MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten erwinz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Khruangbin - Mordechai (2020)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Khruangbin - Mordechai - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Khruangbin - Mordechai
Mordechai van Khruangbin is de perfecte soundtrack voor de hittegolf van het moment, maar steekt in muzikaal opzicht veel knapper in elkaar dan je op het eerste gehoor zal vermoeden

Een paar weken geleden vond ik alle ophef over het nieuwe album van de Texaanse band Khruangbin nog ongegrond, maar bij de tropische temperaturen van het moment klinkt het allemaal veel lekkerder. Ik vond de band twee jaar geleden vooral een curiositeit, maar wat heeft Khruangbin in muzikaal opzicht een sprong gemaakt. Het gitaarwerk op het album is geweldig en ook de rest klopt, inclusief de toevoeging van vocalen, die de muziek van de band een stuk interessanter maken. Mordechai van Khruangbin doet het geweldig op de achtergrond op een snikhete zomerdag, maar verdient het ook om volledig uitgeplozen te worden.

Mordechai, het vierde album van de Texaanse band Khruangbin, kon een week of zes geleden rekenen op zeer lovende recensies. Ik heb het een paar keer geprobeerd met het album, maar liet me bij de gematigde temperaturen van dat moment nog niet verleiden door de muziek van Khruangbin. Nu we zijn beland in een officiële hittegolf heb ik het nog eens geprobeerd met het album en direct bij de eerste poging beviel het me al een stuk beter. Ligt het aan het weer of ben ik inmiddels gewend aan de bijzondere klanken van de band uit Burton, Texas?

Laat ik met het weer beginnen. Mordechai is absoluut een album dat uitstekend gedijt in een zomerse setting. De muziek van Khruangbin is loom en broeierig en lijkt dankzij de funky injecties gemaakt voor de warmste zomeravonden. De hoge temperaturen van het moment spelen dus zeker een rol bij de makkelijkere acceptatie van Mordechai, maar er is meer. Waar het album bij eerste beluistering voor mij nog wat doelloos voortkabbelde, hoor ik nu de muzikaliteit van de Amerikaanse band.

Ik kende Khruangbin tot voor kort alleen van Con Todo El Mundo, waarmee de band in 2018 opdook. Het album liet een verassend, voornamelijk instrumentaal geluid vol invloeden horen. Het sprak me destijds wel aan, maar ik moet eerlijk toegeven dat ik het album in de twee jaren die volgden niet meer heb beluisterd.

Vergeleken met Con Todo El Mundo klinkt Mordechai veel strakker en ook veel zwoeler. Waar de band op het album waarmee het doorbrak in muzikaal opzicht zeker geen onuitwisbare indruk maakte, doet Mordechai dit wel. In de zwoele openingstrack vloeien psychedelica en soul prachtig samen op een manier waarop dit in de jaren 70 gebruikelijk was. De hechte basis van bas, drums en keyboards vormt een mooie ondergrond voor speelse gitaarlijnen, die weer fraai kleuren bij de wat op de achtergrond opgenomen vocalen, die het geluid van de band wel wat toegankelijker maken. Eerder dit jaar liet de band overigens op de EP met Leon Bridges horen hoe goed het klinkt met een goede zanger.

Mordechai richt zich een album lang op broeierige zomeravonden, maar varieert flink met haar geluid. Na de psychedelische of kosmische soul uit de openingstrack volgt in de tweede track de funk, met een duidelijke verwijzing naar de muziek van Chic. In de tracks die volgen gaat de muziek van Khruangbin steeds een andere kant op. Van Caraïbische klanken en reggae en dub tot flirts met de filmmuziek van Serge Gainsbourg, iedere track klinkt weer net wat anders, maar alles bij elkaar genomen is Mordechai een consistente soundtrack van een mooie zomer.

In eerste instantie hoorde ik vooral de zomerse klanken, maar inmiddels hoor ik ook beter hoe mooi het gitaarwerk op het album is, hoe strak en degelijk de ritmesectie, hoe avontuurlijk de elektronische accenten en hoe functioneel de zang, die de muziek van Khruangbin veel toegankelijker maakt.

Natuurlijk is het zo dat Mordechai het vooral goed zal doen in een zomerse of zelfs tropische setting, maar in deze setting is het veel meer dan wat zomaar op een hoop gegooide zonnige klanken. Con Todo El Mundo vond ik twee jaar geleden vooral een curiositeit, maar op Mordechai hoor ik ook het muzikaal vakmanschap van de Texaanse band. Erwin Zijleman

Khushi - Love Songs & Other Lies (2026)

poster
3,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Khushi - Love Songs & Other Lies - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Review: Khushi - Love Songs & Other Lies
De Britse muzikant Khushi is tot dusver vooral bekend als de producer van albums van James Blake, maar met zijn prima tweede album Love Songs & Other Lies eist hij ook zelf zijn plekje in de spotlights op

Khushi bracht helemaal aan het begin van het jaar zijn tweede album uit, waardoor het nog niet heel veel aandacht heeft gekregen, maar Love Songs & Other Lies is een knap gemaakt album. Het is een album dat op het eerste gehoor misschien wat zoet en glad klinkt, maar de productie van het album is echt prachtig en ook de muziek op het album is mooi en veelzijdig. Als de muziek en de songs op het album eenmaal op hun plek vallen, groeit ook de waardering voor de zang op Love Songs & Other Lies. Het is een album dat ook nog eens lastig in een hokje is te duwen, wat uiteindelijk zeer in het voordeel spreekt van het tweede album van deze Britse muzikant en producer.

Khushi is het Hindi woord voor geluk, maar het is ook de artiestennaam van de uit Londen afkomstige singer-songwriter en producer Kalim Patel. Het helemaal aan het begin van het jaar verschenen album Love Songs & Other Lies is de eerste muziek van Khushi die ik hoor, maar het is het tweede album van de Britse muzikant, die vijf jaar geleden debuteerde met het album Strange Seasons, dat mij toen niet is opgevallen.

Khushi was de afgelopen jaren vooral bekend als producer en sleepte een Grammy nominatie in de wacht voor zijn werk voor James Blake. Dat hij een vinger in de pap had bij de albums van James Blake hoor je ook wel, maar ik ben er nog niet uit of ik dat echt een pre vind.

Ik was in eerste instantie ook niet zo heel enthousiast over Love Songs & Other Lies. Het is direct vanaf de openingstrack een bijzonder sfeervol en stemmig album en ook de zang van Khushi is in orde, maar ik werd bij eerste beluistering wel wat week van de muziek en de zang.

Zeker wanneer zowel de muziek als de zang wat zwaar worden aangezet is het allemaal wat aan de zoete kant en dat kan ik van zangeressen beter hebben dan van zangers. De prachtige duetten met de mij onbekende zangeressen Monica Martin en Ruti wisten me dan ook net wat makkelijker te overtuigen dan de songs waarin Khushi er alleen voor staat.

Love Songs & Other Lies deed het ondertussen wel opvallend goed tijdens de koude winteravonden van de afgelopen week en langzaam maar zeker ben ik het album meer gaan waarderen. Love Songs & Other Lies is om te beginnen bijzonder mooi geproduceerd. Alles komt even helder door de speakers en alle instrumenten passen even goed bij elkaar en combineren bovendien prachtig met de zang.

Het klinkt op het eerste gehoor misschien wat braaf en zoet, maar Khushi is echt een prima zanger, die ook nog eens fraai kan variëren net zijn stem. Ook in muzikaal opzicht is Love Songs & Other Lies een album dat steeds beter wordt. Het klinkt allemaal mooi verzorgd, maar de muziek op het album is ook voldoende vaak spannend en bovendien zeer veelzijdig.

Ik heb het minst met de wat stevig aangezette klanken, die ik het minst onderscheidend vind en ook het minst goed vind passen bij de zang, maar gelukkig is Khushi op zijn tweede album niet vies van meer ingetogen en dromerige klanken. Het past allemaal in het hokje pop, maar Love Songs & Other Lies bevat ook zeker invloeden uit andere genres.

Ik ben blij dat het album is verschenen in de eerste week van het nieuwe jaar, want in een week met heel veel releases had ik het album waarschijnlijk niet de kans gegeven die het wel verdient. Juist toen ik het album meerdere keren voorbij had horen komen raakte ik onder de indruk van al hetgeen dat Khushi te bieden heeft.

Een release vroeg in het jaar betekent ook vaak dat er nog niet heel veel aandacht voor is en dat is in het geval van Khushi jammer. De Britse muzikant en producer is tot dusver vooral bekend als een van de mensen achter het geluid van James Blake, maar Khushi laat op Love Songs & Other Lies met grote regelmaat horen dat hij ook zelf een plekje in de spotlights verdient. Het is een album dat zich net wat buiten mijn muzikale comfort zone bevindt, maar ik geniet eigenlijk steeds meer van de muziek van Khushi. Erwin Zijleman

Kibi James - Delusions (2023)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Kibi James - delusions - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Kibi James - delusions
Kibi James is een Amerikaans drietal dat op haar debuutalbum delusions verrast met heerlijk melodieuze songs die smaakvol en avontuurlijk zijn ingekleurd en verder worden verfraaid met fluisterzachte stemmen

Er verschenen vorige week idioot veel nieuwe albums, waardoor een aantal prima albums tussen wal en schip dreigen te vallen. Het zou zonde zijn als dit gebeurt met delusions van Kibi James, want het drietal uit Atlanta heeft een fris en avontuurlijk indiepop album gemaakt. Mari, MJ Corless en Pomi Abebe hebben zich laten inspireren door popmuziek uit de jaren 90, maar zijn zeker niet in dit decennium blijven hangen. Het debuutalbum van Kibi James is op het eerste gehoor een dromerig album met honingzoete popsongs, maar luister wat beter en het avontuur borrelt aan alle kanten op. Het blijft helaas wat stil rond delusions, maar dit aangename en eigenzinnige album verdient echt een beter lot.

Kibi James is een band uit Atlanta, Georgia, die bestaat uit Mari, MJ Corless en Pomi Abebe. Met delusions heeft het drietal haar debuutalbum afgeleverd, waarvoor onder andere een beroep werd gedaan op producer Drew Vandenberg, die eerder werkte met onder andere Faye Webster en SPELLLING. Het debuutalbum van Kibi James wordt op het Internet omschreven als een bijzondere mix van 90s indie pop en shibuya-kei. Met name die laatste term intrigeerde me, want ik had echt nog nooit van shibuya-kei gehoord.

Wikipedia leert me het volgende over het genre: “Shibuya-kei (Japanese: 渋谷系, lit. "Shibuya style") is a microgenre of pop music or a general aesthetic that flourished in Japan in the mid-to-late 1990s. The music genre is distinguished by a "cut-and-paste" approach that was inspired by the kitsch, fusion, and artifice from certain music styles of the past. The most common reference points were 1960s culture and Western pop music, especially the work of Burt Bacharach, Brian Wilson, Phil Spector, and Serge Gainsbourg.”

Dat klinkt veelbelovend, maar ook na een paar keer horen, vraag ik me af of ik wel zowel invloeden uit de jaren 90 hoor in de muziek van Kibi James. Persoonlijk vind ik delusions vooral een eigentijds indiepop album, al is de muziek van het drietal uit Atlanta wel wat eigenzinniger dan het gemiddelde indiepop album van het moment.

De muziek van Kibi James is zeer melodieus en klinkt bijzonder smaakvol. De muziek op delusions is redelijk licht en wat aan de romantische en dromerige kant. Hier en daar hoor ik wel wat invloeden uit de 90s dreampop en indierock, maar de muziek van Kibi James klinkt ook sprookjesachtig mooi en heeft af en toe wel wat van Belle And Sebastian of The Sundays, al is de muziek op delusions vaak redelijk ingetogen.

Wat voor de muziek op delusions geldt, geldt in nog veel sterkere mate voor de zang op het album. Mari, MJ Corless en Pomi Abebe beschikken over hele mooie maar vaak fluisterzachte stemmen, die prachtig bij elkaar kleuren. In combinatie met de muziek zijn de popliedjes van Kibi James vaak wat aan de zoete kant, maar omdat de band ook altijd wel wat gruizige of tegendraadse accenten toevoegt aan haar muziek en bovendien varieert met speelse ritmes blijven de songs op delusions spannend.

Zoals eerder gezegd vind ik delusions van Kibi James zeker geen typisch album met vooral 90s invloeden, maar een album dat voornamelijk in het heden staat. Vergeleken met het gemiddelde indiepop album verwerkt Kibi James wat meer invloeden, al zijn de meeste uitstapjes naar andere genres subtiel. Het Amerikaanse drietal weet zich wel te onderscheiden door de mix van Engelstalige en Spaanstalige teksten, die verrassend natuurlijk klinkt.

Het debuutalbum van Kibi James is een album dat je bijzonder aangenaam kunt laten voortkabbelen op de achtergrond en dat het uitstekend doet bij de broeierige zomeravonden die we nog cadeau hebben gekregen. De muziek van Mari, MJ Corless en Pomi Abebe verdient het echter ook om met volledige aandacht beluisterd te worden. Door een goede koptelefoon komt het debuutalbum van het Amerikaanse drietal prachtig tot leven en blijken zowel de instrumentatie als de zang kunststukjes. Kibi James heeft door de releasestorm van vorige week helaas maar weinig aandacht gekregen, maar dit is echt een interessant album. Erwin Zijleman

Kidbug - Kidbug (2020)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Kidbug - Kidbug - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Kidbug - Kidbug
’Supergroep’ Kidbug citeert uit een handvol muziekstromingen uit de jaren 90, maar voegt ook flink wat avontuur en verleiding toe aan dit buitengewoon aangename debuutalbum

De leden van Kidbug hebben hun sporen in de muziek stuk voor stuk verdiend, maar tellen op tot iets dat aan de ene kant bekend in de oren klinkt, maar dat je aan de andere kant ook steeds weer fascineert. Met invloeden uit de noiserock, de indierock, de shoegaze en de dreampop is het gitaarwerk op het debuut van Kidbug vaak behoorlijk stevig, maar er zijn altijd verrassende wendingen en hiernaast is er de soepele stem van Marina Tadic die zorgt voor verrassing, avontuur en verleiding en die de songs van de band ook nog eens een melodieuze draai geeft. Supergroep is misschien wat overdreven, maar leuk en interessant is het absoluut.

Kidbug werd de afgelopen week hier en daar binnengehaald als een ‘supergroep’; een term die vooral in de jaren 70 werd gebruikt wanneer leden van hele grote bands de krachten bundelden in een nieuwe band en die voor het eerst werd gebruikt toen in 1969 Cream werd geformeerd.

Het predicaat supergroep is misschien wat veel eer voor de band Kidbug, want zo bekend zijn de leden van de band niet. Adam Harding geniet mogelijk enige bekendheid als voorman van de band Dumb Numbers, terwijl Marina Tadic vooral in Nederland bekend is met haar alter ego Eerie Wanda (haar debuut Pet Town behoort wat mij betreft overigens tot de verrassingen van 2019). Bassist Bobb Bruno en drummer Thor Harris staan ook nog eens op de loonlijst van respectievelijk Best Coast en Swans.

Het is misschien geen supergroep volgens de jaren 70 definitie, maar in muzikaal opzicht mag het debuut van Kidbug er zeker zijn. Kidbug ontstond toen de liefde Marina Tadic en Adam Harding bij elkaar bracht, maar ook in muzikaal opzicht blijkt het te klikken tussen de twee muzikanten en de later aangeschoven ritmesectie. De band beschrijft haar muzikale kindje zelf als "cuddlebug sludge”, maar omdat er al genres genoeg zijn beperk ik me maar tot al bestaande hokjes.

Van deze hokjes zijn dreampop, shoegaze, noiserock en indierock het meest van toepassing op de muziek van Kidbug. Adam Harding is niet vies van gruizig gitaargeweld, Marina Tadic zingt prachtig speels en dromerig en de strak spelende ritmesectie slaat alles vakkundig aan elkaar. Hoewel het debuut van Kidbug vooral een gitaaralbum is, was er ook zeker plaats voor andere instrumenten in de studio, waardoor het geluid van de band is verrijkt met keyboards, vibrafoon, percussie en mij onbekende instrumenten als buddha machines en de hurdy gurdy.

