Hier kun je zien welke berichten erwinz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
The Jayhawks - Back Roads and Abandoned Motels (2018)

4,0
0
geplaatst: 15 juli 2018, 09:49 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Jayhawks - Back Roads And Abandoned Motels - dekrentenuitdepop.blogspot.com
De Amerikaanse alt-country band The Jayhawks maakte in de eerste helft van de jaren 90 twee briljante platen. Het zijn platen waarmee de band uit Minneapolis, Minnesota, zich schaarde onder de alt-country pioniers en het zijn platen die ik nog steeds met grote regelmaat uit de kast trek.
Het niveau van Hollywood Town Hall uit 1992 en Tomorrow The Green Grass uit 1995 heeft de band wat mij betreft nooit meer benaderd, al is het maar omdat deze platen optimaal profiteerden van de bijzondere chemie tussen voormannen Gary Louris en Mark Olson (de Lennon/McCartney van de alt-country).
Ook de laatste twee platen van The Jayhawks vielen me echter zeker niet tegen. Alle reden dus om uit te kijken naar de nieuwe plaat van de Amerikaanse band. Deze plaat opent verrassend met een vocale hoofdrol voor Karen Grotberg in een song die ik ken van de (overigens niet erg overtuigende) soloplaat van Dixie Chicks frontvrouw Natalie Maines. In de tweede track komen de Dixie Chicks terug in het van de band bekende Everybody Knows, waarna ik even dacht dat The Jayhawks een Dixie Chicks coverplaat hebben gemaakt.
Dit blijkt niet het geval. Back Roads And Abandoned Motels bevat louter songs die Jayhawks voorman Gary Louris schreef voor anderen. De Dixie Chicks komen nog een keer voorbij op de plaat en verder komen songs voorbij die eerder terecht kwamen op platen van onder andere Jakob Dylan en Carrie Rodriguez. Back Roads And Abandoned Motels bevat tenslotte twee gloednieuwe songs. Het levert een plaat op die ongetwijfeld een tussendoortje zal worden genoemd, maar zo ervaar ik de plaat niet. Buiten de songs van de Dixie Chicks en Natalie Maines zijn alle songs op de plaat nieuw voor mij en het zijn stuk voor stuk typische Jayhawks songs.
Eerder noemde ik de twee voormannen van de eerste editie van The Jayhawks de Lennon/McCartney van de alt-country. Dat is natuurlijk teveel eer, maar als ik de vergelijking vasthoud, is Gary Louris onbetwist de McCartney van de alt-country. De songs op Back Roads And Abandoned Motels sluiten nadrukkelijk aan bij de erfenis van de vroege alt-country, maar hebben zich ook nadrukkelijk laten inspireren door de countryrock uit de vroege jaren 70 en door de muziek van The Beatles en die van Paul McCartney.
Vergeleken met de andere platen van The Jayhawks klinkt Back Roads And Abandoned Motels net wat lichtvoetiger en poppier dan de andere platen van de band, maar op een of andere manier bevalt het me wel. Gary Louris heeft een aantal prima songs geschreven voor anderen en het zijn songs die me, voor zover ik de originelen ken of heb kunnen vinden, beter bevallen in de uitvoering van The Jayhawks.
Back Roads And Abandoned Motels is een erg aangename plaat die me goed helpt bij het omarmen van het vakantiegevoel, maar het is ook een plaat vol subtiele aanknopingspunten naar muziek uit een ver verleden. Het is bovendien een plaat die zich steeds nadrukkelijker opdringt en die na een paar keer horen meerdere songs oplevert die het verdienen om te worden gekoesterd. Veel meer dan een tussendoortje dus deze nieuwe Jayhawks plaat. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Jayhawks - Back Roads And Abandoned Motels - dekrentenuitdepop.blogspot.com
De Amerikaanse alt-country band The Jayhawks maakte in de eerste helft van de jaren 90 twee briljante platen. Het zijn platen waarmee de band uit Minneapolis, Minnesota, zich schaarde onder de alt-country pioniers en het zijn platen die ik nog steeds met grote regelmaat uit de kast trek.
Het niveau van Hollywood Town Hall uit 1992 en Tomorrow The Green Grass uit 1995 heeft de band wat mij betreft nooit meer benaderd, al is het maar omdat deze platen optimaal profiteerden van de bijzondere chemie tussen voormannen Gary Louris en Mark Olson (de Lennon/McCartney van de alt-country).
Ook de laatste twee platen van The Jayhawks vielen me echter zeker niet tegen. Alle reden dus om uit te kijken naar de nieuwe plaat van de Amerikaanse band. Deze plaat opent verrassend met een vocale hoofdrol voor Karen Grotberg in een song die ik ken van de (overigens niet erg overtuigende) soloplaat van Dixie Chicks frontvrouw Natalie Maines. In de tweede track komen de Dixie Chicks terug in het van de band bekende Everybody Knows, waarna ik even dacht dat The Jayhawks een Dixie Chicks coverplaat hebben gemaakt.
Dit blijkt niet het geval. Back Roads And Abandoned Motels bevat louter songs die Jayhawks voorman Gary Louris schreef voor anderen. De Dixie Chicks komen nog een keer voorbij op de plaat en verder komen songs voorbij die eerder terecht kwamen op platen van onder andere Jakob Dylan en Carrie Rodriguez. Back Roads And Abandoned Motels bevat tenslotte twee gloednieuwe songs. Het levert een plaat op die ongetwijfeld een tussendoortje zal worden genoemd, maar zo ervaar ik de plaat niet. Buiten de songs van de Dixie Chicks en Natalie Maines zijn alle songs op de plaat nieuw voor mij en het zijn stuk voor stuk typische Jayhawks songs.
Eerder noemde ik de twee voormannen van de eerste editie van The Jayhawks de Lennon/McCartney van de alt-country. Dat is natuurlijk teveel eer, maar als ik de vergelijking vasthoud, is Gary Louris onbetwist de McCartney van de alt-country. De songs op Back Roads And Abandoned Motels sluiten nadrukkelijk aan bij de erfenis van de vroege alt-country, maar hebben zich ook nadrukkelijk laten inspireren door de countryrock uit de vroege jaren 70 en door de muziek van The Beatles en die van Paul McCartney.
Vergeleken met de andere platen van The Jayhawks klinkt Back Roads And Abandoned Motels net wat lichtvoetiger en poppier dan de andere platen van de band, maar op een of andere manier bevalt het me wel. Gary Louris heeft een aantal prima songs geschreven voor anderen en het zijn songs die me, voor zover ik de originelen ken of heb kunnen vinden, beter bevallen in de uitvoering van The Jayhawks.
Back Roads And Abandoned Motels is een erg aangename plaat die me goed helpt bij het omarmen van het vakantiegevoel, maar het is ook een plaat vol subtiele aanknopingspunten naar muziek uit een ver verleden. Het is bovendien een plaat die zich steeds nadrukkelijker opdringt en die na een paar keer horen meerdere songs oplevert die het verdienen om te worden gekoesterd. Veel meer dan een tussendoortje dus deze nieuwe Jayhawks plaat. Erwin Zijleman
The Jayhawks - Paging Mr. Proust (2016)

4,5
0
geplaatst: 8 mei 2016, 20:55 uur
Ja, vind ik echt veel minder dan de twee klassiekers. Sound Of Lies vind ik wel aardig.
The Jayhawks - XOXO (2020)

4,0
1
geplaatst: 11 juli 2020, 10:33 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Jayhawks - XOXO - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Jayhawks - XOXO
De beste albums van The Jayhawks stammen misschien uit de vroege jaren 90, maar het nieuwe album van de band klinkt verrassend fris, hecht en veelzijdig en staat vol memorabele songs
Ik ben een groot fan van de Amerikaanse band The Jayhawks, maar grijp toch meestal naar de twee alt-country klassiekers die de band heel wat jaren geleden maakte. Die gaan met enige regelmaat gezelschap krijgen van XOXO, want wat is dit een lekker album. Het is een hecht bandalbum waarop losjes wordt gemusiceerd en alle bandleden hun ei kwijt kunnen, maar het is ook een album vol invloeden en een album vol songs die zich niet alleen genadeloos opdringen, maar die ook in de meeste gevallen memorabel zijn. The Jayhawks steken de afgelopen jaren sowieso al in een uitstekende vorm, maar op XOXO doet de band uit Minneapolis er nog een schepje bovenop.
Als ik denk aan The Jayhawks, denk ik nog altijd vooral aan Hollywood Town Hall uit 1992 en Tomorrow The Green Grass uit 1995. Het zijn de albums waarmee de band uit Minneapolis, Minnesota, zich schaarde onder de pioniers en smaakmakers van de alt-country en het zijn bovendien de albums waarop de muzikale chemie tussen voormannen Gary Louris en Mark Olson haar maximum bereikte.
Het zijn waarschijnlijk voor altijd de onbereikbare albums in het oeuvre van de band, maar het betekent zeker niet dat The Jayhawks verder geen goede albums hebben gemaakt. Met name de laatste jaren steekt de band in een prima vorm. Paging Mr. Proust uit 2016 en het verrassend sterke Back Roads And Abandoned Motels uit 2018, met songs die Gary Louris oorspronkelijk voor anderen schreef, bevielen me uitstekend, waardoor ik met hoge verwachtingen begon aan het deze week verschenen XOXO.
Voor het nieuwe album sloten de vier leden van de band zich op in een huis annex studio in Minneapolis, waar in twee weken XOXO werd opgenomen. Waar Gary Louris sinds het vertrek van Mark Olson stevig aan de touwtjes trok binnen The Jayhawks, is het nieuwe album een echt bandalbum geworden. Gitarist Gary Louris, bassist Marc Perlman, drummer Tim O’Reagan en toetsenist Karen Grotberg droegen allemaal bij aan het album en laten ook in vocaal opzicht nadrukkelijk van zich horen. Het levert een album op dat wat bonter en veelkleuriger klinkt dan de meeste andere albums van de band, wat een aantal verrassingen oplevert.
XOXO opent met het inmiddels uit duizenden herkenbare Jayhawks geluid in This Forgotten Town, dat niet had misstaan op de beste albums van de band en dat een opvallende vocale bijdrage van drummer Tim O’Reagan kent, die ook de tweede track op het album heeft geschreven en hierin opschuift richting indie-rock.
XOXO verlaat de gebaande paden van de alt-country sowieso met grote regelmaat. Gary Louris laat zich in Living In A Bubble door Paul McCartney en Harry Nilsson beïnvloeden, terwijl Karen Grothberg in haar eerste track op het album opschuift richting de grote vrouwelijke singer-songwriters uit de vroege jaren 70.
XOXO is door alle uitstapjes een betrekkelijk bonte mix van 70s countryrock, Beatlesque psychedelica, Amerikaanse folkpop en Westcoast pop en natuurlijk de alt-country waarmee de band zichzelf aan het begin van de jaren 90 op de kaart zette. XOXO is niet alleen een verrassend veelzijdig album, maar ook een ontspannend klinkend album waarop elk van de vier leden van de band zijn of haar ei kwijt kan en een handvol gastmuzikanten zorgen voor de extra versiersels op een album dat het verder zonder al teveel opsmuk moet doen.
Ook XOXO moet je wat mij betreft niet vergelijken met de meesterwerken Hollywood Town Hall en Tomorrow The Green Grass, maar het is het zoveelste album van The Jayhawks dat minstens een hele dikke voldoende haalt. Binnen het stapeltje albums in deze categorie valt het nieuwe album van de Amerikaanse band wat mij betreft net wat meer op. Enerzijds door de verschillende invloeden die worden verwerkt en anderzijds door het hechte bandgeluid dat het album uitstraalt. XOXO is daarom een album dat ik er nog vaak bij ga pakken, naast die twee klassiekers van inmiddels heel lang geleden. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Jayhawks - XOXO - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Jayhawks - XOXO
De beste albums van The Jayhawks stammen misschien uit de vroege jaren 90, maar het nieuwe album van de band klinkt verrassend fris, hecht en veelzijdig en staat vol memorabele songs
Ik ben een groot fan van de Amerikaanse band The Jayhawks, maar grijp toch meestal naar de twee alt-country klassiekers die de band heel wat jaren geleden maakte. Die gaan met enige regelmaat gezelschap krijgen van XOXO, want wat is dit een lekker album. Het is een hecht bandalbum waarop losjes wordt gemusiceerd en alle bandleden hun ei kwijt kunnen, maar het is ook een album vol invloeden en een album vol songs die zich niet alleen genadeloos opdringen, maar die ook in de meeste gevallen memorabel zijn. The Jayhawks steken de afgelopen jaren sowieso al in een uitstekende vorm, maar op XOXO doet de band uit Minneapolis er nog een schepje bovenop.
Als ik denk aan The Jayhawks, denk ik nog altijd vooral aan Hollywood Town Hall uit 1992 en Tomorrow The Green Grass uit 1995. Het zijn de albums waarmee de band uit Minneapolis, Minnesota, zich schaarde onder de pioniers en smaakmakers van de alt-country en het zijn bovendien de albums waarop de muzikale chemie tussen voormannen Gary Louris en Mark Olson haar maximum bereikte.
Het zijn waarschijnlijk voor altijd de onbereikbare albums in het oeuvre van de band, maar het betekent zeker niet dat The Jayhawks verder geen goede albums hebben gemaakt. Met name de laatste jaren steekt de band in een prima vorm. Paging Mr. Proust uit 2016 en het verrassend sterke Back Roads And Abandoned Motels uit 2018, met songs die Gary Louris oorspronkelijk voor anderen schreef, bevielen me uitstekend, waardoor ik met hoge verwachtingen begon aan het deze week verschenen XOXO.
Voor het nieuwe album sloten de vier leden van de band zich op in een huis annex studio in Minneapolis, waar in twee weken XOXO werd opgenomen. Waar Gary Louris sinds het vertrek van Mark Olson stevig aan de touwtjes trok binnen The Jayhawks, is het nieuwe album een echt bandalbum geworden. Gitarist Gary Louris, bassist Marc Perlman, drummer Tim O’Reagan en toetsenist Karen Grotberg droegen allemaal bij aan het album en laten ook in vocaal opzicht nadrukkelijk van zich horen. Het levert een album op dat wat bonter en veelkleuriger klinkt dan de meeste andere albums van de band, wat een aantal verrassingen oplevert.
XOXO opent met het inmiddels uit duizenden herkenbare Jayhawks geluid in This Forgotten Town, dat niet had misstaan op de beste albums van de band en dat een opvallende vocale bijdrage van drummer Tim O’Reagan kent, die ook de tweede track op het album heeft geschreven en hierin opschuift richting indie-rock.
XOXO verlaat de gebaande paden van de alt-country sowieso met grote regelmaat. Gary Louris laat zich in Living In A Bubble door Paul McCartney en Harry Nilsson beïnvloeden, terwijl Karen Grothberg in haar eerste track op het album opschuift richting de grote vrouwelijke singer-songwriters uit de vroege jaren 70.
XOXO is door alle uitstapjes een betrekkelijk bonte mix van 70s countryrock, Beatlesque psychedelica, Amerikaanse folkpop en Westcoast pop en natuurlijk de alt-country waarmee de band zichzelf aan het begin van de jaren 90 op de kaart zette. XOXO is niet alleen een verrassend veelzijdig album, maar ook een ontspannend klinkend album waarop elk van de vier leden van de band zijn of haar ei kwijt kan en een handvol gastmuzikanten zorgen voor de extra versiersels op een album dat het verder zonder al teveel opsmuk moet doen.
Ook XOXO moet je wat mij betreft niet vergelijken met de meesterwerken Hollywood Town Hall en Tomorrow The Green Grass, maar het is het zoveelste album van The Jayhawks dat minstens een hele dikke voldoende haalt. Binnen het stapeltje albums in deze categorie valt het nieuwe album van de Amerikaanse band wat mij betreft net wat meer op. Enerzijds door de verschillende invloeden die worden verwerkt en anderzijds door het hechte bandgeluid dat het album uitstraalt. XOXO is daarom een album dat ik er nog vaak bij ga pakken, naast die twee klassiekers van inmiddels heel lang geleden. Erwin Zijleman
The Jesus and Mary Chain - Psychocandy (1985)

4,5
3
geplaatst: 16 februari 2025, 19:05 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: The Jesus And Mary Chain - Psychocandy (1985) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Jesus And Mary Chain - Psychocandy (1985)
In de jaren 80 vond ik Psychocandy van The Jesus And Mary Chain een heel erg heftig album met al die vervormde gitaren, maar 40 jaar later hoor ik vooral heerlijk melodieuze, wat dromerige en vooral aangename popsongs
Tussen alle donkere popmuziek van halverwege de jaren 80 deden de Schotse broers Jim en William Reid er nog een schepje bovenop. Op het debuutalbum van hun band The Jesus And Mary Chain waren de gitaren zo vervormd dat het destijds werd ervaren als herrie. Er kan veel veranderen in veertig jaar tijd, want we weten inmiddels dat gitaargeweld nog wel een stuk heftiger kan. The Jesus And Mary Chain borduurde voort op popmuziek uit de jaren 60 en gruizige garagerock uit diezelfde periode en inspireerde in de jaren 90 de nodige shoegaze, noiserock en indierock band. Psychocandy klinkt na al die jaren nog verrassend fris en een stuk minder heftig dan in mijn herinnering.
Vorige week besprak ik het nieuwe album van de Nederlandse band Rats on Rafts. Het is een album dat me onmiddellijk mee terug nam naar de jaren 80, dat ondanks al mijn goede herinneringen toch een wat troosteloos decennium was met bijpassende muziek. Ik luister vanwege de mooie herinneringen nog best vaak naar muziek uit de jaren 80, maar laat de donkerste muziek uit deze periode meestal liggen.
Het is mede daarom dat ik echt al heel lang niet meer had geluisterd naar Psychocandy, het debuutalbum van The Jesus And Mary Chain. De band rond de Schotse broers Jim en William Reid maakte in mijn herinnering zo ongeveer de donkerste muziek die in de jaren 80 voorbij kwam, maar bij de hernieuwde kennismaking met Pyschocandy vond ik dat eigenlijk reuze meevallen.
Openingstrack Just Like Honey is een mooie en melodieuze popsong met een hang naar de jaren 60 en aan de Beach Boys herinnerende refreinen. De gitaren klonken in 1985 misschien wel erg gruizig en vervormd, maar met de shoegaze en noiserock albums uit de jaren 90 in het achterhoofd valt het allemaal erg mee.
De gitaren van The Jesus And Mary Chain klinken op Psychocandy vaak wel een stuk gruiziger en meer vervormd dan in Just Like Honey, maar ik schrik er inmiddels niet meer van. De gruizige gitaarmuren van The Jesus And Mary Chain zouden in de jaren 90 een inspiratiebron vormen voor flink wat shoegaze en indierock bands, maar het gitaarwerk op het debuutalbum van The Jesus And Mary Chain is ook absoluut schatplichtig aan de garagerock die in de jaren 60 werd gemaakt.
De songs op Psychocandy hebben de sfeer die op zoveel donkere albums uit de jaren 80 is te horen, maar het debuutalbum van de band rond de broers Reid heeft de tand des tijds wat mij betreft verrassend goed doorstaan. Psychocandy staat vol met wat dromerige of zelfs zoete popsongs die meer een jaren 60 dan een jaren 80 vibe hebben. Wanneer het gitaarwerk ontspoort sleept The Jesus And Mary Chain je wel de jaren 80 in, maar de muziek van de Schotse band klinkt duidelijk anders dan die van de meeste andere jaren 80 bands.
Het gitaarwerk schiet hier en daar flink uit de bocht, maar de gitaarakkoorden op het album zijn ook verrassend mooi en melodieus. Dat geldt ook voor de zang op het album, die het wat dromerige effect van de muziek van The Jesus And Mary Chain versterkt. Dat dromerige effect wordt opgejaagd door de gitaaruitbarstingen op het album en zeker ook door het stuwende drumwerk van de vooral van Primal Scream bekende Bobby Gillespie.
Psychocandy werd uiteindelijk voor een appel en een ei opgenomen, maar ik vind het album verrassend mooi klinken, wat mogelijk de verdienste is aan de engineers die in de studio aan het werk waren, iconen Flood en Alan Moulder. Ik vond Psychocandy in 1985 teveel van het goede, vooral door het vervormde gitaarwerk, maar het is grappig hoe je veertig jaar later met totaal andere oren naar muziek kunt luisteren, waardoor ik het debuutalbum van The Jesus And Mary Chain eigenlijk vooral een heel melodieus album vind.
Na Psychocandy heb ik nauwelijks meer naar de muziek van de Schotse band, die vorig jaar nog een album uitbracht, geluisterd, maar misschien moet ik dat na de goede ervaring met het debuutalbum van The Jesus And Mary Chain toch nog maar eens gaan doen, om te beginnen bij Darklands uit 1987 en Honey's Dead uit 1992. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: The Jesus And Mary Chain - Psychocandy (1985) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Jesus And Mary Chain - Psychocandy (1985)
In de jaren 80 vond ik Psychocandy van The Jesus And Mary Chain een heel erg heftig album met al die vervormde gitaren, maar 40 jaar later hoor ik vooral heerlijk melodieuze, wat dromerige en vooral aangename popsongs
Tussen alle donkere popmuziek van halverwege de jaren 80 deden de Schotse broers Jim en William Reid er nog een schepje bovenop. Op het debuutalbum van hun band The Jesus And Mary Chain waren de gitaren zo vervormd dat het destijds werd ervaren als herrie. Er kan veel veranderen in veertig jaar tijd, want we weten inmiddels dat gitaargeweld nog wel een stuk heftiger kan. The Jesus And Mary Chain borduurde voort op popmuziek uit de jaren 60 en gruizige garagerock uit diezelfde periode en inspireerde in de jaren 90 de nodige shoegaze, noiserock en indierock band. Psychocandy klinkt na al die jaren nog verrassend fris en een stuk minder heftig dan in mijn herinnering.
Vorige week besprak ik het nieuwe album van de Nederlandse band Rats on Rafts. Het is een album dat me onmiddellijk mee terug nam naar de jaren 80, dat ondanks al mijn goede herinneringen toch een wat troosteloos decennium was met bijpassende muziek. Ik luister vanwege de mooie herinneringen nog best vaak naar muziek uit de jaren 80, maar laat de donkerste muziek uit deze periode meestal liggen.
Het is mede daarom dat ik echt al heel lang niet meer had geluisterd naar Psychocandy, het debuutalbum van The Jesus And Mary Chain. De band rond de Schotse broers Jim en William Reid maakte in mijn herinnering zo ongeveer de donkerste muziek die in de jaren 80 voorbij kwam, maar bij de hernieuwde kennismaking met Pyschocandy vond ik dat eigenlijk reuze meevallen.
Openingstrack Just Like Honey is een mooie en melodieuze popsong met een hang naar de jaren 60 en aan de Beach Boys herinnerende refreinen. De gitaren klonken in 1985 misschien wel erg gruizig en vervormd, maar met de shoegaze en noiserock albums uit de jaren 90 in het achterhoofd valt het allemaal erg mee.
De gitaren van The Jesus And Mary Chain klinken op Psychocandy vaak wel een stuk gruiziger en meer vervormd dan in Just Like Honey, maar ik schrik er inmiddels niet meer van. De gruizige gitaarmuren van The Jesus And Mary Chain zouden in de jaren 90 een inspiratiebron vormen voor flink wat shoegaze en indierock bands, maar het gitaarwerk op het debuutalbum van The Jesus And Mary Chain is ook absoluut schatplichtig aan de garagerock die in de jaren 60 werd gemaakt.
De songs op Psychocandy hebben de sfeer die op zoveel donkere albums uit de jaren 80 is te horen, maar het debuutalbum van de band rond de broers Reid heeft de tand des tijds wat mij betreft verrassend goed doorstaan. Psychocandy staat vol met wat dromerige of zelfs zoete popsongs die meer een jaren 60 dan een jaren 80 vibe hebben. Wanneer het gitaarwerk ontspoort sleept The Jesus And Mary Chain je wel de jaren 80 in, maar de muziek van de Schotse band klinkt duidelijk anders dan die van de meeste andere jaren 80 bands.
Het gitaarwerk schiet hier en daar flink uit de bocht, maar de gitaarakkoorden op het album zijn ook verrassend mooi en melodieus. Dat geldt ook voor de zang op het album, die het wat dromerige effect van de muziek van The Jesus And Mary Chain versterkt. Dat dromerige effect wordt opgejaagd door de gitaaruitbarstingen op het album en zeker ook door het stuwende drumwerk van de vooral van Primal Scream bekende Bobby Gillespie.
Psychocandy werd uiteindelijk voor een appel en een ei opgenomen, maar ik vind het album verrassend mooi klinken, wat mogelijk de verdienste is aan de engineers die in de studio aan het werk waren, iconen Flood en Alan Moulder. Ik vond Psychocandy in 1985 teveel van het goede, vooral door het vervormde gitaarwerk, maar het is grappig hoe je veertig jaar later met totaal andere oren naar muziek kunt luisteren, waardoor ik het debuutalbum van The Jesus And Mary Chain eigenlijk vooral een heel melodieus album vind.
Na Psychocandy heb ik nauwelijks meer naar de muziek van de Schotse band, die vorig jaar nog een album uitbracht, geluisterd, maar misschien moet ik dat na de goede ervaring met het debuutalbum van The Jesus And Mary Chain toch nog maar eens gaan doen, om te beginnen bij Darklands uit 1987 en Honey's Dead uit 1992. Erwin Zijleman
The Jezabels - Synthia (2016)

4,0
0
geplaatst: 17 februari 2016, 15:42 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Jezabels - Synthia - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De Australische band The Jezabels wist met haar vorige platen, ondanks lovende recensies wereldwijd, geen plekje op de krenten uit de pop af te dwingen.
De vorige plaat van de band, The Brink uit 2014, lag weliswaar een hele tijd op de stapel, maar kwam er uiteindelijk niet van af. Dat is best opmerkelijk, want ik hou wel van het genre waarin The Jezabels zich bewegen.
Op Synthia maakt The Jezabels elektronische popmuziek die je meer dan eens mee terug neemt naar de jaren 80, maar die toch anders klinkt dan die van de meeste van de soortgenoten van de Australische band.
Dat ligt vooral aan de bijzondere zang van Hayley Mary, die hoog kan uithalen als Kate Bush, duister kan zingen als Siouxsie Sioux, maar ook subtiel kan verleiden met diepe en donkere vocalen. Het is de soms onderkoelde, soms uit de tenen komende maar altijd krachtige zang van Hayley Mary die de muziek van The Jezabels naar een hoger plan tilt, maar ook de instrumentatie op Synthia houdt je continu op het puntje van je stoel.
The Jezabels maken synthpop die heerlijk dromerig en atmosferisch kan klinken, maar de muziek van het Australische viertal kan ook op ieder moment ontsporen en kiest over het algemeen niet voor de makkelijkste weg.
Heel af en toe, en zeker in de wat meer subtiele en experimentele momenten, doet Synthia me wel wat denken aan A Secret Wish van de Duitse band Propaganda, maar The Jezabels zijn ook niet vies van plotseling opduikende gitaarmuren die de band het rockterrein op stuwen.
Met name de synths op Synthia zijn van een grote schoonheid. Waar veel bands in dit genre kiezen voor een betrekkelijk eenvormig geluid, klinken de synths van Heather Shannon (die momenteel helaas moet vechten tegen een ernstige ziekte) steeds weer anders, waarbij het hele spectrum tussen uiterst subtiel en zeer bombastisch wordt bewandeld.
Zeker bij beluistering via de koptelefoon is Synthia een grootse en bezwerende plaat. Het heeft even geduurd, maar inmiddels ben ik helemaal overtuigd van de kwaliteiten van The Jezabels. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Jezabels - Synthia - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
De Australische band The Jezabels wist met haar vorige platen, ondanks lovende recensies wereldwijd, geen plekje op de krenten uit de pop af te dwingen.
De vorige plaat van de band, The Brink uit 2014, lag weliswaar een hele tijd op de stapel, maar kwam er uiteindelijk niet van af. Dat is best opmerkelijk, want ik hou wel van het genre waarin The Jezabels zich bewegen.
Op Synthia maakt The Jezabels elektronische popmuziek die je meer dan eens mee terug neemt naar de jaren 80, maar die toch anders klinkt dan die van de meeste van de soortgenoten van de Australische band.
Dat ligt vooral aan de bijzondere zang van Hayley Mary, die hoog kan uithalen als Kate Bush, duister kan zingen als Siouxsie Sioux, maar ook subtiel kan verleiden met diepe en donkere vocalen. Het is de soms onderkoelde, soms uit de tenen komende maar altijd krachtige zang van Hayley Mary die de muziek van The Jezabels naar een hoger plan tilt, maar ook de instrumentatie op Synthia houdt je continu op het puntje van je stoel.
The Jezabels maken synthpop die heerlijk dromerig en atmosferisch kan klinken, maar de muziek van het Australische viertal kan ook op ieder moment ontsporen en kiest over het algemeen niet voor de makkelijkste weg.
Heel af en toe, en zeker in de wat meer subtiele en experimentele momenten, doet Synthia me wel wat denken aan A Secret Wish van de Duitse band Propaganda, maar The Jezabels zijn ook niet vies van plotseling opduikende gitaarmuren die de band het rockterrein op stuwen.
Met name de synths op Synthia zijn van een grote schoonheid. Waar veel bands in dit genre kiezen voor een betrekkelijk eenvormig geluid, klinken de synths van Heather Shannon (die momenteel helaas moet vechten tegen een ernstige ziekte) steeds weer anders, waarbij het hele spectrum tussen uiterst subtiel en zeer bombastisch wordt bewandeld.
Zeker bij beluistering via de koptelefoon is Synthia een grootse en bezwerende plaat. Het heeft even geduurd, maar inmiddels ben ik helemaal overtuigd van de kwaliteiten van The Jezabels. Erwin Zijleman
The Juliana Hatfield Three - Whatever, My Love (2015)

