MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten BoyOnHeavenHill als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Cream - Fresh Cream (1966)

poster
4,0
Lekker debuut, niet echt een eenheid maar dat is ook wel de charme, overal wat vandaan, met afwisselend rustige en intense blues, een walsje tegenover power-singles, en een paar work-outs die iedereen de kans geven om even de spotlight te pakken. Niet alles vind ik even sterk: Cat's squirrel heeft een heerlijke riff die echter niet sterk genoeg om het nummer drie minuten lang interessant te houden, de anderhalve minuut lange mondharmonicasolo op Rollin' and tumblin' is wat mij betreft enorme herrie, en die drumsolo op Toad doet me niet veel. Daar staat tegenover dat de kortere poppy nummers geweldig zijn, niet alleen qua (vaak verrassende) compositie maar ook qua sound, met die mysterieuze stem van Bruce, Clapton die alle gelegenheid krijgt om te knallen, en bovenal de drums van Baker, afwisselend subtiel en hard, stevig en swingend, ruimtelijk en rechtdoor – kortom, precies wat Funky Bookie zegt, Moon, Baker en Mitchell behoren ook tot míjn favoriete drummers. De pluspunten wegen kortom ruimschoots tegen de minpunten op.
        Nog even over een paar onduidelijkheden die hierboven aan bod kwamen en die (hopelijk) opgelost zijn dankzij de informatie in het boekwerk bij de Those were the days-box. De Engelse versie van Fresh Cream uit december 1966 bevatte wel Spoonful maar niet I feel free, terwijl de Amerikaanse versie van een maand later wel I feel free maar geen Spoonful bevatte, dus wat nou de "echte" tracklisting zou moeten zijn is onduidelijk (of je moet zeggen: de Engelse, want Cream is per slot van rekening een Engelse band). En The coffee song werd pas in december 1974 aan een re-issue van Fresh Cream toegevoegd.

Cream - Goodbye (1969)

poster
3,0
Tja, dit is toch wel een kort plaatje zo hoor, met de ene kant met amper tien minuten aan nieuw studiomateriaal en de andere kant gevuld met live-versies van al bekende nummers terwijl het vorige album ook al een hele liveplaat bevatte – het is niet okselfris. Bovendien (en het valt me op dat niemand hier nog iets over heeft gezegd) klinkt de stem van Jack Bruce op de livenummers echt versleten, "ragged", alsof hij door de vele optredens zijn stem eigenlijk kapot heeft gezongen, zodat zijn vocalen op bijvoorbeeld Politician eigenlijk nauwelijks meer als de zijne herkenbaar zijn. Veel nieuws biedt de livekant verder niet, met veel solo's van Clapton waaronder Bruce naar hartelust los mag gaan en Baker zich evenmin inhoudt, maar als de songstructuur zó lang los wordt gelaten verlies ik gewoon mijn aandacht (hoewel ik I'm so glad nog wel sterk vind).
        De studionummers maken veel goed, met pakkende melodieën en effectief gebruik van de Leslie-versterker, en Ginger Baker levert z'n eentje een echt geweldig nummer af, zodat het album als geheel daardoor toch nog redelijk scoort. En als afscheid is deze kant bijna symbolisch voor hoe ik deze band ervaar, met drie nummers die achtereenvolgens kwaliteit, onvoorspelbaarheid en intensiteit bieden, de drie dingen die ik in de muziek van deze band zo waardeer. Als geheel dus een mixed bag waarvan de hoogtepunten kwalitatief hoogstaand maar kwantitatief helaas ondermaats zijn.
        Overigens waarderen wij bij MusicMeter dit album niet bijzonder hoog (3,52* op het moment van schrijven, met afstand het laagste gemiddelde van Creams vier studioplaten), maar in Amerika kwam het album tot de tweede plaats van de albumlijsten, en in Engeland deed Goodbye het zelfs nog beter. Daar haalde het de eerste plaats, om daar twee weken later door The best of the Seekers afgegooid te worden, en daarna haalde het opnieuw de eerste plaats, om daar een week later opnieuw door The best of the Seekers afgegooid te worden, en daarna haalde het nóg een keer de eerste plaats, om daar een week later nóg een keer door The best of the Seekers afgegooid te worden. En toen was het vaarwel definitief.

Cream - Live Cream (1970)

poster
2,0
Het lijkt wel alsof ik naar een andere plaat zit te luisteren dan iedereen hier, en op z'n minst heb ik een andere tolerantiedrempel voor wat ik hoor. N.S.U. begint bijvoorbeeld heerlijk, met Bakers drums die perfect doorkomen, en dan gaat Clapton soleren terwijl Bruce z'n eigen gang gaat en Baker min of meer op de winkel past, maar ik vind dat eigenlijk geen gitaarsolo, het is meer een eindeloze verzameling losse loopjes waar ik niet alleen geen lijn in kan ontdekken maar waar ik ook geen mooie stukjes of riffs of harmonieën in hoor. Het lijkt ook of ze niet eens meer samenspelen, alle instrumenten lijken los van elkaar te staan. Ginger Baker in het boekwerk bij de Those were the days-box: "There was, in fact, one gig where Eric and I stopped playing for two choruses. Jack didn't even know. Standing in front of his triple stack of Marshalls, he was making so much noise that he couldn't tell if we were playing or not."
        Dit klinkt misschien ouderwets, maar mijn idee van een instrumentale passage is een begeleiding met een verschuivende akkoordenreeks waar de gitaar (keyboard, blaasinstrument) dan z'n loopjes overheen speelt zodat het contrast tussen akkoorden en solo zorgt voor een mooi geheel. De meeste solo's hier hangen echter gewoon in het luchtledige zodat er niets is om naar te luisteren: op de twee langste nummers hebben de solo's voor mijn gevoel niets meer te maken met de structuur van de compositie waarbinnen ze plaatsvinden. Ik kan er gewoon niet bij, en ik zeg het volgende niet vaak, maar ik kan zelfs ook niet horen wat andere mensen hier mooi of boeiend aan zouden kunnen vinden. Onbegrijpelijk dat ik de studioplaten van deze band zo geweldig ben gaan vinden, terwijl ik het grootste gedeelte van het livemateriaal als bijna onbeluisterbaar ervaar. Het ligt natuurlijk helemaal aan mij (zeg ik zonder enige ironie, dus niet in de zin van "het zal wel weer aan mij liggen NOT"), maar ik moet het toch even kwijt.