Flink wat songs op het album zijn deels verstopt onder gruizig gitaargeweld, maar de mooie en trefzekere zang van Marina Tadic zorgt er steeds weer voor dat de kop en de staart van de song nooit uit het oog worden verloren. Het zijn songs die soms behoorlijk stevig zijn en die bovendien niet vies zijn van bijna psychedelische passages, maar het zijn ook prachtig melodieuze songs die makkelijk verleiden.

De songs van Kidbug zijn door het gitaargeweld en de hier en daar stevig aanzwellende synths behoorlijk overweldigend, maar de band vertrouwt zeker niet alleen op grootse en meeslepende klanken. In de songs van de band zijn keer op keer bijzondere wendingen te horen, waardoor je niet alleen nieuwsgierig blijft, maar de spanning in de songs van Kidbug ook prachtig wordt opgebouwd en weer afgebouwd.

In muzikaal opzicht wordt flink uitgepakt en keer op keer indruk gemaakt met stevig gitaarwerk, maar de speelse zang van Marina Tadic is minstens even belangrijk. De afwisselend dromerige en avontuurlijke zang voorziet het geluid van Kidbug van veel dynamiek en zorgt er bovendien voor dat de band meer doet dan fantasieloos voortborduren op de muziek van de inspiratiebronnen uit de jaren 90.

Zeker als de ritmesectie loodzwaar is en de gitaarmuren meedogenloos zijn, vraagt het debuut van Kidbug om een flink volume, waarbij ook de zang het best tot zijn recht komt. Het roept associaties op met een enorme stapel met mijn favoriete rockalbums uit de jaren 90, maar het debuut van Kidbug voegt er ook wat aan toe en had ik daarom zeker niet willen missen. Erwin Zijleman

Kids with Buns - Out of Place (2023)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Kids With Buns - out of place - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Kids With Buns - out of place
De Belgische band Kids With Buns maakt indruk met haar debuutalbum out of place, waarop aanstekelijke klanken, karakteristieke zang, persoonlijke teksten en direct memorabele songs hand in hand gaan

Kids With Buns ontstond ooit als een project van de Belgische muzikanten Marie Van Uytvanck en Amber Piddington, maar op het debuutalbum out of place klinkt Kids With Buns vooral als een band. Het is een band die makkelijk overtuigt met lekker in het gehoor liggende popsongs, die soms ingetogen klinken en soms rocken en altijd lekker in het gehoor liggen. Het zijn popsongs die op weten te vallen door de bijzondere stem van Marie Van Uytvanck, door fraai gitaarspel en zeker ook door de intieme songs en persoonlijke teksten, die een indringend beeld schetsen van alles waarmee jongeren momenteel worstelen. De voortekenen waren goed, maar het debuut van Kids With Buns is nog een stuk beter dan verwacht.

Marie Van Uytvanck en Amber Piddington liepen elkaar een paar jaar geleden min of meer bij toeval tegen het lijf tijdens Antwerpen Pride, maar deze ontmoeting heeft inmiddels geresulteerd in een bijzondere en zeker in België succesvolle muzikale samenwerking. De twee timmeren sinds 2019 aan de weg als het duo Kids With Buns en trokken zoals gezegd met name in België flink wat aandacht, onder andere met een halve finaleplek tijdens Humo’s Rock Rally (de Belgische variant van de Grote Prijs van Nederland) en het winnen van De Nieuwe Lichting van Studio Brussel.

Op de website van Kids With Buns wordt de muziek van het tweetal nog omschreven als bedroom indiepop en indiefolk, maar sinds het tweetal gezelschap kreeg van bassist en toetsenist Stijn Konings en drummer Dajo Vlaeminckx is dat label nog maar ten dele van toepassing. De slaapkamer is verruild voor de studio wat een voller en steviger geluid oplevert. Kids With Buns debuteert deze week met haar debuutalbum out of place (geen hoofdletters) en dat is een album dat ook in Nederland hoge ogen moet kunnen gaan gooien.

Kids With Buns verrast op haar debuutalbum met een serie frisse en bijzonder lekker in het gehoor liggende popsongs, maar het zijn ook popsongs met een duidelijk eigen geluid. Dat eigen geluid dankt Kids With Buns voor een belangrijk deel aan de bijzondere stem van Marie Van Uytvanck. De Belgische muzikante beschikt over een opvallend laag en zeer karakteristiek stemgeluid, waaraan ik even moest wennen, maar waarvan ik vervolgens snel onder de indruk raakte.

Het is een stem die heel af en toe doet denken aan die van Everything But The Girl’s Tracey Thorn en op andere momenten aan Tracy Chapman, maar Marie Van Uytvanck heeft vooral een zeer karakteristiek eigen geluid. De zang van Marie Van Uytvanck voorziet alle songs van Kids With Buns van dat beetje extra dat nodig is om op te vallen binnen het enorme aanbod van het moment en het is een stem die ik alleen maar mooier vind worden naarmate ik het album vaker hoor. Het is een stem die prachtig contrasteert met de juist vrij hoge stem van Amber Piddington, die spaarzaam wordt ingezet, maar wel steeds zorgt voor bijzondere accenten in de muziek van Kids With Buns.

In muzikaal opzicht klinkt de muziek van Kids With Buns wat sneller vertrouwd dan in vocaal opzicht, want de mix van uptempo gitaarsongs en wat meer ingetogen folky songs heeft niet veel tijd nodig om zich op te dringen. Zeker in de wat stevigere songs profiteert het duo flink van de twee extra krachten in de band, maar ook als Kids With Buns flink gas terug neemt, klinkt de muziek van de band geweldig.

Marie Van Uytvanck en Amber Piddington hebben een aantal zeer persoonlijke songs geschreven waarin ze zich zeer kwetsbaar op durven stellen en de nodige problemen van een jonge generatie voorbij komen. Het maakt van out of place een intiem, puur en eerlijk album, dat langzaam maar zeker steeds meer indruk maakt.

Marie Van Uytvanck bepaalt met haar stem voor een belangrijk deel het geluid van Kids With Buns, maar het fraaie gitaarspel van Amber Piddington mag zeker niet onvermeld blijven. Zowel het gitaarspel als de zang zorgen ervoor dat het debuutalbum van Kids With Buns aan de ene kant een feest van herkenning is met een herkenbaar klinkende mix van indiepop, indierock en indiefolk, maar aan de andere kant ook twaalf tracks lang fris en origineel klinkt. Mooi debuut al met al. Erwin Zijleman

Kiely Connell - My Own Company (2024)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:\
De krenten uit de pop: Kiely Connell - My Own Company - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Kiely Connell - My Own Company
De release van My Own Company van Kiely Connell is midden in de zomer misschien wat ongelukkig getimed, maar dit gitaar georiënteerde country(rock) album is echt zeer de moeite waard

Door het beperkte aanbod aan nieuwe albums deze week kwam ik toe aan het tweede album van de mij onbekende Amerikaanse singer-songwriter Kiely Connell. Het bleek een bijzonder aangename verrassing, want My Own Company is een sterk album. De muzikante uit Nashville beschikt over een krachtige en karakteristieke stem en schrijft aansprekende songs, waarin vooral invloeden uit de country en de rock worden verwerkt. Het gitaar georiënteerde geluid op My Own Company is ook nog eens fraai geproduceerd door de gelouterde producer Tucker Martine, die het beste in Kiely Connell naar boven heeft gehaald. Het levert een bovengemiddeld goed rootsalbum op.

My Own Company van de Amerikaanse muzikante Kiely Connell wordt op het Internet omschreven als een album met ‘countrysongs with an indie rock feel’. Dat klonk voor mij zeker interessant genoeg om het tweede album van de singer-songwriter uit Nashville, Tennessee, eens te beluisteren.

Het nieuwe album van Kiely Connell opent inderdaad lekker stevig en deed me in eerste instantie wel wat denken aan de wat stevigere albums van Allison Moorer. Dat is wat mij betreft een sterke aanbeveling, want The Duel van Allison Moorer reken ik tot mijn favoriete rootsalbums aller tijden. De openingstrack van My Own Company valt zeker niet alleen op door het lekker stevige maar ook rootsy gitaarwerk. Kiely Connell laat ook direct horen dat ze beschikt over een krachtig stemgeluid en het is een stemgeluid met een eigen karakter.

Wat verder direct opvalt bij beluistering van het album is de bijzonder mooie productie. My Own Company verraadt de hand van een producer van naam en faam en dat blijkt ook te kloppen. Het tweede album van Kiely Connell werd immers geproduceerd door Tucker Martine, die alleen de afgelopen drie jaar al indruk maakte met de productie van albums van onder andere My Morning Jacket, Laura Veirs, Joseph, The Decemberists en Madison Cunningham.

Hoe mooi de productie is hoor je vooral wanneer de gitaren even gas terugnemen en alle instrumenten niet alleen glashelder door de speakers komen, maar bovendien prachtig samenvloeien met de stem van Kiely Connell. De Amerikaanse muzikante, die opgroeide in Indiana, is krachtig in de stevige openingstrack, maar maakt nog veel meer indruk in de meer ingetogen track die volgt.

My Own Company blijkt al snel een lekker veelzijdig album, dat inderdaad een fraaie brug slaat tussen countrymuziek en een wat meer rock georiënteerd geluid, waarbij de balans in beide richtingen kan doorslaan. De songs van Kiely Connell zijn niet alleen veelzijdig, maar ook stuk voor stuk aansprekend. De Amerikaanse muzikante laat zich niet verleiden om op te schuiven richting pop, maar heel traditioneel klinken de songs op het album ook weer niet.

Het tweede album van Kiely Connell klinkt vooral fris en eigentijds, maar de muzikante uit Nashville heeft respect voor de tradities van de genres waarin ze zich beweegt. Het met een redelijk compacte band gemaakte album valt op door een mooi hecht en vooral gitaar georiënteerd geluid en dat past prachtig bij de uitstekende stem van Kiely Connell.

Het is een stem die aan kracht wint wanneer Kiely Connell zich in haar teksten richt op een aantal zeer persoonlijke thema’s, waarin zeker een plekje is gereserveerd voor stukgelopen relaties en foute mannen, onderwerpen die vaak een belangrijke plek innemen in countrysongs.

Ik kan op het Internet niet zo gek veel informatie vinden over Kiely Connell of over haar nieuwe album, maar My Own Company is een album dat wat mij betreft zeker de aandacht verdient. In eerste instantie omdat het een album is dat echt anders klinkt dan de meeste andere rootsalbums van het moment, maar zeker ook omdat Kiely Connell in vocaal opzicht mooie dingen laat horen en haar album ook in muzikaal en productioneel opzicht een aansprekend geluid laat horen. Als het haar even mee zit gaan we nog veel van Kiely Connell horen en dat zou volkomen terecht zijn. Erwin Zijleman

Kierston White - Don't Write Love Songs (2014)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Kierston White - Don't Write Love Songs - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Don’t Write Love Songs van Kierston White werd eerder deze week aangeprezen door niemand minder dan Samantha Crain, die het debuut van de singer-songwriter uit Norman, Oklahoma, produceerde.

Na de geweldige platen die Samantha Crain de afgelopen jaren zelf uitbracht, was ik zeer nieuwsgierig naar haar productionele vaardigheden. Daar is zo op het eerste gehoor helemaal niets mis mee, maar de meeste indruk wordt toch gemaakt door Kierston White zelf.

Kierston White zal een enkele fanatieke liefhebber van Amerikaanse rootsmuziek wellicht nog kennen als lid van The Tequila Songbirds, maar voor mij was ze tot voor kort een grote onbekende.

Dat is inmiddels helemaal veranderd, want Don’t Write Love Songs heb ik direct bij de eerste luisterbeurt omarmd en inmiddels koester ik het debuut van Kierston White als één van de grote rootsdebuten van 2014.

Kierston White heeft dat voor elkaar gekregen met intense songs met vooral invloeden uit de country en de folk. Het zijn songs die het in de meeste gevallen moeten doen met een relatief eenvoudige en grotendeels akoestische instrumentatie. Akoestische gitaren bepalen voor een belangrijk deel het geluid van Don’t Write Love Songs, waarna de viool zorgt voor de belangrijkste versieringen.

Toch is het debuut van Kierston White zeker geen 13 in een dozijn rootsplaat. Daarvoor legt Kierston White teveel passie en vuur in haar vocalen en hiernaast zijn ook de songs van de Amerikaanse niet zomaar te vergelijken met die van de meeste van haar soortgenoten.

Kierston White heeft op haar debuut de emotie en de gedrevenheid van de folky protestzangers uit de jaren 60 en 70 en combineert deze vocale passie met een eigentijds klinkend alt-country geluid.

Door de productionele bijstand van Samantha Crain ontsnapt Don’t Write Love Songs niet aan de vergelijking met het het afgelopen jaar zo vaak en intens bejubelde Kid Face. Ik hoor absoluut overeenkomsten tussen beide platen, maar uiteindelijk heeft Kierston White toch haar eigen geluid, waarbij in vocaal opzicht eerder de vergelijking met Neko Case opduikt.

Het is net als het geluid van Samantha Crain rauwer en oorspronkelijker dan het geluid van de hippere vrouwelijke singer-songwriters uit California, maar dit gaat zeker niet ten koste van de toegankelijkheid van de muziek van Kierston White. Don’t Write Love Songs is acht songs lang een plaat die naar veel meer smaakt en wat mij betreft de start is van een glansrijke carrière.

Don’t Write Love Songs werd de afgelopen maanden gerealiseerd na een succesvolle crowdfunding actie. Iedereen die heeft bijgedragen mag best trots zijn op zichzelf, want hoe vaak levert een dergelijke actie een plaat op die zomaar kan uitgroeien tot één van de smaakmakers in het genre dit jaar. Kierston White heeft het dankzij haar trouwe fans geflikt. Beloon haar nu door de plaat aan te schaffen, al is het maar om een minstens even goede tweede plaat mogelijk te maken. Erwin Zijleman

Kim Deal - Nobody Loves You More (2024)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Kim Deal - Nobody Loves You More - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Kim Deal - Nobody Loves You More
Kim Deal heeft haar sporen in de muziek ruimschoots verdiend, maar tot een soloalbum kwam het nog niet, tot deze week dan, want met Nobody Loves You More heeft ze een bijzonder mooi en veelzijdig album afgeleverd

Als ik op voorhand had moeten uittekenen hoe een soloalbum van Pixies bassiste en The Breeders frontvrouw Kim Deal zou klinken, had ik het misschien voor twee of drie songs op Nobody Loves You More bij het juiste eind gehad. Het eerste soloalbum van Kim Deal bevat twee of drie gruizige rocktracks die ze ook in het verleden zou kunnen hebben gemaakt, maar de Amerikaanse muzikante slaat op het album vooral andere wegen in. Nobody Loves You More bevat een aantal verrassend ingetogen en met strijkers versierde songs, die een nieuwe dimensie toevoegen aan het oeuvre van Kim Deal. Het album wordt momenteel vrijwel uitsluitend bejubeld en dat is volkomen terecht.

Kim Deal kennen we natuurlijk vooral van Pixies en The Breeders, en een enkeling misschien ook nog van The Amps, het gelegenheidsproject waarmee de Amerikaanse muzikante halverwege de jaren 90 één geweldig album maakte. Tot een soloalbum kwam Kim Deal tot dusver nog niet, maar deze week is Nobody Loves You More verschenen.

Het is een album dat vooralsnog wordt ontvangen met superlatieven. Toen de jaarlijstjes edities van de Britse muziektijdschriften Mojo en Uncut bij de drukker lagen was het album nog lang niet verschenen, maar beide tijdschriften gunnen Kim Deal een plekje in hun jaarlijst en Mojo heeft zelfs een top 10 notering over voor het eerste soloalbum van de Amerikaanse muzikante.

Het heeft er voor gezorgd dat ik met hoge verwachtingen begon aan Nobody Loves You More, terwijl ik nooit een heel groot fan van Pixies ben geweest en ook de albums van The Breeders niet echt heb grijs gedraaid, al blijft Pod een geweldig album. Bij Kim Deal dacht ik vanwege haar verleden vooral aan wat gruizig klinkende indierock, maar dat is een kant van de Amerikaanse muzikante die op Nobody Loves You More maar een heel klein deel van het verhaal vertelt.