4,0
1
geplaatst: 8 maart 2015, 09:49 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Juliana Hatfield Three - Whatever, My Love - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Juliana Hatfield dook halverwege de jaren 80 op als frontvrouw van de invloedrijke maar helaas zwaar onderschatte band Blake Babies (die overigens hun beste plaat pas maakten na een eenmalige reünie in 2001). Aan het begin van de jaren 90 maakte ze kort deel uit van The Lemonheads (ze is te horen op de beste plaat van de band, It’s A Shame About Ray uit 1992), maar hierna begon Juliana Hatfield aan een solocarrière die tot op de dag van vandaag duurt.
Het heeft een enorme stapel platen opgeleverd (ik tel een dozijn platen in mijn platenkast), waaronder ook één onder de naam The Juliana Hatfield Three (één van haar betere platen) en één onder de naam Juliana’s Pony (de zwakste van het stel).
Het zijn platen die ik persoonlijk bijna allemaal goed vind; heel goed zelfs. Daar sta ik zeker niet alleen in, want ook de critici roemen keer op keer de constante en hoge kwaliteit van de platen van Juliana Hatfield. Het zijn overigens ook platen die behoorlijk op elkaar lijken, want Juliana Hatfield heeft een uit duizenden herkenbaar geluid dat in al die jaren nauwelijks veranderd is.
Whatever, My Love verschijnt voor de afwisseling weer eens onder de naam The Juliana Hatfield Three en is hierdoor feitelijk de opvolger van Become What You Are uit 1993; zoals gezegd één van de betere platen van Juliana Hatfield.
Het maakt voor de muziek van Juliana Hatfield overigens niet zo gek veel uit welke naam er op de cover prijkt, al moet gezegd worden dat Whatever, My Love opvallend hecht en geïnspireerd klinkt.
Het zo herkenbare geluid van Juliana Hatfield wordt voor een belangrijk deel gedragen door haar nog altijd wat meisjesachtige stem. Het is een stem die aangenaam kan verleiden en die fraai kleurt in de gitaarliedjes waarin Juliana Hatfield inmiddels al zo lang grossiert.
Het zijn lekker in het gehoor liggende gitaarliedjes, die meerdere kanten op schieten. In een deel van haar songs verwerkt Juliana Hatfield invloeden uit de West Coast pop en psychedelica, terwijl in andere songs invloeden uit de American Underground en powerpop centraal staan, maar de muziek van Juliana Hatfield heeft ook raakvlakken met de indierock van bands als Throwing Muses en Belly.
De gitaarsongs van Juliana Hatfield zijn soms lieflijk en dromerig, maar net zo vaak rauw en stekelig, wat haar platen van flink wat dynamiek voorziet. Die dynamiek is in zeer ruime mate aanwezig op Whatever, My Love. Het is, meer dan zijn voorgangers, een bandplaat en dat geeft energie.
Het directe maar veelzijdige gitaarspel van Juliana Hatfield en haar verleidelijke vocalen, worden steeds weer versterkt door de solide, uit bassist Dean Fisher en drummer Todd Philips bestaande ritmesectie, waardoor de plaat geïnspireerder en urgenter klinkt dan zijn directe voorgangers.
The Juliana Hatfield Three verrast op Whatever, My Love met twaalf zorgeloze popliedjes. Het is bijna 40 minuten muziek, maar toch is het iedere keer zo weer voorbij. Hierna, wil je eigenlijk maar één ding: nog een keer, nog een keer. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Juliana Hatfield Three - Whatever, My Love - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Juliana Hatfield dook halverwege de jaren 80 op als frontvrouw van de invloedrijke maar helaas zwaar onderschatte band Blake Babies (die overigens hun beste plaat pas maakten na een eenmalige reünie in 2001). Aan het begin van de jaren 90 maakte ze kort deel uit van The Lemonheads (ze is te horen op de beste plaat van de band, It’s A Shame About Ray uit 1992), maar hierna begon Juliana Hatfield aan een solocarrière die tot op de dag van vandaag duurt.
Het heeft een enorme stapel platen opgeleverd (ik tel een dozijn platen in mijn platenkast), waaronder ook één onder de naam The Juliana Hatfield Three (één van haar betere platen) en één onder de naam Juliana’s Pony (de zwakste van het stel).
Het zijn platen die ik persoonlijk bijna allemaal goed vind; heel goed zelfs. Daar sta ik zeker niet alleen in, want ook de critici roemen keer op keer de constante en hoge kwaliteit van de platen van Juliana Hatfield. Het zijn overigens ook platen die behoorlijk op elkaar lijken, want Juliana Hatfield heeft een uit duizenden herkenbaar geluid dat in al die jaren nauwelijks veranderd is.
Whatever, My Love verschijnt voor de afwisseling weer eens onder de naam The Juliana Hatfield Three en is hierdoor feitelijk de opvolger van Become What You Are uit 1993; zoals gezegd één van de betere platen van Juliana Hatfield.
Het maakt voor de muziek van Juliana Hatfield overigens niet zo gek veel uit welke naam er op de cover prijkt, al moet gezegd worden dat Whatever, My Love opvallend hecht en geïnspireerd klinkt.
Het zo herkenbare geluid van Juliana Hatfield wordt voor een belangrijk deel gedragen door haar nog altijd wat meisjesachtige stem. Het is een stem die aangenaam kan verleiden en die fraai kleurt in de gitaarliedjes waarin Juliana Hatfield inmiddels al zo lang grossiert.
Het zijn lekker in het gehoor liggende gitaarliedjes, die meerdere kanten op schieten. In een deel van haar songs verwerkt Juliana Hatfield invloeden uit de West Coast pop en psychedelica, terwijl in andere songs invloeden uit de American Underground en powerpop centraal staan, maar de muziek van Juliana Hatfield heeft ook raakvlakken met de indierock van bands als Throwing Muses en Belly.
De gitaarsongs van Juliana Hatfield zijn soms lieflijk en dromerig, maar net zo vaak rauw en stekelig, wat haar platen van flink wat dynamiek voorziet. Die dynamiek is in zeer ruime mate aanwezig op Whatever, My Love. Het is, meer dan zijn voorgangers, een bandplaat en dat geeft energie.
Het directe maar veelzijdige gitaarspel van Juliana Hatfield en haar verleidelijke vocalen, worden steeds weer versterkt door de solide, uit bassist Dean Fisher en drummer Todd Philips bestaande ritmesectie, waardoor de plaat geïnspireerder en urgenter klinkt dan zijn directe voorgangers.
The Juliana Hatfield Three verrast op Whatever, My Love met twaalf zorgeloze popliedjes. Het is bijna 40 minuten muziek, maar toch is het iedere keer zo weer voorbij. Hierna, wil je eigenlijk maar één ding: nog een keer, nog een keer. Erwin Zijleman
The Lancaster Orchestra - A Light That Can Brighten Up the Dark (2024)

4,0
2
geplaatst: 4 december 2024, 16:32 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: The Lancaster Orchestra - A Light That Can Brighten Up The Dark - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Lancaster Orchestra - A Light That Can Brighten Up The Dark
Tien jaar na het laatste wapenfeit keerde de Zweedse band The Lancaster Orchestra afgelopen lente terug met een nieuw album, dat echter veel beter tot zijn recht komt tijdens de winteravonden van het moment
De Zweedse muzikant Carl Mathson zette zijn band The Lancaster Orchestra een kleine twintig jaar geleden op de kaart met twee wonderschone albums. Vervolgens was het lang wachten op het derde album, dat in 2014 verscheen, en pas dit jaar verscheen album nummer vier. Het zijn albums die je maar tegen moet zien te komen, maar als je ze tegen komt hebben ze niet veel tijd nodig om je te overtuigen. Ook A Light That Can Brighten Up The Dark is weer een donker maar bijzonder mooi album. De muziek is prachtig en de wat weemoedige stem van Carl Mathson maakt het af. The Lancaster Orchestra is een zwaar onderschatte band, al is dat ook wel een beetje de eigen schuld van de Zweedse muzikant die de band aanvoert.
Op het Nederlandse muziekplatform MusicMeter kreeg ik vorige week de tip om eens te luisteren naar A Light That Can Brighten Up The Dark van The Lancaster Orchestra. Het is naam die me vaag bekend voor kwam en dat gevoel werd versterkt toen ik las dat de Zweedse muzikant Carl Mathson de man achter de band uit Stockholm is.
Na diep graven kwam ik uit bij With Help From Absent Friends en Never Cried Once When I Could Have, de twee albums die The Lancaster Orchestra in 2005 en 2006 afleverde. Het zijn twee albums waar ik destijds behoorlijk van onder de indruk was. Het zijn albums met Amerikaanse rootsmuziek, maar het is wel Amerikaanse rootsmuziek met een flinke portie Zweedse melancholie.
Ik bejubelde de albums in de Plato.NL nieuwsbrief die ik destijds schreef en volgens mij gingen de albums bij de helaas niet meer bestaande Plato vestiging in heel behoorlijke aantallen over de toonbank. Na het tweede album werd het echter stil rond The Lancaster Orchestra en pas in 2014 dook Carl Mathson weer op met zijn band.
Het titelloze album dat in 2014 verscheen deed qua schoonheid niet onder voor zijn twee voorgangers, maar het album kreeg helaas nog minder aandacht, waardoor ik het album niet eens heb opgemerkt. Dat zou me ook zijn overkomen met het afgelopen voorjaar verschenen A Light That Can Brighten Up The Dark, maar gelukkig kreeg ik het album door een tip alsnog op het netvlies.
Er zijn heel wat jaren verstreken sinds de eerste twee albums van The Lancaster Orchestra, maar A Light That Can Brighten Up The Dark is wat mij betreft een naadloos vervolg op die twee albums. Ook op het vierde album van The Lancaster Orchestra maken Carl Mathson en zijn medemuzikanten immers muziek die is te omschrijven als Amerikaanse rootsmuziek met een Scandinavische touch en af en toe een vleugje van de Schotse melancholie van The Blue Nile.
Het is zeer sfeervolle Amerikaanse rootsmuziek en de Zweedse muzikant heeft zijn band niet voor niets een orkest genoemd. Ook op A Light That Can Brighten Up The Dark komt een heel arsenaal aan instrumenten voorbij, maar omdat ze afwisselend worden ingezet klinkt het album meestal behoorlijk ingetogen. De bijdragen van onder andere viool, pedal steel, orgels en gitaren klinken allemaal even sfeervol, waardoor het nieuwe album van The Lancaster Orchestra warm klinkt.
Het kleurt allemaal bijzonder mooi bij de zang van Carl Mathson, die beschikt over een mooie maar ook wat weemoedig klinkende stem. Het past uitstekend bij de songs van The Lancaster Orchestra, die ook dit keer zijn voorzien van een flinke dosis Zweedse melancholie.
Het is jammer dat ook het nieuwe album van The Lancaster Orchestra weer nauwelijks wordt gepromoot, want ik weet zeker dat een brede groep liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek zal smullen van de sfeervolle klanken van de Zweedse band. Zelf ben ik steeds meer gehecht aan de weemoedige maar ook bijzonder mooie songs op het album, die de winteravonden van het moment voorzien van glans.
Het is knap hoe The Lancaster Orchestra tijdloze muziek maakt, maar toch een karakteristiek eigen geluid heeft. Een ding valt wel wat tegen en dat is dat er na tien jaar wachten slechts een klein half uur muziek op A Light That Can Brighten Up The Dark staat. Echt veel te kort om die eindeloze winteravonden mee door te komen, maar wat is het weer mooi. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: The Lancaster Orchestra - A Light That Can Brighten Up The Dark - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Lancaster Orchestra - A Light That Can Brighten Up The Dark
Tien jaar na het laatste wapenfeit keerde de Zweedse band The Lancaster Orchestra afgelopen lente terug met een nieuw album, dat echter veel beter tot zijn recht komt tijdens de winteravonden van het moment
De Zweedse muzikant Carl Mathson zette zijn band The Lancaster Orchestra een kleine twintig jaar geleden op de kaart met twee wonderschone albums. Vervolgens was het lang wachten op het derde album, dat in 2014 verscheen, en pas dit jaar verscheen album nummer vier. Het zijn albums die je maar tegen moet zien te komen, maar als je ze tegen komt hebben ze niet veel tijd nodig om je te overtuigen. Ook A Light That Can Brighten Up The Dark is weer een donker maar bijzonder mooi album. De muziek is prachtig en de wat weemoedige stem van Carl Mathson maakt het af. The Lancaster Orchestra is een zwaar onderschatte band, al is dat ook wel een beetje de eigen schuld van de Zweedse muzikant die de band aanvoert.
Op het Nederlandse muziekplatform MusicMeter kreeg ik vorige week de tip om eens te luisteren naar A Light That Can Brighten Up The Dark van The Lancaster Orchestra. Het is naam die me vaag bekend voor kwam en dat gevoel werd versterkt toen ik las dat de Zweedse muzikant Carl Mathson de man achter de band uit Stockholm is.
Na diep graven kwam ik uit bij With Help From Absent Friends en Never Cried Once When I Could Have, de twee albums die The Lancaster Orchestra in 2005 en 2006 afleverde. Het zijn twee albums waar ik destijds behoorlijk van onder de indruk was. Het zijn albums met Amerikaanse rootsmuziek, maar het is wel Amerikaanse rootsmuziek met een flinke portie Zweedse melancholie.
Ik bejubelde de albums in de Plato.NL nieuwsbrief die ik destijds schreef en volgens mij gingen de albums bij de helaas niet meer bestaande Plato vestiging in heel behoorlijke aantallen over de toonbank. Na het tweede album werd het echter stil rond The Lancaster Orchestra en pas in 2014 dook Carl Mathson weer op met zijn band.
Het titelloze album dat in 2014 verscheen deed qua schoonheid niet onder voor zijn twee voorgangers, maar het album kreeg helaas nog minder aandacht, waardoor ik het album niet eens heb opgemerkt. Dat zou me ook zijn overkomen met het afgelopen voorjaar verschenen A Light That Can Brighten Up The Dark, maar gelukkig kreeg ik het album door een tip alsnog op het netvlies.
Er zijn heel wat jaren verstreken sinds de eerste twee albums van The Lancaster Orchestra, maar A Light That Can Brighten Up The Dark is wat mij betreft een naadloos vervolg op die twee albums. Ook op het vierde album van The Lancaster Orchestra maken Carl Mathson en zijn medemuzikanten immers muziek die is te omschrijven als Amerikaanse rootsmuziek met een Scandinavische touch en af en toe een vleugje van de Schotse melancholie van The Blue Nile.
Het is zeer sfeervolle Amerikaanse rootsmuziek en de Zweedse muzikant heeft zijn band niet voor niets een orkest genoemd. Ook op A Light That Can Brighten Up The Dark komt een heel arsenaal aan instrumenten voorbij, maar omdat ze afwisselend worden ingezet klinkt het album meestal behoorlijk ingetogen. De bijdragen van onder andere viool, pedal steel, orgels en gitaren klinken allemaal even sfeervol, waardoor het nieuwe album van The Lancaster Orchestra warm klinkt.
Het kleurt allemaal bijzonder mooi bij de zang van Carl Mathson, die beschikt over een mooie maar ook wat weemoedig klinkende stem. Het past uitstekend bij de songs van The Lancaster Orchestra, die ook dit keer zijn voorzien van een flinke dosis Zweedse melancholie.
Het is jammer dat ook het nieuwe album van The Lancaster Orchestra weer nauwelijks wordt gepromoot, want ik weet zeker dat een brede groep liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek zal smullen van de sfeervolle klanken van de Zweedse band. Zelf ben ik steeds meer gehecht aan de weemoedige maar ook bijzonder mooie songs op het album, die de winteravonden van het moment voorzien van glans.
Het is knap hoe The Lancaster Orchestra tijdloze muziek maakt, maar toch een karakteristiek eigen geluid heeft. Een ding valt wel wat tegen en dat is dat er na tien jaar wachten slechts een klein half uur muziek op A Light That Can Brighten Up The Dark staat. Echt veel te kort om die eindeloze winteravonden mee door te komen, maar wat is het weer mooi. Erwin Zijleman
The Lasses - Near Far (2023)

4,0
0
geplaatst: 1 november 2023, 12:09 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Lasses - Near Far - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lasses - Near Far
Het Amsterdamse duo The Lasses eert op haar nieuwe album Near Far de Schotse folkmuziek en doet dat met subtiele klanken en natuurlijk met de elkaar prachtig versterkende stemmen van Sophie Janna en Margot Merah
Ik was vier jaar geleden niet onmiddellijk onder de indruk van Undone van The Lasses, maar werd al snel overtuigd door de prachtige harmonieën op het vooral met traditionele folk gevulde album. Ook op het nieuwe album van The Lasses kiest het Amsterdamse duo voor wat of zelfs zeer traditioneel aandoende folk, die dit keer van Schotse oorsprong is, maar er valt wederom veel te genieten. De instrumentatie is sober maar smaakvol, de arrangementen zijn prachtig en Sophie Janna en Margot Merah trekken ook dit keer de aandacht met hun karakteristieke stemmen, die prachtig bij elkaar passen en tekenen voor bijzonder fraaie harmonieën.
Wanneer het gaar om mooie harmonieën heb ik een enorm zwak voor zingende zussen. Niets is immers zo mooi als twee (of zelfs drie) bijna identieke stemmen die prachtig samenvloeien. Het is ook dit jaar weer bewezen door onder andere Joseph, Aly & AJ en Lily & Madeleine, die prima albums afleverden, nadat First Aid Kit, Les Sœurs Boulay en The Staves dat een jaar eerder deden. Dat ook twee stemmen die totaal niet op elkaar lijken goed kunnen zijn voor prachtige harmonieën bewees het Nederlandse duo The Lasses net iets meer dan vier jaar geleden met Undone.
Het was niet het eerste wapenfeit van het Amsterdamse duo, maar wel mijn eerste kennismaking met de muziek van Sophie Janna (Sophie ter Schure) en Margot Merah (Margot Limburg). Het duurde overigens even voor Undone me wist te overtuigen, want ik hou normaal gesproken niet van de traditionele folk die The Lasses maken, waardoor ik het album in eerste instantie aan de kant had geschoven. Toen ik het album eindelijk een kans had gegeven was ik snel verkocht, want Undone bleek echt prachtig ingekleurd, bevatte een aantal interessante songs, viel op door een intieme sfeer en imponeerde boven alles met de prachtige stemmen van Sophie Janna en Margot Merah, die elkaar op bijzondere wijze versterkten.
Door de coronapandemie, ziekte en solowerk van Sophie Janna en Margot Merah heeft het nieuwe album van The Lasses een tijd op zich laten wachten, maar deze week keert het Amsterdamse duo terug met Near Far. Het is een album waarop The Lasses een eerbetoon brengen aan de Schotse folk, wat wederom een behoorlijk traditioneel klinkend album oplevert. Ik ben nog steeds niet gek op dit soort traditionele folk, maar Sophie Janna en Margot Merah doen er op hun nieuwe album mooie dingen mee.
Ook op Near Far werken de twee samen met multi-instrumentalist Janos Koolen, die een belangrijk deel van de instrumentatie op het album voor zijn rekening neemt. Sophie Janna en Margot Merah tekenen zelf voor onder andere ukelele, gitaar, harmonica en een soort harmonium, terwijl Stijn van Beek het Schotse geluid versterkte met de doedelzak. Er worden flink wat instrumenten ingezet op Near Far, maar vergeleken met het vorige album van The Lasses is Near Far net wat spaarzamer en subtieler ingekleurd.
Het past uitstekend bij de Schotse folk die op het album domineert en het zorgt er voor dat de zang een nog wat prominentere rol speelt. Sophie Janna en Margot Merah beschikken allebei over een mooie en karakteristieke stem, maar de magie ontstaat wanneer hun stemmen samenvloeien en elkaar versterken. Het klinkt anders dan de harmonieën van de bovengenoemde zingende zussen, maar de harmonieën van The Lasses zijn zeker niet minder trefzeker.
Een interessante mix van stokoude traditionals en Schotse folksongs van recentere datum maakt Near Far nog wat interessanter. Het is wederom een album dat zich deels buiten mijn comfort zone beweegt, maar met name de zang op het album is zo mooi dat ik The Lasses toch weer in mijn hart heb gesloten.
Folkies zullen absoluut raad weten met dit mooie album, maar ook liefhebbers van rootsmuziek die dit soort albums normaal gesproken links laten liggen moeten zeker eens luisteren naar Near Far van The Lasses. Spotify serveerde na The Lasses overigens het deze zomer verschenen Lullabies From Scotland van Claire Hastings en ook dat album klinkt zeker interessant. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Lasses - Near Far - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lasses - Near Far
Het Amsterdamse duo The Lasses eert op haar nieuwe album Near Far de Schotse folkmuziek en doet dat met subtiele klanken en natuurlijk met de elkaar prachtig versterkende stemmen van Sophie Janna en Margot Merah
Ik was vier jaar geleden niet onmiddellijk onder de indruk van Undone van The Lasses, maar werd al snel overtuigd door de prachtige harmonieën op het vooral met traditionele folk gevulde album. Ook op het nieuwe album van The Lasses kiest het Amsterdamse duo voor wat of zelfs zeer traditioneel aandoende folk, die dit keer van Schotse oorsprong is, maar er valt wederom veel te genieten. De instrumentatie is sober maar smaakvol, de arrangementen zijn prachtig en Sophie Janna en Margot Merah trekken ook dit keer de aandacht met hun karakteristieke stemmen, die prachtig bij elkaar passen en tekenen voor bijzonder fraaie harmonieën.
Wanneer het gaar om mooie harmonieën heb ik een enorm zwak voor zingende zussen. Niets is immers zo mooi als twee (of zelfs drie) bijna identieke stemmen die prachtig samenvloeien. Het is ook dit jaar weer bewezen door onder andere Joseph, Aly & AJ en Lily & Madeleine, die prima albums afleverden, nadat First Aid Kit, Les Sœurs Boulay en The Staves dat een jaar eerder deden. Dat ook twee stemmen die totaal niet op elkaar lijken goed kunnen zijn voor prachtige harmonieën bewees het Nederlandse duo The Lasses net iets meer dan vier jaar geleden met Undone.
Het was niet het eerste wapenfeit van het Amsterdamse duo, maar wel mijn eerste kennismaking met de muziek van Sophie Janna (Sophie ter Schure) en Margot Merah (Margot Limburg). Het duurde overigens even voor Undone me wist te overtuigen, want ik hou normaal gesproken niet van de traditionele folk die The Lasses maken, waardoor ik het album in eerste instantie aan de kant had geschoven. Toen ik het album eindelijk een kans had gegeven was ik snel verkocht, want Undone bleek echt prachtig ingekleurd, bevatte een aantal interessante songs, viel op door een intieme sfeer en imponeerde boven alles met de prachtige stemmen van Sophie Janna en Margot Merah, die elkaar op bijzondere wijze versterkten.
Door de coronapandemie, ziekte en solowerk van Sophie Janna en Margot Merah heeft het nieuwe album van The Lasses een tijd op zich laten wachten, maar deze week keert het Amsterdamse duo terug met Near Far. Het is een album waarop The Lasses een eerbetoon brengen aan de Schotse folk, wat wederom een behoorlijk traditioneel klinkend album oplevert. Ik ben nog steeds niet gek op dit soort traditionele folk, maar Sophie Janna en Margot Merah doen er op hun nieuwe album mooie dingen mee.
Ook op Near Far werken de twee samen met multi-instrumentalist Janos Koolen, die een belangrijk deel van de instrumentatie op het album voor zijn rekening neemt. Sophie Janna en Margot Merah tekenen zelf voor onder andere ukelele, gitaar, harmonica en een soort harmonium, terwijl Stijn van Beek het Schotse geluid versterkte met de doedelzak. Er worden flink wat instrumenten ingezet op Near Far, maar vergeleken met het vorige album van The Lasses is Near Far net wat spaarzamer en subtieler ingekleurd.
Het past uitstekend bij de Schotse folk die op het album domineert en het zorgt er voor dat de zang een nog wat prominentere rol speelt. Sophie Janna en Margot Merah beschikken allebei over een mooie en karakteristieke stem, maar de magie ontstaat wanneer hun stemmen samenvloeien en elkaar versterken. Het klinkt anders dan de harmonieën van de bovengenoemde zingende zussen, maar de harmonieën van The Lasses zijn zeker niet minder trefzeker.
Een interessante mix van stokoude traditionals en Schotse folksongs van recentere datum maakt Near Far nog wat interessanter. Het is wederom een album dat zich deels buiten mijn comfort zone beweegt, maar met name de zang op het album is zo mooi dat ik The Lasses toch weer in mijn hart heb gesloten.
Folkies zullen absoluut raad weten met dit mooie album, maar ook liefhebbers van rootsmuziek die dit soort albums normaal gesproken links laten liggen moeten zeker eens luisteren naar Near Far van The Lasses. Spotify serveerde na The Lasses overigens het deze zomer verschenen Lullabies From Scotland van Claire Hastings en ook dat album klinkt zeker interessant. Erwin Zijleman
The Lasses - Undone (2019)

4,0
0
geplaatst: 19 oktober 2019, 10:48 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Lasses - Undone - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lasses - Undone
Het Amsterdamse folkduo The Lasses verrast op haar nieuwe album met prachtig gezongen, maar ook bijzonder fraai klinkende folksongs van hoog niveau
Na drie in bescheiden kring opgepikte albums willen The Lasses dit keer meer en dat verdienen ze ook. Voor het eerst namen Sophie Janna en Margot Merah een producer in de arm en dat voorziet de muziek van het tweetal net van dat beetje extra dat nodig is om op te vallen. De bijzonder smaakvolle instrumentatie op Undone past prachtig bij de al even mooie stemmen van de Amsterdamse zangeressen, die goed uit de voeten kunnen met folk traditionals, maar ook eigen songs en songs van anderen op overtuigende wijze naar een hoger plan tillen. Een echte folkie ben ik niet, maar dit werkelijk wonderschone folkalbum wil ik echt niet missen.
Het Amsterdamse duo The Lasses timmert inmiddels al een aantal jaren aan de weg. De naam van het tweetal ben ik al vaker tegen gekomen, maar ik had tot voor kort nog nooit goed geluisterd naar de muziek van Sophie Janna en Margot Merah. Een tijdje geleden kreeg ik het nieuwe album van het Nederlandse folkduo in handen en dat is een bijzonder mooi album geworden.
The Lasses hadden tot dusver geen behoefte aan een producer, maar het dankzij een crowdfunding actie gerealiseerde Undone werd geproduceerd door muzikant en producer Janos Koolen. Het is een verstandig besluit geweest om dit keer te werken met een producer. Undone is nog altijd een behoorlijk sober folkalbum, maar de subtiele accenten die zijn aangebracht in de instrumentatie en in de productie tillen Undone wat mij betreft boven het maaiveld uit.
The Lasses laten zich vooral inspireren door folk-traditionals uit de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Ierland en dat is waarschijnlijk ook de reden dat ik tot dusver niet was toegekomen aan de muziek van The Lasses. Ik hou normaal gesproken niet zo van hele traditionele folk, maar de traditionele folk die Sophie Janna en Margot Merah maken op Undone strijkt bij mij niet tegen de haren in. Integendeel. The Lasses betoveren op Undone met de ene na de andere prachtige folksong.
Undone werd opgenomen met slechts één microfoon, wat het album voorziet van een intieme sfeer. In de muziek van The Lasses draait alles om de prachtig bij elkaar kleurende stemmen van Sophie Janna en Margot Merah, die elkaar keer op keer prachtig weten te versterken waarna de subtiele instrumentatie de songs verder inkleurt. Het album bevat naast een aantal traditionals ook een aantal eigen songs en songs van onder andere Natalie Merchant en Sandy Denny.
Undone opent met alleen de stemmen van de twee Amsterdamse zangeressen, maar de meeste tracks op het album zijn subtiel, maar bijzonder fraai ingekleurd. The Lasses houdt hierbij vast aan de kaders van de traditionele folk, maar de aangebrachte versiersels van onder andere viool, piano, blazers, mandoline, dobro en elektrische gitaar geven de songs van het tweetal een net wat moderner geluid.
Het is knap hoe Sophie Janna en Margot Merah samen met hun producer en medemuzikanten steeds weer net wat andere accenten weten te leggen, wat van Undone een gevarieerd album maakt. Als geen heel groot liefhebber van traditionele folk, smelt ik het lastigst voor de traditionals op het album, al moet gezegd worden dat het Amsterdamse duo er in vocaal opzicht steeds weer iets bijzonders van maakt.
Tegenover de traditionals staan wonderschone versies van onder andere Motherland van Natalie Merchant en Who Knows Where The Time Goes van Sandy Denny, maar ook de voor mij minder bekende songs en de songs van Sophie Janna en Margot Merah zelf mogen er wat mij betreft zijn. Ik ben wanneer het gaat om traditionele folk wat selectiever dan met andere stromingen binnen de rootsmuziek, maar naar Undone van The Lasses ga ik nog heel vaak luisteren.
Het duo uit Amsterdam wist met haar eerste drie albums een bescheiden publiek aan zich te binden en hoopt dit keer op meer. Dat meer zit er wat mij betreft zeker in. Undone van The Lasses is verplichte kost voor liefhebbers van traditionele folk, maar ook liefhebbers van wat minder traditionele of andersoortige rootsmuziek kunnen met het fraaie nieuwe album van The Lasses uitstekend uit de voeten. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Lasses - Undone - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lasses - Undone
Het Amsterdamse folkduo The Lasses verrast op haar nieuwe album met prachtig gezongen, maar ook bijzonder fraai klinkende folksongs van hoog niveau
Na drie in bescheiden kring opgepikte albums willen The Lasses dit keer meer en dat verdienen ze ook. Voor het eerst namen Sophie Janna en Margot Merah een producer in de arm en dat voorziet de muziek van het tweetal net van dat beetje extra dat nodig is om op te vallen. De bijzonder smaakvolle instrumentatie op Undone past prachtig bij de al even mooie stemmen van de Amsterdamse zangeressen, die goed uit de voeten kunnen met folk traditionals, maar ook eigen songs en songs van anderen op overtuigende wijze naar een hoger plan tillen. Een echte folkie ben ik niet, maar dit werkelijk wonderschone folkalbum wil ik echt niet missen.
Het Amsterdamse duo The Lasses timmert inmiddels al een aantal jaren aan de weg. De naam van het tweetal ben ik al vaker tegen gekomen, maar ik had tot voor kort nog nooit goed geluisterd naar de muziek van Sophie Janna en Margot Merah. Een tijdje geleden kreeg ik het nieuwe album van het Nederlandse folkduo in handen en dat is een bijzonder mooi album geworden.
The Lasses hadden tot dusver geen behoefte aan een producer, maar het dankzij een crowdfunding actie gerealiseerde Undone werd geproduceerd door muzikant en producer Janos Koolen. Het is een verstandig besluit geweest om dit keer te werken met een producer. Undone is nog altijd een behoorlijk sober folkalbum, maar de subtiele accenten die zijn aangebracht in de instrumentatie en in de productie tillen Undone wat mij betreft boven het maaiveld uit.
The Lasses laten zich vooral inspireren door folk-traditionals uit de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Ierland en dat is waarschijnlijk ook de reden dat ik tot dusver niet was toegekomen aan de muziek van The Lasses. Ik hou normaal gesproken niet zo van hele traditionele folk, maar de traditionele folk die Sophie Janna en Margot Merah maken op Undone strijkt bij mij niet tegen de haren in. Integendeel. The Lasses betoveren op Undone met de ene na de andere prachtige folksong.
Undone werd opgenomen met slechts één microfoon, wat het album voorziet van een intieme sfeer. In de muziek van The Lasses draait alles om de prachtig bij elkaar kleurende stemmen van Sophie Janna en Margot Merah, die elkaar keer op keer prachtig weten te versterken waarna de subtiele instrumentatie de songs verder inkleurt. Het album bevat naast een aantal traditionals ook een aantal eigen songs en songs van onder andere Natalie Merchant en Sandy Denny.
Undone opent met alleen de stemmen van de twee Amsterdamse zangeressen, maar de meeste tracks op het album zijn subtiel, maar bijzonder fraai ingekleurd. The Lasses houdt hierbij vast aan de kaders van de traditionele folk, maar de aangebrachte versiersels van onder andere viool, piano, blazers, mandoline, dobro en elektrische gitaar geven de songs van het tweetal een net wat moderner geluid.
Het is knap hoe Sophie Janna en Margot Merah samen met hun producer en medemuzikanten steeds weer net wat andere accenten weten te leggen, wat van Undone een gevarieerd album maakt. Als geen heel groot liefhebber van traditionele folk, smelt ik het lastigst voor de traditionals op het album, al moet gezegd worden dat het Amsterdamse duo er in vocaal opzicht steeds weer iets bijzonders van maakt.
Tegenover de traditionals staan wonderschone versies van onder andere Motherland van Natalie Merchant en Who Knows Where The Time Goes van Sandy Denny, maar ook de voor mij minder bekende songs en de songs van Sophie Janna en Margot Merah zelf mogen er wat mij betreft zijn. Ik ben wanneer het gaat om traditionele folk wat selectiever dan met andere stromingen binnen de rootsmuziek, maar naar Undone van The Lasses ga ik nog heel vaak luisteren.
Het duo uit Amsterdam wist met haar eerste drie albums een bescheiden publiek aan zich te binden en hoopt dit keer op meer. Dat meer zit er wat mij betreft zeker in. Undone van The Lasses is verplichte kost voor liefhebbers van traditionele folk, maar ook liefhebbers van wat minder traditionele of andersoortige rootsmuziek kunnen met het fraaie nieuwe album van The Lasses uitstekend uit de voeten. Erwin Zijleman
The Last Dinner Party - From the Pyre (2025)

