MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten AOVV als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

M. Ward - A Wasteland Companion (2012)

poster
3,5
M. Ward ken ik vreemd genoeg vooral van zijn zijprojecten. Zijn samenwerking met Zooey Deschanel (zus van Emily, bekend van de TV-serie ‘Bones’), She & Him, die zich toch al in drie albums heeft geuit, en Monsters of Folk, een supercollectief met Conor Oberst, Yim Yames en Mike Mogis, mogen er zeker zijn. Doch echt geweldig vind ik het niet. Gewoon aardige muziek. En zo valt ‘A Wasteland Companion’ ook te bestempelen, de eerste soloplaat die ik beluister van de beste man.

De plaat opent meteen mooi met het fraaie ‘Clean Slate’. ‘Primitive Girl’ sluit daar iets vrolijker klinkend op aan, met wulps pianospel en backing vocals. Na een knappe, ingetogen outro volgt het mooi van rust naar vinnigheid evoluerende ‘Me and My Shadow’, waarin hij het opneemt tegen een heuse spotvogel. Een rokende gitaarsolo is het gevolg.

Met ‘Sweetheart’ volgt een kalmer nummertje, dat de jaren ’60 ademt, en dus meer bij het repertoire van She & Him aansluit. Geen wonder dat Zooey Deschanel hier als backing zangeres optreedt. ‘I Get Ideas’ bouwt daar mooi op voort; de track gaat zelfs nog enkele jaren terug naar mijn mening, en had zo door Frank Sinatra gezongen kunnen zijn. Alleen zou het dan nog veel beter klinken. Stiekem toch één van mijn favorieten op deze plaat. Er hangt een speelsheid aan vast, en dat is alleen maar prettig, natuurlijk. Verleiding is moeilijk te verleiden, dat weet Ward ook wel. Hier wordt de antagonist van Ward trouwens vertolkt door Rachel Cox.

‘The First Time I Ran Away’ gooit het dan weer over een heel andere boeg, en zoekt meer de folk-kant van Matt Ward op. Een fraai, ingehouden nummer over verlatingsdrang, en hoe je geliefde mee te krijgen, om helemaal opnieuw te beginnen. Het titelnummer klinkt dan weer een beetje bluesy en ook het countrygevoel steekt voorzichtig de kop op; een erg kale song, met slechts de typische zang van Ward en getokkel op zijn akoestische gitaar, en enkele strijkers, heel ver in de achtergrond.

Dan is ‘Watch the Show’ weer iets heel anders. Het nummer gaat over de zoete wraak van een man die erg lang heeft opgesloten gezeten in zijn eigen job, en zich nu van dat juk bevrijdt. De muziek geeft me een woestijngevoel. Dat mag vreemd zijn, want de tekst handelt toch over iemand die voor een televisiestation werkt. Beetje tegenstrijdig dus, maar dat is er toch wel mooi aan; het nummer roept beelden op die niet stroken met de lyrics.

En dan heb je met ‘There’s a Key’ misschien wel het meest gestripte en mooie nummer van de ganse plaat. Ward stelt zich breekbaar, kwetsbaar en naakt op, en terwijl Ward al zijn vertrouwen in een pianotoets stelt, doet hij hier magische dingen met zijn gitaar. Geen ingewikkeld gedoe, maar gewoonweg simpel, sober gitaarspel, met hier en daar een heerlijke lick. Zo hoor ik ‘m het liefst, denk ik.

Ik ben dan ook opgetogen dat ook het volgende nummer doorgaat op dit elan, al is het wat rijker aan instrumenten. De toon blijft toch wel rustig, meer zelfs, het uitmuntende melancholische vioolspel van Amanda Lawrence doet het nummer erg goed, al meen ik dat ik een bepaald stukje van haar spel al eerder heb gehoord bij een groot klassiek componist.. Alleen kan ik niet meteen zeggen waar het me aan doet denken..

‘Wild Goose’ is op zijn beurt nog wat rijker aan arrangementen (onder andere orkestbellen, gearrangeerd door Mike Mogis van Bright Eyes). De tekst is simpel, maar effectief: “She could fly; she could float; like a plane; like a boat; but now my wild goose is gone”. Een subtiel pianoarrangement van Howe Gelb (van countryrockband Giant Sand) zorgt voor de finishing touch.

Afsluiter ‘Pure Joy’ is weer een erg sober nummer, dat gaat over het weerzien met een geliefde, een weerzien waar je al zo lang naar hunkert. Vreugde in haar puurste vorm is dan aan de orde, ’t is eigenlijk een liefdesliedje. Een positieve noot om mee af te sluiten dus.

Matt Ward mag dan niet in het rijtje van de allergrootsten staan, hij staat toch wel op de rij daaronder, denk ik. Het is ook altijd een kwestie van smaak, maar dat kunnen we toch wel eens zijn. ‘A Wasteland Companion’ is vooral een aangename, afwisselende plaat om naar te luisteren, die niet te lang duurt, zodat ze nooit echt gaat vervelen.

3,5 sterren

Machine Head - Unto the Locust (2011)

poster
3,5
Machine Head ben ik stukje bij beetje aan het ontdekken. Ik ben begonnen met ‘The Blackening’, een plaat die me meteen erg beviel, met zijn lange, loeiharde nummers. ‘Burn My Eyes’ was de tweede, ietwat compacter, en met klassiekers als ‘Davidian’, die de plaat onsterfelijk maken. En toen ik las dat Machine Head een nieuwe plaat aan het maken was, wist ik dat die de volgende zou zijn. Dit is namelijk de opvolger van ‘The Blackening’, en al zit er vier jaar tussen, ik had hoge verwachtingen voor dit ‘Unto the Locust’.

Opener ‘I Am Hell (Sonata in C#)’ voldoet aan deze hoge verwachtingen. Het is een geweldig nummer, lomp en bruut op z’n tijd, maar ook erg gevarieerd (zoals de mooie intro), en de ene gouden riff na de andere wordt op me afgegooid. Rob Flynn heeft zanglessen genomen, heb ik ergens gelezen, en dat hoor je wel. Hij kan erg veel aan, klinkt soms wel een beetje glad, maar het gaat eigenlijk nooit storen. Dit nummer klinkt als een hedendaags klassiek meesterwerk, maar dan met gitaren, zware drums en geschreeuw. De gitaarsolo’s zijn van ‘The Blackening’-niveau.

Het met afstand beste nummer staat dus vooraan. Betekent dat dat er voor het overige niet veel te beleven valt? Welnee. De gitaarsolo’s blijven erg sterk, en regelmatig hoor ik een lekkere riff voorbijrazen. Voor de teksten luister ik niet naar Machine Head. Die zijn op zich niet zo slecht, maar wel een beetje cliché. Beste voorbeeld daarvan is het refrein van de afsluiter, die buiten de tekst eigenlijk toch wel een lekkere song is.

Na de opener komen voor mijn gevoel ‘Locust’, ‘Darkness Within’ en de meeslepende afsluiter ‘Who We Are’. Lelijk eendje in het gezelschap is ‘Pearls Before the Swine’, dat qua sound ook afwijkend is. Laten we het collateral damage noemen; een probeersel dat niet helemaal goed heeft uitgepakt. Maar laat dat vooral de pret niet bederven, want Machine Head serveert hier nog altijd thrash metal van hoge kwaliteit. Ik ben al bij al toch blij dat ik ‘m gekocht heb, en nu staat te blinken naast ‘The Blackening’. Zij het met een ietwat doffe glans.

3,5 sterren

Magic Kids - Memphis (2010)

poster
3,5
Inmiddels heb ik er toch al wat meer luisterbeurten opzitten, en m'n enthousiasme is een klein beetje getemperd: het klinkt soms gewoonweg te simpel. Maar, simpel is niet altijd synoniem voor slecht, en dat bewijst deze plaat toch nog altijd.

De 11 catchy popnummers op deze plaat zijn goed voor een klein halfuurtje vrolijkheid, met een weemoedig trekje. Met de korte speelduur heb ik geenszins geen problemen, integendeel; mocht dit plaatje bijvoorbeeld drie kwartier duren, ik zou het misschien niet meer trekken.

Het enthousiasme is dus getemperd, zei ik. Toch betrap ik me er regelmatig op dat ik een bepaalde drang voel om dit plaatje op te zetten. Als ik eens met de fiets ergens heen moet, dan schiet dit plaatje nogal snel in m'n hoofd. En dan zet ik het op, lekker genieten

Het merendeel van de songs is gewoon goed. Het kortste nummer, 'Good To Be', is op dit moment m'n favoriet, maar dat zou volgende week evengoed 'Little Red Radio' of 'Cry With Me Baby' kunnen zijn.

De instrumentatie is een geslaagde combinatie, en dat is de reden waarom ik dit beter vind dan de grijze middelmaat. Viool, gitaar, blazers, piano, ze staan allemaal in functie van de aantrekkingskracht van de plaat. Ook de vocalen spelen hierin een niet te onderschatten rol; het is inderdaad een beetje zoals bij Belle & Sebastian, met Isobel Campbell.

Mindere nummers staan er ook op, zoals 'Superball' en 'Skateland'. Zo zie je ook de keerzijde van de medaille; trek die combinatie waarover ik het al had te ver door, en het begint een beetje melig te klinken. Maar goed, het is in ieder geval een mooi debuut, en laat het beste voor de toekomst verhopen.

Mijn cijfer is, zoals ik enkele weken geleden al aangaf, dan ook positief.

3,5 sterren

Mais Uma - Rosa do Deserto (2023)

poster
3,5
Erg toffe plaat van Mais Uma, een Braziliaanse band die wordt aangevoerd door de spitante, veelzijdige deerne Jasmim de Campos Vasques. Het album werd naar eigen zeggen op 4 dagen tijd in elkaar geblikt, al vermoed ik dat men aan de songs zelf toch wat langer geschaafd zal hebben.

Al is het misschien een groot woord om over songs te spreken, want in de meerderheid van de tracks hoor ik meer onaffe ideeën, exploraties die zeker en vast de moeite waard zijn, soms wonderschoon, dan weer enerverend en stuiterend. Mais Uma bewijst van meerdere markten thuis te zijn. Zo wordt er met veel enthousiasme en zin voor esthetiek in de Braziliaanse moderne muziekgeschiedenis gedoken (op enkele tracks wordt de dromerige urgentie van de MPB aardig gevat, op een folky, ongedwongen manier). Onda de Calor en vooral HAHAHA! (klinkt als een grap, toch?) doorbreken dat stramien dan weer genadeloos door een fikse portie videogame glitch aan te bieden die bijtijds hyperkinetisch stemt.

