keer hun repeterende gitaarloopjes op bijna onnavolgbare wijze in elkaar en waar het er in eerste instantie op lijkt dat In Between grossiert in zonnige klanken, hoor je bij herhaalde beluistering toch ook weer het stekelige dat alle platen van The Feelies typeert.
In Between is meer laid-back dan Crazy Rhythms en lijkt de invloeden van Talking Heads dit keer te hebben verruild voor invloeden van R.E.M, maar invloeden van The Velvet Underground zijn daarentegen gebleven, zeker wanneer het stekelige het warme en zonnige even overheerst.
Crazy Rhytms is uiteindelijk een baanbrekende en uiteindelijk ook invloedrijke plaat gebleken, maar ook ruim 35 jaar later maken The Feelies nog muziek die veel interessanter is dan die van de meeste andere gitaarbands. In Between begint misschien als kampvuurplaat, maar is uiteindelijk een plaat waarop The Feelies bijna net zoveel indruk maken als op hun onvolprezen debuut uit 1980. Erwin Zijleman
The Felice Brothers - Favorite Waitress (2014)

4,0
0
geplaatst: 11 juni 2014, 13:59 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Felice Brothers - Favorite Waitress - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De broers Ian, James en Simone Felice, afkomstig uit de Catskill Mountains in de staat New York, doken pas acht jaar geleden voor het eerst op en slaagden er vervolgens met vier fantastische platen (in nog geen drie jaar tijd) in om de muziek van Bob Dylan en The Band te laten herleven.
De eerste platen van The Felice Brothers lieten zich stuk voor stuk beluisteren als remakes van Music From The Big Pink of The Basement Tapes, overigens zonder dat de muziek van de New Yorkers ook maar enigszins rook naar overbodige retro.
Op het precies drie jaar geleden verschenen Celebration, Florida, gooiden de broers Felice het roer opeens helemaal om. Celebration, Florida, verruilde de muziek vol rootsinvloeden uit een ver verleden voor een fris en eigentijds geluid, waarin zelfs plaats bleek voor invloeden uit de hiphop en synthpop. Ik vond en vind Celebration, Florida, een fantastische plaat, maar verlangde af en toe toch ook wel stiekem terug naar het meer roots georiënteerde geluid van The Felice Brothers.
Na Celebration, Florida, heeft drummer Simone de band verlaten, wat inmiddels twee aardige maar niet echt opzienbarende soloplaten heeft opgeleverd. Het werd zo langzamerhand echter ook wel tijd voor nieuw werk van de overgebleven broers Felice, die inmiddels nog wat extra muzikanten om zich heen hebben verzameld, onder wie violist Greg Farley, die meeschreef aan alle songs op de langverwachte nieuwe plaat.
Op Favorite Waitress laten The Felice Brothers de experimenteerdrift van Celebration, Florida, weer ver achter zich en keren ze terug naar het vertrouwde geluid van de eerste vier platen, overigens zonder dit heel nauwkeurig te reproduceren. Net als de eerste vier platen van The Felice Brothers, herinnert Favorite Waitress aan de platen van Bob Dylan en The Band (en vooral de platen die ze samen maakten), maar dit keer hoor ik ook regelmatig wat van Neil Young en van de bands die ooit aan de basis stonden van de alt-country, waaronder met name Uncle Tupelo en The Jayhawks.
Het lijkt, na het zo verrassende en vernieuwende Celebration, Florida, een stap terug voor de broers Felice, maar daarvan is geen sprake. Favorite Waitress borduurt misschien voort op de eerste vier platen van de band, maar klinkt ook een stuk eigentijdser en veelzijdiger. The Felice Brothers citeren op Favorite Waitress nadrukkelijk uit de archieven van de countryrock, maar gaan net zo makkelijk aan de haal met Ierse folkpunk (die direct zin in muziek van The Pogues opwekt) of met eigentijds klinkende Americana die nog maar zijdelings herinnert aan Music From The Big Pink of The Basement Tapes. Favorite Waitress bevat een aantal rechttoe rechtaan rocksongs, maar ook een aantal langzame en intense tracks die je langzaam maar zeker meeslepen in de wereld van The Felice Brothers.
Vergeleken met de eerste platen van de band klinkt Favorite Waitress lekker vol, waarbij de synths die Celebration, Florida, zo rijkelijk inkleurden zijn vervangen door vooral accordeon en viool, die zorgen voor een minstens even vol klankentapijt. Het past allemaal prachtig bij de rauwe strot van Ian Felice, die de afgelopen jaren alleen maar beter is gaan zingen.
Favorite Waitress is hierdoor uiteindelijk slechts ten dele een stap terug in de tijd. The Felice Brothers zetten op Favorite Waitress vooral een stap vooruit. Niet de grote stap in een totaal andere richting van de vorige plaat, maar een subtiele stap in de richting van een duidelijker eigen rootsgeluid. Favorite Waitress bevestigt de enorme klasse van The Felice Brothers en schaart de band wat mij betreft definitief onder de grote bands in het genre. Knappe plaat. Hele knappe plaat zelfs. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Felice Brothers - Favorite Waitress - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De broers Ian, James en Simone Felice, afkomstig uit de Catskill Mountains in de staat New York, doken pas acht jaar geleden voor het eerst op en slaagden er vervolgens met vier fantastische platen (in nog geen drie jaar tijd) in om de muziek van Bob Dylan en The Band te laten herleven.
De eerste platen van The Felice Brothers lieten zich stuk voor stuk beluisteren als remakes van Music From The Big Pink of The Basement Tapes, overigens zonder dat de muziek van de New Yorkers ook maar enigszins rook naar overbodige retro.
Op het precies drie jaar geleden verschenen Celebration, Florida, gooiden de broers Felice het roer opeens helemaal om. Celebration, Florida, verruilde de muziek vol rootsinvloeden uit een ver verleden voor een fris en eigentijds geluid, waarin zelfs plaats bleek voor invloeden uit de hiphop en synthpop. Ik vond en vind Celebration, Florida, een fantastische plaat, maar verlangde af en toe toch ook wel stiekem terug naar het meer roots georiënteerde geluid van The Felice Brothers.
Na Celebration, Florida, heeft drummer Simone de band verlaten, wat inmiddels twee aardige maar niet echt opzienbarende soloplaten heeft opgeleverd. Het werd zo langzamerhand echter ook wel tijd voor nieuw werk van de overgebleven broers Felice, die inmiddels nog wat extra muzikanten om zich heen hebben verzameld, onder wie violist Greg Farley, die meeschreef aan alle songs op de langverwachte nieuwe plaat.
Op Favorite Waitress laten The Felice Brothers de experimenteerdrift van Celebration, Florida, weer ver achter zich en keren ze terug naar het vertrouwde geluid van de eerste vier platen, overigens zonder dit heel nauwkeurig te reproduceren. Net als de eerste vier platen van The Felice Brothers, herinnert Favorite Waitress aan de platen van Bob Dylan en The Band (en vooral de platen die ze samen maakten), maar dit keer hoor ik ook regelmatig wat van Neil Young en van de bands die ooit aan de basis stonden van de alt-country, waaronder met name Uncle Tupelo en The Jayhawks.
Het lijkt, na het zo verrassende en vernieuwende Celebration, Florida, een stap terug voor de broers Felice, maar daarvan is geen sprake. Favorite Waitress borduurt misschien voort op de eerste vier platen van de band, maar klinkt ook een stuk eigentijdser en veelzijdiger. The Felice Brothers citeren op Favorite Waitress nadrukkelijk uit de archieven van de countryrock, maar gaan net zo makkelijk aan de haal met Ierse folkpunk (die direct zin in muziek van The Pogues opwekt) of met eigentijds klinkende Americana die nog maar zijdelings herinnert aan Music From The Big Pink of The Basement Tapes. Favorite Waitress bevat een aantal rechttoe rechtaan rocksongs, maar ook een aantal langzame en intense tracks die je langzaam maar zeker meeslepen in de wereld van The Felice Brothers.
Vergeleken met de eerste platen van de band klinkt Favorite Waitress lekker vol, waarbij de synths die Celebration, Florida, zo rijkelijk inkleurden zijn vervangen door vooral accordeon en viool, die zorgen voor een minstens even vol klankentapijt. Het past allemaal prachtig bij de rauwe strot van Ian Felice, die de afgelopen jaren alleen maar beter is gaan zingen.
Favorite Waitress is hierdoor uiteindelijk slechts ten dele een stap terug in de tijd. The Felice Brothers zetten op Favorite Waitress vooral een stap vooruit. Niet de grote stap in een totaal andere richting van de vorige plaat, maar een subtiele stap in de richting van een duidelijker eigen rootsgeluid. Favorite Waitress bevestigt de enorme klasse van The Felice Brothers en schaart de band wat mij betreft definitief onder de grote bands in het genre. Knappe plaat. Hele knappe plaat zelfs. Erwin Zijleman
The Felice Brothers - From Dreams to Dust (2021)

4,5
0
geplaatst: 22 september 2021, 16:18 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Felice Brothers - From Dreams To Dust - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Felice Brothers - From Dreams To Dust
From Dreams To Dust is alweer het tiende album van The Felice Brothers en het zoveelste album waarop de Amerikaanse band een eigen geluid neerzet zonder haar helden te verloochenen
Toen ik vijftien jaar geleden voor het eerst kennis maakte met de muziek van de broers Felice was ik direct verkocht. Sindsdien is de muziek van de Amerikaanse band alleen maar interessanter geworden. Het is muziek die zich af en toe stevig laat beïnvloeden door muziek uit het verre verleden, met Bob Dylan en The Band als muzikale helden, maar The Felice Brothers waren de afgelopen vijftien jaar ook niet vies van experiment en hebben uitvoerig gesleuteld aan een eigen geluid. Het is een geluid dat ook op het deze week verschenen From Dreams To Dust weer prachtig uitpakt met geweldige songs, aansprekende teksten altijd iets dat je niet had verwacht.
Het is bijna vijftien jaar geleden dat The Felice Brothers debuteerden met het fraaie Through These Reins And Gone. De band rond de broers Ian, James en Simone Felice verrasten vanuit de Catskill Mountains in de staat New York met muziek die stevig was geïnspireerd door het werk van The Band.
Zeker in de beginjaren waren de invloeden van The Band wel erg duidelijk hoorbaar in het werk van The Felice Brothers, maar na een aantal albums koos de band langzaam maar zeker voor een meer eigen geluid. Dat geluid schoot een totaal andere kant op op het experimentele Celebration, Florida uit 2011, maar na dit album keerden Ian en James Felice, zonder broer Simone, terug naar hun vertrouwde geluid, zonder te zwaar te leunen op de muziek van The Band.
Ook op het deze week verschenen From Dreams To Dust hoor je echo’s uit het verleden en zeker echo’s van de muziek die The Band maakte met Bob Dylan, maar inmiddels hoor ik toch vooral The Felice Brothers. From Dreams To Dust is de opvolger van het in de lente van 2019 verschenen Undress, dat ik persoonlijk een van de beste albums van The Felice Brothers tot dusver vind. De band bestaat naast Ian en James Felice inmiddels al een aantal jaren uit bassiste Jesske Hume en drummer Will Lawrence en klinkt op
From Dreams To Dust hecht. Het album werd geproduceerd door Mike Mogis, bekend van Bright Eyes en andere bands uit de muziekscene van Omaha, Nebraska, en misschien nog wel bekender als een van de huisproducers van het label Saddle Creek Records. Mike Mogis heeft het album fraai ingekleurd met organische klanken, waaraan hij zelf pedal steel heeft toegevoegd, terwijl Nathaniel Walcott tekende voor de bijdragen van de trompet.
From Dreams To Dust bevat een aantal tracks die dicht tegen de eerder genoemde inspiratiebronnen aanleunen, maar het album bevat ook een aantal sfeervolle en wat melancholisch aandoende tracks. In muzikaal opzicht klinkt het, dankzij het vakwerk van Mike Mogis allemaal prachtig en ook de zang op het album bevalt me zeer.
Het is zang waarvan je moet houden, want in een aantal tracks schuurt het dicht tegen de zang van Bob Dylan aan en ook van spoken word zijn de broers Felice niet vies en daar is niet iedereen gek op. Het zit me ook dit keer nergens in de weg, integendeel.
From Dreams To Dust klinkt in een aantal songs als een redelijk rechttoe rechtaan alt-country album, maar The Felice Brothers zoeken ook dit keer een paar keer het experiment, al is het lang niet zo extreem als op het eerder genoemde Celebration, Florida.
Het album volgt zoals gezegd op Undress, dat ik een van de beste albums van de band uit de Catskill Mountains vind, maar het nieuwe album doet er wat mij betreft niet voor onder. Op het tiende album van de band hoor je de enorme groei die The Felice Brothers de afgelopen tien jaar hebben doorgemaakt, hoor je het resultaat van een geslaagde zoektocht naar een eigen geluid en hoor je boven alles songs die de fantasie prikkelen en mooie verhalen vertellen over relevante thema’s, maar het zijn ook songs die vermaken zoals alleen The Felice Brothers dat kunnen.
Ook From Dreams To Dust houdt me weer met gemak bijna 55 minuten op het puntje van mijn stoel en blijft dat ook doen. The Felice Brothers worden hier en daar nog steeds klonen van The Band genoemd, maar zijn dat echt al lang niet meer. Schitterend album weer. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Felice Brothers - From Dreams To Dust - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Felice Brothers - From Dreams To Dust
From Dreams To Dust is alweer het tiende album van The Felice Brothers en het zoveelste album waarop de Amerikaanse band een eigen geluid neerzet zonder haar helden te verloochenen
Toen ik vijftien jaar geleden voor het eerst kennis maakte met de muziek van de broers Felice was ik direct verkocht. Sindsdien is de muziek van de Amerikaanse band alleen maar interessanter geworden. Het is muziek die zich af en toe stevig laat beïnvloeden door muziek uit het verre verleden, met Bob Dylan en The Band als muzikale helden, maar The Felice Brothers waren de afgelopen vijftien jaar ook niet vies van experiment en hebben uitvoerig gesleuteld aan een eigen geluid. Het is een geluid dat ook op het deze week verschenen From Dreams To Dust weer prachtig uitpakt met geweldige songs, aansprekende teksten altijd iets dat je niet had verwacht.
Het is bijna vijftien jaar geleden dat The Felice Brothers debuteerden met het fraaie Through These Reins And Gone. De band rond de broers Ian, James en Simone Felice verrasten vanuit de Catskill Mountains in de staat New York met muziek die stevig was geïnspireerd door het werk van The Band.
Zeker in de beginjaren waren de invloeden van The Band wel erg duidelijk hoorbaar in het werk van The Felice Brothers, maar na een aantal albums koos de band langzaam maar zeker voor een meer eigen geluid. Dat geluid schoot een totaal andere kant op op het experimentele Celebration, Florida uit 2011, maar na dit album keerden Ian en James Felice, zonder broer Simone, terug naar hun vertrouwde geluid, zonder te zwaar te leunen op de muziek van The Band.
Ook op het deze week verschenen From Dreams To Dust hoor je echo’s uit het verleden en zeker echo’s van de muziek die The Band maakte met Bob Dylan, maar inmiddels hoor ik toch vooral The Felice Brothers. From Dreams To Dust is de opvolger van het in de lente van 2019 verschenen Undress, dat ik persoonlijk een van de beste albums van The Felice Brothers tot dusver vind. De band bestaat naast Ian en James Felice inmiddels al een aantal jaren uit bassiste Jesske Hume en drummer Will Lawrence en klinkt op
From Dreams To Dust hecht. Het album werd geproduceerd door Mike Mogis, bekend van Bright Eyes en andere bands uit de muziekscene van Omaha, Nebraska, en misschien nog wel bekender als een van de huisproducers van het label Saddle Creek Records. Mike Mogis heeft het album fraai ingekleurd met organische klanken, waaraan hij zelf pedal steel heeft toegevoegd, terwijl Nathaniel Walcott tekende voor de bijdragen van de trompet.
From Dreams To Dust bevat een aantal tracks die dicht tegen de eerder genoemde inspiratiebronnen aanleunen, maar het album bevat ook een aantal sfeervolle en wat melancholisch aandoende tracks. In muzikaal opzicht klinkt het, dankzij het vakwerk van Mike Mogis allemaal prachtig en ook de zang op het album bevalt me zeer.
Het is zang waarvan je moet houden, want in een aantal tracks schuurt het dicht tegen de zang van Bob Dylan aan en ook van spoken word zijn de broers Felice niet vies en daar is niet iedereen gek op. Het zit me ook dit keer nergens in de weg, integendeel.
From Dreams To Dust klinkt in een aantal songs als een redelijk rechttoe rechtaan alt-country album, maar The Felice Brothers zoeken ook dit keer een paar keer het experiment, al is het lang niet zo extreem als op het eerder genoemde Celebration, Florida.
Het album volgt zoals gezegd op Undress, dat ik een van de beste albums van de band uit de Catskill Mountains vind, maar het nieuwe album doet er wat mij betreft niet voor onder. Op het tiende album van de band hoor je de enorme groei die The Felice Brothers de afgelopen tien jaar hebben doorgemaakt, hoor je het resultaat van een geslaagde zoektocht naar een eigen geluid en hoor je boven alles songs die de fantasie prikkelen en mooie verhalen vertellen over relevante thema’s, maar het zijn ook songs die vermaken zoals alleen The Felice Brothers dat kunnen.
Ook From Dreams To Dust houdt me weer met gemak bijna 55 minuten op het puntje van mijn stoel en blijft dat ook doen. The Felice Brothers worden hier en daar nog steeds klonen van The Band genoemd, maar zijn dat echt al lang niet meer. Schitterend album weer. Erwin Zijleman
The Felice Brothers - Life in the Dark (2016)

4,0
1
geplaatst: 28 juni 2016, 15:10 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Felice Brothers - Life In The Dark - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Het is later dit jaar al weer tien jaar geleden dat de broers Ian, Simone en James Felice voor het eerst opdoken als The Felice Brothers.
De broers Felice groeiden op in de Catskill Mountains niet ver van Woodstock, New York. Het is het gebied waar The Band ooit samen met Bob Dylan inspiratie zocht en vond en het is de muziek van The Band die The Felice Brothers inspireerde tot het maken van hun eerste plaat.
Sinds het nog niet heel breed opgepikte debuut Through These Reins And Gone hebben de broers Felice een bijzonder oeuvre opgebouwd.
Dat oeuvre borduurde in eerste instantie succesvol voort op het debuut en dus op de muziek van The Band, wat in 2009 resulteerde in het prachtige Yonder Is The Clock. Op het in 2011 verschenen Celebration, Florida, koos de band echter voor een totaal ander geluid vol verrassende invloeden (tot elektronica en hip-hop aan toe), wat niet bij iedereen in goede aarde viel, maar persoonlijk vond ik het een geweldige plaat.
Het experiment heeft echter niet lang geduurd, want op Favorite Waitress uit 2014 keerden de broers Felice (inmiddels zonder Simone) terug naar hun oude geluid en die lijn wordt doorgetrokken op het nu verschenen en vooralsnog niet erg goed ontvangen Life In The Dark.
Waarom de plaat wat gereserveerd wordt ontvangen begrijp ik overigens niet. Life In The Dark is zwaar geïnspireerd door The Basement Tapes van Bob Dylan en The Band, maar dat geldt voor vrijwel alle platen van The Felice Brothers. Persoonlijk vind ik het jammer dat de band het experiment van Celebration, Florida al weer snel overboord heeft gezet, maar ook met het traditioneel aandoende rootsgeluid van The Felice Brothers is helemaal niets mis.
Het is een geluid dat naarmate de jaren vorderden wel wat gepolijster werd, maar op Life In The Dark keren niet alleen de invloeden, maar ook het ruwe geluid van de eerste platen van The Felice Brothers terug.
Op het in een oude schuur opgenomen Life In The Dark klinken The Felice Brothers nog meer dan Bob Dylan en The Band dan op hun eerdere platen (Ian Felice klinkt zo langzamerhand meer als Bob Dylan dan de oude meester zelf), maar erg is dat geen moment. Life In The Dark is een rauwe en gepassioneerd klinkende plaat vol sterke songs en mooie verhalen.
Experimenteren kunnen The Felice Brothers weer op hun volgende platen (Celebration, Florida opzetten kan natuurlijk ook), maar op Life In The Dark is het back to basics. Misschien niet heel vernieuwend of verrassend, maar zo lang het zo lekker klinkt als op deze plaat heb ik daar helemaal geen moment moeite mee. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Felice Brothers - Life In The Dark - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Het is later dit jaar al weer tien jaar geleden dat de broers Ian, Simone en James Felice voor het eerst opdoken als The Felice Brothers.
De broers Felice groeiden op in de Catskill Mountains niet ver van Woodstock, New York. Het is het gebied waar The Band ooit samen met Bob Dylan inspiratie zocht en vond en het is de muziek van The Band die The Felice Brothers inspireerde tot het maken van hun eerste plaat.
Sinds het nog niet heel breed opgepikte debuut Through These Reins And Gone hebben de broers Felice een bijzonder oeuvre opgebouwd.
Dat oeuvre borduurde in eerste instantie succesvol voort op het debuut en dus op de muziek van The Band, wat in 2009 resulteerde in het prachtige Yonder Is The Clock. Op het in 2011 verschenen Celebration, Florida, koos de band echter voor een totaal ander geluid vol verrassende invloeden (tot elektronica en hip-hop aan toe), wat niet bij iedereen in goede aarde viel, maar persoonlijk vond ik het een geweldige plaat.
Het experiment heeft echter niet lang geduurd, want op Favorite Waitress uit 2014 keerden de broers Felice (inmiddels zonder Simone) terug naar hun oude geluid en die lijn wordt doorgetrokken op het nu verschenen en vooralsnog niet erg goed ontvangen Life In The Dark.
Waarom de plaat wat gereserveerd wordt ontvangen begrijp ik overigens niet. Life In The Dark is zwaar geïnspireerd door The Basement Tapes van Bob Dylan en The Band, maar dat geldt voor vrijwel alle platen van The Felice Brothers. Persoonlijk vind ik het jammer dat de band het experiment van Celebration, Florida al weer snel overboord heeft gezet, maar ook met het traditioneel aandoende rootsgeluid van The Felice Brothers is helemaal niets mis.
Het is een geluid dat naarmate de jaren vorderden wel wat gepolijster werd, maar op Life In The Dark keren niet alleen de invloeden, maar ook het ruwe geluid van de eerste platen van The Felice Brothers terug.
Op het in een oude schuur opgenomen Life In The Dark klinken The Felice Brothers nog meer dan Bob Dylan en The Band dan op hun eerdere platen (Ian Felice klinkt zo langzamerhand meer als Bob Dylan dan de oude meester zelf), maar erg is dat geen moment. Life In The Dark is een rauwe en gepassioneerd klinkende plaat vol sterke songs en mooie verhalen.
Experimenteren kunnen The Felice Brothers weer op hun volgende platen (Celebration, Florida opzetten kan natuurlijk ook), maar op Life In The Dark is het back to basics. Misschien niet heel vernieuwend of verrassend, maar zo lang het zo lekker klinkt als op deze plaat heb ik daar helemaal geen moment moeite mee. Erwin Zijleman
The Felice Brothers - Undress (2019)