Het album opent met de titeltrack, wat een gevoelige popsong is waarin de stem van Kim Deal spaarzaam wordt begeleid met bas, gitaar en drums, maar de hoofdrol wordt opgeëist door zwierige strijkers en af en toe door blazers. Het is in muzikaal opzicht mijlenver verwijderd van de muziek die we van Kim Deal kennen en de titeltrack is zeker niet de enige track waarin de Amerikaanse muzikante zich ver buiten haar muzikale comfort zone begeeft.

Het vraagt wat meer van de zang van Kim Deal, die zich minder kan verschuilen achter hoge gitaarmuren. Over de stem van Kim Deal kun je van alles zeggen, maar een heel groot zangeres is het niet. Dat hoor je met name in de wat soberder ingekleurde songs, maar het zit me niet in de weg. Integendeel zelfs. De zang op Nobody Loves You More heeft iets bijzonders en het is bovendien zang waarin je de nodige emotie hoort.

Heel af en toe en bijvoorbeeld in het met blazers versierde Coast doen zowel de zang als de muziek me denken aan de veel te jong overleden Kirsty MacColl, maar de zang van Kim Deal kan op haar eerste soloalbum meerdere kanten op. Nobody Loves You More bevat ook een beperkt aantal wat meer rock georiënteerde tracks die wat dichter bij de vroegere muziek van de Amerikaanse muzikante liggen, maar in alle andere tracks op het album slaat Kim Deal nadrukkelijk haar vleugels uit.

Op haar eerste soloalbum kon Kim Deal nog profiteren van de kunsten van de eerder dit jaar overleden Steve Albini en hiernaast schoof een waslijst aan gastmuzikanten aan. Het levert een album op dat je elf songs en 35 minuten lang weet te betoveren. Wie had ooit gedacht dat Kim Deal nog eens een weemoedige countrysong met pedal steel en violen zou maken? Op haar eerste soloalbum doet ze het en het is prachtig.

Nobody Loves You More is ook nog eens een heel persoonlijk album waarop Kim Deal een aantal pieken en dalen in haar leven belicht. Het voorziet de songs van de Amerikaanse muzikante van nog net wat meer zeggingskracht. Op voorhand leken alle jubelverhalen over het soloalbum van Kim Deal me eerlijk gezegd wel wat overdreven, maar Nobody Loves You More is inderdaad een zegetocht die zich van hoogtepunt naar hoogtepunt sleept. Erwin Zijleman

Kim Gordon - The Collective (2024)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Kim Gordon - The Collective - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Kim Gordon - The Collective
Voormalig Sonic Youth bassist Kim Gordon heeft met The Collective een rauw en experimenteel album gemaakt, dat af en toe behoorlijk schuurt, maar dat je bij de strot grijpt wanneer alles op zijn plek valt

Kim Gordon gaat sinds het uit elkaar vallen van Sonic Youth in 2011 haar eigen weg en dat is een weg waarop het experiment niet wordt geschuwd. Ik had er tot dusver niet heel veel mee en had bij eerste beluistering ook niets met The Collective, maar wat is het een fascinerend album. Het is een rauw en experimenteel album met hevig vervormde gitaren en elektronica, duistere beats en de gesproken zang van de Amerikaanse muzikante. Kim Gordon verliest de popsong met een kop en een staart heel ver uit het oog, maar ze houdt de aandacht desondanks makkelijk vast met de bijzondere songs op The Collective. Het zijn songs die mooi zijn van lelijkheid, maar als het album je grijpt is de grip ook stevig.

Kim Gordon verhuisde in 1980 naar New York en wilde het daar gaan maken als kunstenaar. Ze kwam echter terecht in de muziekscene van New York en liep daar haar latere echtgenoot Thurston Moore tegen het lijf. In 1981 formeerden Kim Gordon, Thurston Moore en Lee Ranaldo de band Sonic Youth, die een paar jaar later met het toevoegen van Steve Shelley haar ultieme bezetting zou krijgen.

Sonic Youth groeide vanaf de tweede helft van de jaren 80 uit tot een grote band en leverde met Sister uit 1987 en Daydream Nation uit 1988 twee jaren 80 klassiekers af. Het zijn wat mij betreft de twee beste albums van Sonic Youth, maar het oeuvre van de New Yorkse band bevat absoluut meer memorabele albums. In 2011 kwam er helaas een abrupt einde aan het bestaan van de band toen het huwelijk van Kim Gordon en Thurston Moore op de klippen liep.

Kim Gordon maakte vervolgens met gitarist Bill Nace muziek onder de naam Body/Head en maakte met gitarist Alex Knost een album als Glitterbust. De Amerikaanse muzikante schreef bovendien haar memoires en kondigde een solocarrière aan. Buiten haar memoires (Girl In A Band) heb ik tot dusver een vrij moeizame relatie met alles dat Kim Gordon na het uit elkaar vallen van Sonic Youth heeft gemaakt, al vond ik het in 2019 verschenen No Home Record op zich best een interessant album.

Ook het deze week verschenen The Collective zou ik zomaar kunnen hebben weggezet als ‘best een interessant album’. En vervolgens had ik het album waarschijnlijk terzijde geschoven, want The Collective is zware kost. Dat blijkt direct in de openingstrack waarin vervormde elektronica en gitaren en een monotone beat worden gecombineerd met de bijna gesproken zang van Kim Gordon, die alles wat ze in haar koffer stopt voorbij laat komen, inclusief een flink deel van het assortiment van een goed gesorteerde drogisterij.

Het staat ver af van de pop- of rocksongs waar ik normaal gesproken een zwak voor heb, maar op een of andere manier intrigeerde BYE BYE, de openingstrack van The Collective, me. Dat deed vervolgens ook de rest van het album, al doet Kim Gordon heel veel dingen waar ik normaal gesproken niet gek op ben.

De vervormde gitaren en elektronica, de beats en de praatzang van Kim Gordon keren terug in heel veel songs op het album en op het overgrote deel van het album is de redelijk toegankelijke popsong ver weg. Op The Collective werkt Kim Gordon, die vorig jaar haar zeventigste verjaardag vierde, samen met producer Justin Raisen, die tot dusver vooral actief was in de hiphop en de rap, wat je hoort in de beats op het album.

Justin Raisen heeft The Collective voorzien van een donker en dreigend geluid, dat piept en kraakt en continu schuurt. Voor liefhebbers van lekker in het gehoor liggende popsongs is het absoluut even doorbijten, maar wanneer je eenmaal in de flow van het album terecht komt, begint The Collective hopeloos te intrigeren.

De industriële elektronica en gitaren en de rauwe beats die het ene moment nog vooral tegen de haren in streken zijn opeens functioneel, terwijl de monotone praatzang van Kim Gordon het ene na het andere relevante thema aan snijdt. Wanneer vervolgens ook nog eens noisy gitaren door alle elektronica heen snijden heeft The Collective opeens een bijzondere schoonheid. The Collective is wat mij betreft een album waarover je vooral niet te snel moet oordelen. Het is een album dat je moet ondergaan, waarna je het verafschuwt of er tegen de verwachtingen in toch van gaat houden, zoals mij dat is overkomen. Erwin Zijleman

Kim Janssen - Cousins (2017)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Kim Janssen - Cousins - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

De Nederlandse singer-songwriter Kim Janssen debuteerde acht jaar geleden met het wonderschone The Truth Is, I Am Always Responsible. Op zijn debuut maakte de in Azië opgegroeide muzikant indruk met uiterst ingetogen en vaak zelfs bijna verstilde songs.

Ook opvolger Ancient Crime uit 2012 imponeerde met intieme en vaak ingetogen songs, al kleurde Kim Janssen zijn songs dit keer ook wat voller in met een fraaie en klassiek aandoende orkestratie.

Dynasty, de openingstrack van zijn derde plaat Cousins, laat een heel ander geluid horen. In deze openingstrack kiest Kim Janssen voor een vol geluid waarin niet alleen de klassieke accenten van Ancient Crimes terugkeren, maar ook flink wat elektronica wordt ingezet.

Het doet wel wat denken aan de muziek van Sigur Rós, wat ook niet zo gek is, want Sigur Rós arrangeur Erikur Orri Ólaffson heeft bijgedragen aan Cousins. Door het vollere geluid doet de muziek van Kim Janssen op Cousins overigens ook wel wat denken aan die van succesvolle muzikanten als Ben Howard, maar iedereen die denkt dat Kim Janssen zijn ziel aan de duivel van de commercie heeft verkocht heeft het mis.

Cousins klinkt voller en uitbundiger dan zijn twee voorgangers, maar Kim Janssen is er in geslaagd om de intimiteit van zijn vorige twee platen te behouden. Kim Janssen pakt op Cousins af en toe flink uit, maar de instrumentatie is net zo vaak uiterst subtiel, waardoor Kim Janssen ook zijn meer ingetogen kant kan laten zien.

Zeker bij beluistering met de koptelefoon valt op hoe mooi en subtiel de instrumentatie is en hoe prachtig de plaat klinkt. Cousins is voorzien van een voor Kim Janssen begrippen opvallend vol geluid, maar van overdaad is nergens sprake. Er gebeurt van alles op Cousins, maar het staat altijd in dienst van de songs van Kim Janssen, die ook op deze derde plaat weer van hoog niveau zijn.

Net als op voorganger Ancient Crime zorgen de accenten uit de klassieke muziek voor veel dynamiek, waarna de elektronische impulsen zorgen voor de sprookjesachtige klankentapijten die ook de muziek van Sigur Rós zo fascinerend maken. Het valt niet mee om dit alles te combineren in de mix, maar dankzij de inzet van technici van naam en faam klinkt Cousins werkelijk fantastisch.

Ik kan me voorstellen dat liefhebbers van de verstilde songs van Kim Janssen wat teleurgesteld zullen zijn, maar geef de plaat een kans en je merkt dat de songs van Kim Janssen na enige gewenning nog altijd diep onder de huid kruipen.

Cousins doet het het best wanneer je de plaat niet vergelijkt met zijn voorgangers en in het hokje van de rootsmuziek probeert te duwen. Kim Janssen heeft immers een plaat gemaakt die zich niet in een hokje laat duwen en die op bijzondere wijze grootsheid en intimiteit combineert.

Ik heb Cousins al heel lang in huis en heb daarom het proces dat nodig is voor volledige acceptatie van deze plaat inmiddels doorlopen. Dit proces heeft ervoor gezorgd dat verbazing heeft plaatsgemaakt voor bewondering. Cousins is een prachtplaat vol geheimen en een bijna onwaarschijnlijke groeipotentie. Erwin Zijleman

Kim Ware and the Good Graces - Ready (2022)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Kim Ware & The Good Graces - Ready - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Kim Ware & The Good Graces - Ready
De Amerikaanse muzikante Kim Ware trok nog niet heel veel aandacht met haar band The Good Graces, maar levert met het onder haar eigen naam uitgebrachte Ready een geweldig album vol zonnestralen af

In een overvolle releaseweek als de afgelopen week krijgt een album helaas niet heel veel tijd om indruk te maken, maar Ready van Kim Ware had gelukkig ook niet veel tijd nodig. Mijn eerste kennismaking met de muziek van de Amerikaanse singer-songwriter was direct raak en levert me een album op dat hier nog heel vaak langs gaat komen. Ready van Kim Ware staat met één been in de Amerikaanse rootsmuziek en met het andere been in de collegerock en folkrock uit de jaren 90. Het levert een origineel geluid op, maar ook een geluid waarvan je alleen maar heel erg vrolijk kunt worden. Kim Ware tovert op Ready het ene na het andere onweerstaanbare popliedje uit de hoge hoed en vertolkt ze op zeer karakteristieke wijze.

Ik kon de afgelopen week kiezen uit een flinke stapel nieuwe albums, waaronder veel albums van vaste waarden of op zijn minst vertrouwde namen, maar er drong zich ook een album op van een tot voor kort voor mij totaal onbekende muzikante: Kim Ware. Als Kim Ware & The Good Graces heeft de Amerikaanse muzikante wat mij betreft een album afgeleverd dat de nazomer glans moet gaan geven en daar voor mij al mee is begonnen.

Kim Ware werd geboren in Kings Mountain, North Carolina, en dat is sinds kort ook weer haar woonplaats. De afgelopen vijftien jaar maakte Kim Ware als lid van de band The Good Graces muziek vanuit Atlanta, Georgia, maar wist ze de cultstatus niet te ontstijgen en dit ondanks een handvol prima albums, die mij tot deze week overigens nooit zijn opgevallen. Het ontstijgen van de cultstatus zou wat mij betreft moeten gaan gebeuren met Ready, wat een onweerstaanbaar lekker en ook erg goed album is.

Ready, het eerste album dat Kim Ware onder haar eigen naam uitbrengt, werd gemaakt toen de coronapandemie het openbare leven in de Verenigde Staten lam legde en werd voor het overgrote deel gemaakt door Kim Ware, die tekende voor de songs, de gitaren en de zang, en Jerry Kee die tekende voor het grootste deel van de rest van de instrumentatie en de productie van het album. Hiernaast duikt een keer een viool op en twee keer een hobo, maar dat is het.

Kim Ware en Jerry Kee hebben lang en in alle rust gewerkt aan het lekker vol klinkende album en dat hoor je. Ready is een ontspannen maar ook mooi klinkend album en het is bovendien een album dat driftig strooit met zonnestralen. Het is een album dat voor een belangrijk deel past in het hokje Amerikaanse rootsmuziek, maar Kim Ware heeft haar muziek ook voorzien van een bijzondere twist en van invloeden uit de indie-folkrock uit de jaren 90.

Ik moet bij beluistering van Ready meer dan eens denken aan de muziek van 10,000 Maniacs, maar ook de namen van Neko Case en The Cranberries kwamen direct bij mijn eerste beluistering van Ready voorbij en zijn sindsdien blijven hangen. Het betekent overigens niet dat de muziek van Kim Ware heel erg lijkt op die van de genoemde namen, want hoewel Ready op een of andere manier direct bekend in de oren klinkt, kan ik geen vergelijkingsmateriaal bedenken dat echt in de buurt komt van dit album. Ik hou het er maar op dat Kim Ware Amerikaanse rootsmuziek met een jaren 90 twist maakt.

Het is een geluid dat zowel liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek als liefhebbers van meer richting indierock neigende muziek moet kunnen aanspreken en het is muziek waarvan je alleen maar heel vrolijk kunt worden. Zeker wanneer Ready met flink volume uit de speakers komt vliegen de zonnestralen je om de oren. Deze zonnestralen komen vooral uit de gitaren op het album, al kunnen deze gitaren ook best weemoedig klinken.

Het past allemaal prachtig bij de opvallende zang van Kim Ware, die heel af en toe en zeker in de wat ruwere tracks wel wat doet denken aan Kirsty MacColl, maar ook beschikt over een stem die is gedrenkt in de Amerikaanse rootsmuziek. Ik had een flinke lijst met kanshebbers voor een plekje op de krenten uit de pop de afgelopen week. Kim Ware stond daar niet tussen, maar is wel een van mijn favorieten van de afgelopen weken of zelfs maanden. Erwin Zijleman

Kimbra - A Reckoning (2023)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Kimbra - A Reckoning - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Kimbra - A Reckoning
De Nieuw-Zeelandse muzikante Kimbra maakte al eerder indruk en doet dat ook weer met A Reckoning, dat in de uptempo tracks overloopt van avontuur en in de ingetogen tracks van schoonheid

Kimbra schuurde op haar tweede album al nadrukkelijk tegen de grote popprinsessen aan, maar is helaas nog altijd behoorlijk onbekend. Dat heeft ze deels aan zichzelf te danken, want de Nieuw-Zeelandse muzikante kiest nooit voor de makkelijkste weg en maakt muziek die flink kan schuren. Dat doet ze ook weer op A Reckoning, dat na een bijzonder imponerende openingstrack met ingetogen klanken, driftig strooit met onnavolgbare beats en ruwe elektronica. Het is muziek waarvoor je even de tijd moet nemen, maar die vervolgens steeds makkelijker overtuigt. Kimbra is ook op A Reckoning haar meeste concurrenten weer makkelijk de baas en moet nu echt maar eens wereldberoemd gaan worden.