4,0
0
geplaatst: 20 oktober 2025, 15:42 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: The Last Dinner Party - From The Pyre - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Last Dinner Party - From The Pyre
The Last Dinner Party begon aan het begin van 2024 als een heuse hype, maar maakte de belofte waar met een geweldig debuutalbum, waar de vijf vrouwen op het deze week verschenen From The Pyre nog een schepje bovenop doen
Ik hou over het algemeen van ingetogen popsongs, maar hiervoor ben je bij de Britse band The Last Dinner Party meestal aan het verkeerde adres. Ook op hun tweede album staan de vijf vrouwen uit Londen over het algemeen garant voor behoorlijk theatrale en soms bijna bombastische popsongs. Het zijn echter wel hele leuke popsongs en vaak volstrekt onweerstaanbare popsongs. In muzikaal opzicht sleept de Britse band er van alles bij en dat doet The Last Dinner Party ook in vocaal opzicht, zeker wanneer de uitstekende zang van Abigail Morris wordt omringd met fraaie koortjes. Objectief beschouwd is de muziek van The Last Dinner Party teveel van alles, maar het pakt echt fantastisch uit.
Voor mijn gevoel is het debuutalbum van de Britse band The Last Dinner Party nog helemaal niet zo oud, maar Prelude To Ecstasy gaat inmiddels toch alweer ruim anderhalf jaar mee. Bij het verschijnen van het debuutalbum aan het begin van 2024 leek de compleet uit vrouwen bestaande band me nog vooral een enorme hype, maar met zowel het album als met de indrukwekkende liveoptredens die volgden hebben Abigail Morris, Aurora Nishevci, Emily Roberts, Lizzie Mayland en Georgia Davies laten horen dat ze wel degelijk veel te bieden hebben.
De muziek van The Last Dinner Party werd na de release van Prelude To Ecstasy vergeleken met de muziek van onder andere Queen, ABBA, Kate Bush, Sparks, David Bowie en Florence & The Machine en werd hier en daar zelfs in het hokje musical geduwd. Voor alles was wel iets te zeggen, al hoorde ik de link met musicals gelukkig niet en in plaats hiervan hoorde ik wel een vleugje Siouxsie & The Banshees, maar de Britse band maakte wat mij betreft vooral hopeloos verslavende popsongs met de geweldige stem van Abigail Morris als smaakmaker.
Alle reden dus om nieuwsgierig te zijn naar het tweede album van de Britse band en dat album is deze week verschenen. De band werkt op haar tweede album met producer Markus Dravs, die onder andere werkte met Arcade Fire, Wolf Alice en Florence And The Machine, en rekruteerde voor de mix de legendarische Alan Moulder, die een cv heeft om bang van te worden. Het zorgt er voor dat het tweede album van The Last Dinner Party nog wat grootster en meeslepender klinkt dan het debuutalbum van de band.
The Last Dinner Party doet op From The Pyre geen poging om zichzelf opnieuw uit te vinden. Het tweede album van de band ligt in het verlengde van het terecht zo geprezen debuutalbum, maar is in alle opzichten nog net wat beter. Ook de muziek op From The Pyre is weer behoorlijk stevig ingezet en bij vlagen bijna bombastisch, maar echt uit de bocht vliegen doet de band nooit.
Wat voor de muziek geldt, geldt ook voor de zang van Abigail Morris, die uitpakt met bij vlagen behoorlijk theatrale zang, maar ook mooi en trefzeker zingt. Het is een stem die vaak wordt ondersteund met heerlijke koortjes, die de songs van The Last Dinner Party nog wat onweerstaanbaarder maken.
Overdaad schaadt en in meerdere opzichten lijkt op From The Pyre sprake van overdaad, maar op een of andere manier blijft The Last Dinner Party op haar tweede album altijd aan de goede kant van de streep en dat is knap. Ik moest ruim anderhalf jaar geleden wel even wennen aan de uitbundige muziek van de vijf vrouwen uit Londen, maar uiteindelijk viel ik als een blok voor de muzikale en vocale verleidingen van The Last Dinner Party.
Aan From The Pyre hoefde ik niet te wennen, want het album sluit naadloos aan op zijn voorganger. Ik kon dus direct genieten van de aanstekelijke popsongs van de band en van de echt fantastische zang van de frontvrouw van de band. From The Pyre klinkt een beetje als een verzamelaar met al die bijna over de top popsongs die je de afgelopen decennia koesterde, maar de popsongs van The Last Dinner Party zijn gloednieuw, wat het nieuwe album alleen maar knapper maakt. De band gaat op haar nieuwe album overigens zeker niet alleen maar voluit, wat From The Pyre nog wat knapper maakt. Het altijd lastige tweede album is voor The Last Dinner Party al met al een makkie. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: The Last Dinner Party - From The Pyre - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Last Dinner Party - From The Pyre
The Last Dinner Party begon aan het begin van 2024 als een heuse hype, maar maakte de belofte waar met een geweldig debuutalbum, waar de vijf vrouwen op het deze week verschenen From The Pyre nog een schepje bovenop doen
Ik hou over het algemeen van ingetogen popsongs, maar hiervoor ben je bij de Britse band The Last Dinner Party meestal aan het verkeerde adres. Ook op hun tweede album staan de vijf vrouwen uit Londen over het algemeen garant voor behoorlijk theatrale en soms bijna bombastische popsongs. Het zijn echter wel hele leuke popsongs en vaak volstrekt onweerstaanbare popsongs. In muzikaal opzicht sleept de Britse band er van alles bij en dat doet The Last Dinner Party ook in vocaal opzicht, zeker wanneer de uitstekende zang van Abigail Morris wordt omringd met fraaie koortjes. Objectief beschouwd is de muziek van The Last Dinner Party teveel van alles, maar het pakt echt fantastisch uit.
Voor mijn gevoel is het debuutalbum van de Britse band The Last Dinner Party nog helemaal niet zo oud, maar Prelude To Ecstasy gaat inmiddels toch alweer ruim anderhalf jaar mee. Bij het verschijnen van het debuutalbum aan het begin van 2024 leek de compleet uit vrouwen bestaande band me nog vooral een enorme hype, maar met zowel het album als met de indrukwekkende liveoptredens die volgden hebben Abigail Morris, Aurora Nishevci, Emily Roberts, Lizzie Mayland en Georgia Davies laten horen dat ze wel degelijk veel te bieden hebben.
De muziek van The Last Dinner Party werd na de release van Prelude To Ecstasy vergeleken met de muziek van onder andere Queen, ABBA, Kate Bush, Sparks, David Bowie en Florence & The Machine en werd hier en daar zelfs in het hokje musical geduwd. Voor alles was wel iets te zeggen, al hoorde ik de link met musicals gelukkig niet en in plaats hiervan hoorde ik wel een vleugje Siouxsie & The Banshees, maar de Britse band maakte wat mij betreft vooral hopeloos verslavende popsongs met de geweldige stem van Abigail Morris als smaakmaker.
Alle reden dus om nieuwsgierig te zijn naar het tweede album van de Britse band en dat album is deze week verschenen. De band werkt op haar tweede album met producer Markus Dravs, die onder andere werkte met Arcade Fire, Wolf Alice en Florence And The Machine, en rekruteerde voor de mix de legendarische Alan Moulder, die een cv heeft om bang van te worden. Het zorgt er voor dat het tweede album van The Last Dinner Party nog wat grootster en meeslepender klinkt dan het debuutalbum van de band.
The Last Dinner Party doet op From The Pyre geen poging om zichzelf opnieuw uit te vinden. Het tweede album van de band ligt in het verlengde van het terecht zo geprezen debuutalbum, maar is in alle opzichten nog net wat beter. Ook de muziek op From The Pyre is weer behoorlijk stevig ingezet en bij vlagen bijna bombastisch, maar echt uit de bocht vliegen doet de band nooit.
Wat voor de muziek geldt, geldt ook voor de zang van Abigail Morris, die uitpakt met bij vlagen behoorlijk theatrale zang, maar ook mooi en trefzeker zingt. Het is een stem die vaak wordt ondersteund met heerlijke koortjes, die de songs van The Last Dinner Party nog wat onweerstaanbaarder maken.
Overdaad schaadt en in meerdere opzichten lijkt op From The Pyre sprake van overdaad, maar op een of andere manier blijft The Last Dinner Party op haar tweede album altijd aan de goede kant van de streep en dat is knap. Ik moest ruim anderhalf jaar geleden wel even wennen aan de uitbundige muziek van de vijf vrouwen uit Londen, maar uiteindelijk viel ik als een blok voor de muzikale en vocale verleidingen van The Last Dinner Party.
Aan From The Pyre hoefde ik niet te wennen, want het album sluit naadloos aan op zijn voorganger. Ik kon dus direct genieten van de aanstekelijke popsongs van de band en van de echt fantastische zang van de frontvrouw van de band. From The Pyre klinkt een beetje als een verzamelaar met al die bijna over de top popsongs die je de afgelopen decennia koesterde, maar de popsongs van The Last Dinner Party zijn gloednieuw, wat het nieuwe album alleen maar knapper maakt. De band gaat op haar nieuwe album overigens zeker niet alleen maar voluit, wat From The Pyre nog wat knapper maakt. Het altijd lastige tweede album is voor The Last Dinner Party al met al een makkie. Erwin Zijleman
The Last Dinner Party - Prelude to Ecstasy (2024)

4,5
3
geplaatst: 3 februari 2024, 09:57 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Last Dinner Party - Prelude To Ecstasy - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Last Dinner Party - Prelude To Ecstasy
De Britse band The Last Dinner Party is op haar debuutalbum Prelude To Ecstasy niet vies van muzikaal en vocaal bombast, maar heeft ook volop avontuur en diepgang verstopt in de bijzondere songs op het album
Er wordt al een tijdje heel druk gedaan over het debuutalbum van The Last Dinner Party en dit album is deze week verschenen. Het is een album dat flink uitpakt met verrassend aanstekelijke popsongs, maar de songs van de vijf Britse vrouwen hebben ook iets bijzonders. Bombast kan omslaan in subtiliteit en hitgevoelige deuntjes kunnen zomaar worden vervangen door songs met veel diepgang. Prelude To Ecstasy klinkt aan de ene kant heel bekend, maar is aan de andere kant anders dan al het andere dat momenteel wordt gemaakt. The Last Dinner Party wordt in brede kring zeer uitvoerig bejubeld en dat lijkt wat overdreven, maar het is echt volkomen terecht.
In meerdere recensies van het deze week verschenen en stevig gehypte debuutalbum van de Britse band The Last Dinner Party wordt het album aangeraden aan iedereen met een zwak of zelfs een voorliefde voor musicals. Nu heb ik persoonlijk echt helemaal niets met musicals en ook Britse hypes laat ik over het algemeen graag aan me voorbij gaan, waardoor ik met de nodige scepsis begon aan de beluistering van Prelude To Ecstasy. Het album opent met een korte klassiek aandoende prelude, maar hierna barst het debuut van The Last Dinner Party los en verdween mijn scepsis als sneeuw voor de zon.
Abigail Morris, Emily Roberts, Georgia Davies, Lizzie Mayland en Aurora Nishevci hebben met Prelude To Ecstasy een geweldig album afgeleverd. Het is een album dat je bij eerste beluistering vooral van je sokken blaast, maar vervolgens hoor je steeds meer moois en bijzonder op het eerste album van The Last Dinner Party, dat de idioot hoge verwachtingen makkelijk waar maakt.
Ik heb zoals gezegd helemaal niets met musicals, maar de associaties met het genre begrijp ik wel. De muziek van The Last Dinner Party is immers behoorlijk pompeus en de zang knalt echt uit de speakers. Daar ben ik normaal gesproken helemaal niet gek op, maar de songs van The Last Dinner Party zijn songs waarvan je alleen maar kunt houden en dat deed ik direct bij mijn eerste beluistering van het album.
Prelude To Ecstasy wordt met van alles en nog wat vergeleken, maar de meest genoemde namen zijn Queen, ABBA en Kate Bush (op de voet gevolgd door Sparks, David Bowie en Florence & The Machine). De vergelijking met Kate Bush heeft vooral te maken met de stem van Abigail Morris, die af en toe wel wat heeft van het Britse icoon, terwijl de vergelijking met Queen en ABBA vooral zal zijn ingegeven door enerzijds het pompeuze karakter van de muziek van The Last Dinner Party en anderzijds het vermogen om steeds weer te verrassen met hopeloos verslavende popsongs.
Prelude To Ecstasy is zo’n album dat je bij eerste beluistering al jaren lijkt te kennen, maar het is ook een album waarop je continu nieuwe dingen blijft ontdekken. In muzikaal opzicht is het soms behoorlijk over the top, maar het Britse vijftal kan in muzikaal opzicht ook behoorlijk subtiel klinken. Hetzelfde geldt voor de zang van Abigail Morris, die alle registers open kan trekken, maar die ook prachtig subtiel kan zingen. Het komt allemaal samen in songs die makkelijk verleiden, maar die ook verrassend goed in elkaar zitten. Ook ik moest heel even wennen aan het behoorlijk bombastische geluid van The Last Dinner Party, maar al snel koesterde ik alle songs op het album.
Prelude To Ecstasy wordt misschien met van alles en nog wat vergeleken, maar de vijf Britse vrouwen verleggen continu de grenzen en blijven dingen doen die je niet verwacht, zoals met zijn allen vocaal losgaan in een track die herinnert aan de unieke klanken van Le Mystère Des Voix Bulgares, wat dan weer wordt gevolgd door een wereldhit die ABBA is vergeten te maken, tot de gitaren beginnen te scheuren.
De leden van de band beschikken allemaal over de nodige muzikale en vocale bagage en dat hoor je track na track. Natuurlijk is het af en toe wel erg zwaar aangezet, maar net als functionele bombast lijkt door te slaan in holle bombast neemt The Last Dinner Party weer een andere afslag. Je moet er voor in de stemming zijn, maar als je dit bent is Prelude To Ecstasy van The Last Dinner Party een sensationeel goed album. Dat de Britse band de hype ver voorbij is zal duidelijk zijn. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Last Dinner Party - Prelude To Ecstasy - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Last Dinner Party - Prelude To Ecstasy
De Britse band The Last Dinner Party is op haar debuutalbum Prelude To Ecstasy niet vies van muzikaal en vocaal bombast, maar heeft ook volop avontuur en diepgang verstopt in de bijzondere songs op het album
Er wordt al een tijdje heel druk gedaan over het debuutalbum van The Last Dinner Party en dit album is deze week verschenen. Het is een album dat flink uitpakt met verrassend aanstekelijke popsongs, maar de songs van de vijf Britse vrouwen hebben ook iets bijzonders. Bombast kan omslaan in subtiliteit en hitgevoelige deuntjes kunnen zomaar worden vervangen door songs met veel diepgang. Prelude To Ecstasy klinkt aan de ene kant heel bekend, maar is aan de andere kant anders dan al het andere dat momenteel wordt gemaakt. The Last Dinner Party wordt in brede kring zeer uitvoerig bejubeld en dat lijkt wat overdreven, maar het is echt volkomen terecht.
In meerdere recensies van het deze week verschenen en stevig gehypte debuutalbum van de Britse band The Last Dinner Party wordt het album aangeraden aan iedereen met een zwak of zelfs een voorliefde voor musicals. Nu heb ik persoonlijk echt helemaal niets met musicals en ook Britse hypes laat ik over het algemeen graag aan me voorbij gaan, waardoor ik met de nodige scepsis begon aan de beluistering van Prelude To Ecstasy. Het album opent met een korte klassiek aandoende prelude, maar hierna barst het debuut van The Last Dinner Party los en verdween mijn scepsis als sneeuw voor de zon.
Abigail Morris, Emily Roberts, Georgia Davies, Lizzie Mayland en Aurora Nishevci hebben met Prelude To Ecstasy een geweldig album afgeleverd. Het is een album dat je bij eerste beluistering vooral van je sokken blaast, maar vervolgens hoor je steeds meer moois en bijzonder op het eerste album van The Last Dinner Party, dat de idioot hoge verwachtingen makkelijk waar maakt.
Ik heb zoals gezegd helemaal niets met musicals, maar de associaties met het genre begrijp ik wel. De muziek van The Last Dinner Party is immers behoorlijk pompeus en de zang knalt echt uit de speakers. Daar ben ik normaal gesproken helemaal niet gek op, maar de songs van The Last Dinner Party zijn songs waarvan je alleen maar kunt houden en dat deed ik direct bij mijn eerste beluistering van het album.
Prelude To Ecstasy wordt met van alles en nog wat vergeleken, maar de meest genoemde namen zijn Queen, ABBA en Kate Bush (op de voet gevolgd door Sparks, David Bowie en Florence & The Machine). De vergelijking met Kate Bush heeft vooral te maken met de stem van Abigail Morris, die af en toe wel wat heeft van het Britse icoon, terwijl de vergelijking met Queen en ABBA vooral zal zijn ingegeven door enerzijds het pompeuze karakter van de muziek van The Last Dinner Party en anderzijds het vermogen om steeds weer te verrassen met hopeloos verslavende popsongs.
Prelude To Ecstasy is zo’n album dat je bij eerste beluistering al jaren lijkt te kennen, maar het is ook een album waarop je continu nieuwe dingen blijft ontdekken. In muzikaal opzicht is het soms behoorlijk over the top, maar het Britse vijftal kan in muzikaal opzicht ook behoorlijk subtiel klinken. Hetzelfde geldt voor de zang van Abigail Morris, die alle registers open kan trekken, maar die ook prachtig subtiel kan zingen. Het komt allemaal samen in songs die makkelijk verleiden, maar die ook verrassend goed in elkaar zitten. Ook ik moest heel even wennen aan het behoorlijk bombastische geluid van The Last Dinner Party, maar al snel koesterde ik alle songs op het album.
Prelude To Ecstasy wordt misschien met van alles en nog wat vergeleken, maar de vijf Britse vrouwen verleggen continu de grenzen en blijven dingen doen die je niet verwacht, zoals met zijn allen vocaal losgaan in een track die herinnert aan de unieke klanken van Le Mystère Des Voix Bulgares, wat dan weer wordt gevolgd door een wereldhit die ABBA is vergeten te maken, tot de gitaren beginnen te scheuren.
De leden van de band beschikken allemaal over de nodige muzikale en vocale bagage en dat hoor je track na track. Natuurlijk is het af en toe wel erg zwaar aangezet, maar net als functionele bombast lijkt door te slaan in holle bombast neemt The Last Dinner Party weer een andere afslag. Je moet er voor in de stemming zijn, maar als je dit bent is Prelude To Ecstasy van The Last Dinner Party een sensationeel goed album. Dat de Britse band de hype ver voorbij is zal duidelijk zijn. Erwin Zijleman
The Last Shadow Puppets - Everything You've Come to Expect (2016)

3,5
0
geplaatst: 8 april 2016, 15:28 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Last Shadow Puppets - Everything You've Come to Expect - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
The Age Of The Understatement van The Last Shadow Puppets was al weer acht jaar geleden om meerdere redenen een opzienbarende plaat.
De samenwerking tussen Alex Turner (The Arctic Monkeys) en Miles Kane (The Rascals) kwam op een moment dat hun bands stevig aan de weg timmerden en er geen tijd leek voor andere projecten, bevatte muziek die je niet zag aan komen en bleek ook nog eens een plaat op te leveren die mee kon doen in de jaarlijstjes.
The Last Shadow Puppets leken lange tijd te blijven steken op slechts één plaat, maar onlangs verscheen dan toch plaat nummer twee: Everything You've Come To Expect.
De plaat zag ik natuurlijk niet aankomen, maar in muzikaal opzicht voldoet de tweede van The Last Shadow Puppets redelijk aan de verwachtingen. Het debuut van het gelegenheidstweetal riep vooral associaties op met de vroege platen van David Bowie en Scott Walker en leek eerder in de jaren 60 en 70 dan in de jaren 00 gemaakt. Het geldt ook voor een belangrijk deel voor de tweede plaat van The Last Shadow Puppets.
Gebleven zijn de mooie sfeervolle popliedjes met een hang naar het verleden en de aan David Bowie en Scott Walker herinnerende vocalen. Gebleven zijn ook de prachtige en rijke strijkersarrangementen en de filmische klanken, die niet hadden misstaan in de filmscores van Ennio Morricone.
The Age Of The Understatement imponeerde acht jaar geleden echter vooral door de verrassing en die is natuurlijk wel wat weg op Everything You've Come To Expect. In eerste instantie was ik daarom wat teleurgesteld, maar inmiddels heeft ook de tweede plaat van het duo me te pakken.
Everything You've Come To Expect is zeker geen kopie van zijn voorganger. Dat lijkt een zwakte, maar is uiteindelijk de kracht van de plaat. De plaat begint waar zijn voorganger eindigde, maar schuift naarmate de plaat vordert ook met enige regelmaat op richting de Berlijnse jaren van Bowie of richting de jaren 80 (en bijvoorbeeld richting de muziek van The Style Council).
Het gevoel van sensatie dat bij beluistering van het debuut zo veelvuldig opdook blijft misschien weg, maar toch vind ik Everything You've Come To Expect een steeds betere plaat.
Alex Turner en Miles Kane zijn niet gekomen voor een herhalingsoefening, maar geven hun bijzondere samenwerking nieuwe glans. De meeste critici vinden het teleurstellend, maar ook na tig keer horen vind ik dit een bovengemiddeld goede plaat. En daar blijf ik bij. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Last Shadow Puppets - Everything You've Come to Expect - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
The Age Of The Understatement van The Last Shadow Puppets was al weer acht jaar geleden om meerdere redenen een opzienbarende plaat.
De samenwerking tussen Alex Turner (The Arctic Monkeys) en Miles Kane (The Rascals) kwam op een moment dat hun bands stevig aan de weg timmerden en er geen tijd leek voor andere projecten, bevatte muziek die je niet zag aan komen en bleek ook nog eens een plaat op te leveren die mee kon doen in de jaarlijstjes.
The Last Shadow Puppets leken lange tijd te blijven steken op slechts één plaat, maar onlangs verscheen dan toch plaat nummer twee: Everything You've Come To Expect.
De plaat zag ik natuurlijk niet aankomen, maar in muzikaal opzicht voldoet de tweede van The Last Shadow Puppets redelijk aan de verwachtingen. Het debuut van het gelegenheidstweetal riep vooral associaties op met de vroege platen van David Bowie en Scott Walker en leek eerder in de jaren 60 en 70 dan in de jaren 00 gemaakt. Het geldt ook voor een belangrijk deel voor de tweede plaat van The Last Shadow Puppets.
Gebleven zijn de mooie sfeervolle popliedjes met een hang naar het verleden en de aan David Bowie en Scott Walker herinnerende vocalen. Gebleven zijn ook de prachtige en rijke strijkersarrangementen en de filmische klanken, die niet hadden misstaan in de filmscores van Ennio Morricone.
The Age Of The Understatement imponeerde acht jaar geleden echter vooral door de verrassing en die is natuurlijk wel wat weg op Everything You've Come To Expect. In eerste instantie was ik daarom wat teleurgesteld, maar inmiddels heeft ook de tweede plaat van het duo me te pakken.
Everything You've Come To Expect is zeker geen kopie van zijn voorganger. Dat lijkt een zwakte, maar is uiteindelijk de kracht van de plaat. De plaat begint waar zijn voorganger eindigde, maar schuift naarmate de plaat vordert ook met enige regelmaat op richting de Berlijnse jaren van Bowie of richting de jaren 80 (en bijvoorbeeld richting de muziek van The Style Council).
Het gevoel van sensatie dat bij beluistering van het debuut zo veelvuldig opdook blijft misschien weg, maar toch vind ik Everything You've Come To Expect een steeds betere plaat.
Alex Turner en Miles Kane zijn niet gekomen voor een herhalingsoefening, maar geven hun bijzondere samenwerking nieuwe glans. De meeste critici vinden het teleurstellend, maar ook na tig keer horen vind ik dit een bovengemiddeld goede plaat. En daar blijf ik bij. Erwin Zijleman
The Lathums - How Beautiful Life Can Be (2021)