Cream - Live Cream Volume II (1972)

poster
3,5
Droombolus schreef:
[...] Over rommelig gesproken: de manier waarop ze de solo in White Room binnen komen vallen ..... Volgens mij was Baker even met wat anders bezig [...]
Ik denk dat dat ook de reden is waarom Pappalardi daar plotseling dat publiek zo enthousiast in de mix op laat komen: zo hoopte hij misschien die krakkemikkige overgang te bedekken met de mantel der liefde (of beter gezegd: der adoratie).
        Verder een degelijke live-registratie die helaas wel wat te lijden heeft onder de vlakke geluidskwaliteit: eigenlijk komen alleen de drums echt goed door, en pas als ik met mijn koptelefoon luister hoor ik wat Bruce allemaal uitvreet en hoe hij bijna een rol als solist in het geluidsbeeld opeist. Gelukkig wordt dat in de remaster van de Those were the days-box redelijk gecorrigeerd. Ook de zang van Bruce is over het algemeen gedreven, maar de afwezigheid van zijn spookachtige cello op de eerste twee (prachtige) nummers is wel een gemis. Over die eindeloze solo's van Clapton heb ik bij het eerste deel van Live Cream al mijn beklag gedaan, maar gelukkig werkt het hier bij Steppin' out een stuk beter omdat Clapton zich veel meer houdt aan de bluesstructuur van de compositie (in ieder geval tijdens het eerste deel), en bovendien is de begeleiding van Baker van zichzelf al een spektakelstuk. In z'n totaliteit dus toch wel een redelijk sterke liveplaat, mede omdat de tracklist wat mij betreft vier van de absolute hoogtepunten uit het Cream-oeuvre telt.

Cream - The Very Best Of (1995)

poster
5,0
Inderdaad qua selectie uitstekend. Ik zou een paar titels kunnen noemen die hier eigenlijk ook wel op hadden "moeten" staan en ook een paar die er wèl op staan waarvan ik de afwezigheid niet zou berouwen, maar dat zal wel bij elke compilatie van een band met een rijke catalogus het geval zijn.

Momenteel heb ik de 4-CD-boxset Those were the days in huis, en na de studio-opnames (inclusief een paar interessante demo's, ook van nummers die later op de eerste soloplaat van Jack Bruce zouden eindigen) begin ik nu aan het livewerk: 17 nummers over ruim 150 minuten uitgesmeerd, met nummers van 13, 15, 16 en 17 minuten, ik zie er wel een beetje tegenop. Misschien ga ik ook voor hun livewerk voor de bijl, maar zo niet dan is déze CD een uitstekend alternatief (aangezien er geen boxje is met alleen maar hun studiowerk...). (Of Gold, met naast één live-CD ook een iets andere tracklisting van de studio-CD waardoor bijvoorbeeld alle drie de studionummers van Goodbye er op staan.)
 

Cream - Those Were the Days (1997)

poster
5,0
Nog maar eens wat reclame maken voor deze prachtige box: met die ellenlange solo's op discs 3 en 4 heb ik soms (lees: vaak) nogal wat moeite, maar het studiomateriaal op de eerste twee schijfjes is wat mij betreft van zeldzame klasse, dankzij de spannende composities, de prachtige zang en het fantastische drumwerk, en dan wordt er ook nog een steentje bijgedragen door een gitarist van wie ik niet altijd een liefhebber ben maar die in de jaren 60 toch vrij consistent vrij briljant werk afleverde. In déze band bezat hij van de drie het minst opvliegende karakter, maar als hij op het podium eenmaal losgaat merk je daar weinig van. Disc 2 besluit met diverse demo's en outtakes waarvan sommige later op de debuutplaat van Jack Bruce zouden terechtkomen, en daarnaast is de muziek uitstekend geremasterd en bevat de box een boekwerk met een bijna volwaardige biografie. Kortom, onmisbaar voor de liefhebber (hoewel The very best of Cream een meer dan uitstekende compilatie van het studiowerk is).

Cream - Wheels of Fire (1968)

poster
4,5
Een superbe mix van rock, blues, psychedelische folk en humor, ditmaal zonder zwakke plekken omdat Ginger Baker nu samen met een andere muzikant componeert en bovendien niet meer (echt) zingt; Clapton komt met twee prima blues-covers aanzetten, en Jack Bruce bengt mijn twee all-time-favoriete Cream-nummers in, dus de studioplaat kan eigenlijk niet kapot.
        Helaas hebben we het hier niet over de apart uitgebrachte studioplaat maar over de dubbelelpee, en met die liveplaat heb ik nogal wat moeite. Crossroads is lekker fel, en bij Spoonful is het boeiend om te horen hoe Clapton de tijd zonder akkoordenwisseling volkrijgt en met de mogelijkheden van dynamiek speelt terwijl de band hem afwisselend opzweept en intoomt, maar de mondharmonica-"showcase" van Traintime vind ik totaal oninteressant, en de dertien minuten drumsolo van Toad zijn naar mijn smaak gewoon stomvervelend (terwijl Bakers drumwerk op de studioplaten juist één van de oorzaken is waarom ik aan The very best of Cream niet genoeg had en nu inmiddels ook de Those were the days-box heb aangeschaft).
        5* voor de studioplaat, 3* voor het live-gedeelte (dankzij die eerste twee nummers), maar het gemiddelde daarvan is als totaalscore voor mijn gevoel toch echt te laag. Dus een genereuze 4½* vanwege White room en Deserted cities of the heart.
        Overigens bevat voornoemde Those were the days-box niet de oorspronkelijke maar een alternatieve versie van Passing the time, met als enige afwijking dat de instrumentale rave-up 80 seconden langer duurt alvorens daarna het orgel en de xylofoon terugkeren.