Voor mij komt het er een beetje op neer dat hier een veelvoud aan goede ideeën en aanzetten te vinden is voor niet één, maar een stuk of 3 straffe platen, maar dit, op de majestueuze titeltrack na, er niet echt lijkt uit te komen. Maar dat is dan wel een waar juweeltje.

3,5 sterren

Marc Almond with Michael Cashmore - Feasting with Panthers (2011)

poster
3,5
Het is toch alweer een tijdje geleden, maar aERo heeft me dit album eens per PM getipt. Waarschijnlijk omdat ik Almond's vorige plaat 'Varieté' erg goed vind, en deze dan misschien ook wel. Een eerste luisterbeurt (al effe geleden) leerde me dat ik deze wel eens een pak minder zou kunnen vinden. Een reden daarvoor ligt niet meteen voorhanden, misschien is het de samenwerking met Cashmore wel, al zou zijn muziek mij toch moeten liggen. Enfin, ik heb het album dan maar eventjes in de koelkast gelegd, om zogezegd te laten ontdooien..

Tot vandaag. Vandaag heb ik het album weer beluisterd, en het eerste dat me opviel: het bevalt me veel beter! Ik heb mezelf een keer of drie voor het hoofd geslagen, vloekend van "hoe kan je de muziek van Almond nou niet goed vinden?" en ik vind 'm persoonlijk net niet dat niveau van 'Variété' halen, het is desalniettemin een goeie plaat geworden. 'Gabriel' kende ik al van het maak-kennis-met-2011-topic, en dat vond ik toen niet zo geweldig, nu al wat beter. Maar bijlange na niet het beste op dit album.

aERo zegt in zijn eigen review van dit album het volgende: "titeltrack Feasting with Panthers had misschien op dat album kunnen staan". Met "dat album" bedoelt hij 'Varieté', en toeval of niet, ik vind dat ook één van de sterkste nummers. Mooie muzikale begeleiding van Cashmore bij de zang van Almond; het plaatje klopt. 'Feasting with Panthers' ligt wel in de lijn van het vorige album, maar de sound is toch nog net wat anders. Het klinkt allemaal wat dramatischer, 'Varieté' vind ik, al heeft ook dat album z'n zwaardere momenten, wat luchtiger.

Zo begint Almond in mijn ogen stilaan te bewijzen dat hij een artiest is die mij wel ligt, en dat stimuleert me alleen maar om ander werk van hem uit te proberen. 'Mother Fist...' heb ik inmiddels al een keer of twee beluisterd, en dat is weer andere koek, al zijn er natuurlijk van die typische elementen, eigen aan Marc Almond, niet in de laatste plaats zijn stem. Almond is een blijver, zoveel is zeker.

3,5 sterren

Marduk - Opus Nocturne (1994)

poster
4,5
Het Zweedse Marduk is voor mij één van de grootste ontdekkingen van dit jaar. Niet alleen hun nieuwe plaat, het geweldige ‘Serpent Sermon’, heeft indruk gemaakt, maar ook verscheidene oudere werkjes. Zoals dit ‘Opus Nocturne’, een plaat met een titel die me doet denken aan Chopin (zijn bekende ‘Nocturnes’ zitten daar ongetwijfeld voor iets tussen). ‘Opus Nocturne’ is een volbloed metalplaat, die zich echter niet in een bepaald subgenre laat indelen. Ik hoor er zowel black metal als death metal in.

De duisterheid en constant dreigende sfeer van black metal en de bruutheid en ongetemperde agressie van death metal worden hier op een weergaloze manier met elkaar versmolten. Marduk is ook een band die al een hele tijd bestaat, en dat in wisselende bezetting. Vandaag de dag is bijvoorbeeld de uitzinnige Mortuus vocalist, maar ten tijde van ‘Opus Nocturne’ was dat een zekere Af Gravf (Joakim Göthberg), die de platen die ze daarvoor maakten gitarist en drummer was. Hij had de zang na de eerste plaat overgenomen van Dread (Andreas Axelsson). Daarna kwam Legion (Erik Hagstedt), en dan dus Mortuus (Hans Daniel Rosten). En zo was het nogal een komen en gaan.

Niet dat het werk daaronder geleden heeft. Ik heb nu al heel wat platen van Marduk beluisterd, en er zit maar weinig zwak of matig materiaal bij. Dat is dan misschien vooral te danken aan gitarist Evil (Morgan Steinmeyer Håkansson), en op ‘Opus Nocturne’ klinken zijn riff demonischer en obscuurder dan ooit. ‘Materialized in Stone’, mijn favoriete nummer op de plaat, hakt er bijvoorbeeld onverbiddelijk op in. ‘Sulphur Souls’ bevindt zich ook in die categorie, al is het iets minder geweldig. Maar toch, maar toch. Het niveau ligt torenhoog.

De drummer slaat er flink op los, maar weet ook wanneer hij het gaspedaal even moet lossen. Dan ontstaan er knappe, introspectieve rustpunten. Zo is de titeltrack er eentje. Daar zorgt hij met ingehouden geroffel samen met de sfeervolle dreiging die in de lucht hangt dankzij een samenspel van gitaar en keyboard voor een memorabel moment, dat bijblijft. En zo wordt er ook een mooie brug gemaakt van het wat heftigere ‘On Untrodden Paths’ naar het loggere, sfeervolle ‘Deme Quaden Thyrane’.

De teksten liggen veelal in de black metalsfeer, donker en mistroostig dus. Niet bepaald optimistisch, maar dat past ook helemaal niet bij de muziek. Gravf’s vocalen passen er ook perfect bij. Hij combineer die duisternis van black metal en agressie van death metal perfect in mijn ogen.

‘Opus Nocturne’ is een bescheiden meesterwerkje. Niet die ultieme metalplaat, maar een plaatsje in mijn krans van favorieten verdient de plaat zeer zeker. Bovendien is Marduk door de jaren heen, en ondanks de personeelswissels, een bijzonder constante band gebleken, die ook nog eens zo goed als altijd een hoog niveau heeft gehaald. Getuige ‘Serpent Sermon’. Dit album is nu bijna 20 jaar oud, en klinkt nog niet gedateerd. Daar zit de productie ook wel voor iets tussen, het klinkt allemaal helder, maar niet gemaakt. De sfeer is intact gebleven, de rauwheid is aanwezig (die rochel op afsluiter ‘The Sun Has Failed’!). ‘Opus Nocturne’ is een mijlpaal.

4,5 sterren

Marduk - Panzer Division Marduk (1999)

poster
3,5
Marduk haalt op 'Panzer Division Marduk' achtmaal stevig uit naar de maagstreek, met de geboende stalen tippen van diens gitzwarte laarzen. Oerdegelijk, retestrak en oorverdovend hard wordt deze onverbiddelijke razernij ten gehore gebracht. Te beluisteren op eigen risico; het is niet gezegd dat de trommelvliezen er ongeschonden van af komen.

Een hoogvlieger is dit echter niet; Marduk heeft betere platen gemaakt. 'Panzer Division Marduk' is wel een uppercut, een plaat die zonder al te veel omwegen op zijn terminus afsnelt. De oorlogsgeluiden in de rand dragen wel wat bij tot een bepaalde sfeer, maar daar ontbreekt het 'm vooral aan, vind ik; sfeer. Waar een album als 'Opus Nocturne' me ongelooflijk intrigeert, of de nieuwste, 'Serpent Sermon', me nog steeds de stuipen op het lijf jaagt, heb ik dat met deze plaat helemaal niet.

Goed voor een halfuurtje lekker knallen dan maar, liefst met de kop tegen de muur? Dat wel, natuurlijk. Meer zelfs, het is de ideale plaat om je eens lekker af te reageren. En laten we wel wezen; hier staan toch wel enkele killer riffs op ('Scorched Earth en de afsluiter, om maar twee nummers te noemen).

3,5 sterren

Mark Kozelek & Desertshore - Mark Kozelek & Desertshore (2013)

poster
4,0
Mark Kozelek is een echte werkmier. Met een unieke stijl, dan nog wel. Of hij nu een plaat maakt met Sun Kil Moon, een solo-album vol covers van AC/DC uitbrengt, een samenwerking op touw zet met Jimmy LaValle of dit album met Desertshore, waarvan Phil Carney (gitarist van Red House Painters) lid is; het maakt niet uit. Je hoort het aan alles, dat het Kozelek is.

De eerste plaat van Mark Kozelek & Desertshore is simpelweg een self-titled. Daarop staan tien songs, in kwaliteit variërend van goed tot fantastisch, met vooral een stevige isolering; buitenwanden ‘Mariette’ en ‘Brothers’ houden het huis namelijk met groot gemak overeind. ‘Mariette’ wordt vooral gekenmerkt door een geweldig gitaarriedeltje, dat, na de laatste seconden, nog – en dat durf ik beweren zonder te overdrijven – nog uren blijft nazinderen. Het heet iets hypnotisch; net als vele van de geduldig meanderende geluiden die dit album herbergt.

Op dit forum is zijn plaat met LaValle dit jaar veelvuldiger beluisterd dan dit album. Dat zal ook wel iets met LaValle te maken hebben, gok ik, maar hoewel die plaat echt erg sterk is, heeft ook dit kleinood zijn charmes. Het al eerder genoemde ‘Brothers’ bijvoorbeeld, dat instrumentaal een erg sobere inkleuring kent ten opzichte van de andere nummers, en in die optiek dus al een buitenbeentje is. In die afsluiter heeft Kozelek het over de lotgevallen van de drie broers van zijn vader, maar toch ook vooral over zijn vader zelf. In simpele, maar pakkende bewoordingen, schetst hij een beeld zoals wel meer singer-songwriters dat kunnen, maar niemand van de huidige generatie weet het zo treffend te brengen als Kozelek; levensecht. De teksten van Kozelek voelen vaak aan als een samenraapsel van mijmeringen, reminiscenties en anekdotes, maar vormen een coherent verhaal.

‘Brothers’ is niet de enige song waarin hij het over z’n vader heeft. In ‘Hey You Bastards I’m Still Here’ (ontleend aan een scène met Steve McQueen uit de film ‘Papillon’) vertelt Kozelek over het samenzijn met z’n vader, TV kijken en diens meer.

De door elektrische gitaar en drums gedreven muziek van Desertshore boetseert de ideale microkosmos voor de sound en filosofie van Kozelek, die vaak humor een wrang kleedje stopt, en vice versa. Zo doet hij in ‘Livingstone Bramble’ nogal pocherig over zijn eigen gitaarkunsten (“I can play like Malcolm and Neil Young; and I can play rings ‘round most everyone”), en tegelijkertijd zijn overdrijft in zijn afkeuring jegens andere “collegae”: “But I hate Eric Clapton and Nels Cline”. Het is zo overdreven, dat het hilarisch wordt.