4,0
0
geplaatst: 4 mei 2019, 10:05 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Felice Brothers - Undress - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Felice Brothers - Undress
The Felice Brothers richten hun pijlen op de Amerikaanse politiek op een geinspireerd klinkend en verrassend veelzijdig album dat niet onder doet voor hun beste albums
The Felice Brothers uit upstate New York kunnen op verrassend trefzekere wijze in de huid van Bob Dylan en The Band kruipen, maar de band rond de broers Ian en James Felice is ook niet bang om haar vleugels uit te slaan. Het levert ook dit keer een veelzijdig album op, dat zowel zeer uitbundig als uiterst ingetogen kan klinken. Undress werd live in de studio opgenomen, wat zorgt voor een ontspannen en energiek geluid, wat weer fraai contrasteert met de maatschappijkritische teksten waarin met name de Amerikaanse politiek het moet ontgelden. Wat mij betreft een van de betere albums van de Amerikaanse band en dat zegt wat.
Een jaar of twaalf geleden maakte ik voor het eerst kennis met de muziek van The Felice Brothers. De band uit Woodstock, New York, geformeerd rond de broers Ian, James en Simone Felice, maakte muziek die overduidelijk was geinspireerd door de muziek van The Band in haar beste dagen.
Het klonk direct bijzonder aangenaam, maar het gebrek aan avontuur zou de band uiteindelijk makkelijk op kunnen breken. Het is een gevaar dat de broers Felice waarschijnlijk zelf ook zagen, want het inmiddels opgebouwde oeuvre schiet meerdere kanten op.
Ian en James Felice doen het inmiddels al een tijd zonder broer Simone en keren na een afwezigheid van drie jaar terug met Undress. Op Favorite Waitress uit 2014 en Life In The Dark uit 2016 keerde de band weer voorzichtig terug naar het oude, voornamelijk door Dylan en The Band geïnspireerde geluid en werd de wilde experimenteerdrift van het geweldige Celebration, Florida uit 2011 verlaten. Op Undress schiet de band toch weer wat andere kanten op.
Het nieuwe album van The Felice Brothers werd in de nazomer van 2018 live opgenomen in een studio in Germantown, New York, en laat naast Ian Felice en James Felice ook de door Will Lawrence en Jesske Hume gevormde ritmesectie horen, terwijl producer Jeremy Backofen plaatsnam achter de knoppen.
Undress laat een wat voller en bij vlagen zelfs uitbundig geluid horen. In de openingstrack en titeltrack duiken zelfs blazers op en klinken The Felice Brothers meer als een opgewekte versie van Prefab Sprout of The Waterboys dan als bewonderaars van The Band.
De openingstrack laat ook direct horen wat de broers Felice momenteel bezig houdt. De complete Amerikaanse overheid, de zakenwereld en de kerk krijgen een veeg uit de pan in de vrolijk klinkende openingstrack, maar uiteindelijk worden de pijlen toch vooral gericht op de Amerikaanse president en zijn gevolg.
Het uitbundige geluid van de openingstrack maakt in de tracks die volgen plaats voor een meer ingetogen geluid, waarin Bob Dylan en The Band af en toe weer nadrukkelijk opduiken als inspiratiebron, maar The Felice Brothers ook flirten met psychedelica, country, folk, rock en nog een handvol andere invloeden. De band doet dit met een flink arsenaal aan instrumenten, waardoor iedere track op Undress weer anders klinkt.
Undress klinkt door de keuze voor het live opnemen van de tracks energiek en ongepolijst en dat komt de muziek van The Felice Brothers ten goede. Zeker de meer ingetogen tracks zijn wat mij betreft van een bijzondere schoonheid, maar ook als de band de teugels laat vieren overtuigt Undress vrij makkelijk.
Het levert een album op dat begint bij de hoogtijdagen van The Band en Bob Dylan, wat opschuift richting de pioniers van de alt-country (en met name The Jayhawks) en vervolgens de grenzen van de genres opzoekt. Ik heb inmiddels al heel wat jaren een zwak voor de muziek van de band uit upstate New York en Undress stelt me zeker niet teleur. The Felice Brothers kozen op hun vorige twee albums voor een wat behoudende koers, maar durven op hun nieuwe album weer wat vrijer en losser te musiceren, wat een album oplevert dat wat mij betreft behoort tot hun betere albums. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Felice Brothers - Undress - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Felice Brothers - Undress
The Felice Brothers richten hun pijlen op de Amerikaanse politiek op een geinspireerd klinkend en verrassend veelzijdig album dat niet onder doet voor hun beste albums
The Felice Brothers uit upstate New York kunnen op verrassend trefzekere wijze in de huid van Bob Dylan en The Band kruipen, maar de band rond de broers Ian en James Felice is ook niet bang om haar vleugels uit te slaan. Het levert ook dit keer een veelzijdig album op, dat zowel zeer uitbundig als uiterst ingetogen kan klinken. Undress werd live in de studio opgenomen, wat zorgt voor een ontspannen en energiek geluid, wat weer fraai contrasteert met de maatschappijkritische teksten waarin met name de Amerikaanse politiek het moet ontgelden. Wat mij betreft een van de betere albums van de Amerikaanse band en dat zegt wat.
Een jaar of twaalf geleden maakte ik voor het eerst kennis met de muziek van The Felice Brothers. De band uit Woodstock, New York, geformeerd rond de broers Ian, James en Simone Felice, maakte muziek die overduidelijk was geinspireerd door de muziek van The Band in haar beste dagen.
Het klonk direct bijzonder aangenaam, maar het gebrek aan avontuur zou de band uiteindelijk makkelijk op kunnen breken. Het is een gevaar dat de broers Felice waarschijnlijk zelf ook zagen, want het inmiddels opgebouwde oeuvre schiet meerdere kanten op.
Ian en James Felice doen het inmiddels al een tijd zonder broer Simone en keren na een afwezigheid van drie jaar terug met Undress. Op Favorite Waitress uit 2014 en Life In The Dark uit 2016 keerde de band weer voorzichtig terug naar het oude, voornamelijk door Dylan en The Band geïnspireerde geluid en werd de wilde experimenteerdrift van het geweldige Celebration, Florida uit 2011 verlaten. Op Undress schiet de band toch weer wat andere kanten op.
Het nieuwe album van The Felice Brothers werd in de nazomer van 2018 live opgenomen in een studio in Germantown, New York, en laat naast Ian Felice en James Felice ook de door Will Lawrence en Jesske Hume gevormde ritmesectie horen, terwijl producer Jeremy Backofen plaatsnam achter de knoppen.
Undress laat een wat voller en bij vlagen zelfs uitbundig geluid horen. In de openingstrack en titeltrack duiken zelfs blazers op en klinken The Felice Brothers meer als een opgewekte versie van Prefab Sprout of The Waterboys dan als bewonderaars van The Band.
De openingstrack laat ook direct horen wat de broers Felice momenteel bezig houdt. De complete Amerikaanse overheid, de zakenwereld en de kerk krijgen een veeg uit de pan in de vrolijk klinkende openingstrack, maar uiteindelijk worden de pijlen toch vooral gericht op de Amerikaanse president en zijn gevolg.
Het uitbundige geluid van de openingstrack maakt in de tracks die volgen plaats voor een meer ingetogen geluid, waarin Bob Dylan en The Band af en toe weer nadrukkelijk opduiken als inspiratiebron, maar The Felice Brothers ook flirten met psychedelica, country, folk, rock en nog een handvol andere invloeden. De band doet dit met een flink arsenaal aan instrumenten, waardoor iedere track op Undress weer anders klinkt.
Undress klinkt door de keuze voor het live opnemen van de tracks energiek en ongepolijst en dat komt de muziek van The Felice Brothers ten goede. Zeker de meer ingetogen tracks zijn wat mij betreft van een bijzondere schoonheid, maar ook als de band de teugels laat vieren overtuigt Undress vrij makkelijk.
Het levert een album op dat begint bij de hoogtijdagen van The Band en Bob Dylan, wat opschuift richting de pioniers van de alt-country (en met name The Jayhawks) en vervolgens de grenzen van de genres opzoekt. Ik heb inmiddels al heel wat jaren een zwak voor de muziek van de band uit upstate New York en Undress stelt me zeker niet teleur. The Felice Brothers kozen op hun vorige twee albums voor een wat behoudende koers, maar durven op hun nieuwe album weer wat vrijer en losser te musiceren, wat een album oplevert dat wat mij betreft behoort tot hun betere albums. Erwin Zijleman
The Fernweh - The Fernweh (2018)

4,5
0
geplaatst: 5 december 2018, 16:53 uur
recensie op de krenten uit de pop:
review on: De krenten uit de pop: The Fernweh - The Fernweh - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Fernweh uit Liverpool neemt je mee terug naar het verleden en verrast met een vat vol invloeden verpakt in prachtige songs
Dom natuurlijk om je debuut helemaal aan het eind van het jaar uit te brengen, want dit is schreeuwen om een gebrek aan aandacht. Het is zonde, want The Fernweh beschikt over de potentie om achteraf geschaard te worden onder de grote beloften die voortkwamen uit het muziekjaar 2018. De band doet dit met muziek die begint in de zomer van de liefde en vervolgens vooral in de Britse folk van de late jaren 60 en vroege jaren 70 blijft hangen. Althans, dat denk je, want The Fernweh blijft maar verrassen op dit buitengewoon aangename maar ook buitengewoon knappe debuut.
De naam van de Britse band The Fernweh (Duits voor heimwee naar de vakantie) zingt echt al maanden rond en net nu je het niet meer verwacht is het debuutalbum van de band uit Liverpool dan eindelijk verschenen.
Het is een onhandig moment om een debuut uit te brengen en het is zeker een onhandig moment voor een memorabel debuut als dat van The Fernweh. De band uit Liverpool heeft immers alles dat nodig is om uit te groeien tot de lievelingen van de Britse muziekpers en de grote beloften van 2018 en in het geval van The Fernweh is daar helemaal niets op af te dingen.
Het titelloze debuut van The Fernweh begint midden in de Summer Of Love van 1967. De vloeistof dia’s erbij pakken en klaar ben je. De Amerikaanse westkust wordt echter al snel verruild voor de archieven van de Britse popmuziek. Dit begint bij Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band van stadgenoten The Beatles en komt via Are The Village Green Preservation Society van The Kinks uit bij de Britse folkrock uit de late jaren 60 en vroege jaren 70 van bijvoorbeeld Fairport Convention.
The Fernweh pint zich echter nergens op vast. Net als je denkt dat de band kiest voor de folk, vliegen de gitaren uit de bocht en hoor je zelfs wat van de jonge Rolling Stones. Niet veel later zwengelt een aangenaam zeurend orgeltje toch weer de invloeden uit de psychedelica aan en zo gebeurt er van alles op deze plaat. Ook met psychedelica, folk en rock heb je nog niet alle invloeden op het debuut van The Fernweh te pakken, want de band uit Liverpool raakt af en toe ook aan de progrock bands uit de jaren 70 (met meer Genesis dan Yes), al blijft het bombast achterwege.
The Fernweh verrast 14 tracks en ruim drie kwartier lang met melodieuze, lome en bijzonder fraai georkestreerde muziek. Zeker wanneer de band kiest voor de folk is de muziek van The Fernweh uiterst ingetogen en word je zomaar een aantal decennia teruggeworpen in de tijd. Het grootste deel van de plaat neemt je mee terug naar de hoogtijdagen van de Britse folk en psychedelica, maar The Fernweh zet je ook met enige regelmaat op het verkeerde been en verwerkt dan toch opeens weer invloeden uit andere tijden en andere genres, waardoor de band ook kan raken aan The Doors, The Beach Boys, The Byrds, The Zombies, om maar een paar namen te noemen.
De late jaren 60 en vroege jaren 70 domineren op het debuut van de band uit Liverpool, maar The Fernweh is ook niet bang voor invloeden uit de late jaren 70 en vroege jaren 80, wat nog wat andere verrassende accenten toevoegt aan het bijzondere geluid van de band. Er zijn de afgelopen meer bands geweest met een geluid als dat van The Fernweh, met The Coral als beste voorbeeld, maar uiteindelijk vind ik de muziek van de nieuwe band uit Liverpool net wat knapper en mooier. Fraai debuut zo aan het einde van 2018. Erwin Zijleman
review on: De krenten uit de pop: The Fernweh - The Fernweh - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Fernweh uit Liverpool neemt je mee terug naar het verleden en verrast met een vat vol invloeden verpakt in prachtige songs
Dom natuurlijk om je debuut helemaal aan het eind van het jaar uit te brengen, want dit is schreeuwen om een gebrek aan aandacht. Het is zonde, want The Fernweh beschikt over de potentie om achteraf geschaard te worden onder de grote beloften die voortkwamen uit het muziekjaar 2018. De band doet dit met muziek die begint in de zomer van de liefde en vervolgens vooral in de Britse folk van de late jaren 60 en vroege jaren 70 blijft hangen. Althans, dat denk je, want The Fernweh blijft maar verrassen op dit buitengewoon aangename maar ook buitengewoon knappe debuut.
De naam van de Britse band The Fernweh (Duits voor heimwee naar de vakantie) zingt echt al maanden rond en net nu je het niet meer verwacht is het debuutalbum van de band uit Liverpool dan eindelijk verschenen.
Het is een onhandig moment om een debuut uit te brengen en het is zeker een onhandig moment voor een memorabel debuut als dat van The Fernweh. De band uit Liverpool heeft immers alles dat nodig is om uit te groeien tot de lievelingen van de Britse muziekpers en de grote beloften van 2018 en in het geval van The Fernweh is daar helemaal niets op af te dingen.
Het titelloze debuut van The Fernweh begint midden in de Summer Of Love van 1967. De vloeistof dia’s erbij pakken en klaar ben je. De Amerikaanse westkust wordt echter al snel verruild voor de archieven van de Britse popmuziek. Dit begint bij Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band van stadgenoten The Beatles en komt via Are The Village Green Preservation Society van The Kinks uit bij de Britse folkrock uit de late jaren 60 en vroege jaren 70 van bijvoorbeeld Fairport Convention.
The Fernweh pint zich echter nergens op vast. Net als je denkt dat de band kiest voor de folk, vliegen de gitaren uit de bocht en hoor je zelfs wat van de jonge Rolling Stones. Niet veel later zwengelt een aangenaam zeurend orgeltje toch weer de invloeden uit de psychedelica aan en zo gebeurt er van alles op deze plaat. Ook met psychedelica, folk en rock heb je nog niet alle invloeden op het debuut van The Fernweh te pakken, want de band uit Liverpool raakt af en toe ook aan de progrock bands uit de jaren 70 (met meer Genesis dan Yes), al blijft het bombast achterwege.
The Fernweh verrast 14 tracks en ruim drie kwartier lang met melodieuze, lome en bijzonder fraai georkestreerde muziek. Zeker wanneer de band kiest voor de folk is de muziek van The Fernweh uiterst ingetogen en word je zomaar een aantal decennia teruggeworpen in de tijd. Het grootste deel van de plaat neemt je mee terug naar de hoogtijdagen van de Britse folk en psychedelica, maar The Fernweh zet je ook met enige regelmaat op het verkeerde been en verwerkt dan toch opeens weer invloeden uit andere tijden en andere genres, waardoor de band ook kan raken aan The Doors, The Beach Boys, The Byrds, The Zombies, om maar een paar namen te noemen.
De late jaren 60 en vroege jaren 70 domineren op het debuut van de band uit Liverpool, maar The Fernweh is ook niet bang voor invloeden uit de late jaren 70 en vroege jaren 80, wat nog wat andere verrassende accenten toevoegt aan het bijzondere geluid van de band. Er zijn de afgelopen meer bands geweest met een geluid als dat van The Fernweh, met The Coral als beste voorbeeld, maar uiteindelijk vind ik de muziek van de nieuwe band uit Liverpool net wat knapper en mooier. Fraai debuut zo aan het einde van 2018. Erwin Zijleman
The Fire Harvest - Open Water (2019)

4,0
0
geplaatst: 6 maart 2019, 16:16 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Fire Harvest - Open Water - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Fire Harvest - Open Water
Utrechtse band verrijkt de slowcore van haar vorige plaat op knappe wijze met wat meer invloeden en een wat steviger gitaargeluid
Singing, Dancing, Drinking van de Utrechtse band The Fire Harvest maakte bijna drie jaar geleden indruk met muziek die citeerde uit de archieven van de slowcore, maar ook wat subtiele invloeden uit andere genres toevoegde. Op Open Water heeft The Fire Harvest haar muziek verder verrijkt met impulsen van veel steviger gitaarwerk, waardoor de muziek van de Utrechtse band dynamischer en spannender is geworden. The Fire Harvest houdt het tempo ook dit keer laag, maar ondertussen gebeurt er van alles op deze fascinerende plaat, die bij iedere luisterbeurt mooier en indrukwekkender wordt.
De Utrechtse band The Fire Harvest maakte in de lente van 2016 indruk met haar debuut Singing, Dancing, Drinking. De plaat werd in eerste instantie omschreven als “(Alt)country meets (post)punk”, maar ik hoorde zelf vooral invloeden uit de slowcore en de post-rock.
Uiteindelijk noemde ik Low, Red House Painter, Smog en Songs:Ohia als belangrijkste vergelijkingsmateriaal en dat is vergelijkingsmateriaal waar je mee thuis kunt komen.
Voor Singing, Dancing, Drinking wist The Fire Harvest ook nog eens niemand minder dan Daniel Romano te strikken als producer, wat de plaat nog wat extra aandacht opleverde.
Dit keer dook de band rond Gerben Houwer de studio in met de Canadese singer-songwriter Michael Feuerstack met Open Water als resultaat. De openingstrack van de nieuwe plaat van de band uit Utrecht neemt je onmiddellijk mee terug naar het geluid van het debuut van The Fire Harvest. Het tempo ligt laag, de gitaarlijnen zijn prachtig en Gerben Houwer zingt even fraai als dromerig.
Wat direct opvalt is dat het aan slowcore herinnerende geluid van The Fire Harvest in de openingstrack wordt doorsneden door rauwere gitaarlijnen, wat het geluid van de band voorziet van wat extra spanning en dynamiek. De stevigere gitaarlijnen keren veel vaker terecht op Open Water en persoonlijk bevalt het me wel. Het maakt de muziek van The Fire Harvest net wat minder voorspelbaar en hierdoor wat spannender.
Op hetzelfde moment heeft de Utrechtse band de sterke punten van voorganger Singing, Dancing, Drinking behouden. De langzame en breed uitwaaiende gitaarlijnen zijn, net als lome ritmes prachtig en passen prachtig bij de uitstekende stem van Gerben Houwer. Op een of andere manier doet de muziek van The Fire Harvest me ook wel wat aan Pearl Jam denken, maar het is wel Pearl Jam met flink wat valium.
Ook Open Water past goed in het hokje slowcore, maar Gerben Houwer is ook de post-rock van zijn vorige band We vs. Death niet helemaal vergeten en door het stevigere gitaarwerk schuift de Utrechtse band ook wel wat op richting indie-rock en grunge (al zal dat laatste vooral met mijn Pearl Jam associaties hebben te maken).
Door het stevige gitaarwerk klinkt de muziek van The Fire Harvest ook wat melodieuzer (zeker wanneer J Mascis achtige solo’s worden toegevoegd) dan in het verleden en door het vollere en melodieuzere geluid houdt Open Water de aandacht makkelijker vast. The Fire Harvest heeft nog altijd de bezwering van de hierboven genoemde slowcore bands, maar heeft op haar nieuwe plaat ook een wat duidelijker eigen geluid, met hier en daar toch stiekem een laagje alt-country. Het is een geluid, dat uiteindelijk nog net wat meer indruk maakt dan in het verleden.
Er zijn momenteel helaas niet al te veel bands die muziek maken als de muziek die The Fire Harvest maakt, maar binnen het genre kan de Utrechtse band nu echt met de allerbesten mee. Open Water is een hele mooie plaat, die nog heel lang door kan groeien. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Fire Harvest - Open Water - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Fire Harvest - Open Water
Utrechtse band verrijkt de slowcore van haar vorige plaat op knappe wijze met wat meer invloeden en een wat steviger gitaargeluid
Singing, Dancing, Drinking van de Utrechtse band The Fire Harvest maakte bijna drie jaar geleden indruk met muziek die citeerde uit de archieven van de slowcore, maar ook wat subtiele invloeden uit andere genres toevoegde. Op Open Water heeft The Fire Harvest haar muziek verder verrijkt met impulsen van veel steviger gitaarwerk, waardoor de muziek van de Utrechtse band dynamischer en spannender is geworden. The Fire Harvest houdt het tempo ook dit keer laag, maar ondertussen gebeurt er van alles op deze fascinerende plaat, die bij iedere luisterbeurt mooier en indrukwekkender wordt.
De Utrechtse band The Fire Harvest maakte in de lente van 2016 indruk met haar debuut Singing, Dancing, Drinking. De plaat werd in eerste instantie omschreven als “(Alt)country meets (post)punk”, maar ik hoorde zelf vooral invloeden uit de slowcore en de post-rock.
Uiteindelijk noemde ik Low, Red House Painter, Smog en Songs:Ohia als belangrijkste vergelijkingsmateriaal en dat is vergelijkingsmateriaal waar je mee thuis kunt komen.
Voor Singing, Dancing, Drinking wist The Fire Harvest ook nog eens niemand minder dan Daniel Romano te strikken als producer, wat de plaat nog wat extra aandacht opleverde.
Dit keer dook de band rond Gerben Houwer de studio in met de Canadese singer-songwriter Michael Feuerstack met Open Water als resultaat. De openingstrack van de nieuwe plaat van de band uit Utrecht neemt je onmiddellijk mee terug naar het geluid van het debuut van The Fire Harvest. Het tempo ligt laag, de gitaarlijnen zijn prachtig en Gerben Houwer zingt even fraai als dromerig.
Wat direct opvalt is dat het aan slowcore herinnerende geluid van The Fire Harvest in de openingstrack wordt doorsneden door rauwere gitaarlijnen, wat het geluid van de band voorziet van wat extra spanning en dynamiek. De stevigere gitaarlijnen keren veel vaker terecht op Open Water en persoonlijk bevalt het me wel. Het maakt de muziek van The Fire Harvest net wat minder voorspelbaar en hierdoor wat spannender.
Op hetzelfde moment heeft de Utrechtse band de sterke punten van voorganger Singing, Dancing, Drinking behouden. De langzame en breed uitwaaiende gitaarlijnen zijn, net als lome ritmes prachtig en passen prachtig bij de uitstekende stem van Gerben Houwer. Op een of andere manier doet de muziek van The Fire Harvest me ook wel wat aan Pearl Jam denken, maar het is wel Pearl Jam met flink wat valium.
Ook Open Water past goed in het hokje slowcore, maar Gerben Houwer is ook de post-rock van zijn vorige band We vs. Death niet helemaal vergeten en door het stevigere gitaarwerk schuift de Utrechtse band ook wel wat op richting indie-rock en grunge (al zal dat laatste vooral met mijn Pearl Jam associaties hebben te maken).
Door het stevige gitaarwerk klinkt de muziek van The Fire Harvest ook wat melodieuzer (zeker wanneer J Mascis achtige solo’s worden toegevoegd) dan in het verleden en door het vollere en melodieuzere geluid houdt Open Water de aandacht makkelijker vast. The Fire Harvest heeft nog altijd de bezwering van de hierboven genoemde slowcore bands, maar heeft op haar nieuwe plaat ook een wat duidelijker eigen geluid, met hier en daar toch stiekem een laagje alt-country. Het is een geluid, dat uiteindelijk nog net wat meer indruk maakt dan in het verleden.
Er zijn momenteel helaas niet al te veel bands die muziek maken als de muziek die The Fire Harvest maakt, maar binnen het genre kan de Utrechtse band nu echt met de allerbesten mee. Open Water is een hele mooie plaat, die nog heel lang door kan groeien. Erwin Zijleman
The Fire Harvest - Singing, Dancing, Drinking (2016)