Creedence Clearwater Revival - Bayou Country (1969)

poster
2,0
Dit is één van die platen waarbij ik niet alleen het algemene enthousiasme niet kan delen, maar waarvan ik nog eens gewoon niet begrijp wat iedereen hier in hoort. Begrijp me niet verkeerd, ik ben een groot Creedence-fan en ik ken hun zeven studioplaten van achter naar voor, maar Bayou country vind ik echt ondermaats. Om met de kortste nummers te beginnen, Bootleg is lichtgewicht, Penthouse pauper een taaie blues en Good golly miss Molly een onbenullige cover van een toch al onbenullig nummer met tot overmaat van ramp ook nog steeds dezelfde riffs. (Toch heb ik nog een positieve associatie bij dat laatste nummer: toen ik de muziek van CCR alleen nog in de vorm van de vinylcompilaties Creedence gold en More Creedence gold had, was ik zó gek van I put a spell on you dat ik dat nummer heel vaak apart draaide, en als ik dan de naald in de "stille" groef ervóór probeerde te laten zakken kwam ik meestal uit bij de laatste noten van het nummer daarvóór – Good golly miss Molly.)
        De echte dieptepunten zijn echter de afsluiters van beide plaatkanten. Voor Smokestack lightnin' bedacht Howlin' Wolf de truc om daarvoor niet het klassieke bluesschema E-A-B (of C-F-G enz.) te gebruiken maar het hele nummer gewoon in één akkoord te spelen, hetgeen een uiterst saai resultaat had kunnen opleveren, maar dat bij zijn band en in dat arrangement (en met zijn enorme stem) juist geweldig spannend werd. Creedence doet iets vergelijkbaars door Graveyard train ook steeds in één akkoord te laten voortdenderen, maar die steeds herhaalde basriff is zó fantasieloos, het arrangement zó kaal, de solo's zó flauw en de speelduur zó overdreven lang dat ik er na twee minuten al bijna niet meer naar kan luisteren. En ook Keep on chooglin' dendert maar door in één akkoord zonder dat ik de neiging krijg om mee te gaan chooglen, ik voel me een beetje als een feestganger die door een enthousiaste band wordt opgejut om lekker mee te gaan doen zonder dat de muziek die ze spelen mij ook maar enigermate kan animeren om de eenvoudige reden dat er eigenlijk geen ene zak gebeurt. Dat Creedence lange nummers en jams wel degelijk spannend kan houden bewijzen Suzie Q, Effigy, Ramble tamble en I heard it through the grapevine, maar als ik eerlijk ben klinken Graveyard train en Keep on chooglin' alsof ze opzettelijk zo lang mogelijk zijn opgerekt om dit album nog een beetje aan een fatsoenlijke speelduur te laten komen (in de jaren hierna zou Creedence met Green River en Mardi Gras twee platen maken die geen van beiden de 30 minuten halen).
        Wat overblijft zijn echter wel twee fantastische nummers. Ook Born on the bayou blijft grotendeels op één akkoord hangen, maar die slaggitaar vol reverb, die krachtige zang, de spanning van die kleine accenten van akkoordenwisselingen en de algemene donkere sfeer maken er de eerste echt briljante Creedence-original van (nummer 3 in mijn persoonlijke CCR-top-10), en hoewel ik de hektische cover van Ike & Tina Turner lang niet slecht vind prefereer ik toch Fogerty's originele versie van Proud Mary, vol warmte en passie. (Ik las ergens dat het Bob Dylan was die John Fogerty er in de jaren 80 toe overhaalde om weer zijn eigen nummers uit de Creedence-tijd op het podium te gaan spelen, "want anders gaan de mensen nog denken dat Proud Mary niet van jou is maar van Tina Turner!" "Verdomme Bob, je hebt gelijk.")
        Twee geweldige nummers, en voor de rest een uiterst teleurstellende plaat, zeker na het afwisselende en explosieve debuut. Ik kan er echt niet meer van maken.

Creedence Clearwater Revival - Cosmo's Factory (1970)