Soms wordt de wrangheid ook bedreven zonder een snuifje humor in de buurt; het snijdende ‘Tavoris Cloud’ is daar een voorbeeld van, met zinsneden als “At the age of 46, I’m still one fucked up little kid”. Dat soort uitspraken heeft op mij altijd een dubbele uitwerking; aan de ene kant klinkt het alsof de verteller gefrustreerd is door zijn eigen onbeholpen onvolwassenheid; aan de andere kant lijkt het me dan weer geweldig om op 46-jarige leeftijd nog steeds niet tot de jaren des onderscheids te zijn gekomen. Eeuwig een kind van 6 blijven, ik zou er meteen voor tekenen.

Ook heeft Kozelek het – net als op eerdere releases – over de dood van collega’s. De dood is sowieso één van de kernthema’s in het werk van Kozelek, net als het leven. Hier reflecteert hij onder andere op de dood van zijn kat (“I miss my afternoon naps; my kitty cat sleeping on my lap; she died August 2011; just got back from Norway, she slipped off to kitty heaven”), oude kompaan Tim Mooney (“Sometimes I still cannot believe Tim Mooney died at 53; he seemed much stronger, he was too young to up and leave”) en college-getergde ziel Jason Molina (“Last night I got word Jason Molina died; why does the world take the good ones away?”, in ‘Sometimes I Can’t Stop’).

Uitbundige wrangheid kan ook voorkomen, en durf ik hier zelfs bij de naam te noemen: ‘Don’t Ask About My Husband’. Welkome luchtigheid in een modderpoel vol ellende. De speelse riff en frisse drums enthousiasmeren en charmeren; een glimlach tekent zich op mijn gezicht, zij het met een spatje vreemde tristesse. Met zinnen als “And if it’s late and my breath is stinking; don’t criticize my smoking and my drinking. And if it’s late and my mind is spacing; don’t ask about the pills I’ve been taking” in het achterhoofd, weet ik na afloop van het nummer toch nooit meer waarom ik nu moest grijnzen. Vreemd.

Daarna het reeds genoemde en bejubelde ‘Brothers’. Een vreemde eend, zoals gezegd. Omdat de piano een hoofdrol vervult, en met zijn sobere weemoed (oké, daar zit Kozelek – tekst, zang, het totaalpakket, eigenlijk – ook wel voor iets tussen) weet dit instrument meer los te maken dan de 9 voorgaande nummer bij mekaar. En daarmee wil ik niet gezegd hebben dat dit zwak spul is, integendeel. Dit is gewoon één van de beste songs die ik dit jaar heb gehoord, ik ben eraan verknocht. De klik is er, zelden kom ik zo intens in een verhaal als dit relaas van Kozelek.

Mark Kozelek, de werkmier. Begin 2014 zou er alweer een nieuwe release met Sun Kil Moon op ons afkomen. Intussen brengt de man ook nog eens met regelmaat live-albums uit. En een coveralbum, vol eigen interpretaties van punkrock nummers, en ander soort onguur materiaal. En dan toch steeds weer kwaliteit afleveren. Hoedje af.

4 sterren

Mary Halvorson's Code Girl - Artlessly Falling (2020)

poster
4,0
Heerlijk plaatje. De Amerikaanse gitariste Mary Halvorson is verantwoordelijk voor zowel de muziek als de lyrics, die overigens niet door haarzelf worden gezongen. Hiervoor heeft zij de hulp ingeroepen van Amirtha Kidambi (die ook te horen is op Brass van Moor Mother & Billy Woods, trouwens!), en.. Robert Wyatt!

Jawel, de levende legende van Soft Machine, die solo ook potten wist te breken met Rock Bottom, heeft zich zowaar nog 'ns laten verleiden om zich te laten horen op een plaat. Wyatt is naar verluidt één van Mary Halvorson's grote idolen, het moet dus een zalig gevoel geven als zo'n kerel daadwerkelijk een contributie wil leveren, en dan nog wel op drie nummers!

Het album opent met Lemon Trees, waarop Wyatt na een intro (met smakelijk trompetspel van Adam O'Farrill) meteen van wal mag steken. Wat me gelijk opvalt, is hoe iel en kwetsbaar Wyatt klinkt. Zijn stem klinkt flinterdun en balanceert een aantal malen op de slappe koord van de breekbaarheid. De tekst is cryptisch en summier, en heeft iets poëtisch (Halvorson heeft zich ook laten inspireren door dichter David Breskin voor o.a. de rijmschema's).

De wat zachtere, maar heerlijk volle stem van Kidambi biedt een fraai contrast, en gaat ook erg mooi samen met de instrumentale ondersteuning. Wanneer er gezongen wordt, lijkt de focus ook daarop te liggen, wat me vertelt dat Halvorson veel gewicht toekent aan de teksten. Maar op vrijere momenten mogen de musici wat meer hun ding doen. Dat levert mooie momenten op; wanneer trompet en saxofoon het duel aangaan, klinkt dat als een wonderschone samenzang. En op het wat chaotischere Walls and Roses gaat vooral Halvorson zelf lekker los soleren.

Mary Halvorson geeft hier dus blijk van knappe kwaliteiten, zowel puur op het vlak van compositie als het scheppen van een kader waarin de overige muzikanten kunnen uitblinken. Artlessly Falling is zo één van de betere jazzplaten uit 2020 geworden, met een knap evenwicht tussen vooropgestelde patronen en pure improvisatie.

4 sterren

Mathias Eick - When We Leave (2021)

poster
4,0
Heel erg fraai plaatje, dit. Ik merk dat de ECM-releases niet altijd mijn ding zijn, maar er zit weleens een pareltje tussen, en ik vind het leuk als ik er zo eentje ontdek.

Mathias Eick heeft, zo te lezen, een verleden in free jazz en improv, maar dat is hier niet echt te horen. Hij speelt eerder beheerst trompet, geen noot te veel of te weinig. Hij lijkt de perfectie te willen benaderen, en komt aardig in de buurt; vakmanschap!

Ook de andere muzikanten doen zeker hun ding, met een glansrol voor de pedal steel gitaar. Die is evenwel niet erg vaak te horen op dit album, maar als deze wordt ingezet, is het gelijk voor 100% raak. Playing is een echt juweeltje, pfoeh..

Ik hoor hier en daar wat frivools, maar vooral een contemplatieve sound. De albumhoes, die behoorlijk minimalistisch aandoet, past wat dat betreft mooi bij de muziek. Toch is er een rijke diversiteit qua instrumentatie. Het zijn deze twee factoren die hand in hand gaan, en dit When We Leave met sprekend gemak boven de middelmaat uit doen torenen.

4 sterren

Mats Gustafsson, Paal Nilssen-Love & Mesele Asmamaw - Baro 101 (2012)

poster
4,5
Heerlijk vrij gefreak van Gustafsson, Nilssen-Love en vooral Asmamaw, met dat krankzinnige instrument van 'm. Ik heb 'ns wat afbeeldingen van die krar opgezocht, en het ziet er echt geweldig getikt uit. Maar het geluid dat Asmamaw er uit weet te halen, is zo divers, en tast de artistieke grenzen af, het geeft zoveel bijkomstige mogelijkheden, dit kan niet anders dan een dikke surplus zijn voor het album 'Baro 101', en dat is het ook. Zoals u hierboven kan lezen, ik ben lang niet de enige die er zo over denkt.

Maar laten we ook de verdienste van Gustafsson en Nilssen-Love niet onderschatten; beide heren zijn rasmuzikanten, of, beter gezegd, rasartiesten, die hun sporen in de freejazz al lang verdiend hebben. Gustafsson ken ik van 'One Bird Two Bird', een plaat die hij maakte met Masami Akita en Jim O'Rourke, en die, net als deze, bestond uit twee tracks, goed voor zo'n 41 minuten luistergenot. Die plaat zou ik trouwens nog 'ns moeten luisteren, en misschien wel opwaarderen, want ik ben dit soort experimentele muziek steeds beter gaan waarderen.

Maar om het nog over 'Baro 101' te hebben, want ik zit weer te lullen dat het niet mooi meer is; het is een plaat met verrassend veel suspens en intensiteit. Al hoeft dat bij nader inzien zeker niet te verrassen. Gustafsson staat bekend om zijn intense speelstijl, en Nilssen-Love gaat bij momenten helemaal los in zijn percussionele bezigheden. Maar die krar van Asmamaw, ik had verwacht dat dit instrument rustig zou klinken, en een louterende uitwerking zou hebben, maar neen, het stuitert alle kanten op. Al zijn er ook rustpunten (zoals in track 2, die ik verkies boven de opener, waarin Asmamaw zijn krar laat klinken als een elektrische gitaar met wah-wahpedaal, maar dat is ook al eerder gezegd).

De zang die Asmamaw laat horen, leunt wel aan bij traditionele Afrikaanse gezangen (meneer is Ethiopiër, land van lange-afstandslopers, maar ook van het nationale trauma dat men opliep na de overrompeling door het fascistische Italië in de jaren '30, en zoiets laat zijn sporen na), en heeft een zekere charme; je wordt erdoor naar de stem van Asmamaw, die voor de gelegenheid als magneet fungeert, toegetrokken.

Heerlijke geflipte plaat dus, maar wel een zeer moeilijke om te doorgronden en te beoordelen, naar mijn mening, en daarom dus op de valreep nog een plaatsje in mijn eindejaars top 10.

4,5 sterren

Matt Elliott - Only Myocardial Infarction Can Break Your Heart (2013)

poster
4,0
Matt Elliott op de vrolijke toer? Laat je vooral niet misleiden door de op het eerste zicht komische albumtitel en de frappante hoes; het mag dan wel wat luchtiger zijn, allemaal, wrang is nog steeds het woord dat heerst in Elliott’s zielenwereld. ‘Only Myocardial Infarction Can Break Your Heart’ is een wel erg letterlijk inzicht van het gebroken hart, een term die vrijwel enkel in overdrachtelijke zin wordt gebruikt. De albumhoes toont een tegen de grond gegane vrouw en haar charmante spiegelbeeld (of is het geen spiegel?), in een gezellig eenmansappartement met een hoek af. Zo moet je de plaat ook beluisteren, als een imperfect product. Het tergende snarengepluk van Elliott, verdiept door zijn spookachtige basstem.