4,0
0
geplaatst: 14 mei 2016, 11:26 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Fire Harvest - Singing, Dancing, Drinking - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
The Fire Harvest begon een paar jaar geleden als soloproject van de van We vs Death bekende Gerben Houwer, maar is inmiddels een echte band.
De band uit Utrecht nam haar debuut op toen de Tour de France al weer bijna een jaar geleden door Utrecht raasde en debuteert nu buitengewoon fraai en overtuigend met Singing, Dancing, Drinking.
Voor de productie van haar debuut wist The Fire Harvest niemand minder dan de nieuwe countryster Daniel Romano te strikken. Romano wilde vanwege zijn vliegangst de boot naar de Verenigde Staten nemen, maar bleek zijn reis niet goed gepland te hebben, waardoor hij opeens alle tijd had en plaats nam achter de knoppen bij het opnemen van het debuut van de Utrechtse band.
Het debuut van The Fire Harvest krijgt het etiket “(Alt)country meets (post)punk” opgeplakt en dat is een etiket dat nieuwsgierig maakt. Het is een etiket dat ik na herhaalde beluistering van de plaat echter geen vlag vind die de lading volledig dekt. De muziek van The Fire Harvest biedt immers veel meer aanknopingspunten met de muziek uit de hoogtijdagen van de slowcore en roept associaties op met de platen van onder andere Low en Red House Painters.
Hiernaast is Gerben Houwer zijn verleden in de postrock niet vergeten, waardoor Singing, Dancing, Drinking opvalt door gitaarwerk dat overloopt van ingehouden spanning en verrassing, waarbij een uitbarsting nooit ver weg is, maar het altijd maar de vraag is of hij ook komt. Iets waar de subtiel spelende ritmesectie overigens prachtig bij aansluit.
Zeker wanneer de stemmige muziek van The Fire Harvest wat donkerder kleurt hoor ik nog wel wat invloeden uit de postpunk, al kan dit net zo goed worden omschreven als "grunge on valium", maar invloeden uit de al dan niet alternatieve country hoor ik niet, wat gezien de productie van countryliefhebber Daniel Romano opvallend is.
Over het etiket kan eindeloos getwist worden, maar natuurlijk gaat het om de muziek. Het is muziek die misschien beter past bij de herfst dan bij de lente of zomer, waardoor het misschien geen toeval is dat het weer is omgeslagen vandaag.
The Fire Harvest maakt donkere muziek die zich langzaam voortsleept. Het is intense muziek die zich makkelijk opdringt, maar de ware schoonheid van Singing, Dancing, Drinking hoor je pas na een paar keer horen.
Liefhebbers van de eerder genoemde slowcore bands en zeker ook liefhebbers van de eigenzinnige songwriters achter Songs:Ohia en Smog zullen smullen van de indringende muziek van The Fire Harvest, dat met Singing, Dancing, Drinking een debuut heeft afgeleverd dat behoort tot de betere en meest veelbelovende van het moment. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Fire Harvest - Singing, Dancing, Drinking - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
The Fire Harvest begon een paar jaar geleden als soloproject van de van We vs Death bekende Gerben Houwer, maar is inmiddels een echte band.
De band uit Utrecht nam haar debuut op toen de Tour de France al weer bijna een jaar geleden door Utrecht raasde en debuteert nu buitengewoon fraai en overtuigend met Singing, Dancing, Drinking.
Voor de productie van haar debuut wist The Fire Harvest niemand minder dan de nieuwe countryster Daniel Romano te strikken. Romano wilde vanwege zijn vliegangst de boot naar de Verenigde Staten nemen, maar bleek zijn reis niet goed gepland te hebben, waardoor hij opeens alle tijd had en plaats nam achter de knoppen bij het opnemen van het debuut van de Utrechtse band.
Het debuut van The Fire Harvest krijgt het etiket “(Alt)country meets (post)punk” opgeplakt en dat is een etiket dat nieuwsgierig maakt. Het is een etiket dat ik na herhaalde beluistering van de plaat echter geen vlag vind die de lading volledig dekt. De muziek van The Fire Harvest biedt immers veel meer aanknopingspunten met de muziek uit de hoogtijdagen van de slowcore en roept associaties op met de platen van onder andere Low en Red House Painters.
Hiernaast is Gerben Houwer zijn verleden in de postrock niet vergeten, waardoor Singing, Dancing, Drinking opvalt door gitaarwerk dat overloopt van ingehouden spanning en verrassing, waarbij een uitbarsting nooit ver weg is, maar het altijd maar de vraag is of hij ook komt. Iets waar de subtiel spelende ritmesectie overigens prachtig bij aansluit.
Zeker wanneer de stemmige muziek van The Fire Harvest wat donkerder kleurt hoor ik nog wel wat invloeden uit de postpunk, al kan dit net zo goed worden omschreven als "grunge on valium", maar invloeden uit de al dan niet alternatieve country hoor ik niet, wat gezien de productie van countryliefhebber Daniel Romano opvallend is.
Over het etiket kan eindeloos getwist worden, maar natuurlijk gaat het om de muziek. Het is muziek die misschien beter past bij de herfst dan bij de lente of zomer, waardoor het misschien geen toeval is dat het weer is omgeslagen vandaag.
The Fire Harvest maakt donkere muziek die zich langzaam voortsleept. Het is intense muziek die zich makkelijk opdringt, maar de ware schoonheid van Singing, Dancing, Drinking hoor je pas na een paar keer horen.
Liefhebbers van de eerder genoemde slowcore bands en zeker ook liefhebbers van de eigenzinnige songwriters achter Songs:Ohia en Smog zullen smullen van de indringende muziek van The Fire Harvest, dat met Singing, Dancing, Drinking een debuut heeft afgeleverd dat behoort tot de betere en meest veelbelovende van het moment. Erwin Zijleman
The Flaming Lips - 7 Skies H3 (2014)

4,0
1
geplaatst: 23 juni 2014, 16:12 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Flaming Lips - 7 Skies H3 - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Er is een tijd geweest waarin een nieuwe plaat van The Flaming Lips door gerenommeerde Britse muziektijdschriften als Mojo en Uncut onmiddellijk tot plaat van het jaar werd uitgeroepen. Het gebeurde met The Soft Bulletin uit 1999 en met Yoshimi Battles The Pink Robots uit 2002, waarna ook het oudere werk van de band de hemel in werd geprezen, waaronder het fascinerende Zaireeka uit 1997 dat uit vier platen bestond die eigenlijk tegelijk moesten worden afgespeeld.
De afgelopen 12 jaar waren de critici net wat minder enthousiast over de platen van The Flaming Lips, al kregen de reguliere platen als At War With The Mystics (2006), Embryonic (2009) en met name The Terror (2013) nog wel vier sterren (in plaats van vijf).
Naast reguliere platen maakten The Flaming Lips de afgelopen tien jaar ook een aantal platen die als tussendoortjes zijn te kenschetsen, waaronder een kerstplaat, een opmerkelijke remake van Pink Floyd’s The Dark Side Of The Moon en een compilatie vol opmerkelijke gastbijdragen (van Ke$ha tot Nick Cave en van Yoko Ono tot Bon Iver).
Net een jaar na het verrassend sterke The Terror en een paar maanden na de speciaal voor Record Day gelanceerde song van 24 uur (!), ligt er al weer een nieuwe plaat van The Flaming Lips in de winkel: 7 Skies H3; een kortere en in hapbare brokken geknipte versie van de eerder genoemde song van 24 uur.
De kans dat Mojo en Uncut zich dit keer laten verleiden tot het kiezen van de plaat van het jaar, ver voordat dit jaar om is, lijkt me niet zo groot. 7 Skies H3 is immers zware kost en bij vlagen hele zware kost.
Daar lijkt het in eerste instantie nog niet op. 7 Skies H3 opent met een niet erg makkelijke, maar uiteindelijk toch betoverend mooie psychedelische track, die klinkt als een monsterverbond van Pink Floyd, Tangerine Dream en Klaus Schulze, ergens aan het eind van de jaren 60 of het begin van de jaren 70.
In de tweede track wordt het al lastiger wanneer vervormde elektronica wat hogere drempels opwerpt, waarna de band los gaat in de derde track, die klinkt als ‘Underworld on speed’ voorzien van een tandartsboor voor extra luisterplezier. Ik kan wel tegen muziek die de lat voor de luisteraar wat hoger legt, maar als The Flaming Lips de oren gaat pijnigen haak ik af.
In de vierde track keert de structuur gelukkig langzaam terug en komen we weer uit bij 60s psychedelica. The Flaming Lips kiezen nog altijd niet voor de makkelijkste weg, maar het begint weer te intrigeren, zeker als in track 5, 6 en 7 de fraaie klanken uit de openingstrack langzaam terug keren. Liefhebbers van de briljante popsongs die de band in het verleden wel eens maakte, komen nog zeker niet aan hun trekken, want de grotendeels instrumentale tracks springen nog steeds van de hak op de tak.
In de achtste track slaat de gekte weer toe. Riot In My Brain!! vraagt inderdaad om een dwangbuis en een kalmerend spuitje en is nauwelijks te doorstaan. De volhouder wordt beloond met de twee slottracks, die net als de openingstrack een prachtig, dromerig en meeslepend psychedelisch geluid laten horen en verder gaan waar de eerste track zo fraai ophield.
Op basis van het bovenstaande zou je kunnen concluderen dat The Flaming Lips een matige plaat hebben gemaakt, maar dat is toch niet het geval. De mooiste tracks op de plaat (1, 9 en 10) duren bij elkaar ruim 23 minuten. Zet deze achter elkaar en voeg de op zijn minst intrigerende tracks (4, 5, 6 en 7) toe en je hebt een minuut of veertig prachtige muziek. Niet al te makkelijk, maar dat hoeft ook niet altijd. De rest is even doorbijten en soms even afzien, maar misschien draagt het uiteindelijk wel bij aan de schoonheid van de rest; in het geval van The Flaming Lips durf ik niets uit te sluiten.
Ik weet zeker dat The Flaming Lips met een beetje goede wil nog steeds jaarlijstjesplaten kunnen maken, maar de eigenzinnigheid van het recente werk siert de band. Beluistering is op eigen risico, maar dat zal inmiddels duidelijk zijn. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Flaming Lips - 7 Skies H3 - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Er is een tijd geweest waarin een nieuwe plaat van The Flaming Lips door gerenommeerde Britse muziektijdschriften als Mojo en Uncut onmiddellijk tot plaat van het jaar werd uitgeroepen. Het gebeurde met The Soft Bulletin uit 1999 en met Yoshimi Battles The Pink Robots uit 2002, waarna ook het oudere werk van de band de hemel in werd geprezen, waaronder het fascinerende Zaireeka uit 1997 dat uit vier platen bestond die eigenlijk tegelijk moesten worden afgespeeld.
De afgelopen 12 jaar waren de critici net wat minder enthousiast over de platen van The Flaming Lips, al kregen de reguliere platen als At War With The Mystics (2006), Embryonic (2009) en met name The Terror (2013) nog wel vier sterren (in plaats van vijf).
Naast reguliere platen maakten The Flaming Lips de afgelopen tien jaar ook een aantal platen die als tussendoortjes zijn te kenschetsen, waaronder een kerstplaat, een opmerkelijke remake van Pink Floyd’s The Dark Side Of The Moon en een compilatie vol opmerkelijke gastbijdragen (van Ke$ha tot Nick Cave en van Yoko Ono tot Bon Iver).
Net een jaar na het verrassend sterke The Terror en een paar maanden na de speciaal voor Record Day gelanceerde song van 24 uur (!), ligt er al weer een nieuwe plaat van The Flaming Lips in de winkel: 7 Skies H3; een kortere en in hapbare brokken geknipte versie van de eerder genoemde song van 24 uur.
De kans dat Mojo en Uncut zich dit keer laten verleiden tot het kiezen van de plaat van het jaar, ver voordat dit jaar om is, lijkt me niet zo groot. 7 Skies H3 is immers zware kost en bij vlagen hele zware kost.
Daar lijkt het in eerste instantie nog niet op. 7 Skies H3 opent met een niet erg makkelijke, maar uiteindelijk toch betoverend mooie psychedelische track, die klinkt als een monsterverbond van Pink Floyd, Tangerine Dream en Klaus Schulze, ergens aan het eind van de jaren 60 of het begin van de jaren 70.
In de tweede track wordt het al lastiger wanneer vervormde elektronica wat hogere drempels opwerpt, waarna de band los gaat in de derde track, die klinkt als ‘Underworld on speed’ voorzien van een tandartsboor voor extra luisterplezier. Ik kan wel tegen muziek die de lat voor de luisteraar wat hoger legt, maar als The Flaming Lips de oren gaat pijnigen haak ik af.
In de vierde track keert de structuur gelukkig langzaam terug en komen we weer uit bij 60s psychedelica. The Flaming Lips kiezen nog altijd niet voor de makkelijkste weg, maar het begint weer te intrigeren, zeker als in track 5, 6 en 7 de fraaie klanken uit de openingstrack langzaam terug keren. Liefhebbers van de briljante popsongs die de band in het verleden wel eens maakte, komen nog zeker niet aan hun trekken, want de grotendeels instrumentale tracks springen nog steeds van de hak op de tak.
In de achtste track slaat de gekte weer toe. Riot In My Brain!! vraagt inderdaad om een dwangbuis en een kalmerend spuitje en is nauwelijks te doorstaan. De volhouder wordt beloond met de twee slottracks, die net als de openingstrack een prachtig, dromerig en meeslepend psychedelisch geluid laten horen en verder gaan waar de eerste track zo fraai ophield.
Op basis van het bovenstaande zou je kunnen concluderen dat The Flaming Lips een matige plaat hebben gemaakt, maar dat is toch niet het geval. De mooiste tracks op de plaat (1, 9 en 10) duren bij elkaar ruim 23 minuten. Zet deze achter elkaar en voeg de op zijn minst intrigerende tracks (4, 5, 6 en 7) toe en je hebt een minuut of veertig prachtige muziek. Niet al te makkelijk, maar dat hoeft ook niet altijd. De rest is even doorbijten en soms even afzien, maar misschien draagt het uiteindelijk wel bij aan de schoonheid van de rest; in het geval van The Flaming Lips durf ik niets uit te sluiten.
Ik weet zeker dat The Flaming Lips met een beetje goede wil nog steeds jaarlijstjesplaten kunnen maken, maar de eigenzinnigheid van het recente werk siert de band. Beluistering is op eigen risico, maar dat zal inmiddels duidelijk zijn. Erwin Zijleman
The Flaming Lips - American Head (2020)

4,5
6
geplaatst: 13 september 2020, 10:39 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Flaming Lips - American Head - dekrentenuitdepop.blogspot.com
en een halve extra voor de bijdragen van Kacey Musgraves.
The Flaming Lips - American Head
De muziek van The Flaming Lips schuurde de afgelopen jaren wel wat, maar betovert nu met dromerige, melodieuze en wonderschone klanken vol invloeden uit de jaren 70
The Flaming Lips nemen je op American Head mee terug naar de jaren 70 en doen dit met fraaie arrangementen, prachtige psychedelische klanken en verrassend melodieuze songs. American Head is een album om heerlijk bij weg te dromen, maar het is ook een Flaming Lips album, dat de fantasie zo nu en dan stevig prikkelt. De band maakte het ons de afgelopen jaren wel eens moeilijk, maar American Head is vooral een buitengewoon aangenaam album dat je mee terug neemt naar de zorgeloze jaren uit de jeugd van voorman Wayne Coyne. American Head is een album waarop heel veel moois valt te ontdekken, met de gastvocalen van Kacey Musgraves als kers op de taart.
De tijd dat een nieuw album van The Flaming Lips al bij voorbaat zeker was van een plekje in de jaarlijstjes ligt al een tijd achter ons. Hiervoor moeten we terug naar albums als The Soft Bulletin uit 1999 en Yoshimi Battles The Pink Robots uit 2002 die menig aansprekend jaarlijstje aanvoerden. Sindsdien is het oeuvre van de band uit Oklahoma City, Oklahoma, een stuk wisselvalliger. Wisselvallig of niet, saai zijn de albums van The Flaming Lips nooit, waardoor ik altijd nieuwsgierig ben naar nieuw materiaal van de Amerikaanse band.
Dit keer was ik extra nieuwsgierig want American Head werd in de aankondigingen die aan de release van het album vooraf gingen vergeleken met de bovengenoemde twee albums, die inmiddels best klassiekers mogen worden genoemd. American Head is volgens voorman Wayne Coyne’s geïnspireerd door zijn zorgeloze jeugd in Oklahoma in de vroege jaren 70, al gaat tegelijkertijd het verhaal dat de belangrijkste inspiratie kwam van een documentaire waarin ook de jonge jaren van Tom Petty, een van de helden van Wayne Coyne, werd belicht.
Wat het ook is, het heeft The Flaming Lips geïnspireerd tot een opvallend melodieus en toegankelijk album. De wat zweverige psychedelische klanken op het album doen inderdaad wel wat denken aan The Soft Bulletin en Yoshimi Battles The Pink Robots, al vind ik vergelijken met het beste werk van de band lastig en hoor ik net zo veel verschillen als overeenkomsten. Het tempo op American Head ligt laag, het geluid is vol en in muzikaal opzicht duiken meer dan eens invloeden uit de jaren 70 op, wat ook niet zo gek is voor een album dat Wayne Coyne de soundtrack van zijn jeugd noemt.
De muziek van The Flaming Lips streek de afgelopen jaren met grote regelmaat flink tegen de haren in, maar op American Head klinkt alles even mooi, melodieus en aards. Het is muziek om heerlijk bij weg te dromen, zeker als de klanken en vocalen breed uit mogen waaien, wat nogal eens het geval is op American Head.
Een volgende verrassing duikt op wanneer Wayne Coyne in vocaal opzicht voor het eerst gezelschap krijgt van niemand minder dan Kacey Musgraves. Bij Kacey Musgraves denk ik onmiddellijk aan countrypop, maar ook in het psychedelische klankentapijt van The Flaming Lips gedijt haar uitstekende stem uitstekend.
The Flaming Lips maakte de afgelopen jaren ook een aantal wat tegendraadse en spacy albums, maar op American Head klinkt alles even aards en harmonieus. Dat kunnen we in deze bijzondere tijden best gebruiken en ik heb het nieuwe album van The Flaming Lips daarom ook direct vol liefde omarmd.
Of het album uiteindelijk dezelfde status weet te bereiken als The Soft Bulletin of Yoshimi Battles The Pink Robots zal de tijd moeten leren, maar vooralsnog word ik volop betoverd door de rijk gearrangeerde en ingekleurde en heerlijk melodieuze songs op het nieuwe album van de Amerikaanse band. Het is een album dat aan de ene kant associaties oproept met heel veel psychedelische popmuziek uit de jaren 70, maar aan de andere kant is het toch ook een typisch Flaming Lips album, waarop het aan het einde toch nog even schuurt.
Het is een album waarop de elektronica in dikke wolken op je af komt en waarop strijkers een belangrijke rol spelen, maar hier en daar is er ook zeker ruimte voor heerlijk gitaarwerk. En dit alles verpakt in songs die verleiden en betoveren. Al met al een van de betere albums van The Flaming Lips, zeker een van de meest aangename en waarschijnlijk de makkelijkste. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Flaming Lips - American Head - dekrentenuitdepop.blogspot.com
en een halve extra voor de bijdragen van Kacey Musgraves.
The Flaming Lips - American Head
De muziek van The Flaming Lips schuurde de afgelopen jaren wel wat, maar betovert nu met dromerige, melodieuze en wonderschone klanken vol invloeden uit de jaren 70
The Flaming Lips nemen je op American Head mee terug naar de jaren 70 en doen dit met fraaie arrangementen, prachtige psychedelische klanken en verrassend melodieuze songs. American Head is een album om heerlijk bij weg te dromen, maar het is ook een Flaming Lips album, dat de fantasie zo nu en dan stevig prikkelt. De band maakte het ons de afgelopen jaren wel eens moeilijk, maar American Head is vooral een buitengewoon aangenaam album dat je mee terug neemt naar de zorgeloze jaren uit de jeugd van voorman Wayne Coyne. American Head is een album waarop heel veel moois valt te ontdekken, met de gastvocalen van Kacey Musgraves als kers op de taart.
De tijd dat een nieuw album van The Flaming Lips al bij voorbaat zeker was van een plekje in de jaarlijstjes ligt al een tijd achter ons. Hiervoor moeten we terug naar albums als The Soft Bulletin uit 1999 en Yoshimi Battles The Pink Robots uit 2002 die menig aansprekend jaarlijstje aanvoerden. Sindsdien is het oeuvre van de band uit Oklahoma City, Oklahoma, een stuk wisselvalliger. Wisselvallig of niet, saai zijn de albums van The Flaming Lips nooit, waardoor ik altijd nieuwsgierig ben naar nieuw materiaal van de Amerikaanse band.
Dit keer was ik extra nieuwsgierig want American Head werd in de aankondigingen die aan de release van het album vooraf gingen vergeleken met de bovengenoemde twee albums, die inmiddels best klassiekers mogen worden genoemd. American Head is volgens voorman Wayne Coyne’s geïnspireerd door zijn zorgeloze jeugd in Oklahoma in de vroege jaren 70, al gaat tegelijkertijd het verhaal dat de belangrijkste inspiratie kwam van een documentaire waarin ook de jonge jaren van Tom Petty, een van de helden van Wayne Coyne, werd belicht.
Wat het ook is, het heeft The Flaming Lips geïnspireerd tot een opvallend melodieus en toegankelijk album. De wat zweverige psychedelische klanken op het album doen inderdaad wel wat denken aan The Soft Bulletin en Yoshimi Battles The Pink Robots, al vind ik vergelijken met het beste werk van de band lastig en hoor ik net zo veel verschillen als overeenkomsten. Het tempo op American Head ligt laag, het geluid is vol en in muzikaal opzicht duiken meer dan eens invloeden uit de jaren 70 op, wat ook niet zo gek is voor een album dat Wayne Coyne de soundtrack van zijn jeugd noemt.
De muziek van The Flaming Lips streek de afgelopen jaren met grote regelmaat flink tegen de haren in, maar op American Head klinkt alles even mooi, melodieus en aards. Het is muziek om heerlijk bij weg te dromen, zeker als de klanken en vocalen breed uit mogen waaien, wat nogal eens het geval is op American Head.
Een volgende verrassing duikt op wanneer Wayne Coyne in vocaal opzicht voor het eerst gezelschap krijgt van niemand minder dan Kacey Musgraves. Bij Kacey Musgraves denk ik onmiddellijk aan countrypop, maar ook in het psychedelische klankentapijt van The Flaming Lips gedijt haar uitstekende stem uitstekend.
The Flaming Lips maakte de afgelopen jaren ook een aantal wat tegendraadse en spacy albums, maar op American Head klinkt alles even aards en harmonieus. Dat kunnen we in deze bijzondere tijden best gebruiken en ik heb het nieuwe album van The Flaming Lips daarom ook direct vol liefde omarmd.
Of het album uiteindelijk dezelfde status weet te bereiken als The Soft Bulletin of Yoshimi Battles The Pink Robots zal de tijd moeten leren, maar vooralsnog word ik volop betoverd door de rijk gearrangeerde en ingekleurde en heerlijk melodieuze songs op het nieuwe album van de Amerikaanse band. Het is een album dat aan de ene kant associaties oproept met heel veel psychedelische popmuziek uit de jaren 70, maar aan de andere kant is het toch ook een typisch Flaming Lips album, waarop het aan het einde toch nog even schuurt.
Het is een album waarop de elektronica in dikke wolken op je af komt en waarop strijkers een belangrijke rol spelen, maar hier en daar is er ook zeker ruimte voor heerlijk gitaarwerk. En dit alles verpakt in songs die verleiden en betoveren. Al met al een van de betere albums van The Flaming Lips, zeker een van de meest aangename en waarschijnlijk de makkelijkste. Erwin Zijleman
The Flaming Lips - King's Mouth (2019)
Alternatieve titel: King's Mouth Music And Songs