poster
5,0
Negen weken op nummer 1 in de Amerikaanse albumlijst – ja, dat kan ik me wel voorstellen. Toegegeven, ik moet me even niet storen aan die drie op Creedence-platen wel vaker voorkomende onbenullige vullertjes die samen gelukkig slechts 6'40 duren (Ooby dooby, My baby left me en Travelin' band – ja, ik weet dat dat laatste nummer een grote hit was, maar het blijft toch gewoon een flauw en veel te gehaast standaard-rock & roll-schemaatje in mijn oren). Wat daarbuiten overblijft zijn 36 minuten van, zoals dat zo mooi heet, een staalkaart van het kunnen van deze band, met ontspannen rock & roll (Before you accuse me), psychedelische countrypop (Lookin' out my back door), een benauwende moerasrocker die laat zien hoe je een nummer met maar één akkoord toch gigantisch spannend kan houden (Run through the jungle), briesende rock (Up around the bend), een donker nummer met de lichtste jangle-gitaar die je je maar kunt voorstellen (Who'll stop the rain), een bluesy workout (I heard it through the grapevine), een lofzang op hoe het melancholische verlangen om te zwerven soms hand-in-hand met het verlangen naar thuis kan gaan (Long as I can see the light), en (mijn persoonlijke favoriet, zoals van wel meer gebruikers hier) een opener met een instrumentaal gitaarstuk van vier minuten dat ook tien minuten had mogen duren. Zeer afwisselend, maar met als constanten de hoge kwaliteit, de strakke helderheid van de sound, en die enorme stem, één van de krachtigste en meest expressieve uit de pop/rock-geschiedenis wat mij betreft (dat "Yeah! Yeah! Yeah! Oh yeah!" van de plaatafsluiter, koude rillingen). Green River is mij nog net iets dierbaarder, maar Cosmo's factory is denk ik wel het ultieme Creedence-statement.
        Het nummer dat mij als jongetje voor deze band liet vallen was Up around the bend: "kijk, dát is nou nog eens een ruig nummer!" Pas toen ik mijn plaatjes (in dit geval een Duitse vinylpersing van Cosmo's factory) niet meer via een mono-radio als versterker maar op een echte stereo-pick-up afspeelde hoorde ik dat er al die tijd in het instrumentale gedeelte een gitaarsolo verborgen had gezeten.

Creedence Clearwater Revival - Creedence Clearwater Revival (1968)

poster
4,0
I put a spell on you staat al 45 jaar als vaste waarde in mijn top 10 aller tijden, en elke keer dat ik het hoor krijg ik er weer de koude rillingen van: die stem, die dubbele solo met die enorme sustain in de tweede helft, en vooral dat ruimtelijke geluid waarin de slaggitaar tegelijk glashelder en ontiegelijk vies klinkt terwijl de drums in hun eigen ruimte de hele bandbreedte bestrijken – ik kan het niet goed duidelijk maken. Nog altijd klinkt dit nummer fris en hard, zoals trouwens het leeuwendeel van het oeuvre van deze mannen.
        Dat gezegd hebbende is mijn eerste associatie bij dit album altijd dat het totaal "out of balance" is, zowel wat betreft de eerste kant (twee briljante nummers met daartussenin een flauw wegwerpnummer) als wat betreft het geheel (want welke goede nummers zou een plaatkant wel niet moeten hebben om ooit op te kunnen wegen tegen een combinatie van I put a spell on you en Suzie Q ?). En een ander persoonlijk pijnpunt van dit album is dat ik het sologitaargeluid van sommige nummers niet goed kan hebben. Het contrast tussen bijvoorbeeld het rauwe bluesy geluid van John Fogerty's solo's en de vriendelijke slaggitaar van Tom Fogerty op The working man en Get down woman schuurt gewoon in mijn oren, het strijkt me als het ware tegen de haren in. Ik weet overigens niet precies hoe dat komt: misschien omdat ik dat geluid gewoon "van mezelf" niet mooi vind, misschien omdat ik eerder in aanraking was gekomen met het lichtere en meer classic-rock-sologitaar-geluid op de latere platen van CCR en ik dat nog altijd prefereer.
        Ja, ik merk dat ik mijn recensies vaak begin met het opsommen van de minpunten van een plaat, zodat die daarmee achter de rug zijn en ik aan mijn enthousiasme voor de rest van het album uiting kan geven. En vooruit: dit is het debuutalbum van een band die ik al vanaf de eerste plaat die ik van ze hoorde (Cosmo's factory) in mijn hart heb gesloten, en hoewel dit album zoals bijna elke Creedence-plaat een paar vervelende opvullers telt (afgezien van The working man vind ik deze cover van Ninety nine and a half grof en onaf, en Get down woman is werkelijk zeldzaam onbenullig) is het toch al een waardig begin om de eenvoudige reden dat John Fogerty op z'n best een even simpele als onaantastbare grandeur uitstraalt waar niemand aan kan tippen, niet in het minst dankzij één van de beste rockstemmen ooit. Het opgejaagde Porterville, het onheilspellende Gloomy en de lugubere afsluiter Walk on the water (negen jaar later prima gecoverd door Richard Hell & the Void-Oids) vormen wat dat betreft al een fraaie staalkaart van waar deze band toe in staat is (en halen zo kant 2 na die eerste twee missers flink op), en dan hebben we natuurlijk nog die éérste elpeekant...

Creedence Clearwater Revival - Green River (1969)

poster
5,0
Het titelnummer is meteen symbolisch voor de hele plaat : uitermate simpel, met pas aan het einde van de derde regel een ander akkoord, steeds herhaalde riffs, een minimalistische gitaarsolo, een rustieke tekst vol plattelandsgenoegens, een begeleiding die geen franje kent – maar het wèrkt, want de melodie blijft onmiddellijk hangen, de stem getuigt van de eerlijkheid van Fogerty's visie, de band swingt en de totaalsound is perfect, ergens tussen rock en rockabilly in. Het lijkt een nummer van niks, maar ik heb het nu zeker al honderd keer gehoord en ik ben het nog steeds niet zat.
        Het album als geheel is uniek binnen Creedence's oeuvre omdat er geen enkele opvuller op staat. Elk nummer heeft z'n eigen pakkende melodie, sterke tekst en straffe ritme, steeds een basis van strakke rock met tekstueel vaak een onverwacht donker randje: het ongeluk van Tombstone shadow, de wanhoop van Wrote a song for everyone, de onheilszwangere voorspellingen van Bad moon rising, het onvermogen om uit de greep van Lodi te geraken, de fantomen van Sinister purpose. Dat geeft dit album nog meer gewicht – niet dat gewone "good time rock & roll" onvoldoende zou zijn, maar door de onderstroom van spanning krijgt de muziek nog een extra lading.
        (Bij Commotion dacht ik altijd dat ik tijdens de solo na het tweede couplet steeds een fluitje hoorde, maar dat blijkt dus een naar achteren gemixte mondharmonica te zijn. En ook dacht ik vroeger dat met een "cross-tie" een soort dasje bedoeld werd, en dat een "cross-tie walker" een ambtenaar met een burgerlijk dasje op weg naar z'n werk is, maar het gaat om iemand die de dwarsbalken tussen de rails volgt en zo gaat waar het spoor / de wind / het lot hem brengt, de archetypische Amerikaanse zwerver onderweg – met de Amerikaanse traditie weet Fogerty wel raad.)
        Het lijkt allemaal zo simpel en voor de hand liggend. Het geheim van Creedence is misschien wel dat er geen geheim is : het is wat je hoort, maar wat je hoort is uniek. (En zó simpel is het trouwens nou óók weer niet, want bij die gitaarsolo van Green River hoor je stiekem drie gitaren door elkaar heen.)