Ruim acht jaar geleden schreef ik een recensie over The Golden Echo van de Nieuw-Zeelandse muzikante Kimbra en voorspelde ik haar een hele grote toekomst. The Golden Echo was immers een behoorlijk briljant popalbum met flink wat invloeden uit de funk en R&B en het was een popalbum dat niet onder deed voor de albums van de betere popprinsessen uit de Verenigde Staten.

We zijn inmiddels flink wat jaren verder en Kimbra is nog altijd lang niet zo bekend als ik op basis van The Golden Echo had verwacht. Ik ben de Nieuwe-Zeelandse muzikante ondanks mijn jubelrecensie overigens ook zelf wat uit het oog verloren, want het in 2018 verschenen Primal Heart heb ik niet besproken en volgens mij niet eens beluisterd. Weer bijna vijf jaar later duikt Kimbra op met haar vierde album, A Reckoning.

Het is een album dat verpletterend mooi opent met het indringende Save Me. Het is een donkere maar ook mooi en spannend ingekleurde popsong, die direct na de eerste noten onder de huid kruipt en daar vervolgens ook niet meer weg gaat. De klanken zijn prachtig, de zang misschien nog wel mooier. Als Kimbra een album vol met dit soort songs had afgeleverd had ik A Reckoning alvast opgeschreven voor de top 5 van mijn jaarlijstje, maar helaas is de openingstrack een buitenbeentje.

Het wat ingetogen en broeierige geluid van Save Me maakt vanaf de tweede track plaats voor vervormde elektronica en tegendraadse beats en dat is normaal gesproken een soort muziek die veel minder met me doet. Kimbra heeft echter iets, waardoor ik A Reckoning niet meteen weer los liet en langzaam maar zeker ben ik ook deze kant van het nieuwe album van Kimbra meer gaan waarderen.

Kimbra kiest op een groot deel van haar vierde album voor elektronische pop met flink wat invloeden uit de R&B en hiphop, maar het is wel buitengewoon spannende popmuziek. De Nieuw-Zeelandse muzikante lijkt hier en daar het pad van de hitgevoelige popmuziek in te slaan, maar de eigenzinnige songs op het album stribbelen hevig tegen wanneer ze in het keurslijf van de Amerikaanse elektronische pop en R&B worden geduwd en uiteindelijk gaan de meeste songs hun eigen weg.

De donkere elektronische klanken op het album hebben vaak een onheilspellend of zelfs spookachtig karakter, al kan de zon ook zomaar opeens gaan schijnen in de muziek van Kimbra. De Nieuw-Zeelandse muzikante heeft met A Reckoning een persoonlijk album gemaakt, dat in de ingetogen momenten van een bijzondere schoonheid is en dat wanneer de beats domineren heerlijk eigenwijs is. De bijzondere fraaie productie van Ryan Lott van de band Son Lux is de kers op de taart.

Net als bij beluistering van The Golden Echo vele jaren geleden, ben ik bij beluistering van A Reckoning verbaasd dat Kimbra niet veel groter is dan ze momenteel is. Zeker de tracks met wat nerveuze ritmes en elektronica passen misschien niet helemaal binnen mijn muzieksmaak, maar het zit allemaal zo knap in elkaar dat ik blijf luisteren naar A Reckoning. Ik word hier rijkelijk voor beloond, want na flink wat tracks met complexe ritmes en duistere elektronica, neemt Kimbra aan het eind van het album nog een paar tracks lang gas terug en maakt ze niet alleen indruk met bijzonder mooie songs maar overtuigt ze ook als zangeres. Bijzonder knap album. Erwin Zijleman

Kimbra - The Golden Echo (2014)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Kimbra - The Golden Echo - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

De uit Nieuw Zeeland afkomstige Kimbra (Johnson) is in Nederland nog vrij onbekend, maar als ik vertel dat zij verantwoordelijk is voor de vrouwelijke vocalen in Gotye's wereldhit Somebody That I Used To Know weet waarschijnlijk bijna iedereen over wie ik het heb.

De bijdrage aan de muziek van Gotye was echter niet het eerste wapenfeit van Kimbra. Haar debuutplaat Vows won in haar vaderland de nodige prijzen en blijkt een fascinerende plaat die alle kanten op schiet.

Dat geldt in nog veel sterkere mate voor het onlangs verschenen The Golden Echo, dat op mij behoorlijk wat indruk heeft gemaakt. Dat doet Kimbra met muziek die misschien nog het best kan worden omschreven als Popmuziek met een hoofdletter P. Kimbra citeert hierbij nadrukkelijk uit het 90s oeuvre van Prince en sluit hiernaast aan bij grote R&B sterren als TLC en de onfortuinlijke Aaliyah.

Omdat Kimbra ook flink wat invloeden uit de R&B en moderne dance toevoegt aan muziek dringt de vergelijking met Janelle Monáe zich op. Net als Janelle Monáe maakt Kimbra muziek waar ik normaal gesproken niet zo van hou, maar deze muziek zit zo knap in elkaar en is bovendien zo veelzijdig dat ik toch blijf luisteren en langzaam maar zeer zeker gegrepen wordt.

Wat The Golden Echo zo knap maakt is dat Kimbra schaamteloos citeert uit de 90s pop van mindere goden als Paula Abdul, maar deze invloeden vervolgens fraai integreert in haar uiteindelijk toch bijzonder avontuurlijke songs. Het is absoluut muziek waarvan je moet houden en bovendien muziek die op deze BLOG nauwelijks aandacht krijgt, maar toch adviseer ik iedereen om deze bijzondere plaat van Kimbra eens te proberen en wat geduld te hebben met deze plaat.

Zeker als je de plaat wat beter kent hoor je hoeveel kanten Kimbra opschiet en hoe avontuurlijk haar songs in elkaar steken. Een groot deel van de plaat is zeer geschikt voor de dansvloer (en raakt met name dan stevig aan Michael Jackson), maar The Golden Echo heeft ook zijn ingetogen momenten (die weer doen denken aan de muziek van landgenoot Lorde) en volop momenten die zo van de hak op de tak springen dat ze nauwelijks te doorgronden zijn.

Kimbra tekent als coauteur voor alle songs op de plaat en speelt in vocaal opzicht een belangrijke rol, maar ze is niet de enige die een compliment verdient voor deze plaat. Zo zetten de muzikanten een heerlijk funky geluid neer dat zowel ouderwets als modern kan klinken en heeft producer Rich Costey een productioneel kunststukje afgeleverd dat bestaat uit vele lagen, waarvoor zelfs de legendarische Van Dyke Parks act de présence heeft gegeven.

The Golden Echo is een veelkleurige lappendeken. Het is een lappendeken die vooral gemengde reacties oplevert. Recensies zijn tot dusver bijzonder positief of vernietigend; een tussenweg lijkt er niet te zijn. Zelf reken ik mezelf inmiddels tot het eerste kamp. The Golden Echo is een plaat vol heerlijke popmuziek die je minstens een jaar of 20 mee terug in de tijd neemt, maar het is op hetzelfde moment een plaat vol avontuurlijke muziek die alleen maar uit het heden kan stammen.

Ik zette The Golden Echo in eerste instantie zelf vooral op als feel good plaat, maar inmiddels hoor ik vooral de bijzondere schoonheid van deze plaat. Bijzondere dame deze Kimbra en absoluut een hele bijzondere plaat. Erwin Zijleman

King Buffalo - Acheron (2021)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: King Buffalo - Acheron - dekrentenuitdepop.blogspot.com

King Buffalo - Acheron
De Amerikaanse band King Buffalo slaagt er niet in om in 2021 de beloofde trilogie te voltooien, maar ook het tweede album van de band dit jaar is weer een fascinerende luistertrip vol invloeden

The Burden Of Restlessness van de Amerikaanse band King Buffalo is wat mij betreft een van de grote verrassingen van het muziekjaar 2021. De eerder beloofde drie albums komen er niet dit jaar, maar met Acheron is er in ieder geval een uitstekend tweede album. De Amerikaanse band klinkt op haar nieuwe album net wat minder stevig, maar de verschillen met het fenomenale The Burden Of Restlessness moeten ook niet overdreven worden. Ook op Acheron grossiert King Buffalo in muzikaal vuurwerk, tempowisselingen en andere verrassende wendingen en heel veel dynamiek, maar de band maakt ook dit keer opvallend melodieuze muziek. Acheron is wat mij betreft niet minder dan zijn voorganger en dat zegt wat.

De Amerikaanse band King Buffalo bracht aan het begin van de zomer het album The Burden Of Restlessness uit en beloofde direct dat er dit jaar nog twee albums zouden volgen. Dat was goed nieuws, want The Burden Of Restlessness was een imponerend album, dat zeker niet alleen door mij onder de beste albums van 2021 wordt geschaard.

De belofte van het uitbrengen van drie albums in een jaar gaat de band uit Rochester, New York, helaas niet nakomen, want album nummer drie gaat echt pas in 2022 verschijnen. Deze week verscheen nog wel het tweede album van King Buffalo dit jaar, Acheron, en twee albums in een jaar is ook nog altijd een indrukwekkende prestatie.

Op The Burden Of Restlessness maakte de Amerikaanse band eerder dit jaar indruk met een fraaie mix van onder andere metal, stonerrock, progrock en indierock. Zoals je in deze genres kunt verwachten was het gitaarwerk lekker rauw en stevig, maar de muziek van King Buffalo viel ook op door weergaloze toetsenpartijen, stuwende baslijnen, onnavolgbaar drumwerk en opvallend melodieuze vocalen, dit alles verpakt in songs vol muzikaal vuurwerk en verrassende wendingen.

Acheron, overigens al het vierde album van King Buffalo, opent minder stevig dan we van de band gewend zijn. Het album opent met het geluid van het stroompje in de grotten (!) waar het album werd opgenomen, waarna melodieuze gitaarlijnen, knap drumwerk en een dik tapijt keyboards het overnemen. Het klinkt dromeriger dan de muziek op The Burden Of Restlessness, maar het is wel onmiskenbaar King Buffalo, al is het maar door de wat onderkoelde zang van voorman Sean McVay.

Net als je denkt dat de gitaarmuren niet meer gaan komen, duiken ze toch nog op in de ruim tien minuten durende openingstrack van Acheron, maar het stevigere gitaarwerk speelt een ondergeschikte rol, al zorgen de incidenteel opduikende gitaarmuren wel voor lekker veel dynamiek.

Ook op Acheron maakt King Buffalo weer muziek die razend knap in elkaar steekt, waardoor ik af en toe associaties heb met de muziek van de Canadese band Rush. Het zijn voorzichtige associaties, wat King Buffalo leunt meer tegen metal en stonerrock dan tegen 70s hardrock aan en qua zang zijn de bands ook niet vergelijkbaar.

De openingstrack van Acheron duurt zoals gezegd ruim tien minuten, maar ook in de drie resterende tracks op het album, neemt King Buffalo ruim de tijd voor haar muziek, waardoor de teller uiteindelijk stopt na 40 minuten. Acheron ligt in het verlengde van de uitvoerig bejubelde voorganger, maar King Buffalo legt ook een aantal andere accenten. In een tijd waarin alles snel moet kom je niet veel tracks van tien minuten meer tegen, maar King Buffalo laat nog maar eens horen hoe interessant dit soort tracks zijn.

Ik heb niet veel met metal en vindt Acheron daarom misschien nog wel interessanter dan The Burden Of Restlessness, al had dit album het voordeel van de complete verrassing. Acheron klinkt, ondanks de wat andere accenten, direct vanaf de eerste noten bekend, maar gelukkig gebeurt er genoeg in de muziek van de band uit Rochester, New York, om toch weer een paar keer op het verkeerde been gezet te worden.

Net als The Burden Of Restlessness is Acheron een heerlijk melodieus album vol fascinerende klanken. Het is bovendien een album dat nog lang beter wordt. Jammer natuurlijk dat het derde album een release in 2021 niet gaat halen, maar we hebben nu wel iets om naar uit te kijken. Erwin Zijleman

King Buffalo - Regenerator (2022)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: King Buffalo - Regenerator - dekrentenuitdepop.blogspot.com

King Buffalo - Regenerator
Het is King Buffalo niet gelukt om in 2021 drie albums uit te brengen, maar drie uitstekende albums in ruim een jaar is ook een topprestatie en ook Regenerator is weer een fantastisch album van de Amerikaanse band

Mijn eerste kennismaking met de muziek van de Amerikaanse band King Buffalo was vorig jaar een toevalstreffer, maar het was er wel direct een van jaarlijstjes niveau. Het geweldige The Burden Of Restlessness kreeg eind vorig jaar een fraai vervolg met het minder stevige Acheron en krijgt nu ook nog gezelschap van album nummer drie, Regenerator. King Buffalo klinkt op haar nieuwe album weer wat compacter en melodieuzer, maar blijft met een veelheid aan invloeden ook zichzelf. Met Regenerator voltooit de Amerikaanse band een prachtige trilogie, die doet uitzien naar veel en veel meer.

De Amerikaanse band King Buffalo was in het eerste jaar van de coronapandemie zo productief dat het van plan was om in 2021 maar liefst drie albums uit te brengen. Het werden er uiteindelijk ‘slechts’ twee, maar het waren wel twee hele goede albums. The Burden Of Restlessness, de eerste van het stel, kwam min of meer bij toeval op mijn pad, ik check alles dat wordt uitgebracht door het Duitse Stickman Records, en leek op het eerste gehoor niet echt mijn ding, maar de mix van metal, stonerrock, psychedelica, progrock en indierock haalde uiteindelijk zelfs mijn jaarlijstje.

Eind vorig jaar verscheen ook nog Acheron, dat toch wel wat anders klonk dan zijn voorganger. Acheron was een stuk minder stevig dan The Burden Of Restlessness en was met vier lange tracks ook een wat complexer album. Ik omschreef Acheron als ‘Rush dat een stonerrock album heeft gemaakt’ en dat vind ik nog steeds een aardige omschrijving.

Op het derde album in de serie hebben we relatief lang moeten wachten, maar deze week verscheen dan eindelijk Regenerator. Ik was op voorhand benieuwd of King Buffalo op haar nieuwe album zou teruggrijpen op The Burden Of Restlessness of Acheron of juist zou kiezen voor een weer wat ander geluid. Na mijn eerste beluisteringen van het album houd ik het er maar op dat het alle drie waar is.

Regenerator doet met flink wat geweldige riffs denken aan The Burden Of Restlessness, heeft de complexe songstructuren van Acheron, maar slaat ook weer net wat andere wegen in. Zo klinkt de productie van het album wat verzorgder en zijn de songs weer wat korter en toegankelijker dan op Acheron. In muzikaal opzicht leunt Regenerator wat meer tegen de progrock aan, al zijn ook invloeden uit de stonerrock nog altijd zeer nadrukkelijk aanwezig. Hier blijft het niet bij, want de Amerikaanse band sluit ook aan bij onder andere de indierock en de psychedelica, wat van Regenerator het meest veelzijdige album van de trilogie maakt.

In de openingstrack en titeltrack moeten we het doen zonder de zo karakteristieke zang, maar is er wel direct ruimte voor flink wat muzikaal vuurwerk. Deze ruimte wordt vooral ingenomen door de gitaren, maar ook bas, drums en keyboards laten nadrukkelijk van zich horen. Acheron deed me af en toe wel wat denken aan Rush en die associatie komt ook af en toe op bij beluistering van Regenerator, al klinkt de wat dromerige zang van King Buffalo totaal anders dan de hoge uithalen van Geddy Lee van Rush. King Buffalo citeert op haar nieuwe album bovendien hier en daar vrij letterlijk uit de psychedelische periode van Pink Floyd, maar blijft op Regenerator ook zichzelf.

Ik noemde Acheron hierboven een complex album en ook op Regenerator vliegen het muzikale vuurwerk en de tempowisselingen je om de oren, maar het nieuwe album van King Buffalo is toch weer op een andere manier complex dan zijn voorganger en dringt zich door de compactere songs en door het melodieuze karakter van de songs en het gitaarwerk net wat makkelijker op.