4,0
0
geplaatst: 22 juli 2019, 17:22 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Flaming Lips - King's Mouth - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Flaming Lips - King's Mouth
The Flaming Lips keren terug naar het geluid van hun klassiekers van 20 jaar geleden en betoveren met een modern sprookje
Ik heb al meer dan vijfentwintig jaar een zwak voor de muziek van de Amerikaanse band The Flaming Lips. Het heeft een serie bijzondere albums opgeleverd. Hieronder albums die inmiddels de status klassieker verdienen, maar ook albums die ondanks aardige experimenten nooit meer de kast uit komen. Het ter ere van Record Store Day 2019 verschenen en nu alsnog regulier uitgebrachte King’s Mouth zou uiteindelijk wel eens in de eerste categorie kunnen gaan vallen. De band verpakt een bijzonder sprookje in een serie songs vol invloeden uit de neo-psychedelica en de psychedelica uit de jaren 60. Het zijn songs die betoveren met wonderschone passages en verwonderen met flink wat avontuur. Buitengewoon fascinerend album weer van deze unieke band.
Er is een tijd geweest dat de albums van de Amerikaanse band The Flaming Lips stuk voor stuk jaarlijstjeswaardig waren, zeker voor de recensenten van de gerenommeerde Britse muziektijdschriften Mojo en Uncut, die superlatieven tekort kwamen bij het bejubelen van de albums van de band.
Sinds briljante albums als The Soft Bulletin uit 1999 en Yoshimi Battles The Pink Robots uit 2002, maakt de band uit Oklahoma City, Oklahoma, het de luisteraar echter lang niet altijd even makkelijk.
Dat betekent zeker niet dat er sindsdien geen memorabel album van The Flaming Lips meer is verschenen. Ieder album dat de band sinds de genoemde twee meesterwerken heeft uitgebracht is op een of andere manier interessant, maar het ontbrak vaak wel wat aan consistentie, toegankelijkheid en pure magie. Met name Embryonic uit 2009, The Terror uit 2013 en Oczy Mlody uit 2017 had ik echter niet graag gemist.
Eerder dit jaar verscheen op Record Store Day een nieuw album van The Flaming Lips en op dit album keerde de band wat meer terug naar het geluid van de eerder genoemde meesterwerken van al weer bijna 20 jaar geleden. Dit album, King’s Mouth, met de ondertitel Music And Songs, krijgt nu gelukkig ook nog een reguliere release.
King’s Mouth is onderdeel van een groter project, waarvan ook nog een boek en een kunstinstallatie deel uit maken. Het is een conceptalbum dat een modern sprookje vertelt over een reuzenkoning die zichzelf opoffert om zijn stad te redden en dit ook blijft doen nadat zijn hoofd is verwerkt tot monument. Een sprookje vraagt om een verteller en hiervoor is niemand minder dan The Clash zanger en gitarist Mick Jones gerekruteerd, die het verhaal vertelt met een fraaie Britse tongval.
Het verhaal voorziet het nieuwe album van The Flaming Lips al van consistentie, maar ook de songs op het album klinken consistenter dan die op de laatste paar albums van de Amerikaanse band. De knap in elkaar stekende songs herinneren meer dan eens aan de grote albums van The Flaming Lips. Dit waren albums waarmee de band aan de basis stond van het inmiddels florerende hokje neo-psychedelica. Ook op King’s Mouth hoor je veel muziek die past in het hokje neo-psychedelica, maar invloeden uit de psychedelica uit de jaren 60 en 70 zijn minstens net zo nadrukkelijk aanwezig.
Ik moet direct toegeven dat ik de draad van het verhaal vrij snel kwijt was, maar in muzikaal opzicht is King’s Mouth een album dat boeit en blijft boeien. De songs op het album klinken een stuk toegankelijker dan vrijwel alles dat de band de laatste 15 jaar heeft gemaakt, maar echt makkelijk maakt de band rond voorman Wayne Coyne het je gelukkig nooit. Net als je zielsgelukkig wordt van wonderschone klanken is er altijd wel weer de verrassende wending die je met beide benen op de grond zet en zo hoort het ook bij The Flaming Lips.
De songs op het album schieten alle kanten op en hetzelfde geldt voor de uitbundige instrumentatie en productie. Het laatste deed de band grotendeels zelf, maar voor de finishing touch werden ook topproducer Mike Fridmann, die ook de meest succesvolle albums van de band produceerde, en zijn zoon Dave ingehuurd.
Bij eerste beluistering was ik niet overtuigd van de waarde van een verteller, maar de gesproken tekst van Mick Jones voorziet het album uiteindelijk wel van een unieke sfeer. Zo goed als The Soft Bulletin of Yoshimi Battles The Pink Robots is King’s Mouth natuurlijk niet, maar iedereen die de band sindsdien heeft afgeschreven moet dit fraaie album zeker eens proberen. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Flaming Lips - King's Mouth - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Flaming Lips - King's Mouth
The Flaming Lips keren terug naar het geluid van hun klassiekers van 20 jaar geleden en betoveren met een modern sprookje
Ik heb al meer dan vijfentwintig jaar een zwak voor de muziek van de Amerikaanse band The Flaming Lips. Het heeft een serie bijzondere albums opgeleverd. Hieronder albums die inmiddels de status klassieker verdienen, maar ook albums die ondanks aardige experimenten nooit meer de kast uit komen. Het ter ere van Record Store Day 2019 verschenen en nu alsnog regulier uitgebrachte King’s Mouth zou uiteindelijk wel eens in de eerste categorie kunnen gaan vallen. De band verpakt een bijzonder sprookje in een serie songs vol invloeden uit de neo-psychedelica en de psychedelica uit de jaren 60. Het zijn songs die betoveren met wonderschone passages en verwonderen met flink wat avontuur. Buitengewoon fascinerend album weer van deze unieke band.
Er is een tijd geweest dat de albums van de Amerikaanse band The Flaming Lips stuk voor stuk jaarlijstjeswaardig waren, zeker voor de recensenten van de gerenommeerde Britse muziektijdschriften Mojo en Uncut, die superlatieven tekort kwamen bij het bejubelen van de albums van de band.
Sinds briljante albums als The Soft Bulletin uit 1999 en Yoshimi Battles The Pink Robots uit 2002, maakt de band uit Oklahoma City, Oklahoma, het de luisteraar echter lang niet altijd even makkelijk.
Dat betekent zeker niet dat er sindsdien geen memorabel album van The Flaming Lips meer is verschenen. Ieder album dat de band sinds de genoemde twee meesterwerken heeft uitgebracht is op een of andere manier interessant, maar het ontbrak vaak wel wat aan consistentie, toegankelijkheid en pure magie. Met name Embryonic uit 2009, The Terror uit 2013 en Oczy Mlody uit 2017 had ik echter niet graag gemist.
Eerder dit jaar verscheen op Record Store Day een nieuw album van The Flaming Lips en op dit album keerde de band wat meer terug naar het geluid van de eerder genoemde meesterwerken van al weer bijna 20 jaar geleden. Dit album, King’s Mouth, met de ondertitel Music And Songs, krijgt nu gelukkig ook nog een reguliere release.
King’s Mouth is onderdeel van een groter project, waarvan ook nog een boek en een kunstinstallatie deel uit maken. Het is een conceptalbum dat een modern sprookje vertelt over een reuzenkoning die zichzelf opoffert om zijn stad te redden en dit ook blijft doen nadat zijn hoofd is verwerkt tot monument. Een sprookje vraagt om een verteller en hiervoor is niemand minder dan The Clash zanger en gitarist Mick Jones gerekruteerd, die het verhaal vertelt met een fraaie Britse tongval.
Het verhaal voorziet het nieuwe album van The Flaming Lips al van consistentie, maar ook de songs op het album klinken consistenter dan die op de laatste paar albums van de Amerikaanse band. De knap in elkaar stekende songs herinneren meer dan eens aan de grote albums van The Flaming Lips. Dit waren albums waarmee de band aan de basis stond van het inmiddels florerende hokje neo-psychedelica. Ook op King’s Mouth hoor je veel muziek die past in het hokje neo-psychedelica, maar invloeden uit de psychedelica uit de jaren 60 en 70 zijn minstens net zo nadrukkelijk aanwezig.
Ik moet direct toegeven dat ik de draad van het verhaal vrij snel kwijt was, maar in muzikaal opzicht is King’s Mouth een album dat boeit en blijft boeien. De songs op het album klinken een stuk toegankelijker dan vrijwel alles dat de band de laatste 15 jaar heeft gemaakt, maar echt makkelijk maakt de band rond voorman Wayne Coyne het je gelukkig nooit. Net als je zielsgelukkig wordt van wonderschone klanken is er altijd wel weer de verrassende wending die je met beide benen op de grond zet en zo hoort het ook bij The Flaming Lips.
De songs op het album schieten alle kanten op en hetzelfde geldt voor de uitbundige instrumentatie en productie. Het laatste deed de band grotendeels zelf, maar voor de finishing touch werden ook topproducer Mike Fridmann, die ook de meest succesvolle albums van de band produceerde, en zijn zoon Dave ingehuurd.
Bij eerste beluistering was ik niet overtuigd van de waarde van een verteller, maar de gesproken tekst van Mick Jones voorziet het album uiteindelijk wel van een unieke sfeer. Zo goed als The Soft Bulletin of Yoshimi Battles The Pink Robots is King’s Mouth natuurlijk niet, maar iedereen die de band sindsdien heeft afgeschreven moet dit fraaie album zeker eens proberen. Erwin Zijleman
The Flaming Lips - Oczy Mlody (2017)

4,0
1
geplaatst: 18 januari 2017, 16:59 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Flaming Lips - Oczy Mlody - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De uit Oklahoma City, Oklahoma, afkomstige band The Flaming Lips leek lange tijd veroordeeld tot een bestaan als cultband, tot de band aan het eind van de jaren 90 uit het niets werd omarmd door de grote Britse muziektijdschriften (Mojo, Uncut, Q) en opeens jaarlijstjes platen of zelfs platen van het jaar afleverde.
Dat laatste lukte met The Soft Bulletin uit 1999 en met Yoshimi Battles The Pink Robots uit 2002 (allebei inderdaad prachtplaten), maar sindsdien is The Flaming Lips weer langzaam maar zeker een cultband geworden.
De afgelopen tien jaar heeft de band een aantal lastig te doorgronden conceptplaten gemaakt, maar het reguliere 7 Skies H3 uit 2014 was zo mogelijk nog zwaardere kost en voor menigeen zelfs compleet onverteerbaar.
Vergeleken met zijn voorganger, die overigens werd gevolgd door de krankzinnige plaat van Miley Cyrus waaraan de band zeer nadrukkelijk bijdroeg, is het vorige week verschenen Oczy Mlody weer een stuk toegankelijker.
Het is een plaat waarop dromerige en trippy psychedelische klanken overheersen. Liefhebbers van de frisse popliedjes die de band ook een tijd wist te maken, zullen Oczy Mlody waarschijnlijk wat te zweverig vinden, maar vergeleken met het bij vlagen loodzware 7 Skies H3 klinkt de nieuwe plaat van de band uit Oklahoma behoorlijk lichtvoetig.
Omdat de songs vooral dromerig, zweverig en trippy zijn, is Oczy Mlody geen plaat die direct bij eerste beluistering indruk maakt. In eerste instantie kabbelt het vooral bijzonder aangenaam voort, maar heb je niet het idee dat je naar een heel inspirerende plaat aan het luisteren bent.
Dat verandert wanneer je eenmaal gewend bent aan de klanken op de plaat en Oczy Mlody als één geheel gaat beluisteren. Hierna vallen steeds meer puzzelstukjes in elkaar, komt de grote schoonheid van flink wat passages aan de oppervlakte en hoor je ook steeds meer songs die veel meer doen dan aangenaam voortkabbelen.
De nieuwe plaat van The Flaming Lips wordt naarmate je hem vaker hoort steeds beeldender en laat bij aandachtige beluistering ook steeds meer bijzondere invloeden horen. Ook Oczy Mlody grijpt weer nadrukkelijk terug op de psychedelica uit de jaren 60, maar The Flaming Lips slaagt er in om aan deze invloeden uit het verleden een draai te geven die alleen maar uit het heden kan komen.
Ik heb Oczy Mlody bewust een paar keer weggelegd en iedere keer dat ik de plaat er weer bij pak vind ik hem beter en boeiender. Oczy Mlody heeft niet het magistrale van de jaarlijstjesplaten van een jaar of 15 geleden, maar sindsdien heeft de band nooit meer een plaat gemaakt die me zo weet te betoveren als Oczy Mlody en de toverkracht van de plaat groeit nog steeds. Ik had de band na de vorige plaat wel een beetje afgeschreven, maar door deze plaat laait de liefde voor deze unieke band toch weer op. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Flaming Lips - Oczy Mlody - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De uit Oklahoma City, Oklahoma, afkomstige band The Flaming Lips leek lange tijd veroordeeld tot een bestaan als cultband, tot de band aan het eind van de jaren 90 uit het niets werd omarmd door de grote Britse muziektijdschriften (Mojo, Uncut, Q) en opeens jaarlijstjes platen of zelfs platen van het jaar afleverde.
Dat laatste lukte met The Soft Bulletin uit 1999 en met Yoshimi Battles The Pink Robots uit 2002 (allebei inderdaad prachtplaten), maar sindsdien is The Flaming Lips weer langzaam maar zeker een cultband geworden.
De afgelopen tien jaar heeft de band een aantal lastig te doorgronden conceptplaten gemaakt, maar het reguliere 7 Skies H3 uit 2014 was zo mogelijk nog zwaardere kost en voor menigeen zelfs compleet onverteerbaar.
Vergeleken met zijn voorganger, die overigens werd gevolgd door de krankzinnige plaat van Miley Cyrus waaraan de band zeer nadrukkelijk bijdroeg, is het vorige week verschenen Oczy Mlody weer een stuk toegankelijker.
Het is een plaat waarop dromerige en trippy psychedelische klanken overheersen. Liefhebbers van de frisse popliedjes die de band ook een tijd wist te maken, zullen Oczy Mlody waarschijnlijk wat te zweverig vinden, maar vergeleken met het bij vlagen loodzware 7 Skies H3 klinkt de nieuwe plaat van de band uit Oklahoma behoorlijk lichtvoetig.
Omdat de songs vooral dromerig, zweverig en trippy zijn, is Oczy Mlody geen plaat die direct bij eerste beluistering indruk maakt. In eerste instantie kabbelt het vooral bijzonder aangenaam voort, maar heb je niet het idee dat je naar een heel inspirerende plaat aan het luisteren bent.
Dat verandert wanneer je eenmaal gewend bent aan de klanken op de plaat en Oczy Mlody als één geheel gaat beluisteren. Hierna vallen steeds meer puzzelstukjes in elkaar, komt de grote schoonheid van flink wat passages aan de oppervlakte en hoor je ook steeds meer songs die veel meer doen dan aangenaam voortkabbelen.
De nieuwe plaat van The Flaming Lips wordt naarmate je hem vaker hoort steeds beeldender en laat bij aandachtige beluistering ook steeds meer bijzondere invloeden horen. Ook Oczy Mlody grijpt weer nadrukkelijk terug op de psychedelica uit de jaren 60, maar The Flaming Lips slaagt er in om aan deze invloeden uit het verleden een draai te geven die alleen maar uit het heden kan komen.
Ik heb Oczy Mlody bewust een paar keer weggelegd en iedere keer dat ik de plaat er weer bij pak vind ik hem beter en boeiender. Oczy Mlody heeft niet het magistrale van de jaarlijstjesplaten van een jaar of 15 geleden, maar sindsdien heeft de band nooit meer een plaat gemaakt die me zo weet te betoveren als Oczy Mlody en de toverkracht van de plaat groeit nog steeds. Ik had de band na de vorige plaat wel een beetje afgeschreven, maar door deze plaat laait de liefde voor deze unieke band toch weer op. Erwin Zijleman
The Flaming Lips - The Soft Bulletin (1999)

4,5
1
geplaatst: 19 maart 2023, 21:18 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Flaming Lips - The Soft Bulletin - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Flaming Lips - The Soft Bulletin
De Amerikaanse band The Flaming Lips maakte met het geniale The Soft Bulletin volgens velen het beste album van 1999 of zelfs van het decennium en daar valt 24 jaar na dato weinig tot niets op af te dingen
The Flaming Lips uit Oklahoma City, Oklahoma, waren al heel wat jaren een cultband, toen de Britse en Amerikaanse muziekpers in 1999 het album The Soft Bulletin onthaalden met louter superlatieven. The Soft Bulletin werd vergeleken met het beste van The Beach Boys en nog wat andere klassiekers uit de muziekgeschiedenis, maar het was toch vooral een album waarop psychedelica en neo-psychedelica samen kwamen. The Soft Bulletin is misschien wel het meest toegankelijke album van de Amerikaanse band, maar het is ook een album dat van de eerste tot en met de laatste track sprankelt van avontuur. En in de afgelopen 24 jaar is het album echt alleen maar leuker en interessanter geworden.
De Amerikaanse band The Flaming Lips werd al aan het begin van de jaren 80 opgericht in Oklahoma City, Oklahoma, maar werd pas in 1999 omarmd door een breed publiek. Vanaf de tweede helft van de jaren 80 maakte de band een aantal niet direct opvallende albums met vooral psychedelische rockmuziek, maar vanaf het begin van de jaren 90 werden de albums van The Flaming Lips interessanter.
Met de single She Don't Use Jelly van het in 1993 verschenen Transmissions From The Satellite Heart scoorde de band een bescheiden hit en werd The Flaming Lips een heuse cultband. Die status versterkte de Amerikaanse band met het in 1997 verschenen Zaireeka, dat feitelijk bestond uit vier losse albums, die je bij voorkeur op hetzelfde moment moest afspelen, wat op zijn minst een lastige opgave was.
En toen werd het 1999 en verscheen midden in de zomer The Soft Bulletin. Het was een album dat niet overdreven veel verschilde van de albums die de band eerder in de jaren 90 had uitgebracht, maar de reactie van de critici sloeg compleet om. Met name de gerenommeerde Britse muziektijdschriften en Amerikaanse muziekwebsites bejubelden het album zeer uitvoerig en uiteindelijk zou The Soft Bulletin flink wat jaarlijstjes aanvoeren.
Het had in 1999 veel van een hype, maar The Soft Bulletin is ook echt een geweldig album en wat mij betreft het beste album van The Flaming Lips. De hype rond de band zou aanhouden tot 2002 toen Yoshimi Battles The Pink Robots verscheen. Het is een album dat ik vrijwel net zo hoog aansla als The Soft Bulletin, maar met het laatstgenoemde album heb ik net iets meer. Na Yoshimi Battles The Pink Robots werd The Flaming Lips overigens al snel weer de cultband die het een paar jaar eerder was en dat imago heeft de band de afgelopen tien jaar alleen maar versterkt met wisselvallige en vaak wat obscuur aandoende albums.
Terug naar 1999, toen The Soft Bulletin verscheen. Het is een jaar waarin het relatief nieuwe genre neo-psychedelica hot was en het album van The Flaming Lips paste perfect in dit genre. De muziek van de band uit Oklahoma City liet zich deels beïnvloeden door de psychedelica uit de jaren 60 en 70 en was ook zeker niet vies van Beatlesque songs, maar door het gebruik van flink wat elektronica klonk The Soft Bulletin ook onmiskenbaar als een album uit de jaren 90.
The Soft Bulletin is net wat toegankelijker dan de meeste andere albums van The Flaming Lips, maar het is nog altijd een album vol avontuur. Het is ook een album met heerlijk melodieuze songs, die zijn voorzien van opvallend rijke orkestraties. Zeker bij beluistering met de koptelefoon gebeurt er zoveel dat het je met grote regelmaat duizelt, maar toch vind ik The Soft Bulletin niet over the top, wat wel geldt voor een aantal andere albums van de band.
Voorman Wayne Coyne schreef voor The Soft Bulletin een aantal persoonlijke songs, waardoor de songs intenser klinken dan die op de vorige albums van de band. Het zijn songs die zich zoals gezegd nadrukkelijk hebben laten inspireren door de psychedelische popmuziek uit de jaren 60 en 70 en ook de invloeden van zowel The Beatles als The Beach Boys zijn duidelijk hoorbaar, maar The Flaming Lips namen in 1999 ook al een voorschot op de eenentwintigste eeuw, want wat klinkt dit album nog altijd fris en urgent.
Ik luister de laatste jaren vooral naar Yoshimi Battles The Pink Robots en was The Soft Bulletin wat vergeten, maar bij de hernieuwde kennismaking was direct weer duidelijk waarom dit het beste album van 1999 was en eigenlijk is het album, dat van The Flaming Lips een paar jaar een hele grote band maakte, alleen maar beter en fascinerender geworden. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Flaming Lips - The Soft Bulletin - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Flaming Lips - The Soft Bulletin
De Amerikaanse band The Flaming Lips maakte met het geniale The Soft Bulletin volgens velen het beste album van 1999 of zelfs van het decennium en daar valt 24 jaar na dato weinig tot niets op af te dingen
The Flaming Lips uit Oklahoma City, Oklahoma, waren al heel wat jaren een cultband, toen de Britse en Amerikaanse muziekpers in 1999 het album The Soft Bulletin onthaalden met louter superlatieven. The Soft Bulletin werd vergeleken met het beste van The Beach Boys en nog wat andere klassiekers uit de muziekgeschiedenis, maar het was toch vooral een album waarop psychedelica en neo-psychedelica samen kwamen. The Soft Bulletin is misschien wel het meest toegankelijke album van de Amerikaanse band, maar het is ook een album dat van de eerste tot en met de laatste track sprankelt van avontuur. En in de afgelopen 24 jaar is het album echt alleen maar leuker en interessanter geworden.
De Amerikaanse band The Flaming Lips werd al aan het begin van de jaren 80 opgericht in Oklahoma City, Oklahoma, maar werd pas in 1999 omarmd door een breed publiek. Vanaf de tweede helft van de jaren 80 maakte de band een aantal niet direct opvallende albums met vooral psychedelische rockmuziek, maar vanaf het begin van de jaren 90 werden de albums van The Flaming Lips interessanter.
Met de single She Don't Use Jelly van het in 1993 verschenen Transmissions From The Satellite Heart scoorde de band een bescheiden hit en werd The Flaming Lips een heuse cultband. Die status versterkte de Amerikaanse band met het in 1997 verschenen Zaireeka, dat feitelijk bestond uit vier losse albums, die je bij voorkeur op hetzelfde moment moest afspelen, wat op zijn minst een lastige opgave was.
En toen werd het 1999 en verscheen midden in de zomer The Soft Bulletin. Het was een album dat niet overdreven veel verschilde van de albums die de band eerder in de jaren 90 had uitgebracht, maar de reactie van de critici sloeg compleet om. Met name de gerenommeerde Britse muziektijdschriften en Amerikaanse muziekwebsites bejubelden het album zeer uitvoerig en uiteindelijk zou The Soft Bulletin flink wat jaarlijstjes aanvoeren.
Het had in 1999 veel van een hype, maar The Soft Bulletin is ook echt een geweldig album en wat mij betreft het beste album van The Flaming Lips. De hype rond de band zou aanhouden tot 2002 toen Yoshimi Battles The Pink Robots verscheen. Het is een album dat ik vrijwel net zo hoog aansla als The Soft Bulletin, maar met het laatstgenoemde album heb ik net iets meer. Na Yoshimi Battles The Pink Robots werd The Flaming Lips overigens al snel weer de cultband die het een paar jaar eerder was en dat imago heeft de band de afgelopen tien jaar alleen maar versterkt met wisselvallige en vaak wat obscuur aandoende albums.
Terug naar 1999, toen The Soft Bulletin verscheen. Het is een jaar waarin het relatief nieuwe genre neo-psychedelica hot was en het album van The Flaming Lips paste perfect in dit genre. De muziek van de band uit Oklahoma City liet zich deels beïnvloeden door de psychedelica uit de jaren 60 en 70 en was ook zeker niet vies van Beatlesque songs, maar door het gebruik van flink wat elektronica klonk The Soft Bulletin ook onmiskenbaar als een album uit de jaren 90.
The Soft Bulletin is net wat toegankelijker dan de meeste andere albums van The Flaming Lips, maar het is nog altijd een album vol avontuur. Het is ook een album met heerlijk melodieuze songs, die zijn voorzien van opvallend rijke orkestraties. Zeker bij beluistering met de koptelefoon gebeurt er zoveel dat het je met grote regelmaat duizelt, maar toch vind ik The Soft Bulletin niet over the top, wat wel geldt voor een aantal andere albums van de band.
Voorman Wayne Coyne schreef voor The Soft Bulletin een aantal persoonlijke songs, waardoor de songs intenser klinken dan die op de vorige albums van de band. Het zijn songs die zich zoals gezegd nadrukkelijk hebben laten inspireren door de psychedelische popmuziek uit de jaren 60 en 70 en ook de invloeden van zowel The Beatles als The Beach Boys zijn duidelijk hoorbaar, maar The Flaming Lips namen in 1999 ook al een voorschot op de eenentwintigste eeuw, want wat klinkt dit album nog altijd fris en urgent.
Ik luister de laatste jaren vooral naar Yoshimi Battles The Pink Robots en was The Soft Bulletin wat vergeten, maar bij de hernieuwde kennismaking was direct weer duidelijk waarom dit het beste album van 1999 was en eigenlijk is het album, dat van The Flaming Lips een paar jaar een hele grote band maakte, alleen maar beter en fascinerender geworden. Erwin Zijleman
The Foreign Films - Magic Shadows (2023)