4,0
0
geplaatst: 7 oktober 2021, 12:18 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Lathums - How Beautiful Life Can Be - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lathums - How Beautiful Life Can Be
Het is na een paar noten duidelijk waar de Britse band The Lathums haar inspiratie heeft gevonden, maar om vervolgens met twaalf direct memorabele popsongs op te proppen is een hele prestatie
Natuurlijk lijkt de muziek van The Lathums hier en daar sprekend op de muziek van The Smiths of The La’s van lang geleden en vooral als de combinatie van deze twee roemruchte bands, maar de Britse band sleept er stiekem nog veel meer invloeden bij en bestrijkt een aantal decennia Britse gitaarmuziek met stiekem ook nog een flinke dosis folk. Vanaf de eerste noten strooit de band met zonnige gitaarlijnen en onweerstaanbare songs en zorgt How Beautiful Life Can Be 38 minuten en 55 seconden voor een enorme boost van jouw humeur. Het verdrijft de donkere wolken onmiddellijk en roept ook nog eens mooie herinneringen op aan helden van weleer.
Eind vorige maand verscheen How Beautiful Life Can Be, het debuutalbum van de Britse band The Lathums. Het album stootte, toch wel enigszins tot mijn verbazing, in één keer door naar de top van de Britse albumlijsten en ook door de Britse muziekcritici wordt het debuut van de band uit Wigan vooral uitvoerig geprezen.
Zelf aarzelde ik in de week na de release en dat veranderde eigenlijk pas de laatste dagen. How Beautiful Life Can Be klinkt van de eerste tot en met de laatste noot onweerstaanbaar lekker, daar lag het zeker niet aan, maar aan de andere kant borduurt de Britse band wel erg nadrukkelijk en niet altijd even fantasierijk voort op de erfenis van een aantal roemruchte voorgangers.
Hiervan wil ik in ieder geval The Smiths en The La’s noemen en dat zijn alle drie bands die ik schaar onder mijn favorieten. Nu is The Lathums zeker niet de eerste Britse band die teert op het oeuvre van bijvoorbeeld The Smiths, dat zelf natuurlijk ook haar inspiratiebronnen had, waarover nooit iemand heeft geklaagd. Ik ben verder lang niet altijd tegen het credo ‘beter goed gejat, dan slecht verzonnen’, maar bij het album van The Lathums bleef ik zoals gezegd lang twijfelen.
Deze twijfels verdwenen pas en toen wel direct als sneeuw voor de zon toen we de afgelopen dagen te maken krijgen met echt herfstweer. Opeens bleek het debuut van The Lathums zeer geschikt om de ruimte binnen, ondanks de donkere wolken buiten, te vullen met zonnestralen.
De Britse band doet dit allereerst met heerlijk gitaarspel, dat onmiskenbaar is beïnvloed door het geluid van Johnny Marr op de albums van The Smiths, maar The Lathums is ook een band die strooit met direct memorabele songs met geweldige melodieën en aanstekelijke refreinen.
Bij iedere track vraag je je af waar de jonge honden van The Lathums nu weer hun inspiratie hebben gevonden, want How Beautiful Can Be heeft een aantal hele duidelijke voorbeelden, maar klinkt ook als de spreekwoordelijke omgevallen platenkast met een aantal decennia Britse gitaarbands met zo ongeveer alles dat ooit uit Liverpool of Manchester kwam vanaf de jaren 70 tot het heden.
Na een paar keer horen had ik alle associaties met vooral de muziek van The Smiths en The La’s wel afgeschud en inmiddels begrijp ik volledig waarom de Britse muziekpers lyrisch is over het debuut van The Lathums. De band uit Wigan laat zich voor de afwisseling eens niet inspireren door de aardedonkere postpunk uit de late jaren 70 en vroege jaren 80, maar kiest voor muziek waarvan je vooral vrolijk wordt (al is de muziek van The Smiths dan lang niet altijd de meest logische inspiratiebron).
How Beautiful Can Be slaagt er bovendien in om steeds weer net wat andere invloeden te omarmen, waardoor je steeds weer op een andere plank van de bovengenoemde platenkast terecht komt. Het gitaarwerk is om je vingers bij af te likken, de zang is uitstekend, de songs zijn keer op keer goed voor een brede glimlach en de productie van James Skelly van The Coral is feilloos.
Waarom ik er bij de release zo over twijfelde ben ik al lang vergeten, want wat is dit een lekker album. Beter goed gejat dan slecht verzonnen misschien, maar hoeveel jonge gitaarbands ken je die in het recente verleden zo’n lekkere gitaarplaat hebben gemaakt. Ik ken er maar heel weinig eerlijk gezegd. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Lathums - How Beautiful Life Can Be - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lathums - How Beautiful Life Can Be
Het is na een paar noten duidelijk waar de Britse band The Lathums haar inspiratie heeft gevonden, maar om vervolgens met twaalf direct memorabele popsongs op te proppen is een hele prestatie
Natuurlijk lijkt de muziek van The Lathums hier en daar sprekend op de muziek van The Smiths of The La’s van lang geleden en vooral als de combinatie van deze twee roemruchte bands, maar de Britse band sleept er stiekem nog veel meer invloeden bij en bestrijkt een aantal decennia Britse gitaarmuziek met stiekem ook nog een flinke dosis folk. Vanaf de eerste noten strooit de band met zonnige gitaarlijnen en onweerstaanbare songs en zorgt How Beautiful Life Can Be 38 minuten en 55 seconden voor een enorme boost van jouw humeur. Het verdrijft de donkere wolken onmiddellijk en roept ook nog eens mooie herinneringen op aan helden van weleer.
Eind vorige maand verscheen How Beautiful Life Can Be, het debuutalbum van de Britse band The Lathums. Het album stootte, toch wel enigszins tot mijn verbazing, in één keer door naar de top van de Britse albumlijsten en ook door de Britse muziekcritici wordt het debuut van de band uit Wigan vooral uitvoerig geprezen.
Zelf aarzelde ik in de week na de release en dat veranderde eigenlijk pas de laatste dagen. How Beautiful Life Can Be klinkt van de eerste tot en met de laatste noot onweerstaanbaar lekker, daar lag het zeker niet aan, maar aan de andere kant borduurt de Britse band wel erg nadrukkelijk en niet altijd even fantasierijk voort op de erfenis van een aantal roemruchte voorgangers.
Hiervan wil ik in ieder geval The Smiths en The La’s noemen en dat zijn alle drie bands die ik schaar onder mijn favorieten. Nu is The Lathums zeker niet de eerste Britse band die teert op het oeuvre van bijvoorbeeld The Smiths, dat zelf natuurlijk ook haar inspiratiebronnen had, waarover nooit iemand heeft geklaagd. Ik ben verder lang niet altijd tegen het credo ‘beter goed gejat, dan slecht verzonnen’, maar bij het album van The Lathums bleef ik zoals gezegd lang twijfelen.
Deze twijfels verdwenen pas en toen wel direct als sneeuw voor de zon toen we de afgelopen dagen te maken krijgen met echt herfstweer. Opeens bleek het debuut van The Lathums zeer geschikt om de ruimte binnen, ondanks de donkere wolken buiten, te vullen met zonnestralen.
De Britse band doet dit allereerst met heerlijk gitaarspel, dat onmiskenbaar is beïnvloed door het geluid van Johnny Marr op de albums van The Smiths, maar The Lathums is ook een band die strooit met direct memorabele songs met geweldige melodieën en aanstekelijke refreinen.
Bij iedere track vraag je je af waar de jonge honden van The Lathums nu weer hun inspiratie hebben gevonden, want How Beautiful Can Be heeft een aantal hele duidelijke voorbeelden, maar klinkt ook als de spreekwoordelijke omgevallen platenkast met een aantal decennia Britse gitaarbands met zo ongeveer alles dat ooit uit Liverpool of Manchester kwam vanaf de jaren 70 tot het heden.
Na een paar keer horen had ik alle associaties met vooral de muziek van The Smiths en The La’s wel afgeschud en inmiddels begrijp ik volledig waarom de Britse muziekpers lyrisch is over het debuut van The Lathums. De band uit Wigan laat zich voor de afwisseling eens niet inspireren door de aardedonkere postpunk uit de late jaren 70 en vroege jaren 80, maar kiest voor muziek waarvan je vooral vrolijk wordt (al is de muziek van The Smiths dan lang niet altijd de meest logische inspiratiebron).
How Beautiful Can Be slaagt er bovendien in om steeds weer net wat andere invloeden te omarmen, waardoor je steeds weer op een andere plank van de bovengenoemde platenkast terecht komt. Het gitaarwerk is om je vingers bij af te likken, de zang is uitstekend, de songs zijn keer op keer goed voor een brede glimlach en de productie van James Skelly van The Coral is feilloos.
Waarom ik er bij de release zo over twijfelde ben ik al lang vergeten, want wat is dit een lekker album. Beter goed gejat dan slecht verzonnen misschien, maar hoeveel jonge gitaarbands ken je die in het recente verleden zo’n lekkere gitaarplaat hebben gemaakt. Ik ken er maar heel weinig eerlijk gezegd. Erwin Zijleman
The Lathums - Matter Does Not Define (2025)

4,0
0
geplaatst: 6 maart 2025, 16:08 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: The Lathums - Matter Does Not Define - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Lathums - Matter Does Not Define
De Britse band The Lathums dook vier jaar geleden op met een prima gitaaralbum, zakte vervolgens helaas wat in, maar revancheert zich op knappe wijze met het uitstekende Matter Does Not Define
Matter Does Not Define, het derde album van de Britse band The Lathums, klinkt als de spreekwoordelijke omgevallen platenkast en het is een platenkast die vooral is gevuld met Britse gitaaralbums. De band uit Wigan combineert al deze invloeden in aansprekende songs, die lekker in het gehoor liggen en een hoog feelgood gehalte hebben. Het had allemaal best wat ruwer en eigenzinniger gemogen, maar als je zin hebt in een authentiek en tijdloos klinkende Britse gitaarplaat komt dit album lekker binnen en stelt het zeker niet teleur. Het debuut van de band vond ik geweldig, album nummer twee matig, maar Matter Does Not Define is weer prima. Leuke band.
Ik was erg enthousiast over de eerste EP’s van de Britse band The Lathums en ook het in 2021 verschenen debuutalbum How Beautiful Life Can Be sprak me zeer aan. De band uit het Britse Wigan liet zich op dit album inspireren door een aantal decennia Britse gitaarmuziek, wat een heerlijke gitaarplaat opleverde. Het is een gitaarplaat die me afwisselend deed denken aan de muziek van The La’s en The Smiths, maar stiekem kwam bijna de hele geschiedenis van de Britse gitaarmuziek voorbij.
De songs van The Lathums lieten de zon schijnen met heerlijk gitaarwerk en met typisch Britse songs met een hoog jonge honden gehalte. Het door James Skelly van The Coral geproduceerde album klonk ook nog eens fantastisch, wat het feel good gevoel van het album nog wat verder versterkte.
Ik was na How Beautiful Life Can Be fan van The Lathums, maar de band stelde me teleur met het in 2023 verschenen From Nothing To A Little Bit More. Het tweede album van The Lathums liet niet de groei horen waarop ik had gehoopt of die ik eigenlijk had verwacht, waardoor het tweede album van de Britse band wat mat en ongeïnspireerd klonk.
De torenhoge verwachtingen met betrekking tot het tweede album van de band liepen uit op een teleurstelling, waardoor ik eigenlijk geen verwachtingen had met betrekking tot het derde album dat onlangs werd aangekondigd voor de komende week. Tot mijn verbazing lag het album echter al een week eerder in de winkel en ging ik er eerlijk gezegd van uit dat The Lathums geen deuk zouden slaan in mijn al gemaakte selectie.
Matter Does Not Define bevalt me echter wel. Ook op het derde album laat de band uit Wigan zich breed inspireren, want ook Matter Does Not Define is een zoekplaatje waarop je heel veel bekends tegen komt. Nu kan ik een hele waslijst namen gaan noemen, en het zijn grotendeels dezelfde namen als de namen die voorbij kwamen bij beluistering van de eerste twee albums, maar het derde album van de band klinkt ook als een The Lathums album.
Het is een album dat je op meerdere manieren kunt beluisteren. De criticus zal beweren dat de Britse band zich wel heel nadrukkelijk laat inspireren door een aantal grote bands uit het Britse muziekverleden en dat The Lathums op Matter Does Not Define bovendien wel erg netjes binnen de lijnen kleurt.
Ik kan het niet ontkennen, maar het derde album van The Lathums is ook een album waarop alles klopt. Het gitaarwerk is prachtig, de karakteristieke zang met onder andere een vleugje Morrissey is aansprekend, de productie is trefzeker en het geluid van de band is lekker veelzijdig. Het sterkste punt van het derde album van The Lathums is echter dat de band de ene na de andere memorabele song voorbij laat komen.
Natuurlijk had het best wat ruwer en origineler gekund, maar ondertussen luistert het album bijzonder lekker weg en hoor je de ene na de andere prima song voorbij komen, en heb je uiteindelijk het hele album beluisterd zonder je ook maar een moment te vervelen.
Liefhebbers van gitaarbands als The Lathums komen er de afgelopen jaren helaas wat bekaaid van af, maar waar ik het tweede album van de Britse band wat mat en ongeïnspireerd vond klinken, zit er wat mij betreft genoeg vuur en passie en een beetje van The Strokes in hun beste dagen op Matter Does Not Define. Het levert een album op waarmee de Britse band zich wat mij betreft revancheert voor de wat zwakke voorganger. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: The Lathums - Matter Does Not Define - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Lathums - Matter Does Not Define
De Britse band The Lathums dook vier jaar geleden op met een prima gitaaralbum, zakte vervolgens helaas wat in, maar revancheert zich op knappe wijze met het uitstekende Matter Does Not Define
Matter Does Not Define, het derde album van de Britse band The Lathums, klinkt als de spreekwoordelijke omgevallen platenkast en het is een platenkast die vooral is gevuld met Britse gitaaralbums. De band uit Wigan combineert al deze invloeden in aansprekende songs, die lekker in het gehoor liggen en een hoog feelgood gehalte hebben. Het had allemaal best wat ruwer en eigenzinniger gemogen, maar als je zin hebt in een authentiek en tijdloos klinkende Britse gitaarplaat komt dit album lekker binnen en stelt het zeker niet teleur. Het debuut van de band vond ik geweldig, album nummer twee matig, maar Matter Does Not Define is weer prima. Leuke band.
Ik was erg enthousiast over de eerste EP’s van de Britse band The Lathums en ook het in 2021 verschenen debuutalbum How Beautiful Life Can Be sprak me zeer aan. De band uit het Britse Wigan liet zich op dit album inspireren door een aantal decennia Britse gitaarmuziek, wat een heerlijke gitaarplaat opleverde. Het is een gitaarplaat die me afwisselend deed denken aan de muziek van The La’s en The Smiths, maar stiekem kwam bijna de hele geschiedenis van de Britse gitaarmuziek voorbij.
De songs van The Lathums lieten de zon schijnen met heerlijk gitaarwerk en met typisch Britse songs met een hoog jonge honden gehalte. Het door James Skelly van The Coral geproduceerde album klonk ook nog eens fantastisch, wat het feel good gevoel van het album nog wat verder versterkte.
Ik was na How Beautiful Life Can Be fan van The Lathums, maar de band stelde me teleur met het in 2023 verschenen From Nothing To A Little Bit More. Het tweede album van The Lathums liet niet de groei horen waarop ik had gehoopt of die ik eigenlijk had verwacht, waardoor het tweede album van de Britse band wat mat en ongeïnspireerd klonk.
De torenhoge verwachtingen met betrekking tot het tweede album van de band liepen uit op een teleurstelling, waardoor ik eigenlijk geen verwachtingen had met betrekking tot het derde album dat onlangs werd aangekondigd voor de komende week. Tot mijn verbazing lag het album echter al een week eerder in de winkel en ging ik er eerlijk gezegd van uit dat The Lathums geen deuk zouden slaan in mijn al gemaakte selectie.
Matter Does Not Define bevalt me echter wel. Ook op het derde album laat de band uit Wigan zich breed inspireren, want ook Matter Does Not Define is een zoekplaatje waarop je heel veel bekends tegen komt. Nu kan ik een hele waslijst namen gaan noemen, en het zijn grotendeels dezelfde namen als de namen die voorbij kwamen bij beluistering van de eerste twee albums, maar het derde album van de band klinkt ook als een The Lathums album.
Het is een album dat je op meerdere manieren kunt beluisteren. De criticus zal beweren dat de Britse band zich wel heel nadrukkelijk laat inspireren door een aantal grote bands uit het Britse muziekverleden en dat The Lathums op Matter Does Not Define bovendien wel erg netjes binnen de lijnen kleurt.
Ik kan het niet ontkennen, maar het derde album van The Lathums is ook een album waarop alles klopt. Het gitaarwerk is prachtig, de karakteristieke zang met onder andere een vleugje Morrissey is aansprekend, de productie is trefzeker en het geluid van de band is lekker veelzijdig. Het sterkste punt van het derde album van The Lathums is echter dat de band de ene na de andere memorabele song voorbij laat komen.
Natuurlijk had het best wat ruwer en origineler gekund, maar ondertussen luistert het album bijzonder lekker weg en hoor je de ene na de andere prima song voorbij komen, en heb je uiteindelijk het hele album beluisterd zonder je ook maar een moment te vervelen.
Liefhebbers van gitaarbands als The Lathums komen er de afgelopen jaren helaas wat bekaaid van af, maar waar ik het tweede album van de Britse band wat mat en ongeïnspireerd vond klinken, zit er wat mij betreft genoeg vuur en passie en een beetje van The Strokes in hun beste dagen op Matter Does Not Define. Het levert een album op waarmee de Britse band zich wat mij betreft revancheert voor de wat zwakke voorganger. Erwin Zijleman
The Lazy Eyes - SongBook (2022)

4,0
0
geplaatst: 27 april 2022, 15:20 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Lazy Eyes - Songbook - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lazy Eyes - Songbook
Aan bands met een voorkeur voor psychedelica uit de jaren 60 en 70 hebben we momenteel geen gebrek, maar zo leuk als de Australische band The Lazy Eyes op hun debuut Songbook hoor ik het niet heel vaak
Laat Songbook van de Australische band The Lazy Eyes door de speakers komen en je wordt een aantal decennia teruggeworpen in de tijd. De band uit Sydney laat zich stevig beïnvloeden door een ruim assortiment aan psychedelica uit de jaren 60 en 70 en verwerkt hiernaast invloeden uit omliggende genres en met name uit de progrock. De muziek van The Lazy Eyes klinkt vaak heerlijk trippy, maar de band kan ook uit de voeten met songs met een kop en een staart. Er verschijnt momenteel wel heel veel in dit genre, maar The Lazy Eyes klinkt een stuk lomer en dromeriger dan de meeste van haar soortgenoten, wat mijn luisterplezier in ieder geval flink ten goede komt.
Na twee prima EP’s debuteert de Australische band The Lazy Eyes deze week met haar volwaardige debuutalbum, Songbook. Het is een debuutalbum dat niet veel tijd nodig heeft om te laten horen in welk genre de band uit Sydney zich het liefst beweegt. Na het wat proggy intro wordt immers al heel snel duidelijk dat The Lazy Eyes vol gaat voor het nieuw leven in blazen van psychedelica uit de jaren 60 en 70.
Nu zijn er momenteel een heleboel bands die dat doen, waaronder een aantal zeer productieve bands (als King Gizzard & The Lizard Wizard, dat ook deze week weer een nieuw album uitbracht), maar helaas zijn veel door 60s en 70s psychedelica beïnvloede albums momenteel van het nerveuze soort. Ook The Lazy Eyes voert het tempo en de intensiteit hier en daar wat op, maar de psychedelica van de Australische band is toch vooral van het dromerige of zelfs benevelende soort.
De Australische band is bovendien niet vies van bezwerende gitaarsolo’s, wat mij betreft altijd een verrijking is van het genre. Het prima gitaarwerk op Songbook wordt gecombineerd met spacy keyboards en zo nu en dan met heerlijk dromerige vocalen. Af en toe voegt de band uit Sydney wat invloeden uit de folkrock, hardrock en progrock toe, maar ook uitstapjes richting de wat moderner klinkende neo-psychedelica worden niet gemeden.
Over het algemeen genomen is Songbook echter een album dat je onmiddellijk mee terugneemt naar de late jaren 60 en vroege jaren 70, waarbij de band zich niet beperkt tot de psychedelische rock die in deze periode in en rond San Francisco werd gemaakt, maar ook wat invloeden van The Beatles, The Byrds en The Beach Boys voorbij komen.
Zeker in de wat langere tracks neemt de Australische band de tijd voor psychedelische jams, maar Songbook van The Lazy Eyes is gelukkig ook een album met songs met een kop en een staart. Door de redelijk compacte songs, de brede inspiratie uit de psychedelica uit de jaren 60 en 70 en het open staan voor invloeden uit omliggende genres, is The Lazy Eyes uiteindelijk toch een wat ander bandje dan al die andere psychedelische bands van het moment.
Songbook blijft ver verwijderd van de flirts met pop van een band als Tame Impala, die ooit net zo begon als The Lazy Eyes, en slaagt er ook nog eens in om aanstekelijke songs te combineren met flink wat muzikaal vuurwerk, waarin een randje prog vrijwel nooit ontbreekt. Het is een bijna tegenstrijdige combinatie, maar op Songbook werkt het op een of andere manier perfect.
Ik durf nog niet te voorspellen of het debuutalbum van The Lazy Eyes over een paar maanden nog steeds zo onweerstaanbaar is als het album momenteel klinkt, maar na flink wat keren horen is nog zeker geen sprake van verveling, al is het maar omdat de band uit Sydney door de invloeden uit omliggende genres en door het afwisselen van aanstekelijke en complexere passages flink wat variatie heeft aangebracht in haar geluid.
Door alle variatie klinkt Songbook ook als een verzamelaar met een variëteit aan psychedelica en het is een hele aangename verzamelaar. Op basis van de twee eerder verschenen EP’s werd met hooggespannen verwachtingen uitgekeken naar het debuutalbum van The Lazy Eyes en na de eerste luisterbeurten kan ik alleen maar concluderen dat de band uit Sydney aan de verwachtingen voldoet of deze zelfs overtreft. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Lazy Eyes - Songbook - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lazy Eyes - Songbook
Aan bands met een voorkeur voor psychedelica uit de jaren 60 en 70 hebben we momenteel geen gebrek, maar zo leuk als de Australische band The Lazy Eyes op hun debuut Songbook hoor ik het niet heel vaak
Laat Songbook van de Australische band The Lazy Eyes door de speakers komen en je wordt een aantal decennia teruggeworpen in de tijd. De band uit Sydney laat zich stevig beïnvloeden door een ruim assortiment aan psychedelica uit de jaren 60 en 70 en verwerkt hiernaast invloeden uit omliggende genres en met name uit de progrock. De muziek van The Lazy Eyes klinkt vaak heerlijk trippy, maar de band kan ook uit de voeten met songs met een kop en een staart. Er verschijnt momenteel wel heel veel in dit genre, maar The Lazy Eyes klinkt een stuk lomer en dromeriger dan de meeste van haar soortgenoten, wat mijn luisterplezier in ieder geval flink ten goede komt.
Na twee prima EP’s debuteert de Australische band The Lazy Eyes deze week met haar volwaardige debuutalbum, Songbook. Het is een debuutalbum dat niet veel tijd nodig heeft om te laten horen in welk genre de band uit Sydney zich het liefst beweegt. Na het wat proggy intro wordt immers al heel snel duidelijk dat The Lazy Eyes vol gaat voor het nieuw leven in blazen van psychedelica uit de jaren 60 en 70.
Nu zijn er momenteel een heleboel bands die dat doen, waaronder een aantal zeer productieve bands (als King Gizzard & The Lizard Wizard, dat ook deze week weer een nieuw album uitbracht), maar helaas zijn veel door 60s en 70s psychedelica beïnvloede albums momenteel van het nerveuze soort. Ook The Lazy Eyes voert het tempo en de intensiteit hier en daar wat op, maar de psychedelica van de Australische band is toch vooral van het dromerige of zelfs benevelende soort.
De Australische band is bovendien niet vies van bezwerende gitaarsolo’s, wat mij betreft altijd een verrijking is van het genre. Het prima gitaarwerk op Songbook wordt gecombineerd met spacy keyboards en zo nu en dan met heerlijk dromerige vocalen. Af en toe voegt de band uit Sydney wat invloeden uit de folkrock, hardrock en progrock toe, maar ook uitstapjes richting de wat moderner klinkende neo-psychedelica worden niet gemeden.
Over het algemeen genomen is Songbook echter een album dat je onmiddellijk mee terugneemt naar de late jaren 60 en vroege jaren 70, waarbij de band zich niet beperkt tot de psychedelische rock die in deze periode in en rond San Francisco werd gemaakt, maar ook wat invloeden van The Beatles, The Byrds en The Beach Boys voorbij komen.
Zeker in de wat langere tracks neemt de Australische band de tijd voor psychedelische jams, maar Songbook van The Lazy Eyes is gelukkig ook een album met songs met een kop en een staart. Door de redelijk compacte songs, de brede inspiratie uit de psychedelica uit de jaren 60 en 70 en het open staan voor invloeden uit omliggende genres, is The Lazy Eyes uiteindelijk toch een wat ander bandje dan al die andere psychedelische bands van het moment.
Songbook blijft ver verwijderd van de flirts met pop van een band als Tame Impala, die ooit net zo begon als The Lazy Eyes, en slaagt er ook nog eens in om aanstekelijke songs te combineren met flink wat muzikaal vuurwerk, waarin een randje prog vrijwel nooit ontbreekt. Het is een bijna tegenstrijdige combinatie, maar op Songbook werkt het op een of andere manier perfect.
Ik durf nog niet te voorspellen of het debuutalbum van The Lazy Eyes over een paar maanden nog steeds zo onweerstaanbaar is als het album momenteel klinkt, maar na flink wat keren horen is nog zeker geen sprake van verveling, al is het maar omdat de band uit Sydney door de invloeden uit omliggende genres en door het afwisselen van aanstekelijke en complexere passages flink wat variatie heeft aangebracht in haar geluid.
Door alle variatie klinkt Songbook ook als een verzamelaar met een variëteit aan psychedelica en het is een hele aangename verzamelaar. Op basis van de twee eerder verschenen EP’s werd met hooggespannen verwachtingen uitgekeken naar het debuutalbum van The Lazy Eyes en na de eerste luisterbeurten kan ik alleen maar concluderen dat de band uit Sydney aan de verwachtingen voldoet of deze zelfs overtreft. Erwin Zijleman
The Lemon Twigs - A Dream Is All We Know (2024)

4,0
1
geplaatst: 10 december 2024, 20:19 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: The Lemon Twigs - A Dream Is All We Know - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Lemon Twigs - A Dream Is All We Know
The Lemon Twigs verwarmden vorig jaar op zeer aangename wijze de lente en zomer en gaven eerder dit jaar een flinke energieboost met het minstens even goede en wat energiekere A Dream Is All We Know
De New Yorkse broers Brian en Michael D'Addario maken muziek die makkelijk in het hokje retro wordt geduwd. Ook op hun laatste album A Dream Is All We Know domineren muzikale invloeden uit een heel ver verleden. A Dream Is All We Know klinkt als een album dat uit de jaren 60 of 70 zou kunnen komen, tot je hoort dat de New Yorkse broers ook wel degelijk invloeden uit het heden verwerken in hun songs. Vorig jaar maakten The Lemon Twigs indruk met een wat meer ingetogen en opvallend zwoel klinkend album, maar ook het wat meer richting powerpop en Beatlesque pop opschuivende A Dream Is All We Know is weer zeer de moeite waard.
Ik was vorig jaar zeer te spreken over Everything Harmony, het vierde album van het New Yorkse duo The Lemon Twigs. De broers Brian en Michael D'Addario hadden in de zomer van 2020 al de aandacht getrokken met het album Songs For The General Public, dat warm werd ontvangen door de critici. Ik hoorde op dat album vooral bijzonder lekker in het gehoor liggende retro popmuziek met een direct hoorbare liefde voor popmuziek uit de jaren 70, maar uiteindelijk bleef het album bij mij onvoldoende hangen.
Everything Harmony deed dat vorig jaar wel en hoe. Het in het voorjaar verschenen album bood een prachtige soundtrack voor een mooie lente en zomer en betoverde met opvallend melodieuze songs en fraaie harmonieën. Ook op Everything Harmony citeerden de broers D'Addario vrij letterlijk uit de popmuziek uit de jaren 70, maar het album klonk toch anders dan zijn voorganger, die geen geheim maakte van bewondering voor de muziek van Meat Loaf.
Ik omschreef Everything Harmony vorig jaar als een mix van Simon & Garfunkel, The Bee Gees en The Beach Boys, maar met die drie namen had ik slechts het topje van de ijsberg te pakken. Ik zou het album nu overigens omschrijven als The Bee Gees die de catalogus van The Carpenters onder handen nemen, wat verrassend aangenaam klinkt. Het vierde album van The Lemon Twigs wist vervolgens ook de herfst en winter van 2023 fraai te verwarmen, waardoor het een klein wonder is dat het album niet opdook in mijn jaarlijstje.
The Lemon Twigs kom ik de afgelopen weken wel tegen in flink wat jaarlijstjes, want de New Yorkse broers brachten nog geen jaar na hun vierde album afgelopen voorjaar hun vijfde album uit. A Dream Is All We Know heb begin mei laten liggen, zonder heel veel tijd in het album te steken. Als ik kijk naar de albums die ik destijds wel besprak begrijp ik wel dat er een aantal goede albums buiten de boot zijn gevallen, want er verscheen in die weken heel veel moois.
Ik begrijp niet dat ik het vijfde album van The Lemon Twigs heb laten liggen, want wat klinkt A Dream Is All We Know lekker. Vergeleken met voorganger Everything Harmony ligt het tempo wat hoger, maar het is wederom een typisch The Lemon Twigs album. Ook op hun vijfde album citeren Brian en Michael D'Addario veelvuldig uit de popmuziek die aan het begin van de jaren 70 werd gemaakt, maar invloeden uit de jaren 60 zijn dit keer dominanter.
Invloeden van The Beach Boys zijn dit keer nog wat duidelijker aanwezig in de songs, terwijl The Bee Gees een stapje terug hebben gedaan. Op hun vorige albums waren de broers uit New York in een zwoele bui, maar op A Dream Is All We Know klinkt alles wat steviger. De vader van de twee (Ronnie D'Addario) heeft een geschiedenis in de powerpop en dat is een genre dat op het nieuwe album wat steviger worden omarmd.
Verder blijven The Lemon Twigs dit keer niet alleen in de Verenigde Staten, met vooral invloeden van The Beach Boys en muzikale held Todd Rundgren, maar maken ze ook de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk met heel veel invloeden van The Beatles. Het klinkt allemaal weer behoorlijk retro, maar wat zijn de popsongs van The Lemon Twigs mooi en tijdloos en wat worden ze mooi uitgevoerd. The Lemon Twigs nemen je op A Dream Is All We Know een kleine 35 minuten mee op een muzikale tijdreis en het is er een die je humeur echt een hele stevige positieve boost geeft. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: The Lemon Twigs - A Dream Is All We Know - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Lemon Twigs - A Dream Is All We Know
The Lemon Twigs verwarmden vorig jaar op zeer aangename wijze de lente en zomer en gaven eerder dit jaar een flinke energieboost met het minstens even goede en wat energiekere A Dream Is All We Know
De New Yorkse broers Brian en Michael D'Addario maken muziek die makkelijk in het hokje retro wordt geduwd. Ook op hun laatste album A Dream Is All We Know domineren muzikale invloeden uit een heel ver verleden. A Dream Is All We Know klinkt als een album dat uit de jaren 60 of 70 zou kunnen komen, tot je hoort dat de New Yorkse broers ook wel degelijk invloeden uit het heden verwerken in hun songs. Vorig jaar maakten The Lemon Twigs indruk met een wat meer ingetogen en opvallend zwoel klinkend album, maar ook het wat meer richting powerpop en Beatlesque pop opschuivende A Dream Is All We Know is weer zeer de moeite waard.
Ik was vorig jaar zeer te spreken over Everything Harmony, het vierde album van het New Yorkse duo The Lemon Twigs. De broers Brian en Michael D'Addario hadden in de zomer van 2020 al de aandacht getrokken met het album Songs For The General Public, dat warm werd ontvangen door de critici. Ik hoorde op dat album vooral bijzonder lekker in het gehoor liggende retro popmuziek met een direct hoorbare liefde voor popmuziek uit de jaren 70, maar uiteindelijk bleef het album bij mij onvoldoende hangen.
Everything Harmony deed dat vorig jaar wel en hoe. Het in het voorjaar verschenen album bood een prachtige soundtrack voor een mooie lente en zomer en betoverde met opvallend melodieuze songs en fraaie harmonieën. Ook op Everything Harmony citeerden de broers D'Addario vrij letterlijk uit de popmuziek uit de jaren 70, maar het album klonk toch anders dan zijn voorganger, die geen geheim maakte van bewondering voor de muziek van Meat Loaf.
Ik omschreef Everything Harmony vorig jaar als een mix van Simon & Garfunkel, The Bee Gees en The Beach Boys, maar met die drie namen had ik slechts het topje van de ijsberg te pakken. Ik zou het album nu overigens omschrijven als The Bee Gees die de catalogus van The Carpenters onder handen nemen, wat verrassend aangenaam klinkt. Het vierde album van The Lemon Twigs wist vervolgens ook de herfst en winter van 2023 fraai te verwarmen, waardoor het een klein wonder is dat het album niet opdook in mijn jaarlijstje.
The Lemon Twigs kom ik de afgelopen weken wel tegen in flink wat jaarlijstjes, want de New Yorkse broers brachten nog geen jaar na hun vierde album afgelopen voorjaar hun vijfde album uit. A Dream Is All We Know heb begin mei laten liggen, zonder heel veel tijd in het album te steken. Als ik kijk naar de albums die ik destijds wel besprak begrijp ik wel dat er een aantal goede albums buiten de boot zijn gevallen, want er verscheen in die weken heel veel moois.
Ik begrijp niet dat ik het vijfde album van The Lemon Twigs heb laten liggen, want wat klinkt A Dream Is All We Know lekker. Vergeleken met voorganger Everything Harmony ligt het tempo wat hoger, maar het is wederom een typisch The Lemon Twigs album. Ook op hun vijfde album citeren Brian en Michael D'Addario veelvuldig uit de popmuziek die aan het begin van de jaren 70 werd gemaakt, maar invloeden uit de jaren 60 zijn dit keer dominanter.
Invloeden van The Beach Boys zijn dit keer nog wat duidelijker aanwezig in de songs, terwijl The Bee Gees een stapje terug hebben gedaan. Op hun vorige albums waren de broers uit New York in een zwoele bui, maar op A Dream Is All We Know klinkt alles wat steviger. De vader van de twee (Ronnie D'Addario) heeft een geschiedenis in de powerpop en dat is een genre dat op het nieuwe album wat steviger worden omarmd.
Verder blijven The Lemon Twigs dit keer niet alleen in de Verenigde Staten, met vooral invloeden van The Beach Boys en muzikale held Todd Rundgren, maar maken ze ook de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk met heel veel invloeden van The Beatles. Het klinkt allemaal weer behoorlijk retro, maar wat zijn de popsongs van The Lemon Twigs mooi en tijdloos en wat worden ze mooi uitgevoerd. The Lemon Twigs nemen je op A Dream Is All We Know een kleine 35 minuten mee op een muzikale tijdreis en het is er een die je humeur echt een hele stevige positieve boost geeft. Erwin Zijleman
The Lemon Twigs - Everything Harmony (2023)