Creedence Clearwater Revival - Mardi Gras (1972)

poster
2,0
Ik weet niet meer waar het was, maar ooit las ik een recensie waarin dit album "the worst record by a major rock band" werd genoemd, en daar lijkt me niets op af te dingen. Ik laat in het midden of het Fogerty was die van de anderen eiste dat zij ook de compositorische kar zouden trekken of dat Cook en Clifford daar juist zèlf om vroegen (zie de controverse waar nlkink het op 31-3-2015 over heeft), want het resultaat is hoe dan ook door de bank genomen bedroevend. Fijn voor Cook en Clifford dat ze nu ook elk drie nummers mochten bijdragen, maar met zulke nietszeggende composities laten ze nou niet echt blijken dat ze dat (afgedwongen?) vertrouwen waard zijn, en Cooks monotone knauwzang doet echt pijn aan mijn oren (luister eens hoe hij het eerste woord van de tekst van Sail away zingt!). Twee fantastische nummers van (wie anders dan) Fogerty, twee vriendelijke country-achtige nummers (de plaatopener, ook weer van Fogerty, en Need someone to hold waarop Cliffords enigszins onvaste stem warempel een meerwaarde vormt), en de rest van het album is onbenullige rommel. En om tot die conclusie te komen hoef ik Mardi gras echt niet met hun eerdere platen te vergelijken.

Creedence Clearwater Revival - Pendulum (1970)

poster
2,5
Tjonge, wat begint dit album lekker. Pagan baby opent met een aardig gitaarloopje, dan komt er een stevig couplet gevolgd door een lekkere break, en wanneer Fogerty daarna halverwege het nummer begint te soleren ga ik er eens goed voor zitten... maar er gebeurt eigenlijk helemaal niets. Sowieso heb ik niet zoveel met solo's tegen een begeleiding van één akkoord, en de incidentele terugkeer van die sterke break kan verder niet verhullen dat de laatste drie minuten van dit nummer eigenlijk gewoon saai zijn. En dat is in feite de voorbode van wat de rest van dit album (een enkele uitzondering daargelaten) gaat brengen: Sailor's lament is onvoorstelbaar flauw en monotoon, Chameleon mist interessante melodieën en hooks en gaat ook maar door met die simpele slotregel, uit Born to move blijkt alleen maar dat Fogerty niet het vermogen van Booker T heeft om een orgelsolo boeiend te houden, en Molina heeft een ontzettend irritante elektrische piano als begeleiding voor een ontzettend irritante melodie. En je kunt je toch niet voorstellen dat ze na afloop van de opname Rude awakening #2 terugluisterden en toen dachten: ja, dat is goed zeg! dat klinkt precies zoals we het wilden, dat gaat de tand des tijds doorstaan! Zelf schiet ik alleen maar in de lach dat je zoiets infantiels op plaat durft te zetten – het is niet eens psychedelisch, gewoon de probeersels van een driejarige die net een bandrecorder heeft gekregen, met dat fluitje vanaf 4:10 als gênant dieptepunt (of is die rol weggelegd voor die twee mondharmonica's vanaf 5:28?).
        Ik heb het idee dat Fogerty op dit album wat meer in de richting van de soul wilde gaan, met meer gebruik van orgel en wat meer nummers met een funky of soul-inslag zoals Sailor's lament en (Wish I could) Hideaway, dit alles wellicht vanwege zijn bewondering voor Booker T & the MG's. En zo'n koerswijziging of –aanpassing valt te prijzen, maar dan had hij er wel wat betere nummers bij moeten schrijven, en daaraan ontbreekt het helaas op dit album. Gelukkig zijn er ook een paar hoogtepunten: (Wish I could) Hideaway is een mooie trieste ballade (hoewel Fogerty het zó nadrukkelijk zingt en zó sterk op zijn magnifieke stem leunt dat het wel lijkt alsof hij het nummer een overtuiging wil meegeven die hij zelf eigenlijk niet voelt), It's just a thought is een eveneens fraaie ballade met een knap orgel om de melodie te dragen, en Hey tonight is een instant-klassieker (voor mij de tweede in een trio over gemotoriseerde vrijheid, met Up around the bend als voorloper en Sweet hitch-hiker als opvolger – voor mij horen die drie nummers bij elkaar, alle drie stevige gitaar-rockers waarbij ik Fogerty dwars door het open Amerikaanse landschap per motor of auto over de ruime wegen zie razen).
        Blijft nog één nummer over: Have you ever seen the rain, nummer 2 in mijn top-tien van beste Creedence-nummers aller tijden. Eigenlijk uitermate simpel, met een akoestische gitaar en een gortdroge ritmesectie die een geweldige melodie en een fraaie tekst ondersteunen, af en toe een kort pianoloopje voor een extra accent, en dan natuurlijk die stem... Maar vanaf het tweede couplet komt er een melancholiek orgel bij dat extra sfeer en gravitas aan het nummer toevoegt, en wanneer op het einde het refrein een laatste keer herhaald wordt gaat Doug Clifford zijn bekkens nog extra gebruiken, een mooie metafoor (of auditieve benadering) van de regen die het nummer overheerst. In feite bevat dit arrangement geen aparte of unieke elementen, maar is het zó spot-on passend dat het de perfecte muzikale omlijsting voor deze tekst is – ik ken maar weinig nummers die zodanig gearrangeerd zijn dat elke noot op precies de juiste plek valt.
        En dat brengt me op een andere constatering: eigenlijk is er niets bijzonders aan de Creedence-sound, meestal gewoon bas, drums, twee gitaren en zang met soms ondersteuning van piano of orgel, en dat alles simpel, helder en strak opgenomen, maar op de één of andere manier heb ik nog nooit een andere band gehoord die die sound kon benaderen: hard en helder, maar zodanig dat je elk instrument apart zo duidelijk kan horen, en vooral een sound waarbinnen de muziek kan ademen. Have you ever seen the rain is daar een perfect voorbeeld van, maar ook Ramble tamble en Green River en The midnight special en Suzie Q en talloze andere CCR-nummers hebben die eigenschap – een klassiek rockgeluid met een unieke ruimtelijkheid. Toch een positieve afsluiting van dit bericht bij een zeer teleurstellende plaat van een favoriete groep.