Het album begint meteen op majestueuze wijze, en is indirect ook de oorzaak voor het enige zwakke punt dat het album kent; de balans. ‘The Right to Cry’ is namelijk een ongelooflijk indrukwekkend werkstuk, dat de andere 6 songs genadeloos naar de schaduwen verwijst. Hoewel die songs ook de moeite waard zijn, blijven ze wat onderbelicht door de grootsheid van ‘The Right to Cry’, en dat is jammer. Maar daarover later meer.

Op die opener bundelt Elliott de beste ingrediënten die hij tot zijner beschikking heeft, en maakt er een fabelachtig, bruisend mengsel van. Onheilspellend en overdonderend tegelijk baant het nummer zich een weg door de diepste krochten van de ziel, krochten waarvan ik het bestaan niet eens kende. Uit de tekst spreekt wel iets van hoop, met een behoorlijk bittere nasmaak, dat wel. Het gaat om een geliefde, en het gitaarspel van Elliott spookt constant door m’n hoofd, met die fantastische apotheose (lees: tempoversnelling) aan het eind. Met regels als “When your world comes crashing down; your looks have faded, and only worry lines remain; expression lost and drained; your passion unfulfilled, just an amply shell remains” is het moeilijk om de positivo uit te hangen, maar het klinkt toch net iets minder naargeestig dan eerder werk. Maar geen sikkepit minder urgent.

“You should dry those once pretty eyes; cos you have lost the right, the right to cry”, weerklinkt de verstilde poëzie van Elliott, en ik geloof ‘m helemaal. Een verleidelijke dans die het meisje (vrouw) uiteindelijk in de armen van de bard moet doen belanden. En zo ben ik alweer enige alinea’s bezig over dit nummer.

De rest mag ook gehoord worden. In ‘You Reap What You Sow’ laat Elliott zijn stem vervaarlijk schuren, wat vreemd genoeg (in combinatie met het luchtig aangewende instrumentarium) zorgt voor verpozing, comfort. Je voelt je op je gemak, en dat is iets wat ik niet gauw ervaar bij Matt Elliott. De tekst is nochtans niet altijd even optimistisch, en lijkt als motto vooral te hebben dat boontje om z’n loontje komt; als je het gevaar en de problemen opzoekt, is de kans reëel dat je naderhand met de gebakken peren zit. Onze portie groenten en fruiten hebben we daarmee ook alweer binnen.

‘I Would Have Woken You with This Song’ is het tweede langste nummer van de plaat en klokt af om en bij de 8 minuten (nog steeds 9 minder dan de opener). Elliott neemt hier rustig z’n tijd om de luisteraar voor zich te winnen met z’n gitaargetokkel, en er worden ook enkele weemoedig klinkende strijkers bijgegoten. Het nummer doet zeer filmisch aan; ik zie zo een scène op de prairie voor me, met de eenzame cowboy die vergeefs zijn revolver zoekt, en het vinnige meisje dat hem troost, een fles whisky en een inkijk in haar blouse biedt. Gaandeweg ontaardt het tafereel, tot de cowboy in een Spaanse furie ontsteekt en het meisje van het leven berooft. De laatste minuut van het nummer toont de somberheid van de antiheld, wanneer hij zich realiseert dat hij door zijn daad weer even eenzaam is als tevoren. Ook zonder woorden kan Elliott dus krachtige beelden scheppen (al zal dit voor iedereen wel anders zijn).

‘Prepare for Disappointment’ klinkt qua titel weinig veelbelovend (al kunnen we bij Elliott eerder het omgekeerde stellen), maar is verrassend speels van toon. Het riedeltje dat Elliott ten beste geeft, klinkt ritmisch en zachtmoedig, in het middenstuk verhardt het dan wel een beetje, de ondertoon blijft mild. ‘Zugzwang’ wordt daarentegen licht treurend op gang getrapt, met het nodige gehos. “Have I told you lately that I hate you?” vraagt Elliott luidop, even voordat het nummer bescheiden openbarst met de “Ring the bells”-passage. De strijkers schitteren onder dwang (zugzwang) van ingehouden tristesse.

‘Again’ gaat door op het elan van ‘Prepare for Disappointment’, met eenzelfde soort luchtige ondertoon, alsof de steen die op Elliott’s lever lag in gruzelementen is gebroken. De achtergrondzang maakt het allemaal echter wat donkerder, samen met het griezelig klinkende gegalm op de achtergrond. Maar in grote mate is het wel een broertje van ‘Prepare for Disappointment’, met iets minder manieren, misschien.

Afsluiter ‘De Nada’ breit een rustig slot aan een album dat ik toch weer onder de beste van het jaar 2013 wil scharen. Er zijn van die artiesten die vaak terugkeren in mijn eindlijstjes; Bill Callahan, Joe Henry, Mark Kozelek. Matt Elliott is daar nu zeker eentje van, voor het tweede jaar op rij zelfs. Ik ben benieuwd hoe het nu verder moet. Hij zit duidelijk op een tweesprong; hij klinkt minder getormenteerd en laat zelfs af en toe een hoopvolle flard positivisme horen, maar stiekem vind ik ‘m op zijn best als hij onheil en miserie predikt, al wens ik het hem privé zeker niet toe. Deze plaat staat of valt met de openingssong, ‘The Right to Cry’, dat gewoon één van de beste songs is die ik de laatste jaren heb gehoord. Daardoor blijven de overige zes songs, zoals eerder aangehaald, wat onderbelicht, en daardoor blijft deze nieuwste van Matt Elliott net iets lager steken dan voorganger ‘The Broken Man’.

4 sterren

Matt Elliott - The Broken Man (2012)

poster
4,5
‘The Broken Man’ van Matt Elliott is een album waarvan de titel de lading behoorlijk dekt. Men hoort hier een gebroken man aan het werk, getormenteerd, die in zijn muziek een behoorlijke uitlaatklep heeft gevonden voor al zijn lijden. Zijn zang doet me soms denken aan het gebrom dat Leonard Cohen er tegenwoordig op nahoudt, al heeft Elliott een extra dimensie, zo lijkt het wel; je hoort hem echt lijdzaam zijn relaas doen, en een desolaat gevoel bekruipt mij, wat ik soms ook heb met black metal.

‘The Broken Man’ is een bijzonder intense plaat, gemaakt met minimale middelen. Het soms virtuoos snarenplukken op de akoestische gitaar, waarmee hij zichzelf meestal begeleidt (al wordt er helemaal niet zoveel gezongen, eigenlijk), creëert een prachtige, donkere sfeer. In het begin van ‘Oh How We Fell’ zou je nog denken dat Elliott een poging onderneemt om een soort van variatie op de Sirtaki op te zetten, maar gaandeweg evolueert de klankkleur toch naar doodse eenzaamheid.

‘The Broken Man’ bestaat uit 3 lange nummers, 2 “soundscapes” en 2 nummers met “normale” lengte om af te sluiten. Die songs op het einde grijpen een beetje terug naar het openingsnummer qua gitaarspel. Enkel het nummer met de veelzeggende titel ‘If Anyone Tells Me "it's Better to Have Loved and Lost Than to Never Have Loved at All" I Will Stab Them in the Face’ wordt ingekleurd door piano, en niet door akoestische gitaar. De vreemde eend in de bijt, zou je zeggen, maar eigenlijk is dat niet echt het geval. De sfeer is namelijk hetzelfde als in de andere nummers, al kan de piano wel andere gevoelens oproepen, dat is waar.

Het pianospel is niet bepaald virtuoos, maar wel erg meeslepend. Elliott lijkt zijn tijd te nemen, adempauzes zijn een must. Af en toe horen we ook strijkers, die zich schikken naar het geheel. Er overvalt me ook soms een spookachtig gevoel. De songs lijken bezeten, en de sfeerzetting zoekt soms echt de grens op. Dat heeft de muziek ook gemeen met depressive black metal, een genre dat mij ook enorm aanspreekt. Alhoewel het iets geheel anders is, doet Elliott me in al zijn treurnis en duisternis denken aan bands als Woods of Desolation en het Zweedse Shining. Ik word er enorm door gepakt.

Het prijsnummer van de plaat is voor mij ‘Dust, Flesh and Bones’. Aangrijpender heb ik dit jaar nog maar zelden gehoord. Elliott’s stem heeft iets breekbaars, maar tegelijk staat ze als een rots in de branding, onverzettelijk in zijn overtuigingskracht. Maar goed, ‘Dust, Fles hand Bones’ dus. Het nummer waarin Elliott misschien wel het meest zingt, perfect begeleidt door akoestisch gitaarspel. Voeg daar af en toe nog wat strijkers aan toe, en je hebt echt een kanjer van een song, bloedmooi. Het moment wanneer Elliott begint te zingen van “This is how it feels to be alone; just like we’ll die alone”, geeft me kippenvel, zo intens! Net als de spookachtige achtergrondzang vanaf de vijfde minuut.

De teksten van Elliott zijn ook enorm de moeite. Neerslachtigheid, verderf, tegenslag, verdriet, wanhoop, het is alsof een stortregen van slechte herinneringen op je neerkomt. De zondvloed is gearriveerd met ‘The Broken Man’. Een pareltje van een zondvloed, dat wel.

4,5 sterren

Matthew Barber - True Believer (2010)

poster
3,5
Heel fijn plaatje van Matthew Barber. Zoals bij zoveel recente releases, ken ik geen eerder werk van deze jongeman, en kan ik niet gaan vergelijken, maar dat hoeft natuurlijk helemaal niet om te kunnen besluiten dat dit toch oerdegelijk is.

Over het algemeen vrij sober gearrangeerde folknummertjes, die daardoor erg lieflijk klinken (zoals bv. het openingsnummer). Barber heeft een fraai stemgeluid, dat zo nu en dan vrij dicht aanleunt bij dat van een Ryan Adams (vind ik), maar toch vrij eigen klinkt.

Zomermuziek, lees ik hierboven. Dat zou wel eens kunnen kloppen, maar er is een verschil tussen het beluisteren van zomermuziek in de winter en in de zomer. Daarom leg ik het plaatje na de eerste luisterbeurten in de wachtkamer, om het eind december - begin januari nog eens een paar keer op te leggen. Volgens mij komt ie dan nog wat beter tot z'n recht, en kan er een halfje bij, wie weet?

'Revolution of the Sun' is waarlijk een prachtnummer, m'n favoriet op het album. Erg happy klinkt dit nummer niet, en in tegenstelling tot de twee eerste liederen, is het hier de piano die de lakens uitdeelt, bijgestaan door bescheiden percussie, akoestische gitaar, blazers en Barber's zachte stem, voor de finishing touch. Mooie tekst ook!