4,0
1
geplaatst: 10 mei 2023, 11:46 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Lemon Twigs - Everything Harmony - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lemon Twigs - Everything Harmony
The Lemon Twigs sprongen wel erg van de hak op de tak op hun vorige album, maar kiezen voor een wat consistenter en melodieuzer geluid op het nieuwe album, dat ook nog eens vol fraaie harmonieën staat
Muziekliefhebbers die geen zwak hebben voor popmuziek uit de jaren 70 hebben niets te zoeken op het nieuwe album van The Lemon Twigs, dat niet met één maar met twee benen in de jaren 70 staat. Op hun vorige album liepen de broers Brian en Michael D'Addario met zevenmijlslaarzen door de popmuziek uit de jaren 70, maar dit keer kiezen ze vooral voor ballads vol warme klanken en betoverende harmonieën. Het is af en toe wat aan de zoete kant, zeker wanneer de falsetstemmen worden ingezet, maar wat is het lekker wegdromen bij de melodieuze songs en nostalgische klanken van de Amerikaanse broers. Laat de zomer maar komen!
Er zijn niet veel albums waarover ik zo lang heb getwijfeld als over Songs For The National Public van The Lemon Twigs. De eerste twee albums van de Amerikaanse broers Brian en Michael D'Addario waren me niet opgevallen, maar de cover van hun in 2020 verschenen derde album maakte me nieuwsgierig naar de muzikale verrichtingen van de twee. Op deze cover zagen de broers D’Addario er uit als twee vergeten rocksterren uit de jaren 70 en zo klonken ze ook.
De twee broers kregen de popmuziek uit de jaren 70 met de paplepel ingegoten door hun vader Ronnie D’Addario, die in het betreffende decennium een veelgevraagd sessiemuzikant was en ongetwijfeld een goed gevulde platenkast in de woonkamer had staan. Songs For The National Public van The Lemon Twigs klonk als de omgevallen platenkast van de vader van Brian en Michael D'Addario en dat klonk, zeker in eerste instantie, bijzonder lekker. Mijn oorspronkelijke bewondering voor de muziek van The Lemon Twigs hield echter niet heel lang stand, want uiteindelijk sprong het album me toch wat teveel van de hak op de tak en koos ik toch liever voor een echte jaren 70 playlist.
Deze week keren The Lemon Twigs terug met Everything Harmony en dit album beviel me direct beter dan zijn voorganger. Brian en Michael D'Addario zijn hun liefde voor muziek uit de jaren 70 zeker niet vergeten op hun vierde album, want ook de meeste songs op Everything Harmony lijken zo weggelopen uit het decennium waarin de popmuziek meerdere metamorfoses onderging. De Amerikaanse broers hebben zich ook dit keer stevig laten inspireren door de platenkast van hun vader, maar zijn hierbij wel wat selectiever te werk gegaan.
Everything Harmony leunt wat minder zwaar op de wat theatrale of zelfs pompeuze popmuziek uit de jaren 70, maar heeft gekozen voor de popmuziek waarin de mooie stemmen en de betoverende melodieën domineerden. We krijgen dit keer daarom wat minder Meat Loaf en wat meer Simon & Garfunkel, The Bee Gees en The Beach Boys en dat bevalt me wel.
De Amerikaanse broers hebben de titel van hun nieuwe album niet zomaar gekozen, want harmonieën spelen een veel belangrijke rol dan op het vorige album van The Lemon Twigs. Het nieuwe album van de Amerikaanse broers streelt hierdoor veel nadrukkelijker het oor dan zijn voorganger.
Ballads domineren op het album en het zijn ballads van het zoete maar smaakvolle soort. Af en toe grijpen The Lemon Twigs nog naar wat bombastische uitspattingen, maar op het grootste deel van het album domineren smaakvolle klanken, mooie harmonieën en heerlijk melodieuze songs met een bijzonder aangename jaren 70 vibe.
Wanneer een band zo zwaar leunt op de popmuziek uit de jaren 70 als The Lemon Twigs ligt het gevaar dat het een gimmick wordt, maar de broers D’Addario blijven op hun vierde album wat mij betreft vrijwel continu aan de juiste kant van de streep en blijven ver verwijderd van fantasieloze retro.
Vanwege het hoge jaren 70 gehalte, inclusief een productie met hier en daar een vleugje Phil Spector, die destijds zeer in de smaak zou zijn gevallen, zal niet iedereen gecharmeerd zijn van de muziek van The Lemon Twigs, maar voor een ieder die niet vies is van een vleugje melancholie en een flinke dosis nostalgie valt er veel te genieten op dit album. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Lemon Twigs - Everything Harmony - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lemon Twigs - Everything Harmony
The Lemon Twigs sprongen wel erg van de hak op de tak op hun vorige album, maar kiezen voor een wat consistenter en melodieuzer geluid op het nieuwe album, dat ook nog eens vol fraaie harmonieën staat
Muziekliefhebbers die geen zwak hebben voor popmuziek uit de jaren 70 hebben niets te zoeken op het nieuwe album van The Lemon Twigs, dat niet met één maar met twee benen in de jaren 70 staat. Op hun vorige album liepen de broers Brian en Michael D'Addario met zevenmijlslaarzen door de popmuziek uit de jaren 70, maar dit keer kiezen ze vooral voor ballads vol warme klanken en betoverende harmonieën. Het is af en toe wat aan de zoete kant, zeker wanneer de falsetstemmen worden ingezet, maar wat is het lekker wegdromen bij de melodieuze songs en nostalgische klanken van de Amerikaanse broers. Laat de zomer maar komen!
Er zijn niet veel albums waarover ik zo lang heb getwijfeld als over Songs For The National Public van The Lemon Twigs. De eerste twee albums van de Amerikaanse broers Brian en Michael D'Addario waren me niet opgevallen, maar de cover van hun in 2020 verschenen derde album maakte me nieuwsgierig naar de muzikale verrichtingen van de twee. Op deze cover zagen de broers D’Addario er uit als twee vergeten rocksterren uit de jaren 70 en zo klonken ze ook.
De twee broers kregen de popmuziek uit de jaren 70 met de paplepel ingegoten door hun vader Ronnie D’Addario, die in het betreffende decennium een veelgevraagd sessiemuzikant was en ongetwijfeld een goed gevulde platenkast in de woonkamer had staan. Songs For The National Public van The Lemon Twigs klonk als de omgevallen platenkast van de vader van Brian en Michael D'Addario en dat klonk, zeker in eerste instantie, bijzonder lekker. Mijn oorspronkelijke bewondering voor de muziek van The Lemon Twigs hield echter niet heel lang stand, want uiteindelijk sprong het album me toch wat teveel van de hak op de tak en koos ik toch liever voor een echte jaren 70 playlist.
Deze week keren The Lemon Twigs terug met Everything Harmony en dit album beviel me direct beter dan zijn voorganger. Brian en Michael D'Addario zijn hun liefde voor muziek uit de jaren 70 zeker niet vergeten op hun vierde album, want ook de meeste songs op Everything Harmony lijken zo weggelopen uit het decennium waarin de popmuziek meerdere metamorfoses onderging. De Amerikaanse broers hebben zich ook dit keer stevig laten inspireren door de platenkast van hun vader, maar zijn hierbij wel wat selectiever te werk gegaan.
Everything Harmony leunt wat minder zwaar op de wat theatrale of zelfs pompeuze popmuziek uit de jaren 70, maar heeft gekozen voor de popmuziek waarin de mooie stemmen en de betoverende melodieën domineerden. We krijgen dit keer daarom wat minder Meat Loaf en wat meer Simon & Garfunkel, The Bee Gees en The Beach Boys en dat bevalt me wel.
De Amerikaanse broers hebben de titel van hun nieuwe album niet zomaar gekozen, want harmonieën spelen een veel belangrijke rol dan op het vorige album van The Lemon Twigs. Het nieuwe album van de Amerikaanse broers streelt hierdoor veel nadrukkelijker het oor dan zijn voorganger.
Ballads domineren op het album en het zijn ballads van het zoete maar smaakvolle soort. Af en toe grijpen The Lemon Twigs nog naar wat bombastische uitspattingen, maar op het grootste deel van het album domineren smaakvolle klanken, mooie harmonieën en heerlijk melodieuze songs met een bijzonder aangename jaren 70 vibe.
Wanneer een band zo zwaar leunt op de popmuziek uit de jaren 70 als The Lemon Twigs ligt het gevaar dat het een gimmick wordt, maar de broers D’Addario blijven op hun vierde album wat mij betreft vrijwel continu aan de juiste kant van de streep en blijven ver verwijderd van fantasieloze retro.
Vanwege het hoge jaren 70 gehalte, inclusief een productie met hier en daar een vleugje Phil Spector, die destijds zeer in de smaak zou zijn gevallen, zal niet iedereen gecharmeerd zijn van de muziek van The Lemon Twigs, maar voor een ieder die niet vies is van een vleugje melancholie en een flinke dosis nostalgie valt er veel te genieten op dit album. Erwin Zijleman
The Leonids - Satellite Broadcast Kill (2015)

4,0
0
geplaatst: 29 november 2015, 09:44 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Leonids - Satellite Broadcast Kill - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Sonja van Hamel maakte samen met Berend Dubbe (Bettie Serveert) een aantal uitstekende platen als Bauer en maakte ook solo indruk met twee prima platen onder haar eigen naam (beiden besproken op deze BLOG).
Ze duikt nu op als lid van de band The Leonids en die band heeft met Satellite Broadcast Kill een even mooi als fascinerend debuut afgeleverd.
In The Leonids werkt Sonja van Hamel met muzikanten met een verleden in de bands Orlando en Wooden Saints en met het elektrische strijkerstrio West Side Trio. Satellite Broadcast Kill valt in eerste instantie op door de prachtige, ook door Sonja van Hamel ontworpen, verpakking, maar de muziek blijkt minstens even mooi.
The Leonids schuwen het experiment zeker niet, maar Satellite Broadcast Kill is over het algemeen genomen een toegankelijke plaat vol warmbloedige popliedjes. Sonja van Hamel overtuigde al eerder als zangeres, maar op het debuut van The Leonids klink haar stem, mede door de aanvullende vocalen van Tessa Douwstra, nog veel beter.
In muzikaal opzicht is het debuut van The Leonids minstens even spannend. De band heeft zich naar verluid laten inspireren door de magie van het universum en komt op de proppen met een dozijn popliedjes die steeds weer net wat anders, maar altijd bijzonder en opvallend beeldend klinken.
The Leonids verrast op Satellite Broadcast Kill incidenteel met aanstekelijke synthpop (The Common World, The Sun Machine), maar overtuigt net zo makkelijk met minder makkelijk te doorgronden songs waarin vaak een hoofdrol is weggelegd voor de bijzondere strijkers. De voor dit jaargetijde gemaakte stemmige ballads maken het spectrum compleet. De muziek op het debuut van The Leonids klinkt vaak ruimtelijk, wat fraai contrasteert met de warme en down-to-earth vocalen.
Satellite Broadcast Kill is geen plaat die je na één keer horen kunt dromen of doorgronden. De muziek van The Leonids zit immers vol interessante lagen en in al die lagen gebeurt van alles. Het levert een plaat op die ik na een paar keer horen echt niet meer wil missen en voorlopig ook nog wel even door groeit. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Leonids - Satellite Broadcast Kill - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Sonja van Hamel maakte samen met Berend Dubbe (Bettie Serveert) een aantal uitstekende platen als Bauer en maakte ook solo indruk met twee prima platen onder haar eigen naam (beiden besproken op deze BLOG).
Ze duikt nu op als lid van de band The Leonids en die band heeft met Satellite Broadcast Kill een even mooi als fascinerend debuut afgeleverd.
In The Leonids werkt Sonja van Hamel met muzikanten met een verleden in de bands Orlando en Wooden Saints en met het elektrische strijkerstrio West Side Trio. Satellite Broadcast Kill valt in eerste instantie op door de prachtige, ook door Sonja van Hamel ontworpen, verpakking, maar de muziek blijkt minstens even mooi.
The Leonids schuwen het experiment zeker niet, maar Satellite Broadcast Kill is over het algemeen genomen een toegankelijke plaat vol warmbloedige popliedjes. Sonja van Hamel overtuigde al eerder als zangeres, maar op het debuut van The Leonids klink haar stem, mede door de aanvullende vocalen van Tessa Douwstra, nog veel beter.
In muzikaal opzicht is het debuut van The Leonids minstens even spannend. De band heeft zich naar verluid laten inspireren door de magie van het universum en komt op de proppen met een dozijn popliedjes die steeds weer net wat anders, maar altijd bijzonder en opvallend beeldend klinken.
The Leonids verrast op Satellite Broadcast Kill incidenteel met aanstekelijke synthpop (The Common World, The Sun Machine), maar overtuigt net zo makkelijk met minder makkelijk te doorgronden songs waarin vaak een hoofdrol is weggelegd voor de bijzondere strijkers. De voor dit jaargetijde gemaakte stemmige ballads maken het spectrum compleet. De muziek op het debuut van The Leonids klinkt vaak ruimtelijk, wat fraai contrasteert met de warme en down-to-earth vocalen.
Satellite Broadcast Kill is geen plaat die je na één keer horen kunt dromen of doorgronden. De muziek van The Leonids zit immers vol interessante lagen en in al die lagen gebeurt van alles. Het levert een plaat op die ik na een paar keer horen echt niet meer wil missen en voorlopig ook nog wel even door groeit. Erwin Zijleman
The Limiñanas - Faded (2025)

4,0
1
geplaatst: 25 februari 2025, 15:59 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: The Limiñanas - Faded - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Limiñanas - Faded
De hoogtijdagen van Serge Gainsbourg herleven op het nieuwe album van The Limiñanas, maar het Franse duo sleept er, samen met gastmuzikanten, ook de nodige andere invloeden bij, wat een bijzondere luistertrip oplevert
Het is voor mijn gevoel lang stil geweest rond Marie Limiñana en Lionel Limiñana, maar het duo uit Perpignan levert deze week met Faded eindelijk weer een regulier album van The Limiñanas af. Het is net als de vorige keer een album dat bol staat van de invloeden, al staat de (Franse) psychedelica uit de jaren 60 en 70 wat mij betreft ook dit keer centraal. Samen met flink was gastmuzikanten nemen Marie Limiñana en Lionel Limiñana je mee op een bedwelmende luistertrip die vooral nostalgisch klinkt, al zijn invloeden van recentere datum nooit ver weg. Het schiet meerdere kanten op, maar de songs van de twee zijn ook dit keer nauwelijks te weerstaan.
Het was voor mijn gevoel een eeuwigheid geleden dat ik had geluisterd naar nieuwe muziek van The Limiñanas en dat bleek ook wel te kloppen. Het Franse duo haalde in 2018 nog mijn jaarlijstje met het geweldige Shadow People, dat zwaar schatplichtig was aan het werk van Serge Gainsbourg, maar hierna hoorde ik niet veel meer van het duo uit het Franse Perpignan, al doken ze in 2019 nog wel op als onderdeel van de gelegenheidsband L'Épée.
Het deze week, na een stilte van zeven jaar, verschenen Faded wordt op meerdere plekken onthaald als de opvolger van Shadow People, maar op Spotify kwam ik tot mijn verbazing een flinke stapel in de tussentijd verschenen albums van The Limiñanas tegen. Het gaat deels om albums die het duo samen met anderen maakte en vooral om flink wat filmsoundtracks. Ik moet er nog naar gaan luisteren, maar voorlopig gaat mijn aandacht uit naar Faded, dat absoluut herinneringen oproept aan het zeven jaar oude Shadow People.
Ook op Faded maken Marie Limiñana en Lionel Limiñana geen geheim van hun bewondering voor het werk van Serge Gainsbourg. Het Franse duo laat zich stevig beïnvloeden door de Franse psychedelica uit de jaren 60 en 70, maar sleept er ook dit keer uiteenlopende andere invloeden bij.
Net als op Shadow People vertrouwen Marie Limiñana en Lionel Limiñana op hun nieuwe album stevig op een aantal gastmuzikanten en gastvocalisten. Het zijn voor mij wat minder bekende namen dan op het vorige album, maar dit keer duiken naast een aantal voor mij minder bekende Franse (?) muzikanten onder andere Jon Spencer, Bobby Gillespie en Pascal Comelade op.
Het Franse duo kan dit keer echter ook prima uit de voeten zonder een beroep te doen op anderen en tekent zelf ook voor bezwerende klanken, die zwaar nostalgisch maar op een of andere manier ook eigentijds klinken. De nostalgie komt van de Franse psychedelica, de Franse filmmuziek, de garagerock, een vleugje The Velvet Underground en invloeden uit de Krautrock, maar invloeden uit de new wave en de shoegaze voegen ook invloeden uit recentere datum toe aan het nieuwe album van The Limiñanas.
Door de goed gevulde gastenlijst heeft Faded een wat bont karakter, maar het album heeft ook wel degelijk een consistent geluid en het is een geluid dat zich stevig opdringt wanneer je vatbaar bent voor de nostalgische en psychedelische luistertrip van het duo uit Perpignan. Het klinkt vaak lekker ruw en gruizig, maar als in de slottrack een licht schurende maar ook honingzoete versie van Où Va La Chance van Françoise Hardy voorbij komt, hoor je dat ook dit een kunstje is dat het Franse duo uitstekend beheerst.
Shadow People vond ik ruim zeven jaar geleden een sensationeel goed en vernieuwend album, dat een hoge notering haalde in mijn jaarlijstje. Met Shadow People in het achterhoofd is Faded misschien wat minder vernieuwend en sensationeel, maar Marie Limiñana en Lionel Limiñana hebben wat mij betreft toch weer een prima album afgeleverd, dat echt bol staat van de invloeden, nog eens eer bewijst aan het enorme talent van Serge Gainsbourg en dat bovendien flink wat memorabele songs bevat, met voor mij de songs waarin zangeressen PENNY en Anna Jean opduiken als meest onweerstaanbare. Goed dat The Limiñanas terug zijn met een regulier album dus. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: Review: The Limiñanas - Faded - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Review: The Limiñanas - Faded
De hoogtijdagen van Serge Gainsbourg herleven op het nieuwe album van The Limiñanas, maar het Franse duo sleept er, samen met gastmuzikanten, ook de nodige andere invloeden bij, wat een bijzondere luistertrip oplevert
Het is voor mijn gevoel lang stil geweest rond Marie Limiñana en Lionel Limiñana, maar het duo uit Perpignan levert deze week met Faded eindelijk weer een regulier album van The Limiñanas af. Het is net als de vorige keer een album dat bol staat van de invloeden, al staat de (Franse) psychedelica uit de jaren 60 en 70 wat mij betreft ook dit keer centraal. Samen met flink was gastmuzikanten nemen Marie Limiñana en Lionel Limiñana je mee op een bedwelmende luistertrip die vooral nostalgisch klinkt, al zijn invloeden van recentere datum nooit ver weg. Het schiet meerdere kanten op, maar de songs van de twee zijn ook dit keer nauwelijks te weerstaan.
Het was voor mijn gevoel een eeuwigheid geleden dat ik had geluisterd naar nieuwe muziek van The Limiñanas en dat bleek ook wel te kloppen. Het Franse duo haalde in 2018 nog mijn jaarlijstje met het geweldige Shadow People, dat zwaar schatplichtig was aan het werk van Serge Gainsbourg, maar hierna hoorde ik niet veel meer van het duo uit het Franse Perpignan, al doken ze in 2019 nog wel op als onderdeel van de gelegenheidsband L'Épée.
Het deze week, na een stilte van zeven jaar, verschenen Faded wordt op meerdere plekken onthaald als de opvolger van Shadow People, maar op Spotify kwam ik tot mijn verbazing een flinke stapel in de tussentijd verschenen albums van The Limiñanas tegen. Het gaat deels om albums die het duo samen met anderen maakte en vooral om flink wat filmsoundtracks. Ik moet er nog naar gaan luisteren, maar voorlopig gaat mijn aandacht uit naar Faded, dat absoluut herinneringen oproept aan het zeven jaar oude Shadow People.
Ook op Faded maken Marie Limiñana en Lionel Limiñana geen geheim van hun bewondering voor het werk van Serge Gainsbourg. Het Franse duo laat zich stevig beïnvloeden door de Franse psychedelica uit de jaren 60 en 70, maar sleept er ook dit keer uiteenlopende andere invloeden bij.
Net als op Shadow People vertrouwen Marie Limiñana en Lionel Limiñana op hun nieuwe album stevig op een aantal gastmuzikanten en gastvocalisten. Het zijn voor mij wat minder bekende namen dan op het vorige album, maar dit keer duiken naast een aantal voor mij minder bekende Franse (?) muzikanten onder andere Jon Spencer, Bobby Gillespie en Pascal Comelade op.
Het Franse duo kan dit keer echter ook prima uit de voeten zonder een beroep te doen op anderen en tekent zelf ook voor bezwerende klanken, die zwaar nostalgisch maar op een of andere manier ook eigentijds klinken. De nostalgie komt van de Franse psychedelica, de Franse filmmuziek, de garagerock, een vleugje The Velvet Underground en invloeden uit de Krautrock, maar invloeden uit de new wave en de shoegaze voegen ook invloeden uit recentere datum toe aan het nieuwe album van The Limiñanas.
Door de goed gevulde gastenlijst heeft Faded een wat bont karakter, maar het album heeft ook wel degelijk een consistent geluid en het is een geluid dat zich stevig opdringt wanneer je vatbaar bent voor de nostalgische en psychedelische luistertrip van het duo uit Perpignan. Het klinkt vaak lekker ruw en gruizig, maar als in de slottrack een licht schurende maar ook honingzoete versie van Où Va La Chance van Françoise Hardy voorbij komt, hoor je dat ook dit een kunstje is dat het Franse duo uitstekend beheerst.
Shadow People vond ik ruim zeven jaar geleden een sensationeel goed en vernieuwend album, dat een hoge notering haalde in mijn jaarlijstje. Met Shadow People in het achterhoofd is Faded misschien wat minder vernieuwend en sensationeel, maar Marie Limiñana en Lionel Limiñana hebben wat mij betreft toch weer een prima album afgeleverd, dat echt bol staat van de invloeden, nog eens eer bewijst aan het enorme talent van Serge Gainsbourg en dat bovendien flink wat memorabele songs bevat, met voor mij de songs waarin zangeressen PENNY en Anna Jean opduiken als meest onweerstaanbare. Goed dat The Limiñanas terug zijn met een regulier album dus. Erwin Zijleman
The Limiñanas - I've Got Trouble in Mind 2 (2018)
Alternatieve titel: 7'' and Rare Stuff 2015 / 2018