The Burden Of Restlessness blijft het voordeel houden van de sensationele kennismaking, maar ik ben toch weer erg te spreken over het album waarmee King Buffalo een bijzonder fraaie en sterke trilogie completeert, zeker als in de afsluitende en 9 minuten durende track alles samenkomt. Prachtig album. Erwin Zijleman

King Buffalo - The Burden of Restlessness (2021)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: King Buffalo - The Burden Of Restlessness - dekrentenuitdepop.blogspot.com

King Buffalo - The Burden Of Restlessness
De Amerikaanse band King Buffalo wil dit jaar drie albums afleveren en de eerste van het stel legt de lat direct hoog met flink wat muzikale hoogstandjes en een mooie mix van metal, stoner en prog

The Burden Of Restlessness van King Buffalo leek in eerste instantie geen album voor mij, tot ik hoorde dat onder de hoge gitaarmuren veel moois is verstopt. Dit moois bestaat uit veel muzikaal vuurwerk, prima zang, sterke songs en een boeiende mix van onder andere metal, stoner en prog. De basis is stevig en lekker rechttoe rechtaan, maar King Buffalo maakt ook melodieuze muziek vol verrassende wendingen. De ene keer wat meer wat meer metal, de volgende keer stevige prog of een mix van 90s indierock met afwisselend stoner rock en metal. Alles gegoten in songs die zich makkelijk opdringen, maar die ook bij herhaalde beluistering interessant blijven.

Ik kwam The Burden Of Restlessness van King Buffalo tegen in de nieuwsbrief van het Duitse Stickman Records en dat is een label om in de gaten te houden, al is het maar omdat het de albums van de Noorse band Motorpsycho uitbrengt. Net als Motorpsycho heeft de Amerikaanse band King Buffalo momenteel niet over inspiratie te klagen en is het van plan om dit jaar drie albums uit te brengen. The Burden Of Restlessness is de eerste van het stel en al het derde album van de band uit Rochester, New York.

Ik moet eerlijk toegeven dat ik vooral vanwege de release op het geweldige Stickman Records ben gaan luisteren naar het nieuwe album van King Buffalo, om vervolgens snel te concluderen dat het niets voor mij was. The Burden Of Restlessness is een donker en stevig album dat ergens op het snijvlak van metal en stonerrock opereert en dat zijn genres die ik hier normaal gesproken niet uit de speakers laat komen. Op een of andere manier kreeg The Burden Of Restlessness me echter toch te pakken.

Onder de gitaarmuren zitten immers melodieuze songs verstopt en bovendien het nodige muzikale vuurwerk. Dat vuurwerk komt bijvoorbeeld van de ritmesectie, die de songs van de Amerikaanse band steeds weer voorziet van bijzondere ritmes en verrassende wendingen. Ook het atmosferische toetsenwerk is fraai en sleept het album van King Buffalo steeds weer uit de geijkte patronen. Het gitaarwerk op het album is stevig, zeker wanneer hoge gitaarmuren worden opgebouwd, maar The Burden Of Restlessness bevat ook subtieler gitaarwerk en melodieuze solo’s.

Ik haak in dit genre meestal af wanneer de zang wordt ingezet en zeker wanneer wordt gekozen voor grunts, maar de zanger van King Buffalo zingt opvallend melodieus en op een of andere manier ook onderkoeld of op zijn minst nonchalant, wat fraai contrasteert met de muzikale hoogstandjes op het album. The Burden Of Restlessness van King Buffalo is hierdoor ook voor muziekliefhebbers die normaal gesproken niet gek zijn op dit soort krachtvoer betrekkelijk licht verteerbaar. De Amerikaanse band strooit met enige regelmaat met zware metalen, maar kan ook kiezen voor psychedelisch aandoende passages of voor flirts met progrock, zeker wanneer de toetsen aan terrein winnen.

The Burden Of Restlessness schijnt het meest donkere en stevige album van de band tot dusver te zijn, wat het interessant maakt om naar de voorgaande albums te luisteren, maar ik ben stiekem ook steeds meer onder de indruk van het nieuwe album van King Buffalo. Het is een album dat me af en toe wel wat doet denken aan The Smashing Pumpkins, maar dan met wat minder geknepen zang en met betere muzikanten, een ook Tool is nooit ver weg, maar King Buffalo behoudt ook een eigen geluid.

The Burden Of Restlessness van King Buffalo is zeker geen album dat ik iedere dag op zet, maar zo op zijn tijd is het een album dat er aan de ene kant lekker stevig inhakt en aan de andere kant net nodige muzikale vernuft laat horen. Het is een album dat in de smaak zal vallen bij liefhebbers van melodieuze metal of stonerrock, maar ook liefhebbers van indierock of stevige progrock kunnen met dit knap in elkaar stekende album waarschijnlijk prima uit de voeten.

Het Duitse Stickman Records heeft over het algemeen een goed oor voor bands die in meerdere uithoeken van de rockmuziek uit de voeten kunnen en ook de keuze voor King Buffalo is weer een goede. Erwin Zijleman

King Creosote - Astronaut Meets Appleman (2016)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: King Creosote - Astronaut Meets Appleman - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

De naam King Creosote zag ik jarenlang opduiken in de betere Britse muziektijdschriften en vrijwel uitzondering in zeer lovende recensies.

Pas in 2014 brachten deze lovende recensies me er toe om eens te luisteren naar de muziek van het alter ego van de Schotse muzikant Kenny Anderson en sinds de beluistering van From Scotland With Love ben ik fan en begonnen aan het ontdekken van het bijzondere oeuvre van de Schot.

Onlangs verscheen een nieuwe plaat van King Creosote en wederom zijn gerenommeerde Britse muziektijdschriften als Mojo en Uncut zeer lovend. En terecht.

Kenny Anderson was de afgelopen 20 jaar enorm productief en heeft een enorme stapel platen uitgebracht (in totaal meer dan 50 platen, waarvan flink wat op zelf gebrande cd’s), maar de laatste jaren is hij wat meer gefocust en heeft hij bovendien de beschikking over een wat ruimer budget. Het is te horen op Astronaut Meets Appleman dat is verschenen op het eigenzinnige Domino label en prachtig klinkt.

De muziek van Kenny Anderson is geworteld in de Britse folk uit de jaren 70, maar is vervolgens aangevuld met flink wat andere invloeden, waaronder invloeden uit de Schotse volksmuziek.

Iedereen die de platen van King Creosote kent weet dat Kenny Andrews prachtige verhalen kan vertellen en deze verpakt in al even prachtige songs. Het is op Astronaut Meets Appleman niet anders, maar dit keer zijn deze songs ook nog eens voorzien van bijzonder fraaie en vol klinkende arrangementen.

Kenny Anderson pakt op Astronaut Meets Appleman flink uit met veel strijkers, een flink arsenaal aan andere instrumenten en hier en daar mooie koortjes met vrouwenstemmen. Het geeft zijn toch al zo bijzondere songs nog net wat meer glans.

Het is genieten voor een ieder die het rijke oeuvre van de Schot ook maar enigszins kent, maar ook als Astronaut Meets Appleman de eerste kennismaking is met het werk van King Creosote overtuigt de plaat bijzonder makkelijk. De songs van Kenny Anderson sluiten aan op de rijke tradities van de folk, liggen lekker in het gehoor en laten zoveel oorstrelende dingen horen dat je al na een paar minuten in de wolken bent.

Bijna een uur lang tovert Kenny Anderson het ene na het andere briljante popliedje uit de hoge hoed. Het zijn popliedjes vol zonnestralen, maar af en toe mag er ook best eens een donkere wolk voorbij trekken of een flinke bui vallen. De Britse muziekpers prijst hem wederom de hemel in en dat verdient King Creosote zo langzamerhand ook in Nederland. Prachtplaat. Punt. Erwin Zijleman

King Creosote - From Scotland with Love (2014)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: King Creosote - From Scotland With Love - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Ik ben de naam King Creosote de afgelopen jaren een paar keer tegengekomen in lovende recensies en zelfs in jaarlijstjes, maar tot voor kort had ik nog geen noot van de muziek van het alter ego van de Schot Kenny Anderson gehoord en dit ondanks het feit dat deze Kenny Anderson inmiddels stapels platen schijnt te hebben gemaakt.

Het veranderde allemaal toen een paar weken geleden From Scotland With Love hier op de mat viel. Sindsdien ben ik langzaam maar zeker zeer gehecht geraakt aan de muziek van King Creosote.

From Scotland With Love is de soundtrack bij een BBC documentaire over al hetgeen waar Schotland trots op is, maar de muziek komt ook zonder de bijbehorende beelden (die overigens bedoeld zijn voor de aankomende Commonwealth Games) uitstekend tot zijn recht.

From Scotland With Love staat, hoe kan het ook anders, bol van de Schotse invloeden. Dat hoor je in het Schotse accent van Kenny Anderson, maar ook in de muziek waarin Britse folk wordt vermengd met Keltische invloeden.

Persoonlijk ben ik vooral onder de indruk van de meer ingetogen songs op From Scotland With Love, maar ook als King Creosote het tempo opvoert, houdt de nieuwe plaat van de Schot je op het puntje van je stoel.

From Scotland With Love eert de rijke geschiedenis van Schotland en is daarom een hele diverse en ook bijzonder tijdloze plaat. In de meeste tracks overheersen de ingetogen klanken, maar King Creosote kan ook flink uitpakken met strijkers en blazers of een heel kinderkoor. Het mooist zijn echter de stemmige songs waarin King Creosote muziek maakt die ik persoonlijk niet associeer met de muziek van anderen en wat mij betreft dus uniek is. Het zijn mooie ingetogen folky popliedjes die steeds weer zijn voorzien van bijna klassieke intermezzo’s, wat de muziek van King Creosote een geheel eigen karakter geeft.

From Scotland With Love is mogelijk niet heel representatief voor het rijke oeuvre van Kenny Anderson, maar wat is het mooi. In muzikaal opzicht steekt het allemaal buitengewoon knap in elkaar. Een zich buitengewoon langzaam voortslepend klassiek intermezzo kan zomaar overslaan in een heerlijk uptempo popliedje dat zo lijkt weggelopen uit de 80s, maar ook de weg van uptempo naar bijna verstild wordt door King Creosote op knappe en inventieve wijze doorlopen.

Ik denk dat alles pas op zijn plaats valt wanneer je de muziek op From Scotland With Love combineert met de bijbehorende beelden, maar je kunt de nieuwe plaat van King Creosote natuurlijk ook voorzien van eigen beelden.

De afgelopen week werd ik zo vrolijk van de muziek van King Creosote dat ik ben begonnen aan een voorzichtige verkenning van de rest van zijn oeuvre. Ook het vorig jaar verschenen That Might Well Be It, Darling durf ik inmiddels al een bescheiden meesterwerk te noemen; een predicaat dat ook van toepassing is op het verrassende en uiteindelijk vooral wonderschone From Scotland With Love. Erwin Zijleman

King Crimson - Discipline (1981)

poster
4,5
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: King Crimson - Discipline (1981) - dekrentenuitdepop.blogspot.com

King Crimson - Discipline (1981)
King Crimson vond zichzelf, na een serie klassiekers uit de late jaren 60 en vroege jaren 70, opnieuw uit met het in 1981 verschenen Discipline, dat zijn tijd ver vooruit was en nog altijd opvallend avontuurlijk en urgent klinkt

Robert Fripp blies zijn band aan het begin van de jaren 80 nieuw leven in en trok met drummer Bill Bruford, bassist Tony Levin en gitarist en zanger Adrian Belew een aantal topkrachten aan. Het nog altijd fascinerend klinkende Discipline wordt voor een belangrijk deel bepaald door het unieke gitaarwerk van Adrian Belew en Robert Fripp, maar ook Bill Bruford en Tony Levin spelen de pannen van het dak. De songs van King Crimson zijn op Discipline vaak van het onnavolgbare en wat nerveuze soort, maar de songs op het album zitten ook vol prachtige details. King Crimson haalde vooral de geschiedenisboeken met haar vroege albums, maar het werk uit de jaren 80 is minstens even mooi en bijzonder.

De Britse band King Crimson heeft een zeer omvangrijk oeuvre op haar naam staan, maar wanneer je je beperkt tot de reguliere studioalbums van de band is het best te overzien. Grof gezegd bestaat het oeuvre van de legendarische band dan uit de zeven albums die tussen 1969 en 1974 werden gemaakt, uit de drie albums die stammen uit de jaren 80 en de drie albums die vanaf de jaren 90 werden gemaakt.

King Crimson leverde in de eerste zes jaar van haar bestaan een serie klassiekers af, want zo mogen In The Court Of The Crimson King (1969), In The Wake Of Poseidon (1970), Lizard (1970), Islands (1971), Larks' Tongues in Aspic (1973), Starless And Bible Black (1974) en Red (1974) best genoemd worden. Het zijn albums die destijds het etiket symfonische rock of progrock opgeplakt kregen, maar hiermee doe je de muziek van de band wel wat te kort.

Ik heb het vroege werk van King Crimson hoog zitten, maar ik heb net iets meer met de drie albums die de band gedurende de jaren 80 maakte, al is het maar omdat deze albums de tand des tijds nog beter hebben doorstaan. Discipline uit 1981, Beat uit 1982 en Three Of A Perfect Pair (1984) worden wel gezien als een trilogie en zijn gemaakt in dezelfde samenstelling.

Het is een samenstelling die flink afweek van de bezetting in de eerste jaren van King Crimson, want in 1981 was van de leden van het eerste uur alleen voorman Robert Fripp nog over. Hij wordt bijgestaan door meesterdrummer Bill Bruford, die ook op de laatste twee jaren 70 albums van King Crimson al van de partij was, bassist Tony Levin en gitarist Adrian Belew, die in de jaren ervoor onder andere bij David Bowie en Talking Heads had gespeeld.

Van de drie jaren 80 albums van King Crimson gaat mijn voorkeur uit naar Discipline uit 1981. Het is een album dat zijn tijd in 1981 lichtjaren vooruit was en dat ruim veertig jaar na de release nog altijd fris en urgent klinkt. Discipline heeft een in alle opzichten uniek geluid en het is een geluid dat voor een belangrijk deel wordt bepaald door het bijzondere gitaarspel van Robert Fripp en Adrian Belew.

Robert Fripp had in 1981 een uniek geluid ontwikkeld, dat nauwelijks meer klonk als een gitaargeluid en dat bestond uit herhalende patronen, het vloeit op Discipline prachtig samen met het gitaarspel van Adrian Belew, dat ook verre van conventioneel klinkt. Het levert een bij vlagen behoorlijk experimenteel en eclectisch geluid op, dat werd vervolmaakt door het fraaie baswerk van Tony Levin en het onnavolgbare drumwerk van Bill Bruford.

Door de zang van Adrian Belew doet Discipline af en toe wel wat denken aan het vroege werk van Talking Heads, maar het album heeft ook een uniek geluid, dat ook de volgende twee albums van King Crimson zou bepalen. De songs op Discipline maken vaak een wat gejaagde indruk, wat wordt versterkt door het bijzondere gitaarwerk op het album, maar met Matte Kudasai bevat Discipline ook een bijzonder sfeervolle ballad.

Ik luister tegenwoordig vaker naar het vroege werk van King Crimson, waarop overigens een fascinerende lijst topmuzikanten voorbij komt, maar toen Discipline een tijdje terug weer eens door de speakers kwam was ik weer diep onder de indruk van de energie van en de experimenteerdrift op het album. Het is een album dat als het deze week zou worden uitgebracht zou worden bestempeld als fris en avontuurlijk en over hoeveel albums die meer dan veertig jaar oud zijn kun je dat zeggen? Erwin Zijleman

King Hannah - Big Swimmer (2024)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: King Hannah - Big Swimmer - dekrentenuitdepop.blogspot.com

King Hannah - Big Swimmer
Het Britse duo King Hannah maakte op haar debuutalbum geen geheim van haar inspiratiebronnen, maar maakt op Big Swimmer indruk met een spannend, gruizig en indringend geluid

King Hannah leverde twee jaar geleden een veelbelovend debuutalbum af, dat herinnerde aan een aantal grote bands en muzikanten, maar dat ook genoeg eigen potentie liet horen. Die komt er uit op het deze week verschenen Big Swimmer dat is geïnspireerd door een lang verblijf in de Verenigde Staten. De invloeden die op het debuutalbum zo’n grote rol speelden zijn nog steeds aanwezig, maar King Hannah is op haar tweede album vooral zichzelf. Hannah Merrick zingt echt prachtig, terwijl Craig Whittle flink tekeer gaat op zijn gitaren. Big Swimmer staat bol van de onderhuidse spanning en houdt je bijna 50 minuten aan de speakers gekluisterd. King Hannah is de belofte inmiddels ver voorbij.