'Got That Lonesome Feeling On My Mind' is een song die evengoed door een Elvis Presley of een Johnny Cash zou kunnen zijn. Leuk nostalgisch aandoend nummertje, met countrysfeertje eromheen.

'The Little Things' heeft misschien wel de mooiste lyrics van alle nummers op deze plaat, en verder een heel sober, lieflijk, klein nummertje. De naam Ryan Adams komt hier ook weer bovendrijven. Prachtig!

De titelsong ('True Believer' dus) is wederom een fraai werkje, wat meer opgesmukt (blazers) dan 'The Little Things', even mooi op z'n geheel eigen wijs. De toon wordt weer wat positiever.

Die trend wordt voortgezet op 'Insanity Or Death', met een aanstekelijk gitaarriedeltje. Goeie song, maar het beste hebben we volgens mij al achter de rug. Tekstueel echter niet altijd even positief, dit nummer.

Een laatste hoogtepunt is voor mij 'While Away', prachtige, droefgeestig klinkende song. Waarschuwing: als je Barber "While away; while away; while away, one more day" hoort zingen, bestaat de kans dat je spontaan begint te janken. Erg sober nummer, met minimalistische instrumentale begeleiding (akoestisch gitaartje in de hand, de percussie die verlegen om de hoek komt loeren, maar ook niet meer dan dat). Neen, het is de stem van Barber die hier in de verf wordt gezet, en zijn songwriting, kortom; zijn 2 grootste troeven. Het levert een prachtig nummer op.

De 2 laatste nummers vind ik wat minder, en daar ga ik niet te veel woorden aan vuil maken; het is niet dat het slechte nummers zijn, ze raken me simpelweg niet echt.

Dit gezegd zijnde (een hoop onzin waarschijnlijk, ik weet het, maar ik had deze voormiddag niets te doen), besluit ik met de woorden: Matthew Barber is een kleine held.

3,5 sterren

McCoy Tyner - Trident (1975)

poster
4,0
Een album dat hier op MuMe wat onderschat wordt als je het mij vraagt - op moment van schrijven een score van 3,38* uit 4 stemmen - zeker als je vergelijkt met bijvoorbeeld onze grote broer RateYourMusic. Op zich niet erg natuurlijk, ik gebruik die tweede site bijna even vaak als leidmiddel om nieuw spul te ontdekken.

Trident heeft zijn titel niet gestolen, want Tyner heeft hier met Ron Carter (bas) en Elvin Jones (drums) twee klasbakken rond zich verenigd - met Jones had hij in de jaren '60 menige sessie met de grote John Coltrane tot een goed eind gebracht.

Een klassiek piano-bas-drumstrio dus? Dat is buiten de waard gerekend, want Tyner smukt de boel hier en daar op met klavecimbel (tracks 1 & 4) en celesta (tracks 2 & 4). De plaat bestaat overigens uit 3 eigen composities en drie "klassiekers" waarvan vooral de bossa nova-track Once I Loved van Jobim in het oog springt. Genoeg peper en zout dus, maar toch maakt Tyner het meeste indruk aan zijn meest vertrouwde instrument, de piano. Vooral track 3 maakt indruk, een fantastische hommage aan zijn maatje Elvin Jones.

4 sterren

Mercyful Fate - Melissa (1983)

poster
3,0
Deze plaat werd me aangeraden door Don Cappuccino, een paar maanden geleden. Ik heb 'm toen een paar keer beluisterd, maar een blijvende indruk maakte ie niet. Lekkere gitaarsolo's, dat wel, maar zo bijzonder vond ik het nou ook weer niet. En die zang.. Ik kreeg er hoofdpijn van. Ik dacht dat het wel niets voor mij zou zijn, en heb 'm na die paar keer luisteren snel links laten liggen.

De laatste weken ben ik 'm weer met enige regelmaat gaan luisteren. Don Cappuccino tipt natuurlijk niet zomaar albums, en in veel gevallen komt zijn smaak overeen met de mijne. Tijd voor een tweede kans, dus. 'Melissa', het debuut van Mercyful Fate, kreeg de laatste dagen zelfs een luisterbeurt of drie à vier. En dan merk je toch dat je zo'n plaat eventjes in de kast moet laten liggen. Althans, dat dacht ik aanvankelijk.. 'Evil' vind ik persoonlijk meteen het beste nummer, met aanstekelijk gitaarwerk (en gierende solo's), dat stond me wel aan. De zang? Die besloot ik voorlopig maar in de armen te sluiten. Voorlopig, inderdaad.

Want de tweede luisterbeurt in deze "tweede kans"-periode kon ik het werkje reeds een pak minder waarderen, de derde keer viel zelfs ronduit tegen. Ik knap gewoonweg af op de pijnlijk hoge uithalen van King Diamond, dat scheelt een pak. Ook zijn gewone zangstem vind ik niet om naar huis te schrijven; enfin, anderen zullen het geweldig vinden, en perfect bij de muziek passen, maar dat gevoel heb ik niet, en je moet zoiets ook niet gaan faken. Ik bedoel daarmee dat ik niet iets goed zal gaan vinden, omdat anderen het ook waarderen. Peer pressure is mij tamelijk vreemd.

Maar goed, over naar het sterke punt van de plaat, het gitaarwerk. Dat vind ik grotendeels erg solide, met soms een positieve uitschieter ('Evil'). Er zit een zekere vorm van melodie in die me wel aanstaat, met soms van die lekker meanderende gitaarsolo's ('Into the Coven'). De drummer doet z'n ding, in functie van het geheel, en dat is zonder meer oerdegelijk. De thematiek in de teksten was in die tijd misschien redelijk straf en opzienbarend, maar dat zou nu niet meer het geval zijn. Knap van hen om dat in die tijd te doen, maar een tikkeltje gedateerd? Misschien wel.

'Satan's Fall' is met voorsprong het langste nummer, en tikt pas af ruim na elf minuten. Het is dan ook de song met de meeste wendingen, dat spreekt voor zich. Monotone muziek is het zeker niet. Afsluiter 'Melissa' spreekt me dan weer niet echt aan; 't gaat een beetje tegenzitten na een tijdje, en, zoals wizard het in zijn bespreking noemt, zeurderig klinken.

Al bij al toch een voldoende voor deze plaat, zij het een krappe. Ik onthoud vooral het goede, afwisselende gitaarspel, en dat zal ik dan ook meenemen naar hun andere "bekende" plaat, 'Don't Break the Oath'. Die ga ik zeker nog proberen.

3 sterren

Mike Ness - Cheating at Solitaire (1999)

poster
4,0
Zeer fijn album van Mike Ness. De openingstrack ken ik al van toen ik een jaar of 16 was, en heb ik altijd erg mooi gevonden. De Stem van Social Distortion, met een country-achtige sound op de achtergrond, slaagt er vaak in me te ontroeren.

De instrumentatie is dus wel wat anders dan het rock 'n roll-geweld van Ness' band, maar dat hoeft geen domper te zijn. Mike Ness laat zien dat zijn muzikale (en, hoogstwaarschijnlijk bij extensie, zijn persoonlijkheid tout court) persoonlijkheid uit meerdere facetten bestaat. Op 'Cheating at Solitaire' salueert hij ook naar helden als Bob Dylan ('Don't Think Twice') en Hank Williams ('You Win Again'). Ook doen Bruce Springsteen en Brian Setzer (The Stray Cats) elk op één song mee, respectievelijk 'Misery Loves Company' (Springsteen) en 'Crime Don't Pay (Setzer).

Een aantal van de zelf geschreven liedjes zijn erg sterk, maar aan het eind springt vooral de bloedmooie cover van 'Long Black Veil' in het oog. Een lied dat eigenlijk al te vaak is gecoverd, maar die kritiek zal Ness niet gauw moeten aanhoren, vermoed ik..
Tot slot was het ook nog de bedoeling dat Johnny Cash een gastbijdrage zou leveren in het nummer 'Ballad of a Lonely Man' (een titel, overigens, op het lijf van The Man in Black geschreven), maar hij was toen al te ziek.

4 sterren

Miles Davis - Bitches Brew (1970)

poster
4,5
Ik ben niet zo thuis in de benamingen binnen de jazz, maar één ding weet ik wel zeker; dit is veel te druk om te laten fungeren als achtergrondmuziek. En, eigenlijk, ook gewoon veel te goed.

Ik beluister 'm nu nog maar eens, ik ben een Miles Davis-day aan het houden. Dit is de vijfde plaat van hem die ik vandaag beluister, en veruit de meest opvallende. Alhoewel Davis niet m'n favoriete jazzartiest is (maar wel een steengoeie, en uitermate belangrijke muzikant), kan ik hier toch altijd lekker van genieten. Er gebeurt meer dan genoeg, veel ritme, en Davis die er lustig op los trompetteert. John McLaughlin is gitarist op deze plaat als ik me niet vergis, en die doet dat echt fantastisch. De saxofonist waarmee Davis samenspeelt is Wayne Shorter, ook een bekende naam normaal gezien.

Die eerste drie tracks alleen zijn al goed voor ruim een uur. Tel daar nog de 3 resterende tracks bij op, plus de bonustrack 'Feio', en je komt aan ruim 7 kwartier muziek. Ik begrijp dat het voor sommige mensen een brug te ver is, dat men er haast niet naar kan luisteren, omdat het ook weer afwijkt van het meeste van Davis' werk. Ik vind het vooral mooi van Davis dat hij zich afzette tegen de stroming, wat wel meer uitzonderlijke artiesten deden (ik denk dan bijvoorbeeld aan Bob Dylan).

'Bitches Brew' is een album dat niets aan de verbeelding overlaat, en tegelijkertijd diezelfde verbeelding tart; je kan je er zoveel bij voorstellen, verzinnen, gewoon je ogen sluiten en een eigen wereld scheppen. De muziek kan verscheidene dingen in je oproepen, het beperkt zich niet tot één kleurtje, maar gebruikt de hele kleurdoos. Samen met 'Kind of Blue' het meesterwerk van Davis in mijn ogen, al is er nog steeds veel van de man dat ik niet ken (maar dat zijn vooral minder bekende platen, al wil dat niets zeggen natuurlijk; mijn vaststelling dat het hier een meesterwerk betreft, berust op mijn persoonlijke mening).