4,0
0
geplaatst: 10 februari 2023, 16:22 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Foreign Films - Magic Shadows - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Foreign Films - Magic Shadows
De Canadese band The Foreign Films maakte al een aantal albums vol perfecte popsongs en strooit ook op het deze maand verschenen Magic Shadows weer met popliedjes waarvan je alleen maar intens kunt houden
De Canadese band The Foreign Films dook ruim vijftien jaar geleden voor het eerst op en was lange tijd niet heel productief, maar de afgelopen jaren hebben Bill Majoros en zijn medemuzikanten er zin in. Ook op Magic Shadows laat The Foreign Films weer horen dat het het geheime recept voor het schrijven van perfecte popliedjes in haar bezit heeft. Het zijn popliedjes met heel veel invloeden uit de jaren 70 van onder andere The Beatles en Electric Light Orchestra, maar de Canadese band blijft nooit hangen in het verleden. Magic Shadows streelt 45 minuten lang genadeloos het oor en smaakt, net als zijn voorgangers, naar veel en veel meer.
De Canadese band The Foreign Films ontdekte ik ruim vijftien jaar geleden na een zeer positieve recensie in het overigens zeer aan te bevelen Nederlandse muziektijdschrift Heaven. Distant Star, het in 2007 verschenen debuutalbum van de band rond de Canadese muzikant Bill Majoros, strooide bijna anderhalf uur lang met nagenoeg perfecte en in een aantal gevallen perfecte popliedjes.
Het debuutalbum van The Foreign Films klonk als de spreekwoordelijke omgevallen platenkast en het was een platenkast met heel veel klassiekers uit de jaren 70. Distant Star klonk echter ook als een album dat The Beatles nooit gemaakt hadden, maar zomaar gemaakt zouden kunnen hebben als de onderlinge meningsverschillen in 1970 waren uitgepraat in plaats van uitgevochten.
Distant Star werd pas in 2018 gevolgd door het minstens even mooie en bijzondere The Record Collector, dat goed was voor ruim 80 minuten perfecte popmuziek. Ook op The Record Collector maakte Bill Majoros geen geheim van zijn muzikale helden, maar de Canadese muzikant slaagde er ook in om de tijdloze popsongs op het album te voorzien van een eigentijds laagje, waardoor het etiket ‘retro’ wat mij betreft niet van toepassing was op de muziek van de band.
The Record Collector werd in 2020 gevolgd door een kort tussendoortje, al bevatte ook Ocean Moon nog altijd bijna een half uur geweldige popmuziek. Voor het laatste album van The Foreign Films moesten we tot voor kort terug naar 2021, toen Starlight Serenade verscheen. Het was met 35 minuten muziek wederom een betrekkelijk kort album, zeker voor The Foreign Films begrippen, maar het niveau lag ook dit keer hoog.
Vorige week appte Bill Majoros me dat er weer een nieuw album van The Foreign Films was verschenen en ondanks de torenhoge verwachtingen valt ook Magic Shadows me zeker niet tegen. De Canadese band schotelt ons dit keer elf songs en bijna drie kwartier muziek voor en het is weer smullen.
Heel veel veranderd is er niet. Ook Magic Shadows is weer stevig beïnvloed door het werk van The Beatles en door de muziek van tijdgenoten als 10cc en Electric Light Orchestra. Ook dit keer is The Foreign Films echter niet blijven hangen in de jaren 70, want invloeden uit het verleden vloeien op fraaie wijze samen met invloeden uit het heden. Veel songs op Magic Shadows hebben hun nostalgische momenten, maar ook het nieuwe album van The Foreign Films klinkt wat mij betreft weer vooral fris en fruitig.
Bill Majoros heeft dit keer flink wat muzikanten uitgenodigd in de studio, waardoor Magic Shadows lekker vol klinkt. Door de toegevoegde orkestraties met flink wat blazers en vooral strijkers en door de hier en daar toegevoegde koortjes heb ik vaak associaties met de muziek van Electric Light Orchestra, maar The Foreign Films maakt hier en daar ook subtiele uitstapjes naar de jaren 80, wat de band al even goed af gaat als het verwerken van invloeden uit de jaren 70. Hier en daar heeft het ook wel wat van de muziek van The Auteurs, waarmee we in één klap in de jaren 90 zijn beland.
The Foreign Films maakte in het verleden twee hele lange albums, waardoor Magic Shadows na ‘slechts’ 45 minuten nog lang niet voor verzadiging heeft gezorgd. Het is jammer dat de Canadese band nog altijd slechts in kleine kring bekend is, want ook op Magic Shadows laten Bill Majoros en zijn medemuzikanten weer horen dat de band het maken van perfecte popliedjes tot in de finesses beheerst. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Foreign Films - Magic Shadows - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Foreign Films - Magic Shadows
De Canadese band The Foreign Films maakte al een aantal albums vol perfecte popsongs en strooit ook op het deze maand verschenen Magic Shadows weer met popliedjes waarvan je alleen maar intens kunt houden
De Canadese band The Foreign Films dook ruim vijftien jaar geleden voor het eerst op en was lange tijd niet heel productief, maar de afgelopen jaren hebben Bill Majoros en zijn medemuzikanten er zin in. Ook op Magic Shadows laat The Foreign Films weer horen dat het het geheime recept voor het schrijven van perfecte popliedjes in haar bezit heeft. Het zijn popliedjes met heel veel invloeden uit de jaren 70 van onder andere The Beatles en Electric Light Orchestra, maar de Canadese band blijft nooit hangen in het verleden. Magic Shadows streelt 45 minuten lang genadeloos het oor en smaakt, net als zijn voorgangers, naar veel en veel meer.
De Canadese band The Foreign Films ontdekte ik ruim vijftien jaar geleden na een zeer positieve recensie in het overigens zeer aan te bevelen Nederlandse muziektijdschrift Heaven. Distant Star, het in 2007 verschenen debuutalbum van de band rond de Canadese muzikant Bill Majoros, strooide bijna anderhalf uur lang met nagenoeg perfecte en in een aantal gevallen perfecte popliedjes.
Het debuutalbum van The Foreign Films klonk als de spreekwoordelijke omgevallen platenkast en het was een platenkast met heel veel klassiekers uit de jaren 70. Distant Star klonk echter ook als een album dat The Beatles nooit gemaakt hadden, maar zomaar gemaakt zouden kunnen hebben als de onderlinge meningsverschillen in 1970 waren uitgepraat in plaats van uitgevochten.
Distant Star werd pas in 2018 gevolgd door het minstens even mooie en bijzondere The Record Collector, dat goed was voor ruim 80 minuten perfecte popmuziek. Ook op The Record Collector maakte Bill Majoros geen geheim van zijn muzikale helden, maar de Canadese muzikant slaagde er ook in om de tijdloze popsongs op het album te voorzien van een eigentijds laagje, waardoor het etiket ‘retro’ wat mij betreft niet van toepassing was op de muziek van de band.
The Record Collector werd in 2020 gevolgd door een kort tussendoortje, al bevatte ook Ocean Moon nog altijd bijna een half uur geweldige popmuziek. Voor het laatste album van The Foreign Films moesten we tot voor kort terug naar 2021, toen Starlight Serenade verscheen. Het was met 35 minuten muziek wederom een betrekkelijk kort album, zeker voor The Foreign Films begrippen, maar het niveau lag ook dit keer hoog.
Vorige week appte Bill Majoros me dat er weer een nieuw album van The Foreign Films was verschenen en ondanks de torenhoge verwachtingen valt ook Magic Shadows me zeker niet tegen. De Canadese band schotelt ons dit keer elf songs en bijna drie kwartier muziek voor en het is weer smullen.
Heel veel veranderd is er niet. Ook Magic Shadows is weer stevig beïnvloed door het werk van The Beatles en door de muziek van tijdgenoten als 10cc en Electric Light Orchestra. Ook dit keer is The Foreign Films echter niet blijven hangen in de jaren 70, want invloeden uit het verleden vloeien op fraaie wijze samen met invloeden uit het heden. Veel songs op Magic Shadows hebben hun nostalgische momenten, maar ook het nieuwe album van The Foreign Films klinkt wat mij betreft weer vooral fris en fruitig.
Bill Majoros heeft dit keer flink wat muzikanten uitgenodigd in de studio, waardoor Magic Shadows lekker vol klinkt. Door de toegevoegde orkestraties met flink wat blazers en vooral strijkers en door de hier en daar toegevoegde koortjes heb ik vaak associaties met de muziek van Electric Light Orchestra, maar The Foreign Films maakt hier en daar ook subtiele uitstapjes naar de jaren 80, wat de band al even goed af gaat als het verwerken van invloeden uit de jaren 70. Hier en daar heeft het ook wel wat van de muziek van The Auteurs, waarmee we in één klap in de jaren 90 zijn beland.
The Foreign Films maakte in het verleden twee hele lange albums, waardoor Magic Shadows na ‘slechts’ 45 minuten nog lang niet voor verzadiging heeft gezorgd. Het is jammer dat de Canadese band nog altijd slechts in kleine kring bekend is, want ook op Magic Shadows laten Bill Majoros en zijn medemuzikanten weer horen dat de band het maken van perfecte popliedjes tot in de finesses beheerst. Erwin Zijleman
The Foreign Films - Starlight Serenade (2021)

4,5
0
geplaatst: 20 augustus 2021, 15:11 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Foreign Films - Starlight Serenade - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Foreign Films - Starlight Serenade
The Foreign Films staat inmiddels al een aantal albums garant voor tijdloze popmuziek vol invloeden en ook het nieuwe album van de band rond Bill Majoros is weer een waar kunststukje
The Foreign Films ontdekte ik een jaar of veertien geleden min of meer bij toeval, maar sindsdien ben ik fan. Heel productief is de band rond de Canadese muzikant Bill Majoros niet, maar als er een album verschijnt van The Foreign Films is het smullen. Het geldt ook weer voor het onlangs verschenen Starlight Serenade. Het is voor The Foreign Films begrippen een relatief kort album, maar er gebeurt van alles en iedere song is raak. Denk bij The Foreign Films vooral aan de jaren 70 en aan alles dat zich heeft laten inspireren door The Beatles, maar een bijzondere twist is ook op Starlight Serenade nooit ver weg. 35 minuten lang leef je op een roze wolk en het album wordt echt alleen maar onweerstaanbaarder.
De naam Bill Majoros zal niet bij iedereen een belletje doen rinkelen en ook de naam van zijn band is bij het grote publiek helaas volslagen onbekend. Het Nederlandse muziektijdschrift Heaven wees me alweer veertien jaar geleden op Distant Star, het debuutalbum van The Foreign Films. Op dit debuutalbum vermaakte en imponeerde de band rond Bill Majoros anderhalf uur lang met psychedelische popmuziek. Het album klonk als de spreekwoordelijke omgevallen platenkast, maar het was dit keer wel een zeer smaakvol gevulde platenkast.
Distant Star is nog altijd een graag geziene gast in mijn cd-speler, maar na het debuut van The Foreign Films duurde het voor mij maar liefst elf jaar voor een nieuw album van de band opdook. The Record Collector pakte in 2018 gelukkig flink uit met twee uur nieuwe muziek en ook dit keer was het muziek vol invloeden, met een voorkeur voor invloeden uit de jaren 70.
Het vorig jaar verschenen tussendoortje van The Foreign Films heb ik helaas gemist, maar Bill Majoros wees me gelukkig zelf op het eind vorige maand verschenen Starlight Serenade. We moeten het dit keer doen met slechts 35 minuten muziek, maar het is 35 minuten smullen.
Direct vanaf de eerste noten draait Bill Majoros de kraan open om het warme band van de muziek van The Foreign Films te vullen. Starlight Serenade opent aan het begin van de jaren 70 met een mix van The Beatles, 10cc, Electric Light Orchestra en een flinke dosis The Foreign Films en dat is een mix van invloeden die vaker terugkeert op het nieuwe album van de band.
De Canadese muzikant kent absoluut zijn klassiekers, maar de muziek van The Foreign Films is zeker geen flauwe retro. Bill Majoros heeft immers niet alleen fraaie inspiratiebronnen, maar is ook zeer bedreven in het schrijven van tijdloze songs vol avontuur. Met de genoemde drie bands heeft hij niet over inspiratie te klagen, maar op Starlight Serenade sleept Bill Majoros er nog veel meer bij.
Ook Starlight Serenade is weer de spreekwoordelijke omgevallen platenkast vol moois uit de jaren 70 en een beetje uit de jaren 80 en het is een platenkast vol klassiekers en obscure parels met hier en daar bijzondere funky en elektronische impulsen, die je op het verkeerde been zetten maar ook zielsgelukkig maken. Zeker wanneer strijkers worden ingezet klinkt de muziek van The Foreign Films zoet en Beatleque, maar het nieuwe album van de Canadese band zit ook vol goede vondsten en verrassende wendingen.
Probleem met dit soort muziek is vaak dat je na een paar keer horen teruggrijpt op de klassiekers die hun sporen hebben nagelaten, maar bij de albums van The Foreign Films had ik daar tot dusver geen last van. Het is niet anders bij beluistering van Starlight Serenade, dat hier inmiddels voor de zoveelste keer voorbij komt en het oor nog altijd even lieflijk als genadeloos streelt.
Distant Star en The Record Collector zijn inmiddels albums die ik intens koester en met het nieuwe album van The Foreign Films gaat het niet anders aflopen. Starlight Serenade is een bijzonder aangename luistertrip langs Memory Lane, maar het klinkt wat mij betreft geen moment gedateerd. Integendeel, het album sprankelt van de eerste tot de laatste noot.
Wereldberoemd is Bill Majoros er helaas nog steeds niet mee geworden, maar de Canadese muzikant levert ook dit keer een pareltje af. Het album had wat mij betreft best drie of vier keer zo lang mogen duren, maar ik wil ook best wachten op een volgend prachtalbum, dat hopelijk snel komt. Wat een geweldige band is dit toch. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Foreign Films - Starlight Serenade - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Foreign Films - Starlight Serenade
The Foreign Films staat inmiddels al een aantal albums garant voor tijdloze popmuziek vol invloeden en ook het nieuwe album van de band rond Bill Majoros is weer een waar kunststukje
The Foreign Films ontdekte ik een jaar of veertien geleden min of meer bij toeval, maar sindsdien ben ik fan. Heel productief is de band rond de Canadese muzikant Bill Majoros niet, maar als er een album verschijnt van The Foreign Films is het smullen. Het geldt ook weer voor het onlangs verschenen Starlight Serenade. Het is voor The Foreign Films begrippen een relatief kort album, maar er gebeurt van alles en iedere song is raak. Denk bij The Foreign Films vooral aan de jaren 70 en aan alles dat zich heeft laten inspireren door The Beatles, maar een bijzondere twist is ook op Starlight Serenade nooit ver weg. 35 minuten lang leef je op een roze wolk en het album wordt echt alleen maar onweerstaanbaarder.
De naam Bill Majoros zal niet bij iedereen een belletje doen rinkelen en ook de naam van zijn band is bij het grote publiek helaas volslagen onbekend. Het Nederlandse muziektijdschrift Heaven wees me alweer veertien jaar geleden op Distant Star, het debuutalbum van The Foreign Films. Op dit debuutalbum vermaakte en imponeerde de band rond Bill Majoros anderhalf uur lang met psychedelische popmuziek. Het album klonk als de spreekwoordelijke omgevallen platenkast, maar het was dit keer wel een zeer smaakvol gevulde platenkast.
Distant Star is nog altijd een graag geziene gast in mijn cd-speler, maar na het debuut van The Foreign Films duurde het voor mij maar liefst elf jaar voor een nieuw album van de band opdook. The Record Collector pakte in 2018 gelukkig flink uit met twee uur nieuwe muziek en ook dit keer was het muziek vol invloeden, met een voorkeur voor invloeden uit de jaren 70.
Het vorig jaar verschenen tussendoortje van The Foreign Films heb ik helaas gemist, maar Bill Majoros wees me gelukkig zelf op het eind vorige maand verschenen Starlight Serenade. We moeten het dit keer doen met slechts 35 minuten muziek, maar het is 35 minuten smullen.
Direct vanaf de eerste noten draait Bill Majoros de kraan open om het warme band van de muziek van The Foreign Films te vullen. Starlight Serenade opent aan het begin van de jaren 70 met een mix van The Beatles, 10cc, Electric Light Orchestra en een flinke dosis The Foreign Films en dat is een mix van invloeden die vaker terugkeert op het nieuwe album van de band.
De Canadese muzikant kent absoluut zijn klassiekers, maar de muziek van The Foreign Films is zeker geen flauwe retro. Bill Majoros heeft immers niet alleen fraaie inspiratiebronnen, maar is ook zeer bedreven in het schrijven van tijdloze songs vol avontuur. Met de genoemde drie bands heeft hij niet over inspiratie te klagen, maar op Starlight Serenade sleept Bill Majoros er nog veel meer bij.
Ook Starlight Serenade is weer de spreekwoordelijke omgevallen platenkast vol moois uit de jaren 70 en een beetje uit de jaren 80 en het is een platenkast vol klassiekers en obscure parels met hier en daar bijzondere funky en elektronische impulsen, die je op het verkeerde been zetten maar ook zielsgelukkig maken. Zeker wanneer strijkers worden ingezet klinkt de muziek van The Foreign Films zoet en Beatleque, maar het nieuwe album van de Canadese band zit ook vol goede vondsten en verrassende wendingen.
Probleem met dit soort muziek is vaak dat je na een paar keer horen teruggrijpt op de klassiekers die hun sporen hebben nagelaten, maar bij de albums van The Foreign Films had ik daar tot dusver geen last van. Het is niet anders bij beluistering van Starlight Serenade, dat hier inmiddels voor de zoveelste keer voorbij komt en het oor nog altijd even lieflijk als genadeloos streelt.
Distant Star en The Record Collector zijn inmiddels albums die ik intens koester en met het nieuwe album van The Foreign Films gaat het niet anders aflopen. Starlight Serenade is een bijzonder aangename luistertrip langs Memory Lane, maar het klinkt wat mij betreft geen moment gedateerd. Integendeel, het album sprankelt van de eerste tot de laatste noot.
Wereldberoemd is Bill Majoros er helaas nog steeds niet mee geworden, maar de Canadese muzikant levert ook dit keer een pareltje af. Het album had wat mij betreft best drie of vier keer zo lang mogen duren, maar ik wil ook best wachten op een volgend prachtalbum, dat hopelijk snel komt. Wat een geweldige band is dit toch. Erwin Zijleman
The Foreign Films - The Record Collector (2018)