King Hannah, het duo uit Liverpool dat bestaat uit Hannah Merrick en Craig Whittle, debuteerde in het voorjaar van 2022 prachtig met I'm Not Sorry, I Was Just Being Me, dat de belofte van de EP’s die aan het album vooraf gingen volledig waar maakte. Ik omschreef de muziek van King Hannah ruim twee jaar geleden als een mix die bestaat uit gelijke delen Portishead, Mazzy Star en PJ Harvey en dat zijn namen die waarschijnlijk goed gaan scoren als ik ooit mijn lijstje met de beste albums aller tijden ga opstellen (iets dat ik overigens niet van plan ben).

De inspiratiebronnen lagen er soms nog wel wat dik bovenop op I'm Not Sorry, I Was Just Being Me, maar het album liet wat mij betreft ook voldoende een eigen geluid horen. Alle reden om uit te zien naar het tweede album van het Britse duo en dat album is deze week verschenen. Big Swimmer heeft de afgelopen week flink wat aandacht gekregen en was misschien zelfs wel de meest besproken nieuwe release van deze week. Daar valt niet veel op af te dingen, want King Hannah heeft inderdaad een sterk album afgeleverd.

Het is een album dat opent met een verrassend ingetogen en folky passage, waarin de stem van Hannah Merrick prachtig klinkt. Het is een passage die een nieuwe dimensie toevoegt aan het geluid van King Hannah, ook wanneer de gitaren in het tweede deel van de titeltrack van het album wat steviger klinken en zeker in muzikaal opzicht weer iets van Mazzy Star opduikt in de muziek van het Britse duo. Bij beluistering van de openingstrack wist ik ook direct weer wat ik ruim twee jaar geleden zo goed vond aan de muziek van King Hannah.

In New York, Let’s Do Nothing voegt King Hannah nog een nieuwe dimensie toe aan haar muziek en dat is een dimensie waar ik iets minder enthousiast over ben, al is de praatzang van Hannah Merrick mooier dan de gemiddelde praatzang. De muzikante uit Liverpool blijft gelukkig ook gewoon zingen, op de achtergrond begeleid door behoorlijk stevig gitaarwerk, dat af en toe de speakers uit mag knallen.

De invloeden van Mazzy Star en PJ Harvey hebben we in de eerste twee tracks gehad, waarna in The Mattress op zijn minst een vleugje Portishead opduikt. Ik kan me slechtere inspiratiebronnen voorstellen en bovendien heeft King Hannah op haar tweede album een duidelijker eigen geluid dan op het debuutalbum. Het door het touren door de Verenigde Staten beïnvloede album klinkt psychedelischer en vaak ook steviger dan het debuutalbum, terwijl ook invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek hun weg hebben gevonden naar het geluid van King Hannah, dat vaak opvalt door een bijzondere onderhuidse spanning.

In muzikaal valt op dat het gitaarwerk mooier en veelzijdiger is dan op het debuutalbum en ook de zang, vind ik buiten de paar passages met gesproken woord, mooier dan op I'm Not Sorry, I Was Just Being Me. Zeker de wat soberder ingekleurde en zich langzaam voortslepende songs op het album zijn prachtig, zeker wanneer de stem van Hannah Merrick samenvloeit met gruizige gitaarlijnen en een subtiele ritmesectie. Zeker als je het album een paar keer heb gehoord vergeet je het eerder genoemde vergelijkingsmateriaal en hoor je alleen nog maar King Hannah, dat in twee jaar wat mij betreft is uitgegroeid tot een grote band. Erwin Zijleman

King Hannah - I'm Not Sorry, I Was Just Being Me (2022)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: King Hannah - I'm Not Sorry, I Was Just Being Me - dekrentenuitdepop.blogspot.com

King Hannah - I'm Not Sorry, I Was Just Being Me
Het Britse duo King Hannah verwerkt op haar debuutalbum gelijke delen Portishead, Mazzy Star en PJ Harvey tot een aangenaam bezwerende luistertrip, die alleen maar mooier en indringender wordt

Het uit Liverpool afkomstige duo King Hannah maakt op I'm Not Sorry, I Was Just Being Me geen geheim van de belangrijkste inspiratiebronnen. Toch is de muziek van het tweetal veel meer dan een beetje van Portishead, Mazzy Star en PJ Harvey. Zeker bij aandachtige beluistering verandert het debuut van King Hannah al snel in een even bezwerende als betoverende luistertrip, waarin veelkleurig gitaarwerk wordt gecombineerd met triphop achtige ritmes en met de bijzondere stem van Hannah Merrick, die het beste van haar voorbeelden weet te verenigen en afwisselend indringend, rokerig, ruw en verleidelijk klinkt. Even de tijd gunnen dit album, maar hierna wordt het alleen maar mooier.

King Hannah is een duo uit Liverpool dat bestaat uit Hannah Merrick en Craig Whittle. Na een aantal geweldige singles en een uitstekende EP waren de verwachtingen hooggespannen voor het debuut van het Britse tweetal en dat debuut is deze week verschenen. I'm Not Sorry, I Was Just Being Me maakt de hooggespannen verwachtingen wat mij betreft waar, al was dat niet direct evident.

Het eerdere werk van de band deed me onder andere denken aan de muziek van PJ Harvey, Mazzy Star en Portishead en dat zijn alle drie persoonlijke favorieten. Het zijn invloeden die terugkeren op het debuut van de twee en die meer dan eens prachtig samensmelten tot King Hannah songs.

I'm Not Sorry, I Was Just Being Me opent prachtig met A Well-Made Woman dat zich in eerste instantie langzaam voortsleept met uit de triphop weggelopen gitaren en ritmes en de stem van Hannah Merrick, die het beste van Beth Gibbons, PJ Harvey en Hope Sandoval weet te verenigen. Naarmate de track vordert begint het wat meer te schuren met wat steviger gitaarwerk, maar King Hannah houdt de bezwering vast.

Het deed me ook direct denken aan de muziek die Lera Lynn maakte voor het tweede seizoen van de buitengewoon beklemmende tv-serie True Detective en in deze serie zou ook de muziek van King Hannah niet misstaan. Ook in andere wat duistere tv-series zou de muziek op I'm Not Sorry, I Was Just Being Me overigens niet misstaan.

De openingstrack is prachtig, maar zeker bij eerste beluistering van het album viel me op dat het tweetal uit Liverpool op de rest van het album niet al teveel meer varieert, al mag ook Craig Whittle een keer de leadvocalen voor zijn rekening nemen en ontsporen de gitaren de ene keer net wat meer dan de andere keer.

Zeker toen ik wat snel door de songs heen wandelde leek het gebrek aan variatie de achilleshiel van I'm Not Sorry, I Was Just Being Me, maar dit is geen album dat je vluchtig of oppervlakkig moet beluisteren. Toen ik het debuut van King Hannah voor het eerst met de koptelefoon beluisterde en me volledig onderdompelde in het debuut van Hannah Merrick en Craig Whittle wist de band me moeiteloos twaalf songs en ruim drie kwartier lang in een wurggreep te houden.

King Hannah doet dat in eerste instantie met de bezwerende stem van Hannah Merrick, die geen geheim maakt van haar grote voorbeelden, maar wel overtuigt met zang die je makkelijk de muziek van de band in weet te trekken. Het is met name de zang die de muziek van King Hannah boven het maaiveld uittilt, maar er is meer.

Ook het gitaarwerk van Craig Whittle is niet zo eenvormig als hier en daar wordt gesuggereerd. In een aantal tracks blijft hij dicht bij de gitaarlijnen uit de triphop, maar het gitaarwerk kan zoals gezegd ook gruiziger klinken en in The Mood That I Get In gooit de muzikant uit Liverpool er ook nog eens een gitaarsolo tegenaan waarvoor David Gilmour zich niet geschaamd zou hebben. De ritmesectie op het album speelt vooral subtiel en wisselt betrekkelijk ingetogen passages af met triphop ritmes.

Hier en daar lees ik dat I'm Not Sorry, I Was Just Being Me een vrijwel exacte kopie van Portishead’s Dummy is, maar dat vind ik zwaar overdreven. Foolius Caesar had inderdaad ook op het debuut van Portishead kunnen staan, maar in de meeste andere tracks op het album zijn de overeenkomsten met Portishead minder duidelijk, al is het maar omdat bij King Hannah de gitaren centraal staan en niet de elektronica.

Ik vind het debuut van King Hannah uiteindelijk prachtig, zeker wanneer je het album met volledige aandacht en als één lange luistertrip beluistert en je mee laat voeren op de golven van de wat donkere klanken van het tweetal. Missie geslaagd al met al. Erwin Zijleman

King Margo - Waters Rise (2022)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: King Margo - Waters Rise - dekrentenuitdepop.blogspot.com

King Margo - Waters Rise
King Margo is een onbekend duo uit Nashville, Tennessee, maar Waters Rise, het tweede album van het tweetal, is een degelijk rootsalbum, dat zowel in muzikaal als in vocaal opzicht zeer aangenaam vermaakt

Lucciana Costa en Rachel Coats zijn twee gelouterde muzikanten, die inmiddels een aantal jaren muziek maken als King Margo. Met hun tweede album Waters Rise zouden ze normaal gesproken waarschijnlijk niet zo makkelijk aandacht trekken, maar in een slappe releaseweek ligt alles anders en was het album van het duo uit Nashville wat mij betreft een krent uit de pop. In kwalitatief opzicht doet het album van King Margo overigens niet onder voor de selectie in drukkere weken, want Waters Rise bevat een serie sterke en zeer smaakvol ingekleurde songs, die ook nog eens gloedvol worden vertolkt door twee uitstekende zangeressen. Prima rootsalbum dit.

Zelfs in een week met heel weinig nieuwe releases, had ik nog een aardig stapeltje met nieuwe albums uit het hokje Amerikaanse rootsmuziek. Het zijn albums die het normaal gesproken waarschijnlijk af hadden moeten leggen tegen de net wat grotere namen in het genre, maar ik ben blij dat ik Waters Rise van King Margo heb ontdekt.

King Margo is een duo uit Nashville, Tennessee, dat bestaat uit Lucciana Costa en Rachel Coats. De twee groeiden op nog geen 100 kilometer van elkaar op in Ann Arbor, Michigan en Toledo, Ohio en waren allebei vanaf jonge leeftijd actief in de muziek. Het duurde echter heel wat jaren voor ze elkaar tegen kwamen en besloten om samen muziek te gaan maken. Het deze week verschenen Waters Rise is de opvolger van het in 2018 verschenen Barely Gettin’ By, dat ik niet heb opgemerkt.

Lucciana Costa en Rachel Coats zijn al jaren actief als sessiemuzikanten en dat hoor je op Waters Rise, dat vanaf de eerste noten opvalt door bijzonder lekker klinkend gitaarwerk. Crazymakin’ Town, de openingstrack van het nieuwe album van King Margo valt niet alleen op door lekker ruw gitaarwerk, maar ook door de mooi bij elkaar kleurende stemmen van Lucciana Costa en Rachel Coats.

Op basis van de uitstekende openingstrack was ik al redelijk overtuigd van de kwaliteiten van King Margo, maar het Amerikaanse tweetal blijkt op Waters Rise verrassend veelzijdig. Na de lekker ruwe openingstrack maken Lucciana Costa en Rachel Coats minstens evenveel indruk met een lome ballad, waarin de vocalen er nog wat meer uit knallen, maar waarin ook het gitaarwerk nog altijd geweldig is.

Waters Rise schakelt continu tussen wat stevigere en wat meer ingetogen tracks en het tweetal uit Nashville leunt hierbij vooral tegen de wat traditionelere Amerikaanse rootsmuziek aan. Het is een genre waarin het al jaren stevig dringen is, maar King Margo eindigt wat mij betreft aan de goede kant van de streep.

De songs van Lucciana Costa en Rachel Coats doen wat traditioneel aan, maar klinken zeker niet oubollig en bovendien vertolken de twee hun songs met lekker veel energie, waardoor Waters Rise uit de speakers knalt. Zeker in de uptempo tracks hoor ik wel wat van de albums waarmee Miranda Lambert en Gretchen Wilson ooit doorbroken, met de geweldige meerstemmige vocalen van Lucciana Costa en Rachel Coats als bonus.

Waters Rise was waarschijnlijk wat saai geworden wanneer de twee het tempo een album lang hoog hadden gehouden, maar door de ballads is het een lekker dynamisch album geworden, al schitteren de stevigere tracks aan het eind van het album wel wat door afwezigheid. De genoemde ballads zijn hier en daar wat aan de zoete kant, wat ook niet ongebruikelijk is in het genre, maar met name door de uitstekende zang en de altijd aanwezige gitaren zit geen enkele track op het album me in de weg. Integendeel zelfs.

Waters Rise overtuigt door de sterke wapens van Lucciana Costa en Rachel Coats makkelijk, maar waar veel albums in het genre na een paar keer horen wel wat saai kunnen worden, worden de songs van King Margo vooralsnog alleen maar sterker. De twee muzikanten uit Nashville hebben het geluk van een wat slappe releaseweek, maar ook in een week met veel releases in het genre zou het fraaie Waters Rise wat mij betreft met de besten mee kunnen. Erwin Zijleman

King Princess - Girl Violence (2025)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: King Princess - Girl Violence - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Review: King Princess - Girl Violence
King Princess trok naar verluidt al flink de aandacht met haar eerste twee albums, maar op Girl Violence klinkt ze een stuk volwassener en levert ze een popalbum af dat flink opvalt binnen het enorme aanbod van het moment

Iedere week verschijnt een flink stapeltje albums dat past in het hokje (indie)pop. Om nog op te vallen zal een album er flink uit moeten springen en dat doet het nieuwe album van King Princess. Op Girl Violence laat Mikaela Straus niet alleen horen dat ze kan zingen, maar de muzikante uit New York heeft ook een serie aansprekende en persoonlijke songs geschreven. Het zijn songs die lekker veelzijdig klinken, want in muzikaal opzicht kan Girl Violence meerdere kanten op, variërend van pure pop tot indierock en van ingetogen ballads tot lome pop met een R&B twist. King Princess zette al flinke stappen op haar tweede album, maar voegt er een reuzenstap aan toe.

Girl Violence van King Princess krijgt deze week redelijk wat aandacht en op basis van de eerste recensies was ik zeker nieuwsgierig naar het album. Ik ging er in eerste instantie van uit dat King Princess een nieuwkomer is, want volgens mij was ik haar naam nog niet eerder tegen gekomen. Girl Violence blijkt echter al het derde album van het alter ego van de uit Brooklyn, New York, afkomstige Mikaela Straus.

King Princess debuteerde in 2019 behoorlijk succesvol met het album Cheap Queen. Het is een album dat ik in 2019 waarschijnlijk nog wat teveel pop vond, maar inmiddels kan ik wel wat met het debuutalbum van King Princess en dat geldt ook voor de net wat stevigere opvolger Hold On Baby uit 2022. Ik vind het best bijzonder dat ik beide albums niet eens heb beluisterd, want Hold On Baby had zeker niet misstaan tussen de popalbums die ik in 2022 wel oppikte.

Dat geldt in nog sterkere mate voor het deze week verschenen Girl Violence, dat goed aansluit op een aantal recente popalbums die ik goed vind. Ik vind het derde album van King Princess nog een stuk beter dan de eerste twee albums, wat het een mooi moment maakt om in te stappen bij de Amerikaanse muzikante.

Wat in eerste instantie opvalt bij beluistering van het album is dat de songs van Mikaela Straus aan de korte kant zijn. Het album opent met de titelsong die maar net iets meer dan twee minuten duurt. Girl Violence bevat maar liefst acht tracks die de drie minuten grens niet passeren. De overige vijf tracks komen hooguit een paar seconden boven de drie minuten grens uit, waardoor King Princess slechts een kleine 35 minuten nodig heeft voor dertien tracks. Het zit me niet in de weg, want ik vind de songs van de Amerikaanse muzikante wel af.