4,5 sterren

Miles Davis Quintet - Miles Smiles (1967)

poster
4,0
De eerste twee songs komen bij mij wat aarzelend binnen, maar met Footprints begint het feest. Deze song stond een jaar eerder ook al op Shorter's Adam's Apple, en is ook gecomponeerd door de beste man, samen met nog twee andere tracks op dit album. Ik moet zeggen dat deze versie net wat dynamischer klinkt, met Davis op trompet ook als geweldige plus natuurlijk; net wat dwingender en swingender. Ik ben lang niet zo technisch onderlegd als andere users die hier al reacties hebben geplaatst, maar wat Tony Williams hier achter zijn drumstel voor toeren uithaalt, het is haast van een andere planeet. Zo merk je ook meteen dat het kwintet ook écht een kwintet is, meer dan een voluit solerende Miles Davis met zijn begeleidingsband op de achtergrond.

Freedom Jazz Dance lijkt inderdaad een knappe mengeling tussen freejazz en funk, Mssr Renard. Wat een heerlijke track ook alweer, met Williams als drummende metronoom, een übercool klinkende Davis en Shorter, Hancock die zich in zijn sas voelt (al vind ik zijn bijdragen op enkele andere songs nog markanter) en het quasi-nonchalante basspel van Ron Carter. Alsof er geen vuiltje aan de lucht is, en dan toch zo'n groove weten neer te leggen. In slaap vallen zit er overigens niet in, want afsluiter Gingerbread Boy[i] is een wel érg energieke, bruisende track.

Zeker niet de meest evenwichtige plaat van Miles, met een voor mij wat oninteressant begin, een meesterlijk, experimenteel en avontuurlijk tussenstuk en wat conventioneler einde, al leggen die songs de lat ongeveer even hoog. Dat maakt van [i]Miles Smiles
geen absoluut hoogtepunt in het oeuvre van de trompetterende meester, maar wel een erg sterke plaat (één van de velen).

4 sterren

Mintzkov - Oh Paradise (2020)

poster
3,5
Je hebt van die bands die gewoon garant staan voor kwaliteit, maar nooit écht hoge toppen scheren. Mintzkov is mijns inziens onder te verdelen in die categorie. De Belgische band maakte furore in Humo's Rock Rally door in 2000 de winst op te eisen in de finale (toen nog Mintzkov Luna, maar dat is toch ook al 20 jaar geleden).

De band uit Schilde (nabij Antwerpen) werkt gestaag aan een mooi oeuvre. Dit is hun vijfde plaat, dus enorme productiviteit ademt dat natuurlijk niet uit, maar kwaliteit gaat boven kwantiteit, moet het devies van Philip Bosschaerts en de zijnen luiden, en daar kan ik me wel in vinden.

Ook Oh Paradise is weer een patente indiepopplaat geworden, met heel wat gitaarinvloeden (grote broer dEUS wordt vaak genoemd als referentie, maar ik durf ook wel te verwijzen naar bands als Sonic Youth, Sebadoh en Silversun Pickups). Tien relatief korte nummers passeren de revue, en ze blijven allemaal wel op één of andere manier hangen, zonder echte uitschieters. Zoals ik reeds zei: pure kwaliteit.

3,5 sterren

Misery Index - Heirs to Thievery (2010)

poster
3,0
Ik heb een beetje hetzelfde als wizard. Niets mis met deze plaat, maar ik veer er ook niet van op of zo. De muziek zou het beter live doen, op een podium. Ik hoor namelijk wel dat er heel wat energie aanwezig is, en die zou men beter aan de man kunnen brengen op een festivalweide of iets dergelijks. Gegarandeerd sfeer, zeker als er nog wat bier mee gepaard gaat.

Een kleine 35 minuten duurt deze plaat, en dat is voor platen in dit genre misschien zelfs iets te lang. Het valt moeilijk vol te houden naar mijn mening (al ben ik niet erg gewend om dit soort muziek te beluisteren). Het is zoals wizard zegt; prima riffs, dito grunt, maar er blijft weinig hangen. Bruut geweld, het is nooit helemaal m'n ding geweest, en zal dat ook nooit worden.

Toch moet ik ook opmerken dat hier best wel goeie songs opstaan, die er stevig inhakken. Dat is geen unicum binnen dit subgenre van de metalmuziek, maar ik gebruik "er stevig inhakken" nu in een iets selectievere zin, in die mate dat het gaat om de kwaliteit. Ik hoor heel wat aardige riffs, zoals in 'Fed to the Wolves' of 'The Spectator'. Of ik dit plaatje nog veel ga beluisteren, dat weet ik niet, en of ik ander werk van de band ga opzoeken, dat is al helemaal een groot vraagteken. Time will tell.

3 sterren

Mississippi John Hurt - Last Sessions (1972)

poster
4,0
In dit topic gaf MDV enige tijd terug een wel erg interessante tip mee, namelijk 'Last Sessions' van de bluesmuzikant Mississippi John Hurt. En de titel van deze plaat mag je letterlijk nemen, want de 17 nummers op de plaat werden opgenomen in de laatste maanden van John Smith Hurt, zoals de man echt heette. De plaat werd reeds opgenomen in 1966, en getuigt van het bijzondere talent dat Hurt tot het eind wist te behouden.

De laatste sessie van deze man was niet mijn eerste kennismaking. Ik kende 'The Immortal' (ironische titel met het oog op deze, vind je niet?) al, en ik heb ondertussen ook 'Today!' leren kennen. Die platen nam hij, iets eerder op, maar wat me opvalt aan deze plaat, is de mildheid in zijn stem. Alsof hij zijn eigen finale al heeft geaccepteerd.

'Last Sessions' is een plaat die naar de keel grijpt bij momenten, maar anders toch ook een aardige glimlach, zelfs een kwajongensachtige grijns ('Funky Butt') op het gelaat weet te tekenen. Het is een mix van eigen nummers, traditionals, en enkele covers, waaronder het overbekende 'Goodnight Irene', dat de plaat mag afsluiten. Een prachtig nummer, origineel van Leadbelly (held van o.a. Bob Dylan en Johnny Cash, maar ik denk wel van nog veel, veel meer artiesten, en zo'n beetje ontdekt door Alan Lomax), dat ik ook ken in de versie van Tom Waits. Er is geen versie die mijn voorkeur wegdraagt, maar deze van Hurt mag er zeker zijn; met zijn milde, lichtjes bevende stem weet hij te beroeren.

Hurt was al 72 toen hij aan z'n laatste sessie begon. Dat is soms ook te horen, aan zijn wat zware ademhaling, maar dat draagt allemaal bij tot de warme sfeer van het album. Het gitaarspel van Hurt was trouwens nog altijd erg, erg goed en miste zo goed als nooit z'n doel. Hij speelde niet virtuoos, maar raakte de juiste snaren, en zorgde voor de ondersteuning die zijn zang nodig had.

De blues is een genre dat ik steeds meer leer appreciëren. Eerst maakte ik kennis met Howlin' Wolf. Daarna kwamen Muddy en Robert Johnson. John Lee Hooker. Buddy Guy, Lightnin' Hopkins. Mississippi John Hurt. De eenvoudige magie van mannen met niets dan hun gitaar, en hun blauwe, rauwe leven.

4 sterren

Mister and Mississippi - Mister and Mississippi (2013)

poster
3,0
Er bekruipt mij bij het luisteren van dit album algauw een Blaudzun-gevoel met de opener. Arcade Fire light, dus. Prima nummer, maar het raakt me niet echt. Pas de laatste drie songs slagen hier wel in, daarvoor is het een mengeling van folky nummers die nooit echt vol tot hun recht komen, en die doorslagjes van de band van Win Butler en co. Positieve vreemde eend in de bijt: 'Bon Vivant', een stemmig walsje. Helaas duurt dit slechts anderhalve minuut. Of is dit net de reden waarom dit nummer er wel ingaat bij mij?

Enfin, allemaal best aardig, enkele nummers zetten aan tot meeneuriën, maar het echte werk staat toch wel op de tweede helft van de plaat. 'Six Feet Under' laat al een iets ander geluid horen, spannender, maar de drie laatste nummers zijn wat mij betreft de beste.'Coloured in White' doet wat mellow aan, maar op een mooie manier, net als 'Northern Sky' trouwens. De samenzang charmeert me wel in dit nummer, mooie sfeerzetting ook, beetje episch naar het einde toe.

Afsluiter 'Circulate' is een kunststukje op het gebied van sfeer. Erg mooie, dromerige sound, met die zang die van ergens diep uit een ijsmeer lijkt te komen. Ook hier is de samenzang weer erg, erg mooi. De gitaar klinkt op, zwelt aan, soort van soundscape wordt opgezet als een tentje in de Ardennen. Dit nummer ademt naturel uit, en daarom is het steengoed. Enkel een beetje jammer van de eerste 6 nummers, maar dat deze artiesten potentieel hebben, is wel duidelijk.

Mitochondrion - Parasignosis (2011)

poster
4,0
‘Parasignosis’ van Mitochondrion is een plaat die blijkbaar niet al te bekend is. Dat blijkt uit het feit dat ik pas de eerste ben die er hier een score aan geeft. Ik ken deze plaat ook enkel en alleen dankzij Don Cappuccino, die de plaat om één of andere reden niet kon toevoegen op de site, en daarom heb ik dat gedaan. Ik was ook wel benieuwd naar de plaat zelf, en zocht ze gauw op, want mijn smaak komt vrij goed overeen met die van Don Cappuccino. De positieve verwachtingen die ik had, zijn dan ook helemaal uitgekomen.

‘Parasignosis’ is een gitzwarte plaat, met ongelooflijk brute, apocalyptische riffs en gebrul alsof het uit de hel zelve weerklinkt. Het eerste nummer begint meteen griezelig spannend, met mysterieuze geluiden (alsof het één of andere obscure diersoort is, die zijn thuis heeft diep in een donker bos). Daarna barst het nummer daadwerkelijk helemaal open, wat een geweldig nummer oplevert, meteen één van de beste op deze voortreffelijke plaat. De eerste drie nummers vormen een soort van triptiek, zoals schilders uit vervlogen tijden weleens toepasten. Het spreekt dus voor zich dat de overgangen bijzonder vlot en onopvallend zijn. Het tweede deel past naadloos op het eerste, en de overstuurde gitaarriff die deze song beheerst, durf ik lichtelijk geniaal te noemen. Kippenvel!

‘Tetravirulence’, het derde deel van dit drieluik, dat trouwens een Latijnse titel draagt (‘Pestilentiam Intus Vocamus, Voluntatem Absolvimus’), is een monster van ruim 10 minuten. De zanger raast maar door, op een laag van tot de verbeelding sprekende gitaarriffs en vrij onopvallend maar vernuftig drumwerk. Dante’s Hel, in muziekvorm. Of, het zal het althans dicht benaderen, naar mijn mening. Terwijl ik van deze geweldige song zit te genieten, wil ik even nog iets kwijt over de hoes. Die past gewoon perfect bij het album, en met enige zin voor verbeelding kan je ook de ringen van Dante’s Hel erin ontwaren. Zwart en grijswaarden domineren zowel de hoes als de muziek; voor zonneschijn is hier geen plaats. Het hele nummer heeft iets loodzwaars, de manier waarop die zanger maar als een gek blijft tekeergaan, en de gitaren constant een ander “lied van de verdoemden” (om het maar eens op een andere manier te zeggen) inzetten.