Creedence Clearwater Revival - The Concert (1980)

Alternatieve titel: The Royal Albert Hall Concert

poster
4,0
Goede live-plaat, niet perfect maar een boeiend document. Ik vind het geluid toch wel aardig, niet zo helder en vol als hun studioalbums maar zeker niet slechter dan veel andere liveregistraties uit deze periode.

Creedence Clearwater Revival - Willy and the Poor Boys (1969)

poster
4,5
De middelste van de zeven Creedence-platen èn van de het uitstekende centrale trio. De leuke sfeervolle hoes keert terug in de plaatopener, maar daarna volgen twee nummers waar ik weinig mee kan, het tekstueel leuke maar muzikaal blind voortrazende It came out of the sky en de weinig opzienbare cover van Cotton fields, dat ik liever in de versie van de Beach Boys hoor. De rest van de plaat is gelukkig ijzersterk, met als hoogtepunten voor mij Feelin' blue (merkwaardig hoe een nummer waarin zo weinig gebeurt ["Feelin' blue, blue, blue, blue, blue"] toch zo lang zo boeiend kan blijven – het zal ook wel iets met de warme sound van die shuffelende drums en die slaggitaar vol reverb te maken hebben) en het benauwende Effigy; op 17-8-2009 noemt Kingsnake dat "een van de mooiste pre-Free Bird songs", maar zelf moet ik altijd denken aan het half-los-rammelende half-extreem-spannende van de eerste samenwerkingen tussen Neil Young en Crazy Horse op Everybody knows this is nowhere (toevallig ook 1969), en dan met name de lange work-outs van Down by the river en Cowgirl in the sand. (De tekst van Effigy schijnt te refereren aan Nixons schouderophalende reactie op de tienduizenden anti-Vietnam-demonstranten, maar in de tijd dat ik dat nog niet wist had ik er vanwege het donkere geluidsbeeld en de gemene sologitaar altijd associaties met Zuidelijke lynchpartijen bij.)
        Toen ik Creedence Clearwater Revival in mijn vroege jeugd via Creedence gold en Cosmo's factory leerde kennen waren er altijd wel mensen die hun neus voor deze band ophaalden omdat "het allemaal zo simpel was". Wat raar dan dat deze muziek nog steeds gedraaid wordt, dat diverse nummers van ze her en der in films opduiken en dat er om de zoveel tijd wel weer een nieuwe compilatie van ze verschijnt. Ik denk dat diverse rockmuzikanten er wel een lief ding voor over zouden hebben om een nummer als Fortunate son te hebben geschreven. Op hun beste momenten was dit een onsterfelijk goede band.

Cressida - Asylum (1971)

poster
4,5
Een iets andere insteek dan op het debuutalbum, met in plaats van louter korte tot middellange nummers (3 à 5 minuten) nu ook twee zeer korte nummers (eigenlijk meer schetsen die niet echt de moeite waard zijn) en twee lange "volbloed" progressieve (of –zoals we toen zeiden– symfonische) nummers. En van die twee is Munich van een ongekende schoonheid, met in het eerste gedeelte een prachtige melancholische zangmelodie met ingetogen orkestbegeleiding, daarna een ijzersterk instrumentaal stuk gevolgd door een terugkeer naar de melancholie en een spectaculair slot, echt een fantastisch nummer. Ook dat andere lange nummer Let them come when they will begint geweldig, maar de bezwering à la David Eugene Edwards die Angus Cullen in het lange tussenstuk probeert op te roepen gaat hem niet bijzonder goed af, hoewel het slot van het nummer (met die wandelende bas) wel weer van hoog niveau is.
        Naast die twee nummers (die toch de belangrijkste blikvangers van dit album vormen) wil ik toch ook het dromerige Summer weekend of a lifetime noemen, met z'n zomerse sfeer die me doet denken aan de vroege Pink Floyd ten tijde van Julia dream en Remember a day. Omdat ook de twee andere middellange nummers Asylum en Lisa van hoog niveau zijn zou ik kunnen twijfelen tussen 4 en 4½ ster, maar een nummer als Munich kom ik toch wel zó weinig tegen dat het de weegschaal voor het album als geheel naar de positieve kant doet doorslaan. Ook los van die waardering in sterren is dit echter een prachtig album; spijtig dat deze band nooit verder is gekomen dat de twee platen die we nu hebben. (Met wederom dank aan Aproxis.)