Er zijn meer dingen die opvallen bij beluistering van Girl Violence. Zo laat Mikaela Straus direct in de openingstrack horen dat ze kan zingen en dat ze beschikt over een stem die afwijkt van alle fluisterstemmen in de indiepop van het moment. Het is een stem die absoluut soulvol is en het is dan ook niet zo gek dat King Princess meer dan eens invloeden uit de R&B verwerkt in haar songs.

Het zijn songs die zijn voorzien van een mooi en gevarieerd geluid. King Princess kan uit de voeten met het vooral met elektronica ingekleurde geluid dat de popmuziek van het moment domineert, maar in een track als I Feel Pretty gooit ze er ook stevige gitaren tegenaan. De Amerikaanse muzikante is verder ook niet vies van behoorlijk ingetogen en stemmige klanken, waardoor haar derde album een aantal kanten op kan.

In muzikaal en productioneel opzicht klinkt Girl Violence een stuk volwassener dan de eerste twee album van King Princess. Hier blijft het niet bij, want ook de songs van Mikaela Straus zijn beter en hetzelfde geldt voor haar teksten, die wat minder vreemd zijn en inzoomen op de worstelingen met onder andere haar seksualiteit die ze bij het volwassen worden tegen kwam. Ook de zang op het derde album van King Princess is een stuk beter, want de stem van Mikaela Straus is op Girl Violence eigenlijk altijd mooi.

Als ik de muziek van King Princess vergelijk met de grote popzangeressen van het moment kom ik vooral bij Billie Eilish uit, maar van treffend vergelijkingsmateriaal is zeker geen sprake. Het aanbod is momenteel enorm in dit genre, maar Girl Violence van King Princess verdient absoluut de aandacht. Erwin Zijleman

Kings of Convenience - Peace or Love (2021)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Kings Of Convenience - Peace Or Love - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Kings Of Convenience - Peace Or Love
Het Noorse duo Kings Of Convenience keert na een afwezigheid van 12 jaar terug met een aangenaam album waarop het genre dat het duo ooit op de kaart zette in volle glorie terugkeert

Kings Of Convenience dook twintig jaar geleden op met ingetogen akoestische songs die de muziekpers inspireerden tot het bedenken van een nieuw genre. Dat genre is al lang weer vergeten, maar de muziek van Kings Of Convenience is nog springlevend. Het Noorse duo was twaalf jaar uit beeld, maar er lijkt niets veranderd. De instrumentatie is bekend, net als de zang en harmonieën, maar de songs van het duo zijn wederom bijzonder aangenaam, met de bijdragen van (Leslie) Feist als kers op de taart. Natuurlijk is er niet veel nieuws onder de zon, maar juist onder deze zon zijn de lome en mooi ingekleurde songs van Kings Of Convenience een ware traktatie.

Het Noorse duo Kings Of Convenience behoorde helemaal aan het begin van het huidige millennium tot de pioniers van de muziekstroming die uiteindelijk werd getypeerd als de “Quiet Is The New Loud” beweging. Het is een naam die de stroming dankt aan het Noorse duo, want Quiet Is The New Loud is de titel van het officiële debuutalbum van Erik Glambek Bøe en Erlend Øye.

Er werd destijds nogal druk gedaan over het nieuwe genre, maar zo nieuw was de meeste muziek van de pioniers niet. Kings Of Convenience maakte op Quiet Is The New Loud akoestisch ingekleurde, lekker in gehoor liggende en van fraaie harmonieën voorziene muziek, die zich absoluut liet inspireren door de muziek van Simon & Garfunkel van een aantal decennia eerder, maar die ook niet vies was van een vleugje bossa nova.

Alle ophef rond de nieuwe stroming was zeker achteraf bezien wel wat overdreven, maar Kings Of Convenience leverde met Quiet Is The New Loud uit 2001, Riot On An Empty Street uit 2004 en Declaration Of Dependence uit 2009 drie uitstekende albums af, die moeten worden gerekend tot de hoogtepunten van een genre dat na een paar jaar een vroege dood stierf.

Sinds 2009 was het stil rond Kings Of Convenience, maar deze week keren Erik Glambek Bøe en Erlend Øye terug met een nieuw album. De Quiet Is The New Loud beweging is al een tijd dood en begraven, maar op het nieuwe album van het Noorse duo is weinig tot niets veranderd.

Iedereen die niets had met de muziek die het tweetal in het verleden maakte zal waarschijnlijk ook niet veel hebben met het nieuwe album, maar voor de liefhebbers van weleer is ook Peace Or Love weer een uitstekend album. Kings Of Convenience kiest ook dit keer voor een behoorlijk laag tempo, voor een volledig akoestische instrumentatie en voor mooie zang, hier en daar aangevuld met fraaie harmonieën.

Het Noorse duo put ook dit keer uit de archieven van de folk en uit die van Simon & Garfunkel en vult die ook dit keer aan met een vleugje bossa nova en een snufje Belle & Sebastian. Heel spannend is het allemaal niet en ik kan me ook voorstellen dat er muziekliefhebbers zijn die Peace Or Love bloedeloos saai vinden, maar zelf hou ik er wel van.

Het nieuwe album van Kings Of Convenience doet het geweldig bij de zomerse temperaturen van de afgelopen week en is een fraai rustpunt na al het voetbalgeweld. De instrumentatie is mooi en verzorgd en wat mij betreft net gevarieerd genoeg. Erik Glambek Bøe en Erlend Øye zijn nog altijd voorzien van prachtige stemmen, die elkaar mooi versterken in de harmonieën. Het zijn stemmen die het bovendien geweldig doen in combinatie met een vrouwenstem, waarvoor dit keer niemand minder dan (Leslie) Feist is gerekruteerd.

De eenvoud regeert op het nieuwe album van het Noorse duo, maar deze eenvoud is wat mij betreft het recept voor songs van een grote schoonheid. Luister naar Peace Or Love en je hoort ieder detail in de zachte muziek van Kings Of Convenience. Alles klinkt even mooi en aangenaam en bij herhaalde beluistering wordt het allemaal zeker niet minder.

Over de destijds zwaar gehypte The Quiet Is The New Loud beweging moeten we het maar niet meer hebben, maar het door deze beweging gebruikte recept levert ook twintig jaar later nog een prachtalbum op. Erwin Zijleman

Kirsten Adamson - Dreamviewer (2025)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Review: Kirsten Adamson - Dreamviewer - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Review: Kirsten Adamson - Dreamviewer
De Schotse muzikante Kirsten Adamson kreeg de muzikale genen van haar vader, maar laat op haar nieuwe album Dreamviewer ook een voorliefde en een gave voor het maken van countrymuziek horen

Dreamviewer, het derde of zelfs vierde album van de Schotse muzikante Kirsten Adamson wordt vooralsnog nauwelijks opgemerkt. Dat is jammer, want het is echt een uitstekend album. Het is een album waarop Kirsten Adamson de Amerikaanse rootsmuziek en met name de countrymuziek omarmt, maar het is wel countrymuziek met een Britse twist en een Schotse tongval. In muzikaal opzicht klinkt het allemaal uitstekend en verrassend tijdloos, maar het is vooral de zang van de Schotse muzikante die indruk maakt. Het zorgt er voor dat Dreamviewer zich wat mij betreft makkelijk weet te onderscheiden van de meeste andere singer-songwriter albums van het moment. Hopelijk krijgt het album daarom alsnog de erkenning die het zo verdient.

Dreamviewer van Kirsten Adamson verscheen een maand of drie geleden, maar heeft vooralsnog helaas slechts in zeer kleine kring aandacht gekregen. Ik kwam het album tegen in een recente editie van de Mojo of de Uncut en die recensie was positief genoeg om te luisteren naar het album. Daar heb ik zeker geen spijt van gekregen, want Dreamviewer is een mooi album, dat veel meer aandacht verdient dan het album tot dusver heeft gekregen.

Het blijkt al het derde album van de Schotse muzikante, die samen met ene Dave Burn ook nog een album maakte onder de naam The Marriage. Ik was de naam van Kirsten Adamson zelf nog niet eerder tegen gekomen, maar weet inmiddels dat ze de dochter is van de Schotse muzikant Stuart Adamson, die aan de basis van de Britse band The Skids en Big Country stond.

De Schotse muzikant zocht aan het eind van de jaren 90 zijn geluk in Nashville, waar hij de countrymuziek ontdekte, maar in 2001 op slechts 43-jarige leeftijd een einde maakte aan zijn leven. Kirsten Adamson bleef na het einde van het eerste huwelijk van haar ouders achter in het Verenigd Koninkrijk, maar bracht ook een aantal zomers in Nashville door.

De hoofdstad van de Amerikaanse rootsmuziek heeft zeker invloed gehad op de muzikale keuzes die ze maakt op Dreamviewer. Ik ga niet zo ver om Dreamviewer een countryalbum te noemen, maar invloeden uit de countrymuziek spelen absoluut een rol op het nieuwe album van Kirsten Adamson.

De Schotse muzikante beschikt om te beginnen over een stem die het goed doet in countrymuziek en die haar songs een country vibe geeft. Door de invloeden uit de countrymuziek in de zang klinkt Dreamviewer eerder Amerikaans dan Brits, maar het is zeker geen typisch Amerikaans rootsalbum geworden.

De stem van Kirsten Adamson heeft een lichte country snik, maar ik vind het ook een mooie en warme stem en ik heb bovendien wel wat met de manier van zingen van de Schotse muzikante en haar Schotse tongval. Kirsten Adamson zingt met veel gevoel en af en toe veel expressie, maar ze zingt ook vaak redelijk ingehouden, wat van Dreamviewer een intiem klinkend album maakt.

Door de zang van Kirsten Adamson klinkt Dreamviewer geregeld als een countryalbum, maar ook de muziek op het album draagt hier aan bij, zeker wanneer de in het genre onmisbare pedal steel opduikt. Kirsten Adamson is haar Schotse wortels echter niet helemaal vergeten, want haar nieuwe album bevat ook invloeden uit de Britse folk, zeker wanneer strijkers opduiken.

Kirsten Adamson is als ik goed geïnformeerd ben inmiddels 40 jaar oud en dat hoor je. Dreamviewer klinkt een stuk doorleefder dan alle albums van hele jonge vrouwelijke singer-songwriters die dit jaar zijn verschenen en klinkt bovendien een stuk tijdlozer. De Schotse muzikante heeft geen poging gedaan om invloeden uit de indiepop, indiefolk of countrypop toe te voegen aan haar songs en heeft met Dreamviewer een album gemaakt dat inmiddels ook een aantal decennia oud zou kunnen zijn.

Het is zoals gezegd een album dat flink te klagen heeft over de aandacht die het heeft gekregen en dat is echt doodzonde. Het is immers een album dat me direct wist te overrompelen en dat wat mij betreft ook iets toevoegt aan alle albums die dit jaar in het genre zijn verschenen. Het maakt me nieuwsgierig naar het oudere werk van Kirsten Adamson en nodigt me ook uit om weer eens werk van haar vader uit de kast te trekken, maar voorlopig ben ik nog lang niet klaar met het buitengewoon fraaie Dreamviewer. Erwin Zijleman

Kishi Bashi - Omoiyari (2019)

poster
4,5
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Kishi Bashi - Omoiyari - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Kishi Bashi - Omoiyari
Ik had nog nooit van Kishi Bashi gehoord, maar zijn nieuwe album Omoiyari is er een van een zeer bijzondere schoonheid en het is een album vol toverkracht

Kishi Bashi maakte al een aantal albums, maar met Omoiyari trok hij voor het eerst mijn aandacht. De eerste indruk was direct een onuitwisbare indruk, want wat kleurt Kishi Bashi zijn songs mooi in. In eerste instantie is het bijna overdadig wat je hoort op Omoiyari, maar al snel valt alles op zijn plek en hoor je muziek die de zon laat schijnen en die je meeneemt naar de sprookjeswereld van de muzikant uit Athens, Georgia. Omoiyari sluit aan bij de alternatieve folkies van het moment, maar sleept je net zo makkelijk keer op keer de jaren 70 in. Het levert een volstrekt tijdloos album op dat maar aan schoonheid en kracht blijft winnen.

Kishi Bashi is het alter ego van Kaoru Ishibashi, een in Seattle, Washington, geboren muzikant met Japanse roots. Kishi Bashi maakte in het verleden deel uit van de bands Jupiter One en Of Montreal, maar de Amerikaanse muzikant maakt ook al een jaar of zeven soloalbums en heeft er inmiddels vier op zijn naam staan.

De laatste verscheen vorige week en is gestoken in een hoes vol kleurige houten vogeltjes. Ik geef direct toe dat ik in eerste instantie vooral door de vogeltjes met enige aandacht naar het album van Kishi Bashi keek, want de vorige albums van de momenteel in Athens, Georgia, woonachtige muzikant zijn me ontgaan en ook de naam van de muzikant was ik nog niet eerder tegen gekomen.

De informatie bij het album zoomt vooral in op de teksten, die stelling nemen tegen de Amerikaanse samenleving van het moment in het algemeen en de terugkeer en opkomst van de “white supremacy” in het bijzonder. Het zijn maatschappijkritische teksten die flink contrasteren met de muziek op Omoiyari. Het album staat vol met zonnige en vaak honingzoet klinkende luisterliedjes.

Kishi Bashi kan zelf op een heel arsenaal aan instrumenten uit de voeten, met een voorliefde voor de viool, maar heeft ook nog flink wat andere muzikanten uitgenodigd voor het inkleuren van zijn nieuwe albums, waaronder een strijkersensemble. De songs op Omoiyari zijn zo rijk ingekleurd dat het nieuwe album van Kishi Bashi niet alleen zonnig, maar ook sprookjesachtig aandoet.

Ik moet eerlijk toegeven dat ik op het eerste gehoor net wat te veel van het goede vond, zeker wanneer de strijkers weldadig aanzwellen en Kishi Bashi zijn muziek ook nog eens verrijkt met Beach Boys achtige koortjes. Toen ik het album voor het eerst met de koptelefoon beluisterde was ik echter om.

De songs van de Amerikaanse muzikant zitten razend knap in elkaar en zijn voorzien van een prachtige instrumentatie. Gezien de veelheid aan instrumenten en muzikanten zou je een Phil Spector achtige wall of sound verwachten, maar alles op Omoiyari klinkt even mooi en subtiel. Omoiyari werd opgenomen in twee studio’s en bij Kishi Bashi thuis, waarna alles op zeer kundige wijze aan elkaar is gesmeed.

Het is knap hoe Kishi Bashi zijn veelkleurige geluid steeds weer andere richtingen op weet te slepen. Het ene moment doet de muziek op Omoiyari bijna klassiek aan, het volgende moment is het honingzoet, maar de Amerikaanse muzikant kan ook zomaar verrassen met een gitaarsolo die je mee terugneemt naar de jaren 70, waar het nieuwe album van Kishi Bashi wel vaker uit komt en hier en daar verrast met een vleugje McCartney genialiteit. Folk, pop, chamber pop, neo-klassiek en alt-folk zijn de andere invloeden die op Omoiyari een prominente rol spelen.

Kishi Bashi houdt de luisteraar in tekstueel opzicht een spiegel voor en focust op de misstanden in de Amerikaanse samenleving, maar in muzikaal opzicht slaat zijn album zich als een warme deken om je heen. Het levert een tijdloos album op dat bij iedere beluistering weer net wat mooier en betoverender is. Ik heb Kishi Bashi misschien bij toeval ontdekt, maar wat ben ik er blij mee, al is het maar omdat de vorige albums van de Amerikaanse muzikant net zo mooi en bijzonder zijn. Erwin Zijleman

Kissy Fleur - Ripened Fruit (2018)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Kissy Fleur - Ripened Fruit - dekrentenuitdepop.blogspot.nl

Kissy Fleur is een jonge singer-songwriter die werd geboren in Nederland, opgroeide in het Australische Sydney, maar sinds kort weer is teruggekeerd in Nederland.

De afgelopen drie jaar knutselde ze op haar slaapkamer haar debuutalbum in elkaar en dat heeft een buitengewoon opvallend en indrukwekkend album opgeleverd.