4,5
0
geplaatst: 22 juni 2018, 21:08 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Foreign Films - The Record Collector - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Het is zeker tien jaar geleden dat het Nederlandse muziektijdschrift Heaven me wees op Distant Star van de Canadese band The Foreign Films. Mijn eigen woorden over de plaat kan ik helaas niet meer terugvinden, maar de cd’s met bijna anderhalf uur volstrekt tijdloze popmuziek trek ik nog met enige regelmaat uit de kast.
Toen ik van de week de Heaven van vorige maand nog even doorbladerde, kwam ik The Foreign Films opnieuw tegen. De band bracht deze maand eindelijk een nieuwe plaat uit en omdat er inmiddels aardig wat jaren zijn verstreken sinds het debuut van de band, is het niet zo gek dat The Foreign Films ook dit keer flink uitpakt.
The Record Collector bestaat uit drie LP’s (die overigens eerder ook los via bandcamp verkrijgbaar waren) en bevat bijna twee uur muziek. Net als op Distant Star grossiert de band rond de Canadese muzikant Bill Majoros ook dit keer in tijdloze popmuziek, waarbij de jaren 70 de meeste inspiratie hebben aangedragen. Het is dit keer zeker geen willekeurige verzameling tijdloze popmuziek, want The Record Collector vertelt een verhaal. Het is een deels autobiografisch verhaal waarop Bill Majoros je meeneemt op een muzikale tijdreis.
The Record Collector begint waar Distant Star meer dan tien jaar geleden eindigde. The Foreign Films gaat op de eerste LP verder waar The Beatles in het begin van de jaren 70 ophielden en borduurt voort op het psychedelische werk van de Fab Four. Het knappe van de muziek van The Foreign Films is dat The Record Collector zich niet alleen laat beïnvloeden door de klassiekers uit de jaren 70, maar ook uitstapjes maakt richting schaamteloos toegankelijke popliedjes die ook richting de jaren 80 reiken of citeert uit de archieven van de 70s funk en disco.
Op hetzelfde moment schiet de muziek van The Foreign Films ook allerlei andere kanten op. In een aantal tracks staat zweverige psychedelica centraal, maar ook invloeden uit de pompeuze symfonische rock en de psychedelische variant van Pink Floyd hebben hun weg gevonden naar het bijzondere totaalgeluid van de Canadese band. Alle invloeden zijn gegoten in popliedjes die onweerstaanbaar aanstekelijk zijn, maar ook de fantasie genadeloos prikkelen. Hier en daar hoor ik wat van 10cc, soms ook wat van Electric Light Orchestra, maar de muziek van The Foreign Films is rijker en veelzijdiger.
Bij beluistering van The Record Collector wordt een prachtige platenkast uit de jaren 70 over je uitgestort, maar aan de bijzondere combinatie van invloeden durfde in het betreffende decennium geen enkele band zich te wagen.
Er zijn maar heel weinig bands die twee uur weten te boeien, maar als je eenmaal aan The Record Collector begonnen, kun je niet meer stoppen. Het is prachtig hoe Bill Majoros er met zijn band in slaagt om twee uur lang een consistent geluid te produceren en er toch steeds andere invloeden bij te slepen. Het Beatles gehalte is drie LP’s lang hoog, maar The Foreign Films komt ook toe aan de muziek waar The Beatles niet meer de tijd voor hadden. Ook de erfenis van The Beach Boys is zeer prominent aanwezig op The Record Collector en hetzelfde geldt voor die van Bowie, maar als je eenmaal begint met het noemen van namen is er al snel geen houden meer aan.
Wanneer The Record Collector in de jaren 70 zou zijn verschenen zou het nu een terecht bewierookte klassieker zijn of een obscuur en vergeten meesterwerk, maar ondanks de vele referenties naar de jaren 70 klinkt de muziek van The Foreign Films geen moment als overbodige retro. Drie LP’s maakt de Canadese band indruk met een muzikale tijdreis en iedere keer als ik de reis maak klinkt het weer mooier en indrukwekkender. Wat een prachtplaat. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Foreign Films - The Record Collector - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Het is zeker tien jaar geleden dat het Nederlandse muziektijdschrift Heaven me wees op Distant Star van de Canadese band The Foreign Films. Mijn eigen woorden over de plaat kan ik helaas niet meer terugvinden, maar de cd’s met bijna anderhalf uur volstrekt tijdloze popmuziek trek ik nog met enige regelmaat uit de kast.
Toen ik van de week de Heaven van vorige maand nog even doorbladerde, kwam ik The Foreign Films opnieuw tegen. De band bracht deze maand eindelijk een nieuwe plaat uit en omdat er inmiddels aardig wat jaren zijn verstreken sinds het debuut van de band, is het niet zo gek dat The Foreign Films ook dit keer flink uitpakt.
The Record Collector bestaat uit drie LP’s (die overigens eerder ook los via bandcamp verkrijgbaar waren) en bevat bijna twee uur muziek. Net als op Distant Star grossiert de band rond de Canadese muzikant Bill Majoros ook dit keer in tijdloze popmuziek, waarbij de jaren 70 de meeste inspiratie hebben aangedragen. Het is dit keer zeker geen willekeurige verzameling tijdloze popmuziek, want The Record Collector vertelt een verhaal. Het is een deels autobiografisch verhaal waarop Bill Majoros je meeneemt op een muzikale tijdreis.
The Record Collector begint waar Distant Star meer dan tien jaar geleden eindigde. The Foreign Films gaat op de eerste LP verder waar The Beatles in het begin van de jaren 70 ophielden en borduurt voort op het psychedelische werk van de Fab Four. Het knappe van de muziek van The Foreign Films is dat The Record Collector zich niet alleen laat beïnvloeden door de klassiekers uit de jaren 70, maar ook uitstapjes maakt richting schaamteloos toegankelijke popliedjes die ook richting de jaren 80 reiken of citeert uit de archieven van de 70s funk en disco.
Op hetzelfde moment schiet de muziek van The Foreign Films ook allerlei andere kanten op. In een aantal tracks staat zweverige psychedelica centraal, maar ook invloeden uit de pompeuze symfonische rock en de psychedelische variant van Pink Floyd hebben hun weg gevonden naar het bijzondere totaalgeluid van de Canadese band. Alle invloeden zijn gegoten in popliedjes die onweerstaanbaar aanstekelijk zijn, maar ook de fantasie genadeloos prikkelen. Hier en daar hoor ik wat van 10cc, soms ook wat van Electric Light Orchestra, maar de muziek van The Foreign Films is rijker en veelzijdiger.
Bij beluistering van The Record Collector wordt een prachtige platenkast uit de jaren 70 over je uitgestort, maar aan de bijzondere combinatie van invloeden durfde in het betreffende decennium geen enkele band zich te wagen.
Er zijn maar heel weinig bands die twee uur weten te boeien, maar als je eenmaal aan The Record Collector begonnen, kun je niet meer stoppen. Het is prachtig hoe Bill Majoros er met zijn band in slaagt om twee uur lang een consistent geluid te produceren en er toch steeds andere invloeden bij te slepen. Het Beatles gehalte is drie LP’s lang hoog, maar The Foreign Films komt ook toe aan de muziek waar The Beatles niet meer de tijd voor hadden. Ook de erfenis van The Beach Boys is zeer prominent aanwezig op The Record Collector en hetzelfde geldt voor die van Bowie, maar als je eenmaal begint met het noemen van namen is er al snel geen houden meer aan.
Wanneer The Record Collector in de jaren 70 zou zijn verschenen zou het nu een terecht bewierookte klassieker zijn of een obscuur en vergeten meesterwerk, maar ondanks de vele referenties naar de jaren 70 klinkt de muziek van The Foreign Films geen moment als overbodige retro. Drie LP’s maakt de Canadese band indruk met een muzikale tijdreis en iedere keer als ik de reis maak klinkt het weer mooier en indrukwekkender. Wat een prachtplaat. Erwin Zijleman
The Gentle Spring - Looking Back at the World (2025)

4,0
0
geplaatst: 24 januari 2025, 12:20 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: The Gentle Spring - Looking Back At The World - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Gentle Spring - Looking Back At The World
De Brits-Franse band The Gentle Spring debuteert deze week met het zeer aangename Looking Back At The World, maar de wortels van de band gaan terug tot de jaren 80 en zo klinkt het album ook
Michael Hiscock maakte aan het eind van de jaren 80 en het begin van de jaren 90 een aantal ondergewaardeerde albums met zijn band The Field Mice. Wat hij de afgelopen decennia heeft gedaan weet ik niet, maar echo’s van The Field Mice duiken op op het debuutalbum van zijn nieuwe band The Gentle Spring, die invloeden uit de Britse popmuziek verrijkt met een Franse touch. De songs op Looking Back At The World klinken wat nostalgisch en hebben meer dan eens een jaren 80 vibe, maar de Britse en Franse muzikanten geven ook een eigen draai aan de invloeden uit het verleden. Het is nog lang geen lente, maar zet dit album op en de zon begint echt te schijnen.
Looking Back At The World is het debuutalbum van de Brits-Franse band The Gentle Spring. De band werd geformeerd door de Britse muzikante Michael Hiscock, die in de jaren 80 en 90 deel uitmaakte van de Britse band The Field Mice, dat haar albums mocht uitbrengen op het legendarische label Sarah Records. Ik ken de catalogus van het label vrij goed, maar The Field Mice is me eerlijk gezegd nooit opgevallen.
In zijn nieuwe thuisbasis Parijs kwam Michael Hiscock de Franse muzikanten Emilie Guillaumot en Jérémie Orsel tegen en was The Gentle Spring een feit. De band opereert weliswaar uit Parijs en is voor tweederde Frans, maar de muziek van The Gentle Spring klinkt toch vooral Brits. Michael Hiscock bepaalt met zijn zang en zijn Britse tongval voor een belangrijk deel het geluid van de band en speelt hiernaast bas.
Emilie Guillaumot speelt ook een voorname rol met de keyboard partijen en haar bijzonder mooie achtergrondzang en een enkele keer de leadzang, terwijl Jérémie Orsel tekent voor mooie akoestische gitaarakkoorden. Het geluid van The Gentle Spring is vooral akoestisch en klinkt zeer sfeervol, zeker wanneer ook nog andere instrumenten worden toegevoegd aan de songs, waaronder blazers en strijkers.
Het is een geluid dat af en toe zo lijkt weggelopen uit de jaren 60, maar Looking Back At The World heeft ook zeker een jaren 80 vibe. Veel songs op het album doen me denken aan Belle And Sebastian, Prefab Sprout, The Go-Betweens of aller drie tegelijk, maar The Gentle Spring heeft ook een eigen sound.
Het debuutalbum van The Gentle Spring is een warm klinkend album, dat doet verlangen naar lange zomeravonden, een verlangen dat stevig wordt aangewakkerd door het wat sombere weer van het moment. Net als Belle And Sebastian maakt de band uit Parijs popliedjes die lieflijk en zoet kunnen klinken, maar die uiteindelijk het best kunnen worden gekarakteriseerd als bitterzoet.
Het klinkt allemaal bijzonder lekker, waardoor Looking Back At The World het uitstekend doet op de achtergrond, al dan niet fantaserend over de zon die vast weer een keer gaat schijnen, maar de songs van The Gentle Spring zijn zeker niet alleen aangenaam. Ook dit is weer een album dat het best tot zijn recht komt wanneer je het met de koptelefoon beluistert en hoort hoeveel mooie details er verstopt zijn in de songs van de Brits-Franse band. Het doet me zoals gezegd denken aan Prefab Sprout en dat is ook een band die bij eerste beluistering eenvoudige en zoete popliedjes leek te maken, maar uiteindelijk met Steve McQueen een van de allerbeste albums uit de jaren 80 bleek te hebben gemaakt.
Het lukte Michael Hiscock een hele tijd geleden niet met zijn band The Field Mice. De albums van de band zijn gewoon te vinden op de streaming media platforms en het zijn albums die destijds een veel beter lot hadden verdiend. Met zijn nieuwe band is de Britse muzikant niet eens zo heel ver verwijderd van de muziek die hij een aantal decennia geleden maakte, maar de songs van The Gentle Spring klinken nog wat mooier en zitten ook nog wat knapper in elkaar.
Met name AllMusic zette me de afgelopen week op het spoor van de band uit Parijs, maar het debuutalbum van deze nieuwe band verdient echt alle aandacht en zou zomaar uit kunnen groeien tot een album dat ook de lente en de zomer van 2025 gaat voorzien van een onweerstaanbaar lekkere soundtrack. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: The Gentle Spring - Looking Back At The World - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Gentle Spring - Looking Back At The World
De Brits-Franse band The Gentle Spring debuteert deze week met het zeer aangename Looking Back At The World, maar de wortels van de band gaan terug tot de jaren 80 en zo klinkt het album ook
Michael Hiscock maakte aan het eind van de jaren 80 en het begin van de jaren 90 een aantal ondergewaardeerde albums met zijn band The Field Mice. Wat hij de afgelopen decennia heeft gedaan weet ik niet, maar echo’s van The Field Mice duiken op op het debuutalbum van zijn nieuwe band The Gentle Spring, die invloeden uit de Britse popmuziek verrijkt met een Franse touch. De songs op Looking Back At The World klinken wat nostalgisch en hebben meer dan eens een jaren 80 vibe, maar de Britse en Franse muzikanten geven ook een eigen draai aan de invloeden uit het verleden. Het is nog lang geen lente, maar zet dit album op en de zon begint echt te schijnen.
Looking Back At The World is het debuutalbum van de Brits-Franse band The Gentle Spring. De band werd geformeerd door de Britse muzikante Michael Hiscock, die in de jaren 80 en 90 deel uitmaakte van de Britse band The Field Mice, dat haar albums mocht uitbrengen op het legendarische label Sarah Records. Ik ken de catalogus van het label vrij goed, maar The Field Mice is me eerlijk gezegd nooit opgevallen.
In zijn nieuwe thuisbasis Parijs kwam Michael Hiscock de Franse muzikanten Emilie Guillaumot en Jérémie Orsel tegen en was The Gentle Spring een feit. De band opereert weliswaar uit Parijs en is voor tweederde Frans, maar de muziek van The Gentle Spring klinkt toch vooral Brits. Michael Hiscock bepaalt met zijn zang en zijn Britse tongval voor een belangrijk deel het geluid van de band en speelt hiernaast bas.
Emilie Guillaumot speelt ook een voorname rol met de keyboard partijen en haar bijzonder mooie achtergrondzang en een enkele keer de leadzang, terwijl Jérémie Orsel tekent voor mooie akoestische gitaarakkoorden. Het geluid van The Gentle Spring is vooral akoestisch en klinkt zeer sfeervol, zeker wanneer ook nog andere instrumenten worden toegevoegd aan de songs, waaronder blazers en strijkers.
Het is een geluid dat af en toe zo lijkt weggelopen uit de jaren 60, maar Looking Back At The World heeft ook zeker een jaren 80 vibe. Veel songs op het album doen me denken aan Belle And Sebastian, Prefab Sprout, The Go-Betweens of aller drie tegelijk, maar The Gentle Spring heeft ook een eigen sound.
Het debuutalbum van The Gentle Spring is een warm klinkend album, dat doet verlangen naar lange zomeravonden, een verlangen dat stevig wordt aangewakkerd door het wat sombere weer van het moment. Net als Belle And Sebastian maakt de band uit Parijs popliedjes die lieflijk en zoet kunnen klinken, maar die uiteindelijk het best kunnen worden gekarakteriseerd als bitterzoet.
Het klinkt allemaal bijzonder lekker, waardoor Looking Back At The World het uitstekend doet op de achtergrond, al dan niet fantaserend over de zon die vast weer een keer gaat schijnen, maar de songs van The Gentle Spring zijn zeker niet alleen aangenaam. Ook dit is weer een album dat het best tot zijn recht komt wanneer je het met de koptelefoon beluistert en hoort hoeveel mooie details er verstopt zijn in de songs van de Brits-Franse band. Het doet me zoals gezegd denken aan Prefab Sprout en dat is ook een band die bij eerste beluistering eenvoudige en zoete popliedjes leek te maken, maar uiteindelijk met Steve McQueen een van de allerbeste albums uit de jaren 80 bleek te hebben gemaakt.
Het lukte Michael Hiscock een hele tijd geleden niet met zijn band The Field Mice. De albums van de band zijn gewoon te vinden op de streaming media platforms en het zijn albums die destijds een veel beter lot hadden verdiend. Met zijn nieuwe band is de Britse muzikant niet eens zo heel ver verwijderd van de muziek die hij een aantal decennia geleden maakte, maar de songs van The Gentle Spring klinken nog wat mooier en zitten ook nog wat knapper in elkaar.
Met name AllMusic zette me de afgelopen week op het spoor van de band uit Parijs, maar het debuutalbum van deze nieuwe band verdient echt alle aandacht en zou zomaar uit kunnen groeien tot een album dat ook de lente en de zomer van 2025 gaat voorzien van een onweerstaanbaar lekkere soundtrack. Erwin Zijleman
The Ghost of a Saber Tooth Tiger - Midnight Sun (2014)

4,5
0
geplaatst: 4 juni 2014, 16:43 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Ghost Of A Saber Tooth Tiger - Midnight Sun - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Kinderen van beroemde of zelfs legendarische muzikanten die zelf muziek gaan maken zijn er volop, maar er zijn er maar heel weinig die echt succesvol zijn en zich bovendien kunnen ontworstelen aan de muzikale erfenis van hun beroemde vader of moeder.
Voor Sean Lennon, zoon van John Lennon en Yoko Ono, zag het er in eerste instantie goed uit. Sean Lennon liet, in tegenstelling tot zijn halfbroer Julian, een fris en eigenzinnig geluid horen en werd ook nog eens omarmd door collega muzikanten van naam en faam, door de critici en door een breed publiek.
Heel lang duurde dit echter niet. Sean Lennon ging al snel bijzonder experimentele muziek maken en leek meer muzikale genen van moeder Yoko Ono dan van vader John Lennon te hebben geërfd. Ik ben persoonlijk dan ook afgehaakt na Sean Lennon’s aardige, maar ook niet opzienbarende, debuut Into The Sun uit 1998.
Pas 16 jaar later komt er weer muziek van deze Lennon telg uit de speakers en wat is het goed. The Ghost Of A Saber Tooth Tiger is een project van Sean Lennon en Charlotte Kemp Muhl; als ik goed ben voorgelicht man en vrouw. The Ghost Of A Saber Tooth Tiger maakte al eens een plaat met vooral invloeden uit de Braziliaanse muziek, maar Midnight Sun is mijn eerste kennismaking met de muziek van het tweetal, en wat voor kennismaking.
Na beluistering van Midnight Sun moet ik de bewering dat Sean Lennon de muzikaliteit vooral van zijn moeder heeft gekregen herzien. Midnight Sun laat nadrukkelijk horen dat Sean Lennon wel degelijk muzikale genen van zijn vader heeft meegekregen. Dat hoor je vooral omdat Sean Lennon en Charlotte Kemp Muhl zich op een terrein begeven dat ook voor de oude Lennon bekend terrein was. Midnight Sun is een plaat vol psychedelica en het is psychedelica die deels is geworteld in de jaren dat John Lennon er voor het eerst mee aan de slag ging op de platen van The Beatles. Sean Lennon blijft echter niet steken in het verleden en slaat een brug naar de neo-psychedelica, waarbij de hulp van topproducer Dave Fridmann (The Flaming Lips, Mercury Rev, Tame Impala) natuurlijk goed uit komt.
Midnight Sun van The Ghost Of A Saber Tooth Tiger is een sprankelende en bezwerende plaat vol verrassingen. Het is deels een luistertrip die je mee terug neemt naar de jaren 60 en beelden van vloeistofdia’s en hippies op het netvlies tovert. Het is aan de andere kant ook een luistertrip die de invloeden uit het verre verleden verrijkt met nieuwe invloeden en verrassende wendingen, waarbij Sean Lennon en Charlotte Kemp Muhl verrassend veelzijdig te werk gaan.
Midnight Sun is een plaat die uitnodigt tot achterover lenen en genieten, maar het is ook een plaat die je constant aan het denken en associëren zet. Zoals dat hoort op een psychedelische plaat is er volop ruimte voor jams, maar het slaat nergens door in eindeloos geëxperimenteer.
Wat Midnight Sun van The Ghost Of A Saber Tooth Tiger zo indrukwekkend maakt is de enorme dynamiek. Een lange jam vol stevig gitaarwerk, slaat zomaar om in dromerige klanken met engelachtige vocalen en synths uit vervlogen tijden. Midnight Sun is een opvallend veelkleurige plaat en al deze kleuren vloeien in elkaar over als op de al genoemde vloeistofdia’s van weleer. Van bezwerende psychedelica, naar een dromerig popliedje en weer terug. Steeds gevuld met invloeden die we kennen, maar Sean Lennon en Charlotte Kemp Muhl doen ook altijd hun eigen ding.
Komt het nu alsnog goed met Sean Lennon? Ik durf het niet te voorspellen; de tijd zal het leren. Aan de kwaliteit van Midnight Sun zal het echter niet liggen, want wat is dit een fantastische plaat. Bij toeval ontdekt, maar deze laat ik voorlopig niet meer los. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Ghost Of A Saber Tooth Tiger - Midnight Sun - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Kinderen van beroemde of zelfs legendarische muzikanten die zelf muziek gaan maken zijn er volop, maar er zijn er maar heel weinig die echt succesvol zijn en zich bovendien kunnen ontworstelen aan de muzikale erfenis van hun beroemde vader of moeder.
Voor Sean Lennon, zoon van John Lennon en Yoko Ono, zag het er in eerste instantie goed uit. Sean Lennon liet, in tegenstelling tot zijn halfbroer Julian, een fris en eigenzinnig geluid horen en werd ook nog eens omarmd door collega muzikanten van naam en faam, door de critici en door een breed publiek.
Heel lang duurde dit echter niet. Sean Lennon ging al snel bijzonder experimentele muziek maken en leek meer muzikale genen van moeder Yoko Ono dan van vader John Lennon te hebben geërfd. Ik ben persoonlijk dan ook afgehaakt na Sean Lennon’s aardige, maar ook niet opzienbarende, debuut Into The Sun uit 1998.
Pas 16 jaar later komt er weer muziek van deze Lennon telg uit de speakers en wat is het goed. The Ghost Of A Saber Tooth Tiger is een project van Sean Lennon en Charlotte Kemp Muhl; als ik goed ben voorgelicht man en vrouw. The Ghost Of A Saber Tooth Tiger maakte al eens een plaat met vooral invloeden uit de Braziliaanse muziek, maar Midnight Sun is mijn eerste kennismaking met de muziek van het tweetal, en wat voor kennismaking.
Na beluistering van Midnight Sun moet ik de bewering dat Sean Lennon de muzikaliteit vooral van zijn moeder heeft gekregen herzien. Midnight Sun laat nadrukkelijk horen dat Sean Lennon wel degelijk muzikale genen van zijn vader heeft meegekregen. Dat hoor je vooral omdat Sean Lennon en Charlotte Kemp Muhl zich op een terrein begeven dat ook voor de oude Lennon bekend terrein was. Midnight Sun is een plaat vol psychedelica en het is psychedelica die deels is geworteld in de jaren dat John Lennon er voor het eerst mee aan de slag ging op de platen van The Beatles. Sean Lennon blijft echter niet steken in het verleden en slaat een brug naar de neo-psychedelica, waarbij de hulp van topproducer Dave Fridmann (The Flaming Lips, Mercury Rev, Tame Impala) natuurlijk goed uit komt.
Midnight Sun van The Ghost Of A Saber Tooth Tiger is een sprankelende en bezwerende plaat vol verrassingen. Het is deels een luistertrip die je mee terug neemt naar de jaren 60 en beelden van vloeistofdia’s en hippies op het netvlies tovert. Het is aan de andere kant ook een luistertrip die de invloeden uit het verre verleden verrijkt met nieuwe invloeden en verrassende wendingen, waarbij Sean Lennon en Charlotte Kemp Muhl verrassend veelzijdig te werk gaan.
Midnight Sun is een plaat die uitnodigt tot achterover lenen en genieten, maar het is ook een plaat die je constant aan het denken en associëren zet. Zoals dat hoort op een psychedelische plaat is er volop ruimte voor jams, maar het slaat nergens door in eindeloos geëxperimenteer.
Wat Midnight Sun van The Ghost Of A Saber Tooth Tiger zo indrukwekkend maakt is de enorme dynamiek. Een lange jam vol stevig gitaarwerk, slaat zomaar om in dromerige klanken met engelachtige vocalen en synths uit vervlogen tijden. Midnight Sun is een opvallend veelkleurige plaat en al deze kleuren vloeien in elkaar over als op de al genoemde vloeistofdia’s van weleer. Van bezwerende psychedelica, naar een dromerig popliedje en weer terug. Steeds gevuld met invloeden die we kennen, maar Sean Lennon en Charlotte Kemp Muhl doen ook altijd hun eigen ding.
Komt het nu alsnog goed met Sean Lennon? Ik durf het niet te voorspellen; de tijd zal het leren. Aan de kwaliteit van Midnight Sun zal het echter niet liggen, want wat is dit een fantastische plaat. Bij toeval ontdekt, maar deze laat ik voorlopig niet meer los. Erwin Zijleman
The Glands - Double Coda (2018)