4,0
2
geplaatst: 18 november 2018, 10:51 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Limiñanas - I've Got Trouble in Mind Vol 2 - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Na de jaarlijstjesplaat Shadow People nu een verzameling restjes van The Limiñanas en ook dat smaakt naar veel meer
Helemaal aan het begin van het jaar leverde het Franse duo The Limiñanas met Shadow People een plaat af die mee kan gaan strijden voor een plek in mijn jaarlijstje. Zo goed als die plaat is de nu verschenen verzamelaar restjes niet, maar er valt toch weer behoorlijk wat te genieten. Zeker de tracks die dicht tegen Shadow People aan schurken zijn fantastisch, maar ook als The Limiñanas theatraal uit de bocht vliegt weten ze mijn muzikale hart te veroveren. Ik was tot het begin van dit jaar niet helemaal overtuigd van de kwaliteiten van het Franse duo, maar de twee worpen van dit jaar overtuigen me met speels gemak.
Ik beschouwde het Franse duo The Limiñanas tot het begin van dit jaar vooral als een ‘guilty pleasure’. Marie Limiñana en Lionel Limiñana eerden op hun vroege platen vooral de muzikale erfenis van Serge Gainsbourg en deden dat met een veelzijdigheid waarop de oude meester vast trots zou zijn geweest.
Het leverde een bonte mix van invloeden op, waaronder met name invloeden uit de 60s psychedelica en invloeden van The Velvet Underground, maar het duo uit Perpignan draaide ook haar hand niet om voor een vleugje shoegaze of voor invloeden uit de hedendaagse Franse pop, wat allemaal prachtig combineerde met de citaten uit het werk van de meest invloedrijke Franse popmuzikant aller tijden.
Met het begin dit jaar verschenen Shadow People maakten The Limiñanas opeens veel meer indruk op mij dan in het verleden. Ook op Shadow People maakte het Franse duo geen geheim van de diepe bewondering voor het oeuvre van Serge Gainsbourg, maar de songs op de plaat klonken rijper en volwassener. Samen met een aantal gastvocalisten liepen The Limiñanas met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van de popmuziek, waarbij Engeland en de Verenigde Staten minsten net zo vaak werden aangedaan als het vaderland van de twee.
Shadow People vermaakte met hopeloos aanstekelijke popliedjes en verbaasde met de vele bijzondere twists en uitstapjes buiten de gebaande paden. Net als veel van de platen van Serge Gainsbourg liet Shadow People zich beluisteren als een soundtrack bij een niet bestaande film. En het bleek een film die ik nog vaak wil beluisteren.
Shadow People staat op de longlist voor mijn jaarlijstje, maar tot mijn verbazing verscheen er deze week alweer een nieuwe plaat van The Limiñanas. I've Got Trouble in Mind Vol 2 is de opvolger van het in 2014 verschenen eerste deel en heeft als ondertitel 7'' And Rare Stuff 2015/2018, waar het eerste deel de periode 2009/2014 verzamelde.
I've Got Trouble in Mind Vol 2 moet daarom niet gezien worden als de opvolger van Shadow People, maar als een tussendoortje. Dat hoor je ook wel, want de deze week verschenen verzamelaar is een stuk minder consistent dan de jaarlijstjesplaat die het duo uit Perpignan eerder dit jaar afleverde. The Limiñanas springen in de 17 tracks en bijna 55 minuten van de hak op de tak en schieten zeker niet alleen maar met scherp.
Het grappige is echter dat de plaat me prima bevalt, zeker wanneer er songs voorbij komen die stammen uit de sessies die uiteindelijk Shadow People op zouden leveren. Vergeleken met deze plaat klinkt I've Got Trouble in Mind Vol 2 een stuk fragmentarischer en zijn er wat minder briljante popsongs, maar deze popsongs zijn wel degelijk te vinden op deze verzameling restmateriaal. Er staan een aantal songs of flarden van songs tegenover waarin The Limiñanas heerlijk uit de bocht mogen vliegen, wat hier en daar even bedwelmende als verslavende muziek oplevert.
En zo dient I've Got Trouble in Mind Vol 2 meerdere doelen. The Limiñanas vestigen nog eens de aandacht op de prachtplaat die in de eerste weken van het jaar werd afgeleverd, laten nog eens horen welke kanten het allemaal op kan in het fascinerende muzikale universum van de twee en wakkeren het verlangen naar nog meer muziek van het Franse duo nog eens aan. Fascinerend. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Limiñanas - I've Got Trouble in Mind Vol 2 - dekrentenuitdepop.blogspot.com
Na de jaarlijstjesplaat Shadow People nu een verzameling restjes van The Limiñanas en ook dat smaakt naar veel meer
Helemaal aan het begin van het jaar leverde het Franse duo The Limiñanas met Shadow People een plaat af die mee kan gaan strijden voor een plek in mijn jaarlijstje. Zo goed als die plaat is de nu verschenen verzamelaar restjes niet, maar er valt toch weer behoorlijk wat te genieten. Zeker de tracks die dicht tegen Shadow People aan schurken zijn fantastisch, maar ook als The Limiñanas theatraal uit de bocht vliegt weten ze mijn muzikale hart te veroveren. Ik was tot het begin van dit jaar niet helemaal overtuigd van de kwaliteiten van het Franse duo, maar de twee worpen van dit jaar overtuigen me met speels gemak.
Ik beschouwde het Franse duo The Limiñanas tot het begin van dit jaar vooral als een ‘guilty pleasure’. Marie Limiñana en Lionel Limiñana eerden op hun vroege platen vooral de muzikale erfenis van Serge Gainsbourg en deden dat met een veelzijdigheid waarop de oude meester vast trots zou zijn geweest.
Het leverde een bonte mix van invloeden op, waaronder met name invloeden uit de 60s psychedelica en invloeden van The Velvet Underground, maar het duo uit Perpignan draaide ook haar hand niet om voor een vleugje shoegaze of voor invloeden uit de hedendaagse Franse pop, wat allemaal prachtig combineerde met de citaten uit het werk van de meest invloedrijke Franse popmuzikant aller tijden.
Met het begin dit jaar verschenen Shadow People maakten The Limiñanas opeens veel meer indruk op mij dan in het verleden. Ook op Shadow People maakte het Franse duo geen geheim van de diepe bewondering voor het oeuvre van Serge Gainsbourg, maar de songs op de plaat klonken rijper en volwassener. Samen met een aantal gastvocalisten liepen The Limiñanas met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van de popmuziek, waarbij Engeland en de Verenigde Staten minsten net zo vaak werden aangedaan als het vaderland van de twee.
Shadow People vermaakte met hopeloos aanstekelijke popliedjes en verbaasde met de vele bijzondere twists en uitstapjes buiten de gebaande paden. Net als veel van de platen van Serge Gainsbourg liet Shadow People zich beluisteren als een soundtrack bij een niet bestaande film. En het bleek een film die ik nog vaak wil beluisteren.
Shadow People staat op de longlist voor mijn jaarlijstje, maar tot mijn verbazing verscheen er deze week alweer een nieuwe plaat van The Limiñanas. I've Got Trouble in Mind Vol 2 is de opvolger van het in 2014 verschenen eerste deel en heeft als ondertitel 7'' And Rare Stuff 2015/2018, waar het eerste deel de periode 2009/2014 verzamelde.
I've Got Trouble in Mind Vol 2 moet daarom niet gezien worden als de opvolger van Shadow People, maar als een tussendoortje. Dat hoor je ook wel, want de deze week verschenen verzamelaar is een stuk minder consistent dan de jaarlijstjesplaat die het duo uit Perpignan eerder dit jaar afleverde. The Limiñanas springen in de 17 tracks en bijna 55 minuten van de hak op de tak en schieten zeker niet alleen maar met scherp.
Het grappige is echter dat de plaat me prima bevalt, zeker wanneer er songs voorbij komen die stammen uit de sessies die uiteindelijk Shadow People op zouden leveren. Vergeleken met deze plaat klinkt I've Got Trouble in Mind Vol 2 een stuk fragmentarischer en zijn er wat minder briljante popsongs, maar deze popsongs zijn wel degelijk te vinden op deze verzameling restmateriaal. Er staan een aantal songs of flarden van songs tegenover waarin The Limiñanas heerlijk uit de bocht mogen vliegen, wat hier en daar even bedwelmende als verslavende muziek oplevert.
En zo dient I've Got Trouble in Mind Vol 2 meerdere doelen. The Limiñanas vestigen nog eens de aandacht op de prachtplaat die in de eerste weken van het jaar werd afgeleverd, laten nog eens horen welke kanten het allemaal op kan in het fascinerende muzikale universum van de twee en wakkeren het verlangen naar nog meer muziek van het Franse duo nog eens aan. Fascinerend. Erwin Zijleman
The Limiñanas - Shadow People (2018)

4,0
1
geplaatst: 24 januari 2018, 11:22 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Limiñanas - Shadow People - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Het Franse duo The Limiñanas maakt inmiddels al een aantal jaren platen en het zijn platen die ik bijna allemaal met een brede glimlach heb beluisterd.
Op deze platen eren Marie Limiñana en Lionel Limiñana de gigantische muzikale erfenis van Serge Gainsbourg, maar slepen ze er, over het algemeen samen met flink wat gastvocalisten, ook van alles bij, variërend van 60s psychedelica en flarden van The Velvet Underground tot shoegaze en hedendaagse Franse pop.
Ik heb absoluut genoten van de vorige platen van The Limiñanas, maar nam ze op hetzelfde moment niet heel serieus. Zeker een ‘guilty pleasure’, maar niet direct een krent uit de pop was mijn afweging tot dusver.
Vorige week verscheen de nieuwe plaat van het duo uit Perpignan en langzaam maar zeker raak ik er van overtuigd dat ik mijn mening over The Limiñanas maar eens moet herzien.
Dat betekent niet dat er op Shadow People heel veel is veranderd. Ook voor hun nieuwe plaat hebben Marie en Lionel Limiñana weer flink gespit in het fascinerende oeuvre van Serge Gainsbourg, maar ook dit keer worden de invloeden van deze unieke Franse muzikant met van alles en nog wat vermengd.
In de instrumentale openingstrack worden hippieklanken, compleet met sitar, uit de jaren 60 gecombineerd met gruizige shoegaze gitaren en zo heeft herbergt iedere track op Shadow People combinaties van invloeden die je niet verwacht.
Net als op haar vorige plaat heeft het Franse duo een beroep gedaan op een aantal gastvocalisten, onder wie The Brian Jonestown Massacre voorman Anton Newcombe, die de hoogtijdagen van The Jesus And Mary Chain laat herleven en actrice Emmanuelle Seigner, die een vleugje zuchtmeisje toevoegt aan het voornamelijk gruizige geluid van The Limiñanas. Verder duikt ook dit keer Joy Division en New Order bassist Peter Hook op en wordt een van de tracks bijzonder fraai versierd met de man’s uit duizenden herkenbare baslijnen.
Ook op Shadow People vermaakt The Limiñanas weer met meedogenloos aanstekelijke popliedjes en vele twists. Door het Franse tintje dat het duo uit Perpignan geeft aan haar muziek klinkt ook Shadow People weer anders dan de meeste andere platen van het moment, maar waar ik de muziek van The Limiñanas tot dusver beluisterde als een ‘guilty pleasure’, kan ik dit keer alleen maar concluderen dat Marie en Lionel Limiñana en hun muzikale medestanders een verdomd goede plaat hebben gemaakt.
Het is een plaat met gruizige psychedelica als rode draad, maar wat zit er veel moois verstopt onder de gruizige gitaarlagen en de wat zweverige klanken. The Limiñanas beginnen in de jaren 60, maar citeren dit keer ook stevig uit de jaren 80 en slaan vervolgens een brug naar het heden. De songs op de plaat zitten na één keer horen stuk voor stuk in je hoofd, al is het maar vanwege de geweldige melodieën en het zwoele Franse tintje.
Shadow People laat zich, net als veel van de platen van Serge Gainsbourg, beluisteren als een soundtrack bij een niet bestaande film. Het is een film waarvan je zelf de beelden mag bedenken, wat de luistertrip van The Limiñanas nog wat fascinerender maakt. Dat The Limiñanas een heuse krent uit de pop hebben afgeleverd zal inmiddels duidelijk zijn. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Limiñanas - Shadow People - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Het Franse duo The Limiñanas maakt inmiddels al een aantal jaren platen en het zijn platen die ik bijna allemaal met een brede glimlach heb beluisterd.
Op deze platen eren Marie Limiñana en Lionel Limiñana de gigantische muzikale erfenis van Serge Gainsbourg, maar slepen ze er, over het algemeen samen met flink wat gastvocalisten, ook van alles bij, variërend van 60s psychedelica en flarden van The Velvet Underground tot shoegaze en hedendaagse Franse pop.
Ik heb absoluut genoten van de vorige platen van The Limiñanas, maar nam ze op hetzelfde moment niet heel serieus. Zeker een ‘guilty pleasure’, maar niet direct een krent uit de pop was mijn afweging tot dusver.
Vorige week verscheen de nieuwe plaat van het duo uit Perpignan en langzaam maar zeker raak ik er van overtuigd dat ik mijn mening over The Limiñanas maar eens moet herzien.
Dat betekent niet dat er op Shadow People heel veel is veranderd. Ook voor hun nieuwe plaat hebben Marie en Lionel Limiñana weer flink gespit in het fascinerende oeuvre van Serge Gainsbourg, maar ook dit keer worden de invloeden van deze unieke Franse muzikant met van alles en nog wat vermengd.
In de instrumentale openingstrack worden hippieklanken, compleet met sitar, uit de jaren 60 gecombineerd met gruizige shoegaze gitaren en zo heeft herbergt iedere track op Shadow People combinaties van invloeden die je niet verwacht.
Net als op haar vorige plaat heeft het Franse duo een beroep gedaan op een aantal gastvocalisten, onder wie The Brian Jonestown Massacre voorman Anton Newcombe, die de hoogtijdagen van The Jesus And Mary Chain laat herleven en actrice Emmanuelle Seigner, die een vleugje zuchtmeisje toevoegt aan het voornamelijk gruizige geluid van The Limiñanas. Verder duikt ook dit keer Joy Division en New Order bassist Peter Hook op en wordt een van de tracks bijzonder fraai versierd met de man’s uit duizenden herkenbare baslijnen.
Ook op Shadow People vermaakt The Limiñanas weer met meedogenloos aanstekelijke popliedjes en vele twists. Door het Franse tintje dat het duo uit Perpignan geeft aan haar muziek klinkt ook Shadow People weer anders dan de meeste andere platen van het moment, maar waar ik de muziek van The Limiñanas tot dusver beluisterde als een ‘guilty pleasure’, kan ik dit keer alleen maar concluderen dat Marie en Lionel Limiñana en hun muzikale medestanders een verdomd goede plaat hebben gemaakt.
Het is een plaat met gruizige psychedelica als rode draad, maar wat zit er veel moois verstopt onder de gruizige gitaarlagen en de wat zweverige klanken. The Limiñanas beginnen in de jaren 60, maar citeren dit keer ook stevig uit de jaren 80 en slaan vervolgens een brug naar het heden. De songs op de plaat zitten na één keer horen stuk voor stuk in je hoofd, al is het maar vanwege de geweldige melodieën en het zwoele Franse tintje.
Shadow People laat zich, net als veel van de platen van Serge Gainsbourg, beluisteren als een soundtrack bij een niet bestaande film. Het is een film waarvan je zelf de beelden mag bedenken, wat de luistertrip van The Limiñanas nog wat fascinerender maakt. Dat The Limiñanas een heuse krent uit de pop hebben afgeleverd zal inmiddels duidelijk zijn. Erwin Zijleman
The Local Honeys - The Local Honeys (2022)

4,0
0
geplaatst: 22 juli 2022, 15:52 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Local Honeys - The Local Honeys - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Local Honeys - The Local Honeys
The Local Honeys uit Kentucky staan met één been in de Appalachen folk uit een ver verleden, maar slagen er ook in om zich in vocaal en muzikaal opzicht te onderscheiden van alles dat er al is in dit genre
Ik ben de afgelopen jaren wat uitgekeken geraakt op de traditionele Amerikaanse rootsmuziek met invloeden uit de Appalachen folk, maar bij de eerste noten van het derde album van The Local Honeys veerde ik direct enthousiast op. Linda Jean Stokley en Montana Hobbs wisten in vocaal opzicht direct de juiste snaar te raken, maar ook in muzikaal opzicht is het titelloze album van het tweetal uit Kentucky een zeer aansprekend album. Het titelloze album is gevarieerd ingekleurd en schuwt voorzichtige uitstapjes buiten de lijntjes niet, waardoor The Local Honeys frisser klinken dan de meeste van hun soortgenoten. Bijzonder album.
Het deze week verschenen titelloze album van The Local Honeys is al het derde album van het duo uit Kentucky. De vorige twee albums, Little Girls Actin’ Like Men uit 2017 en The Gospel uit 2019, zijn me niet opgevallen, maar het nieuwe album van The Local Honeys bevalt me erg goed.
The Local Honeys bestaat Linda Jean Stokley en Montana Hobbs. Eerstgenoemde speelt gitaar en harmonium, laatstgenoemde de banjo en beide dames zingen op het album. Het album is geproduceerd door Jesse Ray Welles, die ook gitaren, mandoline en viool toevoegt aan het geluid van het tweetal.
The Local Honeys maken op hun nieuwe album Amerikaanse rootsmuziek met veel respect voor de tradities van het genre. Met een uitvalsbasis aan de voet van de Appalachen is het niet zo gek dat stokoude folk uit deze Appalachen een belangrijke rol speelt op het album. Daar ben ik lang niet altijd gek op, maar er zijn uitzonderingen en dit album van The Local Honeys is er een.
Dat is allereerst de verdienste van de zang op het album. Met twee zangeressen verwacht je dat de harmonieën je om de oren vliegen, maar The Local Honeys zetten ze redelijk spaarzaam in. Linda Jean Stokley en Montana Hobbs beschikken allebei over een karakteristiek en expressief stemgeluid, dat voor de afwisseling eens niet lijkt op de bekende stemmen in het genre. Het zijn stemmen die het solo prima doen, maar in de af en toe opduikende harmonieën kleuren ze ook mooi bij elkaar.
Ook de instrumentatie op het album draagt nadrukkelijk bij aan de kwaliteit van het derde album van The Local Honeys. Het tweetal uit Kentucky maakt zoals gezegd behoorlijk traditionele Amerikaanse rootsmuziek met hier en daar uitstapjes naar de muziek zoals die meer dan een eeuw geleden werd gemaakt in de Appalachen.
Het is muziek die vaak wat eenvormig kan klinken, maar The Local Honeys variëren op hun nieuwe album flink met de instrumentatie door een groot deel van het arsenaal aan instrumenten dat wordt gebruikt in het genre in te zetten, waarvoor overigens de band van Tyler Childers tekent.
De ene keer domineert de banjo, de volgende keer de gitaren of toch de viool, wat een veelzijdig geluid oplevert. Het klinkt allemaal uitstekend en het wordt alleen maar beter als Linda Jean Stokley en Montana Hobbs stiekem het pad van de hele traditionele Amerikaanse rootsmuziek verlaten en wat eigentijdse invloeden toevoegen, bijvoorbeeld door net wat steviger te klinken.
Het derde album van The Local Honeys varieert overigens niet alleen met de fraaie stemmen van de twee en met de vele instrumenten, maar wisselt bovendien zich langzaam voortslepende songs af met meer uptempo songs, wat het album voorziet van de broodnodige dynamiek.
Ook de songs van het tweetal zijn van hoog niveau en doen niet onder voor de fraaie cover waarmee het album opent, waardoor Linda Jean Stokley en Montana Hobbs zich met hun derde album weten te onderscheiden van de concurrentie in een overvol genre. Ik laat heel traditioneel klinkende rootsalbums vaak liggen, maar het derde album van The Local Honeys overtuigt me steeds meer, al is het maar omdat de fraaie klanken en mooie stemmen het ook uitstekend doen bij de zomerse temperaturen van het moment. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Local Honeys - The Local Honeys - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Local Honeys - The Local Honeys
The Local Honeys uit Kentucky staan met één been in de Appalachen folk uit een ver verleden, maar slagen er ook in om zich in vocaal en muzikaal opzicht te onderscheiden van alles dat er al is in dit genre
Ik ben de afgelopen jaren wat uitgekeken geraakt op de traditionele Amerikaanse rootsmuziek met invloeden uit de Appalachen folk, maar bij de eerste noten van het derde album van The Local Honeys veerde ik direct enthousiast op. Linda Jean Stokley en Montana Hobbs wisten in vocaal opzicht direct de juiste snaar te raken, maar ook in muzikaal opzicht is het titelloze album van het tweetal uit Kentucky een zeer aansprekend album. Het titelloze album is gevarieerd ingekleurd en schuwt voorzichtige uitstapjes buiten de lijntjes niet, waardoor The Local Honeys frisser klinken dan de meeste van hun soortgenoten. Bijzonder album.
Het deze week verschenen titelloze album van The Local Honeys is al het derde album van het duo uit Kentucky. De vorige twee albums, Little Girls Actin’ Like Men uit 2017 en The Gospel uit 2019, zijn me niet opgevallen, maar het nieuwe album van The Local Honeys bevalt me erg goed.
The Local Honeys bestaat Linda Jean Stokley en Montana Hobbs. Eerstgenoemde speelt gitaar en harmonium, laatstgenoemde de banjo en beide dames zingen op het album. Het album is geproduceerd door Jesse Ray Welles, die ook gitaren, mandoline en viool toevoegt aan het geluid van het tweetal.
The Local Honeys maken op hun nieuwe album Amerikaanse rootsmuziek met veel respect voor de tradities van het genre. Met een uitvalsbasis aan de voet van de Appalachen is het niet zo gek dat stokoude folk uit deze Appalachen een belangrijke rol speelt op het album. Daar ben ik lang niet altijd gek op, maar er zijn uitzonderingen en dit album van The Local Honeys is er een.
Dat is allereerst de verdienste van de zang op het album. Met twee zangeressen verwacht je dat de harmonieën je om de oren vliegen, maar The Local Honeys zetten ze redelijk spaarzaam in. Linda Jean Stokley en Montana Hobbs beschikken allebei over een karakteristiek en expressief stemgeluid, dat voor de afwisseling eens niet lijkt op de bekende stemmen in het genre. Het zijn stemmen die het solo prima doen, maar in de af en toe opduikende harmonieën kleuren ze ook mooi bij elkaar.
Ook de instrumentatie op het album draagt nadrukkelijk bij aan de kwaliteit van het derde album van The Local Honeys. Het tweetal uit Kentucky maakt zoals gezegd behoorlijk traditionele Amerikaanse rootsmuziek met hier en daar uitstapjes naar de muziek zoals die meer dan een eeuw geleden werd gemaakt in de Appalachen.
Het is muziek die vaak wat eenvormig kan klinken, maar The Local Honeys variëren op hun nieuwe album flink met de instrumentatie door een groot deel van het arsenaal aan instrumenten dat wordt gebruikt in het genre in te zetten, waarvoor overigens de band van Tyler Childers tekent.
De ene keer domineert de banjo, de volgende keer de gitaren of toch de viool, wat een veelzijdig geluid oplevert. Het klinkt allemaal uitstekend en het wordt alleen maar beter als Linda Jean Stokley en Montana Hobbs stiekem het pad van de hele traditionele Amerikaanse rootsmuziek verlaten en wat eigentijdse invloeden toevoegen, bijvoorbeeld door net wat steviger te klinken.
Het derde album van The Local Honeys varieert overigens niet alleen met de fraaie stemmen van de twee en met de vele instrumenten, maar wisselt bovendien zich langzaam voortslepende songs af met meer uptempo songs, wat het album voorziet van de broodnodige dynamiek.
Ook de songs van het tweetal zijn van hoog niveau en doen niet onder voor de fraaie cover waarmee het album opent, waardoor Linda Jean Stokley en Montana Hobbs zich met hun derde album weten te onderscheiden van de concurrentie in een overvol genre. Ik laat heel traditioneel klinkende rootsalbums vaak liggen, maar het derde album van The Local Honeys overtuigt me steeds meer, al is het maar omdat de fraaie klanken en mooie stemmen het ook uitstekend doen bij de zomerse temperaturen van het moment. Erwin Zijleman
The Lone Bellow - Half Moon Light (2020)

4,5
2
geplaatst: 10 februari 2020, 21:14 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Lone Bellow - Half Moon Light - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lone Bellow - Half Moon Light
Vierde album alweer van de in Nederland totaal onbekende band The Lone Bellow en het is ook dit keer weer een geweldig album dat echt alle aandacht verdient
The Lone Bellow behoort wat mij betreft al een jaar of zes tot de best bewaarde geheimen van de Amerikaanse popmuziek. Het debuut van de band pikte ik ooit uit een Amerikaans jaarlijstje, waarna album nummer twee mijn eigen jaarlijstje haalde. Na een uitstekend door Dave Cobb geproduceerd derde album, keert The Lone Bellow terug bij producer Aaron Dessner en levert het wederom een uitstekend album op. The Lone Bellow bestaat uit topmuzikanten en dat hoor je, want wat is het in muzikaal opzicht mooi ingekleurd en wat past het prachtig bij de geweldige stem van Zach Williams. Geweldige band en voor de vierde keer een geweldig album. Schande dat we dit in Nederland nog steeds niet weten.
De Amerikaanse band The Lone Bellow krijgt in Nederland tot dusver helaas nauwelijks aandacht, maar ik ben fan van de band sinds het in 2013 verschenen titelloze debuutalbum, dat ik ooit uit een jaarlijstje haalde. Het in 2015 verschenen Then Came The Morning was nog veel beter en voor mij een onbetwiste jaarlijstjesplaat en ook het uit 2017 stammende Walk Into A Storm voldeed volledig aan mijn hoge verwachtingen.
Deze week verscheen album nummer vier en ook Half Moon Light is een album dat in de meeste Nederlandse lijstjes met nieuwe releases niet opduikt. Ik werd zelf ook dit keer bijzonder makkelijk overtuigd door de band uit Brooklyn, New York.
Op Walk Into The Storm schoof The Lone Bellow wat op richting Americana, wat ongetwijfeld de verdienste was van Dave Cobb, die de afgelopen jaren werkte met de groten in het genre. Voor de productie van Half Moon Light is de band teruggekeerd naar The National’s Aaron Dessner, die ook het geweldige Then Came The Morning produceerde.
The Lone Bellow bestaat uit slechts drie leden, maar toch heeft de band ook op haar nieuwe album weer een vol en vaak zelfs wat overweldigend geluid. Zanger Zach Williams zingt met veel gevoel en passie en zet zijn vocalen op Half Moon Light weer stevig aan. Ik ben zelf vanaf de eerste noten van het debuut enorm onder de indruk van de zang op de albums van The Lone Bellow, maar hoor ook vaak dat juist deze zang een hobbel is bij het kunnen waarderen van de muziek van de Amerikaanse band. Het is kennelijk iets waar je tegen moet kunnen, maar ik vind het ook dit keer prachtig.
Gitarist Brian Elmquist en multi-instrumentalist Kanene Donehey Pipkin kleuren prachtig om de gepassioneerde zang van Zach Williams heen met een warm en wat donker geluid. Het is een geluid dat aan de hand van Aaron Dessner weer wat meer afstand neemt van de Americana en iets opschuift richting het geluid van Then Came The Morning. In muzikaal en vocaal opzicht is het weer smullen en ook de productie van The National voorman is van een bijzonder hoog niveau.
Wanneer ik de muziek van The Lone Bellow moet vergelijken met die van andere bands kom ik uit bij The Lumineers en in het bijzonder bij het fantastische derde album van de band (III). Het is een album dat de top 3 van mijn jaarlijstje haalde vorig jaar, maar dat in Nederland niet op heel veel bijval kon rekenen. Het zal waarschijnlijk niet anders zijn voor Half Moon Light van The Lone Bellow, maar wat is het een heerlijk album.
Zeker wanneer je het album met een wat hoger volume of met de koptelefoon beluistert, hoor je hoe knap het allemaal in elkaar steekt. Gitarist Brian Elmquist speelt prachtig subtiel, terwijl Kanene Donehey Pipkin het volle, maar ook subtiele geluid van The Lone Bellow inkleurt met talloze mooie accenten en ook nog eens prima zingt. Half Moon Light is wat minder zwaar aangezet dan met name de eerste twee albums van de band, waardoor Zach Williams ook de kans krijgt om wat meer ingetogen te zingen en ook dat gaat hem uitstekend af.
Het levert wat mij betreft het vierde prachtalbum van The Lone Bellow op. Ik kan zelf niet verklaren waarom de muziek van de Amerikaanse band in Nederland zo weinig aandacht trekt. Alleen de producers zouden muziekliefhebbers al over de streep moeten trekken, maar ook de muziek van de band is wonderschoon. Ga absoluut eens luisteren! Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Lone Bellow - Half Moon Light - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lone Bellow - Half Moon Light
Vierde album alweer van de in Nederland totaal onbekende band The Lone Bellow en het is ook dit keer weer een geweldig album dat echt alle aandacht verdient
The Lone Bellow behoort wat mij betreft al een jaar of zes tot de best bewaarde geheimen van de Amerikaanse popmuziek. Het debuut van de band pikte ik ooit uit een Amerikaans jaarlijstje, waarna album nummer twee mijn eigen jaarlijstje haalde. Na een uitstekend door Dave Cobb geproduceerd derde album, keert The Lone Bellow terug bij producer Aaron Dessner en levert het wederom een uitstekend album op. The Lone Bellow bestaat uit topmuzikanten en dat hoor je, want wat is het in muzikaal opzicht mooi ingekleurd en wat past het prachtig bij de geweldige stem van Zach Williams. Geweldige band en voor de vierde keer een geweldig album. Schande dat we dit in Nederland nog steeds niet weten.
De Amerikaanse band The Lone Bellow krijgt in Nederland tot dusver helaas nauwelijks aandacht, maar ik ben fan van de band sinds het in 2013 verschenen titelloze debuutalbum, dat ik ooit uit een jaarlijstje haalde. Het in 2015 verschenen Then Came The Morning was nog veel beter en voor mij een onbetwiste jaarlijstjesplaat en ook het uit 2017 stammende Walk Into A Storm voldeed volledig aan mijn hoge verwachtingen.
Deze week verscheen album nummer vier en ook Half Moon Light is een album dat in de meeste Nederlandse lijstjes met nieuwe releases niet opduikt. Ik werd zelf ook dit keer bijzonder makkelijk overtuigd door de band uit Brooklyn, New York.
Op Walk Into The Storm schoof The Lone Bellow wat op richting Americana, wat ongetwijfeld de verdienste was van Dave Cobb, die de afgelopen jaren werkte met de groten in het genre. Voor de productie van Half Moon Light is de band teruggekeerd naar The National’s Aaron Dessner, die ook het geweldige Then Came The Morning produceerde.
The Lone Bellow bestaat uit slechts drie leden, maar toch heeft de band ook op haar nieuwe album weer een vol en vaak zelfs wat overweldigend geluid. Zanger Zach Williams zingt met veel gevoel en passie en zet zijn vocalen op Half Moon Light weer stevig aan. Ik ben zelf vanaf de eerste noten van het debuut enorm onder de indruk van de zang op de albums van The Lone Bellow, maar hoor ook vaak dat juist deze zang een hobbel is bij het kunnen waarderen van de muziek van de Amerikaanse band. Het is kennelijk iets waar je tegen moet kunnen, maar ik vind het ook dit keer prachtig.
Gitarist Brian Elmquist en multi-instrumentalist Kanene Donehey Pipkin kleuren prachtig om de gepassioneerde zang van Zach Williams heen met een warm en wat donker geluid. Het is een geluid dat aan de hand van Aaron Dessner weer wat meer afstand neemt van de Americana en iets opschuift richting het geluid van Then Came The Morning. In muzikaal en vocaal opzicht is het weer smullen en ook de productie van The National voorman is van een bijzonder hoog niveau.
Wanneer ik de muziek van The Lone Bellow moet vergelijken met die van andere bands kom ik uit bij The Lumineers en in het bijzonder bij het fantastische derde album van de band (III). Het is een album dat de top 3 van mijn jaarlijstje haalde vorig jaar, maar dat in Nederland niet op heel veel bijval kon rekenen. Het zal waarschijnlijk niet anders zijn voor Half Moon Light van The Lone Bellow, maar wat is het een heerlijk album.
Zeker wanneer je het album met een wat hoger volume of met de koptelefoon beluistert, hoor je hoe knap het allemaal in elkaar steekt. Gitarist Brian Elmquist speelt prachtig subtiel, terwijl Kanene Donehey Pipkin het volle, maar ook subtiele geluid van The Lone Bellow inkleurt met talloze mooie accenten en ook nog eens prima zingt. Half Moon Light is wat minder zwaar aangezet dan met name de eerste twee albums van de band, waardoor Zach Williams ook de kans krijgt om wat meer ingetogen te zingen en ook dat gaat hem uitstekend af.
Het levert wat mij betreft het vierde prachtalbum van The Lone Bellow op. Ik kan zelf niet verklaren waarom de muziek van de Amerikaanse band in Nederland zo weinig aandacht trekt. Alleen de producers zouden muziekliefhebbers al over de streep moeten trekken, maar ook de muziek van de band is wonderschoon. Ga absoluut eens luisteren! Erwin Zijleman
The Lone Bellow - Love Songs for Losers (2022)