Ripened Fruit valt allereerst op vanwege de thematiek. Het album vertelt het heftige verhaal van een jong meisje dat wordt verkracht en sluit hiermee aan bij de #MeToo beweging van het moment, die dit soort verhalen bespreekbaar maakt en de daders aanklaagt.

Kissy Fleur vertelt het trieste verhaal van een jong meisje dat wordt getekend door seksueel geweld op bijzondere wijze en concentreert zich hierbij op alle emoties rond zo’n ingrijpende gebeurtenis.

Ripened Fruit is een dromerige en soms bijna sprookjesachtige klinkende plaat, wat flink contrasteert met de aardedonkere thematiek. Kissy Fleur verpakt al het vreselijks dat de hoofdpersoon is overkomen in metaforen, wat de trefzekerheid van haar teksten uiteindelijk alleen maar vergroot en al het leed op de plaat net wat draaglijker maakt.

De songs op de plaat zijn zoals gezegd dromerig en sprookjesachtig, maar het zijn ook songs vol muzikaal avontuur en songs waarin de emotie in een aantal gevallen flink opbouwt. Kissy Fleur heeft haar songs voorzien van atmosferische elektronische klanken, die vervolgens worden gecombineerd met klassiek aandoende arrangementen en het veelkleurige en betoverende geluid van haar harp.

Het past uitstekend bij de dromerige en vaak wat meisjesachtige stem van Kissy Fleur, die op fascinerende wijze in de huid kruipt van de hoofdpersoon op Ripened Fruit; een hoofdpersoon die ze uiteraard best zelf kan zijn.

In de songs wordt de spanning langzaam opgebouwd wanneer de voorgeschiedenis van het verhaal wordt verteld, wat Ripened Fruit voorziet van een bijzondere lading en onderhuidse spanning. Kissy Fleur trekt je steeds dieper in de bijzondere wereld die ze creëert op haar debuut, waardoor je steeds meer compassie voelt voor het slachtoffer en steeds meer afschuw voor de dader. Het zorgt ervoor dat Ripened Fruit niet alleen een verhaal vertelt, maar ook op subtiele wijze seksueel geweld aanklaagt.

De thematiek valt uiteindelijk niet los te zien van de plaat en dat zorgt voor diepe contrasten. Zo donker als het verhaal op de plaat is, zo wonderschoon is de muziek. Kissy Fleur maakt indruk met songs die maar weinig associaties oproepen met muziek uit het verleden en een duidelijk eigen geluid laten horen. Ik moest er even aan wennen, maar inmiddels ben ik diep onder de indruk van het emotionele debuut van Kissy Fleur. Erwin Zijleman

Kiwi Jr. - Chopper (2022)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Kiwi jr - Chopper - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Kiwi jr - Chopper
De Canadese band Kiwi jr verraste anderhalf jaar geleden met een serie onweerstaanbaar lekkere en volstrekt tijdloze popliedjes en herhaalt dit kunstje op het net wat anders klinkende maar even goede Chopper

Je moet het maar kunnen, volstrekt tijdloze popliedjes schrijven die aan van alles en nog wat doen denken maar toch een bijzonder eigen geluid hebben. De Canadese band Kiwi jr kon het op het vorig jaar verschenen Cooler Returns en kan het op het deze week verschenen Chopper. Het zijn wederom popliedjes waarvan je alleen maar heel erg vrolijk kunt worden en dat ondanks een hier en daar over drijvend donker wolkje. Chopper verwerkt net wat andere invloeden dan het vorige album van de Canadese band, maar het effect is hetzelfde. Ook Chopper is weer goed voor ruim een half uur zorgeloze popmuziek, die het humeur een enorme boost geeft. Heerlijk.

Chopper is het derde album van de Canadese band Kiwi jr en de opvolger van het begin vorig jaar verschenen Cooler Returns. Met dit tweede album maakte de band uit Toronto anderhalf jaar geleden wat mij betreft een onuitwisbare indruk. Cooler Returns klonk als de spreekwoordelijke omgevallen platenkast en het was een zeer goed gevulde platenkast die een aantal decennia popmuziek bestreek.

Kiwi jr klonk op haar tweede album als een mix van The Kinks uit de jaren 60, Roxy Music uit de jaren 70, The Strokes uit de jaren 90 en Rolling Blackouts Coastal Fever uit het heden, maar met deze vier namen had je hooguit het topje van de ijsberg te pakken. Kiwi jr grossierde op Cooler Returns bovendien in zorgeloze popliedjes waarvan je alleen maar heel vrolijk kon worden. Het waren ook nog eens bijzonder aanstekelijke popliedjes die eindeloos in je hoofd bleven rondzingen, waardoor je na beluistering van het album nog uren lang bleef rondlopen met een grote grijns op je gezicht.

Met Chopper voegt de Canadese band nog tien songs toe aan haar vooralsnog onweerstaanbaar lekkere oeuvre. De grijns van het vorige album is direct weer terug wanneer de eerste noten van het derde album van de band uit de speakers komen. De inmiddels uit duizenden herkenbare mix van invloeden is verrijkt met een heerlijk zeurend orgeltje, waardoor ook de naam van Inspiral Carpets kan worden toegevoegd aan de lijst met relevant vergelijkingsmateriaal, terwijl ik dit keer ook onmiddellijk associaties had met de meest aanstekelijke songs van Pulp of The Cars om nog maar eens twee namen te noemen.

Ook Chopper is weer een album dat aanzet tot associëren, waarbij je mag putten uit een aantal decennia popmuziek, maar het levert zoveel namen op dat je je ook kunt beperken tot één naam: Kiwi jr. We leven momenteel in vaak donkere en onzekere tijden, maar zorgen verdwijnen als sneeuw voor de zomerzon van het moment wanneer Chopper uit de speakers knalt.

Het derde album van de band uit Toronto borduurt absoluut voort op zijn voorganger, maar klinkt vooral door de inzet van elektronica ook net wat anders. Wat niet is veranderd is de aanstekelijkheid van de songs. Chopper bevat tien songs en het zijn allemaal songs die je bij eerste beluistering al je hele leven lijkt te kennen en die na tien of twintig keer horen nog net zo fris en aangenaam klinken als bij deze eerste beluistering.

Waar op het midden in de winter uitgebrachte Cooler Returns uitsluitend de zon scheen, drijft op het midden in de zomer verschenen Chopper hier en daar een voorzichtig donkere postpunk wolk over, maar ook wanneer de Canadese band wat serieuzer en donkerder klinkt, blijven de songs van Kiwi jr toch vooral zorgeloos en onweerstaanbaar.

Chopper moet het doen zonder de sensationele verrassing van het vorige album van de band uit Toronto, maar objectief beschouwd doen de albums wat mij betreft niet voor elkaar onder. Chopper is goed voor bijna 37 minuten muzikaal vermaak, maar het zijn zeker geen éénhapscrackers die Kiwi jr ons voorschotelt. Ik moet toegeven dat ik Cooler Returns het afgelopen jaar niet meer heb beluisterd, maar dat gaat de komende maanden absoluut veranderen, als is het maar ter afwisseling van het geweldige nieuwe album van Kiwi jr. Erwin Zijleman

Kiwi Jr. - Cooler Returns (2021)

poster
4,0
recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Kiwi Jr. - Cooler Returns - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Kiwi Jr. - Cooler Returns
Kiwi Jr. strooit op Cooler Return driftig met aanstekelijke of vrijwel onweerstaanbare popsongs, die ook nog eens een verrassend brede greep uit een aantal decennia popmuziek doen

Kiwi Jr. maakte bescheiden indruk met haar debuutalbum, maar album nummer twee is een voltreffer. De Canadese band put uit de archieven van een aantal decennia popmuziek en is hierbij zeker niet kieskeurig. Alle invloeden worden verpakt in gitaarsongs die even aangenaam rammelen als jengelen en die aan van alles en nog wat doen denken. Het levert een album op waarvan je alleen maar heel erg vrolijk kunt worden en dat komt in deze donkere dagen goed uit. En omdat de songs van Kiwi Jr. ook nog eens bijzonder makkelijk blijven hangen is Cooler Returns een gitaarplaat die later dit jaar nog wel eens hoge ogen kan gooien.

“Weer zo’n leuk gitaarbandje uit Nieuw-Zeeland”. Het is het eerste dat ik dacht bij de eerste beluistering van Cooler Returns van Kiwi Jr., dat vorige week op de mat plofte. Kiwi Jr. is absoluut een leuk gitaarbandje, als je het mij vraagt zelfs een heel leuk gitaarbandje, maar de band komt niet uit Nieuw-Zeeland, maar uit Canada.

De naam van de band zal waarschijnlijk dus niet verwijzen naar de vogel die alleen op Nieuw-Zeeland is te vinden en ook niet naar de inwoners van het land, waarmee de groene vrucht met een hoog vitamine C gehalte overblijft. Het tweede album van de band uit Toronto is in ieder geval net zo fris en fruitig als deze vrucht en had me onmiddellijk te pakken.

De Canadese band doet dat met een collectie zeer aanstekelijke songs, maar het zijn ook songs die de fantasie voldoende prikkelen om Kiwi Jr. niet direct te verruilen voor een andere leverancier van aanstekelijke gitaarpop. Cooler Returns is een aangenaam rammelende en jengelende gitaarplaat die direct associaties oproept met een band als Pavement of Dinosaur Jr., maar hier blijft zeker niet bij.

Bij beluistering van Cooler Returns hoor ik net zo makkelijk iets van het vroege Roxy Music of van The Kinks als van The Strokes of Rolling Blackouts Coastal Fever, om maar een paar namen te noemen. Tussen deze uitersten zitten een aantal decennia muziekgeschiedenis en ook die overbrugt Kiwi Jr. makkelijk.

De Canadese band kan uit de voeten met de indierock van de jaren 90 tot nu, maar duikt hier en daar ook diep in de archieven van de popmuziek uit de jaren 60 en 70 en 80, waarbij de band net zo makkelijk teruggrijpt op de ruwe energie van de Ramones als op de aanstekelijkste momenten van de Britpop.

Ik noemde de band hierboven een gitaarbandje en dat klopt in essentie ook wel. De vaste leden van de band beperken zich tot de drie-eenheid van gitaar, bas en drums, maar het zijn juist de accenten van mondharmonica, piano en orgel die de songs van Kiwi Jr. voorzien van een eigen geluid.

Cooler Returns is op zich geen album om heel druk over te doen, want veel nieuws gebeurt er niet op het album en ook voor muzikale of vocale hoogstandjes ben je bij de band uit Toronto aan het verkeerde adres. Het tweede album van Kiwi Jr. heeft een hoog jonge honden gehalte en rammelt zo nu en dan zo stevig dat een glimlach niet te onderdrukken is.

Aan de andere kant is er echter ook een reden om wel heel druk te doen over het album. Kiwi Jr. slaagt er immers in om 13 songs en 36 minuten lang te vermaken met songs waarvan je heel erg vrolijk wordt. Het zijn van die songs die stil zitten onmogelijk maken en die na een keer horen voorgoed in het hoofd zijn opgeslagen. Het zijn songs die doen verlangen naar een festival met Kiwi Jr. op het podium, maar zolang dat niet kan doet Cooler Returns het ook prima op een feestje thuis (met maximaal 1 bezoeker uiteraard).

Luister net wat beter en het valt op dat de aanstekelijke popsongs van de Canadese band, die overigens zo uit Nieuw-Zeeland had kunnen komen, verrassend veelzijdig zijn en steeds weer op een net wat andere manieren verleiden, al is de verleiding in alle gevallen genadeloos. Van dit soort albums heb ik er maar een paar of misschien zelfs maar één nodig in een jaar en die voor 2021 is binnen. Erwin Zijleman

Klangstof - Godspeed to the Freaks (2022)

poster
4,0
Recensie op de krenten uit de pop:
De krenten uit de pop: Klangstof - Godspeed To The Freaks - dekrentenuitdepop.blogspot.com

Klangstof - Godspeed To The Freaks
Klangstof kiest op haar derde album Godspeed To The Freaks voor een wat meer ingetogen en organischer geluid en zet een reuzenstap met wonderschone songs die verrassen, betoveren en benevelen

De Nederlandse band Klangstof is wat mij betreft de grote verrassing deze week. De vorige twee albums van de Amsterdamse band hadden wat mij betreft hun momenten, maar overtuigden mij onvoldoende. Het deze week verschenen Godspeed To The Freaks overtuigt echter vanaf de eerste tot en met de laatste noot. Het derde album van de Nederlandse band klinkt warmer, organischer en melancholischer dan zijn twee voorgangers, maar is ook consistenter, avontuurlijker en eigenzinniger. De songs van de band prikkelen uitvoerig de fantasie, maar vallen ook op door wonderschone klanken en al even mooie vocalen. Jaarlijstjesmateriaal wat mij betreft.

De Nederlandse band Klangstof timmert inmiddels een aantal jaren met flink wat succes aan de weg, maar zelf had ik tot dusver nog niet zoveel met de muziek van de band uit Amsterdam. Dat sloeg compleet om bij mijn eerste beluistering van Godspeed To The Freaks, het deze week verschenen derde album van Klangstof. Het is een album dat zich als de spreekwoordelijke warme deken om je heen slaat, waarna de songs op het album alleen maar mooier en indrukwekkender worden.

Ik heb de eerste twee albums van de Nederlandse band er vanwege de onmiddellijke liefde voor Godspeed To The Freaks ook nog even bij gepakt, maar het zijn albums die duidelijk minder met me doen, zeker wanneer de band zich beweegt op het pad van de synthpop. Invloeden uit de synthpop hebben op Godspeed To The Freaks een flinke stap terug gedaan, waardoor de muziek van Klangstof warmer en organischer klinkt.

De meeste songs op het derde album van de band vallen op door subtiele maar ook bijzonder mooie gitaarlijnen, die worden gecombineerd met bijzondere ritmes en atmosferische synths. Het combineert prachtig met de wat dromerige zang op het album, die de muziek van Klangstof een loom en melancholisch karakter geeft.

Godspeed To The Freaks deed me bij eerste beluistering vooral aan Radiohead denken, zowel door de muziek als door de zang, maar waar de Britse band het wat mij betreft vaak nodeloos ingewikkeld maakt, kiest Klangstof voor toegankelijke popsongs die onmiddellijk de juiste snaar raken. De Nederlandse band koos op haar vorige album nog voor flirts met 80s synthpop, maar Godspeed To The Freaks heeft zo nu en dan een aangename 70s vibe. Het is een 70s vibe die fraai samenvloeit met alle invloeden uit het heden die Klangstof verwerkt in haar muziek.

Omdat elektronica absoluut een stapje terug heeft gedaan op het derde album van de Nederlandse band, is Godspeed To The Freaks een wat consistenter album dan zijn voorgangers, maar Klangstof varieert nog altijd flink in haar muziek, die af en toe aangenaam ontspoort.

Het album kwam bij mij nog wat meer tot leven toen ik het met de koptelefoon beluisterde en alle fraaie details in de instrumentatie aan de oppervlakte kwamen. Ook de zang komt bij beluistering met de koptelefoon nog net wat beter tot zijn recht. De wat hoge en dromerige zang geeft de muziek van Klangstof niet alleen een herkenbaar eigen geluid, maar voorziet het album ook van een intieme en intense sfeer, die wordt versterkt door de hier en daar echt wonderschone klanken. Het is knap hoe Klangstof aardse en atmosferische klanken met elkaar weet te verbinden in muziek die even makkelijk benevelt als betovert met zowel schoonheid als avontuur.

Vanwege mijn mindere ervaringen met de vorige twee albums, begon ik met lage verwachtingen aan Godspeed To The Freaks, maar het album maakte direct een onuitwisbare indruk en is me sindsdien alleen maar dierbaarder geworden. Godspeed To The Freaks sleept zich al snel van hoogtepunt naar hoogtepunt, waarbij het fraaie duet met Someone, het alter ego van Tessa Rose Jackson, niet onvermeld mag blijven. Klangstof heeft met haar derde album een parel binnen de Nederlandse popmuziek afgeleverd, die ook ver buiten de eigen landsgrenzen alle aandacht verdient. Erwin Zijleman