4,5
0
geplaatst: 16 november 2018, 17:29 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Glands - Double Coda - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Vergeten band komt met een verzameling restmateriaal dat beter is dan het meeste dat ik de laatste tijd gehoord heb
Ik had nog nooit van The Glands gehoord, terwijl het toch een tijdje een cultband was in de verenigde Staten. Dankzij een verzameling restmateriaal ben ik echter volledig bij de les, want wat is (was) dit een leuke band en wat is dat ‘restmateriaal’ verschrikkelijk goed. Meer dan 20 volstrekt tijdloze en nagenoeg perfecte popliedjes komen voorbij. Na één keer horen wil je ze nooit meer vergeten, maar The Glands maken ook nog eens popliedjes vol verrassing, waardoor Double Coda leuker en leuker wordt. The Glands herschrijft voor mij de geschiedenis van de popmuziek en wordt alsnog toegevoegd aan de smaakmakers uit de periode 1995-2000.
Deze week verscheen een verzameling restmateriaal van de Amerikaanse band The Glands. De naam van de band deed bij mij eerlijk gezegd geen belletje rinkelen, maar omdat Allmusic.com hoog opgaf over deze verzamelaar ben ik toch maar eens gaan luisteren. Vervolgens was ik snel om, want wat een leuke band is, of beter gezegd was, The Glands.
The Glands is een band uit Athens, Georgia, die in 1997 debuteerde met Double Thriller, in 2000 een titelloze tweede plaat uitbracht en vervolgens in de vergetelheid raakte, tot voorman Ross Shapiro in 2016 overleed en flink wat tapes naliet aan zijn voormalige bandleden en producer.
Van deze tapes zijn nu 23 songs terecht gekomen op Double Coda dat bijna vijf kwartier muziek bevat. Het is misschien 'maar' een verzameling restmateriaal, maar het is ook een verzameling songs waarmee The Glands nog twee geweldige platen uit hadden kunnen brengen.
The Glands maakte tijdens haar bestaan indie-rock in de breedste zin van het woord. Double Coda bevat songs die alle kanten op schieten, die met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van de popmuziek stappen en vrijwel zonder uitzondering zijn te typeren als volstrekt tijdloos.
Het is muziek die bij mij associaties oproept met uiteenlopende bands als Pavement, Tom Petty & The Heartbreakers, Neutral Milk Hotel en Yo La Tengo, maar met het noemen van namen doe je de muziek van The Glands eigenlijk tekort. Ik hoor trouwens ook heel veel van The Kinks in de muziek van de Amerikaanse band, maar dit terzijde.
Double Coda staat vol met songs die op één of andere manier onmiddellijk bekend klinken en die zich makkelijk voorgoed in het geheugen nestelen. Het zijn songs die je humeur een flinke positieve boost geven, maar het zijn ook songs die steeds net wat anders doen dan je verwacht. The Glands beschikken hiermee over het vermogen om tijdloze, aanstekelijke en nagenoeg perfecte popliedjes te combineren met het nodige avontuur, wat in de popmuziek een zeldzame combinatie is.
Ik noemde het hierboven indie-rock in de breedste zin van het woord, maar Double Coda van The Glands past ook met enige regelmaat in de hokjes psychedelica, new wave, powerpop of in het hokje waarin platen die het goed doen op de Amerikaanse radiostations passen.
The Glands strooien op Double Coda met geweldige melodieën, ijzersterke refreinen, prachtige gitaarloopjes, bedwelmende zang en grootse arrangementen, maar de muziek van de band uit Athens, Georgia, mag ook aangenaam rammelen of toch weer andere wegen in slaan. Double Coda is zoals gezegd een verzameling restmateriaal, maar het is restmateriaal van een hele grote band, die helaas nooit groot is geworden.
Gelijk met Double Coda zijn ook de twee reguliere platen van de band opnieuw uitgebracht, maar op een of andere manier bevalt de verzameling restmateriaal me het best. The Glands bestaan al heel lang niet meer en gaan door het overlijden van hun voorman ook nooit meer een plaat maken, maar ik koester Double Coda als een van mijn grootste ontdekkingen van de laatste tijd. Wat een lekkere plaat is dit. En hij wordt alleen maar beter. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Glands - Double Coda - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Vergeten band komt met een verzameling restmateriaal dat beter is dan het meeste dat ik de laatste tijd gehoord heb
Ik had nog nooit van The Glands gehoord, terwijl het toch een tijdje een cultband was in de verenigde Staten. Dankzij een verzameling restmateriaal ben ik echter volledig bij de les, want wat is (was) dit een leuke band en wat is dat ‘restmateriaal’ verschrikkelijk goed. Meer dan 20 volstrekt tijdloze en nagenoeg perfecte popliedjes komen voorbij. Na één keer horen wil je ze nooit meer vergeten, maar The Glands maken ook nog eens popliedjes vol verrassing, waardoor Double Coda leuker en leuker wordt. The Glands herschrijft voor mij de geschiedenis van de popmuziek en wordt alsnog toegevoegd aan de smaakmakers uit de periode 1995-2000.
Deze week verscheen een verzameling restmateriaal van de Amerikaanse band The Glands. De naam van de band deed bij mij eerlijk gezegd geen belletje rinkelen, maar omdat Allmusic.com hoog opgaf over deze verzamelaar ben ik toch maar eens gaan luisteren. Vervolgens was ik snel om, want wat een leuke band is, of beter gezegd was, The Glands.
The Glands is een band uit Athens, Georgia, die in 1997 debuteerde met Double Thriller, in 2000 een titelloze tweede plaat uitbracht en vervolgens in de vergetelheid raakte, tot voorman Ross Shapiro in 2016 overleed en flink wat tapes naliet aan zijn voormalige bandleden en producer.
Van deze tapes zijn nu 23 songs terecht gekomen op Double Coda dat bijna vijf kwartier muziek bevat. Het is misschien 'maar' een verzameling restmateriaal, maar het is ook een verzameling songs waarmee The Glands nog twee geweldige platen uit hadden kunnen brengen.
The Glands maakte tijdens haar bestaan indie-rock in de breedste zin van het woord. Double Coda bevat songs die alle kanten op schieten, die met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van de popmuziek stappen en vrijwel zonder uitzondering zijn te typeren als volstrekt tijdloos.
Het is muziek die bij mij associaties oproept met uiteenlopende bands als Pavement, Tom Petty & The Heartbreakers, Neutral Milk Hotel en Yo La Tengo, maar met het noemen van namen doe je de muziek van The Glands eigenlijk tekort. Ik hoor trouwens ook heel veel van The Kinks in de muziek van de Amerikaanse band, maar dit terzijde.
Double Coda staat vol met songs die op één of andere manier onmiddellijk bekend klinken en die zich makkelijk voorgoed in het geheugen nestelen. Het zijn songs die je humeur een flinke positieve boost geven, maar het zijn ook songs die steeds net wat anders doen dan je verwacht. The Glands beschikken hiermee over het vermogen om tijdloze, aanstekelijke en nagenoeg perfecte popliedjes te combineren met het nodige avontuur, wat in de popmuziek een zeldzame combinatie is.
Ik noemde het hierboven indie-rock in de breedste zin van het woord, maar Double Coda van The Glands past ook met enige regelmaat in de hokjes psychedelica, new wave, powerpop of in het hokje waarin platen die het goed doen op de Amerikaanse radiostations passen.
The Glands strooien op Double Coda met geweldige melodieën, ijzersterke refreinen, prachtige gitaarloopjes, bedwelmende zang en grootse arrangementen, maar de muziek van de band uit Athens, Georgia, mag ook aangenaam rammelen of toch weer andere wegen in slaan. Double Coda is zoals gezegd een verzameling restmateriaal, maar het is restmateriaal van een hele grote band, die helaas nooit groot is geworden.
Gelijk met Double Coda zijn ook de twee reguliere platen van de band opnieuw uitgebracht, maar op een of andere manier bevalt de verzameling restmateriaal me het best. The Glands bestaan al heel lang niet meer en gaan door het overlijden van hun voorman ook nooit meer een plaat maken, maar ik koester Double Coda als een van mijn grootste ontdekkingen van de laatste tijd. Wat een lekkere plaat is dit. En hij wordt alleen maar beter. Erwin Zijleman
The Gloaming - 2 (2016)

4,0
0
geplaatst: 14 maart 2016, 12:33 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Gloaming - 2 - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Het duurde twee jaar geleden wel even voor ik het debuut van de Iers-Amerikaanse band The Gloaming op de juiste waarde kon schatten.
Ik ben geen groot liefhebber van Ierse folk en versta geen woord Gaelic, maar uiteindelijk werd het bijzondere debuut van The Gloaming toch een graag geziene gast in de cd speler, met name op de vroege ochtend of in de kleine uurtjes.
De onlangs verschenen tweede plaat van de band kon ik door de eerdere gewenning vrijwel onmiddellijk omarmen, maar voor een ieder die het debuut van de band niet kent blijft het, zeker in eerste instantie, zware kost.
The Gloaming vertrouwt nog altijd voor een belangrijk deel op de violen van Martin Hayes en Caoimhin Ó Raghallaigh, op het subtiele gitaarspel van Dennis Cahill, op songs die diep zijn geworteld in de Keltische folkmuziek en op de bijzondere vocalen van Iarla Ó Lionáird, die zich uitsluitend van het Gaellic bedient.
Door het pianospel van de Amerikaanse muzikant Thomas Bartlett (ook bekend als Doveman) kleurt de muziek van The Gloaming echter ook nadrukkelijk buiten de lijntjes van de Ierse folkmuziek en creëert het een uniek eigen geluid, waarin ook invloeden uit de klassieke muziek, de chamber pop en de jazz zijn verwerkt.
Het is een geluid dat het voor een belangrijk deel moet hebben van muzikaal vakmanschap, subtiliteit en het vermogen om een bijzondere sfeer te creëren. Wanneer de muziek van The Gloaming uit de speakers komt lijkt de aarde even wat minder snel te draaien en lijkt onze huidige wereld even een bange droom.
De muzikanten van de Iers/Amerikaanse band beheersen hun instrumenten stuk voor stuk tot in de perfectie, maar ze slagen er ook in om hun instrumenten te laten samenvloeien tot een stemmig geheel dat een bijna hypnotiserende uitwerking heeft.
Zeker de instrumentale passages op de plaat (en deze domineren op 2) prikkelen nadrukkelijk de fantasie genadeloos en nodigen uit tot wegdromen. De Gaelic teksten hebben vervolgens een vervreemdende uitwerking, al strijken ze zeker niet tegen de haren in.
Net als het debuut van The Gloaming is ook 2 een plaat die niet op ieder moment de juiste uitwerking heeft, maar als het juiste moment daar is, is het ook dit keer genieten. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Gloaming - 2 - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Het duurde twee jaar geleden wel even voor ik het debuut van de Iers-Amerikaanse band The Gloaming op de juiste waarde kon schatten.
Ik ben geen groot liefhebber van Ierse folk en versta geen woord Gaelic, maar uiteindelijk werd het bijzondere debuut van The Gloaming toch een graag geziene gast in de cd speler, met name op de vroege ochtend of in de kleine uurtjes.
De onlangs verschenen tweede plaat van de band kon ik door de eerdere gewenning vrijwel onmiddellijk omarmen, maar voor een ieder die het debuut van de band niet kent blijft het, zeker in eerste instantie, zware kost.
The Gloaming vertrouwt nog altijd voor een belangrijk deel op de violen van Martin Hayes en Caoimhin Ó Raghallaigh, op het subtiele gitaarspel van Dennis Cahill, op songs die diep zijn geworteld in de Keltische folkmuziek en op de bijzondere vocalen van Iarla Ó Lionáird, die zich uitsluitend van het Gaellic bedient.
Door het pianospel van de Amerikaanse muzikant Thomas Bartlett (ook bekend als Doveman) kleurt de muziek van The Gloaming echter ook nadrukkelijk buiten de lijntjes van de Ierse folkmuziek en creëert het een uniek eigen geluid, waarin ook invloeden uit de klassieke muziek, de chamber pop en de jazz zijn verwerkt.
Het is een geluid dat het voor een belangrijk deel moet hebben van muzikaal vakmanschap, subtiliteit en het vermogen om een bijzondere sfeer te creëren. Wanneer de muziek van The Gloaming uit de speakers komt lijkt de aarde even wat minder snel te draaien en lijkt onze huidige wereld even een bange droom.
De muzikanten van de Iers/Amerikaanse band beheersen hun instrumenten stuk voor stuk tot in de perfectie, maar ze slagen er ook in om hun instrumenten te laten samenvloeien tot een stemmig geheel dat een bijna hypnotiserende uitwerking heeft.
Zeker de instrumentale passages op de plaat (en deze domineren op 2) prikkelen nadrukkelijk de fantasie genadeloos en nodigen uit tot wegdromen. De Gaelic teksten hebben vervolgens een vervreemdende uitwerking, al strijken ze zeker niet tegen de haren in.
Net als het debuut van The Gloaming is ook 2 een plaat die niet op ieder moment de juiste uitwerking heeft, maar als het juiste moment daar is, is het ook dit keer genieten. Erwin Zijleman
The Gloaming - The Gloaming (2014)

4,0
0
geplaatst: 18 oktober 2014, 09:42 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Gloaming - The Gloaming - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Je hebt van die platen waarbij het kwartje lange tijd maar niet wil vallen. Al maanden lees en hoor ik jubelverhalen over het debuut van The Gloaming, maar de plaat kon mij tot voor kort maar niet bekoren. Mooie ingetogen Ierse folk met verrassende invloeden, dat wel, maar het raakte me niet, waardoor de verveling uiteindelijk toe sloeg.
Dat veranderde pas nadat de Nederlandse promotor van de plaat me de cd ook fysiek had opgestuurd en ik tijdens autoritten de tijd kon nemen voor deze plaat. Dat heeft het debuut van The Gloaming kennelijk nodig, want langzaam maar zeker heeft het debuut van The Gloaming me betoverd en veroverd.
The Gloaming bestaat uit een aantal Amerikaanse en een aantal Ierse muzikanten, van wie de Amerikaan Thomas Bartlett, die als Doveman een aantal prachtige platen heeft gemaakt, voor mij de bekendste is.
De Ierse muzikanten lijken in eerste instantie hun stempel te drukken op de muziek van The Gloaming. Dat ligt vooral aan de instrumentale intermezzo’s met strijkers en aan de in het Gaelic gezongen teksten.
Het zijn precies deze twee ingrediënten van de muziek van The Gloaming die me in eerste instantie het meest in de weg zaten. De instrumentale intermezzo’s zaten op het eerste gehoor goed in elkaar maar hadden voor mij geen meerwaarde, terwijl de in een voor mij overstaanbare taal gezongen teksten de aandacht wegtrokken van de muziek. Inmiddels hoor ik wel de meerwaarde van de instrumentale intermezzo’s en draagt het gebruik van het Gaelic alleen maar bij aan de magie van de muziek van The Gloaming.
The Gloaming maakt zoals gezegd muziek die is geworteld in de traditionele Ierse folk. Dat is muziek die ik slechts in zeer beperkte mate in de platenkast heb staan, waardoor ik erg moest wennen aan deze folk variant. De muziek van The Gloaming beperkt zich echter zeker niet tot de Ierse folk. De Amerikaanse muzikanten van de band hebben hun bagage uit de Amerikaanse folk en de jazz meegenomen en krijgen alle ruimte om deze invloeden in te brengen in de muziek van The Gloaming.
Deze muziek krijgt vorm in een aantal lange tot zeer lange tracks, die zich bijna zonder uitzondering zeer langzaam voortslepen. De muziek van The Gloaming moet het zeker niet hebben van snel effectbejag. In de meeste tracks wordt uiterst langzaam naar een climax toegewerkt.
Dat is zeker in het begin even wennen, maar wanneer je de songs wat beter kent hoor je continu de onderhuidse spanning die de muziek van The Gloaming zo’n bijzondere lading geeft. Deze lading is samen met het muzikale vakmanschap dat van de plaat afdruipt voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor de magische uitwerking die de muziek van The Gloaming uiteindelijk heeft.
Het is muziek waarin meerdere werelden elkaar niet uitsluiten maar omarmen, met uniek klinkende muziek als resultaat. Liefhebbers van Ierse folk zullen waarschijnlijk makkelijker vallen voor de muziek van The Gloaming dan muziekliefhebbers die niet thuis zijn in dit genre, maar inmiddels weet ik uit eigen ervaring dat geduld loont. Als je het debuut van The Gloaming de tijd geeft om te groeien hoor je uiteindelijk muziek die een geheel eigen universum creëert. Het is een universum waarin stress, haast en geldingsdrang ontbreken, maar onder de oppervlakte gebeurt er van alles.
Absoluut één van de meest bijzondere platen van de afgelopen tijd en misschien ook wel één van de mooiste. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Gloaming - The Gloaming - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Je hebt van die platen waarbij het kwartje lange tijd maar niet wil vallen. Al maanden lees en hoor ik jubelverhalen over het debuut van The Gloaming, maar de plaat kon mij tot voor kort maar niet bekoren. Mooie ingetogen Ierse folk met verrassende invloeden, dat wel, maar het raakte me niet, waardoor de verveling uiteindelijk toe sloeg.
Dat veranderde pas nadat de Nederlandse promotor van de plaat me de cd ook fysiek had opgestuurd en ik tijdens autoritten de tijd kon nemen voor deze plaat. Dat heeft het debuut van The Gloaming kennelijk nodig, want langzaam maar zeker heeft het debuut van The Gloaming me betoverd en veroverd.
The Gloaming bestaat uit een aantal Amerikaanse en een aantal Ierse muzikanten, van wie de Amerikaan Thomas Bartlett, die als Doveman een aantal prachtige platen heeft gemaakt, voor mij de bekendste is.
De Ierse muzikanten lijken in eerste instantie hun stempel te drukken op de muziek van The Gloaming. Dat ligt vooral aan de instrumentale intermezzo’s met strijkers en aan de in het Gaelic gezongen teksten.
Het zijn precies deze twee ingrediënten van de muziek van The Gloaming die me in eerste instantie het meest in de weg zaten. De instrumentale intermezzo’s zaten op het eerste gehoor goed in elkaar maar hadden voor mij geen meerwaarde, terwijl de in een voor mij overstaanbare taal gezongen teksten de aandacht wegtrokken van de muziek. Inmiddels hoor ik wel de meerwaarde van de instrumentale intermezzo’s en draagt het gebruik van het Gaelic alleen maar bij aan de magie van de muziek van The Gloaming.
The Gloaming maakt zoals gezegd muziek die is geworteld in de traditionele Ierse folk. Dat is muziek die ik slechts in zeer beperkte mate in de platenkast heb staan, waardoor ik erg moest wennen aan deze folk variant. De muziek van The Gloaming beperkt zich echter zeker niet tot de Ierse folk. De Amerikaanse muzikanten van de band hebben hun bagage uit de Amerikaanse folk en de jazz meegenomen en krijgen alle ruimte om deze invloeden in te brengen in de muziek van The Gloaming.
Deze muziek krijgt vorm in een aantal lange tot zeer lange tracks, die zich bijna zonder uitzondering zeer langzaam voortslepen. De muziek van The Gloaming moet het zeker niet hebben van snel effectbejag. In de meeste tracks wordt uiterst langzaam naar een climax toegewerkt.
Dat is zeker in het begin even wennen, maar wanneer je de songs wat beter kent hoor je continu de onderhuidse spanning die de muziek van The Gloaming zo’n bijzondere lading geeft. Deze lading is samen met het muzikale vakmanschap dat van de plaat afdruipt voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor de magische uitwerking die de muziek van The Gloaming uiteindelijk heeft.
Het is muziek waarin meerdere werelden elkaar niet uitsluiten maar omarmen, met uniek klinkende muziek als resultaat. Liefhebbers van Ierse folk zullen waarschijnlijk makkelijker vallen voor de muziek van The Gloaming dan muziekliefhebbers die niet thuis zijn in dit genre, maar inmiddels weet ik uit eigen ervaring dat geduld loont. Als je het debuut van The Gloaming de tijd geeft om te groeien hoor je uiteindelijk muziek die een geheel eigen universum creëert. Het is een universum waarin stress, haast en geldingsdrang ontbreken, maar onder de oppervlakte gebeurt er van alles.
Absoluut één van de meest bijzondere platen van de afgelopen tijd en misschien ook wel één van de mooiste. Erwin Zijleman
The Good, the Bad & the Queen - Merrie Land (2018)