4,0
0
geplaatst: 9 november 2022, 15:42 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Lone Bellow - Love Songs For Losers - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lone Bellow - Love Songs For Losers
De Amerikaanse band The Lone Bellow schuift op haar vijfde album nog een stukje verder op richting tijdloze pop. maar ook Love Songs For Losers is een album dat in vocaal en muzikaal opzicht kwaliteit ademt
Ik werd een jaar of negen geleden verpletterd door het debuutalbum van de Amerikaanse band The Lone Bellow, die verraste met gloedvolle klanken en gepassioneerde zang. Het is een recept dat werd geperfectioneerd op de volgende albums van de Amerikaanse band, die ook nog eens producers van naam en faam wist te strikken. Op het deze week verschenen Love Songs For Losers heeft de band zelf alle touwtjes in handen en kiest het voor een iets meer ingetogen en ook iets meer pop georiënteerd geluid, maar gelukkig heeft The Lone Bellow alles dat de muziek van de band bijzonder maakt behouden. Hoogste tijd dat de band ook in Nederland aandacht krijgt.
Ik heb tot dusver wel wat met de muziek van de Amerikaanse band The Lone Bellow. Het is een band die in Nederland tot dusver helaas geen voet aan de grond krijgt, maar de eerste vier albums van de band waren wat mij betreft parels. De muziek van The Lone Bellow is tot dusver nogal zwaar geproduceerd en valt op door stevig aangezette vocalen, maar de muzikanten van de band uit Brooklyn, New York, kunnen absoluut zingen, terwijl de band voor de productie tot dusver vertrouwde op topkrachten als Aaron Dessner en Dave Cobb.
Na The Lone Bellow uit 2013, Then Came The Morning uit 2015, Walk Into A Storm uit 2017 en Half Moon Light uit 2020, is het deze week alweer tijd voor het vijfde album van de Amerikaanse band. Love Songs For Losers is voor de afwisseling eens niet geproduceerd door een producer van naam en faam, maar door de band zelf. Dat is niet zonder risico, want de hand van een producer als Aaron Dessner of Dave Cobb moet niet worden onderschat.
The Lone Bellow blijkt de kunst van het produceren gelukkig zelf ook te beheersen, want Love Songs For Losers klinkt prima. Vergeleken met de vorige albums is de band wat opgeschoven richting tijdloze popmuziek, maar de verschillen met de vorige albums van The Lone Bellow moeten niet worden overdreven. Ook Love Songs For Losers, dat werd opgenomen in het voormalige huis van Roy Orbison in Nashville, klinkt niet alleen bekend door de tijdloos klinkende en vooral warm ingekleurde songs, maar ook door de gloedvolle zang van de leden van de band.
Ik heb de muziek van The Lone Bellow tot dusver vooral vergeleken met de muziek van The Lumineers, ook een band die in Nederland niet heel veel doet maar die ik echt geweldig vind, en dat is een vergelijking die nog steeds op gaat. Hoewel Love Songs For Losers in het verlengde ligt van zijn vier voorgangers, laat een dwarsdoorsnede van het oeuvre van de Amerikaanse band wel horen dat invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek de afgelopen negen jaar wel wat terrein hebben verloren aan de pop.
Love Songs For Losers is het meest pop georiënteerde en hier en daar ook meest elektronisch ingekleurde album van The Lone Bellow tot dusver, maar de vergelijking met de muziek van U2, waar AllMusic mee komt, begrijp ik niet. Die met Springsteen's Tunnel Of Love iets meer, maar The Lone Bellow heeft de Amerikaanse rootsmuziek zeker niet afgezworen.
Iedereen die, net als ik, heeft genoten van de vorige vier albums van de band uit New York, zal ook weer genieten van het nieuwe album. De lekker in het gehoor liggende songs overtuigen makkelijk, het warme geluid slaat zich als een warme deken om je heen en ook op Love Songs For Losers is de zang weer prima.
The Lone Bellow bereikt op haar vijfde album wel een punt waarop verder doorschieten richting pop wat mij betreft ongewenst is. De band is op Love Songs For Losers absoluut zichzelf, maar ik verlang wel terug naar de gepassioneerde vocale uitbarstingen op de eerste albums en op het grootse geluid van met name Aaron Dessner.
De eerste vier albums van The Lone Bellow deden niets in Nederland en dat zal met album nummer vijf echt niet veranderen, wat op zich gek is voor een album dat zoveel kwaliteit ademt als Love Songs For Losers. Ik hou het er maar op dat de muziek van The Lone Bellow misschien net wat te Amerikaans klinkt voor onze oren, of ik heb de muziek van de Amerikaanse band niet stevig genoeg bewierookt. Love Songs For Losers is niet het beste album van The Lone Bellow, maar een uitstekend album is het zeker. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Lone Bellow - Love Songs For Losers - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lone Bellow - Love Songs For Losers
De Amerikaanse band The Lone Bellow schuift op haar vijfde album nog een stukje verder op richting tijdloze pop. maar ook Love Songs For Losers is een album dat in vocaal en muzikaal opzicht kwaliteit ademt
Ik werd een jaar of negen geleden verpletterd door het debuutalbum van de Amerikaanse band The Lone Bellow, die verraste met gloedvolle klanken en gepassioneerde zang. Het is een recept dat werd geperfectioneerd op de volgende albums van de Amerikaanse band, die ook nog eens producers van naam en faam wist te strikken. Op het deze week verschenen Love Songs For Losers heeft de band zelf alle touwtjes in handen en kiest het voor een iets meer ingetogen en ook iets meer pop georiënteerd geluid, maar gelukkig heeft The Lone Bellow alles dat de muziek van de band bijzonder maakt behouden. Hoogste tijd dat de band ook in Nederland aandacht krijgt.
Ik heb tot dusver wel wat met de muziek van de Amerikaanse band The Lone Bellow. Het is een band die in Nederland tot dusver helaas geen voet aan de grond krijgt, maar de eerste vier albums van de band waren wat mij betreft parels. De muziek van The Lone Bellow is tot dusver nogal zwaar geproduceerd en valt op door stevig aangezette vocalen, maar de muzikanten van de band uit Brooklyn, New York, kunnen absoluut zingen, terwijl de band voor de productie tot dusver vertrouwde op topkrachten als Aaron Dessner en Dave Cobb.
Na The Lone Bellow uit 2013, Then Came The Morning uit 2015, Walk Into A Storm uit 2017 en Half Moon Light uit 2020, is het deze week alweer tijd voor het vijfde album van de Amerikaanse band. Love Songs For Losers is voor de afwisseling eens niet geproduceerd door een producer van naam en faam, maar door de band zelf. Dat is niet zonder risico, want de hand van een producer als Aaron Dessner of Dave Cobb moet niet worden onderschat.
The Lone Bellow blijkt de kunst van het produceren gelukkig zelf ook te beheersen, want Love Songs For Losers klinkt prima. Vergeleken met de vorige albums is de band wat opgeschoven richting tijdloze popmuziek, maar de verschillen met de vorige albums van The Lone Bellow moeten niet worden overdreven. Ook Love Songs For Losers, dat werd opgenomen in het voormalige huis van Roy Orbison in Nashville, klinkt niet alleen bekend door de tijdloos klinkende en vooral warm ingekleurde songs, maar ook door de gloedvolle zang van de leden van de band.
Ik heb de muziek van The Lone Bellow tot dusver vooral vergeleken met de muziek van The Lumineers, ook een band die in Nederland niet heel veel doet maar die ik echt geweldig vind, en dat is een vergelijking die nog steeds op gaat. Hoewel Love Songs For Losers in het verlengde ligt van zijn vier voorgangers, laat een dwarsdoorsnede van het oeuvre van de Amerikaanse band wel horen dat invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek de afgelopen negen jaar wel wat terrein hebben verloren aan de pop.
Love Songs For Losers is het meest pop georiënteerde en hier en daar ook meest elektronisch ingekleurde album van The Lone Bellow tot dusver, maar de vergelijking met de muziek van U2, waar AllMusic mee komt, begrijp ik niet. Die met Springsteen's Tunnel Of Love iets meer, maar The Lone Bellow heeft de Amerikaanse rootsmuziek zeker niet afgezworen.
Iedereen die, net als ik, heeft genoten van de vorige vier albums van de band uit New York, zal ook weer genieten van het nieuwe album. De lekker in het gehoor liggende songs overtuigen makkelijk, het warme geluid slaat zich als een warme deken om je heen en ook op Love Songs For Losers is de zang weer prima.
The Lone Bellow bereikt op haar vijfde album wel een punt waarop verder doorschieten richting pop wat mij betreft ongewenst is. De band is op Love Songs For Losers absoluut zichzelf, maar ik verlang wel terug naar de gepassioneerde vocale uitbarstingen op de eerste albums en op het grootse geluid van met name Aaron Dessner.
De eerste vier albums van The Lone Bellow deden niets in Nederland en dat zal met album nummer vijf echt niet veranderen, wat op zich gek is voor een album dat zoveel kwaliteit ademt als Love Songs For Losers. Ik hou het er maar op dat de muziek van The Lone Bellow misschien net wat te Amerikaans klinkt voor onze oren, of ik heb de muziek van de Amerikaanse band niet stevig genoeg bewierookt. Love Songs For Losers is niet het beste album van The Lone Bellow, maar een uitstekend album is het zeker. Erwin Zijleman
The Lone Bellow - Then Came the Morning (2015)

4,5
0
geplaatst: 29 januari 2015, 14:11 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Lone Bellow - Then Came The Morning - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Het titelloze debuut van The Lone Bellow haalde ik in december 2013 uit de jaarlijstjes van PopMatters, dat het debuut van de band uit New York uitriep tot de beste Americana plaat van het jaar.
Daar viel niet eens zo heel veel op af te dingen, want wat maakte The Lone Bellow indruk met haar gloedvolle debuut vol emotie en weemoed en muziek die door de band zelf werd omschreven als ‘Brooklyn country music’.
Omdat de muziek van de band aansluit op in Nederland zeer succesvolle bands als The Lumineers, Mumford & Sons en The Civil Wars, had ik eigenlijk verwacht dat het debuut van The Lone Bellow ook in Nederland zou worden omarmd, maar de plaat deed helaas helemaal niets.
De tweede plaat van de band behoorde in de Verenigde Staten de afgelopen week bij de belangrijkste releases van de week, maar in Nederland gaat The Lone Bellow ook met haar tweede plaat waarschijnlijk maar weinig aandacht krijgen. Het is werkelijk doodzonde, want wat is Then Came The Morning een prachtplaat.
De door Aaron Dessner (The National) geproduceerde plaat knalt er direct in met de zwaar aangezette titeltrack. 60s koortjes, aanzwellende strijkers en blazers, vocalen die uit de tenen komen en spanning die langzaam steeds verder wordt opgebouwd. Ik was eigenlijk direct al om, maar Then Came The Morning blijkt vol te staan met prachtsongs.
Waar de band op de vorige plaat nog flirtte met lekker in het gehoor liggende folk, is Then Came The Morning een veel ambitieuzere plaat met een bijzonder eigen geluid. The Lone Bellow klinkt een stuk hechter en veelzijdiger dan op het debuut, wat mede de verdienste is van producer Aaron Dessner en de extra muzikanten die hij heeft ingeschakeld. Het zorgt voor een prachtig klinkende plaat vol muzikale verrassingen.
In muzikaal opzicht heeft de band een flinke sprong gemaakt en ook wanneer het gaat om de invloeden die The Lone Bellow verwerkt in haar muziek, is Then Came The Morning niet altijd goed te vergelijken met zijn voorganger. Country en folk zijn nog altijd belangrijke bestanddelen van de muziek van The Lone Bellow, maar de band verkent hiernaast alle uithoeken van de Amerikaanse rootsmuziek uit verleden en heden. The Lone Bellow kan hierbij flink uitpakken, maar is ook niet bang voor kleine en intieme songs.
Sterkste wapen van The Lone Bellow is ongetwijfeld zanger Zach Williams, die keer op keer garant staat voor kippenvel. Williams zingt zo af en toe of zijn leven er van af hangt, wat de plaat een intensiteit geeft om bang van te worden.
Dertien songs en drie kwartier lang maakt The Lone Bellow op Then Came The Morning een onuitwisbare indruk. Dertien songs en drie kwartier lang begeeft de band zich op het snijvlak van meerdere genres en keer op keer pakt het geweldig uit. Dertien songs en drie kwartier lang maakt The Lone Bellow muziek die overloopt van passie en emotie en je genadeloos bij de strot grijpt, maar over-the-top is het geen moment.
Then Came The Morning is een ontstellend mooie en indrukwekkende plaat. Het is, nog meer dan het debuut van de band, een plaat die iedere liefhebber van Amerikaanse muziek moet horen. Voor mij het onbetwiste hoogtepunt van 2015 tot dusver. The Lone Bellow, wat een band. Then Came The Morning, wat een plaat. Kippenvel van de eerste tot en met de laatste noot. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Lone Bellow - Then Came The Morning - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
Het titelloze debuut van The Lone Bellow haalde ik in december 2013 uit de jaarlijstjes van PopMatters, dat het debuut van de band uit New York uitriep tot de beste Americana plaat van het jaar.
Daar viel niet eens zo heel veel op af te dingen, want wat maakte The Lone Bellow indruk met haar gloedvolle debuut vol emotie en weemoed en muziek die door de band zelf werd omschreven als ‘Brooklyn country music’.
Omdat de muziek van de band aansluit op in Nederland zeer succesvolle bands als The Lumineers, Mumford & Sons en The Civil Wars, had ik eigenlijk verwacht dat het debuut van The Lone Bellow ook in Nederland zou worden omarmd, maar de plaat deed helaas helemaal niets.
De tweede plaat van de band behoorde in de Verenigde Staten de afgelopen week bij de belangrijkste releases van de week, maar in Nederland gaat The Lone Bellow ook met haar tweede plaat waarschijnlijk maar weinig aandacht krijgen. Het is werkelijk doodzonde, want wat is Then Came The Morning een prachtplaat.
De door Aaron Dessner (The National) geproduceerde plaat knalt er direct in met de zwaar aangezette titeltrack. 60s koortjes, aanzwellende strijkers en blazers, vocalen die uit de tenen komen en spanning die langzaam steeds verder wordt opgebouwd. Ik was eigenlijk direct al om, maar Then Came The Morning blijkt vol te staan met prachtsongs.
Waar de band op de vorige plaat nog flirtte met lekker in het gehoor liggende folk, is Then Came The Morning een veel ambitieuzere plaat met een bijzonder eigen geluid. The Lone Bellow klinkt een stuk hechter en veelzijdiger dan op het debuut, wat mede de verdienste is van producer Aaron Dessner en de extra muzikanten die hij heeft ingeschakeld. Het zorgt voor een prachtig klinkende plaat vol muzikale verrassingen.
In muzikaal opzicht heeft de band een flinke sprong gemaakt en ook wanneer het gaat om de invloeden die The Lone Bellow verwerkt in haar muziek, is Then Came The Morning niet altijd goed te vergelijken met zijn voorganger. Country en folk zijn nog altijd belangrijke bestanddelen van de muziek van The Lone Bellow, maar de band verkent hiernaast alle uithoeken van de Amerikaanse rootsmuziek uit verleden en heden. The Lone Bellow kan hierbij flink uitpakken, maar is ook niet bang voor kleine en intieme songs.
Sterkste wapen van The Lone Bellow is ongetwijfeld zanger Zach Williams, die keer op keer garant staat voor kippenvel. Williams zingt zo af en toe of zijn leven er van af hangt, wat de plaat een intensiteit geeft om bang van te worden.
Dertien songs en drie kwartier lang maakt The Lone Bellow op Then Came The Morning een onuitwisbare indruk. Dertien songs en drie kwartier lang begeeft de band zich op het snijvlak van meerdere genres en keer op keer pakt het geweldig uit. Dertien songs en drie kwartier lang maakt The Lone Bellow muziek die overloopt van passie en emotie en je genadeloos bij de strot grijpt, maar over-the-top is het geen moment.
Then Came The Morning is een ontstellend mooie en indrukwekkende plaat. Het is, nog meer dan het debuut van de band, een plaat die iedere liefhebber van Amerikaanse muziek moet horen. Voor mij het onbetwiste hoogtepunt van 2015 tot dusver. The Lone Bellow, wat een band. Then Came The Morning, wat een plaat. Kippenvel van de eerste tot en met de laatste noot. Erwin Zijleman
The Lone Bellow - Walk Into a Storm (2017)

4,0
0
geplaatst: 17 september 2017, 10:33 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Lone Bellow - Walk Into The Storm - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
The Lone Bellow is een band uit Brooklyn, New York, die in de Verenigde Staten de jaarlijstjes haalt, maar in Europa tot dusver helaas geen potten weet te breken. Ik begrijp daar eerlijk gezegd niet zoveel van, want de eerste twee platen van The Lone Bellow waren werkelijk geweldig.
Op het titelloze debuut van de band uit 2013 liet de band Americana horen zoals die ook door bands als The Civil Wars en The Lumineers (dat helaas nog steeds wordt geassocieerd met één niemendalletje) wordt gemaakt, terwijl het door The National’s Aaron Dessner geproduceerde Then Came The Morning uit 2015 imponeerde met een voller, avontuurlijker, veelzijdiger en gloedvoller geluid en bovendien diepe indruk maakte met vocalen die de hele plaat garant stonden voor kippenvel.
Walk Into The Storm is de derde plaat van de Amerikaanse band, die het hippe Brooklyn inmiddels heeft verruild voor de bakermat van de country, Nashville, Tennessee. In Nashville dook The Lone Bellow vervolgens de studio in met Dave Cobb, momenteel met afstand de meest gewilde producer binnen de Amerikaanse rootsmuziek.
De verhuizing naar Nashville en de samenwerking met Dave Cobb hebben zeker hun sporen nagelaten in de muziek van The Lone Bellow. Walk Into The Storm schuurt, zeker vergeleken met Then Came The Morning, dichter tegen de traditionele countrymuziek aan, terwijl Dave Cobb heeft gezorgd voor een geluid vol invloeden uit de jaren 70.
Het is een geluid dat mogelijkheden biedt voor The Lone Bellow. Zeker in de flirts met countryrock en aandacht voor de muzikale erfenis van Crosby, Stills, Nash & Young en The Eagles kan het muzikale vuurwerk worden ontstoken en dat doet The Lone Bellow dan ook met grote regelmaat op Walk Into The Storm.
Voorman Zach Williams laat ook op de derde plaat van The Lone Bellow weer horen dat hij een groot zanger is en bovendien een zanger is die zijn ziel en zaligheid in zijn stem kan leggen. De band beschikt met Kanene Donehey Pipkin echter over nog een stem die iets met je doet en zeker wanneer de twee samen de registers open trekken imponeert The Lone Bellow net als op haar vorige platen met zang die door de ziel snijdt.
Walk Into The Storm klinkt in muzikaal opzicht wat minder imponerend dan zijn voorgangers. Dave Cobb heeft de plaat zoals gezegd voorzien van een behoorlijk traditioneel klinkend geluid en heeft dit geluid ook nog eens volgestopt met strijkers. The Lone Bellow zet vergeleken met het zo bijzondere Then Came The Morning een stap terug wanneer het gaat om muzikaal avontuur en een eigen gezicht, maar in tegenstelling tot een groot deel van de Amerikaanse critici, vind ik ook Walk Into The Storm weer een geweldige plaat.
In muzikaal opzicht is het misschien wat minder spannend, maar het traditionelere geluid vol invloeden uit Nashville past uitstekend bij The Lone Bellow. Zeker wanneer de instrumentatie in dienst staat van de vocalen, en dat is op het grootste deel van de plaat het geval, maken deze vocalen nog meer indruk dan in het verleden en zit ik toch weer op het puntje van de stoel. De tijdloze popsongs op de plaat prikkelen bovendien de stoffen in het lijf die zorgen voor geluk, waardoor de zon weer gaat schijnen.
Walk Into The Storm is niet de logische stap die ik na de vorige plaat had verwacht, maar onderstreept wat mij betreft wel het enorme talent van deze band, die ook dit keer weer meerdere keren zorgt voor flink wat kippenvel, wat toch een bijzondere ervaring blijft. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Lone Bellow - Walk Into The Storm - dekrentenuitdepop.blogspot.nl
The Lone Bellow is een band uit Brooklyn, New York, die in de Verenigde Staten de jaarlijstjes haalt, maar in Europa tot dusver helaas geen potten weet te breken. Ik begrijp daar eerlijk gezegd niet zoveel van, want de eerste twee platen van The Lone Bellow waren werkelijk geweldig.
Op het titelloze debuut van de band uit 2013 liet de band Americana horen zoals die ook door bands als The Civil Wars en The Lumineers (dat helaas nog steeds wordt geassocieerd met één niemendalletje) wordt gemaakt, terwijl het door The National’s Aaron Dessner geproduceerde Then Came The Morning uit 2015 imponeerde met een voller, avontuurlijker, veelzijdiger en gloedvoller geluid en bovendien diepe indruk maakte met vocalen die de hele plaat garant stonden voor kippenvel.
Walk Into The Storm is de derde plaat van de Amerikaanse band, die het hippe Brooklyn inmiddels heeft verruild voor de bakermat van de country, Nashville, Tennessee. In Nashville dook The Lone Bellow vervolgens de studio in met Dave Cobb, momenteel met afstand de meest gewilde producer binnen de Amerikaanse rootsmuziek.
De verhuizing naar Nashville en de samenwerking met Dave Cobb hebben zeker hun sporen nagelaten in de muziek van The Lone Bellow. Walk Into The Storm schuurt, zeker vergeleken met Then Came The Morning, dichter tegen de traditionele countrymuziek aan, terwijl Dave Cobb heeft gezorgd voor een geluid vol invloeden uit de jaren 70.
Het is een geluid dat mogelijkheden biedt voor The Lone Bellow. Zeker in de flirts met countryrock en aandacht voor de muzikale erfenis van Crosby, Stills, Nash & Young en The Eagles kan het muzikale vuurwerk worden ontstoken en dat doet The Lone Bellow dan ook met grote regelmaat op Walk Into The Storm.
Voorman Zach Williams laat ook op de derde plaat van The Lone Bellow weer horen dat hij een groot zanger is en bovendien een zanger is die zijn ziel en zaligheid in zijn stem kan leggen. De band beschikt met Kanene Donehey Pipkin echter over nog een stem die iets met je doet en zeker wanneer de twee samen de registers open trekken imponeert The Lone Bellow net als op haar vorige platen met zang die door de ziel snijdt.
Walk Into The Storm klinkt in muzikaal opzicht wat minder imponerend dan zijn voorgangers. Dave Cobb heeft de plaat zoals gezegd voorzien van een behoorlijk traditioneel klinkend geluid en heeft dit geluid ook nog eens volgestopt met strijkers. The Lone Bellow zet vergeleken met het zo bijzondere Then Came The Morning een stap terug wanneer het gaat om muzikaal avontuur en een eigen gezicht, maar in tegenstelling tot een groot deel van de Amerikaanse critici, vind ik ook Walk Into The Storm weer een geweldige plaat.
In muzikaal opzicht is het misschien wat minder spannend, maar het traditionelere geluid vol invloeden uit Nashville past uitstekend bij The Lone Bellow. Zeker wanneer de instrumentatie in dienst staat van de vocalen, en dat is op het grootste deel van de plaat het geval, maken deze vocalen nog meer indruk dan in het verleden en zit ik toch weer op het puntje van de stoel. De tijdloze popsongs op de plaat prikkelen bovendien de stoffen in het lijf die zorgen voor geluk, waardoor de zon weer gaat schijnen.
Walk Into The Storm is niet de logische stap die ik na de vorige plaat had verwacht, maar onderstreept wat mij betreft wel het enorme talent van deze band, die ook dit keer weer meerdere keren zorgt voor flink wat kippenvel, wat toch een bijzondere ervaring blijft. Erwin Zijleman
The Long Ryders - Psychedelic Country Soul (2019)

4,0
1
geplaatst: 20 februari 2019, 17:08 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Long Ryders - Psychedelic Country Soul - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Long Ryders - Psychedelic Country Soul
Het was ruim dertig jaar stil rond The Long Ryders, maar uit het niets is de band terug met een plaat waarvan je alleen maar heel vrolijk kunt worden
The Long Ryders werden in de jaren 80 in het hokje Paisley Underground geduwd, maar dat paste maar ten dele. Het hokje alt-country was misschien beter geweest, maar dat was in de jaren 80 nog niet verzonnen. Na een stilte van meer dan 30 jaar is de band vrijwel uit het niets terug en doet het of de tijd heeft stilgestaan. Het levert een plaat op die mooie herinneringen naar boven brengt, maar die tegelijkertijd laat horen dat de muziek van The Long Ryders nog niets van zijn glans heeft verloren. Countryrock en gitaarpop vloeien weer prachtig samen in songs die blijven hangen. Een absolute feelgood plaat van een helaas wat vergeten band.
De naam The Long Ryders brengt bij mij mooie herinneringen naar boven. De band uit Los Angeles werd gedurende de jaren 80 in één adem genoemd met legendarische bands als The Dream Syndicate, The Rain Parade en Green on Red en werd door de critici in het hokje Paisley Underground geduwd.
The Long Ryders is van de genoemde bands waarschijnlijk het minst bekend en het is bovendien de band die het meest tegen de countryrock uit de jaren 70 van The Byrds en Buffalo Springfield aan schuurde.
Tussen de handvol platen die The Long Ryders in de jaren uitbrachten zitten geen echte klassiekers (wel een aantal hele behoorlijke platen) en zeker geen kaskrakers, waardoor al na een aantal jaren het doek viel voor de band.
Er gaat een mooi verhaal vooraf aan de plaat waarmee de band na een stilte van meer dan 30 jaar terugkeert. Een voormalige roadie van de band runt tegenwoordig de studio van niemand minder dan Dr. Dre en benutte wat vrije dagen in de agenda van de studio om zijn oude maten van The Long Ryders aan het werk te zetten. Het levert het uitstekende Psychedelic Country Soul op.
Het is een vlag die de lading niet onmiddellijk dekt, want op de nieuwe plaat van The Long Ryders lijkt de tijd vooral stil te hebben gestaan. The Long Ryders brachten ruim dertig jaar geen plaat uit, maar gaan op Psychedelic Country Soul verder waar ze in de tweede helft van de jaren 80 waren gestopt.
De muziek van de Amerikaanse band staat nog altijd met één been in de countryrock van de jaren 70, terwijl het andere been in de Paisley Underground van de jaren 80 staat. Het zorgt voor een aangename mix van in country doordrenkte muziek met aangenaam rammelende gitaarpop met hier en daar een vleugje psychedelica.
Het is muziek die net zo makkelijk in het hokje alt-country is te duwen, want de nieuwe plaat van The Long Ryders is ook niet zo heel ver verwijderd van platen die tot op de dag van vandaag in dit genre verschijnen. Dat is ook niet zo gek, want zeker achteraf bezien leunden alt-country pioniers als Uncle Tupelo, Whiskeytown en The Jayhawks absoluut op de platen van The Long Ryders.
Ik zal zeker niet beweren dat Psychedelic Country Soul van The Long Ryders een opzienbarende plaat is, want dat is het niet. De band slaat geen nieuwe wegen in en borduurt nadrukkelijk voort op haar gloriejaren, die inmiddels lang achter ons liggen. De comeback plaat van The Long Ryders is echter wel een hele aangename plaat of zelfs een heuse feelgood plaat.
Laat Psychedelic Country Soul uit de speakers komen en je wordt een aantal decennia teruggeworpen in de tijd, al misstaan The Long Ryders op hun nieuwe plaat ook geen moment in de hedendaagse alt-country. Psychedelic Country Soul is een plaat vol prima songs, met hier en daar een uitbarsting, prima gitaarwerk, uitstekende zang en zo nu en dan fraaie koortjes. Ik word er nog steeds heel blij van en hoor nog volop van de oude glorie van deze altijd wat miskende band. Echt helemaal niks mis mee. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Long Ryders - Psychedelic Country Soul - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Long Ryders - Psychedelic Country Soul
Het was ruim dertig jaar stil rond The Long Ryders, maar uit het niets is de band terug met een plaat waarvan je alleen maar heel vrolijk kunt worden
The Long Ryders werden in de jaren 80 in het hokje Paisley Underground geduwd, maar dat paste maar ten dele. Het hokje alt-country was misschien beter geweest, maar dat was in de jaren 80 nog niet verzonnen. Na een stilte van meer dan 30 jaar is de band vrijwel uit het niets terug en doet het of de tijd heeft stilgestaan. Het levert een plaat op die mooie herinneringen naar boven brengt, maar die tegelijkertijd laat horen dat de muziek van The Long Ryders nog niets van zijn glans heeft verloren. Countryrock en gitaarpop vloeien weer prachtig samen in songs die blijven hangen. Een absolute feelgood plaat van een helaas wat vergeten band.
De naam The Long Ryders brengt bij mij mooie herinneringen naar boven. De band uit Los Angeles werd gedurende de jaren 80 in één adem genoemd met legendarische bands als The Dream Syndicate, The Rain Parade en Green on Red en werd door de critici in het hokje Paisley Underground geduwd.
The Long Ryders is van de genoemde bands waarschijnlijk het minst bekend en het is bovendien de band die het meest tegen de countryrock uit de jaren 70 van The Byrds en Buffalo Springfield aan schuurde.
Tussen de handvol platen die The Long Ryders in de jaren uitbrachten zitten geen echte klassiekers (wel een aantal hele behoorlijke platen) en zeker geen kaskrakers, waardoor al na een aantal jaren het doek viel voor de band.
Er gaat een mooi verhaal vooraf aan de plaat waarmee de band na een stilte van meer dan 30 jaar terugkeert. Een voormalige roadie van de band runt tegenwoordig de studio van niemand minder dan Dr. Dre en benutte wat vrije dagen in de agenda van de studio om zijn oude maten van The Long Ryders aan het werk te zetten. Het levert het uitstekende Psychedelic Country Soul op.
Het is een vlag die de lading niet onmiddellijk dekt, want op de nieuwe plaat van The Long Ryders lijkt de tijd vooral stil te hebben gestaan. The Long Ryders brachten ruim dertig jaar geen plaat uit, maar gaan op Psychedelic Country Soul verder waar ze in de tweede helft van de jaren 80 waren gestopt.
De muziek van de Amerikaanse band staat nog altijd met één been in de countryrock van de jaren 70, terwijl het andere been in de Paisley Underground van de jaren 80 staat. Het zorgt voor een aangename mix van in country doordrenkte muziek met aangenaam rammelende gitaarpop met hier en daar een vleugje psychedelica.
Het is muziek die net zo makkelijk in het hokje alt-country is te duwen, want de nieuwe plaat van The Long Ryders is ook niet zo heel ver verwijderd van platen die tot op de dag van vandaag in dit genre verschijnen. Dat is ook niet zo gek, want zeker achteraf bezien leunden alt-country pioniers als Uncle Tupelo, Whiskeytown en The Jayhawks absoluut op de platen van The Long Ryders.
Ik zal zeker niet beweren dat Psychedelic Country Soul van The Long Ryders een opzienbarende plaat is, want dat is het niet. De band slaat geen nieuwe wegen in en borduurt nadrukkelijk voort op haar gloriejaren, die inmiddels lang achter ons liggen. De comeback plaat van The Long Ryders is echter wel een hele aangename plaat of zelfs een heuse feelgood plaat.
Laat Psychedelic Country Soul uit de speakers komen en je wordt een aantal decennia teruggeworpen in de tijd, al misstaan The Long Ryders op hun nieuwe plaat ook geen moment in de hedendaagse alt-country. Psychedelic Country Soul is een plaat vol prima songs, met hier en daar een uitbarsting, prima gitaarwerk, uitstekende zang en zo nu en dan fraaie koortjes. Ik word er nog steeds heel blij van en hoor nog volop van de oude glorie van deze altijd wat miskende band. Echt helemaal niks mis mee. Erwin Zijleman
The Lost Brothers - After the Fire After the Rain (2020)