Cressida - Cressida (1970)

poster
4,5
In principe ligt deze plaat helemaal in mijn straatje: een stimulerende kruising van pop, singer/songwriter en symfo, een sympathieke instrumentatie inclusief heerlijk swirling Hammond-orgel, en een heldere en lichte sound die mede zorgt voor de zeer hoge draaibaarheidsfactor. Waar dit in theorie voor mij een vijf-sterren-album zou kunnen zijn geef ik echter toch niet meer dan ****, gedeeltelijk vanwege de af en toe enigszins onvaste stem die niet storend maar ook niet echt goed is, gedeeltelijk omdat teveel composities nèt niet klassiek-pakkend of vanzelfsprekend zijn (waardoor ook de hit die deze band had kunnen doen doorbreken ontbreekt, hoewel het poppy Light in my mind daar eigenlijk best voor had kunnen zorgen). Dus een heerlijke plaat die ik graag eigenlijk nog wat beter had willen vinden. (Met dank aan Aproxis.)

Crosby, Stills & Nash - Crosby, Stills & Nash (1969)

poster
5,0
woutorrmusic schreef:
Grappig: op de achterkant van de LP, waar de muzikanten enzovoort vermeld staan, staat dat er ook een 'spiritual guide' aanwezig was, tijdens het opnemen van dit album.

De man die daarbij genoemd wordt –Ahmet Ertegun– was de baas van Atlantic Records, die op verzoek van Stills Graham Nash van EMI had losgeweekt en zo het opnemen van dit album mogelijk had gemaakt.

Kijk, dit is nou zo'n plaat waarvan de kennis over hoe hij tot stand is gekomen en de algemene sfeer die hij uitstraalt mijn waardering sterk beïnvloedt, of ik dat nou wil of niet. Als Stills zegt: "In those days we were really wide-open as far as making sure we were doing what the other guys wanted", dan hoor ik daar een saamhorigheid in die de prachtige muziek op deze plaat voor mij een enorme meerwaarde geeft (en die ook precies was wat er op Déjà vu ontbrak). In mijn hart ben ik de hippie die ik vanwege mijn leeftijd nooit heb kunnen zijn, en ik zeg dat zonder enige ironie. (Zelfs Our house vind ik mooi, ook al laat Stijn_Slayer door ''very very fine house'' een smiley braken…)

Daarom (en vanwege de prachtige pastorale sfeer) geef ik de plaat ook de volle mep qua sterren, ondanks het feit dat zes van de tien nummers naar mijn mening het niveau van de vier absoluut briljante hoogtepunten Suite: Judy blues eyes, Marrakesh express, Wooden ships en Helplessly hoping niet halen. (Die luie Stills nam niet eens de moeite om voor het tweede couplet van You don't have to cry een andere tekst te verzinnen!) Geen perfecte plaat dus, maar wel een extreem sympathieke.

Twee grote voorgangers qua beroemde harmonieën in de Amerikaanse popmuziek zijn natuurlijk de Beach Boys en de Byrds. Beide bands hebben ontegenzeggelijk superbe dingen gedaan, maar voor beide bands geldt ook dat ik na niet al te lange tijd enigszins moe word van hun specifieke harmonieën. Hetzelfde zou het geval kunnen zijn bij de toch uiterst herkenbare en dankzij Graham Nash zo "scherpe" samenzang van CSN, maar in het geval van déze band lust ik er wel pàp van.

Overigens, misschien wel aardig om te weten, door niemand hier nog genoemd, dus daarom doe ik het maar even : Wooden ships werd geschreven door Crosby, Stills en (zonder dat hij op de oorspronkelijke hoes vermeld werd) Paul Kantner van Jefferson Airplane, en die laatste nam het ook op met zíjn band, op Volunteers uit 1969. Op YouTube is de studioversie gewoon te vinden, aardig om eens te beluisteren.

En nog een ander aardig weetje, over het begin van Marrakesh express. Opnieuw Stills: "That was during the time of the Beatles' [supposed] backwards messages, the satanic stuff. It was all so stupid. So we decided to put on something that was meaningless backwards and forwards."

Heet 49 bye-byes alleen maar zo omdat Stills zijn tekst in dat aantal regels heeft opgeknipt? (Moet je er wel voor zorgen dat bij een re-release de opmaak van de lyrics niet door een onnadenkende lay-out-maker wordt veranderd.)

 

Crosby, Stills, Nash & Young - 4 Way Street (1971)