4,0
0
geplaatst: 21 november 2018, 18:40 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Good, The Bad & The Queen - Merrie Land - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Merrie Land pakt je waarschijnlijk niet direct, maar groeit snel uit tot een indrukwekkend statement over onder andere de Brexit
Damon Albarn wedt graag op meerdere paarden, maar The Good, The Bad & The Queen kwam er de afgelopen tien jaar bekaaid af. De gelegenheidsband is nu terug met een sombere en donkere plaat die hier en daar overloopt van frustratie over alles wat er momenteel gebeurt in het Verenigd Koninkrijk. Het is een plaat met muziek die je niet direct pakt. Het is muziek vol invloeden uit het verleden van de Britse popmuziek van The Clash en The Specials tot Blur. Wanneer je vaker naar de plaat luistert komen steeds meer songs tot leven en groeit Merrie Land uit tot een indrukwekkend statement.
Damon Albarn is de afgelopen tien jaar op meerdere terreinen actief geweest. In 2014 verscheen zijn uitstekende soloplaat Everyday Robots, in 2015 de voorlopige zwanenzang van Blur (The Magic Whip), In 2010, 2017 en dit jaar verschenen in totaal vier platen van Gorillaz en dan waren er ook nog het project Rocket Juice & The Moon (met Flea en Tony Allen), de productie van de geweldige comeback plaat en zwanenzang van Bobby Womack in 2012 en meerdere activiteiten om de muziek uit Mali op de kaart te zetten.
Voor een ander project waarin Damon Albarn een groot aandeel heeft, moeten we nog net wat verder in de tijd. Het titelloze debuut van The Good, The Bad & The Queen verscheen immers aan het begin van 2007. De gelegenheidsband kreeg gedurende de eerste tien jaar van het nieuwe millennium vorm en bestond uiteindelijk uit Damon Albarn, voormalig The Clash bassist Paul Simonon, voormalig The Verve gitarist Simon Tong en de Nigeriaanse meesterdrummer Tony Allen, die voor het eerst opdook in de entourage van Fela Kuti.
Het door DangerMouse geproduceerde debuut van The Good, The Bad & The Queen werd goed ontvangen en deed absoluut uitzien naar meer, maar desondanks heeft het wachten op de opvolger bijna twaalf jaar geduurd. Het in eigen beheer uitgebrachte Merrie Land (kennelijk durfde geen platenmaatschappij zich er aan te vertillen) verscheen dan eindelijk deze week en een betere timing is niet te bedenken. Merrie Land verscheen op de dag dat Theresa May, in het tot op het bot verdeelde Verenigde Koninkrijk, het moeizaam tot stand gekomen Brexit verdrag verdedigde.
Theresa May verdedigt de Brexit nog steeds met hand en tand, maar The Good, The Bad & The Queen kijkt er op Merrie Land toch wat anders tegenaan. De plaat lijkt in een groot deel van de songs stil te staan bij de ongewenste Brexit of bij de deplorabele staat waarin het Verenigd Koninkrijk verkeert.
The Good, The Bad & The Queen bestaat naast Damon Albarn nog steeds uit bassist Paul Simonon, gitarist Simon Tong en drummer Tonny Allen, die afgelopen zomer zijn 78e verjaardag vierde. Voor de productie werd dit keer geen beroep gedaan op DangerMouse, maar op producer Tony Visconti, die zijn stempel heeft gedrukt op flink wat klassiekers uit de geschiedenis van de Britse popmuziek en op een aantal sleutelplaten van David Bowie.
Vergeleken met het debuut is de rol van Damon Albarn in The Good, The Bad & The Queen flink gegroeid. De Brit drukt zijn stempel op de donkere, weemoedige en hier en daar van frustratie overlopende plaat. Maar natuurlijk zijn er ook dit keer de mooie baslijnen van Paul Simonon, het veelkleurige gitaarwerk van Simon Tong en het onnavolgbare drumwerk van Tony Allen, hier en daar aangevuld met keyboards, strijkers en blazers.
In muzikaal opzicht klinken vooral Britse invloeden door. Merrie Land klinkt vaak als een plaat die Blur gemaakt zou kunnen hebben, raakt aan de muziek van The Clash, maar ook aan die van Madness en The Specials en hier en daar hoor ik ook wat van Bowie of zelfs wat van de fraaie klaagzangen die Roger Waters de afgelopen decennia op ons heeft afgevuurd. Bij de eerste beluisteringen wilde het allemaal niet direct landen, maar hoe vaker ik naar Merrie Land luister, hoe meer ik er van overtuigd raak dat The Good, The Bad & The Queen een indrukwekkend statement heeft afgeleverd. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Good, The Bad & The Queen - Merrie Land - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Merrie Land pakt je waarschijnlijk niet direct, maar groeit snel uit tot een indrukwekkend statement over onder andere de Brexit
Damon Albarn wedt graag op meerdere paarden, maar The Good, The Bad & The Queen kwam er de afgelopen tien jaar bekaaid af. De gelegenheidsband is nu terug met een sombere en donkere plaat die hier en daar overloopt van frustratie over alles wat er momenteel gebeurt in het Verenigd Koninkrijk. Het is een plaat met muziek die je niet direct pakt. Het is muziek vol invloeden uit het verleden van de Britse popmuziek van The Clash en The Specials tot Blur. Wanneer je vaker naar de plaat luistert komen steeds meer songs tot leven en groeit Merrie Land uit tot een indrukwekkend statement.
Damon Albarn is de afgelopen tien jaar op meerdere terreinen actief geweest. In 2014 verscheen zijn uitstekende soloplaat Everyday Robots, in 2015 de voorlopige zwanenzang van Blur (The Magic Whip), In 2010, 2017 en dit jaar verschenen in totaal vier platen van Gorillaz en dan waren er ook nog het project Rocket Juice & The Moon (met Flea en Tony Allen), de productie van de geweldige comeback plaat en zwanenzang van Bobby Womack in 2012 en meerdere activiteiten om de muziek uit Mali op de kaart te zetten.
Voor een ander project waarin Damon Albarn een groot aandeel heeft, moeten we nog net wat verder in de tijd. Het titelloze debuut van The Good, The Bad & The Queen verscheen immers aan het begin van 2007. De gelegenheidsband kreeg gedurende de eerste tien jaar van het nieuwe millennium vorm en bestond uiteindelijk uit Damon Albarn, voormalig The Clash bassist Paul Simonon, voormalig The Verve gitarist Simon Tong en de Nigeriaanse meesterdrummer Tony Allen, die voor het eerst opdook in de entourage van Fela Kuti.
Het door DangerMouse geproduceerde debuut van The Good, The Bad & The Queen werd goed ontvangen en deed absoluut uitzien naar meer, maar desondanks heeft het wachten op de opvolger bijna twaalf jaar geduurd. Het in eigen beheer uitgebrachte Merrie Land (kennelijk durfde geen platenmaatschappij zich er aan te vertillen) verscheen dan eindelijk deze week en een betere timing is niet te bedenken. Merrie Land verscheen op de dag dat Theresa May, in het tot op het bot verdeelde Verenigde Koninkrijk, het moeizaam tot stand gekomen Brexit verdrag verdedigde.
Theresa May verdedigt de Brexit nog steeds met hand en tand, maar The Good, The Bad & The Queen kijkt er op Merrie Land toch wat anders tegenaan. De plaat lijkt in een groot deel van de songs stil te staan bij de ongewenste Brexit of bij de deplorabele staat waarin het Verenigd Koninkrijk verkeert.
The Good, The Bad & The Queen bestaat naast Damon Albarn nog steeds uit bassist Paul Simonon, gitarist Simon Tong en drummer Tonny Allen, die afgelopen zomer zijn 78e verjaardag vierde. Voor de productie werd dit keer geen beroep gedaan op DangerMouse, maar op producer Tony Visconti, die zijn stempel heeft gedrukt op flink wat klassiekers uit de geschiedenis van de Britse popmuziek en op een aantal sleutelplaten van David Bowie.
Vergeleken met het debuut is de rol van Damon Albarn in The Good, The Bad & The Queen flink gegroeid. De Brit drukt zijn stempel op de donkere, weemoedige en hier en daar van frustratie overlopende plaat. Maar natuurlijk zijn er ook dit keer de mooie baslijnen van Paul Simonon, het veelkleurige gitaarwerk van Simon Tong en het onnavolgbare drumwerk van Tony Allen, hier en daar aangevuld met keyboards, strijkers en blazers.
In muzikaal opzicht klinken vooral Britse invloeden door. Merrie Land klinkt vaak als een plaat die Blur gemaakt zou kunnen hebben, raakt aan de muziek van The Clash, maar ook aan die van Madness en The Specials en hier en daar hoor ik ook wat van Bowie of zelfs wat van de fraaie klaagzangen die Roger Waters de afgelopen decennia op ons heeft afgevuurd. Bij de eerste beluisteringen wilde het allemaal niet direct landen, maar hoe vaker ik naar Merrie Land luister, hoe meer ik er van overtuigd raak dat The Good, The Bad & The Queen een indrukwekkend statement heeft afgeleverd. Erwin Zijleman
The Goon Sax - Mirror II (2021)

4,5
2
geplaatst: 10 juli 2021, 11:24 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Goon Sax - Mirror II - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Goon Sax - Mirror II
De Australische band The Goon Sax strooit op het prachtige Mirror II driftig met onweerstaanbaar lekkere popliedjes, die ook nog eens alle kanten op mogen schieten en maar blijven groeien
De komkommertijd in de muziek lijkt deze week begonnen, maar de uit het Australische Brisbane afkomstige The Goon Sax doet er niet aan mee en levert zomaar een van de leukste albums van 2021 af. Mirror II laat horen dat The Goon Sax uit de voeten kan met popsongs die herinneren aan The Go-Betweens, maar het Australische drietal blijkt van vele markten thuis. Mirror II verschiet vrijwel continu van kleur en laat zich geen enkel etiket opplakken. De band kan uit de voeten met melodieuze en aanstekelijke songs, maar zoekt ook het experiment. Het levert een serie geweldige songs op en het zijn songs van het type die je na één keer horen nooit meer wilt vergeten. Wereldplaat!
De Australische band The Goon Sax debuteerde vijf jaar geleden, toen de leden van de band nog op de middelbare school zaten. Ik heb Up To Anything destijds niet opgemerkt en ook het in 2018 verschenen We’re Not Talking heb ik onbeluisterd op de stapel laten liggen. Het zag er lange tijd naar uit dat het bij twee albums zo blijven toen een van de leden van de band naar Berlijn vertrok en de andere twee leden aan een nieuw avontuur begonnen. Gelukkig is het allemaal weer goed gekomen, want met het deze week verschenen Mirror II zet The Goon Sax uit Brisbane een reuzenstap.
In de openingstrack doet de muziek van The Goon Sax direct wat denken aan wat mij betreft de beste band die Australië heeft voortgebracht, The Go-Betweens. Ook die band kwam uit Brisbane, maar de verwantschap met de legendarische Australische band gaat nog een stuk verder. Bandlid Louis Forster is immers de zoon van The Go-Betweens voorman Robert Forster en heeft de kunst van het schrijven van geweldige popsongs in de genen meegekregen.
The Goon Sax beschikt over drie getalenteerde songwriters, want ook James Harrison en Riley Jones laten op Mirror II horen dat ze een onweerstaanbaar popliedje kunnen schrijven, al vliegen die van eerstgenoemde wel eens uit de bocht. Ik heb de eerste twee albums van The Goon Sax inmiddels ook beluisterd en het zijn charmante albums, maar album nummer drie is een paar klassen beter.
In de openingstrack doet het zoals gezegd wel wat denken aan de muziek van The Go-Betweens uit de jaren 80 en 90, maar The Goon Sax heeft op Mirror II meerdere gezichten. In de tweede track wordt een flinke batterij synths ingezet en klinkt The Goon Sax bijna als The Human League, zeker als de donkere stem van Louis Forster wordt gecombineerd met de meisjesachtige zang van Riley Jones.
De eerste twee tracks op het album klinken al flink verschillend, maar Mirror II kan echt alle kanten op. Soms hoor je The Go-Betweens, soms 80 synthpop, soms shoegaze, soms Phil Spector girlpop, soms jangle pop, zo nu en dan new wave en postpunk en zo kan ik nog wel even doorgaan. The Goon Sax schuurt hierbij met enige regelmaat tegen zonnige en nagenoeg perfecte popliedjes aan, maar de band uit Brisbane kan ook een stuk experimenteler klinken.
Het zijn met name de zonnige popliedjes die zich in eerste instantie genadeloos opdringen, maar ook de songs die het je net wat moeilijker maken zijn na een paar keer horen vrijwel onweerstaanbaar. Vergeleken met de vorige twee albums klinkt het allemaal wat complexer en eigenzinniger, maar de songs van de band uit Brisbane komen ook stuk voor stuk bijzonder lekker uit de speakers, zeker wanneer een scheurende sax wordt ingezet.
Het is ook de verdienste van producer John Parish, die een goede balans heeft gevonden tussen zonnige en zoete popliedjes en wat donkerdere en schurende popsongs. Mirror II klinkt soms bijna lichtvoetig, maar het album kan net zo goed loodzwaar klinken en schakelt tussen beiden in een paar noten.
Mirror II van The Goon Sax is een album om direct bij eerste beluistering smoorverliefd op te worden, waarna de songs van het Australische drietal alleen maar leuker en spannender worden. Het rammelt zo nu en dan aan alle kanten en het springt ook nog eens van de hak op de tak, maar ondertussen wordt de perfectie keer op keer benaderd. Wat is The Goon Sax een leuke band en wat is Mirror II een fantastisch album. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Goon Sax - Mirror II - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Goon Sax - Mirror II
De Australische band The Goon Sax strooit op het prachtige Mirror II driftig met onweerstaanbaar lekkere popliedjes, die ook nog eens alle kanten op mogen schieten en maar blijven groeien
De komkommertijd in de muziek lijkt deze week begonnen, maar de uit het Australische Brisbane afkomstige The Goon Sax doet er niet aan mee en levert zomaar een van de leukste albums van 2021 af. Mirror II laat horen dat The Goon Sax uit de voeten kan met popsongs die herinneren aan The Go-Betweens, maar het Australische drietal blijkt van vele markten thuis. Mirror II verschiet vrijwel continu van kleur en laat zich geen enkel etiket opplakken. De band kan uit de voeten met melodieuze en aanstekelijke songs, maar zoekt ook het experiment. Het levert een serie geweldige songs op en het zijn songs van het type die je na één keer horen nooit meer wilt vergeten. Wereldplaat!
De Australische band The Goon Sax debuteerde vijf jaar geleden, toen de leden van de band nog op de middelbare school zaten. Ik heb Up To Anything destijds niet opgemerkt en ook het in 2018 verschenen We’re Not Talking heb ik onbeluisterd op de stapel laten liggen. Het zag er lange tijd naar uit dat het bij twee albums zo blijven toen een van de leden van de band naar Berlijn vertrok en de andere twee leden aan een nieuw avontuur begonnen. Gelukkig is het allemaal weer goed gekomen, want met het deze week verschenen Mirror II zet The Goon Sax uit Brisbane een reuzenstap.
In de openingstrack doet de muziek van The Goon Sax direct wat denken aan wat mij betreft de beste band die Australië heeft voortgebracht, The Go-Betweens. Ook die band kwam uit Brisbane, maar de verwantschap met de legendarische Australische band gaat nog een stuk verder. Bandlid Louis Forster is immers de zoon van The Go-Betweens voorman Robert Forster en heeft de kunst van het schrijven van geweldige popsongs in de genen meegekregen.
The Goon Sax beschikt over drie getalenteerde songwriters, want ook James Harrison en Riley Jones laten op Mirror II horen dat ze een onweerstaanbaar popliedje kunnen schrijven, al vliegen die van eerstgenoemde wel eens uit de bocht. Ik heb de eerste twee albums van The Goon Sax inmiddels ook beluisterd en het zijn charmante albums, maar album nummer drie is een paar klassen beter.
In de openingstrack doet het zoals gezegd wel wat denken aan de muziek van The Go-Betweens uit de jaren 80 en 90, maar The Goon Sax heeft op Mirror II meerdere gezichten. In de tweede track wordt een flinke batterij synths ingezet en klinkt The Goon Sax bijna als The Human League, zeker als de donkere stem van Louis Forster wordt gecombineerd met de meisjesachtige zang van Riley Jones.
De eerste twee tracks op het album klinken al flink verschillend, maar Mirror II kan echt alle kanten op. Soms hoor je The Go-Betweens, soms 80 synthpop, soms shoegaze, soms Phil Spector girlpop, soms jangle pop, zo nu en dan new wave en postpunk en zo kan ik nog wel even doorgaan. The Goon Sax schuurt hierbij met enige regelmaat tegen zonnige en nagenoeg perfecte popliedjes aan, maar de band uit Brisbane kan ook een stuk experimenteler klinken.
Het zijn met name de zonnige popliedjes die zich in eerste instantie genadeloos opdringen, maar ook de songs die het je net wat moeilijker maken zijn na een paar keer horen vrijwel onweerstaanbaar. Vergeleken met de vorige twee albums klinkt het allemaal wat complexer en eigenzinniger, maar de songs van de band uit Brisbane komen ook stuk voor stuk bijzonder lekker uit de speakers, zeker wanneer een scheurende sax wordt ingezet.
Het is ook de verdienste van producer John Parish, die een goede balans heeft gevonden tussen zonnige en zoete popliedjes en wat donkerdere en schurende popsongs. Mirror II klinkt soms bijna lichtvoetig, maar het album kan net zo goed loodzwaar klinken en schakelt tussen beiden in een paar noten.
Mirror II van The Goon Sax is een album om direct bij eerste beluistering smoorverliefd op te worden, waarna de songs van het Australische drietal alleen maar leuker en spannender worden. Het rammelt zo nu en dan aan alle kanten en het springt ook nog eens van de hak op de tak, maar ondertussen wordt de perfectie keer op keer benaderd. Wat is The Goon Sax een leuke band en wat is Mirror II een fantastisch album. Erwin Zijleman
The Green Pajamas - Phantom Lake: Northern Gothic 3 (2018)

4,5
0
geplaatst: 23 maart 2018, 15:32 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Green Pajamas - Phantom Lake: Northern Gothic 3 - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Een lezer van deze BLOG adviseerde me een aantal dagen geleden om eens naar de nieuwe plaat van The Green Pajamas te luisteren.
De naam van de band had ik echt al een hele tijd niet meer gehoord, maar was wel direct goed voor mooie herinneringen.
The Green Pajamas is een band uit Seattle, Washington, die al in de eerste helft van de jaren 80 haar debuut afleverde. Ik ontdekte de band zelf aan het eind van de jaren 80 en was direct gecharmeerd van de muziek van The Green Pajamas.
Het is muziek die we nu waarschijnlijk zouden voorzien van het label 'neo-psychedelica', maar dat label was aan het eind van de jaren 80 nog niet erg in zwang.
Ik ben The Green Pajamas blijven volgen tot het in 2002 verschenen Northern Gothic, waarop de band niet alleen de (neo-)psychedelica omarmde, maar ook flirtte met de indie-rock van dat moment. Na Northern Gothic verloor ik de band uit Seattle uit het oog, maar nu is er dan Phantom Lake: Northern Gothic 3.
De titel suggereert een link met de laatste plaat die ik van de band hoorde en suggereert bovendien dat er ook nog een tweede deel moet zijn. Dat tweede deel verscheen in 2007 en luistert naar de titel Box of Secrets: Northern Gothic Season Two. Het is één van een handvol prima platen van The Green Pajamas die ik over het hoofd heb gezien de afgelopen 15 jaar, maar met Phantom Lake: Northern Gothic 3 ben ik gelukkig weer helemaal bij de les.
Met Phantom Lake completeert The Green Pajamas een trilogie en op dit deel staat de plek waar bandlid Laura Weller opgroeide centraal, waarna Jeff Kelly zijn jeugdherinneringen aan een meer waar hij zijn vakanties doorbracht toevoegde.
De muziek van The Green Pajamas was altijd al te veelzijdig om goed in het hokje neo-psychedelica te passen, maar Phantom Lake: Northern Gothic 3 past hier eigenlijk niet meer in. De nieuwe plaat van The Green Pajamas is een even veelzijdige als tijdloze rockplaat, die je mee terugneemt naar de jaren 60 en 70, maar die ook eigentijds genoeg klinkt om de concurrentie met de jonge en hippe bands binnen de neo-psychedelica aan te kunnen en die bovendien hier en daar dicht tegen de muziek van de door mij bewonderde The Walkabouts aan schuurt.
Ook op de nieuwe plaat koestert The Green Pajamas de archieven van de psychedelica, maar Phantom Lake: Northern Gothic 3 sluit ook aan bij de 70s hardrock en symfonische rock en verwerkt ook absoluut invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek en kan uitpakken met heerlijk bluesy gitaarwerk of met bezwerende folky tracks.
Nog meer dan in het verleden maakt The Green Pajamas muziek vol dynamiek. In een aantal tracks mogen de gitaren flink uitpakken, maar de band is ook niet bang voor een stemmige song waarin de gitaren zwijgen en een paar strijkers domineren. Phantom Lake: Northern Gothic 3 duurt bijna een uur, maar verveelt door de dynamiek en variatie geen seconde.
The Green Pajamas bestaat inmiddels 35 jaar en heeft stapels platen op haar naam staan. Het zorgt ervoor dat de band op haar nieuwe plaat klinkt als een goed onderhouden oldtimer; oerdegelijk maar ook voorzien van een scherp randje dat tegenwoordig niet meer lijkt toegestaan.
Ik was de band helaas volkomen uit het oog verloren, maar dankzij Phantom Lake: Northern Gothic 3 en een oplettende lezer van deze BLOG, ben ik weer net zo gecharmeerd van The Green Pajamas als twee decennia geleden. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Green Pajamas - Phantom Lake: Northern Gothic 3 - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Een lezer van deze BLOG adviseerde me een aantal dagen geleden om eens naar de nieuwe plaat van The Green Pajamas te luisteren.
De naam van de band had ik echt al een hele tijd niet meer gehoord, maar was wel direct goed voor mooie herinneringen.
The Green Pajamas is een band uit Seattle, Washington, die al in de eerste helft van de jaren 80 haar debuut afleverde. Ik ontdekte de band zelf aan het eind van de jaren 80 en was direct gecharmeerd van de muziek van The Green Pajamas.
Het is muziek die we nu waarschijnlijk zouden voorzien van het label 'neo-psychedelica', maar dat label was aan het eind van de jaren 80 nog niet erg in zwang.
Ik ben The Green Pajamas blijven volgen tot het in 2002 verschenen Northern Gothic, waarop de band niet alleen de (neo-)psychedelica omarmde, maar ook flirtte met de indie-rock van dat moment. Na Northern Gothic verloor ik de band uit Seattle uit het oog, maar nu is er dan Phantom Lake: Northern Gothic 3.
De titel suggereert een link met de laatste plaat die ik van de band hoorde en suggereert bovendien dat er ook nog een tweede deel moet zijn. Dat tweede deel verscheen in 2007 en luistert naar de titel Box of Secrets: Northern Gothic Season Two. Het is één van een handvol prima platen van The Green Pajamas die ik over het hoofd heb gezien de afgelopen 15 jaar, maar met Phantom Lake: Northern Gothic 3 ben ik gelukkig weer helemaal bij de les.
Met Phantom Lake completeert The Green Pajamas een trilogie en op dit deel staat de plek waar bandlid Laura Weller opgroeide centraal, waarna Jeff Kelly zijn jeugdherinneringen aan een meer waar hij zijn vakanties doorbracht toevoegde.
De muziek van The Green Pajamas was altijd al te veelzijdig om goed in het hokje neo-psychedelica te passen, maar Phantom Lake: Northern Gothic 3 past hier eigenlijk niet meer in. De nieuwe plaat van The Green Pajamas is een even veelzijdige als tijdloze rockplaat, die je mee terugneemt naar de jaren 60 en 70, maar die ook eigentijds genoeg klinkt om de concurrentie met de jonge en hippe bands binnen de neo-psychedelica aan te kunnen en die bovendien hier en daar dicht tegen de muziek van de door mij bewonderde The Walkabouts aan schuurt.
Ook op de nieuwe plaat koestert The Green Pajamas de archieven van de psychedelica, maar Phantom Lake: Northern Gothic 3 sluit ook aan bij de 70s hardrock en symfonische rock en verwerkt ook absoluut invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek en kan uitpakken met heerlijk bluesy gitaarwerk of met bezwerende folky tracks.
Nog meer dan in het verleden maakt The Green Pajamas muziek vol dynamiek. In een aantal tracks mogen de gitaren flink uitpakken, maar de band is ook niet bang voor een stemmige song waarin de gitaren zwijgen en een paar strijkers domineren. Phantom Lake: Northern Gothic 3 duurt bijna een uur, maar verveelt door de dynamiek en variatie geen seconde.
The Green Pajamas bestaat inmiddels 35 jaar en heeft stapels platen op haar naam staan. Het zorgt ervoor dat de band op haar nieuwe plaat klinkt als een goed onderhouden oldtimer; oerdegelijk maar ook voorzien van een scherp randje dat tegenwoordig niet meer lijkt toegestaan.
Ik was de band helaas volkomen uit het oog verloren, maar dankzij Phantom Lake: Northern Gothic 3 en een oplettende lezer van deze BLOG, ben ik weer net zo gecharmeerd van The Green Pajamas als twee decennia geleden. Erwin Zijleman