Terwijl ‘Tetravirulence’ zich schijnbaar rustig blijft voortzetten, is er eigenlijk al een volgende song begonnen: ‘Trials’. Dat wordt na enkele ogenblikken duidelijk, en na een minuut barst deze helemaal open, met demonische riff erbij, helemaal in de traditie van dit album dus. Dit nummer vind ik net wat minder dan wat er al geweest is, maar slecht is het niet, hoor. Hoogstens een klein deukje in het hoogstaande niveau. Naar het einde toe wordt het nummer wel een beetje interessanter, chaotischer, lekkerder. Hierna volgt het korte intermezzo ‘Rift/Apex’, dat nog geen minuut duurt, maar echt huiveringwekkend is. En dat bedoel ik dan in uiterst positieve zin! Dit is sfeerzetting van de bovenste plank, ik kan het niet echt in woorden vatten, je moet het luisteren om zelf de intensiteit te kunnen ervaren.

Na het intermezzo barst de titeltrack haast meteen open. Gebrul dringt zich op aan mijn oren en mijn geest, en de chaos is heerlijk en nietsontziend. Ook tekstueel is het allemaal aardedonker, al verstaat men er niet al te veel van. Dit fragment bijvoorbeeld:

“Without Gods, spores prevail;
Without masters, slaves prevail;
Without daemons, worms prevails;
Without blindness, parasight prevails!”

Naar het einde toe wordt het misschien allemaal net wat té chaotisch, maar al bij al toch een erg brute en sterke song.

‘Banishment’ begint met een marsritme, gespeeld op de drums, dat langzaam wordt opgevoerd tot de gitaren en de grunts te boventoon gaan voeren. Dit is weer een beestachtig goede song, erg bruut en duister. Keyboardgeluiden maken het geheel allemaal nog wat moeilijk te bevatten, en daarmee ook wel wat interessanter. Als luisteraar spits je bijna automatisch de oren om op de details te gaan letten, en die zijn er legio. Het stuwende ritme dat zich halfweg de track meester maakt van het gebeuren, is ook een meesterlijke vondst. Spanning wordt opgebouwd, wie dit niet goed vindt, zou verbannen moeten worden. ‘Kathenotheism’ is het laatste nummer (de bonusnummers buiten beschouwing gelaten), en die term (ik heb het opgezocht), betekent zoiets als “het geloof in één God per keer”, zoals in de Veda’s, waarin elke God als een godheid wordt behandeld, maar nooit meerdere tegelijk. Nou ja, het is een vaag begrip, en ik wil enkel een beeld geven van de ingewikkelde filosofische aspecten van deze plaat; de band gebruikt veel moeilijke termen, wat deels ten goede komt van de mysteriositeit rond deze plaat (je vraagt je soms af wat er concreet bedoeld wordt, en dat gevoel vertaalt zich ook goed in de muziek), maar het kan voor sommige luisteraars ook een motief zijn om af te haken (“wat doen die moeilijk, zeg”). Bij mij geldt in ieder geval het eerste geval; ik vind dit een geweldige plaat, en kan er elke keer weer van genieten.

De bonusnummers (of moet ik zeggen nummer?) bestaan uit twee erg korte stukjes van 10 seconden, die meer als overgang bedoeld zijn, en een lange ambient outro, die niet bijster veel toevoegt, maar op zich wel degelijk is, en vooral in de laatste minuten toch weer enkele geniale stukken in zich heeft, zoals de echo van de griezelige geluiden die helemaal in het begin van het eerste nummer ook weerklonken. En zo is de cirkel rond, en Dante’s Hel weer voor een tijdje gesloten.

‘Parasignosis’ is een plaat die me de eerste paar luisterbeurten meteen tegen de grond sloeg, en de plaat heeft me nog altijd behoorlijk in z’n greep, maar ik vind het ergens wel jammer dat het na de eerste drie nummers nergens meer zo goed wordt. Maar de eerste drie nummers zijn dan ook werkelijk geniaal.

4 sterren

Monks - Black Monk Time (1966)

poster
4,0
Belangrijke plaat in de ontwikkeling van punkrock, dit enige album van het obscure Duits-Amerikaanse gezelschap Monks. Het bal wordt meteen snedig geopend met Monk Time, en wat me opvalt is het creatief gebruik van instrumenten zoals een orgel, en dat in combinatie met de ruigheid van de gitaren en de strot van Gary Burger. Het album is ook geen stoomwals die maar voort dendert; neen, van tijd tot tijd zitten er aangename shifts in het tempo, wat dit een ontzettend boeiend halfuurtje muziekgeschiedenis maakt.

In 1967 zou de band reeds splitten, maar de voetafdruk die ze op de (muziek)wereld achterlieten, was definitief. Dead Kennedys, Black Flag, The Fall, Beastie Boys, The White Stripes; allemaal waren ze schatplichtig aan en/of hadden grote bewondering voor Monks. Jack White bracht in 2017 (drie jaar na het overlijden van Gary Burger, die na het uiteenvallen van Monks een verrassend levenspad had bewandeld waarop hij o.a. met de hand septische putten groef en burgemeester was van een klein stadje) een EP uit met waarschijnlijk de laatste opnames van Monks, gemaakt in Hamburg, 1967.

Afijn, echt een toffe plaat om te ontdekken, en zo'n 55 jaar later klinkt dit nog steeds ontiegelijk fris en spannend!

4 sterren

Monno - Ghosts (2008)

poster
4,0
Noise, drone, ambient; het is voor een groot deel nog steeds een mysterieus, onontgonnen terrein voor mij. Hele landsdelen die aanlokkelijk lonken, maar steevast omcirkeld door dikke mistbanken. Metal daarentegen is een genre (en je kan dat heel ruim bekijken) dat me al sinds lang intrigeert, waarmee ik ben opgegroeid, van System of a Down over Maiden en Metallica tot Oranssi Pazuzu en Bathory. En nog wel honderd namen.

Wanneer die genres in de clash gaan met elkaar, kijk, dan gaan mijn muzikale voelsprieten in een soort van overdrive aan het werk en wordt een neon billboard gevuld met een woord in koeien van letters: INTERESSANT!

Ik merk dat ik, in de loop der jaren, steeds meer zijpaadjes ben gaan verkennen, drone metal is er daar eentje van. En dan komen we bij Monno, een van oorsprong Zwitserse band - originele leden Gilles Aubrey (zang), Antoine Chessex (tenor sax) en Marc Fantini (drums) leerden elkaar kennen in de plaatselijke extreme metalscène - die in 2003 werd gecompleteerd met de Canadese bassist Derek Shirley. De bandleden hebben, naast metal, ook wel wat met jazz van het uitdagendere soort, en dat hoor je ook wel terug in de muziek, vind ik.

Opener Negative Horizon is meteen een indrukwekkende kolos van bijna een kwartier. Wat na een luisterbeurt of 6 opvalt, is de opbouw van het nummer: traag, log zelfs met die donderende drums, komt de track op gang. Tijd speelt geen rol in het universum van Monno, het draait 'm uitsluitend om de sfeer, die nu eens verwrongen, dan weer verziekt klinkt. Inderdaad: voor een makkelijk, blij gevoel hoef je niet bij Monno te wezen!

Ik schreef hierboven dat Chessex tenor sax (schier perfect naam om dit instrument te bespelen, trouwens) toevoegt aan deze donkere brij, maar dat is verre van conventioneel getoeter. De saxofoon is gekoppeld aan een gitaarversterker, wat zorgt voor een heel apart en dof geluid. Zoek niet naar helderheid of virtuositeit, wel een beklemmend gevoel waar je (ik, althans) een halfuur na luisteren nog steeds niet volledig van hersteld bent. Fobiebeleving voor gevorderden.

De overige 4 tracks kunnen wat mij betreft niet tippen aan de opener, die de lat natuurlijk gelijk erg hoog heeft gelegd. Aubry gooit hier en daar rauw gorgelende vocalen in de strijd (een geluid dat, heb ik ergens gelezen, eigenlijk afkomstig was uit zijn laptop), en dat voegt wel degelijk wat toe. Alsof diverse maagsappen in een laatste opflakkering opborrelen, ternauwernood zoekend naar een uitweg.

Qua invloeden hoor ik de dynamiek en uitgekiende opbouw van Sun O))) terug, evenals de verterende gal van Khanate. Experimentele, eclectische acts als Boris springen me ook wel te binnen (vooral tijdens tracks 1 & 5) en wanneer het saxgeluid wat meer naar de voorgrond treedt, moet ik gelijk aan Albert Ayler denken, die wist ook op een meesterlijke manier zijn instrument aan gruzelementen te blazen, al was dat nog een pak onstuimiger en energieker. Ook de epiek van een sludge/post-gigant als Cult of Luna of Neurosis komt bij momenten wel bovendrijven. De oude punk-energie van die laatste band in het bijzonder hoor ik ook terug in de kortste track van het album, Hull, in een bijzonder pittig huwelijk met free jazz en noise. En de afsluitende track (die ook flink over de 10 minuten gaat) tapt dan weer uit enkele doom-vaatjes!

4 sterren

Monolithe - Interlude Second (2012)

poster
3,5
Onbekende band, zo blijkt. Toch is dit reeds het vierde werkje van deze Fransen, al zijn ze al een tijdje bezig. Twee langspelers en twee EP's, waarvan dit de tweede is, hebben ze al op hun naam staan. Ik had er nog nooit van gehoord, maar ik kwam deze EP eerder toevallig tegen bij de releaselijsten, en ik hou wel van een flinke brok metal. Zeker als het van de meest obscure, donkere soort is.

Monolithe heeft volgens mij wel wat invloeden van landgenoten Deathspell Omega, maar is meer gericht op doom. De twee composities trekken zich dus een stuk trager voort, wat niet wegneemt dat ze wel degelijk een soms verpletterende impact hebben (vooral track 1). De vocalen zijn zoals je ze vaak hoort, alsof ze rechtstreeks uit één of ander opgedolven graf komen, en de luisteraar een blik gunnen in de ziel van een dode.