Alternatieve titel: Four Way Street

poster
4,5
Bij de akoestische helft bekruipt mij allereerst het gevoel dat dit niet echt een groep is maar eerder vier individuen die elkaar als achtergrondkoortje of tweede gitarist gebruiken om eigen materiaal te brengen, een gevoel dat nog wordt versterkt doordat er zo weinig van de twee groepsplaten wordt gespeeld en zoveel van de soloplaten (of zelfs van nog ouder werk van Buffalo Springfield en de Hollies). Maar ja, dat dit eerder vier losse persoonlijkheden zijn dan een echte band wisten we natuurlijk al sinds Déjà vu, en het materiaal varieert van goed tot uitzonderlijk, er is goed contact met het publiek, iedereen geeft alles, en zelfs als enigszins vrijblijvend kwartet is dit toch een unieke combinatie van unieke muzikanten. Op de elektrische helft mogen Stills en Young uit hun dak gaan, en van dat gitaargeweld moet je houden – ik weet niet wat de mensen die vooral op Suite: Judy blue eyes en Helpless afkwamen hier van vonden, maar persoonlijk kan ik het wel smaken, en de drums erachter klinken heerlijk.
        Hoogtepunten zijn voor mij in de akoestische helft Crosby's sterke The Lee shore, Nash's ontroerende Right between the eyes, en Cowgirl in the sand dat in deze akoestische versie moeiteloos overeind blijkt (met dank aan Youngs karakteristieke gitaarspel), en in de elektrische helft Southern man en Ohio. Helaas zitten er ook twee missers bij, Stills' weinig subtiele 49 bye-byes / America's children, en King Midas in reverse dat in deze kale versie niet duidelijk maakt waarom Nash er zo enthousiast over was.
        Beluisterd via de remaster van 1992; een vriend van mij had dit halverwege de jaren 70 op dubbelelpee, en op de dag na aankoop is hij ermee terug naar de winkel gegaan omdat zijn persing zo beroerd klonk, maar deze "nieuwe" versie klinkt uitstekend.

Crosby, Stills, Nash & Young - Déjà Vu (1970)

poster
5,0
Deze plaat is nu 42 jaar oud, ik ken hem nu ongeveer 40 jaar, ik heb hem al zeker honderd maal gedraaid, de omstandigheden waaronder hij gemaakt werd waren al lang niet meer zo amicaal als ten tijde van z'n voorganger, eigenlijk is het een raar allegaartje, ik las zelfs ergens dat het niet zozeer een groepselpee is alswel een verzameling nummers waarbij elke componist steeds de andere twee (of soms drie) gebruikte als begeleidingsband… en toch klinkt de plaat nog steeds ontzettend fris en scherp, alsof de vier heren hun persoonlijke problemen en hun onderlinge animositeit gewoon opzij konden zetten zodra het op muziek maken aankwam. Nog altijd een geweldig rijke en gevarieerde plaat.

Teach your children was volgens mij het eerste nummer waarop ik bewust een steelgitaar hoorde, en nog altijd is dat nummer voor mij een soort maatstaf om aan af te meten hoe zo'n instrument moet klinken. Jammer verder dat voor de geremasterde CD-release niet is gekozen voor de extended version van Almost cut my hair (8'49, met lekker veel extra gitaarduel), gewoon als derde nummer van de CD of voor de puristen onder ons desnoods als bonustrack.

Favoriete stukje: Country girl, "the one moment in which Nash's voice soars out past Mars" (zoals Neil Youngs biograaf David Downing het zo treffend uitdrukt) – wie niet nú al weet welk moment ik bedoel zal de ijzingwekkende schoonheid ervan ook niet herkennen wanneer het hem wordt aangeduid.

Overigens staan in de top-10 van de favoriete nummers van dit album volgens de MuMe-gebruikers bij de statistieken de twee nummers van Graham Nash toch strak op 3 en 4. Veel mensen vallen er over, maar kennelijk zijn er ook veel liefhebbers.
 

Cuby+Blizzards - The Universal Masters Collection (2002)

poster
3,5
Deze band lag zowel qua tijd als qua genre altijd nèt een beetje voorbij mijn muzikale horizon, met uitzondering van het singletje Another day, another road (met op de achterkant Feeling like a suitcase) dat zich toentertijd opeens tussen de Dizzy Man's Band en The Sweet in mijn verzameling bleek te bevinden, en Appleknockers flophouse dat soms via de radio viel te beluisteren. Dan is MusicMeter weer eens nuttig om te lezen dat deze compilatie een ruimhartige (want 76 minuten lange) en goede selectie met idem geluid voor een betaalbare prijs behelst, en een pluim bovendien voor de durf om te beginnen met de twee bekendste singles plus wat zo ongeveer iedereen het prijsnummer van Groeten uit Grollo vindt, Somebody will know someday, met het risico dat daarna de rest van het materiaal op deze CD alleen maar kan tegenvallen.
        En dat is dan ook de waarde van zo'n compilatie, want ik moet op alle loftuitingen meteen laten volgen dat het hier wat mij en mijn collectie betreft vermoedelijk ook wel bij blijft. Tegenover dat uitstekende openingstrio en bijvoorbeeld het fraaie Window of my eyes (hun grootste hit) staan namelijk ook diverse nummers die nogal gewoontjes zijn (Just for fun, Goin' home, Night train) en die soms ook veel te lang doorgaan, zoals de vier nummers tussen tracks 12 tot en met 16 die samen bijna 24 minuten duren. Wat dat betreft spreekt het ook boekdelen dat ikzelf als favorieten naast Somebody will know someday juist Seasons come and seasons go, Thursday night en de perfecte afsluiter Sometimes heb aangekruist, mooie zware dramatische nummers met veel popinvloeden waarop Muskee met zijn beste Gary Brooker-stem excelleert, en niet de "pure" bluesnummers waar deze groep zijn reputatie aan ontleent.
        Eerlijk is eerlijk, de band doet z'n best om zoveel mogelijk variatie aan te brengen, bijvoorbeeld door het afwisselende gebruik van akoestische gitaar, sax, klavecimbel, fluit en een jazz-arrangement inclusief bassolo (op Sonny Boy Williamsons Help me), maar al met al hoor ik toch te weinig nummers waarvoor ik echt warm loop, zodat bijvoorbeeld ook de cover van The sky is crying te weinig toevoegt aan het origineel van Elmore James. Het klinkt allemaal stevig en overtuigend en straalt veel energie uit, maar als zelfs een compilatie van hoogtepunten zoveel materiaal bevat dat in mijn oren nogal doorsnee klinkt is dit voor mij persoonlijk precies genoeg.