4,5
1
geplaatst: 29 april 2020, 15:18 uur
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Lost Brothers - After The Fire After The Rain - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lost Brothers - After The Fire After The Rain
The Lost Brothers betoveren op hun nieuwe album met subtiele en beeldende Americana met hier en daar Ierse invloeden en een vleugje van The Everly Brothers
11 songs en 41 minuten lang betovert het Ierse duo The Lost Brothers met wonderschone klanken. Het zijn weidse en beeldende klanken die vooral als Americana zijn te typeren, maar ook invloeden uit de Ierse muziek en uit de Amerikaanse folk uit de jaren 60 hebben hun geluid gevonden naar het geluid op After The Fire After The Rain. En als Mark McCausland en Oisin Leech ook nog eens tekenen voor harmonieën die herinneren aan die van Don en Phil Everly en de instrumentatie steeds weer een net wat andere kant op schiet is de betovering compleet. Voor mij absoluut een van de mooiste Americana albums van de laatste tijd, zo niet de mooiste.
De muzikale erfenis van The Everly Brothers is de laatste jaren gelukkig weer springlevend. Er zijn momenteel immers nogal wat duo’s die zich hoorbaar hebben laten beïnvloeden door de muziek die Don en Phil Everly zo’n 60 jaar (!) geleden maakten.
Het levert zo af en toe memorabele albums op, bijvoorbeeld die van The Cactus Blossoms en The Milk Carton Kids, maar ook flink wat albums die me vooral inspireren om de wonderschone harmonieën van The Everly Brothers weer eens uit de speakers te laten komen.
Ook bij beluistering van After The Fire After The Rain zijn associaties met de muziek van The Everly Brothers niet te onderdrukken, maar het Ierse duo slaagt er absoluut in om een greep naar een willekeurig album van Don en Phil Everly voorlopig te onderdrukken.
Mark McCausland en Oisin Leech komen zoals gezegd uit Ierland en hebben al een aantal albums op hun naam staan. Voor hun laatste album toog het tweetal naar New York, waar naast producers Daniel Schlett en Tony Garnier ook nog flink wat gastmuzikanten aanschoven. Onder deze gastmuzikanten grote namen als M. Ward, Howe Gelb en Jolie Holland en verder muzikanten die strijkers, blazers en pedal steel toevoegen aan het geluid van The Lost Brothers.
Het is een geluid dat ik in eerste instantie zou hebben omschreven als Americana, maar Mark McCausland en Oisin Leech hebben ook zeker invloeden uit de Ierse volksmuziek opgenomen in hun muziek en zijn, zeker wanneer de mondharmonica opduikt, ook niet vies van de folk zoals die in de jaren 60 in en rond New York werd gemaakt. Invloeden van de soundtracks van spaghetti westerns maken het geluid nog wat veelzijdiger.
De twee Ierse muzikanten beschikken allebei over een mooie stem en het zijn ook nog eens stemmen die prachtig bij elkaar kleuren. Het zorgt zo af en toe voor harmonieën met een redelijk Everly Brothers gehalte, maar The Lost Brothers behouden gelukkig ook een eigen geluid.
After The Fire After The Rain lag al een tijd op de stapel, maar toen het album er vorige week eindelijk af kwam was van twijfel geen sprake. The Lost Brothers hebben een album afgeleverd dat in vocaal opzicht bijzonder makkelijk overtuigt, maar ook in muzikaal opzicht is After The Fire After The Rain een album van grote schoonheid. Daniel Schlett en Tony Garnier hebben als producer nog geen heel indrukwekkend cv (laatstgenoemde is vooral bekend als bassist van Bob Dylan), maar hebben het album van The Lost Brothers prachtig ingekleurd.
After The Fire After The Rain is een ruimtelijk klinkend album dat afwisselend beelden van Amerikaanse woestijnen, bergketens en rivierbeddingen en het groene Ierse platteland op het netvlies tovert. Zeker het ruim aanwezige gitaarwerk op het album valt op door veelkleurigheid en schoonheid, maar ook de wat subtielere bijdragen in het geluid van The Lost Brothers zijn uitermate trefzeker.
Het elftal songs op After The Fire After The Rain kiest voor flink wat variatie, maar de songs vormen absoluut een geheel. Het is een geheel dat zich laat beluisteren als een roadtrip door weidse landschappen met af en toe een tussenstop in de grote stad. Het is druk binnen de Americana, maar The Lost Brothers slagen er glansrijk in om iets toe te voegen aan alles dat er al is. Al even uit zoals gezegd, maar dit wonderschone album verdient echt alle aandacht. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Lost Brothers - After The Fire After The Rain - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lost Brothers - After The Fire After The Rain
The Lost Brothers betoveren op hun nieuwe album met subtiele en beeldende Americana met hier en daar Ierse invloeden en een vleugje van The Everly Brothers
11 songs en 41 minuten lang betovert het Ierse duo The Lost Brothers met wonderschone klanken. Het zijn weidse en beeldende klanken die vooral als Americana zijn te typeren, maar ook invloeden uit de Ierse muziek en uit de Amerikaanse folk uit de jaren 60 hebben hun geluid gevonden naar het geluid op After The Fire After The Rain. En als Mark McCausland en Oisin Leech ook nog eens tekenen voor harmonieën die herinneren aan die van Don en Phil Everly en de instrumentatie steeds weer een net wat andere kant op schiet is de betovering compleet. Voor mij absoluut een van de mooiste Americana albums van de laatste tijd, zo niet de mooiste.
De muzikale erfenis van The Everly Brothers is de laatste jaren gelukkig weer springlevend. Er zijn momenteel immers nogal wat duo’s die zich hoorbaar hebben laten beïnvloeden door de muziek die Don en Phil Everly zo’n 60 jaar (!) geleden maakten.
Het levert zo af en toe memorabele albums op, bijvoorbeeld die van The Cactus Blossoms en The Milk Carton Kids, maar ook flink wat albums die me vooral inspireren om de wonderschone harmonieën van The Everly Brothers weer eens uit de speakers te laten komen.
Ook bij beluistering van After The Fire After The Rain zijn associaties met de muziek van The Everly Brothers niet te onderdrukken, maar het Ierse duo slaagt er absoluut in om een greep naar een willekeurig album van Don en Phil Everly voorlopig te onderdrukken.
Mark McCausland en Oisin Leech komen zoals gezegd uit Ierland en hebben al een aantal albums op hun naam staan. Voor hun laatste album toog het tweetal naar New York, waar naast producers Daniel Schlett en Tony Garnier ook nog flink wat gastmuzikanten aanschoven. Onder deze gastmuzikanten grote namen als M. Ward, Howe Gelb en Jolie Holland en verder muzikanten die strijkers, blazers en pedal steel toevoegen aan het geluid van The Lost Brothers.
Het is een geluid dat ik in eerste instantie zou hebben omschreven als Americana, maar Mark McCausland en Oisin Leech hebben ook zeker invloeden uit de Ierse volksmuziek opgenomen in hun muziek en zijn, zeker wanneer de mondharmonica opduikt, ook niet vies van de folk zoals die in de jaren 60 in en rond New York werd gemaakt. Invloeden van de soundtracks van spaghetti westerns maken het geluid nog wat veelzijdiger.
De twee Ierse muzikanten beschikken allebei over een mooie stem en het zijn ook nog eens stemmen die prachtig bij elkaar kleuren. Het zorgt zo af en toe voor harmonieën met een redelijk Everly Brothers gehalte, maar The Lost Brothers behouden gelukkig ook een eigen geluid.
After The Fire After The Rain lag al een tijd op de stapel, maar toen het album er vorige week eindelijk af kwam was van twijfel geen sprake. The Lost Brothers hebben een album afgeleverd dat in vocaal opzicht bijzonder makkelijk overtuigt, maar ook in muzikaal opzicht is After The Fire After The Rain een album van grote schoonheid. Daniel Schlett en Tony Garnier hebben als producer nog geen heel indrukwekkend cv (laatstgenoemde is vooral bekend als bassist van Bob Dylan), maar hebben het album van The Lost Brothers prachtig ingekleurd.
After The Fire After The Rain is een ruimtelijk klinkend album dat afwisselend beelden van Amerikaanse woestijnen, bergketens en rivierbeddingen en het groene Ierse platteland op het netvlies tovert. Zeker het ruim aanwezige gitaarwerk op het album valt op door veelkleurigheid en schoonheid, maar ook de wat subtielere bijdragen in het geluid van The Lost Brothers zijn uitermate trefzeker.
Het elftal songs op After The Fire After The Rain kiest voor flink wat variatie, maar de songs vormen absoluut een geheel. Het is een geheel dat zich laat beluisteren als een roadtrip door weidse landschappen met af en toe een tussenstop in de grote stad. Het is druk binnen de Americana, maar The Lost Brothers slagen er glansrijk in om iets toe te voegen aan alles dat er al is. Al even uit zoals gezegd, maar dit wonderschone album verdient echt alle aandacht. Erwin Zijleman
The Lostines - Meet the Lostines (2024)

4,5
0
geplaatst: 3 mei 2024, 15:48 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Lostines - Meet The Lostines - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lostines - Meet The Lostines
Casey Jane Reece-Kaigler en Camille Wind Weatherford maken op het debuutalbum van The Lostines indruk met werkelijk prachtige stemmen en met een geluid dat zich op bijzondere wijze door de ruimte en tijd beweegt
Bij eerste beluistering van Meet The Lostines dacht ik met een album uit de jaren 60 te maken te hebben, maar het debuutalbum van Casey Jane Reece-Kaigler en Camille Wind Weatherford klinkt toch ook eigentijds. De twee Amerikaanse muzikanten zijn op Meet The Lostines niet vies van flink wat nostalgie en putten rijkelijk uit de Amerikaanse muziekgeschiedenis, zonder te verzanden in zouteloze retro. Casey Jane Reece-Kaigler en Camille Wind Weatherford hebben hun debuutalbum, mede dankzij de hulp van een aantal geweldige muzikanten, prachtig en bijzonder sfeervol ingekleurd, maar het zijn de stemmen van de twee die zorgen voor de meedogenloze verleiding van The Lostines.
Bij het maken van mijn selectie voor een nieuwe week krenten uit de pop wacht ik altijd even op de albums die de Amerikaanse website Paste er uit pikt op vrijdagavond. Paste komt immers meer dan eens met een album dat in de andere lijstjes met nieuwe releases niet is opgedoken, maar mijn selectie wel op zijn kop gooit. Het was ook de afgelopen week weer het geval, want Paste was zo ongeveer de enige die me wees op Meet The Lostines van het Amerikaanse duo The Lostines.
Ik maak normaal gesproken nooit gebruik van persberichten of aanprijzingen van muzikanten zelf, maar de mooie woorden op de bandcamp pagina van The Lostines zijn zowel treffend als informatief: “Although recorded in the band's hometown of New Orleans, Meet The Lostines, the full-length debut from songwriters Casey Jane Reece-Kaigler and Camille Wind Weatherford, is an album that charts its own geography. This is where the swampland meets the sock hop. Where golden-age rock & roll crosses paths with old-school country. Where timeless American roots music drops its anchor and climbs skyward, finding some balance between the earthy and the otherworldly. At the center of that sound are the entwined voices of Casey Jane and Camille, two longtime friends whose songs explore the uncharted territory between genres. There's rarely a melody on Meet The Lostines that the two don't sing together, stacking their voices into lush harmonies that recall the girl groups of the 1960s. Don't mistake Meet The Lostines for a retro project, though. It's a modern album that exists out of time, filled with songs about heartbreak, old relationships, new beginnings, and vulnerability.” Ik had het zelf niet mooier kunnen omschrijven.
Zoals je van muzikanten uit Los Angeles verwacht pinnen The Lostines zich niet vast op één genre, maar Casey Jane Reece-Kaigler en Camille Wind Weatherford laten zich ook niet vastzetten in de tijd. Meet The Lostines klinkt meer dan eens als een album dat ook in de jaren 60 had kunnen zijn gemaakt, maar de songs van het Amerikaanse tweetal klinken op een of andere manier ook eigentijds.
Meet The Lostines werd gemaakt met een aantal bevriende muzikanten uit de rijke muziekscene van New Orleans, onder wie Sam Doores (The Deslondes) en Ross Farbe (Videoage) die het album mede produceerden. Een aantal uitstekende gastmuzikanten zorgen voor een veelkleurig en afwisselend nostalgisch en kosmisch aandoend geluid, dat het oor song na song genadeloos streelt. De meeste aandacht wordt echter getrokken door de prachtig bij elkaar kleurende stemmen van Casey Jane Reece-Kaigler en Camille Wind Weatherford, die niet alleen fraai samenvloeien, maar elkaar ook versterken.
Ik ben na de memorabele concerten van deze week nog flink in de ban van Kasey Musgraves, die qua sfeer wel wat doet denken aan de muziek van The Lostines, al zit er nog wel wat ruimte tussen Nashville en New Orleans. Het is jammer dat alleen Paste het album van The Lostines er uit pikte de afgelopen week, want Casey Jane Reece-Kaigler en Camille Wind Weatherford hebben niet alleen een bijzonder en origineel album gemaakt, maar hebben bovendien een album afgeleverd dat in muzikaal opzicht indruk maakt en in vocaal opzicht betovert. Keer op keer. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Lostines - Meet The Lostines - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lostines - Meet The Lostines
Casey Jane Reece-Kaigler en Camille Wind Weatherford maken op het debuutalbum van The Lostines indruk met werkelijk prachtige stemmen en met een geluid dat zich op bijzondere wijze door de ruimte en tijd beweegt
Bij eerste beluistering van Meet The Lostines dacht ik met een album uit de jaren 60 te maken te hebben, maar het debuutalbum van Casey Jane Reece-Kaigler en Camille Wind Weatherford klinkt toch ook eigentijds. De twee Amerikaanse muzikanten zijn op Meet The Lostines niet vies van flink wat nostalgie en putten rijkelijk uit de Amerikaanse muziekgeschiedenis, zonder te verzanden in zouteloze retro. Casey Jane Reece-Kaigler en Camille Wind Weatherford hebben hun debuutalbum, mede dankzij de hulp van een aantal geweldige muzikanten, prachtig en bijzonder sfeervol ingekleurd, maar het zijn de stemmen van de twee die zorgen voor de meedogenloze verleiding van The Lostines.
Bij het maken van mijn selectie voor een nieuwe week krenten uit de pop wacht ik altijd even op de albums die de Amerikaanse website Paste er uit pikt op vrijdagavond. Paste komt immers meer dan eens met een album dat in de andere lijstjes met nieuwe releases niet is opgedoken, maar mijn selectie wel op zijn kop gooit. Het was ook de afgelopen week weer het geval, want Paste was zo ongeveer de enige die me wees op Meet The Lostines van het Amerikaanse duo The Lostines.
Ik maak normaal gesproken nooit gebruik van persberichten of aanprijzingen van muzikanten zelf, maar de mooie woorden op de bandcamp pagina van The Lostines zijn zowel treffend als informatief: “Although recorded in the band's hometown of New Orleans, Meet The Lostines, the full-length debut from songwriters Casey Jane Reece-Kaigler and Camille Wind Weatherford, is an album that charts its own geography. This is where the swampland meets the sock hop. Where golden-age rock & roll crosses paths with old-school country. Where timeless American roots music drops its anchor and climbs skyward, finding some balance between the earthy and the otherworldly. At the center of that sound are the entwined voices of Casey Jane and Camille, two longtime friends whose songs explore the uncharted territory between genres. There's rarely a melody on Meet The Lostines that the two don't sing together, stacking their voices into lush harmonies that recall the girl groups of the 1960s. Don't mistake Meet The Lostines for a retro project, though. It's a modern album that exists out of time, filled with songs about heartbreak, old relationships, new beginnings, and vulnerability.” Ik had het zelf niet mooier kunnen omschrijven.
Zoals je van muzikanten uit Los Angeles verwacht pinnen The Lostines zich niet vast op één genre, maar Casey Jane Reece-Kaigler en Camille Wind Weatherford laten zich ook niet vastzetten in de tijd. Meet The Lostines klinkt meer dan eens als een album dat ook in de jaren 60 had kunnen zijn gemaakt, maar de songs van het Amerikaanse tweetal klinken op een of andere manier ook eigentijds.
Meet The Lostines werd gemaakt met een aantal bevriende muzikanten uit de rijke muziekscene van New Orleans, onder wie Sam Doores (The Deslondes) en Ross Farbe (Videoage) die het album mede produceerden. Een aantal uitstekende gastmuzikanten zorgen voor een veelkleurig en afwisselend nostalgisch en kosmisch aandoend geluid, dat het oor song na song genadeloos streelt. De meeste aandacht wordt echter getrokken door de prachtig bij elkaar kleurende stemmen van Casey Jane Reece-Kaigler en Camille Wind Weatherford, die niet alleen fraai samenvloeien, maar elkaar ook versterken.
Ik ben na de memorabele concerten van deze week nog flink in de ban van Kasey Musgraves, die qua sfeer wel wat doet denken aan de muziek van The Lostines, al zit er nog wel wat ruimte tussen Nashville en New Orleans. Het is jammer dat alleen Paste het album van The Lostines er uit pikte de afgelopen week, want Casey Jane Reece-Kaigler en Camille Wind Weatherford hebben niet alleen een bijzonder en origineel album gemaakt, maar hebben bovendien een album afgeleverd dat in muzikaal opzicht indruk maakt en in vocaal opzicht betovert. Keer op keer. Erwin Zijleman
The Lotus Eaters - No Sense of Sin (1984)

4,5
2
geplaatst: 31 maart 2024, 20:20 uur
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: The Lotus Eaters - No Sense Of Sin (1984) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lotus Eaters - No Sense Of Sin (1984)
No Sense Of Sin van de Britse band The Lotus Eaters flopte in 1984 volledig, maar het uitstekende album met uiterst melodieuze en fraai melancholische jaren 80 pop had een veel beter lot verdiend
No Sense Of Sin van The Lotus Eaters uit Liverpool is een van mijn favoriete albums uit de jaren 80, maar het is helaas een album dat destijds nauwelijks werd opgemerkt. Dat is best bijzonder, want het debuutalbum van de Britse band had eigenlijk alles dat nodig was om in de jaren 80 uit te groeien tot een succesvol album. De typische jaren 80 mix van gitaren en keyboards, de wat dromerige zang, de volle productie en vooral de bitterzoete songs met flink wat melancholie waren goud in de handen van een aantal andere bands uit het decennium, maar No Sense Of Sin deed helemaal niets. Ik heb er destijds eindeloos naar geluisterd, maar ook veertig jaar later heb ik nog wel wat met deze Britse eendagsvliegen.
De maker van het Britse muziektijdschrift Uncut bracht onlangs een drietal speciale edities uit met de beste albums van de jaren 60, 70 en 80. Met name het doorbladeren van de editie met de beste albums van de jaren 80 was een feest van herkenning met al die albums die ik destijds met mijn zuurverdiende geld in huis haalde en koesterde. Het zijn albums waar ik in een beperkt aantal gevallen nog met enige regelmaat naar luister, maar er zitten ook flink wat albums tussen die inmiddels in de categorie jeugdliefdes en jeugdzonden passen of die ik helemaal ben vergeten.
Er ontbreekt in de genoemde lijst en ook in alle andere lijsten met de beste albums van de jaren 80 overigens ook een album dat ik zelf reken tot de beste albums van de jaren 80 of in ieder geval tot de jaren 80 albums die me het meest dierbaar zijn. Het gaat om No Sense Of Sin van de Britse band The Lotus Eaters. De band uit Liverpool werd, mede dankzij de hippe kapsels van de leden van de band, geschaard onder de New Romantics beweging, waar destijds wel meer bands ten onrechte toe werden gerekend. Ik weet niet meer hoe ik destijds op het spoor kwam van het debuutalbum van The Lotus Eaters, maar ik was onmiddellijk verliefd op het album.
Het is volgens informatie op het Internet een album dat in Europa compleet flopte en alleen succesvol was in Japan en de Filippijnen. Volgens diezelfde informatie zou de originele versie van het album op vinyl inmiddels voor enorme bedragen over de toonbank gaan. Ik rekende mezelf even rijk, maar na een bezoekje aan Discogs weet ik dat ik in financieel opzicht zeker geen goud in handen heb. In muzikaal opzicht heb ik dat wel, want ik vind No Sense Of Sin nog altijd een bijzonder aangenaam album, dat makkelijk allerlei mooie herinneringen uit de jaren 80 naar boven haalt.
Het in 1984 verschenen debuutalbum van The Lotus is een typisch jaren 80 albums, dat niet heel ver is verwijderd van de albums van onder andere The Dream Academy, The Pale Fountains, The Blue Nile, Lloyd Cole & The Commotions en China Crisis, om maar eens wat namen te noemen. De band uit Liverpool maakt op No Sense Of Sin uiterst melodieuze muziek die smaakvol is ingekleurd met zowel gitaren als keyboards en hier en daar een orkestraal randje. Het klinkt wat gepolijst, maar alles klinkt ook even mooi met hier en daar een aangenaam riedeltje janglepop.
The Lotus Eaters hoorden misschien niet echt bij de New Romantics beweging, maar ik hoor wel wat van deze beweging terug in de warmbloedige klanken en de dromerige zang op No Sense Of Sin, die het goed doet in de lentezon. Het debuutalbum van The Lotus Eaters is op hetzelfde moment een album dat overloopt van melancholie en strooit met bitterzoete teksten. Ik heb er in de jaren 80 zo vaak naar geluisterd dat ik het hele album nog noot voor noot ken en hoewel de muziek van de Britse band veertig jaar later misschien wel ietwat gedateerd klinkt, heeft No Sense Of Sin de tand des tijds wat mij betreft veel beter doorstaan dan veel andere bands uit het decennium.
Vooral de aanstekelijke maar ook knappe songs op No Sense Of Sin sprongen er voor mij destijds uit, maar ook de fraaie orkestraties, het uitstekende gitaarwerk en de mooie stemmen op het album doen het ook veertig jaar na de release van het album nog altijd prima. Het is voor mij nog altijd lastig te begrijpen dat het album destijds niet veel deed, want No Sense Of Sin had ook zomaar een van de kroonjuwelen van de jaren 80 pop kunnen zijn. The Lotus Eaters probeerde het twee decennia later nog eens, maar het niveau van hun debuutalbum zouden ze nooit meer benaderen. Erwin Zijleman
De krenten uit de pop: The Lotus Eaters - No Sense Of Sin (1984) - dekrentenuitdepop.blogspot.com
The Lotus Eaters - No Sense Of Sin (1984)
No Sense Of Sin van de Britse band The Lotus Eaters flopte in 1984 volledig, maar het uitstekende album met uiterst melodieuze en fraai melancholische jaren 80 pop had een veel beter lot verdiend
No Sense Of Sin van The Lotus Eaters uit Liverpool is een van mijn favoriete albums uit de jaren 80, maar het is helaas een album dat destijds nauwelijks werd opgemerkt. Dat is best bijzonder, want het debuutalbum van de Britse band had eigenlijk alles dat nodig was om in de jaren 80 uit te groeien tot een succesvol album. De typische jaren 80 mix van gitaren en keyboards, de wat dromerige zang, de volle productie en vooral de bitterzoete songs met flink wat melancholie waren goud in de handen van een aantal andere bands uit het decennium, maar No Sense Of Sin deed helemaal niets. Ik heb er destijds eindeloos naar geluisterd, maar ook veertig jaar later heb ik nog wel wat met deze Britse eendagsvliegen.
De maker van het Britse muziektijdschrift Uncut bracht onlangs een drietal speciale edities uit met de beste albums van de jaren 60, 70 en 80. Met name het doorbladeren van de editie met de beste albums van de jaren 80 was een feest van herkenning met al die albums die ik destijds met mijn zuurverdiende geld in huis haalde en koesterde. Het zijn albums waar ik in een beperkt aantal gevallen nog met enige regelmaat naar luister, maar er zitten ook flink wat albums tussen die inmiddels in de categorie jeugdliefdes en jeugdzonden passen of die ik helemaal ben vergeten.
Er ontbreekt in de genoemde lijst en ook in alle andere lijsten met de beste albums van de jaren 80 overigens ook een album dat ik zelf reken tot de beste albums van de jaren 80 of in ieder geval tot de jaren 80 albums die me het meest dierbaar zijn. Het gaat om No Sense Of Sin van de Britse band The Lotus Eaters. De band uit Liverpool werd, mede dankzij de hippe kapsels van de leden van de band, geschaard onder de New Romantics beweging, waar destijds wel meer bands ten onrechte toe werden gerekend. Ik weet niet meer hoe ik destijds op het spoor kwam van het debuutalbum van The Lotus Eaters, maar ik was onmiddellijk verliefd op het album.
Het is volgens informatie op het Internet een album dat in Europa compleet flopte en alleen succesvol was in Japan en de Filippijnen. Volgens diezelfde informatie zou de originele versie van het album op vinyl inmiddels voor enorme bedragen over de toonbank gaan. Ik rekende mezelf even rijk, maar na een bezoekje aan Discogs weet ik dat ik in financieel opzicht zeker geen goud in handen heb. In muzikaal opzicht heb ik dat wel, want ik vind No Sense Of Sin nog altijd een bijzonder aangenaam album, dat makkelijk allerlei mooie herinneringen uit de jaren 80 naar boven haalt.
Het in 1984 verschenen debuutalbum van The Lotus is een typisch jaren 80 albums, dat niet heel ver is verwijderd van de albums van onder andere The Dream Academy, The Pale Fountains, The Blue Nile, Lloyd Cole & The Commotions en China Crisis, om maar eens wat namen te noemen. De band uit Liverpool maakt op No Sense Of Sin uiterst melodieuze muziek die smaakvol is ingekleurd met zowel gitaren als keyboards en hier en daar een orkestraal randje. Het klinkt wat gepolijst, maar alles klinkt ook even mooi met hier en daar een aangenaam riedeltje janglepop.
The Lotus Eaters hoorden misschien niet echt bij de New Romantics beweging, maar ik hoor wel wat van deze beweging terug in de warmbloedige klanken en de dromerige zang op No Sense Of Sin, die het goed doet in de lentezon. Het debuutalbum van The Lotus Eaters is op hetzelfde moment een album dat overloopt van melancholie en strooit met bitterzoete teksten. Ik heb er in de jaren 80 zo vaak naar geluisterd dat ik het hele album nog noot voor noot ken en hoewel de muziek van de Britse band veertig jaar later misschien wel ietwat gedateerd klinkt, heeft No Sense Of Sin de tand des tijds wat mij betreft veel beter doorstaan dan veel andere bands uit het decennium.
Vooral de aanstekelijke maar ook knappe songs op No Sense Of Sin sprongen er voor mij destijds uit, maar ook de fraaie orkestraties, het uitstekende gitaarwerk en de mooie stemmen op het album doen het ook veertig jaar na de release van het album nog altijd prima. Het is voor mij nog altijd lastig te begrijpen dat het album destijds niet veel deed, want No Sense Of Sin had ook zomaar een van de kroonjuwelen van de jaren 80 pop kunnen zijn. The Lotus Eaters probeerde het twee decennia later nog eens, maar het niveau van hun debuutalbum zouden ze nooit meer benaderen. Erwin Zijleman