De twee reeds uitgebrachte langspelers hebben als thema de oorsprong van de mensheid. Volgens een goede bron zullen er in de toekomst nog platen verschijnen, die doorgaan op hetzelfde onderwerp. Waar de EP's over gaan, weet ik niet, de hoes is in ieder geval mysterieus, een soort zwarte zuil temidden een wateroppervlak. Er zullen hoogstwaarschijnlijk interessante betekenissen achter schuilgaan, zoals gebruikelijk in dit genre, maar die ontgaan me voorlopig. Het is me dan ook vooral te doen om de sfeer.

En met die sfeer zit het wel goed. Geen hoogvlieger, het is ook maar een EP (al beschouw ik EP's zeker niet als minderwaardig). Zoals eerder gezegd, kan vooral track 1 me bekoren. Die duurt dan ook veruit het langst (25 minuten tegenover 11 minuten). Er zijn langspelers die qua speelduur korter zijn dan deze EP, maar ook dat is gebruikelijk, omdat de langspelers van dit soort bands meestal naar het uur gaan, of er zelfs over. Maar geen probleem, ik heb altijd al een voorliefde gehad voor lange nummers, zolang de sfeerschepping maar snor zit. Goeie EP, smaakt naar meer.

3,5 sterren

Moondog - Moondog (1969)

poster
4,0
Deze artiest kende ik voorheen enkel van naam en (een beetje) van het mysterieuze aura rond zijn persoon; niet van zijn muziek. Dat had als voordeel dat ik volkomen onbevangen dit album in kon rollen - ik heb ook bewust op voorhand geen info opgezocht, geen recensies of meningen of wat dan ook gelezen.

Ik ben blij verrast met wat ik hoor. "Avant-Garde" staat hier als genre, en dat kan ik wel begrijpen. Je zou hier ook "Jazz" of "Neoklassiek" kunnen aan koppelen, maar het is toch net even wat anders; veel meer nog hintend richting oudere klassieke componisten en werken, maar zeker met een eigen identiteit.

Op dit album van een goed halfuur staan acht stukken, behoorlijk grillig vertakt, wat een verscheidenheid aan emoties oproept. Witch of Endor is een machtig, groots stuk muziek, dat ook wat oosters aandoet en een dreigend sfeertje oproept, en me in de verte wat doet denken aan Mingus' The Black Saint and the Sinner Lady[i] qua opzet, en tegelijkertijd erg filmisch klinkt. [i]Lament I is een fraaie ode aan de legendarische saxofonist Charlie Parker. De Symphonique-stukken klinken erg divers en geïnspireerd, composities die erg goed in elkaar zitten. Niet al te lang doordravend, vormen ze een lust voor het oor - althans het mijne.

Tot slot wil ik nog opmerken dat Moondog's verschijning op de albumcover me erg doet denken aan de illustere magiër Tim uit de heerlijke absurde komedie Monty Python and the Holy Grail - op zijn eigen manier toch ook een beetje avant-garde.

4 sterren

Moonsorrow - Varjoina Kuljemme Kuolleiden Maassa (2011)

poster
4,0
Eerder deze week was ik ‘Verisäkeet’ aan het beluisteren, een plaat uit 2005 van deze Finnen, en ik was enorm onder de indruk van alle epiek en sfeer. Sindsdien is de band niet drastisch veranderd, maar toch zijn er altijd van die details, en details maken of kraken een plaat. Opmerkelijk is dat deze nieuwe van Moonsorrow daar gespaard van blijft; het is niet even geniaal als ‘Verisäkeet’, maar doordat de Finnen perfect weten waar ze mee bezig zijn, en hun vermogen om geweldig sfeervolle songs te componeren, kan je dit allesbehalve een zwakke plaat noemen. Integendeel.

‘Varjoina Kuljemme Kuolleiden Maassa’ (in het Engels: ‘As Shadows We Walk in the Land of the Dead’) bestaat uit 7 nummers, en eenieder die vertrouwd is met de gemiddelde lengte van een Moonsorrow-nummer, zal denken dat dit een gigant van anderhalf uur is. Dat is niet waar; Moonsorrow heeft het over een andere boeg gegooid, en heeft vier lange nummers (variërend van bijna twaalf minuten tot ruimschoots een kwartier) afgewisseld met drie korte intermezzo’s, die vooral belangrijk zijn met het oog op de sfeer, de inkleuring van de plaat. Het folky karakter wordt er grotendeels mee door bepaald, en daardoor vind ik ze op hun plaats; deze drie tussenstukjes horen gewoonweg op de plaat, en als je de Engelse vertaling van de titel van de plaat bekijkt, is dat nog pertinenter.

Goed, de intermezzo’s hebben we gehad, resten ons nog vier epische beesten van songs. Viking metal noemt men het weleens, maar Moonsorrow is zoveel meer. Het is een belevenis op zich, deze prachtige mengeling van folk en black metal. De vocalen worden her en der zwak bevonden, maar ik vind ze enorm sfeervol, ijzingwekkend en naar de keel grijpend. Elke uithaal van de zanger doet me naar adem snakken, terwijl de drummer intens z’n ketels martelt en de gitaren de ene memorabele riff na de andere afsteken, alsof het allemaal peanuts is.

Klap op de vuurpijl is de ronduit schitterende afsluiter, met een erg sterke gitaarsolo, die als een bliksemflits inslaat. Moonsorrow is dit jaar al de tweede Finse band die erin slaagt mij 4 sterren te ontfutselen, een sterke prestatie.

4 sterren

Moonsorrow - Verisäkeet (2005)

poster
4,5
Wat Niels schrijft over deze plaat, van het piratengevoel, daar wil ik graag op inpikken, om mijn bespreking mee te beginnen. Ik ben het er namelijk niet helemaal mee eens, en hoor dit hoogstens in track 3, ‘Pimeä’, terug. Mij bekruipt veel meer een middeleeuws karakter. Epische veldslagen met om de haverklap sneuvelende ridders, en dat om te strijden voor het behoud van land, of de hand van een bekoorlijke prinses. Van de teksten begrijp ik geen jota (al hoop ik ooit wel Fins te gaan bestuderen, vind het namelijk best een leuk taaltje), en dan zijn er twee opties: de Engelse vertalingen opzoeken, of er zelf beelden bij verzinnen. Dan kies ik gaarne voor het tweede.

Opener ‘Karhunkynsi’ begint verrassend, met een klassiek aandoende intro. Verder is het een nummer dat meteen de grandeur en epiek inzet die het hele album lang wordt volgehouden. Voor sommigen een lange zit, voor mij een geschenk. Vooral omdat Ville Sorvali een machtig vocalist is. ‘Karhunkynsi’ is dan nog niet eens het meest memorabele nummer van ‘Verisäkeet’ (Fins voor ‘Blood Verses’, dat heb ik dan toch opgezocht).

‘Haaska’ is nog straffer. Machtige vocalen, heerlijke riffs, die het haast perfecte midden vinden tussen dreiging en luchtigheid, en de akoestische intermezzo’s zijn erg genietbaar, en doen überhaupt geen afbreuk aan de plaat. De lengte van de songs is ook nergens irriterend. De koorzang in ‘Haaska’ vind ik ook erg leuk; bovenal is dit een entertainende plaat, merk ik, en daar zie ik geen graten in. Eén van de belangrijkste functies van muziek is entertainment. Maar tegelijkertijd zal deze plaat daarom ook nooit de volle mep van mij krijgen; er ontbreekt dat (ietsiepietsie) tikkeltje dat het echt speciaal maakt. Maar compositorisch is dit wel van het allerhoogste niveau.

Bij dit soort bands speelt de natuur ook altijd een niet geringe rol. Deze heeft een stemmige invloed op het geheel, en de manier waarop deze Finnen ermee omgaan, geeft alles een ongedwongen karakter. Donder en bliksem, roepende vogels, mysterieus klinkende voetstappen; en dan ben je meteen klaarwakker wanneer de band invalt in ‘Pimeä’. Sorvali haalt zijn meest indrukwekkende en angstaanjagende kreten boven, neef Henri en Mitha Harvilahti bezorgen me kippenvel met een fantastisch aangedreven gitaarriff. Henri speelt ook tin whistle, een instrument dat een erg aangenaam geluid voortbrengt, dat perfect bij deze plaat past. Lekker terug zweven in de tijd. Ook nog een memorabele gitaarsolo, gierende gitaarsolo, doorspekt met het gekrijs van Ville, en dan weet je het. Een geniale song, moeilijk om dat nog te overtreffen.

‘Pimeä’ was dan ook na enkele luisterbeurten mijn onbetwiste favoriet, maar ik moet toegeven dat daar nu toch wel ‘Jotunheim’ naast mag geplaatst worden. Bijna 20 minuten lang wordt de luisteraar ondergedompeld in een schaduwland, vol benevelde ridders, krijsende vogels; het plek uit de Noorse mythologie, waarnaar ook een bergketen in het midden van Noorwegen is vernoemd. Het intro is in elk geval bloedmooi; vogels waarvan het moeilijk is ze te raden (ben geen ornitholoog), akoestische gitaar, accordeon en tin whistle zorgen voor een melancholische sfeer. Het tempo wordt na enkele minuten al de hoogte ingejaagd, en weer is er die winnende combinatie tussen de vocalen en gitaren.

Na een goed kwartier mondt de song langzaam uit in een sfeervolle outro, die een knappe brug vormt naar afsluiter ‘Kaiku’. Enkele geluiden die in het vorige nummer de revue passeerden, komen ook hier weer voorbij, een knetterend vuurtje (daar klinkt het toch naar) warmt de luisteraar op, voor een bijzonder mooie afsluiter. De samenzang (die geen gregoriaanse proporties aanneemt, wees gerust) gaat prima samen met de folky instrumentatie. Dit is een rustig nummer, maar er hangt een zweem van die epische grandeur van de eerste 4 nummers in. Dit soort muziek past, naar mijn mening, bijvoorbeeld perfect bij een televisieserie als ‘Game of Thrones’.

Een welbepaald nummer aanduiden, dat als uithangbord moet dienen voor deze plaat, is in wezen onzin; ‘Verisäkeet’ is een ervaring van 70 minuten die je in z’n geheel moet beleven, anders bereikt de uitwerking zijn volle effect niet. Het is een groots avontuur langs kastelen, verlaten torens en bloederige velden. Maar ook de herbergen, waar menige pul bier wordt gehesen, laten de mannen van Moonsorrow niet links liggen. Het is een plaat die veel mensen als saai en langdradig zullen bestempelen, maar ik maak mezelf dan maar wijs dat deze lieden niet beter weten. Moonsorrow is een meester in het scheppen van een bepaalde habitat, waarin alleen zij gedijen.

4,5 sterren